Denken en doen

uit de cursus ‘Occulte filosofie’ (hoofdstuk 2)  – november 1974

Denken en doen

De gehele occulte wereld wijkt, zoals we reeds hebben geconstateerd, in aanzienlijke mate af van de redelijke wereld. Het is niet mogelijk gelijktijdig menselijk redelijk en logisch te denken en occult werkzaam te zijn. Omgekeerd is het vaak niet mogelijk op grond van occulte denkwijzen met goede resultaten in een menselijke maatschappij normaal te functioneren. Er zijn dus a.h.w. twee gescheiden gedachtewerelden nodig die de occultist naar believen kan inschakelen of, zo hij dat prefereert, kan betreden. Ik zal mij vandaag vooral bezighouden niet de occulte denkwijzen en de consequenties, die daaraan ook metterdaad verbonden zijn. Allereerst dan dit:
Elk wereldbeeld is onjuist. Het juiste wereldbeeld is praktisch onbereikbaar. Als wij een gezamenlijk beeld en gezamenlijke definities van de wereld hebben, dan is dit hoofdzakelijk te danken aan het feit dat wij onderlinge afspraken hebben.
Als wij een bepaalde kleur b.v. ‘rood’ noemen, dan is het nog lang niet zeker dat iedereen dezelfde kleur ziet. Wel reageert men op een bepaald deel van een bepaald verschijnsel met de term ‘rood’.
De occultist begrijpt dit. Hij zegt: Als nu rood voor mij onaanvaardbaar is en ik zeg er ‘groen’ tegen, dan verander ik de emotionele waarde ervan. Door rood groen te noemen, verander ik dus mijn relatie met het verschijnsel, daardoor verkrijg ik een totaal ander inzicht in de mogelijkheden en zal ik ook in de praktijk andere dingen kunnen bereiken.
Nu beginnen we met een stukje occult denken.
Ik besta. Het geheel van mijn bestaan kan alleen vanuit mijzelf worden gedefinieerd. Deze definitie zal dan voor mij gelden in relatie met al het voor mij kenbare. Kenbaar is voor mij al datgene wat ik aanvaard. Onkenbaar is voor mij al datgene wat ik verwerp. Daarom is het geheel van mijn denken gebaseerd op het constateren van hetgeen voor mij aanvaardbaar en onaanvaardbaar is. Slechts met het aanvaardbare kan ik werken. Daarnaast zal ik trachten het onaanvaardbare zo te bezien, dat het aanvaardbaar wordt. Hoe meer ik in mijn wereld kan aanvaarden, hoe groter mijn mogelijkheid wordt, occult te werken in de wereld, hoe groter ook mijn mogelijkheid is tot het persoonlijk presteren van al datgene wat volgens mijn denken noodzakelijk is.
Dit klinkt een beetje warrig, maar is het wel zo dwaas? ‘Occult’ is duister of verborgen, zeker. Maar hoeveel van hetgeen u werkelijk beleeft, weet en denkt, blijft verborgen? En als dat voor u al geldt, hoezeer zal dit ook niet gelden voor al het andere dat er in de wereld bestaat?
Begin te erkennen dat een groot gedeelte van hetgeen u naar buiten toe toont, niet in overeenstemming is met wat u innerlijk bent. Besef wat u innerlijk bent, want op deze wijze kunt u nagaan wat in uw gedrag en wat in de wereld voor u aanvaardbaar is en wat u zou willen verwerpen. Uitschakelen van zelfbedrog is dus een belangrijke factor. Toch zal menigeen zeggen dat een gedeelte van het occultisme op zelfbedrog berust.
Men heeft daar geen ongelijk in en wel in dier voege dat men zich bezighoudt met werelden die men zelf schept. Men houdt zich bezig met wezens waarvoor men mogelijk niet de kracht, maar althans de vorm toch wel uit zichzelf tot stand brengt. Men komt in contact met werelden waarin het wezen mogelijk aanwezig is, maar de beschrijving wederom be­rust op de persoonlijke reactie. En als we dat zien, dan moeten we toe­geven: veel van hetgeen een occultist zich voorstelt, is in feite waan.
Het is een soort fantasie, vanuit menselijk standpunt. Maar hoeveel fan­tasieën bevatten niet een verborgen werkelijkheid? En dat is het punt­ waar het om gaat.
Jezus spreekt in parabelen. Als hij het heeft over de barmhartige Samaritaan, dan heeft hij het niet over een Samaritaan. Dan heeft hij het zelfs niet over een man, die langs de weg ligt of over Levieten en priesters die doorlopen, dan spreekt hij over een menselijke relatie. Het is de relatie die belangrijk is, het andere is omkleding. Maar het wonderlijke is dat die relatie op een aanvaardbare wijze alleen in dit op zich fantastische beeld kan worden uitgedrukt. Zo werkt de occultist.
Als ik tot mijzelf zeg: Er is een oneindigheid aan kracht, uit die kracht kan ik putten, dan kan dat vanuit menselijk standpunt onzin zijn, maar als ik geloof in die kracht, als ik tracht te putten uit die kracht, dan beschik ik over een aanmerkelijk groter vermogen dan iemand die dit niet doet. En wat meer is, ik kan dit vermogen gebruiken in overeenstemming met mijn voorstellingsvermogen. Ik ben daarbij dan niet alleen maar gebonden aan hetgeen gangbaar is in de normale menselijke wereld.
Als ik denk dat ik een mens genees en ik maak, op welke wijze dan ook, dit voor mijzelf tot een daadstelling, dan is de kans groot dat ik die andere mens genees.
