Doorbreken van de cirkelgang

14 juni 1982

Inleiding

Vanavond hebben we weer een gastspreker voor u. Achtergronden: Tibet, lama geweest, enz. Filosofie: het rad des levens en wat daar bij komt. Zijn voornaamste denkwijze is volgens mij gezien het interview: levende krachten doorbreken de cirkelgang. Alles bij elkaar genomen iets waarvan u ongetwijfeld kunt leren, vooral ook omdat de man zoals vele van onze gastsprekers gespecialiseerd is op het uitstralen van z.g. subliminale invloeden. (subliminaal betekent onder de bewustzijnsgrens.)

Wat mijzelf betreft, ik ben niet zo voor het rad des levens. Maar ik kan me wel voorstellen dat je als mens, wanneer je geconfronteerd wordt met de reïncarnatiecycli e.d., een beetje zit te hikken tegen dat idee van: wij gaan weer opnieuw leven en wat zal het dan weer worden?

Nu zijn er daaromtrent zeer vele verschillende opvattingen, dat weet u ongetwijfeld. Wat ik ga zeggen is hoofdzakelijk iets van mijzelf en ook een heel klein beetje iets over onze gast.

Het leven is een continuïteit, dat zal bekend zijn. Dat wil zeggen, dat de dood een verandering van leven betekent en dat dus elke keer als je afscheid neemt van een wereld – of dat nu is om naar een hogere gaan of om weer terug te gaan – je dat kunt vergelijken met de dood. Het is een afscheid waarbij eigenlijk het belangrijkste van de persoonlijkheid bewaard blijft.

Wanneer je niet verder kunt naar boven ontstaat er een soort patstelling; je kunt geen kant meer uit. De enige manier om daaraan te ontkomen is teruggaan, dus reïncarnatie. Elke reïncarnatie op zich is een heel boekdeel. Maar één ding is wel zeker: een reïncarnatie wordt bepaald door het bewustzijn van degene die reïncarneert en wel in die voege, dat naarmate je bewuster bent, je je incarnatie juister kiest, doelbewuster de mogelijkheden van je leven overziet voor je het aanvaardt en dientengevolge ook juister kunt werken. Voor de rest moet je uit je fouten maar leren.

De werkelijkheid is natuurlijk niet gebonden aan die werelden. We kunnen ons nu wel veel wereldvoorstellingen dromen of werkelijk beleven, maar daarachter zit het leven. Het levende zelf. Iets wat door sommigen wel wordt aangeduid als de kosmische werkelijkheid.

Nu schijnt het zo te zijn dat wij in de kosmische werkelijkheid niet alleen maar deel zijn van een groter geheel, maar dat wij ook de kracht bezitten van dat grotere geheel. Hierdoor zouden wij in staat moeten zijn om die kracht te ontplooien in elke vorm van beperkt leven die wij kennen, dus elke sfeer of wereld.

Wanneer dit allemaal juist is – en ik heb voorlopig geen reden om daaraan te twijfelen – dan zou dat wel betekenen, dat wanneer wij voldoende kracht mee kunnen nemen of ons van voldoende kracht in onszelf bewust kunnen worden, wij eigenlijk een groot gedeelte van onze wereld of sfeer kunnen veranderen. Hoe? Ja, ik heb de gastspreker gevraagd wat hij er van dacht en hoe hij dat zag en zijn uitleg was eigenlijk heel simpel.

Hij zegt: “Wanneer je kracht hebt in jezelf ben je sterker. Wie sterker is wordt door anderen minder beheerst. Wie door anderen of invloeden niet beheerst kan worden is in staat bewust zijn eigen weg te kiezen.”

Dat vond ik een heel mooi verhaal en ik heb geprobeerd er achter te komen wat er verder aan vast zit. Hij schijnt uit te gaan van het denkbeeld, dat elke mens een deel van die kracht in zichzelf bezit. Hij gaat zelfs zo ver dat hij zegt: “De levenskracht van het lichaam wordt mede voor een deel bepaald door de kosmische kracht die in het ik schuilt.” Dan vindt hij verder dat die kracht beperkt wordt door onze voorstelling van onze wereld en door ons eigen bewustzijn. Dat heb ik ook al eens eerder gehoord.

Maar wat nieuw was voor mij is dit. Hij zegt: “Wanneer de kracht sterk genoeg is kan zij het bewustzijn doorbreken. Op het ogenblik dat dit gebeurt ontstaat de verlichting.” Ik heb zelfs geïnformeerd wat voor verlichting. Het blijkt geen feestverlichting te zijn, maar een tijdelijk ontwaken tot een kosmisch bewustzijn, waaruit je dan wel weer terugkeert tot de persoon die je bent geweest, maar niet meer met de beperkingen die daaraan normaal verbonden waren.

