Dodensteden

image_pdf

28 juni 1963

Allereerst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp van heden heeft de titel: Dodensteden

In het verleden waren steeds weer gehele plaatsen aan de doden gewijd. De graven en tempels vormden vaak gehele steden, die aan de helden, koningen en priesters gewijd waren die het leven verlaten hadden. Een bekend voorbeeld van een dergelijke dodenstad is wel het dal van de koningsgraven in Egypte. Ook elders treffen wij echter dergelijke complexen aan. Zo is er in Indië een stad van godentempels, die nog heden door de Parsi gebruikt worden. Verborgen in de bossen vinden wij in Indonesië en elders steden, die aan de geesten gewijd zijn. In Afrika vinden wij, vaak op een eiland of alleen over water te bereiken, grotten en grafdorpen, waar de groten van meerdere stammen werden ondergebracht, geesten kunnen volgens het volksgeloof niet over water gaan.

Dergelijke plaatsen geven ons een typisch beeld van de wijze, waarop de mens over de dood denkt, geven ons inzicht in de kernwaarden van zijn geloof. De Egyptenaar meent bv., dat de menselijke geest op aarde een pied-à-terre moet behouden na de dood. Ba en Ka verlaten het lichaam wel, maar zij moeten ergens een vorm, een contactpunt hebben, waar zij ook op aarde kunnen wonen. Om voort te kunnen leven in een hiernamaals is het noodzakelijk, dat de mens ook op aarde voortbestaat. Zo worden de lijken gebalsemd, worden gedenktekens en vooral beelden opgericht. Zelfs de armsten laten hun lijken verduurzamen in een oplossing van natronloog en asfalt, zodat hun dor, ebbenhout, lijkende lichamen weg kunnen worden gestapeld in de goedkope massagraven, die door de priesters van de dood in hun dodensteden gereserveerd worden voor hen, die slechts weinig kunnen betalen.

Steeds weer blijkt, dat de mens geen afstand kan doen van de wereld, dat hij het bestaan op aarde ook na de dood wenst voort te zetten. Daarom tracht hij op vele verschillende wijzen zijn geliefde doden een durend deelhebben aan het leven te schenken. Hij balsemt hun lichamen, bewaart hun as in urnen, of strooit ze uit over de wateren, die voor hem een werelds beeld van de eeuwigheid vormen. Hij bouwt voor zich en zijn geliefden grootse graftekens – als bv. het Mausoleum, dat lange tijd één van de wereldwonderen was – opdat ook na de dood het Ik over paleizen zal beschikken, en vervaardigt vele grote beelden, opdat de geesten van de voorvaderen daarin op aarde kunnen rusten, zo hen dit belieft. De geliefden geeft hij op hun reis naar de eeuwigheid vele gaven mee. Soms verbrandt men zelfs nog na lange tijd gebruiksvoorwerpen, plaatst hij jarenlang spijzen bij de graven. Wie sterft, neemt vaak met zich mee naar de andere wereld een stoet van slaven, dieren, vrienden, opdat hij niet eenzaam zal zijn.

Nu weten wij allen dat sterven niets te maken heeft met een verder gebonden zijn, of voortleven op aarde. Maar de mensen, die daarin wel geloven, bouwen steden voor de doden, opdat de zielen zullen kunnen rusten en vandaar op zullen kunnen stijgen naar de onbekende wereld van de doden. Wie zo denkt tijdens zijn leven, zal wel degelijk alle voorstellingen daarmede verwant ook in zich dragen bij de overgang.
Een mens die in deze dagen niet aan een voortbestaan na de dood gelooft, zal misschien na de overgang langere tijd ronddolen tussen de wereld van de mensen en de werkelijke sferen. Toch zal hij minder moeite hebben met het aanvaarden van zijn voortbestaan dan bv. een Egyptisch misdadiger, die, als hoogste straf, in de Nijl werd gegooid als voedsel voor de krokodillen, of een Indiër, die de rituele verbranding werd ontzegd, terwijl zijn lichaam aan de dieren op het veld als prooi werd gegeven, of de misdadiger, wiens hoofd niet mocht rusten bij zijn lichaam. Deze dachten, dat zij geheel teniet zouden gaan en konden een voortbestaan alleen maar zien als een oneindige prolongatie van het moment van sterven, waarbij een afstand doen van de zich steeds herhalende kwellingen tevens betekende: uitgeblust worden voor eeuwig.

De versieringen en beeldhouwwerken, die wij in de steden van de doden vinden, geven ons een nader inzicht in de voorstellingen, die men had van het voortbestaan. Meestal meende men, door handigheden en magie een gelukkig leven te kunnen verwerven, onafhankelijk van de wijze, waarop men op aarde geleefd had. De dodenboeken van vele volkeren, maar ook de eerste geschriften en overleveringen van de hermetische wetenschappen maken duidelijk, dat de mens meende de dood te kunnen overwinnen, maar dat zonder bijzondere kennis en plechtigheden de mens voorgoed uitgeblust zou worden.
Hoezeer stoffelijke waarden bepalend werden geacht voor alle mogelijkheden in de wereld van het hiernamaals, werd wel bijzonder duidelijk vastgelegd in de grafschriften van vorsten en helden. In Egypte vinden wij bv. opsommingen van alle overwinningen en belangrijke daden van de dode op de wanden van de graven, waarbij de cartouche, het naamzegel, steeds weer terugkeert. De dode kan zich hierop beroepen bij de eeuwige rechters, de vorsten van de dodenwereld. Zijn grafschrift geldt daarbij als bewijsstuk, zodat daarin de nodige overdrijvingen en leugens voorkomen.

Opvallend is verder, dat dergelijke graven steeds op zeer bepaalde plaatsen werden aangelegd, welke door de priesters en wijzen met veel zorg werden uitgezocht, ofwel in de ogen van de mensen bijzonder heilig waren. Ook in Nederland vinden wij dergelijke grafsteden uit de oudheid: de koepelgrafbouwers bouwden ruime graven, waarin de vorst of een belangrijk man met zijn gevolg en lievelingsdieren werd begraven. Steeds weer vinden wij meerdere graven bijeen. Vaak treft men de resten van 5, 8, 10, ja, zelfs wel 20 graven bijeen in éénzelfde streek, vaak slechts enkele honderden meters van elkander verwijderd. Ook hunebedden blijken in paren en drietallen voor te komen. Elders vinden wij gelijksoortige verzamelingen in grafsteden.

De moderne mens kan zich weinig meer denken van de redenen, die tot de keuze van een be- paalde plaats voerden. Wanneer hij de koningsgraven in het dal van de koningen bijeen ziet, zo denkt hij in de eerste plaats aan de noodzaak de graven met hun kostbare inhoud te bewaken, opdat grafschenners de doden niet zouden kunnen beroven. Vooral bij de latere dynastieën heeft men om deze reden wel doden uit de oorspronkelijke graven naar rotsgraven overgebracht, die oorspronkelijk gehouwen waren voor een enkele vorst. Toch was de plaats in de eerste plaats gekozen, omdat men meende, dat deze plaats op geheimzinnige wijze de goden van de dood en ook de geesten, dichter bij de wereld bracht.

Bij de keuze van grafplaatsen hielden de Egyptenaren bv. rekening met het voorkomen van de jakhals en de feniks, de woestijnvos. Anubis, de geheimzinnige bode van het dodenrijk, trad daar dus meer in verschijning dan elders, zodat men aannam, dat hij op dergelijke plaatsen gemakkelijker als gids voor de doden zou kunnen fungeren. Vandaar dat de begraafplaatsen van Egypte steeds weer aan de rand van de woestijn liggen en veelal gelegen zijn in of aan de rand van een dal. Elders kiest men plaatsen aan een rivier, aan de zee, in de zee of op een eiland.

Wanneer wij het volksgeloof in deze gevallen nagaan zullen wij ontdekken, dat niet alleen de veiligheid voor de geesten de reden is van dit gebruik: men gelooft in een geheimzinnige veerman, een soort primitieve Charon, die met zijn boot de doden komt halen, om met hen tot achter de horizon te varen, hen zo brengend naar het land van de doden. Of men gelooft, dat de dode de hulp en de bescherming zal genieten van zeegoden, nimfen enz. Hebben wij te maken met volkeren, die de zon als voornaamste godheid kennen, zo zullen zij ook het vuur aanbidden. Zij laten hun doden door het vuur louteren, verteren, opdat hun ziel één zal kunnen worden met de gloed van de zon. De resten worden vaak of aan de wateren toevertrouwd of op een bepaalde plaats, waar ook de zon vrij toegang heeft, neergeworpen.

In haast alle gevallen kan met zekerheid gezegd worden, dat volgens het geloof van de mensen de dodenstad een punt is, waar de wereld de oneindigheid of een aspect daarvan beroert. Wij mogen ons in deze tijd daarover onze eigen gedachten vormen.

