De Zuid-Amerikaanse beschaving in de oudheid

juni 1956

De beschavingen van Zuid‑Amerika zijn uiteraard betrekkelijk oud. Maar de beschavingen die wij kennen door de opgravin­gen, zijn over het algemeen niet ouder dan 2 à 3000 jaar, verder komen we daarmee niet. Ik heb mij altijd afgevraagd hoe dat kwam en ik heb eerst in de geest geleerd dat dit kwam door het bouwen van oude bouwwerken, dat wel heel erg in de mode was.

Zo is het nu bekend dat de verschillende offertempels (die hoge, piramidevormige heuvels en heuvels met zigzag trappen of ook wel met aan één kant een brede, opgaande trap, bekroond met een dubbel tempeltje) overbouwd zijn. Dat wil zeggen: daar heeft eerst een kleine piramide onder gezeten van een ander geloof, van een ander ras. De kern daarvan blijkt dan nog weer ouder te zijn.

De gebruiken van deze mensen zijn ons, westerlingen, over het algemeen niet erg sympathiek. Toch moeten we toegeven dat ze op hun eigen wijze edel en verstandig waren. Alleen, een mensenleven telde voor hen nu eenmaal minder dan voor u. Als wij hun gebruiken zien, dan wordt heel sterk de nadruk gelegd op de orgieën die zij hielden, op de bloedoffers die werden gebracht. En men vergeet daarbij maar al te vaak te zeggen dat deze feesten wel degelijk een religieuze betekenis hadden en dat het offeren van mensen oorspronkelijk slechts het offeren van vrijwilligers was.

Als ik dan daarover ga praten en ik noem gebruiken die u niet prettig in de oren klinken, dan zou ik u vooral willen vragen: beschouwt u dit niet vanuit uw standpunt. Beziet u dat nu eens als een normaal nevenverschijnsel van een maatschappij die in een heel andere wereld leefde, die heel andere waarderingen kende dan u.

De vroegste beschaving die ik vanuit deze sfeer heb bestudeerd, ligt ongeveer 10.000 jaar terug, Dat wil zeggen dat zij zeker niet ligt in de periode van Atlantis, maar eerder na de vernietiging van het grootste gedeelte van Atlantis” Ze is zelfstandig, ze is al enigszins voorgevormd.

We vinden dan o.a. in het zuiden een ras met zeer eigenaardige gebruiken. In de eerste plaats blijken ze maan‑aanbidders te zijn. Ze aanbidden niet de zon, maar de maan. De maan brengt volgens hen zegen en vruchtbaarheid. Om deze maan juist te kunnen eren bouwen ze kunstmatige, ondiepe spiegelvijvers. (Een zeer vreemd verschijnsel, schijnbaar gereleerd met verschillende godsdienstvormen die we ook in Oceanië vinden.) Men legt daartoe stenen op de bodem van de ondiepte. Daarop legt men steengruis, zo blank mogelijk. Dan wordt het geheel omgeven door een muurtje dat iets uitsteekt boven de grond, bv. tot kniehoogte. In een dergelijke vijver werpt men dan, als de volle maan daarin wordt weerkaatst, sieraden en schatten.

Ik denk dat u de zeden van deze gemeenschap nu niet direct aantrekkelijk zult vinden. Ze kenden bv. een zogenaamd los huwelijk. Dat wil zeggen dat de vrouw, als ze eenmaal met een man in relatie, slechts een periode van 56 dagen (twee manen) bij hem woonde. Daarna konden ze hun contract vernieuwen of verbreken. Op die manier was er natuurlijk heel wat ruil.

Ook bezat de man niet vast zijn eigen jachtgerei, zijn eigen landbouwgerei, zijn eigen grond. Ook deze werden hem toegewezen en wel voor een periode van 7 jaar. Daarna werd dat bezit weer aan anderen overgedragen. Het was verboden om datzelfde te behouden. Wel kon men door ruiling het weer terugkrijgen.