Het voorbeeld dat hij gaf was natuurlijk weer de een of andere Boeddha. Niet de bekende, hij had er een ander bij, ene Lobsang Rampa. Hij vertelde dat deze man onder enorme spanning stond. Toen hij in die spanningen voor een ogenblik vergat dat hij leefde in een wereld met vele goden en met vele wetten en daarvoor alleen nog maar de goedheid zag, werd hij verlicht. Toen hij terugkeerde straalde hij die goedheid uit, maar hij was toch weer zichzelf.

Dat doet mij er dus aan denken, dat je eigenlijk twee dingen tegelijk zou moeten kunnen zijn. Aan de ene kant kun je gewoon mens zijn met alle fouten van de mens en aan de andere kant kun je een hogere waarde in jezelf hebben die zo sterk doorwerkt, dat je ze zelfs uitstraalt. Dat maakt de zaak erg interessant. Ik heb wel de hoop voorlopig aan een incarnatie te ontkomen, maar je kunt nooit weten.

Wanneer je dus op een of andere manier eindelijk de keten van beperkingen kunt doorbreken ben je niet vrij zoals een mens dat denkt van: nu leef ik alleen nog maar in de hoogste wereld. De vrijheid is meer iets wat door jezelf werkt dan wat in jezelf werkt.

Dan kom ik als vanzelf ook weer tot de conclusie dat iemand die dat hoogste licht beleeft, ook al is het maar voor een ogenblik, daardoor een verandering in zijn leven ondergaat. Die verandering zal hij zelf niet eens zo bijzonder sterk bemerken. Hij denkt dat hij normaal verder gaat, maar hij heeft zijn uitstraling veranderd en daarmee elk contact dat hij in de wereld heeft. Doordat hij op deze nieuwe manier gaat leven wordt eigenlijk ook al datgene, wat zijn bewustzijn bereikt meer in overeenstemming gebracht met de werkelijkheid. En dan niet alleen een menselijke werkelijkheid, maar bovendien een kosmische werkelijkheid.

Dan wil je dus wel weten wat dan die veranderingen zijn. Want als je er over praat moet je er iets van weten. Onze gastspreker wilde wel een paar dingen kwijt en hij zei o.m. dit: “De mens heeft de wereld verdeeld in goed en kwaad. Maar goed en kwaad zijn geen wezenlijke waarden. Op het ogenblik dat wij niet meer spreken van goed of kwaad, maar alleen waarmaken wat er in onszelf licht is, houdt de begrenzing van goed en kwaad op te bestaan. Daar, waar die grens ophoudt te bestaan worden wij vatbaar voor het licht en voor de invloeden van het licht, die eigenlijk deel zijn van onze persoonlijkheid.”

Toen vroeg ik: “Wanneer je nu zelf niet merkt dat je verandert, hoe kun je dan zeggen dat je verandert?” Zijn antwoord was voor hem waarschijnlijk typerend. Hij zegt: “Wat je zelf niet bemerkt wordt door anderen geconstateerd. En datgene wat anderen constateren beïnvloedt hun leven. Maar iemand die zichzelf is moet zichzelf blijven, want dat is zijn noodlot. Hij kan zich bewust worden van zichzelf in zijn totaliteit, maar hij kan nooit anders worden. Maar de invloed die hij op anderen heeft verandert.”

Daarna kwam ik tot een reeks denkbeelden die ik nu ga samenvatten. Wij kunnen niet veranderen omdat alles, waarvan wij ons bewust zijn te zijn, een deel is van onze werkelijkheid, van het kosmische geheel dat ons wezen uitmaakt. We kunnen dus wel eens merken dat wij iets meer zijn of iets minder zijn dan normaal, maar voor ons wordt het allemaal normaal.

Iemand die buiten ons staat heeft niet te maken met de persoonlijkheid die wij zijn en hij ziet dus dat andere facetten van die persoonlijkheid gaan werken. Zo komt het eigenlijk dat iemand, die in de ogen van anderen een Meester is, in zijn eigen ogen nog steeds een onnozele sukkel blijft.

Het kenteken van een grote bewustwording is dus kennelijk (voor mij althans) de erkenning van je eigen onnozelheid. Wanneer anderen je onnozelheid erkennen is dat meestal een bewijs van je onvoldoende bewustwording. Maar niet altijd. Want die anderen kunnen ook onnozel zijn.

Ik denk, dat je het geheel van de lichtende kracht en de rest beter zou kunnen omschrijven als het vermogen om door de illusie heen de werkelijkheid te zien. Maar ja, dat is niet zijn onderwerp.

De werkelijkheid wordt niet bepaald door een vorm. Ze wordt ook niet bepaald door uiterlijkheden. Ze wordt eigenlijk bepaald door een evenwicht dat van binnen bestaat en als resultaat daarvan harmonieën die innerlijk bestaan. Of ze uiterlijk wel of niet geopenbaard worden doet dan verder niet ter zake.

