De zon en haar persoonlijkheid

image_pdf

3 juli 1964

Aan het begin van deze bijeenkomst mag ik u er wel op wijzen, dat wij niet alwetend of niet onfeilbaar zijn. Dit is een eigenschap die mens en geest gemeen hebben. Ons onderwerp van heden draagt de titel: De zon en haar persoonlijkheid.

De zon is het middelpunt van het zonnestelsel. Rond haar bewegen zich de planeten in banen, die zodanig liggen, dat zij gezamenlijk een betrekkelijk plat vlak vormen. Er zijn dus twee kanten van de zon, die open staan naar de ruimte toe. De zon zelf is een eigenaardig lichaam, waarin bepaalde stoffen onder zeer hoge druk aanwezig zijn, naar buiten gestuwd worden en in een soort vulkanische uitbarsting hun energie afgeven, zo tot gloed komen om dan, afgekoeld, terug te keren naar het oppervlak van de zon om daar opnieuw aan een cirkelgang van chemische reacties en terugkeer naar het midden van de zon deel te nemen. De zon is, vergeleken met vele andere sterren, van tamelijk geringe grootte, zij is tamelijk instabiel en is zelfs, wanneer wij haar bezien in vergelijking met de andere sterren van het heelal, betrekkelijk oud. Dit is een opsomming van kwaliteiten, zoals men misschien elders als een woordprofiel aan kan treffen op plakkaten met het onderschrift: opsporing verzocht, beloning: x gulden.

In deze dagen weet men dit alles en meer van de zon, maar in de oudheid dacht men anders over haar. Wanneer wij de grote godsdiensten van de oudheid nagaan, zo zien wij dat de zon haast altijd vereerd werd als een godheid, dan wel gezien werd als de stoffelijke en zeer persoonlijke uiting van een bepaalde god. Hoezeer deze opvatting in het innerlijk van de mensheid nog voortleeft, blijkt uit vele feiten. Bezie bijvoorbeeld eens een beeld van een heilige: In vele gevallen geeft men hen een aureool, dat niets meer toont van werkelijke uitstraling, maar stelt men achter hen een gouden schijf of cirkel om hun verhevenheid aan te geven. Het is dan, alsof de schijf van de zon achter hen staat.

Zonder ons daarmede verder op te houden, moeten wij toch even vaststellen, dat de zon als godheid in de oudheid wel zeer belangrijk is geweest, terwijl men aan die zonnegod bepaalde eigenschappen heeft toegekend. Nu worden deze meer persoonlijke eigenschappen op het ogenblik wel wetenschappelijk verworpen. Het beeld van de zon als een soort bovenmenselijke persoonlijkheid in menselijke vorm, is inderdaad nu niet meer aanvaardbaar. Aan de andere kant zullen de reeksen van eigenschappen, die men aan de zon toeschreef, toch niet allen tot stand zijn gekomen, zonder dat daarvoor enige reden aanwezig was.

Wij horen dan onder meer de volgende stellingen:

De zonnegod is de schepper van het Al. Sommigen stellen, dat hij het eerste in leven gebleven kind zou zijn van Chronos, van de tijd. De zon is wel degelijk het centrum van het zonnestelsel en voor het ontstaan daarvan verantwoordelijk. De zonnegod wordt ons beschreven als een tamelijk capricieus wezen vol tegenstellingen. De warmte van de zon brengt dood, maar ook vruchtbaarheid. Hij is a.h.w., een Marsprincipe door zijn strijdbaarheid, maar kent gelijktijdig toch een zachtheid, die wij veel eerder bij godinnen zoals bijvoorbeeld bij Venus zouden verwachten. De tederheid van de zon, gepaard gaande met een voor ons haast onvoorstelbare hardheid, is in de oudheid kentekenend voor alle zonnekrachten. De mens strijdt met de zon, de ingewijde leert haar in bepaalde aspecten beheersen.

Indien wij het daarbij willen laten, hebben wij over de werkelijke persoonlijkheid van de zon nog niet veel gezegd. Wij hebben dan het werkelijke scheppingsproces buiten beschouwing gelaten evenals vele krachten, die binnen deze schepping tot uiting komen. Wanneer, ik nu dus begin daarover iets te vertellen, wil ik het voorgaande voorlopig maar als bijkomstig beschouwen.

De mens van heden kan zich de zon niet meer voorstellen als een godheid. Misschien kan hij zich echter wel voorstellen dat zij leeft, dat zij een levend wezen is. Het is dit levende wezen zon waarover ik spreek.

In den beginne was God. Wat God is, weten wij niet. Uit God komt de Schepping voort door middel van twee uitersten – licht en duister – die tegenover elkaar worden gesteld. Hoe dat precies is gegaan, weten wij niet. Wat daaromtrent wordt gesteld, is slechts een rationalisatie, een veronderstelling of een geloofspunt. Hoe goed het ook moge klinken, de kern ervan kunnen wij ten hoogste aannemen, maar niet begrijpen.

Het volgende echter valt meer binnen onze begripsmogelijkheden: In het centrum van het Al, is, of ontstaat een enorme en zeer dichte massa materie. Deze materie, ook wel het oeratoom genoemd, verliest door niet gekende oorzaken, en mogelijk ook invloeden van buitenaf, zijn samenhang en wordt explosief uiteengeworpen. Daarbij ontstaat wrijving, warmte, licht, door het licht ontstaat o.m. lichtdruk, welke weer verantwoordelijk is voor de eerste wervelingen van de oermaterie. Elke werveling van deze oermaterie resulteert uiteindelijk in het ontstaan van een grote reeks zonnen, die de oorspronkelijke wervelende beweging deels overnemen.

Aan de hand van deze stellingen kan worden gezegd, dat de Melkweg een van de oudere nevels is: Zij heeft haar trechtervorm, zoals deze bij bv. een waterhoos eveneens te zien is, reeds grotendeels afgelegd en is reeds bijna discusvormig geworden. Aan het uiteinde van een der vele uitlopers, als de trekken en velden van een geweerloop, in afwisseling van materie en materieloze ruimte rond deze discus gevormd hebbend, leeft de zon.

Maar de kracht, die van het goddelijke uitging, was, indien wij het bestaan van een wetende en bewust scheppende God aannemen, zeker niet alleen maar een explosie. Het lijkt mij overigens vreemd, wanneer men God of Eerste Oorzaak alleen maar wil zien als een primaire explosie. Volgens mij was er meer. Het wezen Gods openbaart zich immers in Zijn schepping. God vormt volgens mij die schepping. God geeft zichzelf a.h.w. aan het leven. Het leven bestaat reeds lang, voor er sprake is van zon of aarde.

Met de bijbel in de hand zullen sommigen dit onaanvaardbaar heten. Maar hoe moeten wij anders verklaren, dat er reeds engelen waren, dat er in de hemelen reeds een strijd werd uitgevochten, voor de schepping voltooid werd? Volgens mij kunnen wij dan ook rustig zeggen: Al datgene, wat van het oeratoom is uitgegaan, heeft niet alleen een deel materie meegekregen en wat actie, wat activiteit, maar verkreeg daarnaast iets anders, dat men ziel zou kunnen noemen; een deel van het goddelijk wezen, van het goddelijk Licht, de Goddelijke Kracht.

Deze kracht was dus aanwezig vanaf het begin van de werveling die nu melkwegstelsel wordt genoemd. De zon kwam daaruit voort. In haar was weer een deel van de kracht uit de nevel aanwezig. In de zon ligt dus de kracht van de nebula “Melkweg”. Wat in de planeten ligt, is echter weer een deel van de kracht van de zon. Wij zien een soort hiërarchie ontstaan, die begint bij het eerste gebeuren, bij de Eerste Grote Persoonlijkheid, waaruit de schepping ontstaat. Van daaruit zien wij honderden, duizenden, miljoenen verschillende persoonlijkheden ontstaan. Zij zijn verschillend van wezen, kracht, vorm misschien. Elk van hen kan, indien wij ons beperken tot het gekende Al, een planeet, een zon, een wereld zijn. Indien er echter hier sprake is van werkelijke persoonlijkheden, van bewuste entiteiten, zo moeten wij ook stellen, dat elk van hen een mogelijkheid moet hebben om zijn persoonlijkheid tot uiting te brengen.

