Denken

image_pdf

29 september 1967

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Ik hoop, dat u daarmede rekening wilt houden. En wat ons eerste onderwerp van heden betreft, ik zou eens met u willen praten over: Denken.

Denken is een proces, dat berust op het sorteren en coördineren van gegevens, en deze vergelijkende met inkomende prikkels. Dit betekent, dat uw denken gebaseerd is op herinnering, dus op feiten, ervaringen, zogenaamde kennis, die u reeds hebt vastgelegd, die u vergelijkt met inkomende prikkels en waarden. Zelfs uw emoties zijn in feite het resultaat van een vergelijken tussen reeds bestaande herinneringen en prikkels. In feite is het menselijk denken dan ook een biomechanisch proces, waaraan wij weliswaar grote betekenis toe kunnen kennen, maar dat door ons toch niet zonder meer mag worden gezien als het werkelijke kenmerk van het mens zijn, of zelfs als een reden om de mens verheven te achten boven alle andere schepselen.

Het denken op zich heeft eerst zin, wanneer het als werktuig wordt gebruikt en zo tot uitdrukking wordt van andere bewustzijnstoestanden en waarden, die zich in de materie niet zo gemakkelijk en direct kunnen oriënteren. Wanneer de geest schuilt achter het verstand, krijgt het verstand werkelijke betekenis door de uitwisseling van gegevens met een werkelijke entiteit, die niet slechts vergelijkt of correleert, maar in zichzelf creëert en zijn reactie aan de hand van inkomende gegevens kan uitbreiden, maar daarbij een zeer grote vrijheid heeft tot het vormen van een eigen wereld.

Als eerste stelling poneer ik dan: Zodra de mens het denken ziet als doel op zichzelf, zal hij hierdoor zijn biomechanische processen zozeer op de voorgrond schuiven, dat hij niet meer kan komen tot een uitwisseling van gegevens en krachten van de geest, ofschoon dit voor het werkelijke ik de enige betekenis en zin van denkvermogen in de stoffelijke zin van het woord is.

Door deze stelling worden wij nu geconfronteerd met de zogenaamde ideële of irreële waarden van het menselijk bestaan als bijvoorbeeld geloof, speculatief denken, dat inspiratief wordt gestimuleerd, enzovoort. De geest heeft in zich het vermogen te creëren. Wat zij in zich schept, kan zij projecteren naar alle wezens, waarmede zij geheel harmonisch is. Zodra zij in de stof gebonden is, zal deze harmonie veelal in hoofdzaak beperkt worden tot het lichaam, waarin – of waarmede – zij op dit moment het materiële bestaan deelt.

De gehele kosmos kunnen wij beschouwen als een uit kracht bestaand geheel. Hoe die kracht zich nu voordoet, of dit stralingen, trillingsvelden zijn of iets anders, dan wel of men kan spreken over potenties, die slechts door tijdelijke verstoringen van evenwicht manifest worden, zullen wij nu maar buiten beschouwing laten. Wel is het belangrijk dat energie en uitwisseling van energie altijd weer vrijelijk blijkt te kunnen geschieden aan de hand van de heersende omstandigheden. Daar waar energie aanwezig is, zal deze dan ook reageren op alle aanwezige omstandigheden, zonder daarbij het eigen wezen ooit te verloochenen of enige limitering die uit die omstandigheden zelf voortkomt.

Niet wetende, denkende, geen bewustzijn bezittende delen van het Al kunnen dan, mits zij alleen kracht zijn, reageren alsof zij denken. Omdat zij vanuit zich de wetmatigheden van het Al zo volledig vervullen en daarbij eigen wezen zo volledig tot uitdrukking brengen, dat het een menselijke beschouwer wel moet toeschijnen, dat hier sprake is van een snel en geheel bewust reageren. Indien men dit beseft en voort denkt, zal men moeten concluderen dat de zuivere reactie op omstandigheden en het geheel handelen volgens de wetten geen kenteken van verstand is of van bewustzijn.

Als teken van bewustzijn, vermogen tot denken ook, zal men eerder het vermogen moeten beschouwen om tegen de wetten in te gaan met alle gevolgen van dien. Bewustzijn blijkt niet uit het vermogen tot juist reageren, maar juist uit het vermogen om onjuist te reageren. Het feit dat verkeerdelijk kan worden gereageerd op voor het eigen wezen normale en natuurlijke mogelijkheden en omstandigheden bewijst dat er een keuze kan zijn. Een variabele reactie op de zelfde omstandigheden bewijst dat het wezen tot kiezen in staat is. Indien deze keuze niet instinctief tot stand komt – dat wil zeggen als gevolg van ingeboren waarden tot stand komt – maar kennelijk afhangt van stemmingen, inzichten enzovoort, dan kan men aannemen dat men te maken heeft met een wezen dat werkelijk denken kan en dus bewust is.

Het vermogen tot het maken van fouten, niet uit de structuur of ingeschapen eigenschappen van het wezen voortkomende, is in feite het enige doorslaande bewijs van sentiëntie. Wij moeten nu zien, of en hoe wij sentiëntie in verband kunnen brengen met het materiële denken. Ik stel: Het materieel denken is een proces waarbij eveneens energieën worden opgewekt of uitgewisseld. Het mag hier vaak gaan om een uitwisselen van impulsen tussen cellen, maar hoe klein de gewekte energie ook is, het volgende blijft gelden: Zodra een energie van wezen, stroomsterkte, snelheid, potentie, verandert, zal zij in elk veld, dat rond deze stroom aanwezig is, iets induceren. Deze inductie betekent dus dat een weerkaatsing of compenserende werking in het veld kenbaar zal worden, zo het geheel kenbaar makende ook buiten de betrokken kracht een invloed uitoefenende, die gaat buiten en soms ook boven de werking, die oorzakelijk was voor de wijziging van krachten.

Men mag dan ook wel aannemen dat alle menselijk denken in alle nabij zijnde geesten inductief wijzigingen tot stand brengt. Maar, en dit is het eigenaardige, die wijzigingen hoeven niet in overeenstemming te zijn met de oorzaak of de denkketen, die het verschijnsel veroorzaakte. De inductie betekent voor de geest eenvoudig een verandering van haar veldwaarden, waarop zij op geheel eigen wijze reageert. Wat ons tot een tweede stelling voert: Het menselijke denken is niet te zien als vanzelfsprekend parallel met of gelijk aan de geestelijke waarden, die daaruit voortvloeien, terwijl omgekeerd geestelijke werkingen en waarden, die langs dezelfde inductieve weg een stimulans voor stoffelijke denkprocessen kunnen betekenen – inspiratie bijvoorbeeld – zeker niet in overeenstemming hoeven te zijn met hetgeen in de stofmens daardoor aan gedachteketens tot stand wordt gebracht.

Waaruit dan weer volgt dat het onmogelijk is vanuit het menselijke denken zonder meer te besluiten omtrent geestelijke bedoelingen of reacties. Het menselijke denken kan het werkelijke gebeuren in de geest niet zonder meer bepalen. En omgekeerd en nogmaals, indien de geest inwerkt op de stof of de stof inwerkt op de geest, zullen de daaruit voortkomende reacties niet noodzakelijk een parallel vormen met, of zelfs maar een menselijk logisch verband tonen met de veroorzakende invloed. Wij moeten beseffen, wat in dit alles het werkelijk belangrijke punt is: Het bewuste denken van de mens is dus niet noodzakelijkerwijze parallel aan hetgeen daaruit in de geest voortvloeit. En wat in de geest gebeurt, kan in de menselijke denkvermogens beelden oproepen, die niet noodzakelijkerwijze daarmede gelijk zijn, of zelfs maar een menselijk begrijpbaar verband hebben. Dit betekent dus dat er verschillen kunnen zijn.

De vraag, die men onwillekeurig zal stellen, is dan: in hoeverre kunnen wij dan aannemen, dat geestelijk bewustzijn en stoffelijk denken parallel of zelfs identiek kunnen zijn. Het antwoord moet helaas luiden, dat dit nog niet geheel 1 op 100.000 malen voorkomt. Ik hoop dat u dit getal voorlopig van mij als redelijk juist – of desnoods mogelijk – zult willen aanvaarden, want indien ik ook dit geheel moet uitwerken en voor u beredeneren, wordt de zaak maar nodeloos ingewikkeld. Maar ongeveer 1 van de 100.000 impulsen die van de stof naar de geest gaan of omgekeerd, vindt dus bij de andere partij een geheel strokende vertaling; 99.999 keer dus heeft men geen kans, dat de vertaling juist is. Dit betekent, dat het menselijke denkvermogen nimmer kan worden gebruikt om de geest te scholen, terwijl de geest het menselijke denken nimmer zonder meer zal kunnen gebruiken om zichzelf op aarde tot uitdrukking te brengen.