Als ik stel dat ik de droom van een mens beïnvloed en mij volledig voorstel hoe dit geschiedt, dan kan dat op zich onzin zijn, maar eigenaardig is het feit dat eraan verbonden is. Ik zal door deze concentratie een groot gedeelte van mijn gedachten overbrengen naar degene die volgens mij moet dromen en ik zal wel degelijk zijn droom beïnvloeden. Wat ik denk, is occult de basis van hetgeen ik kan doen, niet van hetgeen ik doe. Ook dit is misschien met een beetje occulte filosofie aan te vullen.
Wat ik besef, betekent nog niets want mijn beseffen op zichzelf is alleen het constateren van een mogelijkheid. Een mens, die constateert dat hij een mogelijkheid heeft tot eten en dat niet doet, zal desondanks verhongeren. Je moet dus altijd een mogelijkheid zien en je moet haar waarmaken.
Alle relaties die wij ons kunnen voorstellen in de magie of in het esoterisch leven en streven, zijn gebaseerd op iets waardoor wij persoonlijk tot actie overgaan. Daarbij is de actie niet altijd aangepast aan hetgeen wij willen doen noch aan het resultaat dat wij denken te bereiken, want de relatie tussen de actie en ons is geen beschrijvende. De actie is eenvoudig de omzetting van het innerlijk beeld in een uiterlijke werkelijkheid waarbij de uiterlijke werkelijkheid en de daad zelf, menselijk gezien, geheel niet met elkaar verbonden behoeven te zijn.
Een geest, die ik aan- of oproep, kan antwoorden, kan niet antwoorden. Als er een antwoord komt, dan is dat nog steeds niets betekenend. Maar op het ogenblik dat ik op dat antwoord reageer, is het een deel van mijn werkelijkheid geworden en heeft het antwoord van die geest voor mij een soort bindende kracht gekregen en zal het mijn verder bestaan geheel beïnvloeden.
Als dit nu geldt voor een geest, dan moet dit ook gelden voor God, dan moet dit gelden voor de duivel, dan moet dit gelden voor elke denkbare voorstelling die ergens in de mens bestaat of heeft bestaan. In het geheel van actie en reactie kan dus worden gesteld:
Elke geestelijke voorstelling is bruikbaar om van daaruit een projectie tot stand te brengen. Maar een projectie zal slechts mogelijk zijn, indien de voorstelling wordt omgezet in een daad, ongeacht van welke aard.
Hier heeft u weer een denken dat absoluut irreëel is. Een mens zegt: Als je slaat, dan kun je verwonden maar niet genezen. Toch zegt die occultist: als de slag de uitwerking is van mijn besef ‘ik genees’, dan geneest die kracht.
Al we denken aan het oude geloof dat koningen konden genezen (zoals koning ‘stuiver’, die stuivers schenen zeer goed te helpen te­gen o.a. schurft volgens het volksgeloof), dan hebben we ook te maken met een dergelijk magisch concept dat toen eigenlijk geactiveerd werd door het geloof in de koning als een directe vertegenwoordiger van bovenaardse machten. Maar als de koning niet wilde genezen, dan kon hij stuivers uitdelen tot hij blauw zag en er gebeurde niets. Maar als de koning – op welke wijze dan ook – onder de indruk kwam van het vertrouwen in hem gesteld en dus hoopte, ja, wilde dat er iets zou gebeuren, dan bleek inderdaad een deel van de mensen te genezen van o.a. scrofu­lose en dergelijke ziekten.
Wat is hier nu het verband? Het stuivertje had geen betekenis; het was eerder een aalmoes: Wat de koning deed, had ook geen betekenis. Maar wat er gebeurde, was dat door die actie een aanvaarding bij de ont­vanger ontstond en een wil bij de gever. Het was deze relatie die dit schijnbaar magische of mystieke gebeuren tot stand bracht. Het is goed u dit altijd te realiseren.
Daad en gedachte staan met elkaar in verband door het feit dat voor het ego de daad uitdrukking geeft aan de werkelijkheid, die in de gedachte besloten ligt. Verder niets. De daad is niet de noodzakelijke consequentie van de gedachte. De daad kan ook nimmer altijd dezelfde zijn. Dan komen we terecht in het ritueel. Ze moet slechts de uitdrukking zijn van een innerlijke wereld. Oorzaak en gevolg zijn hier van stoffelijk standpunt uit gezien, ver te zoeken. Als iemand kort voor het inslapen zijn gedachten wil projecteren, desnoods om de halve aarde heen, en om dit voor zichzelf duidelijk te maken alleen maar een kort handgebaar maakt, dan is het krankzinnig aan te nemen dat dat handgebaar die kracht rond de wereld doet gaan. Maar het gebaar betekent het inschakelen van eigen vermogens; het heeft een schakelfunctie niet een praktische functie.
Toen men aan een bekend occultist vroeg waarom, volgens hem, de ac­ties (het ging over ritueel) onontbeerlijk waren, was het antwoord dit: “De mens gelooft zelden of nooit aan de mogelijkheid van zuiver geestelijk bereiken. Eerst als hij zijn geestelijke inzichten, op welke wijze dan ook, stoffelijk enige betekenis voor zichzelf heeft gegeven, is hij daardoor in staat ze verder uit te dragen.”
Ik meen dat ook dit punt voldoende duidelijk is.
In het kort samengevat hebben wij geconstateerd:
Denken en doen zijn in het occultisme met elkaar verbonden door de behoefte van de mens om aan alles wat er in hem bestaat, op enigerlei wijze op eigen stoffelijk niveau uitdrukking te verschaffen.
