Demonen

image_pdf

14 augustus 1965

Aan het begin van de bijeenkomst is het gebruikelijk u erop te wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Dat is dan hiermede geschied. Mijn onderwerp van heden schijnt wel minder actueel, maar heeft toch zeer interessante bindingen met deze tijd. Ik gaf het de titel: Demonen.

Demonen zijn de eigenaardige schrik- en spookgestalten, die op de achtergrond van elk geloof, van elk menselijk denken plegen rond te zweven. Misschien was de demon in de Oudheid wat meer concreet dan in deze dagen, waarin vele onstoffelijke begrippen wat abstracter zijn geworden. Maar de bron, waaruit de demon ontstaat is nog steeds dezelfde. De mens begrijpt zijn omgeving niet, begrijpt ook zichzelf niet en geeft daarom een naam, eigenschappen en vaak ook een gestalte aan het onbekende. De mens onderscheidt zelfs de demonen op de duur in goede, die voor hem dus gunstige werkingen tot stand brengen, en de slechte – degenen, waarvan hij helemaal niets wil weten. Toch pleegt de mens de slechte demonen meer te eren en hen meer te achten dan de goede, waarschijnlijk daarbij uitgaande van het standpunt: Van een goede geest heb je in elk geval geen last, maar een kwade geest kun je beter te vriend houden.

Laat ons allereerst eens een voorbeeld bezien van het ontstaan van een dergelijke demon. Er is een berg. Op die berg ontstaan enkele malen achtereen steenlawines. Dit is een normaal verschijnsel, er zijn juist in die dagen bv. enkele trillingen, enkele lichte aardbevingen, zodat het verschijnsel zeker langs natuurlijke weg is te verklaren. De mensen begrijpen de samenhang echter niet en stellen daarom, dat er een kwaadwillend wezen is, dat deze verschijnselen heeft veroorzaakt. Weliswaar zijn deze mensen nog niet ver genoeg  ontwikkeld om een beeld te ontwerpen als bv. Vulcanus en zijn smidse, maar toch is de berg voor hen bezield. Er huist een wezen in en dit wezen veroorzaakt rampen, omdat het ontevreden is.

Daarom besluiten zij offers te gaan brengen, om zo de kwade geest te bezweren. Want zoals ik reeds opmerkte, de mens heeft steeds de neiging vooral de kwade machten zoveel mogelijk te vriend te houden. Daarom trekken alle leden van de stam of van de dorpsgemeenschap in plechtige optocht naar de voet – of de top – van de berg, om daar bloed en vruchtenoffers te brengen en een soort eredienst te houden. Daarop blijft het – toevallig – werkelijk een paar weken rustig. Dit wordt gezien als het resultaat van de offers en zodra er weer iets op de berg gebeurt, is er altijd weer iemand, die stelt: De berg is ontevreden, wij zullen er goed aan doen regelmatig, bv. bij elke nieuwe of volle maan, offers te gaan brengen.

Deze mensen geloven dus aan een bezielende kracht van de berg en kennen aan deze bezielende invloed bepaalde macht, maar ook een bepaald gedragspatroon toe. Nu zijn gedachten machten.

Gedachten bouwen in de astrale wereld een figuur op. Het beeld, dat de mensen zich scheppen, de voorstelling van een geheimzinnige demon, – vaag en amorf ook in het begin – wordt zo langzaam aan een werkelijkheid, die een steeds definitiever vorm krijgt. Er is nu werkelijk een astraal wezen, een schil, die op de top van de berg woont en offers vraagt. Nu is dit alles geen zuiver stoffelijke, doch slechts een astrale werkelijkheid. Toch mogen wij wel stellen, dat er zo een werkzame kracht is ontstaan. Het proces van offeren, eren en erkennen gaat duizenden jaren voort. Telkenmale wanneer iemand in de buurt van de berg komt wonen, is er wel ergens een ander, die hem van de demon vertelt. Het astrale wezen wordt zo steeds sterker en is op de duur werkelijk een macht, die zijn eisen stelt en van eenieder erkenning en offers vergt. Deze offers en de daarmede gepaard gaande gedachten en gebeden, de angst en de verwachtingen van de mensen voeren gezamenlijk tot een steeds hechtere astrale structuur, die steeds meer werkelijke invloed kan doen gelden op de natuur rond de berg en steeds meer feitelijke offers kan afdwingen.

Toch zou deze demon uit zichzelf niets zijn en niets kunnen. Dit wezen heeft geen vrije wil en zelfs geen eigen aard. Hij is als een robot, die met bepaalde schakelingen wordt opgebouwd en zo bepaalde functies onder bepaalde omstandigheden moet vervullen. Nu zal alles op de oude wijze verder gaan, goed gaan, tot het ogenblik, dat bv. in de omgeving een nieuwe godsdienst komt, die zegt, dat dergelijke demonen op zij moeten worden gezet, dat dergelijke “goden” niet meer vereerd mogen worden. Nu begint voor de demon een strijd om het leven. Want het afpersen van offers en aandacht is voor hem niet alleen een zaak van structurele geaardheid, maar wordt ook een zaak van zelfbehoud. Het astrale wezen gaat zich daarom steeds meer manifesteren en er komen feitelijke stenenregens, die niet alleen weerspannige gelovigen treffen, maar ook anderen bedreigen. Er komen steeds meer vreemde en onverklaarbare zaken voor. De groepering van de dierenwereld op en rond de berg ondergaat vaak onder deze omstandigheden eveneens een grote verandering. Kort en goed: Er is sprake van een invloed, die je zelfs als nuchtere en wetenschappelijk denkende blanke van deze tijd maar heel moeilijk zult kunnen weg verklaren.

En daarmede hebben wij te maken met een echte demon: Een wezen, dat in strijd leeft met de mensenwereld en daarop invloed kan uitoefenen.

Nu is een demon, zoals beschreven, aan plaats gebonden, omdat hij in het denken van de mens steeds met een bepaalde plaats verbonden was. Maar als ik aan bv. de stormwind een dergelijke persoonlijkheid toeken, als door middel van de bekende beelden van de wilde jacht aan de hemel, ontstaat ook daar een wezen of een reeks van wezens, die wij demonen kunnen noemen, maar toch geen andere eigenschappen bezitten kunnen dan die, welke de mens door zijn voorstellingsvermogen hen gegeven heeft. Dit wezen bestaat en zal overal de zelfde erkenning proberen op te eisen. Zodat het niet zo vreemd is, dat er steeds weer krachten optreden – demonen in het spel komen. – waartegen men zich als mens niet zo gemakkelijk kan verweren.

Het enige, wat onmiddellijk voor een dergelijk wezen schadelijk kan zijn en dus afwerend kan werken, is het bestaan van een met het wezen van de demon niet harmonische trilling, die zich tegen hem richt. Wanneer een dergelijke gerichte disharmonie sterk genoeg wordt, zal zij voor de demon even aangenaam zijn als het voor u is een kort ogenblik op een onder spanning staande elektrische stoel plaats te nemen. Voor de demon zowel als voor u is het nog maar een vraag, of een dergelijke ingreep in eigen wezen kan overleven.

Dit heeft men wel begrepen. Naast de offergebruiken zien wij dan ook alom afweergebruiken. Denk hierbij maar eens aan bepaalde gebruiken, die zelfs nu in bepaalde steden in India nog wel worden gebruikt. Daar probeert men o.m. onheil af te wenden en boze geesten te verdrijven, doordat eenieder lawaai gaat maken – iets waartegen men bij u ketelmuziek pleegt te zeggen. Dergelijke dingen mogen wij dus niet alleen maar als een dom bijgeloof beschouwen. Ofschoon de praktijken op zich vaak nutteloos zullen zijn, richten zij het denken van de mens op disharmonische wijze tegen mogelijke demonen. Er zit dus wel degelijk een logische gedachtegang achter. Wel mag worden gezegd, dat de doorsnee deelnemer aan dergelijke afweerplechtigheden alle begrip voor de oorspronkelijke bezieling en samenhang verloren heeft, ofschoon deze natuurlijk nog wel bekend is. Hierdoor is zelfs de afweer tot een vorm van erkenning van de demon geworden. Maar u zult zich afvragen, of dit dan de enige soort van demonen is, die er op de wereld bestaan. Natuurlijk is dit niet het geval.