Waar zit hier het hiaat, hoe ontstaan deze grote verschillen in betekenis en dus interpretatie? Wanneer je even nadenkt, wordt het duidelijk. Een geest kan het totaal van haar wezen en haar referenties uitdrukken in de begrippen harmonisch en niet-harmonisch. Zij gaat bij deze voor bepalende beoordeling alleen uit van hetgeen reeds als wereld in haar bestaat en hetgeen, wat harmonisch aanvullend door haar kan worden geabsorbeerd. Vereenvoudigd gezegd, is het werken van de geest naar de stof toe dan ook gemeenlijk niet gebaseerd op een bepaalde daad, een bepaalde materiële ontwikkeling of besef. Haar werkingen gaan uit van eigen harmonie en hebben tot doel harmonische impulsen vanuit de stof terug te krijgen. Wanneer de mens werkelijk harmonisch is, zal er een gelijkvormigheid van besef – en daardoor van bedoeling – te constateren zijn tussen de mens en de geest. Aangezien de mens nogal veel gedachten heeft, betekent het voorgaande dus, dat men zo eens rond de 15 à 20 dagen de kans heeft een ogenblik met eigen geest harmonisch te zijn. U bent dan zelf – materieel – harmonisch met datgene, wat in de geest bestaat. Op dat ogenblik begint een waardevolle, maar zeer korte uitwisseling van gegevens.

Het denken van de mens zelf bevat, zoals ik reeds stelde, voor alles, herinneringsvermogen, ook wanneer men zich van de herinneringswaarden in elke gedachte niet bewust is. In elke gedachte, of u het dus weet of niet, is het geheel van uw herinneringen mede aanwezig. Voor de geest is kenbaar, wat als vergelijkingswaarde verworpen of ingeschakeld was – tijdens de harmonie dus.

Dit betekent dat u, zelfs wanneer deze ogenblikken van werkelijk contact kort en beperkt in aantal zijn, u tijdens dit contact een zeer groot aantal gegevens omtrent uw stoffelijk bevinden en uw ervaringen door kunt geven aan de eigen geest. Tenminste, wanneer de gedachte op het ogenblik van contact belangrijk genoeg is. De mens zal dus in één enkele harmonische gedachte zeer veel gegevens aan de geest door kunnen seinen. Maar de geest zal uit die veelheid slechts datgene ontnemen wat past bij haar ontwikkeling en harmonisch is met hetgeen – als wereld – in haar bestaat. Al het andere gaat teloor, wordt als het ware teniet gedaan.

Ik heb u het voorgaande beeld opgebouwd om u duidelijk te make, dat de nadruk, die maar al te vaak op de verstandelijke ontwikkeling van de mens wordt gelegd, foutief is, zolang de verstandelijke ontwikkeling alleen als voor de geest belangrijk en als doel voor eigen stoffelijk streven wordt beschouwd. Iemand, die een beitel scherpt om haar te scherpen, is een dwaas.

Iemand, die een beitel scherpt opdat zij beter zal passen bij en doordringen in de materie waarmede hij moet werken, volbrengt echter iets wat voor zijn werken noodzakelijk is. Anders gezegd: De ontwikkeling van het verstand, het verstandelijk denken en wat daar bij te pas komt, is in wezen alleen: het beter in orde maken van je gereedschap. Gereedschap dien je alleen doelmatig te gebruiken. Je zult het bijvoorbeeld altijd gebruiken wanneer je werkt, maar zelden wanneer je je ontspant. Je zult het niet gebruiken voor alle taken, maar steeds dat werktuig kiezen waarmee je, gezien behoefte en taak, op het ogenblik meent het beste en snel te kunnen presteren. Met een goede beitel zal men kunnen werken in metaal, steen en hout. Maar wanneer je moet ciseleren, zal een grote beitel, hoe scherp ook, niet veel uithalen. U zult dan iets anders nodig hebben. En ook polijsten kunt u niet doen met een beitel. Wil je een plank mooi recht afbreken, dan kan dat misschien wel met een beitel, maar men zal dit zelden doen, omdat er andere, doelmatiger en beter voor de taak berekende instrumenten bestaan.

Zo ook ten aanzien van onze bewustwording en het gehele bestel, dat wij dan mens noemen, is het verstand een van de werktuigen waarover men kan beschikken. Het verstand dient als werktuig voornamelijk om beslissingen van zuiver materiële geaardheid mogelijk te maken en zich op de juiste wijze aan te passen aan stoffelijke ontwikkelingen. Zodra het verstand zich bezig gaat houden met het oncontroleerbare, lijkt het er vaak op dat men tracht met een smidshamer een bloemsteel door te breken. Iets, waarin men wel zal slagen, maar waarvan de gevolgen voor de bloem vernietigend kunnen zijn. Is de bloem het doel, dan is zo iets dwaas.

Daarom is het goed alle gedachten in de eerste plaats steeds tot hun essentie te herleiden. De essentie van een gedachte of het denken verkrijgt men door de complexe waarden daarin te herleiden tot een zo eenvoudige en duidelijke stelling, dat hierop zonder meer het nemen van een beslissing, een reageren in positieve of negatieve zin mogelijk wordt; daarbij zal de reactie of beslissing natuurlijk ook met het eigen wezen van de mens harmonisch moeten zijn. De kunst van het denken is dus niet het opbouwen van ingewikkelde structuren, maar juist het herleiden van alles, wat men ziet, hoort, beleeft, doormaakt en denkt, tot een zo eenvoudig en overzichtelijk mogelijk geheel.

Wanneer ik denk, zal de gedachte mijn reactie op de wereld bepalen. Nu weet u allen waarschijnlijk wel dat het interpretatief waarnemen van de wereld, waarbij alle waarnemingen via de gedachte van een voor het Ik aanvaardbare of in het Ik liggende betekenis doet aannemen, een verschuiving van de werkelijkheid voor het bewustzijn doet ontstaan, die men veelal maya of illusie noemt. Nu zal men aan dit verschijnsel nimmer als mens geheel kunnen ontkomen. Maar op zich is dit ook niet zo belangrijk, belangrijk wordt de waan eerst wanneer het eigen denken wordt beschouwd als de uiteindelijk erkenning. Is dit niet het geval, dan zal de waan voor de voortgang van de bewustwording in wezen onbelangrijk zijn.

Nu komt de mens en grijpt naar het geloof. Een geloof kan slechts een innerlijke zekerheid zijn, waarvoor geen uiterlijk bewijs kan worden geleverd, maar die door het ik zolang als vaststaand wordt beschouwd en ervaren – niet beredeneerd dus – dat men op grond daarvan reageert en handelt. Dit is menselijk gezien onlogisch. Nu kun je dergelijke reacties op niet bewijsbare gronden wel voor jezelf verklaren, maar dit brengt je niet verder. Maar het geloof blijkt voor de mens een uitdrukking te zijn van harmonische mogelijkheden en waarden. Het is voor de mens een onderscheiden van waarden in de wereld, waarbij harmonie en disharmonie niet lijnrecht tegenover elkander komen te staan, zodat een keuze mogelijk wordt, welke niet meer alleen door het verstand wordt geleid, maar het geheel van het eigen wezen – stoffelijk en deels zeker ook geestelijk – voortspruit.

Dit nu, dit geloof, is de uitdrukking niet alleen van de opvoeding, die wel de vorm ervan bepaalt, zoals het ook niet het uitvloeisel is van een omgeving, hoewel het milieu de praktijken en waardering voor geloofswaarden zal beïnvloeden. Men kan wel zeggen dat de kern van het geloof, het werkelijke geloof in de mens, een uitdrukking is van de geest, die de voortdurende band met het materiële wezen in stand tracht te houden en hierdoor ook in de mens de – niet redelijk verklaarbare – zekerheden en eventueel angsten van haar eigen wereld induceert. Ik stel dan ook: Het geloof is, binnen het kader van het denken, slechts de uitdrukking van de band tussen geest en stof en als zodanig het in de stof weergeven en doen weerklinken van een deel van de geestelijke werkelijkheid, ofschoon zij hierdoor geuit wordt binnen een stoffelijke wereld, die dergelijke geestelijke waarden niet begrijpen, beseffen of weten kan.