Contact met de wereld, rond het ik van die persoonlijkheid is daarvoor noodzakelijk, maar wanneer wij ons af gaan vragen, op welke wijze sterren dan wel met elkaar, of het Al, in verbinding kunnen staan, rijzen vele raadselen. Een gedeeltelijke oplossing hiervoor zou men kunnen vinden, wanneer men eens gaat kijken bij een radiotelescoop. In een radiotelescoop “hoort” men namelijk bepaalde storingen, die aan bepaalde sterren of bepaalde delen van de ruimte kunnen worden toegeschreven. Indien wij nu eens stellen, dat dit een vorm kan zijn van spreken der sterren, een taal, die de mensen niet kunnen verstaan, omdat de vibraties voor de mens te lang van duur, te zeer in tijd uitgesponnen zijn, kunnen wij ons een Al voorstellen, waarin de sterren met elkander spreken, communiceren. Dan is de zon burger van een wereld, die kosmos heet en deel van een natie, die wij melkwegstelsel hebben gedoopt. De zon is dan een betrekkelijk onbetekenende burger, want er zijn veel grotere en sterkere sterren, veel krachtiger persoonlijkheden binnen de sterrennevel aanwezig. En de kern van dit alles is waarschijnlijk een sterkere persoonlijkheid, die het geheel domineert en regeert zoals een vorst in de oudheid eens zijn rijk bestuurde.

Nu kunnen wij ons de zon reeds iets beter voor gaan stellen: Zij is nu voor ons niet meer zonder meer een ster of een godheid, maar ook nog ergens een doodgewoon burgermannetje of -vrouwtje. Deze burgerlijkheid komt natuurlijk tot uiting in de wijze van leven en werken. De zon heeft haar relaties met het Al betrekkelijk eenvoudig gesteld. Misschien is zij wel juist op weg om een boodschap te doen, of wil op bezoek gaan bij een andere ster. Zij trekt haar baan volgens de wetten van de sterrennevel, maar kan haar doel en bestemming wijzigen naar believen, ofschoon dit voor de mensen en de geesten niet merkbaar is, omdat dit alles zich afspeelt in perioden van honderdduizenden jaren. Door de lange tijdsduur van de reacties zeggen deze de mens niet veel, zijn beschavingen duren zelden lang genoeg om een zuiver wetenschappelijk inzicht te kunnen verwerven in de werkelijke bewegingen en gerichtheden van het zonnestelsel in de ruimte.

De zon reageert echter wel degelijk op haar milieu. Zij ontvangt indrukken en verwerkt deze. Dit wil nog niet zeggen, dat de gedachten en inwerkingen van de mensheid haar veel zeggen: deze zijn te snel, te klein en worden in hun hoogste werking misschien tot een achtergrondgeluid als het ruisen van het bloed of het haast onhoorbaar kraken van een op de wind zwaaiend hekje.

Toch lijkt het mij juist, op grond van het voorgaande de stelling te opperen, dat de zon leeft, beweegt, een doel en een taak heeft en deze volbrengt in overeenstemming met de andere sterren of sommigen daarvan. Er is een wet, die de kosmos beheerst en voor de zon betekent dat zij op haar eigen baan bepaalde acties heeft te volbrengen en contact dient op te nemen met bepaalde andere sterren. In de ruimte zal de zon steeds weer andere taken, mogelijkheden en contacten ontmoeten, die haar stemming zeer snel kunnen doen veranderen, zoals dit geschiedt bij een mens, die vanuit de kerk het marktplein opgaat, om na het gebed handel te drijven. Misschien vindt u dit een interessante hypothese, meer niet. Toch beschik ik wel over meerdere logische argumenten. De zon toont aan ons bepaalde cycli, waaronder cycli van 3 en 5 jaren.

Dezen kunnen zoiets zijn als een snelle hartenklop of een ademhaling. Daarnaast blijkt de zon toch ook wel periodieke veranderingen te ondergaan met een looptijd van 700 en zelfs 2100 jaren. De dan optredende verschijnselen zijn echter zelden gelijkwaardig. Misschien is dit zoiets als een beweging of een deel daarvan. Misschien vertegenwoordigen deze veranderingen, die voor ons een lange tijd schijnen te duren, voor de zon slechts zoiets als een realisatie, een denken. Zeker is, dat hiervan invloed uitgaat naar geheel het zonnestelsel en misschien zelfs verder. Zo wij aannemen, dat de zon een levend wezen is, kan dan ook gesteld worden, dat al haar levensprocessen op alle planeten invloed zullen hebben.

Het is niet zo eenvoudig deze invloed te beschrijven, ook al heeft men dit bv. in de astrologie wel geprobeerd. Wij kunnen alleen maar zeggen: Zij treden op en – wat meer is – zij hoeven niet altijd gelijk te zijn. Zoals bij een mens op een gegeven ogenblik de pols sneller zal slaan, zoals de bewegingen van een mens het ene ogenblik fel en gedecideerd, een volgend ogenblik laks en traag kunnen zijn, zo zal dit bij de zon ook voor komen. Daardoor wordt zij voor de mens – en de geest in zeker opzicht ook – toch nog ergens een onberekenbare factor. Overigens, wanneer de bewegingen van de zon niet zo grote perioden van menselijke tijd omvattend zouden zijn, zou de mensheid niet binnen het bereik van die zon kunnen leven, omdat zij eenvoudigweg de tijd niet zou krijgen om zich aan te passen.

Wanneer wij iets meer willen weten over de betekenis van de zon, zullen wij dit daarom moeten doen vanuit een menselijk standpunt; de zon heeft wel een persoonlijkheid, maar die zegt u niets: Zij is te groot.

De verhouding mens-zon kan worden uitgedrukt in de vergelijking van de microbe met de berg, waarop zij leeft. Maar, zoals de berg door haar structuur, geaardheid enz. de levensomstandigheden van de microbe zal beïnvloeden, zo doet de zon dit t.a.v. de mens. Wij kunnen de bewegingen en motieven van de zon moeilijk analyseren. Haar beweegredenen kunnen wij zelfs maar met de grootste moeite enigszins in menselijke taal uitdrukken, terwijl zij bovendien te grote tijdperken omvatten, om voor de mens begrijpelijk en overzichtelijk te kunnen zijn. De meest reële mogelijkheid om vanuit een menselijk standpunt het karakter en wezen van de zon nog te benaderen is m.i. een beschouwen van haar invloed en de wijze, waarop zij haar werkingen kenbaar maakt binnen de menselijke tijd.

Ik grijp hier naar een zekere vergelijking: Er zijn mensen, die voor anderen kenbaar en voelbaar een uitstraling met zich dragen. De een brengt zekerheid met zich, of onrust, een ander een zwarte sluier van verdriet, of een laaiende gloed van vitaliteit. Wanneer zo iemand ergens binnen komt, hoeft hij zich zelfs daarvan niet bewust te zijn, hij hoeft niets te doen. Zonder enig verder willen of ingrijpen steekt deze uitstraling de omgeving aan. Wat wij zullen omschrijven als de persoonlijkheid van de zon kan, zodra wij van een menselijk standpunt uitgaan, niets anders zijn dan deze aura, deze eigen uitstraling van het zonnewezen.

Allereerst valt ons echter wel op, dat de zon kennelijk geen respect heeft voor de mensen.