De rituelen, die we in het occultisme op vele verschillende manieren tegenkomen, hebben ook een soortgelijke betekenis. Hierbij kan gewoontevorming een rol spelen. Ik denk aan het opdragen van het misoffer in de R.K. kerk. Hier is sprake van een aantal handelingen, die op zich misschien een soort zinvol toneelstukje vormen, maar die zeker op zich helemaal geen invloed kunnen hebben op een grote kosmische kracht. De bedoeling is echter dat door dit alles de mens tot aanvaarding komt van een kracht die in wezen, maar potentieel, in de mens reeds is. De uitstorting van kracht geschiedt niet krachtens het ritueel maar krachtens de gesteldheid die door het ritueel tot stand wordt gebracht.
De rituele magie is daarop opgebouwd en een groot gedeelte van de rituele esoterische bestrevingen eveneens. Want het geheel van b.v. een maçonnieke ritus, van een bijeenkomst met allerlei sfeer makende middelen van Rozenkruisers of Theosofen en al die andere verschillende richtingen waarvan men riten kent, is in wezen altijd het richten van de mens. Daarom zal ik een ritueel gebruiken op het ogenblik dat ik niet in staat ben om in mijzelf snel en juist de gewenste gerichtheid tot stand te brengen en daardoor uitdrukking te geven aan in mij bestaande geestelijke krachten of beelden.
De praktijk is voor een mens altijd een beetje moeilijker, want in de praktijk lopen we altijd weer aan tegen het idee van: kan het wel, is het wel mogelijk?
Nu zal het u wel zijn opgevallen dat er mensen zijn die in zich een beeld dragen van hetgeen zij zouden willen doen en eigenlijk toch ook weer niet geloven dat zij tot zoiets in staat zouden zijn. Waarom zullen nu sommigen geen resultaat behalen en anderen juist wel resultaat krijgen? Het antwoord is eenvoudig genoeg:
In het eerste geval ben je innerlijk ervan overtuigd dat het moet kunnen en je wordt tot het gebaar, hoe angstig en met hoeveel voorbehoud je dat misschien ook maakt, gebracht omdat je die innerlijke zekerheid op de proef wilt stellen. In dit geval wordt dus het gebaar toch de uitdrukking van een innerlijke werkelijkheid en zal daardoor een resultaat worden verkregen dat veel verder gaat dan je redelijk meent te kunnen verwachten. Maar het zal nooit het resultaat zijn dat verder gaat dan hetgeen je je hebt voorgesteld.
In het tweede geval zien we het omgekeerde: Hier is iemand, die gelooft niet dat iets mogelijk is, maar door het gebaar te maken, wil hij a.h.w. aan zichzelf bewijzen dat hij gelijk heeft. Dit is een van de liefste bezigheden van de mens: zichzelf bewijzen dat hij gelijk heeft. Maar dat betekent dat het beeld, dat hij in zich draagt, al negatief is. “Het zou mooi zijn, maar het kan niet”, dat is zijn innerlijke gesteldheid. Wat wordt dus door het gebaar of de ritus naar buiten gebracht? Het kan niet. Een negatief resultaat.
De situatie wordt misschien nog wat verwarder, als we ons gaan realiseren hoeveel van het occultisme berust op allerlei emotionele waarden. Nu geloof ik niet dat waar occultisme zonder enige emotie bedreven kan worden, want het menselijke bereikt het onstoffelijk menselijke door de emotie. Maar heel vaak ook ontspoort men in het dagelijks leven door emotionaliteit. Men heeft het gevoel dat er iets moet gebeuren. Dat gevoel berust dan op allerhande ideeën zoals naastenliefde of gerationaliseerde impulsen of iets dergelijks die echter slechts een onvrede met de eigen toestand en de eigen wereld uitdrukken. In een dergelijk geval kan men zeggen: Ja, dat moet dan maar. Doch het kan niet bereikt worden indien er niet eerst in de gedachtewereld dat concrete beeld bestaat.
Als we het maar weer houden bij de genezing, dat is het meest geliefde en meest gebruikte onderwerp van de occultist, dan kunnen we zeggen: Iemand die intens alle behoefte voelt om een medemens te helpen – of dat nu is om zichzelf wat hoger te maken in de ogen van die ander of omdat hij zo’n medelijden heeft met hem, dat kunnen we buiten beschouwing laten – zal dat nooit kunnen waarmaken indien hij niet in zich het beeld van die genezing heeft. Eerst als dat er is, kan het werken. Misschien kan ik het zo zeggen:
De emotie is de loop van het kanon waarmee je enorme geestelijke krachten de stoffelijke wereld kunt inschieten. Als er geen gedachte is, is er geen lading, dan kun je dus het kanon niet afvuren. Op deze manier wordt u al wat duidelijker wat de relatie moet zijn tussen gedachte en daad.
De relatie tussen gedachte en daad is dat eerst de gedachte aanwezig moet zijn. Als de daad een gedachte wekt, dan kan dit later naar de wereld toe werkzaam worden, mits er weer een daad is, hoe gering dan ook. U kunt echter nooit zeggen: Ik stel een daad, daardoor komt er in mij een beeld open, dat beeld wordt waar. Dat kan niet in de grootste magische betekenis en dat kan zelfs niet in de klein menselijke betekenis van zelferkenning.
Datgene wat je door een ervaring, een handeling innerlijk omtrent jezelf begint te veronderstellen, behoeft helemaal niet waar te zijn. Het is een eerste beeld. Dit beeld moet geestelijk worden gevormd totdat het harmonisch is met je wezen. Het moet een ‘ik’- voorstelling worden, die aanvaardbaar is en die de relatie met de wereld uitdrukt, niet volgens de daad en de eerste opwelling erna, maar volgens het innerlijk besef. Dan kan diezelfde daad of een andere daad of een gebaar de uitdrukking worden van alles wat er in die gedachte is ontstaan en kan volgens de inhoud van die gedachte in de materie, en zelfs in bepaalde sferen, gericht worden.