Juist hieraan ontleent het geloof zijn grote belangrijkheid. Indien ik geloof, kan ik meer dan anders. Indien ik geloof, heb ik namelijk, zodra ik uit en namens dit geloof handel, toegang tot de hoogste waarden en krachten van mijn geestelijk wezen. Wat zich uit, is een kracht, die voortkomt uit het eigen wezen en alle daarin aanwezige voertuigen en vermogens. Ik kan zelfs uitgrijpen tot aan de heer van de straal, waartoe ik behoor. En de mens, die zeer harmonisch gelooft en denkt, kan nog verder reiken, tot de Serafim toe misschien. Geloof is de uitdrukking van de harmonie van eigen wezen. Een stoffelijk besluit, een daad, waarin de harmonie van het ik – in overeenstemming dus met eigen geloof – wordt gevonden ten aanzien van de wereld, zij het in voornemen, actie of beschouwing – geeft het geheel van de vermogens van de geest de mogelijkheid zich in de mens te manifesteren. Zodra door het Ik een ook voor het stoffelijk ik harmonische bestemming aan dergelijke krachten gegeven kan worden, zullen deze krachten zich ook voor-, in-, bij anderen kenbaar manifesteren. Hierbij zal men zeker ook moeten nadenken. Waaruit dan weer blijkt, dat het stoffelijk denken vooral voor de mens belangrijk kan zijn, omdat hij hiermede aan de in hem levende en voor hem bereikbare krachten vorm en gestalte in eigen wereld kan geven. En wat dat betreft, ook in bepaalde sferen. Maar dat geldt op het ogenblik, naar ik meen, meer voor ons dan voor de doorsnee stofmens. Wat nu is de meest juiste wijze van denken, zodat men de harmonie en banden met de geest hierdoor niet zal schaden? De vereenvoudiging van waarden, die men overal tot stand zal trachten te brengen, alleen, is hiertoe niet voldoende. Het is voor het Ik noodzakelijk dat men in eigen wereld een besefte plaats en taak heeft. Dit houdt immers in dat men een besef heeft van eigen functie. Een besef van eigen functie vormt in het bewustzijn een uitdrukking van eenheid met het andere op de wereld. Ik moet dus weten wat ik wil en kan zijn op deze wereld – en wel in de meest eenvoudige termen. Op grond van mijn mogelijkheden plus mijn willen – waarbij mijn geloof vaak een grote rol zal spelen – kan ik dan komen tot een gericht handelen, een eigen weg.

Heb ik dit eenmaal gevonden, dan ontstaat een zeer vreemd verschijnsel. Ik ga dingen denken, die, materieel gezien, niet samenhangend zijn, die niet passen binnen de menselijke logica en toch voor mij een zeer grote betekenis en inhoud hebben. Men noemt dit dan mystiek; men spreekt op aarde niet over mystiek denken, maar eerder over een mystieke beleving, men doet dit, omdat de emotie voor de mens eigenlijk het belangrijkste is. Men vergeet daarbij echter, dat deze mystieke belevingen zich voor de mens alleen af kunnen spelen, wanneer zich in zijn denkvermogen bepaalde processen afspelen. Zonder gedachten is het niet mogelijk.

De mystieke beleving is in feite het resultaat van een harmonie in de gedachten. In dit mystieke beleven zul je harmonie van gedachten moeten inbrengen. Je zult bepaalde klanken, beelden, vormen en geluiden, gebaren, kortom, bepaalde materieel voor jou uitdrukbare en kenbare waarden ontvangen, die sterker op de voorgrond komen, naarmate je in de stof meer harmonisch bent met het werkelijke wezen van de geest, die als “mens” in je leeft. Dergelijke dingen zijn niet logisch en hebben geen directe en eigen betekenis in de wereld. Zij kunnen schijnbaar even zinloos zijn als het abracadabra van een goochelaar. Maar voor het ik hebben zij betekenis. Zij worden tot de uitdrukking van de harmonie tussen geest en stof.

Wanneer wij dan een dergelijke woord spreken, een dergelijk gebaar maken, of ons een dergelijk beeld voor ogen brengen, gebeuren er dan ook dingen, die wij niet verder met het denken redigeren. U kunt niet zeggen: Zoveel kracht komt er los, of, dit zal het resultaat zijn. Met die gedachten kun je in dit verband niet verder komen dan een: dit is de uitdrukking van onze innerlijke harmonie, dit activeert alle in ons gelegen kracht, laat ze nu maar uitwerken. Daar echter het denken voor de mens, de vorm, waarin een harmonie met de eigen wereld kan werden gezocht, omschrijft en daaraan een richting geeft – of het nu een storm is, die moet gaan liggen, of een kind, dat moet genezen – zal het merendeel van de in ons zo gerealiseerde krachten van de geest zich manifesteren volgens de wil, die krachtens het denken in ons is ontstaan. Dat wil dus zeggen, dat zij de storm tracht te doen gaan liggen, het kind zoekt te genezen, enzovoort. Dit is altijd waar en kan op elke wijze worden tot stand gebracht, tenzij tussen de denker en zijn omgeving een disharmonie bestaat.

Misschien maak ik het u wel moeilijk vandaag. Maar in een klein gezelschap heb je altijd de neiging om te trachten wat verder te gaan dan normaal. Misschien gelukt het mij u vandaag enkele dingen duidelijk te maken, die in een groter gezelschap niet zo gemakkelijk zouden kunnen weergegeven worden, daar zij dan bij te velen te veel vragen zouden oproepen.

Een tweede punt bij het denken is het volgende. Het is voor mij niet zo belangrijk dat mijn denken mijn wereld geheel naar waarheid beseft. Wel is het belangrijk dat in mijn denken zoveel mogelijk en ook zoveel mogelijk harmonische referentiewaarden aanwezig zijn. Hoe groter het aantal mogelijkheden dat ik materieel kan vinden voor harmonie met mijn wereld of delen daarvan, hoe beter dit voor mij is. Waaruit voortvloeit dat de mens in zijn denken moet trachten zijn harmonisch zijn met alle dingen als het ware voor zich aanvaardbaar te maken, desnoods te beredeneren, maar in ieder geval de mogelijkheid tot die harmonie te erkennen. Want hiermede vindt de mens voor zich een instelling ten aanzien van het andere en de mogelijkheid tot contact met het andere, waarin ook de geestelijke krachten van het ik mee kunnen spreken. Heeft de mens dit tot stand gebracht, dan zijn de meeste moeilijkheden in het leven natuurlijk wel opgelost, maar wanneer hij daarin niet geheel slaagt, wordt zijn leven en bereiken veel moeilijker. Wanneer ik in mijzelf niet geheel harmonisch ben – dus in mijzelf verdeeld – dan zullen de harmonische krachten, die vanuit de geest tot mij komen, in strijd komen met mijn disharmonische associaties en gedachten plus mijn reactie op de materie of delen daarvan. Een dergelijke innerlijke toestand voert weliswaar niet noodzakelijkerwijze tot reeksen van mislukkingen, maar zal in ieder geval alle blijvende relatie met de buitenwereld onmogelijk maken en daarmede ook het consequent tot uiting brengen van de innerlijke krachten.

De meesten onder u kennen de Peer Gynt, of hebben ervan gehoord. In dit werk komt aan het einde een figuur voor, die men de knokengieter of knopengieter noemt. Deze figuur zal de zielen, die nooit werkelijk goed of werkelijk kwaad zijn geweest, eenvoudig versmelten om er nieuwe van te maken. Een wat simpel en erg dichterlijk beeld. Toch kan dit illustreren, wat ik u nu wil duidelijk maken. Iemand die werkelijk slecht is, heeft een algehele disharmonie ten aanzien van iemand, die het Licht en de geest zoekt. Hij kent verder een disharmonie ten aanzien van zijn wereld, zover zij door hem niet als deel van eigen Ik wordt ervaren. Hij heeft echter een eenheid van reactie en besef, waaraan hij een innerlijke harmonie en zo een mogelijkheid tot het gebruiken van zijn innerlijke krachten kan ontlenen. Iemand, die geheel goed is, zal eveneens harmonisch zijn en daarenboven ook harmonie met de wereld kennen, zodat hij niet slechts zijn innerlijke krachten kan gebruiken, maar deze ook in positieve zin aan de gehele wereld kan overdragen. Een mens echter, die in zichzelf verdeeld is, is machteloos en krachteloos, daarom wil ik u aanraden in het leven altijd voor alles na te gaan, wat uw mogelijkheden tot harmonie zijn.

