Denken is veranderen

uit de cursus ‘Ontwikkeling’ (hoofdstuk 6) – maart 1975

Denken is veranderen

Als je de mensheid en de denkprocessen van de mensen bekijkt, dan realiseer je je meestal niet dat het denken een zeer aparte functie­ heeft. Denken beheerst veel meer van je leven dan je denkt. Het enige ­waarover de mensen niet nadenken, is dat ze met hun gedachten voor zich­zelf de wereld veranderen en daarmee al datgene wat ze voor de wereld willen zijn.
Als je de geschiedenis terugvolgt, kom je terecht bij iemand die voor het eerst vuur heeft gemaakt. Een vuurtje dat door natuurlijke omstandigheden is ontstaan, dat ze misschien hebben meegenomen om het te vereren of om van de warmte ervan te genieten.
Dan trekt de mens een stuk hout uit het vuur. De brandende punt dooft uit. Dat vindt hij vreemd. Hij gaat het nader bekijken en ziet dat de punt van het hout zwart is geworden maar ook keihard. Hij slijpt de punt bij en die blijkt dan veel harder te zijn dan niet gebrand hout. Hij heeft nu een wapen gevonden waarmee hij dieren kan doden, die hij tot nu toe alleen maar met stenen kon verbrijzelen. Kortom, hij heeft een nieuw wapen gevonden en daarmee de macht van de mens t.a.v. zijn omgeving vergroot.
Nu heeft die mens zich zeker niet gerealiseerd wat er aan de hand was. Hij had natuurlijk de bekende waarden gewoon kunnen opsommen maar dan was hij er nooit op gekomen dat dit een beter wapen zou kunnen zijn. Hij ging zich afvragen: Indien dit zo is, wat betekent dat? En dat is ook in de godsdienstige en geestelijke ontwikkeling van de mensheid voortdurend weer aan de orde.
De mens staat tegenover natuurverschijnselen die hij niet kan verklaren. Normaal heeft hij, waarschijnlijk net zoals de apen het nu nog doen, gedacht: het regent, het is nat en dus moet ik zorgen dat ik dekking en een schuilplaats vind. Hij heeft gedacht: nu bliksemt het, dat is gevaarlijk, laat mij maar wegkruipen. Maar er is ook iemand geweest die heeft gedacht: hoe zou dat komen? Wat is er aan de hand? Er gebeurt iets, maar als er iets gebeurt, moet iemand dat doen. Er moet een god zijn die dat doet.
Een tijd later zien wij dat de mensen een soort trekdieren hebben. Alle lasten worden gesleept totdat iemand ontdekt dat je er beter een glad oppervlak onder kunt leggen en de eerste slede is geboren.
Iemand heeft een paar boomstammen om er b.v. een huis mee te bouwen, wat ze toen tenminste een huis noemden. Hij ziet dat zo’n stam wegrolt­ en vraagt zich af hoe het komt dat het zo moeilijk is om die stam te sle­pen en dat hij zich zo gemakkelijk verplaatst als hij van die plek is afgerold, maar alleen in de richting van de ronding. Hij zegt dus: Als ik van die stammen onder mijn slede zet, dan gaat het nog gemakkelijker. Deze man kwam met de eerste rolpalen. De man heeft zich afgevraagd, waarom? Waarschijnlijk is hij toen voor vernieuwer uitgemaakt en ieder­een heeft gezegd dat hij gek was.
Toen er eindelijk iemand kwam die werkelijke wielen ging maken, heeft waarschijnlijk weer iedereen geroepen dat dit een aantasting van het milieu was en levensgevaarlijk voor de ontwikkeling van de mensheid, een verstoring van het natuurlijk evenwicht. Want zo is de mens. Wat ik met dit alles tracht te illustreren is dit.
Als ik denk, verander ik mijn relatie met hetgeen ik als werkelijk­heid beschouw. In de gehele ontwikkeling van de mensheid zijn er altijd weer momenten geweest waarin dat een rol speelt. Zolang de mensen niet nadenken, in een sleur blijven voortleven, krijgen wij te maken met wat men noemt een gelijkmatige groei, het ideaal van elke econoom. Als die gelijkmatige groei zich te ver doorzet, zien wij de angst van de politi­cus: de ineenstorting van een structuur.
Neem b.v. Rome. Rome is een machtig rijk geweest. Maar hoe kwam het aan zijn macht? Wel, eigenlijk omdat het niet voldoende producten had. Zeker, in het Noorden was er een stam met een al wat hogere cul­tuur en beschaving en die had wat producten, maar dan moest je ze kopen. Als je moest kopen, moest je geld of een ruilmiddel hebben. Als je geen betaalmiddel had, dan was er maar één andere oplossing, zeiden de Romeinen: nemen. (Het is misschien aardig om het te weten: de Romeinen zijn de eer­sten geweest die een ambtelijke inrichting hadden voor het innen van be­lastingen. Ik neem aan dat dat uit hun roversnatuur voortkwam.)
