Denkwereld en esoterische realiteit

‘Geestelijke wetenschappen’ (hoofdstuk 8) – mei 1969

Denkwereld en esoterische realiteit

Er was eens een wijsgeer – hij noemde zich Ali Mohammed Bakar – die op een gegeven ogenblik een wijsgerige uitspraak deed. Hij zei nl.: “God is goed en dat weten wij allen. Waaróm zouden wij ons dan bezighouden met God? Laten wij liever de duivel te vriend houden.”
Met deze denkwijze is misschien wel iets gekenschetst van de achtergrond van het denken. Want de mens probeert niet in de eerste plaats om God een plezier te doen, maar om geen ruzie te krijgen met de duivel. En dat aspect zien wij in de magie doorwerken; wij zien het ook doorwerken in bepaalde esoterische stellingen. Ik zou dit een ontvluchtingseffect willen noemen.
Nu zult u begrijpen, dat wij met die ontvluchting op zich natuurlijk niet verder komen, maar als wij weten waarom, dan is het waarschijnlijk mogelijk om iets meer te begrijpen van o.a. bepaalde zinsneden uit de mystieke kabbala en van bepaalde alchemistische en magische principes.
Als ik leef in de wereld, die ik in twee tegenstellingen deel, dan moet ik een keuze maken. Dat die tegenstellingen alleen van mij uit bepaald worden, besef ik niet. Ik creëer mij dus een God en ik creëer mij een duivel. Beiden zijn voor mij grootmachten. Zij moeten dus een rijk hebben. Dat rijk moet nader worden gedefinieerd. En naarmate men verdergaat in die definitie, komt men tot een meer complexe structuur van machten. Het is nu voor mij eenvoudig om de twee rijken tegen elkaar uit te spelen. Ik weet niet, of u die oude circusstunt wel eens heeft gezien van de sterke man, die twee auto’s bij elkaar houdt, terwijl ze met vol gas proberen weg te stuiven, alleen door kabels die hij in zijn handen vasthoudt. De oplossing is heel eenvoudig: hij gebruikt een schakel van zeer zwaar gesmeed staal. Om de twee grepen, die hij schijnbaar in zijn handen geklemd houdt, schuift hij deze schakel. Deze vangt de spanningen op en daardoor blijven de beide auto’s op hun plaats.
De mens doet eigenlijk precies hetzelfde. Met zijn ontvluchtingsdrang gaat hij voor zichzelf een plaats fixeren t.a.v. God en de duivel. Maar omdat hij, als de duivel komt, kan zeggen: “Het is Gods wil”, en als God komt, kan zeggen: “De duivel heeft mij verleid”, heeft hij met zijn ontvluchtingsbeeld een schakel geschapen, waardoor hij de machten van de twee werelden a.h.w. in balans brengt. De mens is niet meer degene, die tussen twee machten staat. Hij is eerder iemand, die in het middelpunt staat en alle machten vanuit dat middelpunt laat werken, zonder er zich al te veel van aan te trekken. Vandaar ook dat de menselijke fi­losofie, de godsdienst en moraal zover uiteen plegen te lopen.
In de esoterie krijg ik dat door het kwade te compenseren met het goede. Een van de bekende praktijken, zoals u weet: Ga elke dag na wat je verkeerd hebt gedaan en wat je goed hebt gedaan. Maak de balans op. Die balans komt altijd zo uit, dat je het er toch nog niet zo slecht vanaf hebt gebracht. Gelooft u mij,
Op dezelfde manier hebben de magiërs gezegd: Wij hebben slechte en goede geesten. Indien ik een kwade geest wil bedwingen, dan neem ik eenvoudig de naam van een iets hogere lichte geest en krijg daardoor een overwicht over die entiteit. Omgekeerd gebruiken de zwart‑magiërs wel de Godsnamen, maar zij gebruiken die heel vaak in een wonderlijke samenstelling en volgorde en gaan uit van het standpunt: Als ik de hoogste krachten van het duister oproep, zullen zij de uitwerking van het Goddelijke tijdelijk kunnen uitschakelen en dan ben ik safe. Het is eigenlijk een ontvluchten aan de werkelijkheid.
Nu heeft de kabbala (althans de mystieke kabbala) geprobeerd een hiërarchie op te bouwen, waarin al die geesten worden genoemd. Er bestaat ook een tweede deel van die kabbala, dat niet algemeen bekend is, waarin ook de hiërarchie van de duistere rijken volledig wordt gegeven. Dat gebeurt niet in de meeste gepubliceerde werken. Ik heb dus nu een soort blauwdruk. Indien ik kracht A wil beheersen, moet ik dus grijpen boven de kwaliteit van A uit naar het tegendeel. En met deze registratie hebben heel veel kabbalisten zich op het magische pad begeven.
Anderen hebben weer getracht om oorzaak‑en‑gevolg te verklaren door te zeggen: Hier is een oorzaak, die slecht is. Indien ik daaraan nu de naam toeken van een hogere, goede entiteit, dan verandert de zaak. Als ik het kwade dus erken, via een naamomzettingssysteem b.v., dan zeg ik: Dit is kwaad. Wat kan ik daar tegenover zetten, dat hoger en goed is? Het beroep op de naam alleen heet dan reeds een evenwicht te brengen, waarbij je dan ook in zekere zin met magie te maken hebt.
De alchemist doet precies hetzelfde, alleen handelt hij iets verstandiger. Hij kent nl. de krachten van goed en kwaad, die hij dan elementaire noemt. Hij heeft daarbij ongetwijfeld heel veel aan de oude Godsbegrippen en mythologieën ontleend; daarnaast ook heel veel aan de primitieve chemie en het daarmee gepaard gaande bijgeloof.
Hij zegt nu: Indien ik goed en kwaad heb en ik kan ze in een kracht hullen, waardoor de tegenstelling teniet gaat, dan kom ik a.h.w. vanzelf tot het geheel en is er geen goed of kwaad meer, dan is er leven. Dat is o.m. een van de geheimen van het witte en rode poeder, dat ‑ zoals u weet – gebruikt zou moeten worden bij het vervaardigen van de Steen der Wijzen, maar ook bij het vervaardigen van kunstgoud. Dergelijke procédés kunt u door de gehele oudheid aantreffen. Voor ons is het natuurlijk wel belangrijk dat wij eens nagaan in hoeverre die ontvluchtingstheorie eigenlijk voor ons zin heeft en op welke wijze wij daardoor worden beroerd.