Wanneer u spreekt over de hel, en 100 gelovigen, toehoorders uw toespraak meebeleven en bang worden voor die hel, krijgt deze reeds gestalte. Wanneer er echter steeds meer mensen komen, tot er laat ons eens zeggen rond 10.000.000 mensen zijn, die allen bang zijn voor de hel en de duivel, dan ontstaat er een hel en ontstaat er een duivel, ontleend aan deze menselijke denkbeelden. Deze wezens hebben geen eigen karakter, geen eigen aard, geen eigen werkelijke wil. Zij zijn en blijven het product van het menselijk denken. De mens heeft hier, astraal, een wereld en vele wezens geschapen. Niet God dus. Het is de mens, die, uit de op zich vormloze kracht en fijne materie van de astrale sfeer, voor zich boetseert tot daar alle Danteske verschrikkingen en meer primitieve roosteraangelegenheden waar worden, compleet met vaten kokende olie en prikkende duiveltjes. Nu kan men daarom lachen. Maar de meesten geloven er ergens toch wel in, zijn er ergens bang voor. En zodra dit het geval is, zal er een zekere harmonie met deze astrale schillenwereld ontstaan en zullen de daarin bestaande vormen en wezens invloed hebben op de mens. Wat deze wereld en haar vormen van de mens eisen, is in wezen zeer eenvoudig: Zij wensen alleen zichzelf in stand te houden, eigen kracht en mogelijkheden te vergroten waar dit mogelijk is. Daarom oefenen zij invloed uit op alle mensen, die ermee harmonisch zijn en zullen alle geesten, die hierin geloven, daartoe worden aangetrokken en tijdelijk daarin worden opgenomen.

Indien u dit alles overweegt, zult u wel begrijpen, dat deze astrale invloeden een grote overkomst zullen hebben met andere demonen, die men niet met deze naam pleegt te noemen maar die in de hedendaagse cultuur een bijna onverbrekelijk deel vormen van de menselijke gedachtewereld. Wanneer wij spreken over de atoombom, zo is dit niet alleen maar een spreken over een kokende kolkende wolk van actieve materie, die verschrikkelijke stralingen en golven van hitte afgeeft. De bom is een beeld, dat tot de personificatie van een angst wordt en waarin vele angsten en verlangens worden geprojecteerd, zodat het astraal een schil met eigen aard kan worden. De angst wordt meer en meer tot een beeld van de innerlijke onrust van de mens, meer en meer wordt het beeld symbool voor andere, niet zo gemakkelijk geformuleerde angsten en onrust in de mens zelf. Zo wordt de atoombom meer en meer door de wijze waarop de mens aan haar bestaan denkt en haar tracht te bestrijden, een werkelijke demon, met een geheel eigen mechanisme. Nu kan deze atoomdemon alleen blijven leven, wanneer de atoomexplosies de angst van de mensen steeds levendig houden en zo het verschrikkelijke wapen steeds weer in het midden van de algemene belangstelling plaatsen.

Begrijpt u nu, welke fatale keten er kan ontstaan? Men vreest het verschijnsel. Door de vrees personifieert men het, waardoor wederom een astraal wezen ontstaat met zekere macht en de mogelijkheid, invloed uit te oefenen op de handelingen en vooral ook het gedachteleven van de mensen. Dit wezen echter heeft de gevaarlijke explosie nodig, om daarmede eigen bestaanszekerheid te vergroten en de gedachten van de mens steeds weer bij zijn bestaan te doen verwijlen. Daarmede dreigt echter weer de mensheid te worden uitgeroeid, zonder welke het wezen niet kan voortbestaan, zodat de werking en het gebruik van het wapen steeds beperkt zal moeten worden. Het lijkt wel wat op een hond, die zichzelf in de staart probeert te bijten, maar bang is om door te bijten, omdat hem dit een deel van zijn zwaaiend sieraad kan kosten.

Misschien denkt u, dat het mogelijk is zonder meer een dergelijke keten te onderbreken. Maar ook dit brengt gevaren met zich. Om een voorbeeld hiervan te geven: Er was eens een tovenaar, die Kokopella heette; helaas kan ik de tongklik, die bij de naam behoort, hier niet juist uitspreken. Deze Kokopella dan was rijper dan velen van zijn collega tovenaars. Hij besloot dan ook een stukje vervloekt woud, dat zijn stam bij jacht en landbouw vele moeilijkheden had bezorgd, van alle geesten te reinigen. Nu moet daarbij gezegd worden, dat hij niet geloofde in het feitelijke bestaan van de in dit woud geprojecteerde en door anderen vaak waargenomen vormen. Zelfs toen hij zelf met dergelijke verschijnselen geconfronteerd werd, bleef hij de mogelijke macht en invloed van dergelijke wezens geheel ontkennen.

Omdat hij wat meer wist van magie dan de meeste mensen – hij was een werkelijke groene magiër – speelde hij het ook klaar de kracht, waaruit deze vormen en demonen waren opgebouwd, weer in haar oorspronkelijke bestanddelen te ontbinden. Hierbij kwamen de daarin gebundelde gedachtekracht en andere energieën schoksgewijs vrij. Het resultaat was, dat in de omgeving duizenden mensen – niet enkelen of enkele honderden, maar letterlijk duizenden – door een soort razernij bevangen werden. Er ontstonden oorlogen en moordpartijen, waarbij de mensen dezelfde wreedheden begingen, die volgens hen de geesten in het woud begingen, toen zij nog bestonden.

Wanneer wij dus een bepaalde angst plotseling te niet doen, is het zeer wel mogelijk, dat de zo vrij komende energieën in met de angst gebonden of ermee harmonische mensen tot plotselinge ontlading komen; het zo ontstaande gevaar kan zeer groot zijn. Stel u eens voor, dat wij op het ogenblik overal op de wereld alle angst voor de atoombom met een slag weg zouden kunnen nemen. Het gevolg zou waarschijnlijk een roekeloosheid zijn, waardoor men tot een gebruiken van atoomwapens, maar ook andere gevaarlijke wapens zou kunnen komen. Men zou dit dan doen in een stemming van overmoed, met een gevoel van: Laat de anderen maar eens de schrik van hun leven krijgen; ik ben niet bang, want mij kan toch niets gebeuren.

Op gelijke wijze als de demon van het atoom tot stand kwam, heeft de mensheid in vele streken andere demonen opgebouwd rond begrippen als werkeloosheid, armoede, sociale onrust, oorlog enz.  Men heeft aan deze angsten 1001 namen gegeven en meent, dat, door het juist gebruiken van deze vrees, voor de wereld veel bereikt kan worden. Men beseft immers niet, wat men in wezen heeft gedaan. Want net als in het verleden heeft ook de mens van heden de verschijnselen, die hij niet begrijpt, die hij vreest of die hij niet meester kan worden, een naam gegeven en een vorm van persoonlijkheid verleend. Men heeft boeken vol geschreven, om het wezen van deze moderne demonen vooral nauwkeurig te bepalen – hoe abstract dit alles ook moge lijken. Want juist hierdoor zullen er steeds meer mensen in de werkelijkheid, macht en belangrijkheid van het zo gepersonifieerde gevoel van onzekerheid en vrees gaan geloven en daarmee zelfs, bv. onder het mom van studie of sociale bewogenheid, dag in dag uit bezig blijven. Hierdoor ontstaat dus een dwingende invloed, die, ook al zal zij niet de afzichtelijke vormen van de meer primitieve demon bezitten, steeds meer mensen gaan beïnvloeden en steeds grotere delen van de menselijke samenleving gaan beheersen. Een redelijk handelen wordt daardoor voor steeds meer mensen onmogelijk. Zij zijn steeds meer de gevangenen geworden van denkbeelden, die zij zelfs eens hebben geschapen.

Een dergelijk wezen zal ten koste van alles trachten zichzelf in stand te houden. Zou dit onmogelijk blijven en zou op korte termijn de energie, die in dergelijk, door algemene denkbeelden geschapen astrale vorm is opgeslagen, opeens vrij komen, dan zal haar werking op de mensen wel van buitengewoon chaotische aard zijn. Voorbeeld: Er ontstaat een vorm van economisch bestel, die in wezen gebaseerd is op de angst voor een komend economisch fiasco.