Begrijpelijk: De mens is zo onmetelijk klein, dat de zon de mensheid niet kan respecteren. Aan de andere kant kan het gezamenlijk denken en leven van de mensen wel even de aandacht van de zon wekken, maar dan op ongeveer dezelfde wijze als een heel klein stofje of vliegje, dat je normalerwijze niet zou opmerken, maar je heel wat aandacht af zal dwingen, wanneer het in je oog terecht komt. Wanneer het menselijk denken als geheel niet past bij de zon zou deze daarop dan ook wel attent kunnen worden en waarschijnlijk zal de reactie van een zon dan niet veel verschillen van de reactie van een mens, die begint te wrijven of het hinderlijke object weg wil wuiven. Vaak zal deze reactie zichtbaar worden als schijnbaar zonder reden uitschietende vlammen van zeer grote hoogte in de corona. Ik stel dus vast, dat de zon geen persoonlijke relatie zal kennen met de doorsnee mens, maar wel met de mensheid. Wat voor de zon belangrijk is, is nimmer een enkel persoonlijk leven of het gebeuren daarin, dit blijft voor haar onder de grens van het kenbare. Zij zal slechts kennis nemen van het leven als geheel.

Wat voor de zon verder van zeer groot belang moet zijn, zal het contact met haar planeten zijn. Dezen zijn voor de zon waarschijnlijk zoiets als voor ons ledematen of zintuigen; zij vertegenwoordigen bepaalde capaciteiten van de zon, die in een baan buiten haar innerlijk, haar eigenlijke bezieling, materieel zijn vastgelegd. Wie van ons zal echter stellen, dat zijn hand of voet een eigen persoonlijkheid bezitten? Zoiets denkt en doet men niet. Wel zal men bv. over zijn handen spreken als bekwaam e.d. Ik meen, dat wij de zon moeten zien als een wezen dat een deel van zijn bekwaamheden – in kosmisch opzicht – concentreert binnen de verschillende planeten. Wat een verklaring zou zijn voor de eigenaardige kwaliteiten, die de planeten nu eenmaal blijken te bezitten, en zou zelfs een verklaring kunnen vormen voor hun karakter en baan rond de zon. Het zou ook duidelijk maken voor de geest, waarom verschillende planeten een bijna gelijk pulserend ritme met de zon schijnen te bezitten, zoals bv. de kleine Mercurius, terwijl anderen zich van de korte ritmen en eigenschappen van de zon weinig of niets schijnen aan te trekken, als de onaandoenlijk lijkende Saturnus.

De zon ziet het heelal als een wereld, haar baan als een straat, waardoor zij loopt. Zij is misschien ongeduldig, maar haar ongeduld kan ons niet als zodanig beroeren. Haar automatische reacties zijn voor de mens belangrijk, haar sfeer blijkt er een te zijn van een voortdurend zoeken en voortdurend strijden. Men heeft de zon wel eens willen voorstellen als een volmaaktheid, een wereld, waarin de uit vuuressence gebouwde wezens lichtend ronddartelen, of weiden van vloeibaar gas, dat oplicht als goud. Misschien is het ook wel zo. Ik althans zal tegen dergelijke stellingen niet ingaan, omdat er op de zon wel degelijk entiteiten leven, ook al is hun wezen zodanig anders van vorm en wezen dan het uwe, dat het u moeite zou kosten hen als levende wezens te beschouwen, voor u in hun geestelijke processen en waarden zou zijn doorgedrongen.

Voor ons straalt de zon de wil tot streven uit. Op alle planeten – en dus niet alleen op de uwe – is het voortdurend wisselen van evenwichten kentekenend voor de invloed van de zon.

Daarbij kunnen wij nimmer spreken van vaste waarden, of zelfs maar vaste perioden van vooruitgang en achteruitgang, laat staan van alleen maar vooruitgang. Overal zien wij, dat vooruitgang en achteruitgang elkander steeds weer ontmoeten. De zon zendt haar scheppende krachten uit en ademt ze weer in. Deze onbewuste ademhaling omschrijft voor ons een groot deel van de cyclus van de zon, zelfs reeds de cirkelgang, die 7 jaren schijnt te duren. De levensreacties en onbewuste reacties, die daaruit voort plegen te komen, zijn voor ons nimmer een kenteken van bewuste activiteit. Het is doodgewoon een organisch proces, dat plaats vindt. Voor ons blijkt magnetisme en straling in een magnetisch veld daarbij een hoofdrol te spelen.

Maar hoe zou ik die zon zien, wanneer ik een mens was?

Naar ik meen als een wezen, dat voor mij onmetelijk groot is, een wezen, waaraan ik zekere goedheid moet toeschrijven, omdat het mij uiteindelijk in leven houdt, omdat ik zonder dit mij geen bestaan kan denken. Maar ik zou die zon ook zien als een wezen, dat geen voor mij begrijpelijke logica hanteert, of een logica kent waarvan de samenhang en zin mij ontgaan, omdat ik eenvoudig niet kan denken in kosmische termen en mij niet kan realiseren, wat mijn tijd en leven in kosmische zin betekent. Verder wordt dan de zon voor mij een wezen, dat voortdurend actief is. Haar wezen is voor mij een voortdurende reeks van explosies, een voortdurende uitstraling ook in de ruimte. Voor mij is de zon actief in alles, wat zij beroeren kan, een wezen dat ongetwijfeld wel spraakzaam zal zijn en misschien voortdurend in communicatie staat met andere sterren. Geestelijk gezien is bovendien eigenaardig, dat de zon ook naar de ledige ruimte een soort vraag schijnt uit te zenden, alsof zij vermoedt, dat achter de ledige ruimte een persoonlijkheid verborgen is, waarmede zij contact wenst.

Dit wezen blijkt verder nogal aan stemmingen onderhevig te zijn: wanneer je in dagen volgens de eigen tijd van de zon zou kunnen spreken – wat waarschijnlijk een kwestie is van duizendtal jaren – kentekent zij zich wel door voortdurende veranderingen van stemming, die vooral mentaal door de mens ervaren zullen worden. Voor ons is de zon dan ook niet alleen een wezen, dat labiel, wankel is in fysiek opzicht, maar bovendien zien wij een dergelijke labiliteit ook optreden in de kracht, intensiteit en inhoud van de geestelijke uitstralingen, de aura van de zon.

Te oordelen aan de gedachten en reacties, die bij de mens inductief schijnen te ontstaan, wisselt de zon hogere geestelijke gedachten en bestrevingen af met zuiver dierlijke behoudsimpulsen om vandaar weer tot het meer geestelijke terug te keren. De mensen op aarde volgen slechts traag en onbegrijpend dit ritme, waarvan het wezen, de zin en soms zelfs het bestaan hen ontgaan.

Is de zon een wezen, dat buiten ons leeft? De zonmaterie zelf dringt niet in ons door. Maar waar wij ook zijn – nacht of dag – altijd bereikt de zon ons, geeft zij ons bepaalde stimulansen. Je zou kunnen zeggen, dat de zon leeft in alles wat op en om de planeten is, alsof dit een extensie zou zijn van haar eigen wezen en persoonlijkheid.

Tot nu toe geeft dit alles ons het volgende beeld van de zon en haar persoonlijkheid: een burgermannetje, op weg naar een doel, waar wij weinig of niets vanaf kunnen weten, dat de planeten als ogen, oren en ledematen gebruikt, daarbij de planeten, en alles, wat tot het zonnestelsel behoort, zozeer beïnvloedende, dat de stemmingen en reacties van de zon daarin weerkaatst worden. Verder wordt ons duidelijk, dat een dergelijk wezen tijdnormen moet kennen, die voor de mens onvoorstelbaar zijn, waardoor een seconde voor de zon de mens reeds vele jaren zal lijken.