Op het ogenblik dat ik goed en kwaad erken, zal ik geneigd zijn om mijzelf daar buiten te stellen. Goed en kwaad zijn machten, die ik in mijn wereld erken. Ik heb echter mijn goede voornemen of mijn bijzondere toestand of misschien mijn bijzonder voorrecht, waardoor ik dit eigenlijk kan afschuiven, hetzij op God hetzij op de omstandigheden of op iets anders. Ik zoek een schakel, waardoor de tegenstellingen van de wereld voor mij bij elkaar worden gehouden, maar onttrek mij daardoor aan goed en kwaad. Dat betekent dat ik voor mijzelf in meer of mindere mate boven de wet sta. Gelijktijdig betekent dat, dat ik die wet volledig van toepassing wil verklaren op de wereld rond mij. En daarmee maak ik natuurlijk een grote fout.
Wanneer ik krachten veronderstel ‑ hoe dan ook ‑ creëer ik die krachten uit mijn eigen denken. Maar een kracht, die ik uit mijn denken heb gecreëerd, kan ik niet zonder meer van mij afstoten. Ik kan niet zeggen: Die kracht bestaat alleen voor anderen en niet voor mij. Ik ben er deel van.
De mens, die werkt met de tegenstelling God ‑ duivel, zal zowel God als de duivel als een werkzame factor in zijn leven zien en het zal hem onder geen enkele conditie mogelijk worden om ofwel de duivel dan wel God uit te schakelen. Hij zal altijd beiden ondergaan en hij zal tegenover beiden – door de tegenstelling ‑ verantwoordelijk zijn. Want in hem is de eindreactie het product van God en duivel. Elke afwijking daarvan is een disharmonie, die zich geestelijk en vaak zelfs reeds stoffelijk zal straffen. Dus moet ik beginnen mij af te vragen, of ik goed en kwaad wel reëel voor mijzelf durf erkennen. Zodra ik dat niet doe, moet ik goed en kwaad op een andere manier wegwerken. Ik kan er niet mee leven; dan moet ik er iets anders voor in de plaats stellen.
Ik kan natuurlijk ook proberen de duivel te vriend te houden. Dat is een heel prettige methode. Je zegt: Geef aan het kwaad toe, want God is een vergevensgezinde kracht; die zal het mij niet kwalijk nemen. Als Hij maar begrijpt dat ik het heb gedaan omdat ik zo bang ben voor het kwaad. Maar in dat geval heb ik toch wel mijn eigen kennis van wat wel of niet juist, of wel of niet goed is. Ik ben dus toch het slachtoffer.
Laten wij dan teruggrijpen naar eveneens een Arabische wijsgeer, zijn schuilnaam was Asrazit. Deze man stelde als volgt:
“Er is niets, dat niet is voor mij. Er is geen kracht buiten de kracht, die werkt in mij. Al wat uit die kracht voortkomt, zie ik in en buiten mij. Zo kan ik (en hij haalt dan het paradijs aan en een paar stanza’s) de hemel in mij dragen, mits ik de hel in mij niet vrees. En omgekeerd natuurlijk.
Deze man maakt het veel eenvoudiger. Wij hebben niet te maken met twee krachten, die aan het touwtrekken zijn om onze kostbare zieltjes; wij hebben te maken met een evenwicht van besef, dat in ons ontstaat. Indien ik dat evenwicht van besef in mij draag, dan kan ik aan verschillende facetten wel een naam geven, maar die naamgeving is in feite de benoeming van een functie, zoals die in mij bestaat. En dan wordt het voor de esotericus opeens geen kwestie meer van kiezen tussen goed en kwaad, maar een erkennen van het totaalbeeld, dat hij uit goed en kwaad voor zichzelf vormt over de wereld, over zichzelf en eventueel over abstractere dingen (iets, wat heel vaak in een geometrische figuur is uit te drukken).
Als de magiër op die manier werkt, dan zegt hij niet meer: “ik moet een geest bedwingen”, maar hij zegt: “ik moet een kracht in mij wekken en de buitenwereld zal daarop antwoorden.”
De alchemist beseft nu dat hij dus helemaal niet meer te maken heeft met krachten van licht en duister en wat er verder bij hoort. Een liefhebberij van sommige alchemisten was om een kruis op te hangen ‑ vaak een dubbelbalk‑kruis (Andreas‑kruis) ‑ en daaronder een gehorende. Dat was soms alleen een maansikkel, maar heel vaak was het een soort Bok van Mendes. Deze mensen dachten: wij moeten die twee principes verenigen. Maar de latere alchemist (de filosofische alchemist) wordt wijzer. Hij zegt: “De totaliteit van mijn besef en van mijn wilskracht versmelt goed en kwaad. Ik kan dus het product, dat uit goed en kwaad is af te lezen, voor mijzelf redigeren alleen door mijn wil. Dan wordt de wil het vuur, het ego wordt de smeltoven, enz.
Het typerende is dat hij daarbij dan zijn zeer uitvoerige en geheimzinnige definitie van de zwavels (er zijn in de middeleeuwse alchemie geloof ik een 80 verschillende sulfers (zwaveI in verschillende beduidingen) gaat terugbrengen tot één heel eenvoudige: Zwavel is wat men zou kunnen noemen de hartstocht of de emotie. Waarschijnlijk omdat ook u denkt: waar vuur is, is ook rook. Rook stinkt, dus sulfer.
Maar met dit terugbrengen van alles tot het eenvoudige effect: ik heb hier de hartstocht, de hartstocht is een wilsvormende factor; ik heb hier de wereld in haar verschillende elementen maar onderdanig aan mijn wilsfactor, komt hij tot een innerlijk (want het is geen magisch maar een innerlijk proces) samenvoegen van alle tegenstellingen tot, wat hij noemt, een levenskracht. Hei is geen concreet Godsbeeld. Het is abstracter en het doet wat denken aan de verheven toestand van de boeddhisten, waarin men daadloos is en waarin de totaliteit wel bestaat, maar waarmee je eigenlijk weinig te maken hebt. Je drijft erin rond.
Op een soortgelijke manier beschouwt de moderne alchemist dat. Met zijn denken heeft hij eigenlijk heel veel tegenstellingen uit zijn eigen wereld weggewerkt. Maar de mens is verliefd op de tegenstellingen. In het denken van de godsdienst b.v. is een God alleen aanvaardbaar, indien die God goed is. Maar er is heel veel op de wereld, dat de mens kwaad vindt. Dat kun je niet aan God wijten, want God oordeelt natuurlijk precies als de mens over goed en kwaad, anders zou Hij de ware God niet zijn. Dus moet er een duivel zijn. En als je die mens nu confronteert met het feit, dat er geen duivel is, dat er alleen maar een levenskracht is, die je dan rustig God mag noemen, dan is hij plotseling zijn mogelijkheid tot veroordeling, tot zelfrechtvaardiging kwijt. Het resultaat is dat hij in opstand komt tegen elke stelling, die zijn gevoel van belangrijkheid, vordering of iets dergelijks kan aantasten.