Maar zou er toch niet ergens een reden voor dit geloof zijn geweest, die meer is dan alleen maar bijgeloof? Hoe komt het bv. dat sommige plaatsen de rust van de dood kennen op zeer bijzondere en een voor iedere gevoelige mens kenbare wijze? Andersen zegt het zo mooi in een van zijn sprookjes: “De stille tuinen van de dood, waar de dauw parelt op het gras en de nachtegaal liederen zingt van alles, wat reeds vergaan is.”

Bijna alle steden van de doden hebben een geheel aparte sfeer, die niet alleen aan de aanwezigheid van de graven geweten kan worden, omdat deze sfeer ook voorkomt op plaatsen, waar, zover men weten kan, zich geen enkel graf bevindt. Maar de dodenstad – en menige tempelstad – wordt altijd weer gekenmerkt door deze bijzondere sfeer.

Hierover wil ik vandaag in hoofdzaak spreken.

Niet elke plaats op aarde heeft dezelfde mogelijkheden en eigenschappen. Dit geldt niet alleen voor de materiële waarden, evenzeer voor waarden van de geest. Er zijn wel degelijk bepaalde plaatsen op de wereld, waar het optreden van natuurgeesten, demonen en geesten veelvuldiger en sterker zal zijn dan elders. Er zijn plaatsen, waar magie gemakkelijker tot resultaten voert dan elders, vooral wanneer ook geesten in de magische werkingen betrokken zijn, uitgaande van volksoverleveringen en ook nu nog heersend bijgeloof, dat wel eens op feiten zou kunnen berusten, ofschoon men nu te modern denkt, om dit ooit toe te willen geven.

Een streek, waar de wind fel over de vlakte kan jagen, waar de moerassen nevels in de avond zenden, de einder ver is en de wolken aan de hemel zich vaak dreigend opstapelen, is altijd weer een streek waar men gelooft aan demonen en spoken, waar steeds weer melding wordt gemaakt van hekserij en vreemde dreigingen. Eenzame heuvels, barre rotsvelden, maken de mensen bang. Zij weten dat daar ‘het kleine volkje’ leeft, of dat er trollen wonen. In Noorwegen is een dergelijk rotsig gebied, dat zelfs de Trollfjord werd genoemd. In de Sahara vinden wij op de scheiding van de grauwe rotsige bodem en het steeds weer verwaaiende en verspoelende zand de streken, waarin geheimzinnige stemmen de reiziger van de weg lokken naar de dood. Daar dolen de zingende geesten van de woestijn en wervelen de geheimzinnige djinns als stofwolkjes rond om de mensen het verstand te roven, en hen mee te voeren naar vreemde steden, die onder de aarde of boven de wolken liggen.

De mens voelt de sfeer aan. De sfeer van verlatenheid bv., van geheimen en onbegrijpelijke gebeurtenissen. Wanneer nu overal de sfeer van deze streken – ondanks hun uiterlijke verschillen bijna gelijk is – moeten wij toch wel even van de normale menselijke redelijkheid af durven wijken.

Wanneer de hoofdkenmerken van een land, waarin demonen wonen, bij de Noren en de Massaï gelijk is, er gelijksoortige waarden voorkomen bij Kelten en Indiërs, wanneer hetzelfde geloof de Eskimo’s, de Indianen en de bewoners van Vuurland beheerst, kan er moeilijk meer gesproken worden van een plaatselijk bijgeloof. Zelfs een psychologische verklaring baart moeilijkheden, omdat zoveel gelijkvormigheid onverwacht is bij zo grote verschillen in leefwijze, godsdienst en gewoonte.
Wanneer wij de plaatsen nagaan, waar de mens door alle tijden bij voorkeur zijn dodensteden bouwt, de plaatsen, waar hij zijn geliefden, maar vooral de belangrijke mensen van zijn volk ten grave draagt, blijkt eveneens een overeenstemming te bestaan, die moeilijk te verklaren is. Men kiest de plaats hoofdzakelijk op of nabij een hoogte – deze zelf makende – wanneer geen natuurlijke hoogte aanwezig is. Men vermijdt te vruchtbare plaatsen, geeft de voorkeur aan de plekken, waar de wind vrij toegang heeft, maar vaak zwoel en droog is en men schijnt, als het even kan, verder de voorkeur te geven aan een plaats, waar weinig nevelen optreden, zodat de nachten helder zijn.

Natuurlijk kan men niet altijd aan al deze eisen tegemoet komen, terwijl ook de plantengroei vaak een rol speelt. Maar als gemiddelde norm mag het bovenstaande toch wel gelden. Wij treffen dergelijke verzamelingen van graven niet alleen aan in Azië of Afrika, maar ook bv. in Amerika. Daar vond men nog kort geleden een begraafplaats van opperhoofden in het reservaat van de Navajo’s – nu gedeeltelijk hersteld en versierd als attractie voor toeristen – dat aan alle genoemde eisen voldeed.

Opvallend is ook de sfeer van vrede, die dergelijke grafsteden blijkt te omringen. De dode heeft rust nodig. Alleen wanneer hij ongestoord kan rusten zal hij de wereld van de mensen niet kwellen. Door een plaats te kiezen, waar deze sfeer heerst, beschermt men dus zijn gemeenschap tegen verstoringen door de doden. Maar ook blijkt men in deze sfeer gemakkelijker dan elders met de doden te kunnen spreken. In de buurt van Yuma ligt een oude begraafplaats, waar nu nog de tovenaars – die zijn daar nog – heen trekken, wanneer zij een zware taak moeten volvoeren, of behoefte hebben aan de hulp van de doden. Zij brengen een offer van gekleurde graankorrels en steentjes. Dan werpen zij hun orakelstenen en verzinken in een soort trance, waarin zij spreken met de doden. Over geheel de wereld zijn er bergtoppen, waarop men eens de groten van een vergane tijd begraven heeft. De mensen, die nu in die buurten wonen, zijn dit vergeten. Maar zij trekken nog steeds naar deze toppen, omdat daar de goden tot hen spreken.

Dit alles moet toch wel een betekenis hebben. Wanneer de mens zich op dergelijke plaatsen dichter bij de goden en de doden gevoelt, zou dit het gevolg kunnen zijn van natuurlijke condities, waardoor op bepaalde plaatsen de grens tussen leven en dood kleiner is. Nu kan men deze omstandigheden meestal wel alleen al uit het milieu verklaren.
Bij nader onderzoek blijken vaste omstandigheden een grote rol bij dit alles te spelen: de dichtheid van de lucht, de gemiddeld optredende luchtelektriciteit, een betrekkelijk geringe luchtvochtigheid spelen bij een vereenvoudigen van het contact met de doden een rol. Genoemde plaatsen blijken praktisch allen aan deze omstandigheden tegemoet te komen, aan deze eisen te beantwoorden, zover dit in een bepaald gebied mogelijk is. Daaruit zou men af kunnen leiden, dat de mensen van vroeger hun dodensteden niet alleen maar instinctief of willekeurig gebouwd hebben, maar in staat waren de plaatsen te vinden, waar inderdaad het leven op aarde dichter staat bij het leven in de sferen, dan elders.

Het lijkt mij goed deze kentekenen van de oude dodensteden eens wat nader met u te bespreken.

Natuurlijk, u kent uw kerkhoven. Maar de plaats daarvan is grotendeels door utuliteitsoverwegingen bepaald. Wel kan men op de eigenaardigheid wijzen, dat deze begraafplaatsen veelal kunstmatig verhoogd zijn alsof men er iets van de bergen in terug wilde zoeken op plaatsen, waar het grondwater dit niet noodzakelijk maakt. Mogelijk is dit een instinctief volgen van oude regels. De pioniers in Amerika kozen bv. haast altijd een heuvel als begraafplaats. Zij gaven daaraan mooie namen als bv. Boothill. Misschien is dit een gevolg van het toen nog meer dan nu heersende gevoel van de mens, dat hem noopt plaatsen te zoeken, waar hij zijn doden nabij voelt. Zuiver stoffelijk zoekt men nu deze nabijheid niet meer. De tijd, dat men de lichamen van de doden een afzonderlijke woning gaf, de tijden dat men de lichamen uit religieuze gronden verduurzaamde, zijn voorbij.
Toch zoekt zelfs de beschaafde en vaak wat cynische mens van heden als instinctief naar de verbondenheid met zijn overgeganen. Eerst wanneer het ter aarde bestellen van medemensen en het verzorgen van een begraafplaats een commerciële onderneming is geworden – waarin grondprijzen en winstmogelijkheden een grotere rol spelen dan gevoelens – zal men deze instinctieve drang niet meer aantreffen.