Toch ben ik met dit alles nog niet tevreden. Wanneer ik de zon in haar ware gedaante wil zien, zal ik nog verder door moeten dringen in de redenen en oorzaken van haar bestaan. Het is nu wel aardig om te zeggen, dat de zon nu eenmaal bestaat, omdat zij geschapen is. Maar zo kan de mens van zich zeggen: Ik leef, omdat ik geboren ben. En ik kan zeggen als geest: Ik leef in de sferen, omdat ik dood ben gegaan. Daarmede geven wij wel een oorzaak, maar geen reden. Er moet een achtergrond zijn, waardoor dit alles waarlijk zin heeft. De zon moet een eigen geloof, een eigen weten en inhoud kunnen bezitten. Deze dingen kan men echter nooit vinden in voor mensen begrijpelijke termen, wanneer men alleen van de zon zelf wil uitgaan. Om hier een mogelijk inzicht te krijgen, dient men uit te gaan van een kosmisch systeem.

Ik stel: God schept, tijdloos en ruimteloos, alle vormen, alle beelden, alle dingen, die ooit in de schepping voor ons of enig bewustzijn aanwezig zullen zijn. Daaraan voeg ik toe: dit betekent, dat ook de voltooide vorm van dat, wat wij zon noemen en de ideale vorm van ons eigen wezen werkelijk daarin zal moeten bestaan. Het einddoel van onze zon – en de vele sterren, die met haar verwant zijn – kunnen wij uit deze oervormen wel afleiden: zij is daarin het levengevende licht, een weerkaatsing van het goddelijke zelf. Zoals wij plegen te spreken van het goddelijke Licht, dat alles leven geeft, zo is het nu het meer stoffelijke licht van de zon, dat op de planeten leven kan wekken. Licht, dat tot in de diepste ruimte, zoals de mens die kent, nog wel reacties wakker zal kunnen roepen. Licht, waarop de kleinste organismen reizen kunnen over onmetelijke afstanden, licht, dat misschien spreekt tot de andere sterren.

Voor mij is de ster ergens een evenbeeld van het goddelijke zoals ik dit beseffen kan. Zoals het Goddelijke zich in twee aspecten openbaart voor de stof, zo doet ook de ster dit: zij is brandend vuur en levengevend licht gelijktijdig. De persoonlijkheid in de oervorm is de voltooiing, het ik, dat leven heeft geschonken, een Ik, dat in zichzelf een schepping waar heeft gemaakt. Wanneer ik de zon bezie en bedenk, hoe zij haast onbewust deze aarde, waarop u leeft, met leven heeft bezaaid, daarop planten, dieren en zelfs mensen heeft voortgebracht, zo kan ik mij niet voorstellen, dat dit zonder enige zelfrealisatie in de zon plaats zou vinden. Daarom vraag ik mij af, of de zon niet ergens droomt: Een wezen, dat zijn volmaaktheid nog niet geheel beseft, maar innerlijk reeds tracht aan deze volmaaktheid te beantwoorden, zoals dit ook bij mensen het geval kan zijn; dromende over dingen, die misschien zonder dit nooit werkelijk zouden worden.

Maar de macht, die in de persoonlijkheid van de zon is gelegen, is veel groter: Een kracht, waardoor voor ons het leven a.h.w. bepaald wordt. Eén enkele uitbarsting vond plaats op de zon, en de aarde, waar alleen wat chemicaliën waren opgelost in water, droeg opeens een begin van leven: Half levende eiwitten. Een volgende uitbarsting volgt en in de wereldzeeën ontstaat het eerste primitieve leven; het zijn de krachten van de zon, die bepalend zijn voor vele gebeurtenissen in de tijd van  maar ook mede invloed hebben op de rampen van Atlantis. Het is de kracht van de zon zelf, zij het in de wereld of direct, die bij dit alles een rol speelt.

Ik kan mij niet voorstellen, dat de zon de mensen kent. Van een alomvattende en alwetende God moet ik dit wel aannemen. Maar zelfs voor die grote Godheid kan ik mij wel een algemeen beeld voorstellen, doch geen bijzondere occupatie met elk wezen afzonderlijk, met alle gedachten en daden van elk ikje. Misschien is dit een fout van mij, maar misschien overschat de mens zichzelf zeer, wanneer hij meent als enkeling belangrijk te zijn voor het Hoogste. Ik meen, dat in het ik eerst de waarheid van dit allerhoogste eerst erkend zal moeten worden, voor deze belangrijkheid ook maar kan beginnen te ontstaan als gevolg van de harmonie, die uit begrip en aanvaarding voortkomen. De zon zal trachten deze harmonie te gewinnen en zal m.i. daardoor lering zoeken. Zoals wij naar school gaan en van verschillende docenten lessen nemen, zo schijnt het mij toe, dat de zon in de ruimte nu eens hier, dan eens daar een lesuur gaat halen. Misschien denk ik hier veel te kinderlijk. Maar hoe komt het anders, dat die zon bij elk teken van de dierenriem anders reageert, zodat voor de wereld geheel verschillende tijdperken gedomineerd worden door de Ram, door Vissen, Aquarius enz. de tekens van de dierenriem. Dit wijst op steeds wisselende ervaringen en invloeden, die naar ik meen toch ook voor de zon belangrijk moeten zijn.

Zeker is, dat steeds weer een invloed uit de ruimte op de zon en haar planeten inwerkt. Maar de zon verandert haar eigen wezen en zelfs werk en ritme in overeenstemming met deze invloeden. Wij zien zelfs – ofschoon dit nooit geheel is bewezen en o.m. toe wordt geschreven aan onnauwkeurigheden en fouten van de Chaldeeën – dat de zon in het verleden anders pulseerde dan nu en mogelijk zelfs de snelheid van de verschillende planeten rond die zon een enigszins andere geweest is. Vaak spreekt men over een afnemende gloed van de zon, een uitdovende zon. Maar ook dit blijkt niet noodzakelijkerwijs waar te zijn: Wij zien andere sterren, die uit schijnen te doven en opeens weer opbloeien, soms als sterren, die veel witter – heter – zijn dan tevoren, soms als sterren, wier omvang op onverklaarbare wijze schijnt te zijn toegenomen bij een afname van de oppervlaktetemperatuur. Wie aanneemt, dat de zon een levend en denkend wezen kan zijn, zal ook moeten aannemen, dat een ster dergelijke veranderingen zelf veroorzaakt en misschien zelfs bewust zoekt.

Zo leert volgens mij de zon zichzelf steeds meer en steeds beter kennen, zij verwerft zich, naar ik meen, op deze wijze ook bekwaamheden en inzichten, die tot gevolg zullen hebben dat ledematen en zintuigen – de planeten – steeds anders gebruikt zullen kunnen worden. Een betrekkelijk kleine wijziging kan voor ons op aarde soms onbegrijpelijk en onverklaarbaar zijn, steeds hebben wij voor een behaald resultaat naar links moeten grijpen, nu moeten wij opeens daarvoor naar rechts grijpen. In bepaalde opzichten moest men, om resultaat te boeken, hoog geestelijk zijn, nu opeens kan men dezelfde resultaten alleen met grof dierlijke middelen bereiken, of omgekeerd. De mensen zullen met dergelijke veranderingen in hun wereld geen raad weten en hun nieuwe kennis uiteindelijk verhullen achter uitvindingen en ontdekkingen, omdat het leven nu eenmaal enige reden en zin dient te behouden. De feiten zijn immers onlogisch? Voor de zon is dit alles wel logisch; zij ontdekt in wat voor haar maar een kort ogenblik is, dat zij haar wezen en zintuigen nog niet juist of voldoende nuttig gebruikt en neemt proeven met haar eigen vermogen en zintuigen, tracht zich misschien aan te passen aan haar vage dromen.