De resultaten daarvan zijn zodanig, dat het geloof in het gevaar zeer snel afneemt. De demon, die aanzette tot vele vormen van beheersing en besparingen, valt nu opeens weg. De vrijkomende energie ontlaadt zich op allen, die eens die angst gekoesterd hebben, met als gevolg dat dezen opeens denken, dat zij zonder enig gevaar en zelfs zonder rekening te houden met redelijke menselijke beperkingen, alles kunnen doen. Het gevolg daarvan is dan weer, dat eenieder alles, wat maar los en vast is, gaat nemen, kopen of verkopen, wensen gaat verwezenlijken waarvoor in feite de middelen en de mogelijkheden nog niet aanwezig zijn, bedrijven gaat uitbreiden of sluiten naar believen, waardoor alles, wat men vreesde in de vorm van de demon, door de mens zelf waar wordt gemaakt en mogelijk de demon opnieuw en sterker wordt opgebouwd.

U zult zich wel afvragen, hoe men dan een demon kan verdrijven, onschadelijk maken, of tot ontbinding dwingen. Ik gaf immers voorbeelden, waarbij dit werd gesteld of als mogelijk werd aangenomen. Laat ons dit als volgt stellen: De primitieve mens was niet in staat een demon te vernietigen, zijn wijzen beseften over het algemeen echter zeer goed welke gevolgen dit kon hebben, daarom begonnen dezen veelal om, wanneer er eenmaal een demon bestond die een reële macht bezat, een tweede demon te scheppen met tegenovergestelde bestrevingen en invloed. Als methode om demonen te bestrijden mag dit wat vreemd lijken, maar ook nu kent men nog vele afbeeldingen en gebruiken, die hieraan herinneren. Waarom zou bv. een katholiek anders ook nu nog Maria, de moeder van Jezus, zo gaarne voorstellen als een vrouw die met de voet een gevleugelde slang – de duivel – verplettert?

Volgens de oude terminologie kunnen wij Maria in deze functie eveneens als een soort ‘daimon’ beschouwen, want in deze functie is zij geworden tot een machthebbend wezen uit de geestelijke wereld, dat agressief optreedt tegen de “duivel” en daardoor de status quo helpt handhaven. Want al is de demon een spookgestalte, iets of iemand, waaraan wij geen eigen leven zonder meer toe kunnen kennen, zo is het wezen van de ‘daimon’ in vele gevallen bepaald door een held of voorouder, ja, zelfs door een leermeester, aan wie men bepaalde menselijke gevoelens, of het vertegenwoordigen van bepaalde menselijke belangen, zal toeschrijven.

De mens bv. is bang voor de Goddelijke rechtvaardigheid en stelt onmiddellijk zich een of meer figuren voor als middelaars, die een milder worden van dit goddelijk recht zullen verkrijgen voor eenieder, die hen te hulp roept. Zelfs Jezus wordt ook op deze wijze bezien. De goddelijke rechtvaardigheid op zich is echter onaantastbaar. Men kan alleen een milder worden van de menselijke waan daaromtrent verkrijgen. De wezens, die hierbij milderend optreden, komen in deze functie eveneens voort uit het menselijke bewustzijn en kunnen dus als scheppingen van gedachtekracht worden beschouwd indien zij zich op aarde kenbaar manifesteren volgens de door de mens gestelde regels van gedraging en uiting.

De mens negeert de voor hem onaanvaardbare erkenningen omtrent de werkelijkheid maar al te vaak op een dergelijke wijze. Zo hij, het onverbiddelijke wezen van de tijd erkennende, de figuur van een Chronos schept, die alles vernietigt en zelfs zijn eigen kinderen verslindt, zo schept de mens onmiddellijk als tegenbeeld de vrouw van Chronos, die de mogelijkheid ziet haar kinderen voor dit lot te redden en zo, indirect, ook voor de mens de mogelijkheid de tijd te overwinnen, open laat. Zodra wij in mythologie of geloof in goden zien optreden, die een vernietigende functie en een verschrikkelijk aanzien hebben, zullen wij ook een soort tweeling – vaak de keerzijde van het vrezen van dezelfde godheid – aantreffen, die juist de goedheid zelve is en het vernietigende aspect a.h.w. neutraliseert.

Dit alles is niet zonder reden, zo maar vanzelf, ontstaan. Wanneer ik te maken heb met een de mensheid vijandige demon, zal het maar zelden mogelijk zijn, deze als mens zonder meer onschadelijk te maken. Men zal zelfs deze demon niet uit kunnen drijven van de stof, waarin hij zich gevestigd heeft, tenzij men hem een andere, gelijkwaardige, of althans onder de omstandigheden aanvaardbare woning kan bieden. Met andere woorden, inwerken op de demon vanuit menselijke of zelfs geestelijke zijde is meestal alleen zonder gevaar mogelijk, wanneer men de energie van dit wezen op de een of andere wijze kan conserveren. Blijkt het niet mogelijk de voor de mens begerenswaardige toestand op deze wijze te scheppen, zo zal men als mens geen andere uitweg kunnen vinden dan het scheppen van een tegengericht wezen, dat met de demon verwant is, maar als invloed daarmede een evenwicht vormt. Volgens de stellingen van de oude wijzen zullen op deze wijze de beide demonen elkander in balans houden en elkander beletten op de mensenwereld in aanmerkelijke wijze in te werken. Hierdoor zullen zij hun belangrijkheid in de menselijke gedachtewereld verliezen en op de duur beiden en gelijkelijk – elkander nog steeds aanvallende en in evenwicht houdende – door gebrek aan krachten, te niet gaan.

Nu kan men dit alles misschien beschouwen als bijgeloof, iets uit de Oudheid, dat in deze verlichte tijd geen werkelijke zin of betekenis meer kan hebben. Maar aan de andere kant zien wij, dat de mensen van vandaag gelijksoortige methoden gebruiken, wanneer zij spreken over gevaren en dreigingen. Aan de ene kant horen wij over het gevaar, de dreiging van de oorlog, terwijl dezelfde mensen vaak verkondigen, dat aan de andere kant bepaalde oorlogen uit standpunt van menselijkheid, vrijheidslievende e.d. niet te vermijden zijn. Ook hier is sprake van twee argumenten, die vaak door dezelfde mensen – soms zelfs gelijktijdig – gehanteerd worden. Het gaat dan meestal om dingen, die voor de mens van heden onaanvaardbaar zijn in hun uitwerking, maar aan de andere kant uit zijn denken nog niet gebannen kunnen worden.

Voor men dus de Oudheid en haar wijze van denken en reageren veroordeelt, zal men er goed aan doen te bezien, hoe in het heden dezelfde technieken gebruikt worden en dat, evenals in het verleden, aan beide argumenten vaak door dezelfde mensen evenveel geloof wordt gehecht.

Ook hier is het resultaat van dergelijke strijdige argumenten vaak, dat er een soort balans ontstaat in bv. het moreel besef van de mens, waardoor zijn vrijheid van willen en bewegen in feite groter wordt.

Omdat begrippen als oorlog de gedachten van veel mensen bezighouden en velen daaraan ongeveer gelijke eigenschappen en gevaren toe zullen kennen, is er ook hier sprake van een zelfstandige macht in de astrale sfeer. Men mag dus wel zeggen, dat er ook nu vele demonen op de wereld inwerken, demonen, die in overwegende mate door de mensen zelf zijn geschapen.

Het zijn deze demonen, die de mens juist in deze dagen wel bijzonder belagen: de tijd is nu eenmaal onevenwichtig in haar invloeden, zodat het handhaven van een evenwicht tussen de verschillende vrezen en begeerten van de mens welhaast onmogelijk is.