Deze mensen gingen zich afvragen: Waar komen al die producten van­daan? Ik wil ze hebben. Als ik het niet kan krijgen, dan ga ik er naartoe en ik neem het. Maar het wonderlijke van de situatie is dat, zolang Rome blijft verder kijken, dat het steeds nieuwe landen ontdekt, nieuwe producten en nieuwe mogelijkheden. Rome wordt de marktplaats van de wereld. Het graan van Egyp­te, de kunstschatten van de Oriënt, de producten van heel Noord‑Afrika, het tin van Brittannië, alles wat je je maar denken kunt, tot het barn­steen toe dat uit het hoge Noorden komt. Dat komt allemaal naar Rome. Daar zeiden ze dan: Nu zitten we goed. Wij hoeven nog maar één ding te doen: zorgen dat er steeds meer komt. En op dat ogenblik denken ze niet meer. Ze zijn alleen maar bezig om wat er is, te registreren. Ze willen meer hebben. Maar dat meer betekent niet een nieuwe weg inslaan en erover nadenken: wat doe ik en hoe kan ik het beter doen? Het is doodgewoon: als we maar van hetzelfde veel hebben, dan krijgen we nog meer. Vanaf dat moment begint Rome langzaam maar zeker in elkaar te zakken.
We zien niet alleen dat de veldheren zo nu en dan opstaan tegen de Senaat (dat was al heel lang gebruikelijk) maar we zien ook dat het ge­roep om een sterke man steeds krachtiger wordt. En dat is een van de meest fatale verschijnselen. Als een natie, een land of een werelddeel begint te roepen om een sterke man, dan betekent dat: wij willen zelf niet denken. Wij willen geleid worden. Wij willen dezelfde sequentie van gedachten, handelingen en denkbeelden zoveel mogelijk aanhouden. Laat het iemand anders maar zijn die zegt hoe het precies moet gebeuren. Met de keizers begint eigenlijk de val van Rome al. Je merkt het niet meteen, maar er komen steeds meer problemen, steeds meer moeilijk­heden. De barbaren gaan leren. Ze slaan terug. Of dat nu degenen zijn die de Romeinse legioenen verslaan ergens in het Teutoburgerwoud, of de ruitervolken die het de Romeinen ook erg lastig maken, of een opstand in Egypte, aan alle kanten hebben ze moeilijkheden. Ze weten maar één oplossing: wij hebben meer soldaten nodig. Wij willen geen soldaat spe­len, dus nemen wij meer mensen op en we maken daar soldaten van. Wij vra­gen niet wat ze willen, wat ze denken of wat ze doen. Wij zeggen: dit is het leger, zo hoort het en gehoorzaam nu maar. Dat betekent dat Rome steeds afhankelijker wordt van zijn soldaten. Maar de soldaten zijn ook steeds meer afhankelijk van een vaste orde.
Nu denkt u waarschijnlijk dat ik overdrijf. Maar als u het gehele Romeinse rijk beschouwt in de periode omstreeks Jezus’ geboorte, toen het vervalproces al aardig had ingezet , wat ziet u dan? Overal zijn de legerkampen, de vestingen precies hetzelfde ingericht. Of u nu gaat kijken bij Arnhem, in de buurt van Voorburg, in de buurt van Katwijk of in Engeland, Spanje of elders, overal dezelfde struc­tuur, een beetje aangepast. Precies dezelfde barakken, dezelfde stal­len, hetzelfde kleine colosseum of circus. Overal dezelfde mogelijkheid om een tempeltje neer te zetten. Overal aan dezelfde kant van het kamp, zelfs de huizen voor de officieren en de gehuwde onderofficieren. Men dacht niet meer en kwam niet meer tot een aanpassing.
Een tijd eerder, toen men begon met de eerste aanvallen op Enge­land, zat dat anders. In de buurt van Brighton was er ook een Romeinse nederzetting, maar deze was geheel aangepast aan het landschap en aan het klimaat. Er waren thermen aanwezig. Kortom, men had daar eigenlijk een kleine replica van de Romeinse leefwijze geschapen. En ga dan eens in de andere kampen kijken. Het kamp bij Varennes (Frankrijk‑) is een mooi voorbeeld. Het zijn gewoon zielloze bouwsels geworden, massabouw. Het is alsof je een vergelijking wilt maken tussen de op zich aangepaste en rijke bouwwijze van de Middeleeuwen en de, misschien qua nut en hygiëne veel mooiere, betonnen bouwsels van deze tijd maar waaraan toch iets ont­breekt, waar je steeds weer vastloopt op een eindeloze repetitie van hetzelfde element, een eeuwige fantasieloosheid.