De offers aan de maan werden gebruikt om daardoor de gemeenschap te versterken en daarvoor veel goeds tot stand te brengen. Zo werden bv. de zogenaamde publieke gebouwen (een soort pueblobouw uit klei gebouwd ‑ adobe‑bouw zou men tegenwoordig waarschijnlijk zeggen) gebouwd met de offergaven die men in zo’n vijver wierp. Dat was in het begin vooral een bepaald soort steen en stukken metaal. We vinden dat vulkanisch gesteente erin wordt geworpen dat door de eigenaar kan worden terugverdient door bv. een maand voor het publiek welzijn te werken. Dergelijke vormen vinden we overigens ook later.

Dit volkje leeft een lange tijd betrekkelijk vredig, totdat het te maken krijgt met aardbevingen. Die aardbevingsperiode is nogal hevig. We zien dat delen van de aarde verzinken en andere zich verheffen. Dit volk trekt naar het noorden. Er treden vermengingen op, maar de spiegelvijvers blijven nog heel lang bewaard. Het is zelfs hieraan te danken dat de voornaamste tempels en de voornaamste gebouwen van de Inca‑beschaving over het algemeen worden gebouwd bij een vijver of ‑ indien dat mogelijk was ‑ zelfs middenin de vijver. Dit gebeurde opdat de weerkaatsing daarvan de heiligheid van het hemelse met het aardse zou verenigen.

Andere volkeren zijn meer primitief. We kennen verschillende volkeren die het een grote verdienste achten, indien ze hun medemensen eenvoudig om hals brengen. De gebruiken die ook de Akaren (Jivaros) nu nog hebben (het bewaren van gekrompen hoofdhuiden) was in zeer oude tijden algemeen. Verder zien we dat vele van die primitieve stammen eigenaardige huwelijksgebruiken hebben.

Een jonge man mag niet in de stam huwen. Wanneer hij de periode van rijpheid heeft bereikt, trekt hij zich eerst in de eenzaamheid terug, wordt daarna als man door de stam erkend, maar kan niet in zijn mannelijke rechten treden, voordat hij zich uit een naburige stam een vrouw heeft geroofd. En als hij dan toevallig een vrouw heeft geroofd die men daar waardeerde, volgde er meestal een klein oorlogje op. Dus u kunt zeggen dat het daar eigenlijk al vóór het huwelijk was wat het in de moderne wereld soms na het huwelijk wordt.

Deze volkjes echter kennen weer een goden-geloof dat vooral met de maan verbonden is. Die geloofsvorm is wel zeer eigenaardig, omdat zij in verband kan worden gebracht met verschijnselen die wij ook elders in legenden vermeld vinden. Men vertelt daar nl. dat de maan eens beledigd werd en tot dicht bij de aarde kwam. Zij spuwde toen vurige stenen op de aarde, waardoor de oogst werd verbrand, het wild werd verjaagd, zodat de mensheid haast verkommerde en verdorstte. Daarna stuwde zij in haar grote woede de wateren over het land heen, zodat velen verdronken en omkwamen. Om te voorkomen dat die maan nog eens zo boos zou worden, bracht men regelmatig bij elke volle maan mensenoffers.

In het begin gebeurde dit zeer primitief door hen in het water te gooien en te laten verdrinken wanneer de maan erin scheen. Later ging men meer geraffineerd te werk en bracht men offers aan reptielen, aan mieren, offers middels marteling en pijniging. Die offers werden bij de primitieve stammen geroofd. Ook kende men daar een slavensysteem. Dat slavensysteem bestaat vandaag de dag zelfs nog. Het berust op het volgende:

Wanneer een krijger iemand gevangen neemt, dan behoort deze met zijn persoonlijkheid en al zijn bezit ‑ voor zover men dit in beslag kan nemen ‑ van degene die hem heeft buit gemaakt. Deze zal daarop aan de priester of hoofdman van zijn stam of groep een aanbod doen. Deze kan tegen een zekere vergoeding de slaaf overnemen. Doet hij dat niet, dan kan men vrij die slaaf behouden of lovend en biedend verkopen. Dat laatste gaat niet als men hem aan het stamhoofd of de priester aanbiedt.