Een voorbeeld van de zo, schijnbaar tegen alle wil van de mens, ontstaande situaties kan men vinden in Vietnam. Velen hebben het overdreven en zelfs onaanvaardbaar genoemd, toen wij enige maanden geleden reeds zeiden, dat een verdergaand ingrijpen van de USA hier haast onvermijdelijk een eerst steels, maar later steeds meer openlijk ingrijpen van Rood-China met zich zou brengen. Men heeft zich ongeïnteresseerd afgewend, toen wij stelden, dat hier sprake was van een prestigeconflict, waarbij de waardigheid en invloed van zowel USA als China steeds meer in het geding zouden komen, zodat als gevolg van dit op zich niet zo belangrijke conflict wel degelijk een oorlog op zeer grote schaal zou kunnen ontbranden.

Wie echter de ontwikkelingen van de laatste tijd heeft gevolgd, zal moeten erkennen, dat nu dit alles niet zo dwaas meer lijkt. Gelijktijdig zijn echter andere invloeden aan het opkomen, want de mens schept ook hier – zoals altijd weer – de demon, waarmede hij de demon van een dreigende wereldoorlog wil uitbannen. Zo is een mens nu eenmaal: De mens wil de duivel altijd weer met de duivel uitdrijven, omdat hij niet in staat is de energie van een verslagen duivel zelf te absorberen en te niet te doen, terwijl hij ook niet in slaat is de demon – de geschapen denkbeelden en suggesties – een gelijkwaardig ander doel, een andere woning, aan te bieden.

Wij zien dan, zowel bij de belegerende als daarbuiten, groepen ontstaan, die alle optreden in deze veroordelen. Er wordt een zelfstandig denken geschapen, dat in wezen de verdeeldheid op aarde bevordert. Dit vindt intern plaats – de groep, die vrede tot elke prijs verlangt in Vietnam, de steeds groeiende groep in de USA en ook China, die geweld als oplossing afkeurt, de reactie van Europa zowel binnen NATO- als EEG-verband en de reacties van bv. de Z. Amerikaanse statenbond, die als enig middel tot zekerheid een grotere onafhankelijkheid en grotere nationale zeggingschap verlangen – zodat in de gehele wereld een stroming ontstaat, die in sterke mate de mogelijkheid tot het doen ontbranden van een wereldoorlog vermindert door het scheppen van economische en politieke onzekerheden.

Hoe zonderling deze omkering van waarden in een vrees voor het geweld wordt, moge blijken uit de eigenaardige ommekeer in het optreden van Egypte, dat zijn vroegere bondgenoten nu als vijanden gaat beschouwen en met geweld zou willen onderwerpen, omdat zij weigeren met ditzelfde Egypte tezamen de vroegere gemeenschappelijke vijand – door allen nog steeds zo beschouwd – niet aan durven vallen. Ook hier kan men wel spreken van een demon, geschapen door de angst, die de werkingen van de oorspronkelijke demon bestrijdt en een zeker evenwicht helpt handhaven. Juist deze vreemde tegenstrijdigheden in het menselijk denken en het menselijke gedrag kan een evenwicht tot stand brengen, waardoor de ergste mogelijkheden eenvoudig worden uitgeschakeld. Een dergelijke balans kan sneller ontstaan, wanneer er op aarde omstandigheden optreden, die de reeds bestaande neigingen versterken.

Zo weten wij bv., dat in het verleden de stammen en volkeren over het algemeen in tijden van vredige voorspoed minder offers brachten aan hun goden dan in tijden van oorlog, nood en armoede. Dat lijkt vreemd, want wanneer je veel hebt, kun je de goden toch ook iets geven. Maar de mens denkt anders en redeneert: Juist wanneer wij niets hebben, moeten wij de goden veel geven, want juist dan hebben wij behoefte aan hun hulp, macht en ingrijpen. Met andere woorden, op het ogenblik, dat de bestaande menselijke zekerheden worden aangetast en bestaande verhoudingen hun betekenis gaan verliezen, zal de mens geneigd zijn meer te offeren aan zijn demonen, de goeden zowel als de kwaden. Aan deze primitieve reactie heeft de mens, ondanks al zijn bereikingen, z.g. beschaving en cultuur, zich nog niet verder weten te ontwikkelen dan zijn verre voorvaderen.

Misschien zal men zich afvragen, of wij duivels, demonen en hel nu wel zo zonder meer af mogen doen als een door mensen geschapen invloeden in de astrale wereld, wanneer men de namen van vele demonen weet en – kerkelijk – zelfs kan beschikken over contracten, waarop de “handtekeningen ” van demonen of duivels voorkomen. Ja. Want al het andere is een kwestie van illusie. De bewijzen voor het bestaan van duivels en demonen in de meer moderne zin van deze woorden zijn niet zo oud als u denkt, zoals ook de gangbare voorstelling van de hel als plaats van grote hitte en in wezen lijfelijke kwellingen niet zo oud is als men wel zou aannemen.

Dit alles gaat bv. zeker niet terug tot ver voor Jezus tijd. Wij zien inderdaad, dat Jezus bezetenheid geneest.

Maar van alomvattende demonische krachten en hun wezen horen wij zelfs bij Jezus maar heel weinig. Eerst wanneer de middeleeuwen aanbreken, begint de demon een meer algemeen en minder met persoonlijk leven en eredienst verknoopt karakter te krijgen. Daarbij zijn de duivels en demonen niet zonder meer wezens van het kwade, maar vijanden van de kerk, goden, die nog vereerd worden door sommige groepen en volkeren. Het onderbrengen van deze duivels in een hiërarchie, die een karikatuur van de hemelse hiërarchie is, vloeit voort uit de stelling, dat het rijk van de “duivel” het tegendeel en spiegelbeeld van het rijk Gods moet zijn.

Het is goed te begrijpen, dat de belangrijkheid van bepaalde reeds erkende invloeden dus langzaamaan verandert en dat men daarbij de oorspronkelijke beproeving in het rijk van duisternis, dat een vorm van chaos is, verandert in blijvende straffen en het verblijf daarin van een door eigen wil en werken bepaalde tot een zonder meer eeuwige straf, die bepaald wordt door het handelen van de mens op aarde alleen.

Oorspronkelijk is er sprake van een rijk van duisternis, dat tegenover de goddelijke werkelijkheid, de Lichtende hemel staat, en daarvan een tegendeel vormt, een evenwicht gevende invloed op het zijnde uitoefenend. Tegenover de vorming, die Goddelijk is, staat de gedeeltelijke of gehele chaos. De kern van de zaak is waar en natuurlijk. D.w.z. dat zij direct uit het aannemen van een goddelijke schepping voortvloeit. De duivels zijn niet op zichzelf staande persoonlijkheden en entiteiten, die ingrijpen in de wereld der mensen. Alles wat in de wereld van chaos bestaat, behoort in die wereld ook werkelijk thuis en beperkt zich daartoe. Eerst wanneer de mens de poorten naar de onderwereld vanuit zichzelf openbreekt, wanneer hij met zijn gedachten in een tussensfeer als de astrale, een beeld van de wezens van Licht en duister als direct op aarde ingrijpend gaat scheppen, worden zij voor de mens ook in zijn stoffelijk bestaan een deel van de werkelijkheid.

Ik weet niet, of u mijn argumenten hebt kunnen volgen. Maar misschien kunt u zich het als volgt voorstellen. Toen de eerste indianen werden meegebracht vanuit Amerika waren zij iets geheel nieuws. Men had van dergelijke wezens nog nooit gehoord. De mens had de ruimte van de oceaan, die tussen Amerika en Europa lag, vanuit Europa overbrugd, en hierdoor was het mogelijk, dat deze indianen werkelijk in Spanje kwamen. Later wist men dus, dat indianen bestaan, maar zag men daarvan zelf minder. Uiteindelijk ontstonden verhalen omtrent de indianen, die met de werkelijkheid niets meer te maken hadden en kreeg deze onjuiste voorstelling grote invloed op het optreden en denken van jongere mensen.

U zult begrijpen, dat het overbruggen van de ruimte tussen twee sferen of werelden heel wat bedenkelijker kan zijn. Wij bouwen volgens de opvattingen van de demonologie der ingewijden geen werkelijke demonen op met ons denken. Wij scheppen een soort automaat, een robot, die bestaat uit krachten, die de gedachtekracht van de mens zeer nabij komt en in staat is de gedachten van de mens wederkerig te beïnvloeden, Dit wezen heeft – door de wijze, waarop de mens het schiep -, bepaalde functies en eigenschappen, die in andere sferen een harmonie kunnen wekken. Het denken van de mens vereenzelvigt vaak de geschapen robot met een – niet geheel reëel zo bestaande – wereld en brengt daardoor via deze vorm – die als voertuig dient – een werkelijk contact tussen eigen wereld en vooral eigen denken en een andere sfeer tot stand.