Dan vraag je je wel eens af: Is het noodzakelijk om iets op een bepaalde manier te doen? Een heel persoonlijke kwestie. Kijk eens, als u altijd met de rechterhand heeft geschreven, zal het u moeilijk zo niet onmogelijk zijn om met de linkerhand leesbaar schrift te produceren. Als u dat weet, zult u rechts schrijven. Als een mens volledig in religieuze voorstellingen is opgegaan, dan zal hij uit die religieuze voorstellingen moeten werken. Maar dat betekent ook dat de praktijk van zijn religie, op welke wijze dan ook, moet worden ingeschakeld.
De genezer kan niet volstaan met een handoplegging alleen. Hij moet er een kruisje bij maken. Niet, omdat dat kruisje belangrijk is, maar omdat het voor hem de band is met zijn innerlijke wereld en met zijn geloof in mogelijkheden en krachten in die wereld. Aan de andere kant kan ik mij voorstellen dat iemand een persoonlijk geloof heeft en dat bij dit geloof uiterlijkheden weinig of geen rol spelen. Voor zo iemand kan het voldoende zijn om even zijn hoofd vast te houden met het idee “ik concentreer mij” en dan is dat al gebeurd. Dit is een onderwerp waarover we uren zouden moeten praten, maar ik hoop dat ik het duidelijk genoeg heb gedaan.
In de wereld van het occultisme bestaat er eigenlijk geen goed en geen kwaad. Dat is voor de meeste mensen een van de wonderlijkste dingen. Is er dan niets wat we moeten afkeuren? Is er dan niets wat we goed moeten heten en nastreven? In het occultisme zijn goed en kwaad alleen maar de grenzen waartussen we ons bewegen. Ze hebben geen afzonderlijke waarden. Er is geen slagveld van zwarte demonen, in voortdurende strijd gewikkeld met lichtende engelen. Er is alleen een kracht, die zich op deze wijze voor mij hier als engel manifesteert en daar als demon. Maar dat ligt aan mij, zegt de occultist. Het is mijn beschouwing die dit waarmaakt. Het is niet een zonder mij bestaande werkelijkheid.
Omdat goed en kwaad voor de occultist niet bestaan, is het voor hem noodzakelijk om een geheel eigen moraal te vinden. Een moraliteit, die niet is ontleend aan de gemeenschap waarin hij leeft of die door godsdienstige wetten wordt bepaald, maar door zijn innerlijk wezen, zijn wérkelijke overtuiging. En dat impliceert dat je je eigen wetten moet maken. Je zou zo moeten denken:
Indien ik aanneem dat God Zich in mij openbaart, zal er voor mij niets bestaan wat niet uit God is. Er kan dus niets zijn wat ik kan verwerpen, want in dit verwerpen wijs ik mijzelf of een deel van mijzelf en God of een deel van mijn God af. Het enige wat ik kan doen is: binnen de mogelijkheden die ik alle aanvaard voor mijzelf, te kiezen volgens datgene wat bij mijn persoonlijkheid, bij mijn wezen op dit moment past.
Dit is een redenering die vroeger heel wat mensen op de brandstapel reeft gebracht. Want de mens is nergens zo bang voor als voor een stelling die hem het recht ontzegt op te treden als rechter over anderen. Maar desalniettemin is dat waar.
Daar goed en kwaad in wezen alleen maar keerzijden van een en dezelfde medaille zijn, en dan nog door mijzelf ontworpen, kan in de werkingen die ik tot stand breng, dit onderscheid niet worden gemaakt dan alleen in het doel waarmee ik deze werkingen tot stand breng.
Witte magie en zwarte magie zijn in feite hetzelfde. De krachten waarmee de occultisten werken, zijn gewoonlijk dezelfde. De middelen die ze hanteren, zijn gewoonlijk dezelfde. Het enige verschil ligt in de gerichtheil van de magiërs.
Wij zouden dit ook kunnen zeggen voor de mens, die esoterisch streeft. Je kunt innerlijk streven en komen tot een verbondenheid met het duister (een absolute wereldhaat uitdrukken) of komen tot het licht (een absolute aanvaarding van alle dingen). Het is een persoonlijke kwestie. Maar de krachten en de erkenningen, die daarbij een rol spelen zijn beide dezelfde. Het zijn dezelfde waarden. Het zijn dezelfde fasen van ontdekkingen in jezelf. Het zijn dezelfde belevingen. Het is de interpretatie die het verschil uitmaakt. Het is goed om u dit te realiseren, want hoe vaak zult u niet zeggen: Ja, maar kan ik dit nu wel doen, want dat is toch verkeerd. Als u gelooft dat het verkeerd is, dan moet u er niet aan beginnen. Maar gelooft u werkelijk dat het verkeerd is of heeft iemand het u verteld? Laten we in ‘s hemelsnaam niet in de fout vervallen te zeggen dat iets wat niet volgens alle normen en wetenschappelijk verantwoord is, gelijk verworpen dient te worden. We moeten gewoon zeggen; Alles is aanvaardbaar. Alles kan bestaan. Alles kan werken. En alleen datgene waarmee ik zelf niet kan werken omdat ik er bang voor ben of omdat ik er een afkeer van heb omdat ik het gevoel heb dat het niet bij me past, dat is niet goed voor mij.