Binnen het kosmisch geheel zie ik de zon dan ook als een geestelijk strevend wezen, dat naar volmaaktheid zoekt. Deze volmaaktheid, die zij na streeft, is echter meer dan haar eigen volmaaktheid alleen. In die volmaaktheid zou God binnen zijn wezen geheel de schepping tonen in de volmaakte vorm. Ook een vorm, die het beeld is van de mensheid door alle tijden zal daar bestaan, volmaakt en alle mensen en vormen van mensheid omvattende. Dit beeld zal groot genoeg zijn, om als gelijke te kunnen spreken tot zonnen en sterren; dit verklaart, dat er toch enig besef en contact met de mensheid, maar niet volgens de nu geldende normen en vormen, mogelijk is.

De zon kent evenals mensen en geest intuïtieve momenten, waarin zij opeens over een weten en begrip beschikt, waarvan zij zich niet bewust is het ooit bezeten te hebben en waarvan zij de bron dan ook niet kent. Ik meen, dat de zon op deze wijze ook het ware, het volmaakte beeld van de mensheid ontmoet. Niet het enkele wezen van één enkele mens of zelfs maar de mensheid, zoals wij die kennen, maar het geheel van alles, wat door zijn bewustzijn aanspraak kan maken op de term mensheid, samengevoegd in één enkel ideaal oerbeeld.

Het werken en leven van de zon zelf is een proces van bewustwording. Op grond daarvan kan ik zeggen: Door haar bewustwording en de wijzigingen in haar wezen en werken, die daaruit voortvloeien, dwingt de zon alles, wat deel uitmaakt van haar wezen of onder haar invloedssfeer valt, ofwel te niet te gaan, dan wel zich steeds weer in leven en werken aan te passen aan het door de zon bereikte bewustzijn. Daarmede heb ik van de persoonlijkheid van de zon ook nog een geestelijke weg gemaakt, die wij gaan zullen, of wij willen of niet. Een weg, die men vooral stoffelijk wel zal moeten gaan en waaraan men betrekkelijk weinig zal kunnen veranderen.

Conclusie: De zon zelf zal de mensheid nimmer erkennen zoals deze is of leeft, maar zal een  besef van die mensheid in zich dragen zoals een mens wel weet, dat zijn hart klopt en het bloed spoelt door zijn aderen. Hierdoor tracht de zon invloed uit te oefenen op de mensheid, zonder zich daarvan geheel bewust te zijn. In de beheersing van haar wezen is de zon nog niet zover gevorderd, daarvoor is zij nog niet stabiel genoeg. Dankzij deze instabiliteit zal zij echter, daarbij vaak balancerende op de grens tussen genialiteit en waanzin, zichzelf mede willen delen aan alle delen van leven die zij ervaart als deel van eigen bestaan. Zo vormt zij voor ons de noodzaak tot aanpassing, de noodzaak tot erkenning, ofschoon de zon ons nooit zal zien als de ik-heden, die de mensheid vormen, maar alleen als delen van de perfecte mens, de oervorm van de mensheid in een goddelijke volmaaktheid, die zij in haar dromen en intuïtieve reacties eens ontmoet heeft. Waar een mens, al is het maar voor een klein deel, kan beantwoorden aan de eisen van dit volmaakte oerbeeld, zal de zon dit wezen niet meer zien als deel van zichzelf, maar als deel van het goddelijke.

Men kan zich de persoonlijkheid van de zon in een meer symbolische, vorm gaan voorstellen en zal haar dan een engel of een lid van een bepaalde hemelse hiërarchie noemen. Door de zon een dergelijke vorm te geven in eigen gedachten, schenkt men haar niet allen een zekere belichaming binnen het eigen ik, maar men schenkt haar ook macht. Zoals de mens de zon erkent, zal de macht van de zon over de mens het sterkst en meest direct tot uiting komen.

De sfeer, die de zon uitstraalt, zal niet onmiddellijk bepalend zijn voor de wijze, waarop de mens denkt. Maar de aanvaarding van deze uitstraling zal wel bepalend zijn voor de wijze waarop de mens zal kunnen leven binnen de werking van het krachtveld, de uitstraling van de zon. Alles wat binnen de invloedssfeer van de zon bestaat moet, om te kunnen leven, aan voortdurende veranderingen onderhevig zijn. Dit geldt voor mens en mensheid, maar moet evenzeer gelden voor de planeten en zelfs voor de banen daarvan, hun bewegingen rond eigen as en de afwijkingen van de asstand.

Zolang geen vreemde invloeden of indringers vanuit de ruimte de zon bereiken of tenminste binnen het zonnestelsel het veld van de zon verstoren, zal bij alle veranderingen echter een vast ritme heersen. Elke indringer van buitenaf zal voor de mens niet alleen een verandering in het veld en de werking van de zon betekenen, maar houdt tevens nieuwe ervaringen voor de zon en daarmede een verandering van haar mentale uitstralingen in.

Wij, die zo gaarne opzien naar de engel, die voor ons de persoonlijkheid van de zon is, moeten begrijpen, dat deze zon ons dient. Het denkbeeld, dat de zon heersend is – zoals in de oudheid – kent aan de zon absolute macht over ons wezen toe. Moge dit voor de stoffelijke vormen waar zijn, het zal nimmer kunnen gelden voor de menselijke geest, tenzij deze door eigen instelling en voorstellingen zich zelf daaraan onderwerpt. De geest van de mens behoort tot het oertype der mensheid, niet tot de wereld van de sterren. Zo zijn wij, als mensen, met de persoonlijkheid van de zon steeds weer op tweeledige wijze geconfronteerd: De zon bepaalt de middelen van ons leven, zij bepaalt de krachten die in ons leven optreden, zij tracht daarnaast een harmonie te vinden met het geestelijk wezen, dat wij in de goddelijke werkelijkheid zijn.

Er is een geestelijke samenspraak met de zon mogelijk, zoals in het lichaam een zenuw zelf niet beseft, een impuls kan geven en daardoor een gedachte wekken in het brein van de mens, zo kan de mens binnen het zonnestelsel vanuit zichzelf een impuls geven, die de zon wel degelijk bereikt, ook al zal de zon niet weten of er, en zo ja, welke entiteit op de wereld gesproken heeft.

Het feit, dat geestelijke bereiking en kennis gebruikt kunnen worden om op deze manier in contact te blijven met al wat er in de zon aan denken, droom en willen aanwezig is, leidde er toe, dat op aarde steeds meer groepen van bewusten of ingewijden ontstonden, die deze regels, wetten en toestanden geheel of althans gedeeltelijk kenden.

Bewusten en ingewijden zijn niet slechts mensen, die meer weten den anderen of geestelijk verder zijn dan anderen. Zij danken een groot deel van de aan hen toegeschreven bijzondere eigenschappen en machten aan het feit, dat zij een contact wisten te verkrijgen met een machtig wezen dat door verschil in tijdsfactor, zo traag reageert, dat het predicabel is geworden. Het verschil in tijd, liggende tussen de realisatie en beleving van de mens en van de zon maakt het ingewijden mogelijk tevoren te weten, welke wijzigingen en reacties ook op aarde op zullen gaan treden. Het is de mensheid mogelijk om, wanneer een communicatie van een andere macht of ster door de zon wordt ontvangen, de gevolgen daarvan reeds tevoren te voorspellen, de boodschap af te lezen. De mens, die onvoldoende inzicht en geestelijke rijpheid bezit zal, op grond van deze tragere tijdsbeleving van de zon, steeds weer stellen, dat deze ster een dood, en aan vaste regels gehoorzamend, wezen is. De ingewijden weten, dat dit niet zo is en beseffen, dat zij de krachten en reacties van de zon ook kunnen gebruiken, om voor de mensen een juistere harmonie met die zon mogelijk te maken.