Hebt u het antwoord daarop gevonden, dan raad ik u aan voorlopig alle andere verschijnselen in het eigen ik eens te verwaarlozen. Vergeet niet, dat er op deze wereld ook door de goedwillende mensen zo weinig goeds tot stand wordt gebracht, omdat zij steeds weer bezig zijn hun eigen fouten te bestrijden, of anderen tot het goede te brengen, met het gevolg, dat zij niet niet tot het goede kunnen komen door gebrek aan kracht, tijd en inzicht. Zoals er vele mensen op aarde zijn, die oprecht de vrede wensen, maar bij het zoeken naar deze vrede zozeer beheerst worden door hun eigen angsten, dat zij in hun streven de werkelijke mogelijkheid tot vrede steeds meer beperken, zodat de resterende vrede elk ogenblik in een absolute disharmonie of oorlog om kan omslaan. Wat dan weer een toestand is, die door hen, gezien hun innerlijke verdeeldheid en angsten, niet meer beheerst zal kunnen worden en door hun pogen in feite steeds erger wordt.

Er zijn op aarde mensen, die aan de ene kant maar al te graag zouden willen geloven. Maar aan de andere kant geloven zij weer liever niet aan de consequenties die een doorgevoerd geloof voor hen zou kunnen hebben volgens eigen denken. Dit komt in feite neer op een voortdurende strijdigheid tussen hetgeen zij zeggen en trachten te geloven en hetgeen de wereld volgens hun besef steeds weer als de waarheid manifesteert. Het resultaat is, dat deze mensen nooit de krachten van het geloof zullen kunnen gebruiken, maar dat zij ook nooit zullen kunnen komen tot de normale stoffelijke reactie op de besefte werkelijkheid, waarbij de geest in wezen kan worden uitgeschakeld. Dergelijke mensen brengen disharmonische waarden over naar de geest.

Indien u denkt, tracht dan niet te eenzijdig te zijn ten aanzien van de problemen, die u verstandelijk kent en die u in uw wereld zichtbaar omringen. Besef dat deze problemen vele zijden hebben. Bepaal wel voor uzelf met welke zijde van de mogelijkheden en problemen u zich harmonisch gevoelt, dit niet op grond van beredeneringen of stoffelijke wensen, maar op grond van het geloof, het gevoel van mystieke verbondenheid, dat u in uzelf kent. Trek u weinig aan van de menselijk geldende limiteringen en beperkingen, zoals deze door mensen werden gezien en omschreven. Dit geldt zelfs voor begrippen als bijvoorbeeld tijd en dergelijke. Dit zijn materiële vaststellingen.

Indien ik deze materiële vaststellingen opleg aan mijn mogelijkheden tot harmonie met de geest, zal ik weinig of niets bereiken. De geest kent veel grotere vrijheden dan de stof en heeft een geheel ander besef van beperkingen. Zoek in het leven niet naar de stoffelijke mogelijkheden, maar werp u allereerst op het erkennen en aanvaarden van een voor het Ik als harmonisch ervaren taak. Indien u een harmonische taak vindt en die taak zoekt te vervullen, zo zal men ook ongeacht de stoffelijke beperkingen als de redelijke mogelijkheden, de tijd en dergelijke, resultaten kunnen boeken, die voor stof en geest gelijkelijk belangrijk zijn.

Beperkt men zijn streven door een te groot besef van de menselijke tijd bijvoorbeeld, dan kunnen de resulterende werkingen treurig zijn. Mensen, die zich al te zeer bezig houden met de menselijke tijd, stranden meestal in het gezicht van de haven. Daarnaast zal hun gevoel van belangrijkheid verkeerdelijk reageren, zodat zij vele goede en grote mogelijkheden voorbij laten gaan. Laat mij u van dit laatste een voorbeeld geven. Een mens loopt langs de straat. Opeens hoort hij een stem: Jezus. Deze zegt: “Ik roep u.” Waarop de mens, die een brief wil posten en beseft, dat de lichting zo dadelijk zal volgen, antwoordt: “Heer, ik kom dadelijk. Maar ik moet nu eerst even nog deze brief op de post doen.” Het is voorbij, het contact is verbroken. Want een dergelijk contact moet zonder condities, zonder letten op tijd en menselijk werken van het ogenblik onmiddellijk en onbeperkt aanvaard worden. Reageert men anders op een dergelijk contact, dan verbreekt men zelf de verbinding, dan maakt men een verder voortgaan van dit contact zelf onmogelijk. Je zult dan dus niet in staat zijn iets van het Hogere te beseffen, te ontvangen, of tot uiting te brengen. Besef daarom, dat tijd en dergelijke van geen belang zijn, zodra het gaat om werkelijk importante innerlijke waarden en werkingen.

Maak je geen vaste voorstellingen van dingen, die buiten de eigen wereld en daarmede ook buiten eigen vermogen tot een juist begrip liggen. Of dit nu God is, het leven na de dood, of misschien zelfs de mentaliteit van de negertjes, die u zelf niet kent, maak u geen vaste voorstellingen. Reageer hierin alleen op de feiten en, met gebruik van uw verstandelijke vermogens, door het probleem op eenvoudig en harmonisch met het ik als maar mogelijk is te stellen. Hierdoor voorkomt u dat u vele tegenstellingen schept, die in wezen overbodig zijn. U ontkomt langs deze weg aan vele angsten en aan vele gevoelens van noodzaak en verplichting.

Ten laatste nog dit. Realiseer u eens, wat je kunt doen met een werktuig, dat je goed gebruikt. Veel, maar dat vergt oefening. Om je verstand op de juiste wijze te kunnen gebruiken, moet je wel degelijk trainen. Maar deze training moet steeds weer omvatten: Vereenvoudiging, scherp omlijnde weergave en uitdrukking. En bovenal moeten in alle verstandelijk denken en redeneren factoren van het eigen ik als geloof en dergelijke meespelen, zonder dat zij gelijktijdig als beslissend voor anderen worden gesteld. De mens, die zichzelf of zijn medemensen alleen maar verstandelijk beziet, leeft niet alleen in een wereld van waan, maar creëert voortdurend nieuwe onevenwichtigheden rond zich, waarmede hij op de duur ook zelf geen raad meer zal weten. Dit brengt steeds meer problemen voor zich en anderen tot aanzijn.

In uw denken moogt u verder nooit uitgaan van een harmonie of eenheid, die van buitenaf kan worden opgelegd, of voor u via een gemeenschap tot stand komt. Ik kan in een gemeenschap harmonie vinden en door mijn erkennen van het harmonisch streven van anderen mijn eigen harmonisch zijn intenser ervaren. Maar ik kan niet in een gemeenschap komen, die harmonisch is in zich, terwijl ik daarmede disharmonisch ben, en dan verwachten, dat ik door het wachten op de anderen hun harmonie zal ervaren en, wanneer zij mij bereikt, dit ook innerlijk zal beleven en erkennen. Alles vergt eigen actie, een eigen proces van denken en realiseren.

Als ik u dus enige eenvoudige raadgevingen mag geven? Waar je te maken krijgt met theorieën, vereenvoudig ze zo goed en zo ver je maar kunt. Hebt u te maken met omstandigheden die onoverzichtelijk zijn, vereenvoudig uw erkenningen en waarnemingen zoveel mogelijk. Ga bij de vereenvoudiging steeds uit van hetgeen voor u feitelijk, dat wil zeggen kenbaar of voorstelbaar is. Vanuit deze vereenvoudigde en dus voor u meer overzichtelijke en kenbare waarden moogt en kunt u reageren, zonder dat u hoeft te vrezen dat uw geest hierdoor op enigerlei wijze geschaad zou kunnen worden en zonder dat u hoeft te vrezen uw eigen en besefte mogelijkheden tot meer stoffelijke harmonie te verspelen.

Vervolgens dit: Door het denken is het mogelijk de wil en het bewustzijn te richten. Gebruik uw denken niet zozeer om uzelf te bestemmen, als wel om de krachten, die in u bestaan, te richten. U zult zien dat u veel betere resultaten verkrijgt en dat de zelferkenning, die schijnbaar terzijde wordt geschoven, zowel vanuit het gebruik van uw krachten als vanuit de resultaten daarvan, veel helderder, eenvoudiger en scherper naar voren zal treden, zo bruikbaarder en sneller tot stand zal komen, dan bij het meest langdurige zelfonderzoek bereikbaar is.