Het ziet er voor mij naar uit dat alle werelden die wij kennen – niet alleen de uwe, maar waarschijnlijk ook de mijne – niets anders zijn dan een middel waardoor wij bepaalde kontakten en relaties met anderen vinden. Wanneer wij dingen oproepen‑ door onze daden kunnen wij bepaalde dingen laten gebeuren, of wij kunnen misschien geestelijk bepaalde krachten in verschijning doen treden – dan zijn wij voornamelijk bezig om onszelf te manifesteren. Ik kan alleen datgene laten verschijnen, wat op zijn minst genomen zeer harmonisch is met mijn eigen wezen en zelfs dan kan het voor mij niet kenbaar verschijnen, wanneer niet een deel van mijn eigen wezen daarin bevat is.

Het is ook krankzinnig als je hoort dat een magiër een geest oproept. Hij kan alleen een geest oproepen als hij er al een band mee heeft. Hij maakt dus alleen iets zichtbaar wat er al is. Dat zichtbaar worden houdt in, dat hij een deel van zijn eigen kracht moet lenen aan degene die verschijnt. Een krankzinnige situatie.

De grootste ontwikkeling waarmee onze gast zo bezig was lijkt mij te zijn, dat je meer gaat begrijpen zonder het te weten. Er schijnt in zijn voorstelling een enorme grens te liggen tussen weten en begrijpen. Hij zegt: “Je kunt heel veel dingen weten, maar je kunt maar heel weinig dingen begrijpen van hetgeen je weet.”

Pas op het ogenblik, dat het een beleving is begrijp je het. Maar dan weet je het eigenlijk niet meer omdat het gewoon geïntegreerd is in je hele bestaan. Het is zo vanzelfsprekend geworden, dat het niet meer wordt beschouwd als iets afzonderlijks. Natuurlijk, je kunt weten dat wanneer je een bepaalde spier activeert de handen omhoog gaan. Maar denk je daar over na? Weet je precies wat je doet? Welnee. Het is gewoon een mechanisme. Een automatisme kun je ook zeggen.

Wanneer ik hem goed begrepen heb is een groot gedeelte van hetgeen je geestelijk doet eigenlijk ook zo’n soort automatisme. Wanneer je het eenmaal begrepen hebt wordt het zozeer een deel van jezelf, dat je eigenlijk niet eens meer weet dat je er mee werkt.

Daar kwam dan een stelling bij die mij alweer bekend voorkwam. Namelijk: naarmate je meer omvat wordt alles eenvoudiger. Ik geloof dat het reduceren naar de eenvoud toe inderdaad voor veel mensen goed zou zijn. Je maakt het vaak veel te ingewikkeld in je leven en op een gegeven ogenblik vraag je je af, wat moet ik daarmee aan? Nou, herleidt het maar tot de meest eenvoudige termen dan kom je er meestal wel uit. Maar ga je denken over alles wat er verder mee verbonden zou kunnen zijn, dan kom je er nooit uit.

Ik denk dat ons geestelijk bewust worden daar iets mee te maken heeft. Ons geestelijk bewust worden is in feite een vereenvoudiging. Er zijn zo veel onbelangrijke factoren waarmee je je lang hebt bezig gehouden, die niet meetellen, die helemaal geen zin hebben, die geen betekenis hebben, dat het eigenlijk zonde is dat je daaraan zo veel tijd besteedt. Want er zijn zo veel vragen die hypothesen blijven, waar je nooit een reëel antwoord op kunt vinden, dat het dwaasheid is om met die vragen bezig te zijn.

Dat is een collega van mij op een avond overkomen. Er kwam iemand die vroeg: “Kunt u even zeggen wat God is?” Toen zei hij: “Als ik dat kon zat ik hier niet.”

In ieder geval zijn dat dingen die je kunt voelen. Je kunt er wel eens iets over zeggen. Maar wat moet je ermee? Je kunt de kosmos niet omschrijven als je nog niet eens in staat bent een planeet te overzien. Op dezelfde manier zou je dan God moeten omschrijven en ook begrippen als hemel en hel, zonden en deugd en al die dingen meer. Je komt er eenvoudig niet aan toe, tenzij je gewoon uitgaat van stellingen. Maar als je van stellingen uitgaat, dan ga je weer uit van iets dat niet echt is. Dan heb je in jezelf weer grenzen gesteld waar je niet zo gemakkelijk overheen komt.