De kosmos als één geheel ziende, werkende met alle mogelijkheden daarin behoudende, impliceert dat je zowel voor innerlijke als uiterlijke processen het geheel van de kosmos en het geheel van de kosmische krachten kunt en moogt aanspreken, dat er geen enkele grens bestaat en dat daardoor geen begrenzing is voor de daad waarmee ze tot uitdrukking wordt gebracht, tenzij in jezelf een begrenzing van bewustzijn aanwezig is. Dan is elke daad te rechtvaardigen. Dat wil niet zeggen dat de wereld elke daad hoeft te aanvaarden, dat is weer wat anders. In het occulte denken is elke daad zonder meer acceptabel. Dan gaat het niet om vragen of dit nu moord en doodslag is of een mensenoffer, dan gaat het niet om de vraag of dit libertarisme is of begijntjesmentaliteit, het gaat er doodgewoon om: hoe voel je het in jezelf en hoe werk je ermee? In de praktijk betekent het voor onze daden het volgende:
Ik mag geen enkele daad stellen, als er in mij een afkeuring of een voorbehoud ten aanzien van die daad bestaat.

  1. Ik mag geen enkele daadstelling veroordelen op waarden van heden, als zij b.v. gisteren plaatsvond. Ik mag ook niet op grond van mijn instelling van vandaag mijn daadmogelijkheid voor morgen beperken.
  2. Elke daadstelling is afhankelijk van de harmonische mogelijk­heid, die op het ogenblik zelf bestond en van het inzicht in de waarde, de betekenis en aanvaardbaarheid van de daad zoals ze bij het aanvaarden en beginnen van die daad waren.

Indien men zich daaraan houdt, kan er geen enkele schuld bestaan; dat dient men goed te beseffen. Er kan geen enkele verplichting bestaan; ook dit dient men te beseffen. De verplichting ontstaat uit een nieuwe situatie waarbij de nieuwe persoonlijke benadering bepalend is voor zo­wel het innerlijke proces als voor de daad die eruit voortvloeit.
Alles is in het occultisme dus gebaseerd op het ogenblik. En dat maakt ook begrijpelijk waarom wij én in de esoterie én in de verschillen­de soorten magie zoveel daden aantreffen die, gezien in de reeks consequenties, onmenselijk lijken. Wij vergeten echter daarbij te besef­fen dat zij in het kader van de uitdrukking van de gedachtewereld op dat ogenblik aanvaardbaar waren, terwijl de consequenties secundair waren en bovendien bij een juist besef van de nieuw ontstane toestand bepaalde negatieve consequenties ongetwijfeld voorkomen hadden kunnen worden. Maar dan zouden we ook verder moeten reageren volgens inner­lijk besef van de toestand; en dat heeft men niet gedaan. Men gaat meest al zo te werk:
Bij een magisch esoterisch streven gaat men op een ogenblik uit van wat nu innerlijk juist is. En als de consequenties komen, zegt men: Ja, maar in de wereld moet je dat zus en zo zien. Dat kan men niet doen. Als ik eenmaal een relatie tussen innerlijke wereld en daad heb aanvaard, dan zal die relatie in al het betrokkene voor mij moeten blij­ven bestaan. Niet op grond van een eenmaal aanvaard standpunt, maar op grond van een voortdurend harmonische aanpassing van het innerlijk aan de uiterlijke mogelijkheid tot daadstelling.
Alle dingen in de kosmos hebben een eigen betekenis en een eigen kracht. Wij kennen die slechts ten dele. Een groot gedeelte van de werkelijke betekenis blijft dus voor ons verborgen. Voor de delen die wij niet kennen, mogen wij onze innerlijke reactie als aanvulling gebruiken. Ik kan dus zeggen: “Hier heb ik een kruis gemaakt uit hout, symbool van het christendom” en dan kan ik er bij mijzelf aan toevoegen: “en uitdrukking van de macht van Jezus Christus.” Dat mag ik doen, maar ik behoef het niet te doen, want dat moet ik aanvullen. Indien ik dat zo beschouw, is dat kruis voor mij en in mijn handen inderdaad een bron van het allerhoogste licht. Geloof ik het niet, dan kan ik dat ding net zo goed thuislaten. Ik herinner u aan Marie Corelli, die in “De smarten van Satan” op een gegeven ogenblik Lucius, de verpersoonlijking van de duivel, laat zeggen: “Waar een priester voorgaat, kan de duivel gemakkelijk volgen.” Dat klinkt misschien een beetje schamper, maar de priester baseert zich niet alleen op zijn geloof aan het Licht, maar ook op zijn angst voor de duivel. En daardoor heeft de duivel vat op hem, daarom kan hij hem volgen. Zo is het bij ons allemaal. Als we ergens bang voor zijn, dan kan die angst reëel worden. De eenvoudigste voorstelling is deze:
Alle gedachten kunnen vorm krijgen in de astrale wereld. Indien bepaalde gedachten harmonisch zijn met andere krachten of gedachten, dan zal de gestalte de kracht van beide vormen van denken in zich ontvangen en al daardoor een groter vermogen krijgen en een vorm, die complexer is dan in één van de denkbeelden aanwezig was. Wanneer er nu wederom een harmonische gedachte ontstaat, is er altijd een wisselwerking. Maar als de astrale kracht sterker is, dan zal bij het ontstaan van de harmonie de astrale gestalte dominerend zijn ten aanzien van de mens die denkt. Het is gewoon een kwestie van hoogteverschil. Als ik hier 50 V heb en daar 100 V, dan zal er een stroming ontstaan van 50 V in die richting; zo eenvoudig kunt u zich dit voorstellen. Als u nu hiervan uitgaat, dan gaat u ook begrijpen:
Symbolen hebben alleen betekenis omdat ze voor mij een harmonie uitdrukken, die elders (astraal) bestaat. Maar als het astraal bestaat, dan zal door mijn bewustzijn de binding kunnen plaatsvinden aan het symbool, aan de voorstelling van het beeld. Hierbij is het belangrijk, dat ik de aanvaarding van die kracht in een ander tot stand breng, wanneer ik dat overdraag.