Besef dat veelheid van woorden vaak boeiend en interessant kan zijn, maar dat deze woorden uiteindelijk alleen maar een omschrijving vormen, een communicatie ook. In zich zijn zij niet van belang. Niet het woord, maar de werkelijkheid, de vrucht, die achter de woorden nog verborgen is, is van belang. Leer ook de taal van anderen – zelfs die van ons – als het ware te besnoeien, al het onbelangrijke er uit te verwijderen, zodat u de essentie, de werkelijke vrucht van begrip en daadwerkelijke betekenis of mogelijkheid daaruit kunt overhouden.

Doe dit ook, wanneer men u iets voorstelt als noodzakelijk enzovoort. Denk logisch, denk scherp, erken de consequenties, maar bovenal: herleid alle woorden tot de eenvoudigste betekenis en houdt er rekening mee, dat zelfs in de uiterste vereenvoudiging nimmer een daad van anderen of actie van anderen, maar alleen eigen vermogen tot het stellen van een daad, het nemen van actie, bij de uiteindelijke beslissingen een rol mogen spelen. U zult dan veel beter begrijpen, wat er in de wereld rond u in feite gebeurt; en ook beter beseffen, hoe u zelf kunt of moogt reageren.

Denken kan een ontspanning of een oefening zijn. Verwar echter de oefeningen nimmer met het gebruik van het denkvermogen, waaraan een reëel doel is verbonden. Maak een scheiding tussen alle voor uw plezier filosoferen, overwegen, studeren enzovoort, en de praktijk van uw eigen leven. Neem uw oefeningen, ongeacht wat hun resultaten zijn, nimmer ernstig, tenzij daaruit iets voortvloeit, wat feitelijk en onmiddellijk kenbaar is, of gemaakt kan worden door uzelf.

En voor een ieder, die zich bezig houdt met de toestanden in de wereld, geloof en dergelijke: er bestaat geen enkele verstandelijk uitdrukbare zekerheid, die blijvend is. De enige zekerheid, die voor u kan bestaan, is een innerlijke zekerheid. Zoek nimmer uw zekerheden via denken en beredeneren, doch baseer u op uw innerlijke harmonie. Geef uitdrukking aan deze harmonie door haar om te zetten in daden, niet door theorieën te formuleren. Nu ik u dit alles heb voorgelegd, is het, naar ik meen voor heden wel weer voldoende.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Door uw betoog over denken en harmonie is mij opeens het woord van Jezus duidelijk geworden, dat Hij steeds weer gebruikte: “Uw geloof heeft u behouden.” Hij heeft nooit gezegd, dat Hij het alleen had gedaan…..

Neen. Jezus was zich bewust van de Vader in Hem. Met andere woorden: Hij was in zich harmonisch bewust van zijn verbondenheid met alle krachten en de Vader. Dit is iets, wat een gewoon mens zelden of nooit, en dan nimmer blijvend, bereiken zal.

Hij wist dus dat, waar een geloof is, waar een geestelijke waarde en mogelijkheid tot harmonie bestaat, die veel meer omvat dan denken of aanvaarden met woorden alleen ooit tot stand kunnen brengen. Wanneer Hij dus kracht moest geven, macht moest uitoefenen om iemand te genezen, dan was dat in de eerste plaats een brengen van harmonie op hoger niveau. Deze, in de geest van de patiënt ontstane harmonie, kon dan – daar de geest in wezen tijdloos is – in zeer korte tijd over worden gebracht op het lichaam en daar een dirigerende factor worden.

Om u een eenvoudig voorbeeld te geven: Een mens heeft kanker. Het grote nadeel hierbij is, dat de woekerende weefseldelen door het lichaam als deel van het eigen ik, dus deel van het lichaam zelf worden erkend. Er zijn in het lichaam heel wat delen, die de werking van vreemde invloeden en indringers binnen de weefsels bestrijden, maar voor een kankerweefsel maken zij halt, zij zullen dit niet aanvallen, omdat dit “eigen” is. Stel nu, dat iemand door een geestelijke harmonie aan de delen van het lichaam duidelijk kan maken, dat deze kankercellen geen deel uitmaken van eigen wezen. Dan zal de kankercel onmiddellijk en overal worden aangevallen, zoals dit met vreemde indringers in het weefsel het geval is. Het gevolg is, dat de kankercel in haar leefmogelijkheden wordt beperkt, vaak vernietigd kan worden, zodat de kanker op de duur zal verdwijnen. Een ander voorbeeld is lepra. Hierbij is sprake van een verval van het weefsel.

Maar dit infectieuze verval komt voort uit een toenemend tekort aan bepaalde stoffen in het lichaam. Vandaar dat met goede voeding en vitaminen reeds zeer veel voor lijders in het beginstadium gedaan kan worden. Wanneer het lichaam dit weet, kan het zijn relatie tot de omgeving veranderen. Je kunt bijvoorbeeld veel compensatie voor vitaminen in voedsel uit de lucht halen. Wanneer het lichaam juist is ingesteld, kan de zieke huid – en de weefsels – vanuit de lucht niet alleen kracht opnemen, maar bovendien vanuit de atmosfeer bepaalde delen opnemen, waardoor een snelle regeneratie denkbaar wordt.

Dit is een van de wonderen, die Jezus heeft gedaan. En vele andere wonderen kunnen in een gelijke klasse worden ondergebracht. Hij heeft dus gezegd: Zo is het, dit is de kracht, wij zijn harmonisch, dus zal het zo gebeuren. Het was dan niet noodzakelijk de mens te vertellen, wat er in het lichaam moest gebeuren. Dit kwam vanzelf. Het was alleen noodzakelijk een stoffelijke en geestelijke aanvaarding van genezing te brengen, waarbij de mens deze waarde als zekerheid ondergaat, zoals Jezus zelf dit met de innerlijke kracht doet. Hierdoor werd tijdens een harmonie tussen Jezus en de zieke de harmonie van Jezus door de ander tijdelijk gedeeld, zodat hij daaruit de noodzakelijke stimulans kon verwerven en via de eigen geest de noodzakelijke levenskrachten kon versterken. Dit is wel een wat ander beeld van het “geestelijk genezen” dan u gemeenlijk krijgt. Maar dit is dan ook wel de hogere vorm.

  • U zegt dat de theorie vaak niet zo vruchtbaar is …….

Inderdaad. Sprekende ten aanzien van het denken heb ik gezegd dat de theorie geen vruchtbare weg is. Wanneer ik een theorie heb, zo krijgt deze theorie eerst werkelijke waarde en inhoud, wanneer ik die theorie toets aan de feiten. Dit zult u met mij eens zijn. Maar wanneer ik mij alleen met de theorie bezig blijf houden zonder haar te toetsen, dan kom ik op de duur tot een massale opeenstapeling van theorieën, die men niet meer durft of kan beproeven, omdat zij te ingewikkeld zijn geworden. In andere gevallen houdt men zich zolang met een theorie bezig, dat men de feiten, die daarmede niet stroken, niet meer wil – of kan zien.

  • Maar de theoretische waarde, die in de wiskunde bestaat?

Deze is alleen waardevol, omdat zij middelen geeft als werktuig, om in eigen wereld bepaalde dingen te omschrijven en uit te drukken. In de praktijk komt het er op neer, dat de wiskunde zeer waardevol is als omschrijvings-, beschouwing- en berekeningsmethode, daar zij meer factoren en mogelijkheden bevat dan de normale menselijke taal, terwijl zij een rigider systeem heeft, maar gelijktijdig overal op betrokken kan worden, zelfs op onbekende waarden. Men kan in de wis- en meetkunde werken met waarden, die men niet kent of ook maar zou kunnen aanduiden en omschrijven, terwijl het evenzeer mogelijk wordt binnen dit systeem, om te werken met en conclusies te trekken ten aanzien van dimensies, die de mens niet kan zien of beleven. Als werktuig en uitdrukkingsmiddel heeft zij dus grote waarde en kan zij de vaardige wiskundige vele mogelijkheden tot uitdrukking en beschouwing bieden. Maar op het ogenblik dat ik de wiskunde ga beschouwen als een methode van denken en leven, waarbij een praktisch toepassen en onderzoeken niet meer van belang is, dan verliest de wiskundige omschrijving haar betekenis in de werkelijkheid en zal zij, gezien haar rigide systeem, nog sneller en intenser misleiden dan vele andere theorieën.