De mens in de maatschappij, die in een vast systeem leeft en wordt geconfronteerd met een denkbeeld, dat daarin niet past, om welke reden dan ook, komt onmiddellijk in opstand. Hij zal die idee niet op haar verdiensten bezien, hij zal zich niet afvragen of de verdiensten, die hij ervan erkent, misschien in een synthese kunnen worden samengevat met datgene wat hij reeds kent. Neen, hij zegt eenvoudig: Dat is verkeerd, dat kan niet. Hij wil er niet eens naar luisteren.
Diezelfde neiging hebben wij, indien het om geestelijke elementen gaat. En als wij een werkelijke inwijding nastreven, dan moeten wij, geloof ik, toch wel beginnen met te luisteren naar beide partijen.
Uit de uitspraak, waarmee ik ben begonnen, is de verering van Melek El Tal ontstaan. Een eredienst, die hoofdzakelijk onder de Drusen bestond en die eigenlijk neerkwam op een vorm van duivelsbevrediging of duivelaanbidding. Duivelaanbidding is de term van de tegenstanders; ‘bevrediging van de duivel’ is de term van de gelovigen. Deze mensen erkenden dat het kwade ergens gepersonifieerd moest zijn voor het menselijk denken. Maar ‑ zeiden zij – die personificatie kunnen wij op de een of andere manier samenvoegen met het positieve element: God.
Wanneer wij van de duivel een god maken, dan hebben wij aan de ene kant nog een duivel die kwaad kan doen, naar aan de andere kant vinden wij in die duivel dezelfde bestaansrechtvaardiging, die wij in God vinden. God is de bestaansrechtvaardiging met het goede; de duivel de bestaansrechtvaardiging plus het kwade. Breng die samen in één denken, in één eredienst en wij houden alleen onszelf over niet het goede en het kwade. Het resultaat is dan ook geweest dat de Drusen, voor zover zij christenen geworden zijn, heel goede christenen waren. Een beetje vreemd misschien in hun denken, wat primitief vanuit de moderne christelijke maatschappij gezien, maar anderzijds mensen, die heel veel respect hebben, niet alleen voor het magisch element van de godsdienst, maar vooral voor wat men het ethisch element zou kunnen noemen.
Waarom zou een gewoon mens niet tot eenzelfde synthese kunnen komen? Je, kunt nu wel proberen een verschil te maken tussen de kop en de staart van de slang, maar als zij zichzelf verslindt, zoals de gnostici dit steeds weer beweren, dan moeten wij toch ook wel aannemen dat kop en staart geen verschil uitmaken; dat ze alleen maar kenbare punten zijn in de functie van een in zichzelf gesloten geheel. En daarmee zijn wij toe aan de voor ons belangrijke punten.
Wij hebben een eigen ethos. Daaraan kunnen wij niet ontkomen, omdat ons ethisch besef als mens of als geest voor ons een relatie is met onze wereld. Zonder die wereld kunnen wij niet leven. Maar waarom zou ik een ethiek creëren, die strijdig is met wat ik ben? Er is geen vaste ethiek. Er bestaan voor de mens geen vaste, eeuwigdurende wetten, waardoor hij zijn gedrag kan bepalen. Wat vandaag verkeerd is, kan morgen goed heten en omgekeerd. Maar het verkeerd en goed is altijd nog een kwestie van persoonlijke inzet en persoonlijke reactie, niet van een algemeen geldende wet of regel. Dus stellen wij:
Elke kracht in mij is deel van één kracht, die eveneens in mij zetelt. Deze kracht of de daaruit voortkomende verschijnselen, die ik krachten noem, kan ik niet verdelen in positieve of negatieve. Ik kan nooit streven naar het bevorderen van het ene en het afbreken van het andere; hoogstens naar een evenwicht tussen beide, waardoor mijn werkelijke persoonlijkheid tot uiting kan komen. Daar mijn eigen standpunt en behoeven zich voortdurend kunnen wijzigen en verplaatsen, is het mogelijk mijn eigen positie t.a.v. positief en negatief eveneens te veranderen.
Indien ik zelf bepalend ben voor het evenwicht, dan betekent dit dat ik ‑ zonder een beroep te doen op enigerlei kracht, alleen door te leven met een besef van de kracht in mij: ik leef, dit leven is energie, is kracht, is vermogen, is mogelijkheid ‑ mijn positie in het Al zo kan bepalen, dat het Al mij dient.
De alchemist zegt: Wie de Steen der Wijzen heeft, is de beheerser van vele dingen. Ik zou zeggen: Wie in zich het besef heeft gevonden van deze evenwichtigheid, waarbij de positie van het ‘ik’ ten aanzien van positief en negatief verplaatsbaar wordt, is eveneens meester over zeer vele dingen. Wat de kabbalist heeft geprobeerd uit te drukken met het opsommen in een of ander bekend werk van alle namen, functies en koren van hemelgeesten en hellegeesten, is eigenlijk niets anders dan het omschrijven van positieve en negatieve waarden. Maar die positieve en negatieve waarden zijn gesteld als algemeen geldend; en dan zijn ze niet bruikbaar. Het resultaat is, dat zelfs de kabbalistische magie, die heel vaak ook van talismans e.d. gebruikt maakt, eigenlijk geen rekening meer houdt, vreemd genoeg, met de krachten op zichzelf en hun betekenis in de hiërarchie, maar alleen met het evenwicht dat zij kunnen uitdrukken. De macht wordt niet ontleend am het woord of de naam zelf, maar aan de associatieve mogelijkheden daarmee verbonden. En bij die associatie is altijd het tegendeel inbegrepen. Op deze manier heeft men zelfs in de magie al bereikt, dat dit evenwicht met een verplaatsbaar punt voor het ‘ik’ ‑ zelfs t.a.v. de wereld ‑ werd bereikt.
Nu vraag ik mij alleen nog af, waarom de kabbalist dan niet eerlijk is? En als hij de magie als heel belangrijk beschouwt ‑ en velen doen dat ‑ waarom hij dan niet een stap verder gaat en zegt: Dan is mijn totale opbouw van de kosmos alleen maar een persoonlijk oriëntatiemiddel zonder een feitelijke betekenis. Ik kan niet zeggen, dat ik alleen voor het goede of voor het kwade kies. Ik kies voortdurend voor een verhouding tussen elementen, die voor mij goed en kwaad zijn. Op deze manier zou hij veel gemakkelijker werken; ook de magiër.