Ik neem weer het voorbeeld van het kruis. Voor mij is dit een symbool van licht en kracht. Ik heb daarmee een demon afgeweerd. Zo heb ik een ander duidelijk gemaakt: hier is een bovennatuurlijke kracht aan verbonden. Nu gelooft deze mens niet in Christus, maar hij zal dit kruis aanvaarden als krachtbron en hij zal dezelfde kracht daardoor uitstralen. Dat is nu het wonderlijke.
Hierdoor kun je dus met symbolen en voorwerpen ontzettend veel doen. Maar als je geen innerlijke voorstelling erbij hebt, dan gebeurt er niets. Het behoeft geen uitgewerkt redelijk beeld te zijn maar het moet een voorstelling zijn. Als ik zeg: Hier staat een microfoon. Zij is nu voortaan een symbool van een bepaalde lichtende kracht en ik omschrijf die. Dat mag ik doen. Maar als ik niet in mij die lichtende kracht kan zien en als symbool daarvan dit voorwerp, dan kan die kracht daar niet in zitten. Zolang ik nu mijn gedachten op die microfoon richt, waar dat ding ook verder mag staan, werken de krachten waarin ik geloof en die ik daaraan verbonden heb door dat ding uit, ook op mensen die daar helemaal niets van weten of niets van geloven. Maar als ik mijn gedachten niet daarop richt en een ander is door mij tot dat geloof gebracht, dan zal de ander die kracht kunnen aanvullen die ik niet meer geef.
Hier ziet u dus dat eigenlijk de gehele wereld deel uitmaakt van onze gedachten. De manier waarop wij haar zien, zal voor een groot gedeelte haar betekenis in kracht, in energie en in astrale waarden mee omvatten. De dingen hebben meer inhoud dan we beseffen. Waar we die inhoud niet volledig kunnen beseffen, kunnen we dit aanvullen door onze eigen denkbeelden. En nu blijkt er nog iets eigenaardigs:
Als ik materialen of vormen gebruik die op zichzelf al denkbeelden uitdrukken, dan zal mijn mogelijkheid om daarvan een interpretatie te geven iets minder worden. Maar de kracht (scherper gedefinieerd natuurlijk), die daardoor tot uiting komt, wordt groter. Zo kun je zeggen dat een bepaald symbool, uitgevoerd in goud, ongeveer 20 keer zo werkzaam is als hetzelfde symbool, uitgevoerd in zilver. Dat ligt niet alleen aan het metaal, maar aan de betekenis van het symbool. De werking daarvan is echter alleen mogelijk voor iemand die het symbool erkent hetzij in zijn betekenis en werking, hetzij alleen in zijn werking. Er moet dus een gedachte bij zijn. En in de meeste gevallen is dat nog niet voldoende, er moet ook een actie bij zijn.
Als ik dat zeg over die microfoon, dan is dat misschien een beetje onzin. Maar stel nu, dat ik tegen mijzelf zeg: Die microfoon is mijn symbool en ik straal nu de kracht, die in mij is, uit en laadt daarmee die microfoon op, want zo wordt zij tot dit symbool. Dan is deze actie de overdracht van kracht. Hier ziet u dus weer allerlei eigenaardigheden.
Denken en doen zijn, occult gezien, een eenheid. Want alleen waar die beide samenvloeien, is het mogelijk om reactie tot stand te brengen. Dit geldt voor het licht van de hoogste sferen tot aan de eenvoudigste menselijke uitstraling toe: Als we daarmee rekening blijven houden, zullen we als vanzelf al ons werken ook gaan verbinden aan daden, die gemotiveerd worden door een nauw omschreven gedachte en die voor ons op een ogenblik de juiste uitdrukking daarvan schijnen te vormen. Die schijn alleen is al voldoende om de gehele gedachtewereld en de daarin bevatte kracht over te brengen naar de materiële wereld. Alleen de actie, die we juist vinden, is al voldoende om in onze innerlijke werelden veranderingen tot stand te brengen waardoor we innerlijk kunnen stijgen tot het hogere besef van de werkelijkheid.

Het atelier

Als je in de alchemie werkzaam bent, dan blijkt al heel gauw dat je twee dingen moet doen:

  1. je moet in jezelf werken;
  2. je moet werken in je atelier, in je werkplaats waar je probeert van alles tot stand te brengen.

De denkwijze van de alchemist is op duizend-en-één manier in symbolen ondergebracht. Dat gaat van een zegel als Abraxos (de slang die zichzelf in de staart bijt) via allerhande voorstellingen van de kosmische mens, het Kasteel met de 41 poorten, tot de Trap van de wijsgeer. In al die symbolen probeert de alchemist eigenlijk zichzelf iets duidelijk te maken. Daaraan wil ik heden aandacht besteden.
Als je leeft, ben je een wezen dat bestaat door zijn innerlijk en zijn vermogen tot uiting. Daar waar het innerlijk en de uiting samen­vloeien, krijgen we het optimale resultaat en kunnen we wijsheid verga­ren. Want wat we denken, kan wel eens fout zijn. Maar als we hebben ge­probeerd het om te zetten in de werkelijkheid, dan kunnen we ons denken corrigeren. Werken in de stof en werken in de geest, zijn a.h.w. twee fasen, die elkaar voortdurend helpen om de energie op te voeren, het inzicht te vergroten. Er zijn vele wegen die naar de werkelijkheid schijnen te voeren. Voor sommige mensen zullen die wegen juist zijn, maar voor onszelf is er meestal maar één enkele weg die ons kan brengen precies op de bin­nenplaats van het kosmische Kasteel, in het heilige a.h.w. van de Tem­pel waar wij voor het eerst het Mysterie zelf goed kunnen gaan beseffen.