Als werktuig alleen dus is de wiskunde van groot belang, voor degene, die hiermede kan werken – want niet iedereen heeft een denkvermogen, dat met deze rigide structuur en haar onbeperkte mogelijkheden kan werken, daar een zeker symmetrisch bewustzijn noodzakelijk is om met wiskunde te kunnen werken – is in staat om juist door beoefening van de wiskunde de dingen te leren vereenvoudigen. Men leert dan harmonieën eenvoudiger erkennen en beseft beter, op welke wijze zij kunnen worden uitgedrukt. Maar het blijft wel een werktuig, zodat het waardeloos wordt, zodra het als kracht op zich wordt beschouwd. Dit geldt trouwens voor alle menselijk weten. Want het menselijk weten, mijn vriend, is uiteindelijk slechts de trotse omschrijving van een punt in het niet-begrepen niet.

  • Welk niet?

Het niet-besefte. Ik kan u nog wel meer opmerkingen van deze aard voorleggen. Theologie bijvoorbeeld gedraagt zich als wetenschap en wordt door velen ook als zodanig beschouwd. In feite houdt zij zich echter bezig met een voortdurende bepaling, formulering en omschrijving van het onzegbare op zodanige wijze, dat dit onbewijsbare en onzegbare schijnbaar logisch en menselijk bewijsbaar is. Schijnbaar, zodat dit in feite een “wetenschap” is, die gebaseerd is op hetgeen men niet weet omtrent hetgeen men niet beseft.

  • Ik begrijp niet waarom het niet redelijk, besefte weten voor de mens zo kostbaar is volgens u.

Het is heel begrijpelijk, dat u dit niet begrijpt. Want wanneer u dit zoudt begrijpen, zoudt u meer besef hebben dan verstand. Maar als de doorsnee mens hebt u uw verstand nodig om uw besef te omschrijven, zonder te weten dat u het besefte juist hierdoor aanpast aan uw eigen beperkingen en het daardoor vervormt en zelfs vaak onbruikbaar maakt.

  • Het bewuste ik heeft dus geen denkwaarden nodig om te beseffen?

Besef is geen denkwaarde, maar een ervaring, die eigen is aan het wezen. Een ervaring heeft geen rationalisatie, ontleding of omschrijvende constatering van node, om in zich te zijn en in het ik een relatie tot andere waarden te scheppen.

  • Dus het kwaad ligt in de rationalisatie?

Elk besef zal door de mens, gezien zijn neiging tot verstandelijk reageren, gerationaliseerd worden, daar het hierdoor in overeenstemming kan worden getracht met het rationele wereldbeeld van die mens. Hierdoor zal het vaak veel van zijn werkelijke betekenis, mogelijkheid en inhoud voor de mens verliezen. Bovendien voert de poging alles aan te passen aan het reeds bestaande wereldbeeld tot een disharmonie, waar zonder dit harmonie mogelijk zou zijn geweest.

  • Inspiratief denken is het opnemen van de denkstroom van een ander en ….

Ik heb in mijn onderwerp reeds getracht u duidelijk te maken, dat de inspiratie een harmonische inwerking is, die in de mens vanuit eigen geest ontstaat. Dit blijft van kracht, ook wanneer bij de inspiratie andere krachten of entiteiten betrokken zijn. Het zijn altijd weer de eigen – niet stoffelijke – voertuigen, die hier de draaggolf vormen – via een geestelijk bestaande harmonie – waarlangs de inspiratie wordt ontvangen. Zij kunnen deze geestelijk ontvangen waarden echter eerst dan aan de stof verder geleiden, wanneer een harmonie – althans een voldoende harmonie – aanwezig is tussen eigen stof en geest.

Maar – en dit is typerend – zelfs indien de inspiratie een in gedachte uitdrukbare mededeling of kennis omvat, zal het stoffelijk Ik tijdens de ontvangst passief moeten blijven. Op het ogenblik, dat men begint na te denken over wat men nu eigenlijk langs inspiratieve weg zegt, kan men niet meer verder uiten wat men ontvangt. De inspiratieve werking wordt dus onderbroken, zelfs indien zij geheel in menselijke termen zou worden uitgedrukt, op het ogenblik dat het verstand als zelfstandig deel van het eigen bewustzijn beschouwend of actief wordt ingeschakeld.

Daarmede is, naar ik meen, duidelijk dat de inspiratie niet mag worden gezien als een “inspiratief denken”. De inspiratie kan een gedachteproces in het ik ten gevolge hebben en op een menselijk denkproces gelijken, maar zodra de inspiratie door het ik wordt beschouwd, terwijl zij nog niet voltooid is, zal zij door het ik worden aangepast aan eigen associaties, opvattingen en dergelijke, en hiermede in feite waardeloos zijn.

Inspiratie ontvangen moet steeds een ondergaan zijn. Eerst wanneer het ondergaan teneinde is gekomen, bestaat de mogelijkheid over het ontvangene na te denken. Zoekt men zelfs dan naar een verklaring, zo breekt men wederom de werkelijke waarden van de inspiratieve werking af.

Zoekt men echter daarin naar een mogelijkheid tot harmonie, dan vergroot men zijn eigen geestelijke waarde en zijn vermogen om de waarden van de geest in de stof tot uitdrukking te brengen.

  • Is dat wat men meer technisch Prana noemt?

Je kunt het zo noemen. Maar waarom zou je niet veel eenvoudiger zeggen: het is in harmonie leven. Ik geef toe, dat het vaak nuttig kan zijn dergelijke uitdrukkingen te kennen en zo alles een vreemde naam te geven. Maar beter en belangrijker is het, de dingen juist aan te voelen en hun betekenis in jezelf te beseffen.

Hiermede zal ik mijn bijdrage gaan beëindigen. Mijn betoog over het denken heeft bij velen van u allerhande gedachten opgeroepen en vele reacties uwerzijds ten gevolge gehad. Ik hoop nu maar, dat u mij niet verkeerd hebt verstaan. Ik heb zeker niet getracht u duidelijk te maken dat u niet moet denken. Maar ik heb u wel duidelijk willen maken dat het redelijk denken uw leven nimmer mag domineren. Ik heb willen zeggen dat uw gedachteleven, uw mogelijkheden tot denken, als het ware een werktuig zijn, waardoor uw werkelijke persoonlijkheid in relatie kan treden tot de wereld en daarbinnen harmonisch actief kan zijn. Dit is de kern van mijn betoog. Niet dus, dat u zo weinig mogelijk moet denken, maar dat het denken voor u eerst belangrijk is, wanneer het u helpt iets tot stand te brengen. Alle speculatief denken, dat geen verder doel heeft, is dwaasheid, het verheerlijken van verstandelijke vermogen – als bijvoorbeeld het hechten van veel belang aan zogenaamde I.Q.’s – is dwaasheid. Er zijn op aarde zelfs meer dwazen met een hoog intelligentie quotiënt dan met een laag. Laat ons ons daarom alstublieft niet blind staren op de eigen waarde van het denken. Wij leven uit God, wij leven eeuwig en bestaan in zeer vele “werelden”. De projectie van het ego naar het stoffelijk voertuig is maar een enkele fase van bestaan, waarbij niets werkelijk of blijvend kan worden bepaald door de stoffelijke waarden en het stoffelijk uiterlijk van de dingen, maar alles afhangt van de harmonische waarden, die door ons innerlijk bereikt wordt, zelfs met de hoogste voertuigen, en door ons wordt erkend, in de stof wordt uitgedrukt, en, door een toenemen van begrip voor en harmonie met de materie, waarin wij tijdelijk van ons bestaan bewust zijn, kunnen gebruiken als een verrijking van onze innerlijke of geestelijke wereld. Zodat wij God meer kunnen beleven en bevatten.