De mensen denken niet. Op het ogenblik dat ze niet meer denken, zijn ze niet meer in staat om de wereld rond hen en de wereld in hen (die speelt ook een rol) voortdurend opnieuw te benaderen om daarin het nieu­we te ontdekken. Er zijn van die periodes waarin dat weer gebeurt. Denk eens aan de Gouden Eeuw. Toen waren daar denkers, kunstenaars. Iemand vond plotseling iets nieuws uit, een nieuwe benadering. Ze dachten er over na. Ze probeerden de wereld anders te zien. En daardoor iets anders te presteren.
Dan krijgen we de heerlijke tijd van de industrialisatie. Neem b.v. de tanks. Leonardo da Vinci heeft ze ontworpen. Maar dat was niets nieuws. Leonardo maakte alleen een mechanische toepassing, het plan ervoor al­thans, van de z.g. schildpad (tortue) voor de Romeinse aanval waarbij met schilden een volledige dekking werd gemaakt voor een centurie (leger­afdeling van honderd man) die voorwaarts moest gaan terwijl de vijand hen beschoot. Die tortue fungeerde als een tank. Op een gegeven moment, als ze dicht genoeg waren genaderd, kwam het bevel: aanvalsbereid, schil­den klaar. En dan viel de tortue uiteen en kreeg een nieuwe structuur. Heel vaak een vierkant, maar ook in de opmars, de wig, de driehoek. Ze konden dan aanvallen en ze hadden de doden en de schade, die ze door be­schietingen konden krijgen, voor 1/10 voorkomen.
Van dit plan nu maakte Leo­nardo da Vinci gebruik bij het ontwerpen van zijn tank. Het was dus niets nieuws. De uitvinder van de zeilwagen (Stevin) heeft nl. ook voorgesteld om landvoertuigen zodanig te bekleden dat het mogelijk was musketschutters, beschermd, dicht bij de vijand te brengen.
In de periode van 1914 ‑ 1918 kwamen de tanks van de Engelsen. Ze hadden een vernieuwing: de rupsband. Niet dat dat zo erg nieuw was want een soort rupsband is al gebruikt in ongeveer1740, onder meer in bepaalde mijngangen. Daar maakten ze gebruik van getrapte riemen, die om de wielen waren geschoven waardoor de wagentjes gemakkelijker over onef­fenheden konden worden getrokken door de ezels en paarden.
Kijk nu eens naar de tank van vandaag de dag. Wat is er eigenlijk veranderd? De bepantsering is zwaarder geworden. De motor is beter en veel krachtiger. De structuur van de rupsbanden is verbeterd. De details zijn dus verbeterd. Maar de nieuwste tank van heden (de Luipaardtank van de Duitsers is één van de beste, alleen de Russen hebben een betere en de Amerikanen hebben er één die beter kan worden) is eigenlijk een geperfectioneerde uitgave van de oorspronkelijke tank. Er is geen nieuw principe bij gekomen. Het is nog steeds de verrijdbare vesting met een zwaarder stuk geschut waardoor men zich, tegen handwapens althans, voldoende kan beschermen en in beperkte mate zelfs tegen artillerie.
Als de mensen verder zouden denken, dan hadden ze allang begrepen dat je op die manier maar weinig aan de tank hebt, dat je die dus op een andere manier moet gaan gebruiken. Maar ze denken net als de Romei­nen: Als we nu maar meer tanks hebben met grotere stukken geschut die sneller kunnen gaan, dan zijn we sterker. Totdat er de een of andere han­dige jongen komt die misschien iets uitvindt met een stukje elastiek, een proppenschieter en een heel klein balletje dat toevallig zo’n tank laat exploderen, dan kunnen ze voortaan tegen een tankbrigade een groep padvinders inzetten en het is ermee afgelopen. Er is geen vernieuwing.
Wat hebben we dan nodig, als wij werkelijk ons denkvermogen willen gebruiken? En dat is, meen ik, wel belangrijk.
Allereerst moeten we ons hoeden voor verstarring. Het is best mo­gelijk dat we duizendmaal hetzelfde herhalen. Dat is niet erg, als elke keer daarin maar een verandering voorkomt waardoor het een nieuwe dimen­sie krijgt en daardoor een nieuwe betekenis kan krijgen. Herhalen we alles steeds op precies dezelfde manier, dan is het zinloos en de zaak verwa­tert.
Het is logisch dat het niet alleen gaat om wat wij normalerwijze doen en zeggen. Het gaat er wel degelijk om wat wij ons kunnen voorstellen. En daar hebben we nu een aardig voorbeeld van.