In de magie krijgen we te maken met allerhande wonderlijke spreuken. Wij behoeven nu niet met niet‑bestaande boeken als de z.g. Economicon(?) te gaan werken. Maar als wij gewoon gaan kijken naar b.v. de Grand Albert (de schrijver is Albert Magnus), dan vinden wij daarin een aantal spreuken en allerlei onbegrijpelijke namen en woorden. Je vraagt je wel eens af, of zo iemand die namen en woorden zo onbegrijpelijk heeft gemaakt om ze gemakkelijker te kunnen toepassen. Want hoe minder er een concrete voorstelling aan verbonden is, hoe algemener de uitdrukking kan worden gebruikt om voor het ‘ik’ een zekere fixatie volgens eigen wezen tot stand te brengen.
In ieder geval, al die namen die wij daar hebben, zijn eigenlijk ook weer symbolen; dingen, die wij gebruiken om ons te oriënteren. Ben ik zover gekomen, dan moet ik een stap verder gaan en kom ik toch bij de gnostici terecht.
In de Gnosis wordt eveneens gezocht naar een evenwicht. Bij de christenen speelt de Christus daarbij natuurlijk een zeer grote rol. Maar als je de zaak op de keper beschouwt, dan gaat het hier om een evenwicht. Jezus is niet zonder meer de verlosser, hij is de verschaffer van evenwicht. Het Koninkrijk Gods is niet een gebied of zelfs maar een toestand, die ook buiten het ‘ik’ bestaat. Het Koninkrijk Gods wordt bij vele gnostici eigenlijk een toestand van erkenning in jezelf t.a.v. jezelf.
De situatie, zoals zij die uitbeelden, is voor uw wereld waarschijnlijk gemakkelijker aanvaardbaar dan alles wat ik tot nu toe heb gezegd. Want er zijn altijd weer mensen, die in verzet komen, omdat je zegt: Mensen, jullie hele wereldbeoordeling is eigenlijk krankzinnig. De manier waarop je voor jezelf uitmaakt wat goed en wat kwaad is, is krankzinnig. Het denkbeeld, dat je jezelf beter kunt maken, is eigenlijk krankzinnig. Vooral tegen dit laatste komen ze in opstand.
De mensen hebben veel moeite gedaan om bewuster en beter te worden en als ze dan horen dat dat niet kan, worden ze nijdig. Maar het kan wel, indien je nl. niet zoekt naar een eenzijdige ontwikkeling maar naar de bereiking van een innerlijk evenwicht. Want dat vergroot de beheersbaarheid en dat is de eni­ge verbetering en enige bewustwording, die stoffelijk en geestelijk gezien van onmiddellijk belang is.
Wij zouden dus van die gnostici wel een paar regeltjes kunnen leren. Ik ontdoe ze maar van de symboliek, anders moet ik met allerlei dieren gaan werken, die als symbolen worden gebruikt. Ik zeg het maar in klare taal.
“Wat ik in mij als evenwichtig erken, is het middel om mijn werkelijke wil te uiten in elke wereld.”
(Ze wordt niet eens beperkt tot de wereld waarin je leeft, neen, het werkt in elke wereld.)
“De verbondenheid met het geheel, die ik ervaar, kan slechts worden uitgedrukt middels mijn innerlijk bereikt evenwicht, zodat ik ‑ evenwichtig zijnde ‑ deel heb aan de totaliteit.”
“De Christus in mij is de evenwichtigheid, waardoor ik ‑ deel hebbend aan het totaal ‑ tot een besef van de kracht kom, die in het totaal bestaat.”
Verder kunnen wij bij enkele minder bekende geschriften aanhaken, zoals b.v. die van Augustinus:
“God is eigenlijk voor mij de kracht, waarin ik erken.” Maar hij zegt ergens anders weer:
“God is de kracht, die mij in stand houdt.” Dus in feite: die ik ben. Wereld en ik als eenheid.
Dan vinden wij bij enkele van de vroege gnostici (ong. 400 na Chr.) het volgende:
“Al wat in de wereld aan verschijnselen optreedt, is een verstoring van het evenwicht. Indien ik in mijzelf de vrede tot heerser van het verstoorde evenwicht maak, zal het verstoorde evenwicht worden gefixeerd in elke ervaring of verhouding, die voor mij noodzakelijk is.”
Nu is er een vorige maal over magie gesproken. Men heeft het ook over bezweringen gehad. Nu moet u eens dit onthouden:
Wanneer ik innerlijk evenwichtig ben en in mij een punt van vrede of rust kan vinden, dan kan ik van daaruit elke daad en elk woord elke betekenis geven. Deze betekenis geldt niet alleen voor mij maar voor de gehele wereld, voor zo­ver ik die kan erkennen; dus waarvan ik bewust deel ben. Dan is elke handeling een magisch instrument, als ik haar vanuit een innerlijke rust als zodanig ge­bruik. Dan is elke ontwikkeling, die plaatsvindt, een middel om evenwicht te be­reiken. Er is dus nooit een absolute slavernij. U bent altijd in staat om mees­ter te zijn.
Een punt, dat ook bij die vroege gnostici naar voren komt, is het denkbeeld dat uit een veelheid van variaties op den duur een veelheid van gelijkheden ontstaat.
Naarmate ‑ zeggen zij ‑ de verschillen minder worden, zullen de aantallen toenemen. Maar als de verschillen tot evenwicht worden gebracht of de aantallen tot eenheid, dan vindt de volledige openbaring van wat zij ‘de Christus’ noemen plaats.
Dat is ook weer aardig om er eens over na te denken. We hebben dus geen verschillen nodig, maar we kunnen wel werken met aantallen of massa’s. Indien ik met die massa te maken heb en ik kan mij daarmee één voelen – al is het maar voor een kort ogenblik ‑ dan ontstaat er macht. Die macht kan door mijn wil of voorstellingsvermogen gericht en gebruikt worden. (Een van de vele verklaringen voor wonderen en verschijningen, zoals in Fatima, Lourdes e.d., maar ook voor andere wonderlijke gebeurtenissen, die door de massa of door een deel‑zijn van de massa, worden bereikt.)