Ik denk, dat daar eigenlijk een belangrijk deel ligt van de waarheid waarmee onze gast werkt. Ik geloof, dat hij geprobeerd heeft alle grenzen eenvoudig overboord te zetten. En dan niet in de zin van het menselijke: ik zet alle remmen los. Dat heeft er eigenlijk niets mee te maken. Ik geloof dat het eerder gewoon is: ik praat niet over mogelijk of onmogelijk, ik ben. Al wat ik ben en beleef is voor mij echt. Of het buiten mij echt is zal ik later wel zien.

Het is een soort vereenvoudiging van het leven en aan de andere kant misschien erg dichterlijk. Denk maar aan Franciscus. Die begint hele gedichten met: O, zuster zon… Dat is natuurlijk iets, dat kun je je alleen maar heel symbolisch voorstellen. Maar waarom zou je je niet voor een ogenblik met de zon verwant voelen? En waarom zou je je niet op een gegeven ogenblik één gaan voelen met een boom of met een berg of met een wolk of wat anders? Ik denk dat dat de eenvoud is; die hele grote eenvoud die onze gastspreker zo bedoelt. Het eenvoudig kunnen opgaan in het andere zonder voorwaarden of vragen te stellen.

Ik geloof, dat vrijheid dan ook bestaat in het vermogen om zonder alle overwegingen eenvoudig elk ogenblik waar te maken wat je in en voor jezelf als waarheid voelt. Of dat dan zuster zon is of broeder wolf, dat maakt verder niets uit. Het zijn gewoon zaken waarmee je moet leven.

De vereenvoudiging waarover hij spreekt is eigenlijk niet een kwestie van ik ga ineens veranderen. Het is alleen maar: ik ben mijzelf. Als ik in mijzelf nou maar die harmonie en dat licht voel dat voor mij belangrijk is, waarom zou ik mij dan van de rest iets aantrekken? Zo zou je het kunnen vertalen.

Die lichtende kracht waarover hij het heeft, wordt door hem nogal met heel veel nadruk vermeld. Maar als ik dat moet uitdrukken in menselijke woorden dan weet ik het niet. Het is gelijktijdig de verbranding van Guy Fawkes in Engeland, het is vuurwerk in het hoogseizoen in Scheveningen; het is een zonsondergang en het is een uitbarsting van een vulkaan. Allemaal tegelijk. Het schijnt een enorme werking te zijn. Dat ervaar ik er tenminste uit.

Maar een werking onderga je, die kun je niet analyseren. Ik denk, dat zijn bedoeling eigenlijk is geweest mij duidelijk te maken, dat je wel over dat licht kunt praten, maar je kunt het niet omschrijven. Laat staan dat je, zelfs wanneer je het ervaart, het kunt analyseren. Het is niet terug te brengen tot verschillende factoren. Het is gewoon één geheel en dat geheel werkt in je door. Wanneer je met die kracht werkt, werk je ook als één geheel. Dan moet je er geen voorwaarden bij stipuleren en behoudens en tenzij er voor zetten, want dan werkt de zaak niet. Dan de kwestie van het levensrad. Ik zei het al, ik ben niet zo enthousiast voor levensraderen. Maar het denkbeeld dat je een bepaalde kringloop doormaakt is natuurlijk niet zo gek.

Wanneer je kijkt naar de kosmos, de sterren, de planeten, de meteoren enz., dan heb ik inderdaad het gevoel dat ze allemaal banen beschrijven. Als ik probeer af te dalen in de materie tot haar kleinste kernen, dan vind ik ook een soort zonnestelsels en ook banen. Zeker, er verdwijnt een deeltje naar een andere baan, maar dan komt er weer een ander voor terug. Het is eigenlijk een fantastisch spel.

Wanneer wij leven zijn wij ook deel van kracht, net als alle sterren en alle atomen. Dan kan ik mij voorstellen, dat de verschijnselen die wij veroorzaken een kringloop zijn. Maar of wij het zelf zijn, dat vraag ik me nog steeds af. Wanneer namelijk die kringloop mijn leven is, kan ik mij niet voorstellen dat er enige kracht is, die die kringloop kan verbreken zonder mij gelijktijdig uit te blussen. Maar als die kringloop alleen maar een reeks van verschijnselen is, dan is het zoiets als het omdraaien van het knopje van het licht en ineens zien waar je zit. En dat lijkt mij wel mogelijk.

Wat meer is, ik heb zo het gevoel dat er ogenblikken zijn, waarop je weet dat er door de wereld, dus de werkelijkheid waarin je leeft, a.h.w. een andere wereld heen kijkt. Dan kun je niet zeggen hoe of waarom.