In 1898 schrijft iemand een grote roman, die ze tegenwoordig ‘sciencefiction’ zouden noemen, maar die men toen ‘futurisme’ noemde. Die man heeft zich afgevraagd: hoe kan ik naar een andere planeet komen? En wat zien we? Hij komt tot ruimtevoertuigen met, schrik niet, de mogelijkheid om voor ver­snelling, van het aardmagnetisch veld gebruik te maken. Vandaar dat hij hun landingsmogelijkheden dan ook situeert op de beide magnetische polen. Zij hebben vliegtuigen in de roman (let wel, het is in een tijd dat het ‘zwaarder dan lucht’ eigenlijk nog niet eens geheel aan bod komt), die doen denken aan de grote superkruisers die we nu hebben. Ze bezitten namelijk vliegtuigen waarin ze volledig ingerichte eetkamers en rookkamers hebben en, wat meer is, waarmee ze, als het nodig is, een heel bataljon tegelijk kunnen vervoeren. Zij beschikken over hoogfrequente geluidsstralen (en dat in een tijd dat men daar nog helemaal niet aan dacht) die ze kunnen gebruiken om op grote afstand wapens te doen gloeien. (Ze gebruikten dat om het leger van de keizer, dat klaar stond om op te rukken, te ontmantelen.) Verder beschrijft de man (altijd nog in 1898) televisie, een t.v.foon (dus een visiefoon), satellieten die voor verbinding over grote afstanden zorgen. Hij beschrijft, in een tijd dat de auto ternauwernood van de grond begint te komen, voertuigen die doen denken aan onze zeer moderne treinen, aan lucht­kussenvaartuigen en daarnaast aan autobussen en zelfs trailers. Die man had gewoon gedacht.
Nu kun je je natuurlijk gaan afvragen of deze fantasie invloed heeft gehad. Wij kunnen het niet bewijzen maar het is wel opvallend dat veel van hetgeen hij heeft beschreven, nu waar is. En wat meer is, dat zijn beschrij­ving van de wijze waarop men b.v. een laboratorium om de aarde in omloop brengt, zelfs veel dichter bij de werkelijkheid ligt dan de meeste van Jules Vernes’ voorspellingen ooit zijn geweest. Die man heeft gedacht, maar met zijn denken heeft hij het bestaande een nieuwe richting gegeven. En daarmee heeft hij, niet alleen maar voor zichzelf, zijn begrip voor de mogelijkheden in de wereld veranderd. Hij heeft veel meer gedaan. Hij heeft anderen erop at­tent gemaakt dat je anders kunt denken. Ik vraag mij af of vele uitvindingen ooit tot stand zouden zijn gekomen indien er niet iemand was geweest die ze eerst heeft uitgedacht. Laten we een recent voorbeeld nemen om dit duidelijk te maken.
In het jaar 1927 verschijnt in de U.S.A. in een tamelijk obscuur blad, dat World of Wonders heet (pulpmagazine noemen ze dat), een verhaaltje over een man die het vermogen van de vleermuizen om door trillingen en weerkaatsing vast te stellen waar er hinderpalen zijn gebruikt, om een groot me­chanisch model te maken van dat organisme. Daardoor is hij in staat al zijn vijanden van tevoren te zien aankomen. Op deze manier beschermt hij zijn la­boratorium waarin hij natuurlijk bezig is met de een of andere demonische taak waarmee hij de mensheid, zoals dat in die tijd gebruikelijk was, wilde beheersen.
Het wonderlijke is dat een deel van zijn beschrijving (nl. de wentelende schijf waarmee wordt waargenomen en die hij waarschijnlijk wel weer aan Wells heeft ontleend) overeenkomt met de manier waarop zelfs tegenwoordig nog radarwaarnemingen worden gedaan, vooral als het gaat om bewaking van een deel van de hemel. ‘The early warningsystem’ heeft op dit moment koepels waarin roterende schijfparabolen staan opgesteld, die precies lijken op wat die man in l928 heeft beschreven. Maar toen was er geen radar. De mogelijk­heden waren er misschien wel. En toen het nodig werd om allerlei dingen te kunnen waarnemen, om te kunnen zien in de wolken, in het donker, was er waarschijnlijk iemand die dat eens had gelezen of ervan had gehoord en die dacht: op deze manier kunnen we misschien het probleem benaderen. Die man is toen met de werkelijke studie ervan begonnen. Hij heeft het weer aan andere deskundigen voorgelegd, o.a. een elektronicus die er het zendertje bij gemaakt heeft, de versterker voor het te ontvangen signaal en voor wij het weten, hebben we de eerste radar, de radar die alleen met geluidssignalen werkt.
Dan zegt een ander: Maar we zouden het ook moeten kunnen zien. En dan krij­gen we dat elektronische buisje erbij, dat trouwens ook voor t.v.-experimen­ten het eerst is gebruikt in 1923, en de eerste radar is geboren.