Ik stel dan: de aarde ligt in een andere dimensie dan de wereld van de geest. Er zijn plaatsen, waar deze dimensies elkaar kruisen of parallel lopen. Wezens uit de werelden van de geest kunnen natuurlijk onder omstandigheden geheel uw wereld betreden. Maar er zijn plaatsen, waarop dit voor hen gemakkelijker is, minder inspanningen vergt en minder weerstanden in sfeer en wereld overwonnen moeten worden, om de mensenwereld op herkenbare wijze te benaderen.

Er zijn knooppunten a.h.w., waarbij de menselijke stad van de doden en een soort stad van de in de geest levende entiteiten a.h.w. samenvallen. In de oudheid heeft men kennelijk dergelijke knooppunten gezocht, om juist daar zijn dodensteden te bouwen. Men heeft deze punten vaak ook gevonden en aarzelde niet om gebruik te maken van alle mogelijkheden die de bijzondere situatie met zich bracht. Niet voor niets vinden wij juist in landen, waar men de dodensteden ook nu nog kent, vaak een geloof aan beschermende geesten en meestal tevens aan beschermende of aanvallende natuurgeesten en demonen. Niet voor niets vinden wij juist in deze streken de praktische magie en horen wij, zelfs vaak in een zeer nabij verleden nog, van de wonderlijke tekens, die op gewijde plaatsen, maar vooral op sommige kerkhoven gebeuren.

Ik laat hier de godsdienstige exploitatie van bedevaartsoorden buiten beschouwing, maar wil toch een voorbeeld geven:

Zo is er in de buurt van Johannesburg een kerkhof met een eigenaardige sfeer. Door de mensen worden enkele bijzondere graven daar bezocht omdat zij geloven, dat degene die te midden van deze graven mediteert, daarbij zijn ogen vestigend op een oude grafsteen te midden daarvan, de datum daarop zal zien veranderen. Zo kan men zijn eigen sterfdatum op de steen lezen. Wat sinister misschien. Maar men zegt, dat dit ook voor anderen gedaan kan worden, terwijl de uitkomst juist zou zijn. Garanderen kan ik dit overigens niet.

Wanneer de geest op sommige plaatsen dichter bij de mens staat dan normaal, moeten wij aan de wereld van de geest een werkelijkheid toekennen, zowel van plaats of daarmee overeenkomende waarden, als in ander opzichten, die gelijk is aan de werkelijkheid van de menselijke wereld. Dus: vergelijkbare en zelfs overdrachtelijke waarden tussen sferen en mensenwereld, ongeacht de verschillen, die verder bestaan. De mensen, die hun dodensteden op bijzondere plaatsen bouwden, wisten verder klaarblijkelijk zeer wel, dat er ook plaatsen zijn op de wereld, waar contact met de hogere geest eenvoudiger mogelijk is. Daarom hebben zij niet alleen naar bijzondere plaatsen gezocht voor hun doden, maar bouwden zij volgens hetzelfde principe op bijzondere plaatsen ook hun inwijdingstempels. Voorbeelden hiervan vinden wij onder meer in de zogenaamde grote piramide van Cheops, de inwijdingstempel van Suhe, later tempel van Diana genoemd, bij Athene, de Tempel der Wereld bij Peshwar. Er zijn er natuurlijk meer.

Gezien de stelling, dat beide werelden – die van de geest en die van de mensen – elkaar beïnvloeden, zal niet alleen de locatie in de wereld van de mensen en de daar optredende omstandigheden, maar ook de wereld van de geest met haar eigen condities en werkingen, het karakter van een tempel enz. bepalen. Dat kan een verklaring vormen voor het feit, dat bepaalde inwijdingspaden gesloten worden, sommige inwijdingstempels opeens verdwijnen.

Wat de condities betreft, kunnen wij uit eigen ervaring, wel het een en ander meedelen:

Wanneer er een onweer is, zal ons werken met een medium moeilijker zijn. Wanneer het een medium is, waarmee wij niet regelmatig werken, zal misschien het contact zelfs geheel onmogelijk worden. Onze ervaring is, dat luchtelektriciteit in sommige aspecten van ons werk een bevorderende maar in de meeste gevallen een remmende functie heeft. Zo zien wij, dat bepaalde soorten vochtigheid, vooral de klamme tropische vochtigheid, eerder een contact met natuurgeesten bevordert dan een contact met de geesten van mensen die zijn overgegaan, zo kunnen wij zeggen, dat de omstandigheden op aarde niet alleen de mogelijkheid tot contact beïnvloeden, maar ook helpen de aard van het contact te definiëren. Bedenk, dat er dus geen sprake is van een geestenwereld, die boven of onder uw wereld ligt en deze beïnvloedt, maar van een geestenwereld, die uw wereld onder bepaalde omstandigheden benadert en zelfs beroert: een wereld die op sommige plaatsen toch zo dicht bij de uwe ligt, dat je eigenlijk niet eens precies kunt zeggen, waar uw wereld ophoudt te zijn en de wereld van de geest, de wereld der sferen, begint.

De mens is meestal blind voor deze werelden van de geest. Hun verschijnselen hebben een andere basisfrequentie dan de mens gewend is. De sferen van de geest vragen, ook in hun uitingen binnen de stoffelijke wereld, een andere aanvaarding, een andere vorm van begrip, dan de mens normalerwijze hanteert. Hij is er dan ook meestal blind voor, kunstmatig – door een redelijk verwerpen van de invloed als ‘onmogelijk’ – of natuurlijk, door een gebrek aan gevoeligheid. De mens wil de werelden van de geest, hun invloeden en werkingen, niet graag erkennen. Dit is immers strijdig met zijn beeld van zichzelf en zijn denkbeelden. De denkbeelden van de mens zijn voor hem in vele gevallen belangrijker dan alle werkelijkheid.

Al of niet bemerkt en aanvaard blijft het contact tussen de mensenwereld en vele sferen echter bestaan. Wanneer ik dus betoog, dat de dodensteden, inwijdingstempels e.d. in de oudheid, juist door de plaatsen daarvoor gekozen, een zeer grote rol hebben gespeeld in de geestelijke  verschijnselen die vroeger regelmatig optraden, zo dienen wij nog verdere conclusies te trekken.

Ongetwijfeld heeft men ook zijn inwijdingstempels op speciale plaatsen gebouwd en daardoor inwijdingsmogelijkheden gevonden, die nu grotendeels teloor zijn gegaan. Ongetwijfeld waren inwijdingen, de aard van de inwijdingsmeditatie en zelfs de vorm van een leer, vaak aan de plaats gebonden, waarop zij tot stand kwamen en zouden elders niet in gelijke vorm hebben kunnen plaatsvinden of ontstaan.

Wanneer u dit vreemd vindt, dient u te bedenken, dat de Boeddha wel onder 1000 boabbomen heeft gerust, voor hij de plaats vond, waar hij door meditatie het wezen van het kwade kon erkennen, verwerpen en overwinnen, zo zich bevrijdend en tot ware Verlichte wordend. Ook Jezus begint zijn werken in het openbaar, door naar een bepaalde plaats in de woestijn te trekken. Uit de evangeliën blijkt ons, dat hij niet zo maar de woestijn in dwaalde: meerdere malen wordt vermeld, dat Jezus, wanneer Hij vermoeid was, zich terug trok op een bepaalde plaats in de woestijn nabij het meer van Tiberias. Kennelijk hernieuwt hij op deze plaats Zijn contact met God.
Zou dit alles nu maar alleen toeval zijn? Zou het toeval zijn geweest, dat de profeten van Israël de gewoonte hadden zich terug te trekken in een bepaald deel van het land, veelal in het bijzonder op bepaalde plaatsen? Wanneer u de boeken van de profeten naleest, het boek Richteren ook, kunt u menige getuigenis van deze voorkeur vinden. Neen. De wijzen, de ingewijden hebben altijd geweten, dat er op aarde plaatsen zijn, die dichter dan alle anderen liggen bij de grote werkelijkheid, plaatsen, waar men God kan ontmoeten.

De plaats alleen blijkt echter niet voldoende te zijn. De sleutel tot de werkelijkheid, de andere wereld, ligt in de mens zelf. Maar de mens heeft een voor hem vaste en onveranderlijke wereld, waarin geheel zijn leven en denken zich pleegt af te spelen. Voor de geest is het eenvoudiger zich van de ene wereld naar de andere te begeven: haar wereld kent nu eenmaal minder vaste waarden, zodat het aanvaarden van een reeks andere waarden, van andere toestanden, voor haar gemakkelijker te aanvaarden en te verwerken is. Tenminste… zolang de geest niet na de dood in een niemandsland ronddoolt, waarin zij kiezen moet tussen de vele duizenden beelden, die alleen uit eigen denken voortkomen en de mogelijk, uit andere werelden of waarheden, stammende beelden. Want dan zal de keuze van een tot de werkelijkheid behorend beeld noodzakelijk zijn om zich van de geestelijke werelden bewust te worden en van daaruit eventueel andere werelden te erkennen en te beleven.