Het systeem was niet zonder reden, want deze primitieve stammen hadden over het algemeen de gewoonte om in één groot huis samen te wonen. We vinden dat ook elders. Denkt u aan de Bataklanden waar u ook dergelijke woningen vindt. In dat grote huis moest er natuurlijk één de baas zijn. Die ene was ook voor de verdeling van alle voedsel aansprakelijk. De jacht brengt nl. met zich mee dat degene die de buit binnenbrengt, het eerst zijn deel mag afsnijden; maar dat mag nooit méér zijn dan hij voor zichzelf en zijn gezin nodig heeft om 24 uur van te leven en behoorlijk te leven. Ik kan u verzekeren dat deze wilden ook vroeger massa’s konden verslinden die ongetwijfeld voor u een weekrantsoen zouden betekenen. Daarna werd de rest vrijgegeven ter vrije verdeling onder de leden van de stam. Als iemand nu veel slaven had, dan betekende dat dus dat hij, als hijzelf jachtbuit had, minder aan de gemeenschap zou afstaan, terwijl hij eveneens een grotere aanspraak op de jachtbuit van anderen kon laten gelden. De priester of het opperhoofd was dan ook degene die voor een rechtmatige verdeling zorgde door te voorkomen dat iemand te veel slaven had. Daaruit is weer een gebruik voortgekomen, dat men slaven inlijfde in de stam, waarbij men hem een meisje van de stam ten huwelijk gaf (de stamleden zelf trouwden in die tijd niet onder elkaar) en dan behoorde hij door haar bloed tot de stam, waarna hij dan voor zijn eigen gezin moest gaan jagen.

Ik vertel deze dingen om u een klein inzicht te geven in hetgeen mogelijk was. Ongetwijfeld zal het u verbazen dat onder deze volkeren, die betrekkelijk primitief waren, enkele stammen zo buitengewoon architectonisch waren onderlegd. Zij brachten werkelijke kunstwerken tot stand op het gebied van beeldhouwwerk, galerijenbouw en ook woningbouw, zodat men zich afvraagt hoe het kan, dat een dergelijke beschaving uit deze wilden voortkomt. Om u dit duidelijk te maken, moet ik erop wijzen dat reeds in de eerste periode, die ik heb bestudeerd, wij in het hoogland aan de noordkant van de Andes een volk aantreffen van zgn. gele of gouden mannen. (Dit zijn niet de Inca’s, vergis u niet.) Deze stammen blijken reeds in deze periode stenen huizen te bouwen, muren op te trekken, die ‑ ofschoon van onregelmatig gevormde stenen gebouwd ‑ een waarlijk cyclopisch karakter dragen en beeldhouwwerk te gebruiken om vooral de portalen van hun woningen en tempels ermee te versieren. Ook zien wij in een ietwat latere periode, dat ditzelfde volk stenen uithouwt en primitieve beelden opstelt op plaatsen die we gevoeglijk met straten en pleinen kunnen vergelijken.

Dat deze gele mannen de stichters zijn van alle architectonisch besef dat bij deze primitieve stammen is ontstaan, meen ik wel te kunnen aannemen. Toch is hun bouwstijl en symboliek geheel verschillend van de bouwstijlen en symbolen die we bij de Tolteken en de Azteken vinder. Het is hier dus wel een zeer aparte vorm, waarvan betrekkelijk weinig is overgebleven. In Bolivia bestaan nog enkele kleine overblijfselen van deze bouwkunst. En ook aan de bovenloop van de Amazone vinden we verscheidene ruïnes die ‑ gereconstrueerd ‑ ons tonen, dat hier inderdaad veel vroeger een volk heeft geleefd.