Er zijn misschien wel mensen die het gevoel hebben, dat een geest hen tegemoet trad of die zeggen: “Er zit een geest achter me” of “Er ging een geest op die stoel zitten” enz. Dat lijkt natuurlijk waanzin vanuit menselijk standpunt. Maar ik weet, dat in de wereld van de geest de neiging bestaat om terug te keren, om een bepaalde stoffelijke situatie en relaties nog een keer te bezien en ook a.h.w. opnieuw te waarderen. Dan kan ik mij voorstellen dat die verschijnselen, misschien niet helemaal maar wel grotendeels, terecht worden geïnterpreteerd. Dan zit u dus met uw geestelijke wereld. Maar die gaat buiten de werkelijkheid om waarin u nu leeft. Daar komt iets bij.

Er zijn ook mensen die zo veel met geesten te maken hebben, dat ze een gegeven ogenblik het gekker vinden wanneer er geen geest is, dan wanneer er wel een is. Voor die mensen is die andere wereld eigenlijk een deel van hun eigen werkelijkheid geworden. Het kritieke punt schijnt dan eigenlijk te zijn: kun je dat gewoon als normaal verwerken en normaal aanvaarden? Op het ogenblik, dat je hoe dan ook een stap verder probeert te doen zit je fout.

Als je zegt: “Ja maar, ik kan geesten zien en jij niet”, dan kun je er op rekenen dat je binnenkort helderziend bijziende wordt. Het klink krankzinnig maar dan ga je de zaak een naam geven. Op het ogenblik, dat het een naam heeft heb je er een begrip aan verbonden dat stoffelijk is. En dan zijn bepaalde geestelijke waarden niet meer in staat om daar doorheen te komen. Dan is er wel een enorme energie nodig om u toch nog op de juiste manier te bereiken.

Datzelfde is eigenlijk ook een beetje het geval met stof en geest. Jullie maken er zo’n enorm verschil tussen. “Wij zitten in de stof, maar zij… zij zitten in de geest.” Zoiets als iemand die zegt: “Ik woon in een vervallen arbeiderswoning. Maar zij wonen op de Goudkust.” Nu, vergeet het maar. Want dat is helemaal niet waar.

Er is weinig verschil tussen die twee werelden. Ze lopen door elkaar heen, maar ze zijn ergens deel van elkaar. Iedereen beleeft datgene wat hij denkt. Wanneer iemand denkt dat het arbeiderskrotje een villa is kan hij in een villa leven ook al blijft het voor anderen een krot.

De werelden van de geest en de stof lopen niet alleen door elkaar, ze zijn eigenlijk vaak één en hetzelfde. Het is door ons begrip dat vei proberen daar een grens te stellen. Ik doe dat ook. Ik zeg b.v.: “Ik ga even praten met die mensen, want ik moet inleiden.” Waarbij dan altijd de vraag is, wie het lijden met de lange ij toevalt. Maar daarmee stel ik een grens. Ik ga naar jullie toe. Niet: ik uit mij tegenover jullie, maar ik ga naar jullie toe. Ik heb afstand geschapen, wat ik eigenlijk niet zou mogen doen. Zeker niet als deze gastspreker gelijk heeft. Ik houd het rad in stand door hokjes te maken, door elke keer te zeggen: ja, maar dit is dat niet.

Als ik het dus goed heb begrepen denk ik, dat wij eigenlijk de ruimte tussen de spaken zien terwijl wij het wiel zouden moeten zien. Alleen in deze zin is dan voor mij het rad des levens iets waarover je als een geheel kunt spreken.

Het is niet een kwestie van onderdelen en ook niet zoals anderen wel beweren, dat je op de naad moet gaan zitten. Het is gewoon dat je het rad moet zien als één geheel. Dan zijn de afdelingen weggevallen. Maar dan is ook de betekenis van elke afdeling afzonderlijk weggevallen. De waarde is er wel maar ze is niet meer beheersend.

Wanneer ik zou kunnen doorbreken tot een besef waarbij alle werelden samenvloeien zou ik geen enkele beperking meer kennen, denk ik.

Maar nu moet ik nog steeds moeite doen om door te komen op aarde. Ik stoot mijn neus als ik te ver naar boven wil en als ik naar beneden ga moet ik verduveld goed uitkijken. En dat zou volgens mij weg kunnen vallen.

Ik denk dat alles, wat onze gastspreker bedoelt met dat enorme licht dat het rad kan doorbreken of de kringloop kan doorbreken, daarmee te maken heeft. En zou het zo gek zijn? Wie bent u werkelijk? Moet u dan in de spiegel kijken of moet u diep in uzelf kijken? Of moet u kijken wat de wereld van u denkt? Ik zou het niet weten.

Maar je hebt wel voor jezelf een voorstelling van jezelf. Daarbij heeft u natuurlijk allerlei droombeelden. De één wil de honderdduizend winnen en de ander wil weer iets anders. Iedereen wil wel iets. Maar wat wil je? Waarom wil je? Wat zoek je eigenlijk? Daar kun je meestal nog wel achter komen.