Het zou in dit verband interessant zijn voor de mens te vernemen, wat de grote ingewijden van deze wereld op dit terrein hebben meegemaakt, hoe ook zij dodensteden hebben bezocht, hoe zij de plaatsen vonden, waar de geestelijke werkelijkheid nauw grenst aan de stoffelijke wereld enz.

Maar van alles wat zij daarover aan hun leerlingen medegedeeld hebben, is veel teloor gegaan. Wat blijft, is vaak een legende. Nu spreken in deze legenden de ingewijden vaak over een vreemde stad, een stad van vrede. Jezus bedoelt mogelijk deze stad, wanneer hij spreekt van een hemels Jeruzalem. Nog in de 16e eeuw vertellen Afrika-reizigers echter over een geheimzinnige gouden stad, die zou liggen in de woestijn:de Sahara. Deze stad zou meerdere malen gevonden en zelfs betreden zijn door pelgrims, die op weg waren naar het heilig graf naar Jeruzalem. Men beschrijft deze stad als een ommuurde plaats. Alle muren zijn goudkleurig, slechts een enkeling beweert, dat deze muren van echt goud zouden zijn. Allen zijn het er over eens, dat deze stad in het droogste en warmste deel van de woestijn ligt. Zij kentekent zich door koelte, fonteinen, ruisende palmen. Velen stellen verder, dat deze stad wel gezien kon worden, maar door hen niet betreden, of zelfs maar benaderd kon worden. Een pelgrim, die de stad wel betreden zou hebben, deelt mee, dat deze stad als een fata morgana placht te verdwijnen, wanneer zij benadert werd door iemand, die geen recht had haar te betreden! Het criterium is volgens hem: behoefte, geneigdheid tot vrede, streven naar heiligheid.

Misschien meent u, dat dit maar een sprookje is. Ongetwijfeld zijn de verhalen eerder impressies dan mededelingen van feiten. Maar toch is het eigenaardig, dat verschillende bronnen – ook Arabische – een geheel gelijkluidende beschrijving geven van deze stad. In deze dagen zijn, zover mij bekend, slechts twee beschrijvingen van deze stad in omloop die enigszins authentiek aandoen. De meest betrouwbare werd rond 1860 gepubliceerd als een van de belevingen van een zekere Thaniasius Anarchop, eremiet – waarschijnlijk een schuilnaam, de schrijver schijnt een Griek te zijn geweest – die inderdaad langere tijd in Noord-Afrika rondtrok. De tweede is opgenomen in een van de werken van een bekende schrijfster, die vele mystieke werken het leven deed zien. Haar beschrijving berust klaarblijkelijk op overleveringen, mogelijkerwijze aangevuld uit andere bronnen. Deze beschrijving, ofschoon veel boeiender, moet dan ook als minder betrouwbaar beschouwd worden. Zelfs indien men de goede trouw aanneemt van allen die hiervan vertellen, blijven er echter vele punten van twijfel over: de aangegeven ligging loopt bv. tot ruim 5000 mijlen uiteen. Daarbij worden soortgelijke verhalen en beschrijvingen ook in Azië en  Zuid-Amerika aangetroffen.

Waar de commentaren en beschrijvingen echter te nauwkeurig zijn en van recente datum in enkele gevallen, om zonder meer over een mystificatie te spreken, lijkt mij de volgende verklaring, alle feiten te dekken:

Deze ‘gouden’ stad bestaat volgens mij niet op uw wereld, maar maakt deel uit van Zomerland. Het ‘betreden’ ervan is in feite een droomtoestand, een lichamelijke rust onder bijzondere omstandigheden, waaruit men ontwaakt als herboren en verfrist, zelfs in de woestijn. Dit is te danken aan de mogelijkheid, krachten en zelfs materialisaties vanuit het Zomerland plaats te doen vinden, indien de omstandigheden daarvoor gunstig zijn, zodat lichamelijke tekorten langs deze weg aangevuld kunnen worden. De wereldreiziger Sven Hedin vertelt ons over een ‘dode stad’ die hij aantrof te midden van de woestijn Gobi.
Hij beschrijft deze stad, die volgens hem door alle nomaden gemeden wordt, ofschoon zij misschien een redelijke plaats voor rust zou vormen voor hen, die de dodelijke Gobi inderdaad doortrekken.

Als curiositeit vertelt hij, dat hij in deze stad een eigenaardige droom heeft, waarin hij een oude man ontmoet, die zich de ‘bewaarder’ van de plaats noemt. In de eerste drie edities van de reisbeschrijving geeft hij echter toe, dat zijn kleine karavaan geen levensmiddelen en water meer had, zodat zij vreesden, deze stad niet levend meer te verlaten. Toch blijken hij en zijn gezellen, onder hun uitgehongerde en bijna verdorste toestand in staat te zijn ruim 200 km. af te leggen – iets wat in het terrein van de Gobi zeker niet zo eenvoudig is en waarschijnlijk 4 à 5 dagen vergde – tot zij de voerten van een zwervende stam ontmoeten en daar, na enige moeite, voedsel en drank krijgen.

In latere edities wordt de droom een beschouwing en spreekt men niet meer van een totaal gebrek aan drank en levensmiddelen maar alleen van “toenemende tekorten” daaraan. De kleur van deze uitgestorven en waarschijnlijk werkelijk bestaande stad? Grauw en stoffig. Bij het vallen van de avond kregen de ruïnes een okerachtige glans, die een ogenblik de waan van goud deed ontstaan.

Ook elders blijken onderzoekers werkelijke ruïnen en een gouden stad door elkaar te halen. Later wordt het ‘goud’ veelal een illusie genoemd, maar men meende een ogenblik een gouden stad te zien. Dit treffen wij o.m. aan in een reisbeschrijving over het westelijk deel van Brazilië, waar men zoekt naar de oorsprong van de Amazone. Zou dit een echte stad zijn geweest? Hoe komt het dan, dat deze nooit werd teruggevonden? Volgens mij is ook hier geen sprake van een werkelijk op uw wereld bestaande stad, ook al bestaan er nog enkele kleine zogenaamde verborgen steden op uw wereld, met verborgen grotten vol geheimzinnige boeken en beelden.

Maar geen van deze steden kan beantwoorden aan de  beschrijvingen, die men geeft. Een dergelijke gouden stad als bijvoorbeeld beschreven werd door een Ptahaan, een handelaar in paarden, die in het berggebied rond de Himalaya ‘s  zijn weg verloor. Zijn verhaal – waarvan zelfs een lied bestaat – vertelt, hoe hij reeds meerdere paarden en knechten heeft verloren en ook zelf de ondergang door honger en dorst nabij is. Hij overweegt zelfs zijn lievelingspaard te slachten om zo zijn leven te rekken,  wanneer hij in een dal een dorp vindt  met goudkleurige huizen, bevolkt met buitengewoon mooie mensen. Na enige dagen daar vertoefd te hebben, ontwaakt hij op een morgen met zijn laatste knecht en al zijn paarden in een dal. Ofschoon hij naar het dorp heeft gezocht en ook later meerdere malen heeft getracht de weg terug te vinden, slaagt hij daarin niet.

Ik geloof dan ook, dat de wereld van de geest, dát deel daarvan, dat u Zomerland noemt, door deze mensen benaderd of zelfs betreden werd. Voor een dergelijke geestelijke beleving zijn de omstandigheden overigens altijd bijzonder gunstig. Men is uitgeput, zodat lichamelijke werkingen en remmingen minder invloed hebben dan normaal. Men is wanhopig en dus geneigd om elke uitweg te aanvaarden, zonder eerst lang te denken of te onderzoeken. Men is vermoeid. Eigenaardig is, dat men deze stad ofwel in het morgenrood dan wel in het avondrood ontdekt. Een geschoold waarnemer als Hedin spreekt over de “gouden glans”, die bij het vallen van de avond de ruïnestad, waar hij vertoeft, schijnt te veranderen. Kennelijk ondergaan de anderen dus de indrukken van de gouden stad op het ogenblik, dat zij ofwel juist uit een sluimer ontwaken, dan wel van uitputting in slaap dreigen te vallen. Een droom zou dus de meest eenvoudige uitleg zijn. Het verkrijgen van voedsel en drank echter doet deze uitleg falen.

Wanneer ik nu spreek over de dodensteden, over de geheimzinnige gouden stad, die zich overal in de wereld schijnt te manifesteren, meen ik te mogen stellen: onder bepaalde condities, waarbij o.m. luchtdichtheid, temperatuur, luchtelektriciteit en vochtigheid een rol spelen, zal het Zomerland zo dicht bij de menselijke geest liggen dat de mens dit andere land, deze andere wereld, met betrekkelijk weinig moeite kan betreden. Degene, die deze sfeer betreedt, maar op aarde nog een levend lichaam heeft, kan dit lichaam – en andere lichamen desnoods, mits op ongeveer dezelfde plaats zijnde – met krachten uit die sfeer verzadigen. Bij dit laatste zijn de bewoners van het Zomerland de mens behulpzaam. In meerdere gevallen wordt gesproken van voorraden, die men uit de gouden stad mee kan nemen; deze verdwijnen echter spoorloos op het ogenblik, dat men weer elders voedsel en drank kan krijgen, zelfs wanneer dit van veel mindere kwaliteit is dan de voorraad. Het is waarschijnlijk, dat deze voorraden hallucinaties zijn, waarmee de mens zichzelf zijn vermogen om zonder spijs en drank grote inspanningen te doorstaan, aanvaardbaar maakt.