Nu blijkt ons dat dit volk de gewoonte heeft om slaven te maken, maar schijnbaar een sabbatjaar kent. Dat wil zeggen dat men daar na 6 maanjaren (men rekent met maanjaren, niet met zonnejaren) alle sla­ven vrijlaat. Dat zijn dus ook de slaven, die bouwen hebben geleerd. En aangezien men die slaven goed verzorgt en hun vaak grote werkzaam­heden opdraagt en verantwoordelijkheden geeft, is het ook begrijpelijk dat velen van deze slaven lange tijd blijven ‑ nu als vrije arbeiders ‑ en naar huis terugkerend voor zichzelf ook stenen woningen en bijzondere schoon geconstrueerde houten woningen opzetten. Ik vermoed dat daaruit de vorm van bouwen is voortgekomen die men voor de eenvoudige pueblo­-woningen tegenwoordig nog gebruikt namelijk een grote kubus met daarop één, twee of zelfs drie kleinere kuben gestapeld, omringd door een muur en zodanig geconstrueerd dat men van buiten eerst van terras tot terras naar boven moet klimmen om dan binnen af te dalen. Soms is er ook nog een directe ingang naar de benedenverdieping, die over het algemeen een voorraadkelder is. Maar in de meeste gevallen is deze verborgen en geheim en wordt alleen in noodgevallen gebruikt.

De bouwmethoden gaan tot tamelijk ver in het noorden door. En als wij ons nu realiseren dat rotswoningen (door de wilde stammen gebouwd, nadat ze de architectuur bij de gele mannen hebben geleerd) later in bijna gelijke vorm verschijnen niet alleen in het noorden van Mexico maar zelfs tot ver in de Ver. Staten, dan zullen we begrijpen dat de invloed, die deze eerste bouwers hebben gehad, groot geweest moet zijn.

Er treedt echter na enkele duizenden jaren (dat is nu dus naar schatting 6.000 jaar geleden) een verandering op. Deze verandering bestaat uit een plotseling scheppen van een zuilenstructuur. Tot nu toe hebben we wel de vaste zuil gezien, die de gele mannen gebruikten als een soort sieraad en vlakverdeling en gelijktijdig ook als steunbeer, maar we zien nu ook apart staande zuilengalerijen. Eigenaardig genoeg zien we nu een betrekkelijk kleine stam met een lichtbruine huidskleur (we zouden kunnen spreken van blanken in de zin van bv. de Spanjaarden, dus donker, maar tamelijk blank van huid) en deze mensen bouwen nu de zuilenstructuren.

Hun huizen zijn gekenmerkt door waranden, die ze daar vóór bouwen, terwijl hun tempels ‑ vooral later ‑ bijzonder opvallen, doordat er een gehele zuilengalerij om een plein wordt gevormd. Die zuilengalerij bouwen ze natuurlijk niet voor niets, want het blijkt ons dat in de tempel zelf slechts bepaalde ceremoniën plaatsvinden, maar dat heel veel plechtigheden, die nu o.a. ook met de zon in verband staan (weer een nieuw element), plaatsvinden op dit plein. Later ontwikkelt zich dat verder. Zowel bij de Azteken als bij de Tolteken vinden we dan ook vaak een midden-pyloon, waardoor het plein gelijktijdig als een soort massaal uurwerk dienst doet.

Ook deze betrekkelijk blanke volken blijven niet al te lange tijd. Wij zien de blanke stam, al spoedig teruggeworpen door de volgelingen van de gele mannen, langs de kust wegtrekken. Zeer waarschijnlijk kennen ze op de Stille Oceaan ook scheepvaart. Ik durf niet te bevestigen, dat zij inderdaad vandaar naar andere landen zijn gegaan, omgekeerd van andere landen daarheen zijn gekomen. Ik kan slechts constateren dat ze ongeveer 1200 jaar v. Chr. absoluut verdwenen zijn; dan zien we het ras niet meer. Vóór die tijd heeft het al veel van zijn belangrijkheid verloren.