Nu vraagt u zich af, of dit misschien het doel is van de Witte Broederschap. Neen. Het doel gaat verder: Men streeft er naar de mensheid als geheel bewust terug te brengen tot dat, wat zij is binnen de Goddelijke Werkelijkheid: De eeuwige en perfecte schepping, waarvan wij allen alleen maar een vage schaduw zijn, geworpen misschien wel door het eeuwige Licht zelf. Maar wij moeten de harmonie met de zon vinden, omdat wij een overeenstemming zullen moeten vinden tussen het ideaal van de mens, zoals dit in ons leeft, en de zon, zoals deze de mensheid kan aanvaarden, omdat harmonie tussen de mens en de krachten en werkingen van de zon nu eenmaal stoffelijk noodzakelijk is. De Grote Bewusten beseffen dit en vormen daarom de omgeving van de mens, zover zij kunnen, in overeenstemming met, en in harmonie met de zon zelf. Wat meer is, daardoor vormen zij voor de mens de mogelijkheid niet alleen de zon te leren zien als een werkelijke persoonlijkheid, maar ook om door ervaringen en bewustwording terug te keren tot de werkelijke mens, zoals God deze geschapen en gewild heeft, zoals deze in het Goddelijk Bewustzijn ook nu bestaat.

 Vragen.

  • U zegt, dat de zon weinig bemerkt van de mensheid. Heeft zij dan niet bemerkt, dat zij in het verleden veel meer aanbeden werd dan nu? Heeft dit geen verschil gemaakt in haar uitstraling? Maakt dit geen verschil uit?

Het maakt inderdaad wel enig verschil uit, maar groot is dit niet. De aanbidding van de mensen werd door de entiteit zon gevoeld als een zeker welbehagen. De bron werd echter niet in het bijzonder erkend. Door zijn aanbidding kreeg de meer bewuste mens echter wel meer harmonie met de zon en daardoor meer mogelijkheid, de kracht van de zon te gebruiken. De persoonlijkheid van de zon was echter steeds zoveel groter dan haar aanbidders, dat wij toch niet van een directe wisselwerking kunnen spreken, naar ik meen. Bovendien werd de zon al snel zodanig gepersonaliseerd door voorstellingen van goden op aarde, dat zij niet meer zichzelf daar één mee zou hebben kunnen voelen. Aton is een voorbeeld van een godheid, aanbeden op aarde, die werkelijk zon-harmonisch is. Daarin wordt iets weergegeven van een ééngodendom, maar – en dit is veel belangrijker – de wisselwerking tussen zon, planeet en mens erkend. Goden als Ammon, Re, Ra, waren te sterk menselijk uitgebeeld. Wel ontstonden door de aanbidding daarvan astrale schillen of hullen, die vaak door geesten gebruikt werden, maar met de zon zelf niets meer uit te staan hadden.

Wij mogen dus niet vergeten, dat het merendeel van de eenvoudige mensen in wezen niet de zon zelf aanbad, maar een beeld, dat men zich daarvan gemaakt had. Neem mij de volgende vergelijking niet kwalijk: Het was in verhouding juist zoals heden, nu vele mensen Jezus Christus aanbidden en vereren, maar daarbij in wezen alleen een beeld aanbidden, dat zij zich daarvan gemaakt hebben en niet de werkelijke kracht, die Hij was, de kosmische persoonlijkheid, die in Hem leefde. In zo’n geval kun je dus niet meer zeggen, dat er sprake is van een directe harmonie of zelfs maar de mogelijkheid daartoe. Ik geloof daarom, dat voor de zon zelf de aanbidding van de zon als god met zovele nevenverschijnselen gepaard is gegaan, dat zij deze zeker niet heeft kunnen lokaliseren in de mensheid. Dit was wel het geval in de beginperiode van Atlantis. Maar zelfs toen wilde de mens de grote persoonlijkheden van de kosmos, die erkend werden, reeds aanpassen aan menselijke voorstellingen en belangen, waaruit zoals u kunt weten vele onaangename gebruiken zijn ontstaan, beginnende met de bouw van tempels en beelden, gevolgd door de scheiding tussen de zwarte en witte “magiërs” of priesters.

Er speelt in dit alles nog iets een rol, waarmede u gezien de inleiding rekening had kunnen houden: 1000 jaren zijn voor de zon misschien maar een paar minuten. 1000 jaren is echter langer geweest dan een reële zonaanbidding op aarde stand wist te houden. Anders gezegd, deze aanbidding is voor de zon niet veel meer dan een flits geweest, terwijl er voor de mensheid sprake was van een tijdperk.

  • Er zijn toch nog meer zonnen?

De zon is een ster. Elke ster is een zon. Ons beperkende tot de belichaamde zonnen, zoals in dit onderwerp besproken, moeten wij echter constateren, dat er vele verschillende soorten zijn van zonnen.

Wij zullen nu nog maar niet gaan spreken over de zogenaamde dubbelsterren en triaden van sterren, die zich gezamenlijk rond een gemeenschappelijk middelpunt bewegen, maar zullen alleen sterren bezien van de soort, waartoe qua baan en beweging ook onze zon behoort. Elk van die sterren is een zon, maar niet alle hebben planeten rond zich. Ieder van hen is een persoonlijkheid, maar niet elk van hen is zo praktisch bevoertuigd als onze zon. Daarbij komt nog, dat 1 op 1000 zonnen een behoorlijk planetenstelsel heeft, maar dat maar 1 op 100.000 of meer op die planeten levensvormen heeft voortgebracht, die wij nu als zodanig zouden kunnen erkennen. Er is dus geen sprake van, dat elke ster zonder meer vergelijkbaar is met Sol, met onze zon. Eerst wanneer de ster zelf – en dit is mede afhankelijk van haar ouderdom, haar plaatsing in de ruimte en de wijze waarop zij zich t.a.v. het centrum van de sterrennevel beweegt – komt tot de juiste ontmoetingen met andere sterren, zal zij planeten voort kunnen brengen, waarop dan later eventueel leven zal kunnen ontstaan. Er zijn echter, vooral aan de buitenkant van de sterrennevel toch wel heel wat bewuste wezens, levend op planeten, die ook kunnen zeggen, dat zij hun ster zien als de zon.

  • Heeft de zon ook een eigen naam?

Ja. De zon bezit een eigen naam. Maar deze naam wordt over het algemeen niet uitgesproken, wij spreken met name over de grote genii van de zon, over de namen van de krachten, die wij in de zon erkennen. De naam van de zon zelfs is een “geheime naam”, die niet wordt uitgesproken en komt overeen met de godsnaam van 36 letters. Neem mij niet kwalijk, wanneer ik hierop niet verder doorga.

  • Deze naam is dus wel bekend?

Dat zei ik al. Maar wij moeten bij dit begrip ‘naam’ wel even voorzichtig zijn. Het zijn namelijk niet zozeer eigennamen als wel menselijke omzettingen van klanken en trillingen, trillingsverhoudingen in het gehele woord dus – het gaat dus niet zozeer om de trillingen of klanken zelf als om de juiste verhouding daarvan – waardoor een kosmische structuur weergegeven wordt. De naam is dus a.h.w. een weergave van de trillingsverhoudingen, die in het wezen der bewuste entiteit voor komen. Misschien kunt u nu ook begrijpen, waarom men de naam van de zon niet zo graag uitspreekt? Zij is een naam van kracht. Alles, wat uit de zon is voortgekomen en onder haar invloed leeft – mens, aarde enz. – is gebaseerd op deze zelfde trillingsverhoudingen. Wanneer men deze naam uit zou spreken, zouden hierdoor wijzigingen en zelfs storingen kunnen ontstaan in alles, wat door het optreden van dezelfde trillingsverhoudingen tot stand is gekomen. Een element zou zich bv. opeens anomaal kunnen gaan gedragen, of bepaalde organismevormen zouden er door kunnen worden aangetast. Alleen degenen, die precies weten wat het is, wat zij er mee kunnen doen en hoe zij deze trillingsverhoudingen op de juiste wijze kunnen activeren en gebruiken, zullen zonder grote gevaren zo een naam juist uit kunnen spreken. Nu meent u misschien, dat de naam zonder de juiste uitspraak toch wel bekend gegeven zou kunnen worden. Maar je geeft een kind toch ook geen geladen revolver om mee te spelen, zelfs wanneer deze gezekerd is.