Een andere reeks van verhalen vertelt ons over de eigenaardige belevenissen van mensen, die graven beroofden in de dodensteden. Ik kies hier een voorbeeld uit Egypte.

De man, die dit beleeft, is een grafrover, een zekere Seiphet, die, gezien zijn naam, zeker uit het Bovenrijk afkomstig was en waarschijnlijk zelfs een Nubiër was. Deze vertelt, hoe hij de zegels van een graf verbreekt en binnensluipt om te stelen. Hij ontdekt tot zijn verbazing een aantal mensen, die aanzitten aan een feestmaal, zijn verontschuldigingen worden aanvaard en hij neemt deel aan de maaltijd. De andere aanzittenden zijn echter doden en zodra zij ontdekken, dat Seiphet leeft, wordt hij uitgeworpen. Wanneer hij uit een onmacht ontwaakt, is het zegel van het graf, die hij zelf verbroken meent te hebben, geheel intact. Een ring, die hij bij zich gestoken heeft, steekt echter nog in zijn gordel. Het verhaal wordt door hem gedaan aan de rechter – waarschijnlijk ook priester – Hekhet Ptah, wanneer hij wordt aangeklaagd wegens grafroof door een familielid van de dode, die de ring herkent. Daar het grafzegel inderdaad ongeschonden is, spreekt men hem vrij, maar wijst hem toch uit het stadsgebied van Thebe uit.

Ook hier een mens, die vertelt van een beleving, die in deze vorm stoffelijk niet denkbaar is, maar geestelijk of in de droom wel kan bestaan. Seiphet is overigens een moedig man, want in de nachturen heet de plaats, waar hij zijn diefstal pleegt of wilde plegen, door spoken onveilig gemaakt te worden. Nemen wij aan, dat hij inderdaad de wereld van de geest betreden heeft – een “transport” kan in dit geval het bezit van de ring verklaren – zo is het logisch, dat niet alleen de mens de werelden van de geest zal kunnen betreden, maar omgekeerd de geesten ook – zo zij wensen – de wereld van de mensen zullen kunnen betreden.

Nu stel ik dit alles voorwaardelijk. Ik ben mij er van bewust dat u, op grond van de aangehaalde feiten, niet tot een redelijk of zelfs wetenschappelijk aanvaarden van mijn these zult kunnen overgaan. Zelfs wanneer ik u plaatsen zou noemen, zo zou u daar geen wetenschappelijke waarnemingen kunnen doen, omdat de wereld van de geest zich nu eenmaal onttrekt aan menselijke normen en middelen van waarneming, zodat geen redelijke constatering door apparaten, of een redelijke verklaring van de feiten en ervaringen van de mens mogelijk is, zonder daarin abstracte waarden als geloof en filosofie te betrekken. Ik vraag u echter mijn stellingen eens te beschouwen als een mogelijkheid.

Want nu wij eenmaal hebben vastgesteld, dat een wederkerige beïnvloeding van geestelijke en stoffelijke wereld onder bepaalde omstandigheden mogelijk is, zullen wij verder moeten gaan. Zo deze stelling, aanvaardbaar is, houdt dit in, dat kunstmatig de omstandigheden kunnen worden beïnvloed, zodat door een onnatuurlijk ingrijpen van de mens, of in sommige omstandigheden van de geest, de werelden van geest en stof ook dichter bij elkaar zullen komen te liggen en sterke wederkerige beïnvloedingen, voor uw wereld resulterend in paranormale verschijnselen enz. mogelijk worden.
Wanneer dit gelden zal voor de werelden van de Lichtende geest, zo zal een gelijksoortige stelling eveneens van toepassing zijn op de duistere werelden. Laat ons dus nagaan, onder welke omstandigheden spoken, duistere krachten enz. bij voorkeur optreden. Wij spreken nu natuurlijk niet over spookverschijnselen, die van suggestie afhankelijk zijn, of op zich dode invloeden, verankerd in de materie, die onder invloed van bepaalde mediums weer tot leven komen, zonder daarbij eigen wil of mogelijkheid tot aanpassing aan de feitelijke omstandigheden te hebben.

Ik neem hier als beeld de geheimzinnige streken, waarin soms werkelijk een vreemde verschrikking op kan treden, welke zich kennelijk wijzigt in overeenstemming met de omstandigheden en een eigen wil en vermogen schijnt te bezitten.

Allereerst valt op dat deze verschijnselen vooral optreden, wanneer er sprake is van een meer dan normale luchtvochtigheid. Een bepaalde uitwaseming – vaak ontstaan door rijke groei van schimmels en mos, blijkt eveneens gunstig te zijn voor deze verschijnselen, terwijl lage luchtelektriciteit eveneens, evenals een te hoge luchtelektriciteit, de felheid van de verschijnselen blijken te bevorderen. Vaak kort voor een onweer wordt een verschijnsel waargenomen, in andere gevallen bij bewolkte hemel en lage temperatuur. Ten laatste blijkt er een verband te bestaan tussen het sterk optreden van dergelijke verschijnselen en het plaatsvinden van uitbarstingen op de zon: ongeveer drie dagen na een bijzonder felle uitbarsting op de zon blijken deze verschijnselen intenser te zijn dan anders. Wij kunnen daarom ook nog stellen, dat stralingen van een zekere hardheid en magnetische storingen in het aardveld kennelijk bevorderlijk  zijn voor het op aarde kenbaar optreden van krachten uit lagere geestelijke werelden. Zo kunnen wij ook constateren, dat natuurgeesten en de door hen veroorzaakte verschijnselen, vooral een grote rol spelen in landen en streken, waar vulkanische werkingen voorkomen.

Nu kunnen wij hier uitgaan van het gebruikelijke standpunt, dat de natuurgeest niets anders is dan de personifiëring van het natuurverschijnsel, terwijl het ondergaan van het natuurverschijnsel de illusie schept, dat men de natuurgeest ontmoet. Wanneer wij echter denken aan een land als Japan, met zijn vele vossenlegenden, aan bv. Kenya, waar juist in de buurt van toppen, die eens vulkanen waren, of nu nog vulkanische verschijnselen tonen, natuurgeesten optreden en, evenals in het ook als vulkanische Indonesië, stenenregens en andere geheimzinnige verschijnselen worden vastgesteld, is de voorgaande verklaring toch wel wat aan de simpele kant.
En wat moeten wij denken van de ‘slangenbijeenkomsten’ in Natal waar soms de slangen op een ‘kopje’ samenkomen, een ieder, die het kopje opgaat met rust latende, maar degene, die het zou willen verlaten vooraleer de zon warm is en de slangen zelf het kopje verlaten, gevaarlijk zijn voor een ieder die de helling wil afdalen?

Naar ik meen mogen wij toch wel aannemen, dat ook, waar natuurkrachten werkzaam zijn, natuurgeesten optreden, dingen plaatsvinden, die buiten de mogelijkheid tot redelijke ver- klaring komen te liggen. Nu blijkt, dat de uitbarsting van een vulkaan de verhouding in de atmosfeer wijzigt, terwijl elk vulkanisch verschijnsel in de atmosfeer bepaalde stoffen brengt, die normaal niet of in mindere mate aanwezig zijn. Verder blijkt vaak een vorm van bijzondere straling met de uitbarstingen gepaard te gaan, terwijl verder afwijkingen van het aardmagnetisch veld eveneens voor en tijdens uitbarstingen geconstateerd kunnen worden.

Maar dan schept ook de mens, die bepaalde stralingen, verontreinigingen van de atmosfeer en stralingen creëert, een punt, van waaruit natuurgeesten en bewoners van lagere geestelijke werelden de mensen meer dan normaal kunnen beïnvloeden. Let wel, dit is een these. Bewijzen kan ik u dit alles niet. Maar het geeft toch wel te denken, naar ik meen: grote natuurrampen worden veelal voorafgegaan en gevolgd door het optreden van geesten, kortom, buitengewone verschijnselen. Degenen, die zich de moeite getroosten eens te luisteren naar alles, wat er bv. in Japan is gebeurd i.v.m. het vallen van atoombommen, zullen soortgelijke wonderlijke verhalen te horen krijgen. Niet vóór, maar vanaf rond 1 uur na de explosie tot vele jaren nadien blijken daar spookverschijnselen op treden.
Natuurlijk spreekt men daarover niet ernstig. Als wetenschapsmens kun je dergelijke dingen niet ernstig nemen, nietwaar? En de parapsycholoog, die met dit alles geen raad weet, schuift het geheel al af als een beïnvloed worden door omstandigheden van de mensen, die dit alles menen waar te nemen.