Die weg kunnen wij alleen vinden, indien we onze innerlijke wereld toetsen aan de uiterlijke wereld en omgekeerd. Het is een samenwerking.
Nu zijn er mensen die hebben gezegd: Elke trede van bewustwording heeft een naam. Maar ja, de een neemt vier treden tegelijk en de ander strompelt en beklimt zo nu en dan eens een treetje. Dat wil niet zeg­gen dat de een daardoor beter is dan de ander. Het wil alleen maar zeggen dat de wijze waarop je het doet, een andere is.
Nu blijkt dat de mens die de treden snel kan lopen, soms een steil opgaand pad niet in een goed tempo kan lopen. Dat kan de ander, die zoveel moeite heeft met de treden, veel beter. Nu zijn er vele wegen naar die hoogte waar we allemaal willen komen, de hoogte van de Steen der Wijzen, van het kosmisch Begrip, van het licht in onszelf met alle goddelijke mogelijkheden daaruit voortkomend. Maar sommige wegen zijn trappen, andere zijn slingerpaden en weer andere zijn gewoon heel steile geitenpaden. En heus, u behoeft geen steenbok te zijn om zo’n geiten­pad te kunnen gaan. Dat ligt gewoon aan uw mentaliteit.
De alchemist heeft geprobeerd om voor zich die procedure uit te beelden. Maar hij kwam al gauw tot de conclusie: ik kan dat op duizend-en-één manier doen. Elk symbool is slechts ten dele juist, maar één enkel symbool is voor mij helemaal juist en dan moet ik mij aan dat symbool houden.
Zo zien wij dan dat reeds in het begin van het alchemistisch denken steeds meer mensen een eigen weg gaan zoeken. En wat meer is, dat zij die eigen innerlijke weg gaan uitdrukken op een manier, die met hun eigen wereld strookt.
Wij hebben alchemisten, die hoofdzakelijk kabbalistisch redeneren, maar er zijn er ook die zuiver christelijk redeneren. Er zijn er die teruggrijpen naar de Griekse filosofie en we zien er ook die eerder teruggrijpen naar de wat mystieke denkwijze van Egypte. We vinden de boeddhistische, we vinden de Indische gedachte van de Hindoes (de wenteling van het Rad), we vinden yoga, we vinden alles samen in die ene alchemie.
De alchemie is dan ook niet een systeem op zichzelf, al denken de mensen dat. De alchemie is alleen maar een methode om je verschillende mogelijkheden samen te voegen tot één geheel. Vandaar ook het belangrijkste symbool, de smeltkroes. Maar die smeltkroes is niet alleen maar een vat waar je iets in gooit om dat te smelten. O neen, het is heel vaak ook een vat waarmee je distilleert en waaruit op verschillende hoogten in de symbolische voorstelling tuiten tevoorschijn komen die verschillende producten voortbrengen.
Wanneer ik als alchemist begin, dan ben ik meestal zwaar aan het worstelen met hijzelf. Daarnaast doe ik een paar leuke experimenten, zoals kinderen die ook kunnen doen als ze zo’n chemiedoos cadeau krijgen waarmee ze een enorme stank en een paar mooie kleurtjes kunnen maken, maar verder ook niets.
Dan gaat de alchemist zich a.h.w. specialiseren. Hij gaat ontdekken waar zijn eigen licht, zijn eigen kracht ligt. Zijn experimenten worden daardoor gekleurd. Hij gaat werken met bepaalde bestanddelen. Hij gebruikt bepaalde methoden. Hij heeft plotseling een voorkeur voor een bepaalde manier om b.v. een vuur te laten branden. Hij heeft een voorkeur voor bepaalde vormen van vaten en fiolen. Hij komt dus tot een selectie uit een hele scala van mogelijkheden. En om zichzelf voor te bereiden, gaat hij dus als vanzelf oefeningen doen.
Hij blijft niet alleen bij het stil bespiegelen, maar de een gaat mediteren in de natuur, de ander doet lichaamsoefeningen, een derde doet ademhalingsoefeningen en weer een ander belast of kwelt misschien zichzelf. Ieder doet dat op zijn eigen wijze. Het gaat er namelijk om een evenwicht te vinden tussen datgene wat je lichamelijk doet, datgene wat je voor de wereld tot stand brengt en wat je in jezelf beseft. De gehele versmeltingsprocedure, die in de alchemie de meest belangrijke is, berust eigenlijk op het versmelten van die mogelijkheden in jezelf.
Er bestaat geen vast recept voor de werkelijke Steen der Wijzen. De werkelijke Steen der Wijzen wordt niet bepaald door de bestanddelen maar door de juiste verhouding tussen de bestanddelen en als je dat eenmaal in de gaten hebt, kom je een eind verder. Dan zeg je: Het is mijn manier van werken die bepalend is, niet wat anderen hebben bereikt. Ik kan niet werken volgens de regels, die voor een ander zo’n perfect resultaat schijnen te geven. Mijn Steen der Wijzen ziet er misschien uit als een pond boter terwijl de Steen der Wijzen van een ander eruit ziet als een grote robijn of een diamant. Dat maakt niets uit, want het uiterlijk is niet bepalend maar de werking.
De hele alchemie kenmerkt zich eigenlijk voortdurend door het zoeken naar een werking: Het resultaat is bijkomstig.
Homunculus maken in een retort, is misschien reuze leuk. Heel aardig als je dat ooit tot stand brengt. Maar wat heb je er eigenlijk aan? Het gaat ook helemaal niet om die kunstmens, het gaat om de essentie van leven, die je begrijpt en die je tot uiting brengt. De homunculus is dan ook niet een werkelijk bestaande proef. Neen, hij is de uitdrukking van een innerlijk begrip voor het leven dat naar buiten toe, op welke wijze dan ook, kan worden gemanifesteerd. En die manifestatie noemt men dan de kunstmens of homunculus, omdat daarin de mens de scheppende functie van de Schepper, van het grote Licht, zelf als het ware imiteert en gelijktijdig voor zich door het experiment zijn kennis van het grote Licht vergroot.