Als ik met dit betoogje iets heb bijgedragen tot een afstand nemen van het verstand en het verkrijgen van een groter respect voor al die niet verstandelijke waarden, die in u tot uiting komen, ben ik reeds ruimschoots voor mijn moeite beloond. Zou ik er misschien toe hebben bijgedragen zodat u uw verstandelijke vermogens meer gaat gebruiken als een werktuig om met de wereld meer harmonisch te zijn, zo heb ik een succes gehad, dat al mijn verwachtingen heeft overtroffen. Het geheel was echter ook een oefening in denken. Ik hoop nu maar, dat het voor u gelijktijdig een oefening is geweest in het zoeken naar harmonie en het bereiken van groter begrip. Want indien u meer mogelijkheden tot harmonie hebt gevonden, komt het denken er eigenlijk minder op aan.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie

Bij de beschouwingen over esoterie vergeet men maar al te vaak de toch zo belangrijke kwestie van de persoonlijke benadering. Ik wil trachten via een gelijkenis hierover iets te zeggen.

Er waren eens twee wijzen, die beiden een lange reis naar het zelfde doel moesten maken. De eerste nu stelde zich de weg voor, die tot het doel zou voeren. Hij reisde langs deze weg tot hij, na vele weken van moeizaam gaan, zijn doel uiteindelijk bereikte. De tweede wijze echter stelde zich zijn einddoel voor zonder zich over de te volgen weg te zeer te bekommeren. Met dit doel voor ogen deed hij een enkele schrede voorwaarts en zie, hij bevond zich reeds op het punt, dat hij zich als doel had gekozen.

Dit klinkt als een sprookje of legende. Maar ik kan u verzekeren, dat hetgeen daarin werd gesteld, door ingewijden wel degelijk gepresteerd is. Wat ik in deze gelijkenis wilde zoeken is het volgende. Maar al te vaak houden wij ons, wanneer het gaat om de innerlijke weg, bij de bewustwording en het bereiken van zelfkennis, bezig met de procedure. Hoe meer wij ons richten op de procedure, hoe langer het duurt voor wij iets bereiken. Want elke fase van de weg, die wij ons voorstellen en als voorlopig doel kiezen, bereiken wij inderdaad. Maar wij denken in schreden en zo is elke bereiking slechts één enkele schrede voorwaarts op het pad. Indien wij in staat zouden zijn ons een beeld te maken van het doel of desnoods van iets, wat dicht bij dit doel gelegen is, zullen wij de tussenliggende fasen kunnen overslaan. Op deze wijze wordt het innerlijk pad inderdaad weer een kwestie van harmonie, eerder dan een zaak van worstelend bereiken.

Het is voor een mens haast onvoorstelbaar, dat hij iets zou kunnen bereiken zonder strijd. Maar het element strijd komt uit de mens zelf voort, niet uit het Al. God heeft de strijd niet geschapen, die de mens overal ziet of vermoedt. God heeft het bestaan geschapen. De reacties van veel lagere dieren, die de mens als een wrede en harteloze strijd meent te moeten zien, zijn voor de dieren geen strijd in de zin van onrecht, nodeloos geweld, enzovoort. Voor de dieren vormt dit alles slechts een deel van het zijn, een uitdrukking van hun wezen, hun persoonlijkheid en daarmede basta. De consequenties van deze “strijd” als dood, pijn, enzovoort, zijn voor het dier een normaal deel van het zijn, en worden ook als zodanig bijna fatalistisch aanvaard. Niet dus, zoals de mens pleegt te denken, in een ellendig speculeren omtrent alles, wat nog zou volgen, maar in een ondergaan en aanvaarden van het heden. Het dier constateert, zelfs in pijn en dood, eenvoudig de feiten en tracht er het beste van te maken.

De vorm van strijd, die men als mens op aarde steeds weer onvermijdelijk en noodzakelijk acht, komt voort uit de eigen verdeeldheid van de mens. De mens kan zich eenvoudig niet voorstellen dat zijn wereld opeens zou kunnen veranderen. Daarom kan de mens zich ook niet goed voorstellen dat zijn eigen plaats in, of betekenis ten aanzien van die wereld zou kunnen veranderen. Mensen baseren hun leven en het erkennen van leven steeds weer op voor hen vaststaande waarden, vaste punten, vaste wetenschappen. Zij vergeten daarbij, dat dit alles slechts een reeks middelen tot een doel is en zien maar al te vaak en te graag over het hoofd dat ook dergelijke dingen voortdurend evolueren en variëren.

U zult in uw innerlijke processen voortdurend variëren, zowel waar het gaat om het benaderen van het Hogere als aangaande de voorstelling, die men zich daarvan maakt. Zelfs de zekerheden, waarop men zich zegt te verlaten, zowel voor het Hogere als voor eigen wereld, zijn vandaag niet gelijk aan die van gisteren of morgen. Wat men vandaag als zeker ervaart, als onomstotelijk en eeuwig waar, is reeds morgen voor de mens een twijfel geworden. Wat vandaag onaanvaardbaar, onvoorstelbaar lijkt, kan reeds morgen voor de zelfde mens een eeuwige waarheid zijn. Leven is een voortdurend proces van veranderingen. Omdat men als mens die veranderingen niet wil aanvaarden, omdat men een vaste een eeuwig gelijkblijvende waarde in het leven wil vinden, die voor het ik te begrijpen en aanvaardbaar is, loopt men in het leven steeds weer vast. Dan komt men met angst, begeerte als strijdwaarden voortdurend in conflict met de werkelijkheid, het leven wordt tot een strijd, waarbij men voortdurend verkeerd te land komt en voortdurend in verzet is tegen de resultaten van eigen zijn en handelen, omdat men de samenhangen niet wil of kan begrijpen.

Het kleine verhaaltje, als inleiding van dit noodgedwongen wat beperkte betoog, geeft een denkbeeld van hetgeen men zou kunnen doen. U wilt uzelf leren kennen? Begin dan niet, uzelf te ontleden. Het brengt u niet verder. Stel u voor, dat u zou kunnen zijn – moeten zijn misschien – volgens het beeld, dat u als ideaal in uzelf draagt. U zult zien, dat het beeld, dat u dan van uzelf krijgt, heel wat omvattender en bovenal ook duidelijker is dan u zich aan de hand van ontledingen ooit zoudt hebben kunnen voorstellen. U wilt naar God toe? Stel u dan eens niet voor, dat u langzaam en trede na trede de trap beklimt naar de oneindigheid. Want dit is weer een materiële voorstelling van bereiken, van steeds weer verder bouwen op het oude. Je moet eenvoudig de moed hebben, het oude los te laten. Stel u maar eens voor hoe het is, wanneer een geest zich aan deze, uw wereld vastklampt. Het kan haar niet schelen, hoe die aarde is en zelfs niet, hoe zij het bestaan daarop nu ervaart. Die aarde moet er voor haar zijn. Daarvan kan zij geen afstand doen. En zo blijft zij gebonden. Het bestaan van deze geest wordt niet door menselijke tijd beperkt, maar er komt een ogenblik, dat ook de aarde uitblust of de zon, tot nova wordende, in een vurige teug alle planeten weer tot zich trekt. Stel u nu eens voor, wat zo een arme geest dan zou moeten beginnen. Hij heeft geen basis meer. De vaste waarde, waarop zij haar bestaan baseerde, is weg. Zij zal hulpeloos en hopeloos moeten zoeken, tot zij iets in zich vindt, waardoor zij een verder bestaan weer kan aanvaarden.

Als je echter het geheel van leven en kosmos ziet als je leven, doel en bestemming, dan ben je misschien niet zo sterk op de aarde en aardse ontwikkelingen gericht als die eerste geest. Maar dan kan ook niets je bedreigen, wanneer je verder streeft. Want wat er ook verandert of gebeurt, jij bent er en rond je is het bestaan, het Al. Daardoor kun je alles aanvaarden en blijven erkennen, ook zonder vaste achtergronden.

De dingen lijken vaak zo gedegen en vaststaand. Zoals in uw eigen wereld bijvoorbeeld de systemen waarop u uw begrotingen baseert, enzovoort. Het lijkt haast of men niet anders kan. Het systeem is juist, zo zegt men. Dus moeten wij wel doorgaan op het oude pad. Want wij kunnen alles wat wij in het verleden bereikt hebben nu eenmaal niet achterlaten. Men vergeet dat de bereikingen van het verleden slechts zin en betekenis hebben wanneer zij voeren tot aanpassingen en nieuwe toepassingen van het geleerde in het heden, maar dat doet men niet, men wil het verleden handhaven. En dat is nu juist het sombere in dit geval.