De mensen denken: ik denk en ik fantaseer wel wat, maar het zal wel nooit waar worden. Ik zeg daarop: Neen, daarin heeft u ongelijk. Indien in uw denken een nieuwe factor ontstaat die door de rest van de wereld nog niet zo beseft of erkend is en u brengt die naar buiten, al is het alleen maar door het te zeggen, dan heeft u iets veranderd. Het is het creatieve denken van de mens dat verandering betekent. Maar als dat geldt buiten u, waarom zou het dan niet in u ook gelden?
Als je met jezelf bezig bent, zou je misschien de grens van het denken moeten overschrijden. Maar waar is de mens die zichzelf waarlijk kan beleven zonder te denken? Degene die denkt dat hij het doet, denkt erover na. En omdat hij denkt dat hij het doet, is het niet waarschijnlijk dat hij het werkelijk doet. Hij denkt alleen dat hij het doet. Waarmee hij een mogelijkheid aangeeft die hij zich nog niet realiseert.
Nu stel ik een paar eenvoudige regels:
Als ik mij kan voorstellen wat ik aan innerlijke mogelijkheden bezit, dan registreer ik iets wat aanwezig moet zijn. Mogelijk kan ik het zelf niet of niet meer geheel waarmaken. Maar kan ik iets van die innerlijke ontdek­king overdragen, dan zal een ander ze eens waarmaken.
Een mens die iets beseft omtrent zijn innerlijk, zijn mogelijkheden en daarvan iets, hoe dan ook, aan een ander kan overdragen met woorden, met aanduidingen, desnoods op schrift ‑ heeft daarmee voor de ander een nieuw beeld van de wereld geschapen en daarmede diens gehele mogelijkheid en waarschijnlijk ook ten dele zijn instelling t.a.v. de wereld gewijzigd. Zo ont­staat er ook een verandering.
Wij praten onszelf zo ontstellend veel aan. Er zijn mensen die haar­pijn hebben. Zij menen dan dat ze aan managerziekte lijden (managerziekte op alcohol waarschijnlijk). Dat is een beeld dat ook waar kan worden. Als je denkt dat je ziek bent, dan beïnvloed je jezelf. Je suggereert jezelf dat je ziek bent en daarmee maak je de symptomen van de ziekte voor jezelf steeds meer waar (lichamelijk waar) terwijl je bovendien aan anderen steeds sterker het beeld oplegt dat je ziek bent en eventueel onbekwaam tot bepaalde dingen. Als ik het nu eens zou omdraaien en tegen mijzelf zou zeggen dat bepaalde fouten of kwalen die nu bestaan, veranderd kunnen worden – al is mijn beeld nog zo fantastisch over de manier waarop dit zou kunnen gebeuren – en ik kan daar een beetje in gelo­ven, dan zal ik mij die verbetering mogelijk maken. Maar ik zal ook de wereld erop wijzen dat het mij beter gaat. Dan denkt u: dat moet je niet teveel doen, anders denken de mensen dat u nog wel wat meer kan geven, doen, betalen, werken enz. Maar toch wordt daardoor uw relatie met de wereld een andere. Daarmee wordt uw persoonlijkheid en mogelijkheid ver­anderd.
Denken kan dus ook in de persoon zelf een verandering betekenen. Maar het is altijd nodig dat men bereid is om het bestaande opnieuw te benaderen, opnieuw te bezien en vooral zich steeds de vraag te stellen waarom dit of dat nu wel of niet gebeurt. Dat is een heel belangrijk punt.
Als ik zie hoe een mens in de wereld kan veranderen als zijn waar­dering voor zijn persoonlijkheid verandert en gelijktijdig hoe een mens te gronde kan gaan als hij zich vastklampt aan een bepaald beeld dat hij van zichzelf heeft gemaakt, dan zeg ik: Het is belangrijk dat het denken omtrent onszelf en de wereld een continu proces is. Een ontwikkeling kan niet zo maar spontaan ontstaan. Er is altijd een gedachte nodig welke die ontwikkeling mogelijk maakt. Een ontwikkeling is niet tegen te houden. Ze is onstuitbaar als wij denken dat ze dat is. Maar op het ogenblik dat we ons denken in een andere richting laten gaan en zeggen: het is te veranderen en wat is de mogelijkheid met de nu bestaande waarden om die verandering tot stand te brengen, dan doen wij ineens een stap verder. Wij vinden dan niet alleen een nieuw beeld dat in de wereld betekenis kan krijgen, maar wij vinden ook een nieuwe relatie tussen onszelf en de wereld.