Als wij zelf eens proberen te ontkomen aan de verstoring van evenwicht, dan moeten wij dus ook komen tot die esoterische erkenning, welke wij nodig hebben. Dan komen wij tot het werkelijk Arcanum, dat achter de kabbalistiek is verborgen, nl. de grote werkelijkheid Gods, de Persoonlijkheid Gods. Dan kunnen wij de alchemistische Arcana oplossen, omdat voor ons heelal of zon of planeet allemaal één en dezelfde kracht is gespiegeld in verschillende vormen. Wij kunnen dus vanuit elk standpunt op deze manier werken. Wat in het idee van de gnosis een rol speelt, is het verzamelen van b.v. erkenning (niet alleen kennis) om een evenwicht te vormen.
Een zeer belangrijke factor is de manier van leren. Je mag je nooit bepalen tot één ding alleen. Je moet altijd een aantal facetten van een bepaald iets bestuderen op zo’n manier, dat je het één met het ander kunt opheffen. Ze zeggen dat, indien je leert intenser na te denken en je af te zonderen, dan moet je ook leren je intenser met de mens bezig te houden. Wanneer je intenser werkt, moet je ook intenser leren spelen. Eén van de redenen waarschijnlijk waarom ze niet erg welkom zijn geweest in de christelijke gemeenschap, vooral toen daar arbeid en handel de boventoon gingen voeren.
Uit deze denkbeelden van de gnostici ontstaat als vanzelf het beeld van een wereld, die evenwichtig is. En alles wat je kunt vertellen over de harmonische tendensen, over de stralingen en de inwerkingen van sferen, is eigenlijk ook weer hiertoe te herleiden. Alles is ergens evenwichtig, overal moet er een evenwicht mogelijk zijn.
Voor de gnosticus gaat het er niet om het aspect op zichzelf te erkennen, maar om het aspect plus zijn tegendeel zo te groeperen, dat hij zelf het rustpunt is. De mens kan de as zijn waar het Al om draait, maar dan moet hij in de eerste plaats tot rust komen. Zolang de mens wordt bewogen door de wereld, is hij slaaf van de wereld. Op het ogenblik, dat de mens – en dat is zijn innerlijke bereiking ‑ zich zozeer tot rust weet te brengen zonder de werkelijkheid terzijde te stellen, maar gewoon te aanvaarden, rustig en kalm te zijn, geen strijd, geen angst en geen begeren kent, dan wordt hij zelf het stilstaande punt waaromheen de wereld zich beweegt. Hij krijgt dan een beheersende functie. Het lijkt alsof dit een pleidooi is voor hoogmoed: Mens, je kunt zoveel. Ik geloof eerder, dat het een aanleiding is voor vele mensen om nederig te zijn. Mens, er is zoveel mogelijk en hoe weinig bereik je slechts.
Degene, die wil uitgaan van de al‑beheersende krachten boven ons, laat hij zich dan maar houden aan een hemel met Tronen en Heerschappijen, met Aarts‑engelen en Engelen, met functieverdeling en al wat erbij behoort. Misschien dat hij daarin een spelletje kan spelen met macht, die hij tegenover macht stelt. Maar als het er op aan komt, kun je God niet omkopen door de duivel te vermijden; en kun je de duivel niet omkopen door te wijzen op Gods wil. Zolang je met een gepersonifieerde strijd in het hele Al te maken hebt in je voorstellingswereld, zul je daarvan het slachtoffer worden.
De schakel, die je hebt om goed en kwaad bijeen te houden, zoals die kermisman, waarover ik het in het begin had, is niet reëel. En dat betekent dat, indien de spanningen van wat wij goed en kwaad noemen, te groot worden en wij deze zien niet als bewogen vanuit onszelf, maar zelfstandig bewegend, wij erdoor worden verscheurd. Wij worden gewoon uiteengescheurd. Wij kunnen de zaak niet aanvaarden. Maar op het ogenblik dat wij beseffen dat wij zelf deze krachten bewegen, kunnen wij misschien hetzelfde nummer nog steeds opvoeren, maar dan zijn wij het die bepalen hoever de spanningen gaan.
Dan zal er voor ons misschien altijd wel ‑ zeker als mens en als geest toch wel waarschijnlijk ‑ een wereld bestaan, waarin goed en kwaad ergens begrenzingen zijn. Maar het zijn nu geen reële begrenzingen. Het zijn gewoon de uitingen van onze eigen kracht, die wij meten door ze volgens onze wil te beproeven. En als u nu denkt dat dit heel dicht bij de satanische trots komt, dan wil ik besluiten met een citaatje van een christelijke gnosticus uit ongeveer 600. Deze zei dit:
“God heeft mij geschapen, zo wordt mij geleerd, naar Zijn beeld en gelijkenis. Zo representeer ik de Godheid. Maar als ik de Godheid representeer, zondig ik, indien ik in mijn nederigheid het goddelijk recht, in mij gelegd, niet durf uiten in de wereld.
Slechts hij, die beantwoordt aan de mogelijkheden, die zijn God in hem heeft gelegd, is verantwoordelijk tegenover die God en tegenover zichzelf.”

Ali Baba en de 40 rovers

(Esoterisch beschouwd.)

Er zijn in de sprookjeswereld heel veel eigenaardige facetten, die wij misschien esoterisch ook wel kunnen gebruiken. Eén van de vreemde dingen in het sprookje van Ali Baba is het wachtwoord.
Er is een berg. Er is geen opening, je staat eenvoudig voor een muur. Er is niets. Maar als je het wachtwoord weet, kun je naar binnen en vind je een grot vol schatten. Een wachtwoord is er nodig. Hoe je dat wachtwoord precies bekijkt, of dat nu een “Sesam, open u” moet zijn of een ander woord, is niet zo belangrijk.
Wij hebben allemaal kernbegrippen en die kun je soms vocaliseren. Het heeft niet eens een volledige betekenis, maar het wekt spanning in je op; en die spanning maakt het mogelijk om te ontdekken wat er allemaal aan rijke mogelijkheden in jezelf bestaat. Maar als je wordt overweldigd door die mogelijkheden, dan kom je niet meer terug naar de werkelijkheid, zoals de broer (of was het een andere relatie) van Ali Baba, die toen hij ontdekt had dat de arme Ali goud had gemeten met een schepel, ook daarheen wilde gaan. En omdat hij het wachtwoord niet meer kende (hij was uit zuiver begeerte alles vergeten), kon hij niet meer op tijd uit de grot wegkomen.
Wanneer wij overweldigd worden door de mogelijkheden die er in ons liggen, is het duidelijk dat wij er niets mee kunnen doen. Wij zitten er in en de tegenstelling van de mogelijkheden (de negatieve mogelijkheden die wij ook bezitten) dringen dan op een gegeven ogenblik zo sterk op ons aan, dat wij het slachtoffer zijn en wij zeer waarschijnlijk, zoals in dit sprookje de broer, worden onthoofd.