Hoe wil men echter verklaren, dat soortgelijke verhalen worden verteld door vissers, die in de buurt komen van eilanden, waarin de Stille Oceaan proeven genomen werden met atoombommen? En hoe te verklaren, dat het aantal geestverschijningen  en andere eigenaardige verschijnselen in de woestijn van Nevada toenamen, nadat men daar als proef enkele bommen tot explosie had gebracht?

Wanneer de mens op deze wijze zelf plaatsen schept, die, als eens de steden van de doden, de grens tussen de menselijke wereld en de werelden van natuurgeesten, demonen enz., zowel als de grens met de Lichtere werelden van de geest, angstwekkend dun maken, zal de mens op en vanuit deze plaatsen aan een meer dan normaal sterke inwerking van geestelijke invloeden onderhevig zijn. Wanneer op aarde regelmatig kernproeven worden genomen, zal het aantal stralende elementen, dat in de atmosfeer in omloop is, aanmerkelijk hoger zijn dan gewoon. Wanneer u op het ogenblik hoort, dat uw eigen voedselpakket aanmerkelijk meer stralende stoffen bevat dan enkele jaren geleden – als gevolg van deze proeven, maar nog niet in gevaarlijke mate volgens de geleerden –  zou u zich dus ook af kunnen vragen, of misschien geheel de wereld op deze wijze niet langzaamaan wordt veranderd, zo toestanden scheppend, waarbij over grote delen van de wereld dezelfde inwerkingen van andere sferen op gaan treden, die wij veeleer alleen vonden bij inwijdingstempels of de steden van de doden.

Het is onmogelijk deze vraag vanuit een menselijk standpunt te beantwoorden. Daarom vertel ik u nu vanuit standpunt en gezien vanuit mijn wereld, wat er eigenlijk aan de hand is:

Op de plaatsen, waar men in de oudheid zijn steden voor de doden opbouwde, waren over het algemeen genomen de omstandigheden gunstig voor een contact tussen wereld en geest. Naarmate meer overgegane ‘reizigers’ op die plaatsen de mogelijkheid kregen naar een andere wereld over te wisselen, ontstond er tussen de wereld van de mensen en de sferen een soort spoor.

Er werd dus een situatie geschapen, waardoor men elkander vanuit verschillende werelden steeds gemakkelijk kon bereiken, dit verklaart onder meer de bijzondere werkingen van bepaalde grotten, dodensteden en inwijdingsplaatsen tot op heden: men kan de invloeden daar nog ondergaan, ofschoon deze plaatsen reeds lange tijd verlaten zijn. Bijzondere verschijnselen treden op met een gemak, dat alleen door de plaats en haar condities niet verklaarbaar is. Denk in dit verband maar eens aan de eigenaardige invloeden, die nu nog optreden bij Stonehenge. Een dergelijke spoor maakt, evenals een karrenspoor, het verkeer gemakkelijker, doordat het een richtlijn vormt. Zelfs wanneer een spoor, dat eens frequent gevolgd werd, nu niet meer zo vaak gebruikt wordt, zal het toch blijven bestaan. Men kiest het echter alleen, wanneer geen betere sporen in dezelfde richting voeren. Zelfs nu geven vele dergelijke sporen echter de geest nog veel betere mogelijkheden de mensheid te benaderen, dan de gewone plaatsen, waar de mens van heden contact met de geest zoekt, of zijn God wil eren.

Het zal u duidelijk zijn, dat een algemeen toegankelijk maken van de wereld voor geesten uit alle sferen door wijziging van de condities op uw wereld voor ons enerzijds verheugend is: de geest kan meer doen, zij kan meer bereiken, de mensen gemakkelijker helpen en ook de zielen, die overgaan, gemakkelijker binnenvoeren in de sferen. Maar wanneer deze algemene toegankelijkheid ook, of zelfs in hoofdzaak, optreedt voor duistere werelden, de werelden van demonen, kunnen ondanks alle bestrijdingen in de sferen, zuiver demonische krachten op aarde losbarsten. Zoals men eens trachtte, de steden van de doden af te schermen van de wereld van de levenden, door het trekken van een magische kring, of ze te omringen met stromend water – men heeft zelfs wel overal in de omgeving grenspalen gesteld, waarop de grens aangegeven was in z.g. geestenschrift – zou men ook nu de minder gewenste krachten moeten proberen te verdrijven of te beperken.

De vraag is dus, of deze mogelijkheden bestaan en zo ja, welke dit dan wel zijn?

Waar de wereld toegang verschaft aan demonen – d.w.z. geesten uit duistere werelden, die geen mens zijn geweest – menselijke geesten uit het duister of aan natuurgeesten, die geen enkel begrip hebben van menselijke moraal, opvattingen, ordeningen, kan men een kernpunt van storingen verwachten. Een demon streeft naar chaos. Een natuurgeest verwerpt elke ordening, die niet uit het wezen van de natuur voortkomt. D.w.z. dat de natuurgeest wetten als oorzaak en gevolg erkent, maar ideeën als samenhorigheid, naastenliefde e.d. zelden kent en zelfs dan nog vaak verwerpt. Wij zullen dan ook zien, dat de punten, waarin deze werkingen sterk tot uiting kunnen komen, niet alleen verschijnselen zullen tonen in deze richtingen, maar gelijktijdig ook hun omgeving zullen beïnvloeden. Het ziet er voor ons dan ook uit, of de wereld een beetje de mazelen heeft. Er zijn vele betrekkelijk kleine plekjes op de wereld, waar deze werkingen uit een onmiddellijk contact voortkomen. Wij zien echter ook, dat de besmetting van de omgeving al snel de neiging vertoont zich aan te sluiten bij de uitstraling van de dichtst bijgelegen plek met gelijke invloeden.

Voorbeeld: Wanneer u het kleurlingenprobleem in het zuiden van de U.S.A. nagaat, blijkt dat niet het gehele zuiden, of bv. geheel Alabama, daarbij werkelijk betrokken is. De kern van het euvel blijkt te liggen in zeer kleine plaatsen of delen van stadjes van waaruit echter vaak in toenemende mate een invloed op de omgeving wordt uitgeoefend, zodat de onoordeelkundige beschouwer geneigd is te stellen, dat de houding van geheel het land, en niet alleen maar van een klein deel van de bevolking, zo negatief is. Wanneer wij zien naar de vaak eigenaardige politieke ontwikkelingen in Z. Amerika, blijkt alweer dat niet de gehele bevolking, of zelfs maar een deel van de bevolking in iedere staat deze ontwikkelingen zoekt. Wanneer je de kern van het kwaad zoekt, blijkt deze in een bepaalde streek te liggen en zelfs daar van bepaalde plaatsen uit te gaan. Vanuit deze betrekkelijk kleine gebieden wordt echter een web geweven, waardoor over het geheel van Z. Amerika onrust ontstaat. In Afrika zien wij alweer hetzelfde: de werkelijke bron van onrust, het gebied, vanwaar een bepaalde agitatie uitgaat, is betrekkelijk klein. Men heeft dit wel beseft, en dan daarom geprobeerd de voormannen uit te schakelen. Maar vreemd genoeg bleken kort daarop anderen met precies dezelfde denkbeelden en krachten op precies dezelfde wijze op te treden.

Nu kunnen wij wel proberen de sfeer rond de aarde van alle negatieve invloeden te ontdoen – een taak, die wij in de laatste 50 jaren uitvoerden en praktisch geheel volbrachten – maar wij kunnen de mensen niet beletten op zijn wereld centra te scheppen, waarin hij zelf een toenemende harmonie met duistere krachten veroorzaakt. De geest kan dus niet als begrenzing of afweermiddel optreden. De middelen van de oudheid waren: vloekformule, ban, magische ring. Maar kan men bv. naar Parijs gaan en om een bepaalde wijk een magische ring trekken? Dat gaat niet meer. Wel kan men trachten de omstandigheden te veranderen. Daarbij zal men niet kunnen uitgaan van bv. economische methoden, of de ‘opvoeding van geheel het volk’. Wel kan men echter veel bereiken, door het menselijk en geestelijk klimaat te wijzigen.
In enkele gevallen bleek het mogelijk verkeerde invloeden te weren door een gehele wijk te slopen en de oude, te dicht opeengedrongen huizen door nieuwe, ruimere en luchtigere woningen te vervangen. Van een dergelijk project is bv. Marseille een voorbeeld, ofschoon men zeker niet met deze opzet een gevarenpunt op deze wijze onschadelijk maakte: men dacht meer aan het breken van het verzet, dan aan het beperken van demonische invloeden, die reeds vele jaren deze bepaalde wijk beheersten.