Het blanke ras wordt teruggeworpen en leeft een lange tijd in de buurt van Argentinië. Daar komt het in contact met een andere stam, die ‑ ofschoon het een zwervende stam is, die hoofdzakelijk in tenten leeft en slechts uit hout en steen gevormde winterwoningen kent, buitengewoon bekend schijnt te zijn met astrologie. De uitleg die zij geven van de hemelverschijnselen is bijzonder logisch. Ze trekken daaruit als ervaren astrologen ook horoscopen die toekomstbeelden geven.

Het blijkt dat een vermenging tussen deze beide stammen plaatsvindt. Enkele families blijven zuiver en op den duur ontwikkelen deze zich tot hogepriesters en heersers over het volk.

In die tijd zijn er wederom uitbarstingen in de Andes die tot een betrekkelijk late periode sterk vulkanisch is gebleven. Ook op het ogenblik is ze nog van een vulkanisch karakter, maar zelfs in 1500 waren er in deze streken nog regelmatig sterk vulkanische uitbarstingen.

U zult begrijpen dat deze vermenging plus de vulkanische werkingen een eigenaardig gevolg hebben. Want door de uitbarstingen worden vele volkeren uit het binnenland naar de kuststreken gedreven. Het volk van gemengde rassen (de Patagoniërs en dit geheimzinnige blanke ras) wordt verdreven. Een soort volksverhuizing. Zij danken op dat ogenblik zeer veel aan de gewoonten van dit zwervend Patagonisch volkje, want deze zijn in staat zich door weer en wind te bewegen, zij bouwen snel woningen en tijdelijke verblijfplaatsen en kennen methoden om met tamelijk eenvoudige middelen transporten over grote afstanden te vervoeren,

Als we weer nederzettingen zien, dan is dat in de buurt van de Rio Claro, die aan de bovenloop van de Amazone ligt. Ook bij de Rio Tinto vinden we enkele bouwwerken, die ons doen veronderstellen dat men daar vestingwerken heeft gehad, waarmee men zich verdedigde tegen indringers uit het zuiden. Hier bloeit dit volk in deze be­schaving op.

Een gedeelte trekt verder. We hebben alle reden om aan te nemen dat dit volk lange tijd in de buurt van Guyana tot Venezuela toe bivakkerende, later misschien weer vermengd met andere stammen, zich naar het noorden zal begeven en naar ik meen de beschaving van de eerste Inca’s zal stichten.

Het tweede volk wordt steeds bruter, aangezien het Patagonisch element begint te overheersen. Er vormen zich godsdiensten die gebaseerd zijn op de kosmische verschijnselen; dus op zon, maan en sterren. Men begint offerdiensten te houden die hoe langer hoe meer een wreed karakter krijgen. Er zijn plechtigheden bij die werkelijk vanuit ons standpunt weerzinwekkend zijn. Er komt bv. een aantal mensenoffers voor, waarbij men een groot aantal mensen door vuur ombrengt. Men doet dit door rond hen een doornhaag te maken, die zeer hoog is. Ze worden daarbinnen samengedreven en dan wordt deze haag in brand gestoken. Het is brandbaar materiaal. Dit op zichzelf zou nog niet zo verschrikkelijk zijn, indien niet gelijktijdig daarbuiten bedwelmende dranken werden gedronken en tenslotte een algemene paring zonder enig aanzien des persoons de climax van het feest zou worden.

Men geloofde dat men door dit vuur de zielen zou opzenden naar de zon, naar de maan, naar de sterren. Dit was voor deze mensen vuur, Daar aangekomen zouden ze als laatste beeld en als laatste klank meebrengen de orgie: de vreugde der mensen, de vruchtbaarheid en de lust van de mensen. En zo zouden ze dan ongetwijfeld de goden bewijzen dat de behoeften der mensen in meer welvaart lagen, opdat ze meer vreugde zouden kunnen genieten. U ziet, de logica is inderdaad aanwezig, zij het dan ook dat ze voor ons niet gemakkelijk te volgen is.