Maar wat zien wij van de ezeldrijver Ali Baba? Hij gaat naar binnen en neemt iets mee, net niet teveel. Een klein beetje van je innerlijke mogelijkheden, die je dan op zo’n ogenblik beseft, kun je meenemen. Dat kun je onthouden, daarmee kun je iets doen. Zo zien wij dat deze Ali tot welstand komt. Maar die welstand is op zichzelf een beperkt iets. Je kunt nooit helemaal boven je stand uitkomen.
Dat is geestelijk precies hetzelfde. In je bestaan heb je een zekere karmische beperking. Je zit in de wereld, die je een beperking oplegt en indien je met je mogelijkheden teveel zou doen, zou je in conflict komen met de wereld. Dan krijg je ook weer allerlei onaangename situaties, die overigens later in het sprookje verwerkt zijn, wanneer de broer eenmaal is betrapt en men op zoek gaat naar de man, die het geheim ook nog kent.
Zolang je je mogelijkheden met een zekere matigheid neemt en daarbij binnen het kader blijft dat je door je leven, door je karma is gesteld, dan kun je er heel veel mee doen; en wat meer is: je kunt a.h.w. een zekere luxe verkrijgen. Nu is esoterisch luxe natuurlijk iets anders dan een huis met een mooie binnenplaats, fontein, een slavinnetje en de rest. Maar aan de andere kant zit er toch ook weer een zekere gelijkenis in.
Wij hebben kracht nodig. Zeg, dat de fontein kracht is. Indien wij innerlijk kracht willen hebben, kunnen wij die uit onze mogelijkheden realiseren. Indien wij behoefte hebben aan bescherming, aan zekerheid, dan kunnen wij die vinden juist doordat we iets van onze eigen mogelijkheden omzetten in zekerheden. Zekerheden van onze eigen wereld. En zelfs wanneer wij de diensten nodig zouden hebben van een slaaf of een slavin – esoterisch gezien ‑ dan zouden wij kunnen zeggen: Wij kunnen onze mogelijkheden in zoverre realiseren dat wij iets terug kunnen brengen, b.v. uit de slaapperiode, waarin sommige mensen uittreden en lering krijgen. Je zou die dingen kunnen realiseren in je dagelijks leven. Je zou gediend kunnen worden in de dagelijkse praktijk door de innerlijke waarden, die je bewust eigenlijk haast niet beseft.
U ziet, Ali Baba is nog niet zo’n vreemd onderwerp, als u misschien zoudt denken, zodra we de esoterische toer opgaan. Wat blijkt er nu verder?
De rovers willen Ali Baba vinden. En als ze er eindelijk achter komen waar hij woont, zetten ze met krijt een kruis op het huis. Nu wordt het sprook­je erg onlogisch. Want er is iemand, die dat huis heeft gevonden. Waarom zou hij het niet kunnen terugvinden?
De verdediging van Ali Baba is een zeer vreemde. Hij zet op alle andere huizen ook een kruis en wordt daardoor voor de macht van de rovers die, vergeleken met wat hij zelf kan opbrengen, wel zeer groot is, beschermd. Misschien zou je kunnen zeggen: Als ik in mij bepaalde krachten en waarden ontdek, dan word ik daardoor op een gegeven moment gekentekend voor de wereld en de krachten en machten, welke in die wereld aanwezig zijn. Zolang ik nu exclusief wil blijven, zal ik het mikpunt kunnen zijn van elke tegenkracht, die er maar aanwezig is. Maar als ik mijn kracht en mogelijkheden ga delen met de wereld, dan is er geen punt meer waarop kan worden gericht.
En dan wordt het wel heel duidelijk, want in het sprookje heeft het alleen zin in te grijpen, indien men de werkelijke rijkaard, de kenner van het geheime woord, kan vinden.
Wanneer het goede algemeen is verbreid of als een idee algemeen is geworden, heeft het geen zin het geheel aan te vallen. Men moet bet bij de bron aanvallen, anders is elke aanval tevergeefs en krijgt men alleen maar weerstand. En dat is geestelijk eigenlijk nog meer waar dan in de stof. Willen wij dus ontkomen aan de kenmerking van onze innerlijke bereiking en wat eraan vast zit, dan moeten wij proberen die met anderen te delen.
Iemand, die een geestelijke waarheid heeft gevonden en die heel exclusief wil houden, zal altijd vanuit de wereld tegenstand ondervinden en daardoor ook niet meer in staat zijn met zijn eigen waarheden te werken zoals hij zou willen; het wordt een beperking. Maar op het ogenblik dat Ali Baba – geholpen door het slavinnetje, dat we als een soort innerlijke wijsheid, een soort precognitie zelfs zouden kunnen beschouwen ‑ zijn kracht uitbreidt en het teken overal verbreid, is hij weer onaantastbaar geworden; en dit gebeurt verscheidene malen. Totdat de rovers toch nog doordringen. En dan zien wij weer een eigenaardig verschijnsel.
De hoofdman weet als gast binnen te komen. De grootste tegenstand voor onze innerlijke bewustwording komt altijd op een heel prettige manier als gast bij ons binnen. Het gevaar schuilt helemaal niet in die man, maar in hetgeen hij meebrengt. En wat hij meebrengt, lijken geschenken. Iemand komt en geeft ons een hoop wijsheden, maar wij kunnen er eigenlijk niets mee doen. Wij zetten zo voorlopig maar als reserve neer. Later zullen ze wel eens wat opleveren.
Die wijsheden verbergen echter de antithese tot al hetgeen wij hebben bereikt. En daar zijn wij niet meer tegen opgewassen, zodra dat binnen onze bescherming is doorgedrongen. Zo is Ali Baba heel erg gelukkig dat hij zijn slavin heeft.
De mens, die innerlijk bewust wordt, heeft zijn intuïtie, zijn gevoeligheden. Hij heeft misschien ook een zekere kennis, die hij elders heeft opgedaan en die hij niet helemaal kan terugbrengen. En zonder dat hij weet dat die dingen voor hem werken, werken ze voor hem.
Als u uw intuïtie een zekere vrijheid geeft, dan kunt u daarmee een beetje opscheppen. Dat doet Ali Baba eigenlijk ook. Hij laat zijn slavinnetje voor zich dansen om zijn gastheer te amuseren en om te laten zien hoe goed alles is. Maar het is het slavinnetje zelf (de intuïtie), die het heeft opgezet.