Maar als je steeds weer hetzelfde zoekt op de meest verschillende wegen en manieren, dan moet er toch wel een reden voor zijn, dacht ik. Ik denk dat wij, wanneer wij die reden of gedrevenheid kunnen zien als een functie van ons eigen wezen en niet als iets, wat van buitenaf komt of iets wat door anderen wordt veroorzaakt, dan ook een eind dichter bij de werkelijkheid komen. Want wanneer iets mij drijft en het zetelt in mijzelf, dan moet het toch wel de kracht zijn die uit mijn kosmische wezen voortkomt. Als het uit mijn kosmische wezen voortkomt heeft het te maken met datgene wat ik ben.

Wanneer ik het dus aanvaard en gewoon verder ga, dan geloof ik, dat ik een heel eind beter ben, dat ik een veel juistere voorstelling krijg. Dat is geloof ik het hele criterium, een voorstelling die niet begrensd is. Ik kan het mij niet voorstellen maar het moet toch mogelijk zijn. Iets waarbij je niet bezig bent om voortdurend alles te definiëren, maar gewoon iets, waarbij alles op een of andere manier voor je spreekt.

Wanneer ik dat zou bereiken, denk ik dat ik inderdaad alles zou kunnen doen. Ik denk dat ik een hele wereld zou kunnen herscheppen of kunnen wegvagen. Misschien is dat niet werkelijk, maar geldt het alleen voor mij. Ik kan alleen mijzelf niet wegvagen. Dat is het enige wat ik niet kan.

Ik denk, dat je dan naar een hogere wereld zou kunnen gaan zonder dat je zou worden teruggestoten, omdat je dan niet meer bezig bent om die hoge wereld zoveel mogelijk aan te passen aan hetgeen je zelf bent, maar doodgewoon omdat je datgene in jou, wat tot die hoge wereld behoort, er in op laat gaan.

Zo denk ik ook dat het met die duistere sferen is. Je behoeft niet uit te kijken omdat je onkwetsbaar wordt op het ogenblik, dat je het licht in jezelf behoudende, dus je besef van alle licht, kracht en wereld en de rest gewoon meeneemt naar beneden, maar ook dat duister als een deel van jezelf aanvaardt. Ik denk dat er dan veel verandert.

Als je zoekt naar de waarheid wordt alles ineens betrekkelijk; dan kun je niets helemaal definiëren. Het enige wat je ervaart dat definieerbaar zou moeten zijn omdat het overal voorkomt, is onomschrijfbaar geworden omdat het niet in de termen van een beperkt bewustzijn is uit te drukken. Ik denk, dat dat het punt is waar alles om draait.

Waarom zijn wij zo bekrompen? Niet in de zin van be‑ en veroordelen van je medemensen, want dat is natuurlijk ook bekrompenheid. Ik denk dat wij kosmisch bekrompen zijn. Wij proberen een God te scheppen die bij ons hoort. Wij proberen niet onszelf te beseffen als iets dat tot God behoort. Wij zijn bezig een hemelwereld te construeren zoals wij hem ons voorstellen. Maar wij kunnen niet gewoon de vreugde van het zijn aanvaarden, wanneer die zonder vorm of beperking bestaat.

Voor mij is het in ieder geval een zoeken naar waarheid geworden. En ik kan niet anders zeggen dan dat deze gastspreker bij mij heel veel heeft losgemaakt in dat onderhoud dat ik met hem heb gehad. Ik kan niet zeggen wat er van komt. Misschien ben ik er niet rijp voor of misschien heb ik er tijd voor nodig. Dat weet ik niet.

Maar één ding weet ik wel: een groot gedeelte van de kracht of het licht of de energie of hoe je het ook noemt, die van de persoonlijkheid van de gastspreker uitgaat, verwart mij. Niet dat het mij ongelukkig maakt. Integendeel, ik voel mij er goed bij. Maar het is net of ik van mijn leven een legpuzzel heb gemaakt die verkeerd in elkaar zit. Of ik mijn hele bestaan anders moet gaan zien. Daar dat persoonlijk is kan ik ook niet zeggen hoe. Ik durf u ook niet te vertellen hoe het zou moeten

U moet mij niet kwalijk nemen dat ik zo langzamerhand ga eindigen. Ik heb voldoende inleiding gegeven denk ik. Maar dit wou ik nog even kwijt. Het erkennen van verwarring is waarschijnlijk de erkenning van een ontwakend begrip. Maar iemand, die denkt dat hij alles weet kan niet tot een verdergaand begrip ontwaken.

Een mens die meent dat hij weet wat goed en kwaad is, weet eigenlijk niets. Want hij weet niet hoe hij verder moet gaan dan de grenzen, die hem waarschijnlijk ook nog zijn opgelegd door anderen. Maar de mens die in zichzelf goed ervaart en kwaad niet ziet als verwerpelijk, maar alleen als niet passend bij hemzelf, die is een heel eind verder, denk ik.