De meeste mensen, die zich met alchemie bezighouden, staan een beetje te kijken bij het vloeibaar goud het elixer des Levens en al die andere mooie dingen. Ze realiseren zich waarschijnlijk ook nog wel dat de alchemisten vele chemische uitvindingen hebben gedaan. Maar wat zij zich niet realiseren is, dat de resultaten (de uitvindingen) eigenlijk voor de alchemisten zelf van betrekkelijk weinig belang waren. De werkelijke alchemist namelijk wilde bewijzen dat bepaalde versmeltingen mogelijk zijn, omdat hij innerlijk voelde dat schijnbare tegenstellingen of schijnbaar gescheiden waarden tot een eenheid moesten worden gemaakt om daarmede innerlijk meer te kunnen zien.
Er is een alchemist geweest aan het einde van de 18e eeuw (hij woonde in de buurt van Hongarije), die een heel aardige opmerking maakte:
“Het werk van de alchemist is het zand der materie te smel­ten in het vuur van de geest, zodat het glas van bewustzijn ont­staat. Dan polijst hij dit met ervaring en streven tot een perfec­te lens is gevormd waardoor hij kan zien in een oneindigheid, die voor het menselijk oog gesloten blijft.” Heeft hij daar eigenlijk niet de essentie gegeven van wat alchemie is en moet zijn? Het versmelten van de schijnbare, onsamenhangendheid van het materiële tot de amorfe massa, die de geest ervan kan maken om dan met diezelfde geest en de resterende stoffelijke middelen een vorm eraan te geven waardoor besef mogelijk wordt, het doordringen in nieuwe werelden.
Het is opvallend dat je bij de alchemisten heel weinig hoort over de Poorten van Inwijding. Je hoort wel veel over de Trappen van Wijsheid en dergelijke. Dat komt, geloof ik, omdat ze beseffen: het is een continu proces. Alles is een voortdurende verandering. Die voortdurende verandering maakt steeds nieuwe resultaten mogelijk. Ik moet steeds veranderen en door mijn resultaten steeds meer mijn verandering zo richten, dat ik meer waar wordt en gelijktijdig meer gewaar wordt van de werkelijkheid.
Dan zie je dat alchemisten helemaal geen vreemde mensen zijn. Voor hen is de versmelting van denken en daad eigenlijk noodzakelijk geworden. Er is gewoon geen tussenweg te vinden. Een innerlijke wereld, een filosofische bewustwording is voor hen ondenkbaar, omdat die bewustwording vastloopt in zichzelf, daar ze niet meer op de proef wordt gesteld en dus geen vernieuwende elementen ervaart.
Het atelier is gelijktijdig meditatieoord en werkplaats. Het is gelijktijdig het moment van stil bespreken, overpeinzen, filosoferen en van het grofstoffelijke werk: het zwoegen, het slaven, het zoeken en combineren. Want zo is het leven.
Het leven bestaat niet alleen uit daden en niet alleen uit ideeën. Alleen daar waar ideeën en daden elkaar voortdurend aanvullen, is een bereiken mogelijk. Zo zal ieder mens, ook al heeft hij helemaal geen atelier om allerlei chemische proeven te doen, alchemist kunnen zijn op het ogenblik dat hij beseft dat de werkelijkheid van bewustwording en leven bestaat uit de voortdurende confrontatie tussen innerlijke wereld en uiterlijke mogelijkheid: het voortdurend aanvullen van je innerlijk besef door de feiten, die buiten je bestaan en het voortdurend veranderen van de feiten, die buiten je bestaan door het gebruiken van het innerlijk besef dat het jouwe is.
Hiermede hoop ik u een inzicht te hebben gegeven in een enkel aspect van de alchemie dat voor iedereen, naar ik meen, toegankelijk is en voor menigeen ook belangrijk kan zijn.

Ontplooiing

De meeste mensen denken aan ontplooien als aan een zich langzaam openvouwen. Misschien zou men dat anders moeten zien: In een mens zitten enorm veel mogelijkheden. Alle bij elkaar ge­voegd, beslaan ze een werkelijk kosmisch vermogen en bevatten dat ook.
Maar op het ogenblik dat de mens zichzelf ontplooit, moet hij de scheidingen tussen de verschillende vlakken die in hem bestaan, teniet doen:
Ontplooiing is het doen wegvallen van de in je wezen schijnbaar bestaande begrenzingen tussen de verschillende waarden, ruimten en capaciteiten die je zelf bezit. Je kunt niet zeggen: Ik besta op dit vlak én op dat vlak. Je bestaat op één vlak. Maar dat ene vlak kan alles omvatten. Zodra je een grens gaat trekken tussen bepaalde vlak­ken of bepaalde mogelijkheden of waarden, zit je lelijk in de kreukels. Dan ben je een verkreukelde persoonlijkheid waarvan de ene eigenschap niet mag weten wat de andere doet. En dat moet je voorkomen.
Iemand, die zichzelf wil ontplooien, moet beginnen met zichzelf te aanvaarden zoals hij is als geheel, zonder ooit een en zich­zelf boven een ander deel te stellen. Hij moet zeggen: In dit ge­heel leef ik, in dit geheel werk ik, in dit geheel ervaar ik.
Door dit geheel presteer ik, door dit geheel openbaar ik, door dit ge­heel druk ik uit wat ik in mijn bewustzijn thans ben. Dit is de werke­lijke ontplooiing.