Nu moet u wel begrijpen, dat lang niet alle angst- en begeertevormen, die de mens in het astrale gebied door zijn denken en geloven heeft geschapen, ook werkelijk bezield zullen zijn of zelfs maar kunnen zijn door wezens uit andere sferen. Toch zijn er vele dergelijke schillen – astrale vormen – die op de duur een uitdrukking zijn geworden binnen de menselijke wereld van begrippen en krachten van wezens en invloeden, die elders bestaan. Hierdoor wordt de mens geconfronteerd met het denken en het gebruiken van krachten van wezens, die leven onder geheel andere omstandigheden en die geheel andere wetten en normen hanteren dan hijzelf. Hierin ligt misschien wel het grootste gevaar, dat de demon met zich kan brengen. Als gedachtevorm is hij uiteindelijk nog onbelangrijk, omdat hij door dezelfde menselijke kracht weer geneutraliseerd kan worden. Zelfs wanneer een wezen uit een andere sfeer de astrale sfeer en de daarin geschapen schillen gebruikt om de wereld te benaderen, geldt nog, dat de vorm door het wezen uit de andere sfeer niet zonder meer in stand gehouden kan worden, zodat zelfs dan de mens de mogelijkheid heeft de vorm en daarmede de dreiging, die zij inhoudt, te vernietigen. Maar de daarin rustende energie is dan veel groter. Bedenk echter dat alle demonen in de astrale wereld in feite schillen zijn die aangepast zijn aan de menselijke wereld en het menselijke denken, terwijl geen enkele wezen uit een andere wereld een dergelijk beeld op kan bouwen of in stand houden met alle details, waaraan het zijn werkelijke invloed op de mens ontleent. Het wezen uit de andere wereld zal misschien wel een eigen demon, een eigen voertuigelijke schil op kunnen bouwen, maar deze zal niet voldoende harmonie met de menselijke wereld kunnen bezitten om het mogelijk te maken elk doel te bereiken.

Ik geloof, dat de door wezens uit andere sferen bezielde schillen voor de mens de werkelijke duivels zijn. Zij brengen immers waarden en reacties, die in wezen de mens vreemd zijn, in de menselijke wereld tot gelding. Maar altijd weer moet ik herhalen, dat zelfs dan de schillen berusten op een door menselijk denken geschapen automatisme, waarin een door de mens bepaalde vorm en een door de mens bepaald gedragspatroon overheersen. De eigenschappen en volgorde, waarin de bestaande en door de mens ingelegde eigenschappen, krachten en vormwaarden, kunnen dus wel gemanipuleerd worden door een wezen uit een andere wereld, maar zolang het gaat om een direct beïnvloeden van het menselijk denken of zelfs als het gaat over een direct beïnvloeden van de meer stoffelijke wereld van de mens, blijven de mogelijkheden van het wezen uit een andere sfeer beperkt. Men kan dus denken aan de demonen als menselijke scheppingen, die echter onder omstandigheden tot marionetten worden, welke bespeeld worden door onbekende krachten, die achter het toneel van menselijk denken en de menselijke wereld schuil blijven gaan en voor de mens nooit werkelijk naar aard en wezen kenbaar zullen worden.

In de moderne tijd hebben wij eveneens met soortgelijke werkingen te maken. In het menselijke denken bestaan nu eenmaal tendensen, die weerklank zullen vinden in andere sferen. Vanuit die sferen heeft men zelfs wel getracht zelf voertuigen te maken, die de wereld zelf niet konden beroeren, maar toch een soort sfeer rond die wereld wisten te scheppen en via de door de mens geschapen vormen in de astrale wereld, waarmede geen vereenzelviging mogelijk was vanuit de oorspronkelijke sfeer, men de mensheid probeerde te beïnvloeden. Deze voertuigen zijn echter door met de mens verwante geesten enige tijd geleden reeds geheel opgeruimd. Aan dergelijke inwerkingen hebben wij vanuit de sferen dus op de duur wel een einde kunnen maken. Maar wat door de mens zelf aan dergelijke voertuigen is geproduceerd, kan, ook wanneer het met schadelijke krachten harmonisch is, niet voldoende door ons worden aangetast. Het typische gevaar van deze situatie is dan ook, dat de mens juist om eigen gevoelens van onmacht te bemantelen en eigen onvolmaaktheden te verbergen of te vergoelijken, demonen zal creëren, die niet alleen meer reageren volgens de gedachtewaarden en reacties van de mensen zelf, maar ook impulsen uitzenden van dezelfde gedachtewaarden en reactie mogelijkheden in een geheel andere volgorde, waardoor het resultaat van hun bestaan en ingrijpen een geheel ander kan worden.

Nu resten mij nog enkele punten, die met dit alles in verband staan, op te sommen. Een van de meest eigenaardige voorbeelden vinden wij in de evangeliën, waarin Jezus duivelen te lijf gaat, die kennelijk geen echte, zelfstandige duivelen zijn. Hij staat deze demonen toe in een kudde zwijnen te varen. Wanneer er sprake is van een zelfstandig bewustzijn, is het natuurlijk dwaas aan te nemen, dat de demon zijn nieuwe woning in de stof onmiddellijk vernietigt door de kudde in een ravijn te storten. Hierdoor immers ontneemt de demon zich een eventuele aanvalsmogelijkheid en een rustpunt in de stof. Waaruit blijkt, dat hier geen sprake is van een overlegde reactie. Voor de mensen, die rond Jezus waren, was hier echter wel degelijk sprake van een demonisch optreden en een duivelse invloed. Het gevolg was, dat zij zich onder Jezus hoede veilig voelden tegenover alle demonen en duivels. De uitdrijving was dus niet alleen een beïnvloeden van de bezetene, maar tevens een beïnvloeden van de volgelingen, die juist hierdoor niet in harmonie – door angst – met bepaalde astrale vormen waren, zodat dezen hun handelen en werken niet konden beïnvloeden en hen brengen tot verkeerde resultaten.

Dergelijke werkingen treffen wij ook in de oudste verhalen van India, waarin immers de helden steeds weer aan een feitelijk treffen met de vijand rituele schijngevechten vooraf doen gaan. Vaak wordt beschreven, hoe twee legers tegenover elkander staan en de helden voor de troep een soort schijngevecht opvoeren, waarbij zij weergeven, hoe zij hun tegenstander afslachten. Dit is geen dwaas gebruik, maar heeft tot gevolg, dat bij de minder heldhaftige strijders de overtuiging van de overwinning wordt vastgelegd en hen zo een extra bron van energie ter beschikking staat, wanneer de veldslag begint. Een gebruik, dat in wezen niet zozeer verschilt van het nu in de USA gebruikelijke dartelen, springen en schreeuwen van de z.g. Cheerleaders, die trachten de aanwezigen op te zwepen tot een soort hysterie, waarbij de eigen ploeg gevoelt, dat zij, gesteund door het enthousiasme van de menigte, onoverwinnelijk is en daardoor alles zal geven, wat zij geven kan. De achtergrond wordt misschien nu niet meer zo beseft als in het verleden. Maar het gaat hier om het scheppen van een zo algehele ontkenning van een nederlaag en mislukken, dat alle astrale krachten, die daartoe zouden kunnen bijdragen, niet meer met de strijders – spelers – in harmonie zijn en zo geen werkelijk invloed meer hebben op het verloop van het gebeuren.

Wat in het verleden aanvaardbaar en toegestaan was, lijkt mij ook in deze dagen nog aanvaardbaar te zijn. In een moderner gewaad komt hier hetzelfde om het hoekje kijken onder de naam van positief denken. Positief denken is niet gebaseerd, dat dient u wel te begrijpen, op een positivisme van uitdrukking. Het is alleen een positieve reactie op alle feiten, waardoor de positieve mogelijkheden daarin sneller tot verwerkelijking kunnen komen. Wanneer ik iemand uitscheld en hem daarmede zozeer van zijn gelatenheid weet te beroven, dat hij zich tegen dit uitschelden gaat verzetten, heb ik hem tot een positieve houding gebracht; nu immers gaat hij proberen te bewijzen, wat hij werkelijk waard is!