Wat gebeurt er nu? Kokende olie in de olievaten. Daarin zit een symboliek, die de meeste sprookjeslezers ook weer niet begrijpen. Waarom kokende olie? Omdat de wijsheid, die ons wordt gebracht, ergens altijd een element van wijsheid bevat, dat wij kunnen gebruiken om de tegenstrijdigheden met onszelf uit te roeien. Doordat de slavin de olie neemt, haar verwarmt en al wat daar nog bij komt, neemt ze a.h.w. de kracht en het kapitaal, dat door de roverhoofdman wordt gerepresenteerd. En als de olie warm is geworden, is daaraan een element toegevoegd, het element van het huis, de warmte.
Als ik wijsheden krijg, waarmee ik niets kan doen, dan is er ergens toch wel een wijsheid, waarmee ik wel iets kan doen. Die wijsheid moet ik bezielen, moet ik kracht geven door haar van mij uit tot leven te brengen. En als ik eenmaal het gevoel heb dat mijn kracht leeft in die wijsheid, dan pas ik haar doodgewoon toe op alle andere wijsheden. Wat er dan aan tegenstrijdigs in zit, wordt door die kracht a.h.w. uitgeroeid. Ik assimileer het vreemde in mijn wezen, maar dood gelijktijdig hetgeen mij vijandig is. Een soort inoculatieproces eigenlijk. Dat had u waarschijnlijk nooit achter het sprookje van Ali Baba gezocht.
Nu was Ali natuurlijk geen esotericus, hoogstens een voorzichtig practicus. Maar ook de roverhoofdman heeft ons nog wel enkele dingen te vertellen. Eén ervan is misschien wel de aardigste les, die je uit sommige sprookjes kunt halen. De roverhoofdman kan geen vrede hebben met in verhouding een zeer klein verlies en verliest daardoor alles.
Wij hebben ook wel eens het gevoel, dat wij belangrijke of kostbare dingen hebben en raken er iets van kwijt. Ergens een kleine zekerheid misschien. Er komt een twijfel op, of wij hebben het gevoel dat we niet verder komen, dat iemand ons tegenhoudt en dan worden wij nijdig. Wij nemen het niet. We kijken niet naar alles wat wij nog wel kunnen doen, wat we wel hebben, maar wij kijken alleen naar hetgeen wij niet hebben. Hierdoor concentreren wij ons op het negatieve. Alle schatten en mogelijkheden, die wij hebben, worden dan nutteloos voor ons. Alle kracht, die wij bezitten, wordt op de duur gedood, totdat wij overblijven als de eenling (de roverhoofdman), die dan wegvlucht en die overigens later nog eens probeert wraak te nemen.
Hier geldt voor de esotericus misschien wel het volgende: U heeft soms het idee, dat andere mensen u in uw esoterische bewustwording belemmeren. Als u daar nu teveel de aandacht op vestigt, dan wordt elke esoterische mogelijkheid u ontnomen. Maar op het ogenblik dat u met dat betrekkelijk kleine verlies genoegen kunt nemen, blijven alle andere mogelijkheden nog over. U zult misschien zo nu en dan wat verliezen (een beetje kracht, een beetje tijd), maar wat er over blijft, is de werkelijke kostbaarheid: een aantal mogelijkheden, waaruit u voortdurend kunt putten, indien dat nodig is.
Dan zijn er natuurlijk nog meer lessen, die je zou kunnen leren. Er zijn mensen, die erg gesteld zijn op bezit. U zult zeggen: Dat is esoterisch niet mogelijk. Dat had u gedacht. Er zijn esoterici, die niets liever verlangen dan een voortdurend hogere esoterische wijsheid exclusief de hunne te kunnen noemen. Als je met dergelijke mensen te maken krijgt en je bent geneigd om één van hun argumenten te gebruiken om even je eigen wijsheid of mogelijkheden af te meten, dan gaat het misschien één keer goed, maar de tweede keer krijgen ze het in de gaten en gaan ze proberen je je mogelijkheden te ontnemen.
Het is een gevoel van meerwaardigheid, dat we overal aantreffen. Er zijn mensen, die eigenlijk esoterisch helemaal niet zo bijzonder geïnteresseerd zijn, maar die ‑ laten we zeggen ‑ opper‑grootmeester van de grote Draak of iets dergelijks zouden willen zijn; die een titel willen hebben alleen maar om meer te zijn dan een ander. Zodra je esoterie wilt gebruiken om meer te zijn dan een ander is het geen esoterie meer, dan is het dwaasheid. En als je met dwazen te maken krijgt als esotericus, is het verstandig om je kracht wel te richten, maar die alsjeblieft niet teveel te formuleren, want door de formulering geef je de ander het idee van: daar is iets te halen, of: daar bedreigt iemand mijn gevoel van meerwaardigheid.
Heel veel mensen denken dat nederigheid is: jezelf wegcijferen zonder meer. Maar ze vergeten één ding: dat het soms beter is jezelf weg te cijferen door anderen de waan van meerwaardigheid te laten. En daar hebben we weer een heel mooie les geleerd, die in het sprookje zelf niet zo heel erg tot haar recht komt, maar die toch wel duidelijk maakt dat elk onderwerp dat je neemt ‑ of dat nu een sprookje is, een verhaal, desnoods een krantenbericht – je kan helpen om de esoterische samenhangen van het leven en van je eigen bestaan te overzien.
Indien Ali Baba was weggevlucht voor het gevaar, zou hij nooit hebben geweten wat het wachtwoord was en was hij altijd ezeldrijver gebleven. En indien Ali Baba een held was geweest en hij had het kwaad onmiddellijk aangevlogen, dan was hij waarschijnlijk na enige tijd een heilige geweest ergens tussen de houri’s, rustend onder de bomen aan een vliedende beek vol verfrissende drank.
Maar Ali Baba was niet te bang, hij was ook niet te moedig. Hij durfde te wachten.
Verberg je en wacht. Als je niet weet wat het leven brengt, als je niet weet wat de werkelijke inhoud en betekenis van b.v. een krantenartikel is en je hebt het gevoel: daar moet toch iets meer in zitten, wacht dan. Dan hoor je ergens wel een opmerking of je ziet een commentaar of je krijgt een associatie, waardoor je ineens beseft: dát is het wachtwoord, dát is de betekenis. En dan kun je doordringen tot de essentie.