Als ik de gehele historie van de mens beschouw, dan valt mij op dat die mens zoveel verschillende wegen en mogelijkheden kent en ook in zich draagt. Om u een voorbeeld te geven: Gelijktijdig bestaat filosofie, erkenning van psychische waarden, techniek maar ook magie, gebruik van gedachtekracht, telepathie, occul­te wetenschappen. Als je die nu tegen elkaar zou kunnen uitspelen en niet zou proberen elk van die gebieden voor jezelf te isoleren, dan zou je pas werkelijk kunnen denken. Per slot van rekening zie ik niet in waar­om je een mens wel magisch kunt genezen, maar b.v. een klok die niet loopt, niet magisch aan de gang kunt brengen. En als je een klok magisch aan de gang kunt brengen, dan zie ik niet in waarom je hetzelfde ook niet zou kunnen doen met een automotor die niet in orde is. En als je dan toch bezig bent, ook een vliegtuigmotor of onverschillig welk mecha­nisch apparaat. Waarom zou de mens die magische krachten niet kunnen ge­bruiken om zijn technische mogelijkheden te verbeteren?
Een mens kan leviteren. Maar als wij nu eens zouden nadenken over de kracht die nodig is voor dit leviteren en de aard van die kracht, dan zou het misschien mogelijk zijn om de rotor in een elektromotor te laten draaien zonder steunpunten, wat zou betekenen dat ze praktisch wrijvingsloos draait. Wat dan weer betekent dat met veel minder kracht een veel groter vermogen kan worden afgegeven. We zitten dan op het ge­bied van de energiewinning, een zuiver technisch iets. Maar wat had je nodig om daarbij te komen? Een zoeken naar geestelijke wetenschappen, occulte wetenschappen en die gedachten toepassen op het bestaande.
Door alle tijden heen zijn er mensen geweest die dat hebben gedaan. Soms hebben ze hun gedachten wel eens absurd uitgevoerd. Als je in Griekenland b.v. de Stoa‑filosofen beschouwt, die voortdurend aan het kwekken waren over allerlei dingen, dan merk je dat een mens ook vaak denkt aan argumenten omwille van het argument. En daarmee is het niet meer toe te passen. Maar aan de andere kant vinden wij onder diezelfde Grieken mensen die nadenken over de origine van de materie. Zij proberen een begrip te krijgen voor wat wij ‘ziel’ of ‘inspiratie’ noemen, maar zij houden zich ook bezig met de magische werking van het geluid van een fluit. Typisch, mensen die zich dus met alle dingen bezighouden. Als Griekenland ten onder gaat, dan is dat te wijten aan het feit dat deze denkbeelden als op zichzelf staand werden beschouwd. Het ging om het verkondigen van het denkbeeld, niet om de toepassing daarvan op het bestaande. Denken is veranderen, zeker. Als je het denken boven alles gaat stellen, het niet meer wilt zien in verband met de realiteit, dan krijg je iets wat wurgend werkt, wat de levenskracht aftapt. Iets wat alle ontwikkelingsmogelijkheden in de wereld, in de maatschappij, maar ook in de mens zelf wegneemt. Dat is nu het hele probleem waarmee wij ons van­avond bezighouden. Je kunt denken en je kunt het denken ook los laten staan van alle dingen dan is het alleen maar een fantasiewereldje zonder meer. Maar je kunt ook een fantasiewereld bouwen op mogelijkheden die je buiten je erkent. Je kunt in je innerlijke wereld krachten of mogelijkheden postuleren die je naar buiten toe probeert te gebruiken en dan veran­der je veel .
Het is misschien vreemd om in dit verband de laatste wereldle­raar, die we tot nu toe hebben gehad, te citeren. Hem werd eens gevraagd of hij nu niet vond dat al die techniek maar niets was? Hij antwoordde: “Het is een dwaas die twee weken door de woestijn trekt, als hij in de trein kan stappen en dezelfde afstand in drie uur kan afleggen, zonder te verdorsten en zonder kwelling.” Toen zeiden ze: Maar waar blijft dan de bewustwording die je krijgt van die tocht door de woestijn? Antwoord: “Die man in de woestijn heeft er zo ontzettend het land aan dat een ander er in drie uur komt, dat hij geen tijd heeft voor werkelijk menselijke bewustwording.”
De wereldleraar was iemand die uitging van het standpunt: je moet van alles wat er bestaat, gebruik durven maken maar je moet erover nadenken.
Toen zei iemand tegen hem: In India zijn ze allemaal zo druk bezig met hun eigen ijzer te smelten en eigen garen te spinnen en te weven. Wat­ denkt u daarvan? De Meester zei dit: “Het is goed de bekwaamheid te bezitten. Maar het is verkeerd de wereld en haar mogelijkheden af te wijzen om je eigen bekwaamheid tegenover anderen te kunnen tentoonstellen.”