Wanneer je iemand alleen maar blijft wijzen op alle mooie en goede dingen die er zijn, zo zal dit schijnbaar positief zijn, maar het resultaat is steeds weer, dat men figuurlijk zich in een schommelstoel vlijt en het verder wel gelooft: Alles is immers in orde? Zeg ik tegen die mens, hoe slecht alles is, dan zal hij het waarschijnlijk geheel niet met mij eens zijn. Maar hij zal op een bepaald ogenblik ertoe komen om, wanneer de feiten duidelijk genoeg zijn, voor zich te stellen: ik ben zo niet. En daarmee wordt hij werkelijk positief, want hij probeert iets te doen.

Dit is de vorm van positivisme, door mij bedoeld: Wij hebben er niets aan, wanneer wij steeds maar denken, dat de wereld zo goed, mooi en braaf is. Want zij is het niet. Zoals het ons niet veel helpt, om het bestaan van een demon te ontkennen. Het feit, dat wij het bestaan van de demon willen ontkennen en deze ontkenning van gewicht achten, bevestigt in wezen reeds een – zij het beperkt – geloof aan zijn bestaan. In deze gevallen houdt de ontkenning in wezen een erkenning van een waarde of mogelijkheid in. U kent misschien wel de regel: hoe heftiger men iets ontkent, hoe groter de kans, dat het waar is.

Daarmede kom ik tot het belangrijkste deel van mijn betoog. Wanneer je ergens bang voor bent, moet je niet proberen het weg te praten. Op deze wijze voed je alleen maar mogelijke demonen.

Je moet alles erkennen, zoals het is, hoe het is, en dan jezelf daarvan weten te scheiden. Positief denken bijvoorbeeld t.a.v. de wereldvrede wil dus niet zeggen, dat je maar aan moet nemen, dat eenieder in wezen vredelievend is of zal worden; het is een erkennen van de onvrede in de wereld, gevolgd door een stellen, dat je zelf deze onvrede altijd zult verwerpen door vreedzaam te leven, de vrede altijd boven alles te stellen en in gedrag en denken de verdraagzaamheid te beoefenen. Op deze wijze wordt de demon van de oorlog het beste bestreden, daar hij nu niet meer door gedachten kan worden gevoed.

Ik ontken hierbij de demon niet, maar erken zijn bestaan. In deze erkenning trek ik mijzelf echter terug uit alles, wat tot zijn wezen kan behoren en maak het zo onmogelijk, dat hij uit mij nog verdere krachten put of sterker wordt door de reacties, die mijn daden wekken. Strijden voor de vrede is in wezen de demon van strijd en oorlog voeden. Vredig leven en denken bestrijdt hem echter. Het kwaad erkennen en er geen deel aan hebben door eigen wil en streven is in wezen een positief vernietigen van de bron van het kwaad, zover deze astraal bestaat.

Daarentegen, het kwaad ontkennen door het niet te willen zien, houdt vaak in, dat men door eigen reacties en levenshouding de macht daarvan versterkt.

De door mens geschapen demonen van deze tijd zorgen in deze dagen wel voor een bijzondere vormgeving van vele spanningen en conflicten; ook al zijn wij in de geest de laatste tijd over de uiteindelijke gevolgen van de werkingen van deze tijd nogal optimistisch. U moet toch niet denken dat het eenvoudig is, om de wereld nu voor alle onaangenaamheden en ergernissen te behoeden. Daarom juist zeg ik: Weest eerlijk. Wanneer u zich bindt aan termen als geleide economie, vrijheid voor allen, de menselijke of christelijke ethiek enz., schept u vaak tegenstellingen, die in wezen negatief zijn. U kunt deze dingen niet ontkennen, maar mag wel voor uzelf stellen, dat u aan de erkende negatieve aspecten op geen enkele wijze deel wilt hebben, wat ook voor u de angst, de werkelijke gevolgen, de mogelijkheden van de genomen beslissing in mag houden. Vanuit ons standpunt geldt, dat men de mens van zijn zelfgeschapen demonen het beste kan scheiden, door een situatie te scheppen of te bevorderen, waarbij de geschapen schil en haar inhoud voor de mens niet meer belangrijk zijn.

Uit de tijden van Saragon bestaat nog een fragment van “tempelklacht”, die in zijn geheel als volgt luidde: “Want ziet, de vuren branden niet, de altaren zijn leeg, de stem der priesters klinkt ijl en zonder vertrouwen. Zozeer heb ik U gezegend, dat gij mij verlaten hebt.”

Dit fragment, betreffende de vuren en altaren, staat op een gebroken kleitafel. In het geheel wordt letterlijk gesteld, dat de mensen, door de welvaart die hun God – die in wezen ergens hun heerser en vijand is -, eenvoudigweg hebben vergeten. Wanneer wij zien, dat de mensen bepaalde ideeën, voortkomende uit hun beleven van en honger naar welvaart, tot demonen hebben gemaakt, moeten wij het omgekeerde tot stand brengen en hen voor situaties plaatsen, waarbij zij geen tijd meer hebben om te denken aan de verre idealen, de onwerkelijke waarden, die zij in hun welvaart als goden zijn gaan eren en gedwongen worden, zich weer bezig te houden met de werkelijke problemen van alle dag. Dan zal vanzelf niet zoveel meer worden geofferd op de altaren van menselijke verplichtingen, onderlinge verhoudingen en sociale noodzaken, maar zal men weer eenvoudigweg gaan werken met de middelen, en in de mogelijkheden, waarover men ogenblikkelijk werkelijk kan beschikken.

Dit is een wijze van uitdrijving van de demonen, die op het ogenblik door de meer bewusten en de geest over de gehele wereld wordt gebruikt. Wie mij niet gelooft kan over twee maanden hier bv. eens zien naar de prijs van groenten en aardappelen en de reacties daarop, u zult dan zien dat “de stijging van de kosten van levensonderhoud op verantwoorde wijze” – ook al een moderne zelfgeschapen demon, de aandacht richt op de feiten en alle theorieën ter zijde zal stellen, het zal bv. de neiging, om de “welvaart bij de onderontwikkelde volkeren te bevorderen” volgens eigen systeem en met vele kosten, aanmerkelijk afremmen en grote invloed hebben op de politieke situatie. Dit klinkt zeer actueel, maar is slechts een omschrijving van de oude methode, om demonen te confronteren met aan hen tegengerichte concentraties van menselijke gedachtekracht en beiden daarop tot steeds groter onbelangrijkheid in het menselijke denken te reduceren. Wanneer dit bereikt wordt, is de demon werkelijk overwonnen, zonder dat de overwinning vele niet aanvaardbare nevenverschijnselen voortbrengt.

In Rome wist men dit op eigen wijze te gebruiken! Daar wist men vreemde goden te overwinnen, door hen te plaatsen in het rijk bij het Capitool, waar zij een onder velen werden, onbelangrijk geworden en daardoor op de duur geen werkelijke machten meer. Maar wanneer een God niet in het Capitool geplaatst kon worden, vervolgde Rome de aanhangers tot het uiterste: Deze God immers was en bleef een actieve demon, gericht tegen Rome. Zoals men eens in Rome deed, trachten de bewusten in deze dagen, de demonen, de goden van de mensen, de ideeën, die de plaats van de oude goden voor een groot deel innemen, schaakmat te zetten, juist omdat zij niet vanuit de geest kunnen worden aangetast en alleen vanuit de gedachtewereld van de mens werkelijk vernietigd kunnen worden. Schep steeds meer gelijkelijk voor de mens belangrijke zaken, richt energie en aandacht op tegengestelde waarden en bereik zo een balans, waarin de mens zelf weer kan leven zonder door een schijnbaar noodlot, door de drang van het bestaande, dat hem beheerst, in zijn vrije ontwikkeling belemmerd te worden.