Sommige ontwikkelingen beginnen als een sneeuwbal, die je kunt oppakken en dragen, wanneer je dat nodig acht. Maar dan groeit de bal en kan tot een lawine worden, die je meesleurt, vooral wanneer je jezelf nog steeds wijs maakt, dat je in het verleden de sneeuwbal op hebt kunnen nemen, zodat het ook nu wel zal gaan.

Het belangrijkste in dit alles is wel, dat de mens moet gaan beseffen dat hij niet de slaaf is van alles wat hij geschapen heeft, maar er de meester van moet blijven. De mens moet beseffen dat het niet gaat om wat iedereen in de toekomst nu wel graag zou willen of wat er in het verleden bereikt werd, maar dat er alleen rekening gehouden mag worden met het doel dat men zich nu bewust stelt en de moeilijkheden die men vandaag heeft, en om daaraan te werken. Dan kan men de veranderingen zelf beïnvloeden en blijven beheersen. Ook zonder dit zullen de omstandigheden en mogelijkheden zich wijzigen. Maar die veranderingen heeft men niet in de hand. Dan ontstaan onvoorziene omstandigheden door oproer, stakingen, de val van valuta en dergelijke. Dan komt de verandering niet als gevolg van een bewust streven, maar eerder als resultaat van een economisch en moreel verval. Dan ontbrandt juist door het onbegrip de strijd. En deze strijd is overbodig, daar zij door een steeds alleen rekenen met de werkelijkheid in het heden zou kunnen worden voorkomen.

Zoals het in de stof gaat, zo gaat het ook in de geest. Wanneer wij trachten onze God te bereiken, willen wij steeds een gedegen achtergrond hebben. Wij kunnen eenvoudig niet achter laten, wat wij in het verleden verworven hebben. Onthoudt dan één ding: Esoterisch gezien bestaan er geen verworvenheden, er bestaan slechts de toestanden van het heden. Wat ik nu ben, wat ik nu kan bereiken of doen, is het enig bepalende zover het mijn toestand en bereiken betreft. Wat ik gisteren geleerd heb, mag ik vandaag weer vergeten en wat ik morgen leren zal, hoef ik nu nog niet te voorzien. Dat behoort tot de tijd van morgen. Maar het heden, deze dag is het ogenblik, waarop ik leren en reageren moet volgens de mogelijkheden, die ik nu vindt. Hoe ik dat zal doen, op grond van welk geloof, vanuit welk stoffelijk omschreven standpunt, is van weinig of geen belang. Belangrijk is, dat ik tenminste een schrede voorwaarts doe in de richting, die ik mij gesteld heb, een doel, dat ik omschrijf en besef, een doel dat volgens mij inderdaad de vervulling van mijn stoffelijk en geestelijk bestaan kan inhouden. Dan zal ik elke dag opnieuw mijn doel beseffen en zelfs kunnen bereiken.

Nu begrijp ik wel dat dit in de oren van velen wat ketters klinkt. Het lijkt u nu dat ik u zou willen zeggen dat alles wat u met zoveel moeite bereikt hebt, waardeloos is. Maar dat is niet waar.

Wat u bereikt hebt, is niet waardeloos. Maar u maakt het waardeloos en zelfs gevaarlijk, wanneer u omentwille van het bereikte nieuwe bereikingen terzijde schuift, wanneer u om hetgeen reeds beseft werd, een nieuw besef verwerpt, omentwille van de krachten uit het verleden niet voor de krachten van het heden kiezen wilt. Wat u tot stand hebt gebracht, is nimmer waardeloos in zich. Het wordt voor u echter negatief en erger dan waardeloos, wanneer u zich aan deze ballast vastklampt en daardoor verzuimt vandaag opnieuw te bereiken en tot stand te brengen.

Het is gemakkelijk genoeg om, wanneer je evenals de Godheid, een Al in stand kunt houden met één enkele gedachte, en zonder besef van tijd, dit alles te doen. Voor ons is echter de gehele bewustwording een opeenvolging van momenten, van kleine perioden, waarin wij een bepaalde toestand kennen en bepaalde mogelijkheden bezitten. Morgen is dat alweer voorbij, gisteren was het nog niet zo. Daarom moeten wij steeds vandaag handelen, vandaag ageren. En dan kunnen wij over de mogelijkheden van het heden nadenken. Maar laat ons voorzichtig zijn, dat wij niet te veel denken, ook niet in de esoterie.

Menigeen heeft zijn eigen mogelijkheden al denkende om hals gebracht en de waarden van eigen bewustwording weg geredeneerd. Menigeen heeft, in de plaats van de God, die hem wilde vervullen, gekozen voor een veelheid van woorden, die hem misschien in de ogen van anderen aanzien geven, maar die hijzelf niet eens geheel kan begrijpen. Laat ons steeds de eenvoud dienen. Niet slechts, door alles steeds weer te herleiden tot zijn essentie – want in de esoterie slagen wij daarin toch niet – maar vooral door vandaag te leven, door vandaag te zijn.

Laat ons zijn als de wijsgeer, die bewonderd werd, omdat hij zoveel mediteerde en daarna werd uitgelachen, omdat hij wilde spelen met de goudvissen in de vijver, terwijl zijn volgelingen andere dingen van meer belang achtten. Men zei dan ook dat dit voor een wijze en leermeester niet paste. Maar de wijze was op dat ogenblik in staat, in het spel met de vissen, voor zich iets van de oneindigheid te ervaren. Hij handelde dan ook niet in overeenstemming met de verlangens, de redeneringen en eisen van anderen, maar in overeenstemming met de kern van eigen wezen. Hij had door dit spel zijn aanzien en de verering van zijn volgelingen achter gelaten.

Maar hij had het besef gewonnen van iets eeuwigs en een innerlijke inhoud verkregen, die onvergelijkelijk belangrijker was voor hem en een ieder, die hem ook nu nog wilde volgen. Toen de wijze door deze beleving in staat bleek enkele dingen te doen, die de mensen niet begrepen, riep men hem uit tot heilige, machtige wijze en tovenaar. Maar toen hij geen redenen meer zag om dergelijke dingen te doen, noemde men hem een boze geest, een egoïst. Maar de wijze was te wijs, om zich daaraan te storen. Zo ging hij verder met doen, wat hij voelde te moeten doen en te zijn, wat hij voelde, te moeten zijn. Want zijn doel was niet om vanuit zichzelf iets te bouwen voor anderen, maar om te beseffen wat hij waarlijk was.

Dit laatste behoren de beoefenaren van de esoterie steeds weer te doen: tracht niet een brug tussen u en uw god te slaan, maar besef, hoezeer gij reeds in God zijt. Zoals men niet moet trachten door het oplossen van vele raadselen uiteindelijk toegang tot de goddelijke waarheid te verkrijgen, maar eerder dient te streven naar het besef, zodat men eindelijk met open ogen de goddelijke waarheid kan zien waarin men leeft.

Daarom geef ik de esoterici deze raad: Vraag u niet af wat u geleerd hebt of wat u in het verleden bereikte, maar vraag u steeds weer af wat vandaag mogelijk is, wat vandaag als waarheid in u leeft. Wanneer u vandaag Gods waarheid ziet, hoe en waar dan ook, bezie die dan in welke vorm of gestalte u deze ook ontdekt.

En meen niet dat u zich van een te eenvoudige weergave van de waarheid moet distantiëren, omdat anders uw bereiken teloorgaat.

Ik zou nog veel meer op dit terrein kunnen zeggen, maar moet gaan eindigen. Ik besluit daarom met de volgende gelijkenis. Ik ken iemand, die iedereen maar raar vond. Hij begon met een kruidenierszaak, maakte daarvan een succes, maar had er geen zin meer in. Hij verkocht de zaak en vertrok als gewoon matroos. Daarna zocht hij goud en vond er veel. Maar hij begon geen zaken en zocht niet verder. Hij gaf veel van hetgeen hij had gewonnen weg en begon een studie van de plantengroei in Zuid Azië, waarover hij een boekje schreef. Al snel was ook hier de aardigheid van af. Hij werd daarop clown bij een klein circus. Daarna ging hij weer in zaken en begon een papierfabriekje. Ook hier slaagde hij redelijk, enzovoort. Toen deze man stierf, zei men: Hoe treurig, dat hij zich niet bij een ding heeft willen houden. Want hij had een groot man kunnen zijn. Maar dat hij in het leven veel meer had geleerd en veel meer harmonie had gebracht, dan alle geslaagde mensen van zijn tijd bijeen, heeft niemand begrepen.

image_pdf