Op dezelfde manier zijn er vele klankcombinaties die men niet bekend gemaakt geeft, omdat zij door de trillingsverhoudingen een zeer grote invloed kunnen hebben op mensen, elementen, geestelijke of astrale werelden, kortom, op al wat maar behoort bij deze aarde of onder invloed staat, geestelijk dan wel stoffelijk, – van de zon. Men zou dergelijke namen onbewust juist kunnen uitspreken. Het is begrijpelijk, dat zij die weten, zeggen: Wij moeten voorkomen, dat iemand die niet weet wat er gebeuren kan, hiermede experimenteert.

U vindt het heel normaal, dat de rode knop van een lanceerinrichting voor raketten met atoomkoppen op vele manier gezekerd en bewaakt wordt. Men kan er niet bij komen zonder allerlei machtigingen, die je alleen krijgt, wanneer men zeker is, dat je geheel betrouwbaar bent, psychologisch zowel als politiek, en zelfs dan zijn er nog twee of drie anderen nodig, die hun sleutel brengen en omdraaien, voor je er op zou kunnen drukken. In wezen is de zorgvuldigheid, waarmede men deze occulte geheimen bewaakt, even groot. Alleen kan men daar moeilijk drie mensen aanwijzen, die eerst het sleuteltje moeten brengen en omdraaien.

Dus schiep men een aantal geestelijke sleutels, een soort raadsels, die opgelost moeten worden. Heb je deze raadsels opgelost, dan kun je de naam uitspreken en ken je zowel het woord als de juiste verhoudingen daarin. Bezit je deze sleutels niet, dan is het mogelijk, dat je alle onderdelen bezit, maar je zult hun betekenis nooit kennen en zo nooit werkelijke schade kunnen veroorzaken.

Er zijn graden van geheimhouding. Dit gaat van de eenvoudige geheimen, die binnen de magie zijn vastgelegd met hun sleutels, tot de Grote Arcana en het grootste geheim, waarin de sleutels voor de kosmische verhoudingen is vastgelegd. De structuur van de kosmos zelf zou hierdoor ten dele kunnen worden aangetast. Vandaar dat dit een geheim is, dat op aarde maar aan een enkeling bekend is.

  • Is de stoffelijke zon, die wij zien, eigenlijk niet de uiting van een geestelijke zon, die achter dit alles staat en zijn velen van ons met de kracht van die geestelijke zon niet zo harmonisch één, dat dit in tegenspraak is met wat u in uw rede naar voren hebt gebracht?

Allereerst wil ik dan vaststellen, dat men wel spreekt over de geestelijke zon, maar dat daarmede niet de entiteit zon bedoeld wordt, die door mij werd besproken, maar haar oerbeeld – haar beeld in de Goddelijke Werkelijkheid. Ten tweede wil ik opmerken, dat een verbintenis of verbonden zijn met deze geestelijke zon in de Goddelijke Werkelijkheid alleen langs de innerlijke weg bereikbaar is. Er is dus een bepaald niet zo klein geestelijk bewustzijn voor nodig, om deze verbondenheid te realiseren. Zelfs dan is de band geen zuiver persoonlijke, maar gaat zij via het oerbeeld van de volmaakte mens in de Goddelijke Werkelijkheid. Zij is dus niet voor eenieder bereikbaar, kenbaar. Met de stoffelijke zon en haar persoonlijkheid is dit wel het geval. Onder stoffelijke zon versta ik in dit verband de zon, zoals zij actief is in de vier laagste werelden plus de stof. Daarin is dus de door mij beschreven zon actief; in de daarboven gelegen sferen niet. Daarin is zij slechts onze gelijke, terwijl voor allen daar de geestelijke zon optreedt.

Geheel ongelijk hebt u natuurlijk niet. Op een maanlichte nacht kunnen wij zeggen: Zie, ook dit is het licht van de zon, dat ons bereikt. Dit is volkomen waar. Maar wij zien alleen het licht van de maan, doch ontvangen niet het gehele zonlicht. Wat wij werkelijk ontvangen is alleen de weerkaatsing daarvan door de maan. Ik meen, dat wij dit beeld wel als gelijkenis kunnen gebruiken, om het verschil aan te geven tussen de geestelijke zon en de zon, waarover ik deze avond sprak. M.i. is dan ook in mijn betoog geen tegenstrijdigheid aanwezig.

Ten laatste wil ik nog opmerken, dat een door velen gemaakte denkfout voert tot een pogen om het hoogste wat bestaat, samen te voegen met de hoogste krachten van eigen wereld of zonnestelsel.

Ik heb getracht, een dergelijke verwarring te voorkomen door u de zon te beschrijven als een burger op weg om een boodschap te doen. Hiermede meende ik duidelijk gemaakt te hebben dat ik niet sprak over de kosmische zon, de weerkaatsing van god. Ik zei verder, dat deze burger deel uitmaakte van een rijk, waarin een vorst regeerde. Wanneer u deze vorst gelijk wilt stellen met de geestelijke zon, bent u al veel dichter bij de werkelijkheid.

Er zijn immers krachten, die een gehele sterrennevel bezielen. Dezen worden door de mens – en ook in het begin door de geest- als de werkelijke god beschouwd. Zij zijn het verblindende Licht, waarachter niets meer kenbaar is. Ook niet voor de geestelijk gevorderden. Het licht van de zon is het witte licht, waarin wij toch weer onderscheid kunnen leren vinden, maar waarin wij kunnen zien en dat wij in onze huidige persoonlijkheid eventueel reeds kunnen doorschouwen.

De resultaten van het geestelijk streven kunnen de mens dus als het ware tot gelijke maken van de beschreven entiteit van de zon. Het is echter niet mogelijk, dat een enkele mens een harmonie bereikt, die verder gaat. Deze harmonie en grote mogelijkheden kan men slechts voor zich verwezenlijken door zich bewust deel te weten van de door God geschapen oervorm der mensheid.

Esoterie.

Ik wil nu deze bijeenkomst besluiten met iets, dat wat meer mystiek is en zich voor directe vraagstelling zich dan ook niet zo goed leent. Ik zou het echter prettig vinden, wanneer u het volgende nog zou willen overwegen.

Alles wat wij weten omtrent kosmische invloeden, alles wat wij erkennen omtrent grote waarden en openbaringen, die ons als mens kunnen bereiken en ook in de lagere lichtsferen aanwezig plegen te zijn, komt tot ons via de zon. Voor ons is de zon het filter, waardoor de kosmische kracht voor ons tot openbaring komt. Zij is voor ons het prisma, dat de voor ons onbegrijpelijke krachten der eenheid uiteen doet vallen in een band met verschillende kleuren, verschijnselen en hiaten, waarbinnen wij een definitie kunnen vinden en deze waar kunnen maken.

Daarom is voor ons de zon bepalend, zodra het gaat over de bewustwordingsmogelijkheden op deze wereld. Maar de bewustwordingsmogelijkheid op de wereld wordt toch niet alléén door de zon bepaald. Op het ogenblik, dat een mens in staat is kosmische krachten direct te ontvangen, zal hij niet in staat zijn daaraan zelf onmiddellijk uiting te geven, dit kan alleen via de zon. De zon is de begrenzing van dat, wat je als stoffelijk mens kunt zijn en doen als het ware. Wat de mens in zich kent en verwerkt, kan hij echter wel gebruiken om de krachten van de zon voor zich sterker, meer harmonisch en beter merkbaar te maken.