Onder deze wijk lagen nog de resten van een vroegere dodenstad. Nu is deze invloed, die geheel Marseille tot een negatieve stad maakte, praktisch verdwenen.

De mens kan dus wel degelijk de grenzen tussen zijn eigen wereld en de wereld van demonen of natuurgeesten versterken. Het zou voldoende zijn de materiële omstandigheden van dergelijke plaatsen zo te wijzigen, dat geen harmonie met deze sferen meer bestaat. Maar daarmede zouden zovele belangen gemoeid zijn, dat dergelijke maatregelen waarschijnlijk nooit of in ieder geval veel te laat genomen zouden worden. Daarom kunnen wij beter zien, wat een ingewijde deed wanneer hij  plaats veilig wilde maken, of zichzelf wilde beschermen tegen mogelijke beïnvloedingen van negatieve kracht.

In Egypte waren priesters, die het z.g. dodenbezit beheerden. Dat was de nalatenschap, waar- mee een bepaald graf onderhouden moest worden. Tenminste twee maal per jaar moesten zij daarvan rapport uitbrengen aan de dode. Daartoe begaven zij zich in het graf – niet in de eigenlijke grafkamer, maar in een voorkamer of bij de zogenaamde valse deur, waar zich een gleuf placht te bevinden, die in de eigenlijke grafkamer uitkwam – en legden verantwoording af van hun beheer. Gezien de voorwaarden, die aan een dergelijk beheren van een nalatenschap verbonden waren, was het voor hen soms noodzakelijk de nacht in de dodenstad door te brengen. Om zich zeker te stellen tegen alle kwade invloeden, maakten zij gebruik van een soort meditatie, waardoor – zoals zij zelf zeiden – hun gedachten lichtend waren als de stralen van Re. Zij probeerden dus niet demonen en kwade krachten te verdrijven, maar probeerden geestelijk Licht te brengen. Het Licht zou de doden niet belemmeren tot hen te komen, maar alle slechte geesten, demonen enz. werden door dit Licht afgeweerd, zo stelden zij. Zij waren dus veilig door hun concentratie op het Licht. Ingewijden zetten zich op ‘vervloekte’ plaatsen soms neer, om met hun gedachten deze plekken te reinigen, de poorten voor de demonen te sluiten, door geestelijk in te werken op de omgeving en zo alle met het duister harmonische aspecten te vernietigen.

Gezien de moeilijkheden, die aan een eenvoudiger oplossing van ons vraagstuk verbonden zijn, zou deze op zich moeilijker weg in uw dagen wel eens van groot belang kunnen zijn. U kunt natuurlijk een land, een stad, of zelfs maar een wijk, niet opeens geheel reinigen en afsluiten, maar u kunt wel steeds grotere delen daarvan beveiligen. Hierdoor dringt men de ongewenste invloeden langzaam terug, waarbij zij tevens aan kracht verliezen. Men kan – tenzij men een ingewijde is – niet onmiddellijk de deur sluiten, het spoor vernietigen, maar men kan zijn gedachten zodanig richten, dat een te hoge tol wordt geheven, een te sterke inspanning wordt gevraagd aan elke geest of natuurkracht, die in uw omgeving de mensenwereld betreedt of daarin werken wil.

De Indianen maakten overigens ook gebruik van een soortgelijke methodes. Wanneer zij naar de graven van hun opperhoofden gingen – meestal eens per jaar – zongen zij een lied, dat betekende: “Ik vrees u niet, gij Manitou, gij, die rechtvaardig, zijt, gij, die leeft in de zon en in de regen. Gij zijt met mij en door u ben ik sterk.” Zij voelden zich dan geborgen en somden daarbij alle grote daden van de stam of de gestorven opperhoofden op. Bij de graven gekomen, brachten zij offers met de volgende formulering: “Wij brengen u vrede, wij brengen u leven en kracht, opdat gij in de bovenwereld zult weten, dat uw kinderen u dankbaar zijn en ons uw moed zult laten, maar niet tot ons terug zult keren.”

Ook andere stammen, onder meer negerstammen, kennen soortgelijke gebruiken. Ook zij stellen: “Het gaat ons goed. Wij hebben u niet nodig.” Ook zij stellen verder, dat zij sterk zijn, geen angst kennen enz., waarbij zij zich plegen te beroepen op stamfetisjen enz. Overal waar de mens geloven wil in het goede en zijn gedachten niet gericht zijn op de nadelige mogelijkheden, op de slechte invloeden, die de mens kunnen beroeren, maar op het Lichtende, op de krachtbron van het leven zelf, wordt alle demonische invloed uitgebannen.

Trek hieruit uw conclusie:

Zijn er dingen, die u niet bevallen, broeinesten van nozems, enz.? Erger u er niet aan, wees er niet bang voor. Wees er van overtuigd dat hij, die leeft uit het Licht, werkt met het Licht, denkt aan het Licht, overal veilig is, zelfs in de steden van de doden. Wie angst heeft, bevordert de negatieve inwerkingen en roept zelf demonen op. Wie denkt aan het Lichtende, aan het goede, wie vertrouwt op de waarden van het Licht, zal niemand schaden. Hij zal zijn Licht en kracht ook aan anderen geven, duistere krachten afwijzen en de plaatsen, waarop deze gemakkelijk contact konden zoeken met de mensheid, veilig maken voor anderen.

De wereld veilig maken is niet je beroepen op magische krachten en ceremoniën, of een angstvallig vermijden van alle krachten, die de aarde zouden kunnen schaden.

Wanneer de ingewijde voor de eerste maal tot de wereld van het Licht moest gaan, werd hij geconfronteerd met de aarde, die hem dreigde te bedelven, met het vuur, waaraan hij zich zou verbranden, aan welke gevaren hij ontkomen kon, door vastbesloten voorwaarts te gaan. Blindelings moest hij zich in een water storten om verder te kunnen gaan, om uiteindelijk een ladder af te moeten dalen, die hem opeens eenzaam in het duister liet hangen. Had hij de moed om zich te laten vallen, dan stond hij op een stenen trap, die hem weer omhoog voerde, zodat hij het Licht kon ontmoeten. Deze beproevingen kon men alleen doorstaan, wanneer men een vaste wil had, een groot vertrouwen, een geloof in de krachten van het Licht, die immers de schreden van de mens leiden, zodra hij bewustzijn zoekt. Hij hoefde dus niet in een bepaalde God te geloven, maar moest vast vertrouwen op en geloven in de krachten van het Licht. Want, zo werd de neofiet geleerd: om u bewust te worden van werelden van het  Licht, waartoe gij behoort, zult gij deze wereld in u moeten dragen, nimmer aarzelende u op haar alleen te verlaten. Niets van de geest of de wereld kan u beroeren of schaden tegen uw wil, zolang gij dit Licht in u erkent. Maar wie niet vertrouwen wil, wie het Licht in zichzelf doodt, gaat aan deze dingen te gronde. Hij betreedt de werelden van het Licht niet, zijn lichaam rust in de dood, opdat zijn geest terug kan keren, hernieuwd zoekend naar inwijding.

Tot u zou ik iets dergelijks willen zeggen:

Wij hebben lang genoeg gesproken over de negatieve waarden, de negatieve perioden van deze tijd, de dreigingen, die bestaan hebben, u op de gevaren gewezen, zoals men de neofiet op de gevaren wees, voor men hem op zijn inwijdingsweg voort liet gaan. Ik wees u op de overeenstemming tussen de vroegere steden der doden en vele plaatsen op deze wereld, waarin de mens door geesten en demonen wordt geleid, ook al meent hij nog zelfstandig te denken en te leven.

Nu echter zeg ik u: de tijd om bang te zijn is voorbij. Gebruik de afweerformule, die in uzelf ligt, het Licht, dat in u leeft, de krachten van het leven, waaraan u gelooft en waaruit u put, de vreugde, die het leven zelf je brengt, is het enige op het ogenblik onmiddellijk hanteerbare middel, waarmee men de inwerking van negatieve krachten op aarde kan beperken, hen terugwijzend en op de duur alle poorten sluitend, die uw wereld met lagere sferen verbindt.

Laat alle invloed uit de geest vergaan, tot uiteindelijk alleen nog de tempels en geheime plaat- sen van inwijding blijven, waardoor de mens, die zoekt, binnen kan treden in de Lichtende werelden, waarin ook de bewuste geest leeft.

Vragen

  • Hoe komt het, dat geesten door water worden afgeweerd?