Het is dus niet alleen iets wat voor mij belangrijk is. Ik denk, dat het voor u net zo belangrijk kan zijn. Het verschil tussen weten en begrip, daar komt het op neer. Hoe meer wij begrijpen, hoe minder wij hoeven te weten. En hoe meer wij denken te weten, hoe moeilijker het wordt om iets werkelijk te begrijpen. Daarom moeten wij het weten dan maar zien als een soort uithangbord, waarbij de alchemist zich van buiten aankondigt als drogist of apotheker.

Laten wij, dan voor de wereld apothekers en drogisten zijn of dwazen, maar laten wij van binnen de werkers zijn met het ongenoemde, het onomschrijfbare. Degenen die voor zichzelf gewoon proberen te groeien in een grotere wereld. Dat is het belangrijkste.

Ik heb geprobeerd duidelijk te maken wat er in mij en met mij is gebeurd aan de hand van hoe het bij u aanslaat en wat het voor u betekent weet ik niet. Dat zal niemand weten buiten uzelf. U zult het zelf misschien pas bemerken wanneer het al een hele tijd voorbij is en u denkt: ik begrijp de dingen anders dan ik ze dacht te kennen.

Mag ik hopen dat dat voor u waar is. Want elke stap naar een onbegrensder leven en weten lijkt mij een grote stap voorwaarts in de richting van een kosmisch bewustzijn.

De Gastspreker

Leven is een toestand, geen beleven. De boom staat. Haar kruin streelt de wolken. Haar wortels graven tot diep in de aarde. Zij leeft omdat zij ‘is’. Maar het gebeuren gaat aan haar voorbij.

Dit is onze werkelijkheid. Wij zijn als de boom. Onze wortels graven in de chaos. Zelfs beneden de hellewerelden voeden wij ons met het onbestemde. Wij vormen het om, wij drinken het licht en wij zijn. Maar meer dan ‘zijn’ kennen wij niet. Al het andere is de droom.

Wanneer de boom droomt, droomt zij van de insecten op haar bast, de vogels in haar gebladerte, de slang die zich misschien ergens bij haar verschuilt. En zij zegt tot zichzelf. Dit is werkelijk.

Maar zij zijn niet de boom. De boom ‘is’. Maar de boom beseft niet dat haar ‘zijn’ leven is, dat haar leven ‘zijn’ is.

Zo zijn ook wij. Uit de ongetelde mogelijkheden putten wij de voeding waardoor wij existeren. Wij grijpen omhoog naar de werelden van licht. Wij koesteren ons in het licht en wij zeggen: Al wat rond ons gebeurt is het leven.

Dag en nacht gaan voorbij en de boom blijft. Leven en dood gaan voorbij en de mens blijft. Een mens die denkt aan het rad van het levens ziet zich voort gesleurd door ontelbare beelden van kwelling en verrukking. Steeds weer keert hij terug in wisselende vormen en steeds weer wordt hij verder geslingerd door de kwelling en door de verrukking. Die mens droomt. Hij zegt: “Het leven zijn de vogels, de insecten, de slang die beschutting bij mij zoekt.” En hij vergeet dat hij zelf ‘is’.

Wanneer de boom zichzelf zou kunnen zien in al haar grootheid, zou zij nog de behoefte hebben om iets te zeggen over het leven van de insecten, over de vogels, van de slang.

Het is niet nodig om jezelf te omschrijven door het andere, wanneer je beseft te ‘zijn’. Maar het is voor ons moeilijk om afstand te doen van de werelden om ons heen en ons te bepalen aan de hand van datgene, wat wij niet zijn. En toch drijft er in ons iets. Toch is er in ons een kracht, een licht, waaraan wij nooit kunnen ontkomen.

De boom weet niet hoe de drift van haar sappen omhoog jaagt tot ze de twijgen en de bladeren bereikt heeft, om van daar weg te wasemen en één te worden met de wolken die naar zee drijven.

De mens weet niet hoe de kracht die in hem leeft, die door hem stuwt, het onbestemde dat hem drijft, niets anders is dan de eeuwigheid, die omhoog gaat door al zijn uitingen om zich weer te verenigen met die ene kracht die teruggaat tot de bron van alle dingen.

Maar soms, soms word je je bewust van die kracht. Een enkele maal vergeet je alle dingen en blijft er alleen nog maar die zindering over, deze vreemde, niet meer te omschrijven beleving, waarin je de volle vrede en het volle geluk voor een ogenblik proeft om terug te keren tot de beperking waar je bij hoort. En niemand weet dat het een dergelijk signaal is, dat terwijl de lente nog ver lijkt, de boom drijft om knoppen te vormen, zich te ontplooien en zijn volle schoonheid te bereiken.