Je zou het misschien als volgt kunnen stellen: Je bent als iemand, die in een groot reservoir een tap open kan draaien, maar meestal weet je niet waarom de vloeistof vloeit. Allen hebben, zodra wij stoffelijk leven en zelfs indien wij geestelijk bestaan in een wereld, waarin alle vormbesef nog wordt bepaald door een stoffelijke vormwereld, die ressorteert onder de heerschappij van de zon, een band met de zon en worden in onze uitingen geregeerd door haar wezen. Zij is voor ons dus de primaire bron van kracht, maar tevens de begrenzing van onze mogelijkheden.

Hieraan kunnen wij niet ontsnappen.

De structuur en krachten van de zon zijn zelfs van een zodanige geaardheid dat de mens, die zich buiten het zonnestelsel zou willen bewegen, een deel van het eigen milieu, voortkomend uit die zon en gebondenheid aan die zon, mee zal moeten voeren en dit niet zonder meer zal kunnen vervangen door andere, uiterlijk of chemisch schijnbaar gelijke waarden. Dit betekent dat voor de mens, die zich vrij wil maken van de vormenwereld en de beperkingen van zijn milieu een geestelijke bewustwording, die verder gaat dan de erkenning van de zon zelf, wel van buitengewoon groot belang wordt op het ogenblik, dat de menselijke geest kan uitgrijpen buiten de beperkingen, die het zonnestelsel en de daarin gelegen geestelijke waarde voortbrengt, zal hij in staat zijn om ruimte en tijd te overbruggen op een wijze, die voor de normale mens nu niet voorstelbaar is. Hij zal dan ook de zon en alles, wat binnen haar gebied ligt, kunnen zien als een in tijd uitgestrekt geheel en niet alleen maar als een gebeuren in tijdsvolgorde. Op deze wijze kan het bewustzijn van de geestelijk bewuste mens soms ver uitgroeien boven de menselijke beperkingen. Waar men daarvoor geen uitdrukkingsmogelijkheden in de stof heeft en vaak zelfs geen gelijkenis kan vinden, waardoor men binnen menselijke zonnetermen toch het oneindige nog enigszins kan weergeven, zal men nog altijd de kracht hiervan in zich behouden.

Want de zon – ik heb dit reeds verteld – is in wezen niets anders dan een soort verpersoonlijkt uitstulpsel van de eeuwige, zoals wij dit zelf ook in wezen zijn. De kracht van de zon is groter dan de onze. Maar de kracht, die regeert hierin, is aan de kracht, die in ons leeft, verwant. Dit geldt altijd en ten aanzien van alles, onverschillig in welke wereld wij leven, in welke sfeer wij zijn. Inzicht hebben in de gebondenheid met de zon en met de planeten is goed, maar wie deze beschouwt als het grote doel, het uiteindelijke doel, vergist zich. Het is onze taak om kosmisch te leren leven.

Wanneer wij werkelijk mens willen zijn, zullen wij veel verder moeten gaan dan de menselijke vorm en denkwijzen. De mens, zoals God hem heeft geschapen in zijn oneindige werkelijkheid, is een mens die alle dingen omvat. Hij omvat levensvormen, waarvan hij nog nooit gedroomd heeft. Het is de eenheid van bewustzijn, waarin hij, ofschoon naar wezen voor zich gescheiden van zijn God, hij het bewustzijn omtrent de waarheid van zijn leven en zijn God terugvindt. Het is de kracht, die, verbrokkeld zijnde tot het een verkruimelde oneindigheid scheen, terug kon keren tot zijn eigen werkelijk wezen. Het is de schaduw, die, schijnbaar gescheiden van zijn bron, nu door de erkenning van het Licht de valse lichten uitschakelt en niet slechts terugkeert tot die figuur, maar door het Licht zichzelf kan intensifiëren en één maken met de vorm, waarvan hij stamt, tot alle schaduw plaats heeft gemaakt voor de werkelijkheid.

U denkt misschien, dat u werkelijk bent, maar dat bent u alleen in beperkte zin, omdat de werkelijkheid, die u kent, zozeer is gebonden aan begrippen van tijd, vaste voorstellingen, dat negen tiende, van wat u denkt te zijn of denkt te bereiken, nimmer waar zal worden. U bent de droom van het bereiken, gevolgd door de mislukking in de praktijk. Neem mij niet kwalijk, dat ik dit zeg, want dit is waar voor mijzelf zowel als voor u. Wij moeten beginnen met dit te erkennen.

Wij moeten erkennen, dat de zon weliswaar de kracht voor ons is, de bron van onze wereld, dat zij ons helpt en vormt, maar dat zij voor ons werkelijk wezen slechts een enkele trede is op weg naar de oneindige werkelijkheid. Meer dan dit is zij niet.

Geheime krachten, geheime namen, stoffelijk werkzame wetten, stoffelijk werkzame magie zullen allen aan de zon gebonden zijn. Maar onze ziel is dit niet. Wij gaan via de zon, want ons huidig bewustzijn maakt ons een andere weg niet mogelijk. Maar vanuit de zon gaan wij verder.

De persoonlijkheid van de zon, met al haar macht en tijdloosheid vanuit menselijk standpunt, is niets dan een zeer, zeer zwakke afbeelding van de glorieuze werkelijkheid van ons werkelijke wezen. Wij zijn meer, dan men denkt. Wij zijn op het ogenblik misschien een vreemde kristallisatie, uit waan en werkelijkheid geboren, een door beperkingen beheerst ik. Maar wij zijn ergens oneindig. Wij zijn meer waard dan wij denken, wij hebben meer kracht dan wij beseffen, wij hebben meer inhoud, dan wij durven dromen.

Ik hoop dan ook, dat u mijn betoog over de persoonlijkheid van de zon niet zult aangrijpen, om nu die zon als godheid te gaan aanbidden en verheerlijken. Ik hoop, dat u echter hierdoor een reëel begrip krijgt voor uw eigen beperkingen, de beperkingen van uw eigen bestaan, uw vermogen tot zeggen, uitdrukken. Want deze beperking komt uit de zon voort.

Zoals de boer zijn kippen in een ren zet, die hen omsluit, zo heeft de zon ons omringd met haar krachten, de wereld, de sfeer, die zij maakt en ons daardoor in een soort kippenren gezet van omstandigheden en situaties, waaraan wij niet kunnen ontkomen. Wij moeten leven met wat nu bestaat. Wij moeten ons daarbij echter steeds bewust blijven, dat wij meer zijn.

Uit het bewustzijn van meer kunnen wij in ons zelf dan misschien die goddelijke vonk activeren, waardoor wij deel kunnen worden van degenen, die de krachten van de zon reeds kunnen gebruiken, die binnen de beperkingen reeds kunnen manipuleren en werken, al kunnen zij de wetten en regels ook niet veranderen, zo kunnen zij de situaties vaak sterk veranderen, waaronder de wet van toepassing is.

Wij mogen niet de slaven van de omstandigheden zijn. Daarvoor is ons werkelijke wezen toch te wijs en te groot. Wij moeten trachten langs de innerlijke weg, via de dingen die onmogelijke dromen lijken, omdat wij daar geen uitdrukking voor kunnen vinden, trachten onze weerstand te vergroten tezamen met ons inzicht. Wij moeten leren als mens en als geest reeds het eeuwige te zijn binnen de beperkingen van ons kippenrennetje in het zonnestelsel. Dan zullen wij leren, waarom de wetten bestaan. Dan zullen wij het slot weten te vinden, waardoor wij de beperkingen van de wet achter ons kunnen laten en in een grotere vrijere kosmos in kunnen treden.

image_pdf