Geheel juist is dit niet. Maar de werking die er vanuit gaat, kan ik u niet geheel verklaren. Misschien kunt u het zo begrijpen: wanneer u een schijfje lood op een schijfje zink legt, gebeurt er niets. Leg daartussen een schijfje vochtig vloeipapier en er ontstaat een vorm van elektriciteit. Leg meerdere van deze drietallen opeen en u hebt een cel van Volta. Op aarde zijn vele elementen, die op zich voor de geest – of voor de magie – niets kunnen doen. Breng ze samen in de juiste verhoudingen en zij hebben eigenaardige uitwerkingen.
Wij zien dit in sommige reukstoffen: de elementen doen niets, tot de reukstof verbrand wordt, dan komen essentiële bestanddelen vrij, etherische stoffen verdampen voor de verbranding plaatsvindt en er ontstaat een wolkje, dat bv. materialisatie mogelijk maakt.

De wijze, waarop de mens over water denkt – zijn gedachtesnuitstraling dus – plus het water zelf als levend element – stromend water zou geesten remmen, ander water niet – vormen dus inderdaad een beperking vooral voor de werelden, die, als het astrale gebied bv., zozeer aan uw wereld verwant zijn, dat zij nog met ongeveer dezelfde vormen van energie werken. Het verschil is er een van trilling of frequentie, niet van aard.

Bedenk overigens, dat ik het volksgeloof en de daaruit voortkomende plaatsing van de dodensteden aanhaalde, daarbij in het midden latend, of water inderdaad de geest zou kunnen tegenhouden. Voor het optreden van lagere krachten is inderdaad vochtigheid belangrijk, samengaand met uitwasemingen van schimmels e.d. Er is in wezen een elektrochemische basis voor bepaalde verschijnselen. Waar deze samenstelling, deze werking, niet volledig is, hoeft men dus niet op de verschijnselen te rekenen. Zelfs indien de ideale mogelijkheden tot benadering van de menselijke wereld en het scheppen van verschijnselen daarin bestaan, zal er nog altijd in de harmonische sfeer iemand moeten bestaan, die daarvan gebruik wil maken.

Esoterie

Wanneer de mens in zichzelf zoekt naar waarheid, ontdekt hij, hoezeer hij vervuld is van verwarringen. Het is voor een mens moeilijk te weten, welke wegen hij moet gaan, hoe hij dient te reageren op wat hij beschouwt als de werkelijkheid. Daarbij komt voor de mens verder, dat zijn denken en leven grotendeels gevormd wordt door alles, wat hij in eigen wereld door middel van overleveringen of eigen ervaringen heeft erkend. Wanneer er een nieuwe wet komt of een nieuwe regel, die in wezen een hernieuwde toepassing is van kosmische wetten op het leven en de wereld van de mens, kan hij zich daarbij dan ook maar moeizaam aanpassen. Wanneer hij tracht de veranderende inwerkingen van zijn eigen wereld te verklaren en zo een innerlijk beeld te verkrijgen van zijn eigen werkelijkheid, zo dient hij allereerst de strijdigheid van de wereld en haar verschijnselen met de wetten die hij meent te kennen, met al wat hij geleerd meent te hebben, te erkennen en zo zich in te stellen op een niet met zijn weten of voorstelling strokende werkelijkheid, waarmee hij door de feiten wordt geconfronteerd.

Het is duidelijk, dat de nieuwe wetten en de daarmee verbonden regels verwarringen onder de mensen zullen zaaien op het ogenblik, dat zij trachten daaraan een verklaring te geven, voortkomende uit het gekende verleden, of aangepast aan de menselijke opvattingen van redelijkheid. Daarom is innerlijke eenvoud – en tot op zekere hoogte ook aanvaarding – in deze omstandigheden een eerste noodzaak. Wanneer de oude wet ten einde gaat, zo is dit nimmer, omdat de kracht waaruit de wet voortkomt zelf geen kracht meer heeft. Maar in een nieuwe vorm past de uiting van deze kracht beter bij de wereld en de mogelijkheden, die daarin voor bewustwording geschapen moesten worden.

De wet van oog om oog, tand om tand werd vervangen door de wet: bemin uw naasten, heb uw vijanden lief. Maar ook deze wet moet veranderen. Daarom brengt deze tijd als eerste wet en belangrijkste spreuk het volgende:

Gij zult in allen de kosmische kracht erkennen waarmede gij één zijt, zonder verschil of voorbehoud.

De doorsnee mens van heden kan dit nog niet: andere mensen leven, denken misschien anders, hebben een andere huidskleur, een ander geloof. Maar kan de mens in feite op grond van dat, wat hij is, was, of denkt, de kosmische krachten terzijde schuiven en de wet zelf teniet doen?

Gij kunt in uw medemens de kosmische kracht, die leeft en werkt, erkennen, gij kunt dergelijke aanwezigheid ook ontkennen. Het is niet mogelijk te stellen: deze is zwart, dus is hij geen schepsel Gods. Stelt men dit toch, dan ontkent men de eigen band met de kosmos, de verbondenheid daarmede, die in de ander leeft. Het is dus ook niet mogelijk als mens te stellen: deze mens heeft de kosmisch juiste wijze van leven en denken, diegene echter niet.

Wij moeten beseffen dat de wetten van eenheid en harmonie boven alles regeren in deze dagen. Hieruit vloeien enkele eenvoudige regels voort, welke toepassing menige mens echter zeer moeilijk schijnt te vallen.

  1. Beantwoord steeds aan hetgeen gij als kosmisch erkent in het leven, in eigen wezen en het wezen van anderen, in de natuur. Beantwoord aan wat gij als kosmisch erkent.

De mens vraagt onmiddellijk: Hoe weet ik, wat kosmisch is?

Er zijn in het leven steeds weer dingen, die op u een bijzonder diepe indruk maken, ook al weet gij niet waarom. Er zijn werkingen, die voortdurend uw wezen lijken te beheersen, al beseft gij niet goed, hoe. Deze dingen vloeien voort uit een grotere wereld, uit een groter ‘Ik’. Zij omvatten meer van het ego dan het wezen ‘Ik’ dat op aarde bestaat. Zij zijn voor u kosmisch.

  1. Als wet en regel hoort gij in deze dagen steeds weer: Wees uzelf en draag slechts voor uzelf, maar dan ook volledig, verantwoordelijkheid.

De mens roept uit, dat dit onmogelijk is. Hij betoogt, dat men juist heeft gestreefd naar een verminderen van persoonlijke aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid dat men zo uiteindelijk het noodlot heeft gebonden.

Maar een mens kan het noodlot niet binden. Hij kan slechts de ontsporingen in eigen wezen en lot binden, door steeds de algehele aansprakelijkheid voor eigen doen en gedachten te aanvaarden, nimmer trachtend de gevolgen en consequenties ervan op anderen af te wentelen.

Dit laatste is overigens onmogelijk: zo de werkingen van oorzaak en gevolg in dit leven vermeden worden, zo zal er een volgend leven komen, waarin de in dit leven geschapen oorzaken hun gevolgen zullen hebben. Dan zijn die gevolgen bitterder en onbegrijpelijker dan nu denkbaar is. Daarom dient men in deze wereld van u, vanuit zichzelf en voor zichzelf te leven.

Maar de mensen kunnen dit niet begrijpen of aanvaarden, het denken van de mens is anders: Hij beseft niet, dat het erkennen van de waarden in de kosmos ook inhoudt, dat men niet met een groep mensen samen kan gaan tegen een groep van andere mensen, dat men niet als gemeenschap iets kan doen, zonder gelijktijdig anderen uit die gemeenschap uit te stoten, of hem eisen te stellen, die voor hen misschien niet aanvaardbaar zijn.

De nieuwe leer, de nieuwe wet, brengt ons verder in een geheel nieuw contact met God: Eens was God de beschermende en wrekende God, een stamgod, voor wie de mens zich boog, wiens bescherming hij genoot, wiens toorn hij vreesde.

Daarna kwam God de Vader: een wezen, dat bovenmenselijk, maar goedertierende boven alle leven staat. Een beeld, dat reeds dichter nadert tot de kosmische waarheid, maar buiten het Ik blijft.

Nu is het tijd, dat deze God, die ver van de mensen af stond, plaats gaat maken voor een beeld van God, dat nog dichter bij de kosmische werkelijkheid staat: Al is in God, Al is uit God, beleef uw God in uzelf en gij ervaart de waarheid.

De regel zegt hier: Gehoorzaam de God in uzelf boven alle dingen, opdat gij de waarheid van het leven beseffen mag en niet zult verdolen in de schijn, die gij zelf schept.

Ook dit is voor de mens moeilijk. Hij zou zo gaarne de hulp en bescherming inroepen van een God buiten hem, een God, met wie hij het op een akkoord kan gooien. Nu moet hij terugvallen op zijn innerlijke kracht en op iets, wat leeft in zijn eigen wezen.

De mens heeft zich gaarne laten verkondigen, dat God alles wel zal doen, dat Hij hem wel zal leiden, wanneer hij zich maar bij Gods wil neerlegt. Nu moet hij zelf kiezen, moet hij zelf gaan. Dat is de nieuwe wet, de nieuwe waarheid.

image_pdf