Ook daar zit weer iets in. Het is goed dat wij nadenken, dat wij voor ons­zelf iets uitzonderlijk vinden, maar het is niet nodig dat wij daarbij blijven. Alle vaardigheid of bekwaamheid die wij kunnen verwerven door er­kenning van onszelf, door erkenning van de wereld, dat is schitterend, maar ze wordt pas van betekenis voor ons indien wij haar gaan zien in re­latie tot de wereld die bestaat. De wereld, die kan bestaan zoals wij haar zien, heeft alleen zin als ze is gebaseerd op de wereld die er nu is.
Jules Verne had veel vrienden. Velen van hen waren verbonden aan de universiteit. Er waren enkele historici bij, mensen die erg veel pu­bliceerden en nogal het een en ander wisten. Met die mensen ging hij praten. Als Jules Verne zijn ‘Twintigduizend mijlen onder zee’ schrijft, dan beschrijft hij in feite bestaande kennis en mogelijkheid, zelfs be­staande wereldkennis en gaat vandaar uit. Hij extrapoleert daaruit nieuwe mogelijkheden. Zo komt hij o.m. tot een elektrische aandrijving van de Nautilus. Wanneer hij bezig is met de ballonreis over Afrika, gaat hij eerst informeren wat er werkelijk aan de hand is. Dan bouwt hij een beeld op wat daarmee in overeenstemming is en hij ontwikkelt mogelijkheden die er niet zijn, maar die op grond van het bestaande mogelijk kunnen zijn. Nu kunt u het erg vreemd vinden, maar Verne beschrijft daarin een contact met een bepaalde stam, ergens in Midden‑Afrika, die gekalmeerd moet worden. Dezelfde techniek is door de mannen van koning Leopold gebruikt bij bepaalde contacten met stammen in de Congo. Diezelfde techniek is kort voor 1940 ook gebruikt door de Duitsers in West‑Afrika. Kennelijk had de man hier iets ontdekt. Toch bestond het op dat moment nog niet werkelijk. Hij had er misschien eens van gehoord maar het was voor hem een droom. Jules Verne ontwikkelde een bepaalde techniek. Een ander voorbeeld dat misschien ook wel aardig is: Een andere schrijver heeft het over mensen die terecht komen in de Boksersopstand in China. Daarin ontwikkelt hij op een gegeven ogenblik een intimidatie­methode die berust op ontvoering en bedreiging. Ik wil niet zeggen dat dat een mooi voorbeeld is. In die dagen was dat politiek nog niet denk­baar, economisch misschien wel, maar in deze tijd zie je overal hetzelfde uithalen door alle mogelijke organisaties. Ze gebruiken allemaal dezelfde techniek. Er is een beeld geschapen en ergens wordt dat beeld waar.
Ik citeer nog eens de wereldleraar: “Meester,” zeiden ze tegen hem, “U zegt zoveel dingen die mooi zijn. Maar kunnen ze op deze wereld ooit waar worden? Toen zei hij iets vreemds: “Indien de mens daarin volledig gelooft, zal hij dat geloof doorgeven aan twee anderen, die het op hun beurt weer verder geven. Het is het geloof in een mogelijkheid waardoor de mens het mogelijk maakt. Daarom is veel van hetgeen ik heb gezegd dat waar zal wor­den, inderdaad eens waar, indien gij erin gelooft.”
Wat deed de wereldleraar? Hij deed geen wonderen Hij deed eigenlijk helemaal niets buitennissigs. Hij gaf alleen maar ideeën. Vele van die ideeën lagen heel anders dan wat de mensen in zijn dagen aanvaardbaar von­den. Het was zo: de nieuwe wereldleraar zou tegen de mensen hier, die te­gen seksshops e.d. ageren, gezegd hebben: Mensen, als jullie er zo bang voor zijn dat je ermee bezig blijft, dan moet je naar binnengaan. Want al­leen hij die weet wat hij vreest, kan die vrees overwinnen. Niet dat hij het heeft gezegd, het is mijn interpretatie. Hij zou zeggen: Mensen, als jullie zo bang zijn voor het communisme, ga dan eens kijken wat het voor de mensen betekent. Dan pas kun je zeggen dat je er bang voor bent. Als je weet wat je vreest, kun je voorkomen dat het gevreesde waar wordt. Maar een mens, die een droom vreest, maakt die droom onwillekeurig voor zichzelf waar. Uit angst voor het communisme hebben de mensen de dictatuur, de ‘in­ternationale van het kapitaal’ gecreëerd. Uit angst voor de Reformatie heeft Rome de Reformatie op de proef gesteld en sterk gemaakt en zo in het christendom een aantal afwijkende richtingen onvermijdelijk geschapen, want ze wisten niet waar ze bang voor waren. Hadden ze het wel geweten, dan zou­den ze in zich die angst hebben kunnen overwinnen. Dan was het christendom misschien een eenheid en zelfs meer christelijk geweest.