Deze bestrijding van de mens geschapen demonen, die het gehele leven van alle mensen dreigen te gaan beheersen, is aansprakelijk voor het bestaan van vele onaangenaamheden, waarvoor de geest wel een oplossing gevonden zou hebben in andere omstandigheden, en het handhaven van vele tegenstellingen, waaraan men door en beetje inspiratie op het juiste ogenblik een geheel andere waarde gegeven zou kunnen hebben. Want het doel van de geest is niets anders, dan de demonen uit te drijven, die de mensen nu beheersen, voor zij, als de demon van de berg, waarover ik u aan het begin van mijn betoog sprak, u niet alleen maar trachten te brengen tot het gebruiken van bepaalde middelen als bv. atoombommen, gassen en viri, maar voldoende kracht hebben gekregen om die dingen desnoods zelf te maken. Want zou het zover komen, dan is geen mens meer waarlijk een mens, maar zal een ieder slechts de slaaf zijn van de denkbeelden, die de mensheid zelf eens geschapen heeft.

 0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen.

  • Is het Licht dan geen belangrijke tegenkracht?

Indien er alleen Licht is en geen duister, kan de mens dit niet verdragen: Het gaat hem als een mens, die op een gletsjer staat op het midden van een zonnige dag een zijn ogen niet kan beschermen. Hij wordt blind en zal in een afgrond vallen. Eerst wanneer er een duister, een schaduw is, waardoor de hoeveelheid licht te regelen valt, zal het Licht voor de mens een werkelijke en blijvende waarde kunnen hebben in zijn menselijke gedaanten en zijn huidige staat van bewustzijn. Licht en duister zijn, elk op zich, zonder de milderende inwerking van het tegendeel, in wezen even fataal. Je kunt dus niet zeggen: Laat ons het duister uitroeien tot alleen het Licht overblijft. Dan immers zal men ook zelf daaraan ten gronde gaan. Men kan evenmin stellen, dat men alle Licht uit moet roeien, want in een absoluut duister zal de mens eveneens ondergaan. Daarom dient men te zeggen: Ik zal de krachten van Licht en duister, zoals dezen voor mijn bewustzijn bestaan – zoals ik deze dus zou kunnen personifiëren en daarvoor astrale voertuigen scheppen – in mij zelf zo goed mogelijk in evenwicht brengen. Dan eerst kan ik mijzelf beleven en een waarlijk hoger bewustzijn bereiken. Indien de gehele mensheid goed zou zijn, zou de wereld en de mensheid aan die goedheid ten gronde gaan. Als eenieder slecht was, zou er geen werkelijke vooruitgang mogelijk zijn en zou de mensheid en de wereld daaraan ten onder gaan. Nu echter de wereld een vreemd mengelmoesje van goed en kwaad is, gaat de wereld met grote schreden vooruit, zelfs wanneer haar weg haar daarbij vaak in kosmische gevaren zal storten, die zij nog niet kan beseffen.

  • De herdenking van het gebeuren in Hiroshima, 20 jaren geleden, kan dit ook worden gezien als het voeden van een demon?

Ja. Hierbij wordt immers niet in voldoende mate het argument gebruikt, dat wij allen mede verantwoordelijk zijn voor het gebeuren en alle daarmede in verband staande waarden moeten ontkennen. Men wijst er op, dat de atoombom zo verschrikkelijk is. Maar het gevaar schuilt niet werkelijk in de atoombom. Het gevaar ligt in het denken van de mens, dat hij, zo hij maar over een sterker wapen beschikt, ongestraft zijn wil zal kunnen doorzetten en het denkbeeld, dat de middelen van minder belang zijn, zolang het doel maar wordt bereikt. De behoefte, over macht te beschikken om daarmede te kunnen argumenteren en afdwingen is het werkelijke gevaar, niet de atoombom, hoe verschrikkelijk haar uitwerking ook moge zijn. Want de atoombom van heden is niet veel meer dan het begin van een nieuwe era, die reeds morgen werkelijkheid kan worden, een tijd, waarin veel meer energie beschikbaar zal moeten zijn om alle stoffelijke arbeid ook verder te kunnen verrichten, daar de mens zelf zich meer op geestelijke waarden richt en minder stoffelijke arbeid wenst te verrichten.

Nogmaals dus: Het gevaar ligt niet in de bom zelf, maar in de mentaliteit, waarmede men haar maakt en hanteert in deze dagen, ja, zelfs in de verbeten mentaliteit, waarmede het gebruik en de ontwikkeling van dit wapen op het ogenblik door sommigen bestreden wordt. Dezen zijn demonen, die niet berusten op de werkelijkheid, maar hun demonische kracht ontlenen aan de bemanteling van de werkelijkheid en juist daardoor vat hebben op de menselijke rede. Door deze demonen te voeden zou de mens tot een onredelijkheid van denken en handelen kunnen komen, zonder dit zelf te beseffen. En juist dit is het grootste gevaar.

De meest reële en positieve houding zou daarom zijn: Wij willen niets te maken hebben met de atoombom, wat er ook gebeurt, dus erkennen wij het bestaan, maar ontzeggen alle steun aan elke groep en elk streven, dat daarmede in verband staat, ongeacht de gevolgen, die dit voor ons kan hebben. Wij kunnen en willen hieraan op geen enkele wijze, noch als makers, noch als bestrijders, enig deel hebben. Wie van de machthebbers van heden en atoombom heeft, om hun eisen kracht bij te zetten, is even schuldig als degene, die een idioot kind een geladen en ontzekerd pistool geeft om daarmede te spelen.

Wat men met het gebruik van de atoomwapens en zelfs met sommige proeven daarmede in feite de wereld heeft aangedaan, weet men nog niet en zal men de eerste 20 tot 40 jaren ook nog niet te weten komen, vrees ik. Want zolang duurt het nog wel, voor men alles, zelfs omtrent Hiroshima, zal kunnen weten en begrijpen, beseffen zal, wat er toen in feite allemaal gebeurd is, wat er daardoor in en met mensen – over de gehele wereld – gebeurd is. Een oprakelen van dit verleden heeft dus weinig zin op het ogenblik en zal hoogstens demonen van angst en begeren voeden.

Een zinrijk streven is: Verander in jezelf en waar je kunt in alle mensen de mentaliteit, die tot het gebruik van dergelijke middelen kan voeren. Verschuil je dus niet achter de angst voor de bom, want als je alleen maar bang bent om te slaan, omdat je vreest, dat de slag op jou terugkaatst, zal je blijven slaan, wanneer je maar denkt de gevolgen te kunnen ontduiken. Wie erkent, dat het slaan op zich, ongeacht met welke middelen, een mensonwaardige handeling is, behoeft de stok niet meer te bestrijden, omdat het wezen van de stok in deze zin vanzelf zonder betekenis is geworden.

  • Zal de mens ooit zover komen? Zullen mensen ooit de drang naar macht achter zich laten?

Op het ogenblik, dat het uitoefenen van macht iets verachtelijk wordt in de ogen van de meerderheid, ja. Want de mens zoekt niet het wezen van de macht en de welvaart, maar een schim, die het beste kan worden omschreven met de behoefte, om primes interpares, de eerste onder zijn gelijken, te zijn. Deze behoefte op zich is de mens eigen en volgens mij ook gezond. De wijze, waarop men ze tracht te verwezenlijken niet. Stel daarom uw doel in het leven anders en veracht hen, die macht willen bezitten en eer hen, die dienen. Dan is het gestelde bereikbaar. Jezus probeerde de mensen reeds dit te leren. Zijn leerlingen hebben Hem echter verkeerd begrepen en meenden al snel, dat je macht alleen door macht kunt bestrijden, zelfs indien hun beeld van macht oorspronkelijk van meer geestelijke aard was. Het kwaad van de macht kan alleen bestreden worden, door geen macht te begeren en de belangrijkheid van alle bezit van macht te ontkennen.

  • Wat is de groene magie, die u noemde?

Dit is een bepaalde versie van de magie. Wij kennen een schoolmagie, die gebaseerd is op vaste regels en dus iets wetenschappelijks heeft. Rituele magie is hiervan vaak doel.