Deze volkeren trekken ook verder naar het noorden en zullen op den duur zich weer met hun broedervolk verenigen. Zij brengen dan een groot gedeelte van hun voorgangers ten onder. Dat is heel jammer, want deze eerste Inca’s blijken uitstekende vestingbouwers maar vooral ook uitstekende wegenbouwers te zijn. Het grote wegennet dat zij door geheel Mexico heen vlechten, dat voortloopt tot Santiago de Chile toe, dus praktisch door heel Zuid‑Amerika, door de moeilijkste gebieden heen, is een zeldzaamheid. De gebieden die zij met hun snelle boden weten te bereiken, het aantal stammen dat zij aan zich horig weten te maken is ontstellend groot. We hebben hier te maken met een rijk dat groter is dan dat van Karel de Grote ooit is geweest en dat een sprookjesachtige pracht kent, groter dan ooit in het rijk van Samarkand.

Dit rijk nu wordt verbrokkeld en tenslotte uiteengedreven. U zult begrijpen dat wanneer de strijd begint in Mexico (dus in het noorden van Midden‑Amerika), bepaalde groepen van dit wegennet gebruik zullen maken om te vluchten. Hierdoor trekken zich groepen terug en komen op geheime verblijfplaatsen in de Andes samen.

Oorspronkelijk waren dit forten (dus versterkingen, zoals de Romeinen die overal hebben aangelegd), maar zij worden nu uitgebouwd tot steden en op den duur worden de volkeren van die steden een aparte stam.

Zo blijft het een tijd. OP den duur worden er zelfs heilige plaatsen gebouwd in meer ontoegankelijke gebieden. Dat wil zeggen dat in het huidige oerwoud‑gebied van de Amazone vele grote ruïnes begra­ven liggen. Ruïnes, waarin de overlevering van deze volkeren is neergelegd. Ruïnes die bijzonder interessant zouden zijn, omdat zij – naast de gebruikelijke godssymbolen en de primitieve beeldentaal ‑ primitie­ve schriftkarakters weergeven, die met vroeg‑Koptisch schrift een sterke overeenkomst hebben.

De volkeren van Zuid‑Amerika zijn tenslotte ondergegaan aan hun eigen rust en zwakte. Van ongeveer 1100 na Chr. tot de komst van de Conquistadores is er een absolute rust geweest in het grote rijk der Azteken. Er is ook rust geweest in de binnenlanden van Amerika. Eerst na de komst van de blanken is de strijd begonnen.

Sommige van deze rassen hebben tenslotte zelfmoord gepleegd. Andere hebben zich verborgen en zijn langzamerhand verwilderd en hebben zich vermengd met de vele stammen, die op het ogenblik de haast nog onbetreden gebieden van de Sertao bevolken. U ziet dus dat Zuid‑Amerika een zeer interessante en lange geschiedenis achter zich heeft.

Ik wil niet meer tijd van U vergen dan nodig is voor deze korte schets. Ik heb u slechts een klein beeld gegeven van wat er zoal is geweest. Uit de aard der zaak was het mij in dit kort bestek niet mogelijk te veel in te gaan op de verschillende ontwikkelingen. Maar ik hoop hiermee uw aandacht te hebben gevestigd op het feit dat ook in andere werelddelen de mens oud is en reeds een hele geschiedenis achter zich heeft.

Dit zal zoveel belangrijker zijn, omdat de restanten van deze Oude beschaving nog ‑ verborgen en aarzelend ‑ hier en daar bestaan. De toekomst draagt dus in zich de mogelijkheid dat deze oude overleveringen binnenkort ook weer uw westerse wereld zullen berei­ken. En dan zult u misschien aan de hand hiervan kunnen zeggen dat de mensheid over de wereld vele goden heeft gediend en vele gods­diensten heeft gehad (waaronder zeer vreemde), maar dat de mens zelf toch altijd weer heeft gevochten voor één ding, de vooruitgang van zijn eigen ras, de vooruitgang van zijn eigen stand, de bevestiging van zichzelf als zijnde superieur over de medemens. En daarmee zult u dan ‑ ook in de oude geschiedenis van Zuid‑Amerika ‑ de geschiede­nis van de gehele menselijke beschaving gekentekend zien.