Waarom zouden wij u, die leeft in uw wereld en ik die leef in de mijne, dan ook niet uitgaan van het standpunt dat denken veranderen be­tekent? Als ik eenmaal iets heb gedacht, zal ik nooit meer dezelfde zijn die ik voordien was. Er is een nieuw denkbeeld bij gekomen. Ik kan duizend dingen doen zonder erbij na te denken, ze veranderen mij niet wezenlijk. Maar als ik één ding werkelijk heb doordacht, dan is mijn wezensinhoud veranderd en daarmee mijn mogelijkheden en mijn relatie met de wereld. Waarom zou ik dan niet trachten om allereerst mijzelf en misschien ook de wereld te veranderen door na te gaan waarvoor ik bang ben? Door na te gaan op welke gronden ik iets wil doen, na te gaan op welke grondslag ik bepaalde dingen als zeker en waar aanvaard en andere dingen verwerp. Als ik alleen maar dat zou weten, zou ik veranderen. Want werkelijk den­ken, dus overleggen, in jezelf beelden en mogelijkheden opbouwen, dat is veranderen.
Als een mens verandert, dan verandert hij daarmee ook iets in zijn wereld. Want je gaat anders denken, maar je gaat ook anders handelen. Je gaat dingen, die je eens belangrijk vond, links laten liggen. Je gaat andere dingen, die je eens onbelangrijk toeschenen, nu dienen en waarmaken.
Als de wereld zo slecht is volgens u, dan komt het misschien om­dat de mensen te weinig denken. Werkelijk denken, bedoel ik. Proberen voortdurend nieuwe waarden en nieuwe krachten te vinden, die er zijn. Het gaat er niet om negatief iets af te breken waarvoor je bang bent. Het gaat erom je angst te erkennen en je af te vragen hoe kan ik die angst wegnemen met behoud van alles wat er verder aanwezig is? Dan kun je veel bereiken. Dan zullen de mensen misschien om je lachen, zoals gelachen is over de man die in de Seine een duikboot demonstreer­de in een tijd dat de wereld er nog niet rijp voor was. Maar duikboten zijn er gekomen. Ze hebben in de laatste wereldoorlog in toenemende mate een rol gespeeld en ze zullen waarschijnlijk in de toekomst ook op ander terrein belangrijkere rollen gaan spelen. Want het denkbeeld was er en daardoor was de verandering in de wereld, hoe traag misschien ook vanuit menselijk standpunt, niet meer tegen te houden.
Probeer in uw denken ten aanzien van de wereld het nieuwe te vin­den, dan zult u de wereld veranderen. Tracht in u de nieuwe waarden te vinden waardoor u voor uzelf toch meer aanvaardbaar wordt of volgens uw begrip misschien vrijer om uw vaardigheden te ontplooien. U zult dan zelf veranderen. Want denken, mijn vrienden, is verandering. Zonder denken is er geen verandering, die beheersbaar is. De mens die denkt, verandert maar hij beheerst daardoor de richting waarin de verandering zich ontwikkelt.
Indien de mensen in de oudheid dat hadden begrepen, dan zou Rome misschien nu nog een groot rijk zijn, zou Egypte nog door de farao’s wor­den beheerst en zouden misschien de scholen voor ingewijden, die langzaam maar zeker verdwenen zijn, nog in volle glorie bestaan en worden er­kend. Alleen hij die bang is voor de verandering, doet het denken ster­ven en met het denken de vernieuwende impuls waardoor hij voortdurend zijn wereld kan veranderen en verbeteren.

Noot
Al datgene wat ik hier naar voren heb gebracht, probeert te illustreren en duidelijk te maken dat een mens die in zich, ook als dit schijn­baar alleen t.a.v. zichzelf is,  zijn gedachten beheerst en wijzigt, hier­door ook krachten zal ontdekken, mogelijkheden zal ervaren en zo een gro­ter meesterschap zal bereiken over zichzelf in de wereld.
U beschikt over de mogelijkheid om alleen door wijziging van uw gees­telijke instelling, af te stoten, aan te trekken, te genezen. U kunt mensen vrolijk maken of belasten met droefgeestigheid. U kunt de dromen beheersen van uw medemens indien in uw denken voldoende beheersing aanwezig is om u voor te stellen hoe die medemens droomt, en die droom dan te wij­zigen. Zover gaat uw innerlijke geestelijke mogelijkheid. Dat wil zeggen dat uw gedachten niet alleen theoretisch en op de lange duur iets in die grote wereld kunnen veranderen maar ook dat u met uw denken en het bewust gebruiken van uw denken, directe veranderingen kunt veroorzaken in uw relaties met uw medemensen, en ook veranderingen op kleinere schaal, die echter voor uzelf soms zeer belangrijk kunnen zijn.