Als u een verklaring van de een of andere staatsman leest, dan zult u het met mij eens zijn dat hij heel veel zegt, maar dat zijn verklaring meestal niets zegt. Tenminste voor iemand, die niet kan begrijpen wat er in zit. Maar als u nu geduld heeft en u houdt zo’n rede in gedachten, dan hoort u na een paar dagen misschien een uitdrukking, waarvan u denkt: als ik dat er nu eens op toepas, dan is dat de sleutel; en dan ziet u wat die staatsman bedoelt. Op die manier kun je in de krant vaak heel veel meer lezen dan er in staat. Ja, je kunt er zelfs soms de waarheid in lezen. En dat is heel veel gezegd. Maar als dat met een krant mogelijk is, dan moet het overal mogelijk zijn. Als ik met een geloof word geconfronteerd en ik ga dat geloof te lijf, ik zie daarin b.v. een bedreiging van geestelijke vrijheid, dan bereik ik niets. Ik word hoogstens zelf het slachtoffer van mijn bestrijding. Zeg ik; “Dat is niets voor mij.” dan zal ik nooit de sleutel vinden, dat geheim, de mogelijkheid, die er misschien in zit. Maar indien ik durf te wachten, rustig beschouwend af te wachten totdat ik voel: dat idee van die godsdienst of van die filosofie zou ik zó moeten beschouwen, dan heb ik vaak een sleutel; en dan blijkt dat voor mij die religie niet hetzelfde betekent als voor de gelovigen (per slot van rekening betekende de grot voor de rovers ook niet hetzelfde als voor Ali Baba), maar dat ik dus ineens mogelijkheden ga zien. Ook dingen voor mijzelf, waarmee ik iets kan doen, waarmee ik kan werken.
Dat kan met elke filosofie, dat kan met elke grap zo zijn. Overal ligt de rijkdom voor het oprapen. Rijkdom, die je in jezelf kunt verwerken, waarmee je voor jezelf zekerheden kunt bouwen, waarmee je voor jezelf een bron van kracht kunt vinden. Mogelijkheden zelfs om vanuit jezelf voor anderen te werken. Ali Baba wordt, omdat hij goed was voor de armen, zeer gewaardeerd. Dat vertelt het verhaal ons ook nog.
Kortom, je kunt alles bereiken, maar je moet ‑ indien je toevallig ergens tegenaan loopt ‑ durven wachten. Wees er desnoods wat bang voor, maar loop niet weg. Probeer nooit direct aan te vallen, je kunt dat niet. Dat geldt voor de maatschappij, maar net zo goed voor iets wat je in jezelf ontdekt. In jezelf heb je ook dingen, die je niet begrijpt; van die raadsels, die je meestal pleegt weg te praten, je vlucht ervoor weg. Of die je te lijf gaat met ijzeren wet als zelfbeheersing en “dit is niet gepast” en “ik ben zondig”. In alle gevallen bereik je niets.
Als je zo’n raadsel in jezelf ontmoet, kijk er eens naar. Bekijk gewoon die vreemde eigenschap, die vreemde kronkel in je hersens of in je reacties. Vraag je dan eens af wat dat zou kunnen betekenen. En op een gegeven ogenblik klinkt het slot. Dan heb je de sleutel gevonden en blijkt heel vaak, dat iets wat verwerpelijk leek opeens vol flonkerende mogelijkheden, vol geestelijke kracht en magische beheersing te zitten.
Het sprookje vertelt ons enorm veel en misschien is ook één van de punten, waaraan wij aandacht mogen wijden: Ali Baba ging steeds met één ezel; dat was zijn eigen ezel. Een mens kan zijn eigen ezelachtigheden vaak gebruiken om zijn mogelijkheden te dragen, totdat hij tijd heeft ze te realiseren.
De broer echter ging direct met tien ezels. Kijk eens, als u dus meer ezels meeneemt dan uzelf, gaat het verkeerd. Maar als u esoterisch het een en ander bekeken hebt en u heeft het gevoel: er zijn grote mogelijkheden te vinden, u weet het wachtwoord en u verzamelt een groepje om u heen om dat nu eens fijn samen te gaan opknappen, weet u wat er dan gebeurt? Er gaat een stel ezels mee op pad. Want degene, die geen ezel is, zal begrijpen dat, vooral wat innerlijke waarde betreft, hij is aangewezen op zichzelf; dat hij zijn eigen wachtwoord, zijn eigen geheime grotten moet vinden. Maar als ze met u mee draven, dan staan zij buiten te wachten tot u terugkomt met de schatten, die u hun belooft heeft. En ondertussen loopt u zich af te vragen wat het wachtwoord ook weer was en u noemt de hele plantenwereld op zonder te denken aan dat ene woordje ‘sesam’, dat voldoende zou zijn.
Dat is dus ook iets om rekening mee te houden. Je kunt esoterie eigenlijk nooit voor anderen of met anderen samen bedrijven. Je kunt de stimuli daartoe vinden in besprekingen e.d. met anderen, maar het feitelijke werk, de feitelijke bereiking is je eigen zaak. Als je dat zelf doet, ook bewust zelf doet, desnoods voor anderen, dan heb je ook altijd weer de kans nieuwe mogelijkheden te vinden. Dan vind je nieuwe bereiking, nieuwe kracht, nieuw inzicht. Ga je er met anderen gezamenlijk op af, dan zou je voor eenieder alle mogelijkheden willen meenemen en voordat je die hebt uitgezocht, ben je vergeten hoe je moet terugkeren naar de werkelijkheid.
Menigeen, die in zich grote wijsheid bezat, wilde met alle geweld leider worden van anderen en liep vast in zijn eigen droomwereld. Ook dat vertelt het sprookje ons. Als ik hier dus moet spreken over de esoterische achtergronden van Ali Baba en de 40 rovers, dan kan ik alleen maar zeggen: het zit er vol van.
Esoterische wijsheid en esoterische waarheid doen mij vaak denken aan mieren bij een picknick. Op de meest onmogelijke en vaak ergerlijke plaatsen vind je nieuwe wijsheid, de nieuwe weg en de nieuwe mogelijkheden. Maar aangezien de mens meestal in de consumptie van het leven verdiept is, is hij voortdurend aan het wapperen en verjagen om deze hinderlijke wijsheid te verliezen. Nu wil ik u geen van allen tot miereneters maken, maar ik zou u toch wel willen aanraden om overal, op elk punt en elk terrein die sleutel, die kleine wijsheid, die kleine stimulans te verwachten, waardoor u verder kunt komen. En net als Ali Baba, in het begin bent u misschien erg enthousiast; en dat brengt tegenslagen met zich. Zodra u echter beheerster wordt en weet dat innerlijk werk uw eigen zaak is, dan kunt u het er best van nemen.
Mag ik hopen dat dit voor eenieder, die kennis neemt van dit onderwerp, in korte tijd een reële mogelijkheid zal worden?