Daarnaast kennen wij sacramentele magie, waarbij het offer gebaar het belangrijkste is, al zal ook dit vaak een rite vormen. Deze vindt zijn basis in een geloof en berust niet op een vaste samenhang van waarden. De groene magie is gebaseerd op het erkennen van het evenwicht en de werking van krachten in de natuur en het toepassen van de persoonlijke erkenning daarvan op de wereld van het bovennatuurlijke. Hier kent men geen rituelen en vaste gebruiken, ofschoon er wel bepaalde uiterlijke trucs bestaan, die bijna alle groene magiërs zullen gebruiken en beheersen. Hier gaat elk vanuit zich voort, meestal aan de hand van overleverde waarden, volgens een eigen systeem en eigen persoonlijk beleven en gebruikt dus de erkende mogelijkheden ook op een geheel eigen wijze, die door anderen slechts zelden precies nagevolgd kan en zal worden.

  • Een van uw sprekers maakte een onderscheid tussen de Witte Broederschap en de magiërs. Welk is dit?

De Witte Broederschap werkt zonder de uiterlijkheden van de magie. Haar sfeer van werken is vanuit haarzelf volledig reëel en gebaseerd op eigen erkenningen plus een persoonlijk bereikte en ervaren harmonie met hogere krachten. De magiër kent vaak geen blijvende en feitelijke harmonie van hogere krachten, maar beroept zich meestal op zijn kennis en het bestaan van die krachten. De magiër weet dus in de meeste gevallen niet precies waarmede hij in feite werkt. De Witte Broederschap weet dit wel en werkt geheel in een realiteit, waarbij het werk van deze orde ook binnen de waanwereld van de mensen tot uiting komt, terwijl de magiër werkt vanuit een waanwereld, die wel verschilt van de normale wereldwaan, en van daaruit verschijnselen verkrijgt, die ten dele ook met de werkelijkheid gelieerd zullen zijn.

  • Speelt bij alles, wat wij in het zuiden nu zien, ook de kracht van demonen een rol?

Hier is sprake van een te plotseling verbreken van banden o.m. met voorouder demonen e.d., terwijl ook stamriten worden verlaten, zodat ook hier via de daarmee verbonden astrale krachten invloeden vrijkomen. Binnen dergelijke gebieden ontstaat dus een grote uitstorting van astrale krachten, die revolutionair werkt en zelfs tot religieuze uitbarstingen aanleiding geeft. Vaak zien wij explosieverschijnselen, die optreden, wanneer een astrale kracht opeens tot ontbinding komt, met als gevolg, dat eenieder, die iets van die kracht ervaart, deze interpreteert als een persoonlijk vermogen. Het gevolg is een reeks van in wezen anarchistische uitbarstingen, die door buitenstaanders bedwongen worden, die daaruit voor zich dan weer een macht proberen op te bouwen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterie.

Zoals u bemerkt hebt, is ons programma enigszins onder de invloed van de heersende omstandigheden gekomen en daardoor wat gewijzigd. Ik wil echter nog enkele korte stukjes van mijn eigen esoterische inzichten te berde brengen.

Om je bewust te worden van de krachten, die in jezelf schuilen, moet je eerst vergeten, wat je over jezelf denkt. Want een mens, die in zijn handelen afgaat op het beeld en de mening, die hij zich uiterlijk omtrent zichzelf heeft gevormd, komt over het algemeen terecht in een dwaaltuin van vergissingen. Haast elke mens heeft innerlijk voor zich een standbeeld opgericht, dat hij zijn “ik” noemt. Menigeen verslijt voor zich en bij zich voor wijsheid, wat hij bij anderen babbelzucht noemt. Menigeen noemt bij zich deugd, wat hij bij anderen alleen gebrek aan initiatief noemt.

Menigeen noemt bij zich waarden als verontschuldigbare kleine fouten, die hij bij anderen grote zonden noemt.

Benader uzelf daarom alsof u een vreemdeling zou zijn. Eerst wanneer een enigszins objectief beeld van het ik is verkregen, zal men een schrede verder kunnen komen. Wie in zichzelf gaat en zich een beeld heeft gemaakt over alles, wat hij ontmoet, leeft in een tempel vol illusies. Wie echter in zichzelf gaat, desnoods verwachtende, dat hij daar een niets zal vinden, maar de waarden van zijn wereld daarin niet toepassende, zal in zich een weelde van nieuwe normen, waarden en mogelijkheden ontdekken.

Benader dus uzelf als een blanco, als een onbekend terrein. Want wie in zichzelf een erkenning heeft gevonden, die niet gebaseerd is op een vooropgezette mening of oordeel, moet deze voortdurend bewaren. Zij is deel van zijn innerlijke werkelijkheid en zo voor hem een voortdurende sleutel ook tot het nog niet erkende rijk van zijn innerlijke waarden en mogelijkheden. Het is juist alles, wat vanuit eigen wereld vreemd lijkt, dat toegang geeft tot de werkelijkheid van eigen innerlijk wezen. Al het andere is slechts garnituur, de vermomming van de feiten. Juist het niet redelijk verwachtte is deel van een innerlijke werkelijkheid, die men waarlijk betreden kan en die men niet steeds weer voor zich hoeft te scheppen en te herscheppen.

Wij zijn deel van het onbekende. Het onbekende bestaat in ons allen. Wanneer wij dit onbekende aanvaarden als zodanig, openbaart het zich aan ons, tot wij het kennen.

Juist het binnendringen in de onbekende innerlijke wereld, zonder daarin iets te zoeken, dat men reeds stoffelijk heeft bepaald, maakt het de mens mogelijk deze wereld te zien en te beleven, zoals zij werkelijk is. Deze wereld is een concrete werkelijkheid, iets wat blijvend bestaat.

De vraag is, hoe de weg in deze vreemde wereld te vinden. Maar zo min als je in Den Haag de weg kunt vinden met een kaart van Amsterdam, kun je in de innerlijke wereld de weg vinden, met de regels en de begrippen, die je aardse bestaan regeren. De esoterie is de kunst, om een nog niet erkende, maar bestaande innerlijke werkelijkheid te betreden en de eigen waan op aarde of in eigen sfeer zozeer te beknotten, dat zij een overeenstemming van eigen wezen met de innerlijke werkelijkheid toelaat.

Men kan hierdoor zijn leven niet waarlijk rijker of armer maken, maar zal wel de waardeloze en overbodige elementen van dit leven terzijde kunnen stellen, zo zijn ballast verminderende. De esotericus put uit het zand van zijn beseft bestaan de korrels goud van de eeuwigheid en leert, op de duur alle zand weg te werpen. De grootste bereiking van de esotericus is het behouden van het waardevolle, zonder zich daarom te belasten met het nodeloze.

Vergeet bij dit alles echter niet, dat elke mens voorlopig in elke waarheid een spiegelbeeld meent te zien, omdat eenieder zichzelf zoekt, en maar zelden iemand reeds onmiddellijk leert zoeken naar de blijvende waarheid die in hem leeft.

Eerst wie durft zoeken naar dit onbekende innerlijk, zonder daarbij eigen uiterlijkheden en waan te stellen, zal ook in de waarheid van anderen steeds meer van eigen innerlijke wereld terug kunnen vinden. Daarom is het voor een esotericus goed te studeren, zolang hij zich met het onderwerp van zijn studies niet te veel één gaat gevoelen. Want er bestaat op aarde geen enkele waarheid, die volmaakt, volledig en onveranderlijk is. In elke mens echter bestaat een waarheid, die eeuwig is en onveranderlijk blijft. Wie deze innerlijke waarheid zoekt, zal zien, dat de uiterlijke waarheid slechts een beperkte uitdrukking vormt voor alles, wat hij innerlijk erkent. Achter alles, wat bestaat, ligt een blijvende werkelijkheid. Zolang men deze werkelijkheid vanuit de waan benadert, zal men haar in de waan willen betrekken en zo tot  waan maken voor zich. Eerst wanneer men de waarheid aanvaardt, zonder daaraan iets toe te willen voegen, of een deel van eigen waan meer waarde te willen geven door het erkennen der werkelijkheid, is er sprake van een werkelijke esoterische bereiking.

Dit is de kern van alle bewustwording en van alle innerlijke waarden. Overweegt dit alles dus eens.

image_pdf