Zo is het licht in ons. Een machtige kracht die ons los zegt van de wereld om ons heen die ons bepaalt, het is de kracht die in ons voortstuwt, die ons dwingt ons te ontplooien, al weten wij niet waarom. Eén verblindend moment is ons hele wezen teruggebracht tot de oervorm. Eén ogenblik zijn wij niet persoonlijkheid, maar zijn wij slechts de weergave van het onpersoonlijke zijn, dat misschien soort of ras genoemd kan worden.

Ik ben door vele hoogvlakten getrokken. In menig dal heb ik gerust in de dorpen. Vaak heb ik tegen de berghellingen op de kloosters bezocht, gemediteerd, gelezen, gesproken, gelachen. Zolang ik dacht dat ik het was die daar ging, was ik slaaf van mijn wegen. Toen ik echter besefte dat het gebeuren mij niet beroerde, maar dat het gebeuren als geheel iets zei van wat ik ben, toen heb ik werkelijk mijzelf gezien; uitgestrekt in de magische kloosters in het Noorden, over de stad, gaande door de Potala, gaande langs de vele sporen tot aan het laatste klooster voor de Gyantse‑pas.

Ik was deel van Tibet. En op dat ogenblik trof mij het licht. Geen verblinding. Geen verrukking. Maar een lichtende stilte, waarin ik plotseling wist wat zijn betekent. Vanaf dat ogenblik heb ik mijzelf gezocht; niet meer als de persoon die is, maar als een spoor van daden, dat gaat van het eerste begin tot het laatste einde.

Zoals de takken de vorm van de bladeren de boom bepalen, zo bepalen mijn wegen en mijn daden mijn wezen. Dat is het enig belangrijke. Wat de wereld is, is onbelangrijk, tenzij ik ben in die wereld en met die wereld. Maar dan is zij deel van mij.

Leven in kracht, leven in licht wordt door vele mensen begeerd. Mediterend zitten zij neer, jaren lang, zoekend naar de verlichting. In het duister verborgen trachten zij de kracht te vinden om boven de wereld uit te vliegen en ze bereiken niets, omdat zij zichzelf zoeken, zichzelf in de vorm die zij denken te zijn.

Maar kan één grasspriet de aard bepalen van een wereld met weiden, met bossen en woestijnen? Ik ben die wereld. Niet dat ene moment, die ene grasspriet. Dit beseffen betekent de onbelangrijkheid van de grasspriet inzien en gelijktijdig weten, dat ze onvermijdelijk is als deel van mijn wereld.

Wie waarlijk zoekt moet niet zichzelf zoeken, maar de sporen die hij getrokken heeft in het zand van de tijd.

Wie waarlijk zichzelf is, vraagt zich niet af: waar ben ik? Maar ademt de geuren van werelden met de wind mee. Dat is het zijn van het licht. Onbeperkt en toch zichzelf. Niet begrensd door één gedaante of één gestalte. En toch alle gestalten samenvattend tot één eenheid.

Wie het rad des levens gaat is als de kleine dieren van het woud of de muizen die gevangen zijn in een tredmolen. Voortdurend jaagt hij voort en hij komt niet vooruit.

Maar hij, die beseft dat het rad en de beweging zinloos zijn tenzij nodig zijn voor hemzelf, hij weet wat het rad is en hij kent zijn eigen noden. Zo kent hij de wereld waarin hij leeft. De vorm is niet belangrijk. Het wezen is alles.

Er is een kracht van licht, die je soms doet zien hoezeer je gevangen bent in de tredmolen van voorstellingen, van gewoonten, van beperkte werelden. Omschrijven kun je het niet. Het is er opeens. Roepen kun je het niet. Maar ergens in je leeft het altijd.

Wanneer je verblind bent door de zon zien je gedachten soms meer dan je ogen zagen. Zo is dit licht. Doordat alles weg valt besef je meer dan je bewust ooit gezien of beleefd hebt. Bewustzijn is de kern. Maar een bewustzijn dat niet meer zichzelf omschrijft. Het is een bewustzijn dat al het bestaande omgeeft zoals de lucht de aarde. Een mantel die alles samenvat en daardoor het leven van alles op die wereld mogelijk maakt.

Wie dwaasheid zoekt, zoekt beperking. Wie wetten zoekt, zoekt grenzen. Maar ik ben. Als het licht door mij gaat is er geen grens, is er geen wet. Ik ben mijzelf. En mijzelf zijnde ben ik de grens en wet. Maar niets bepaalt mij buiten hetgeen ik ben. Zo verbrijzelt het licht de illusie en doet je verder leven in een wereld die je niet beseft.

De boom staat als één lijn van leven tussen de onderwereld en de wolken en zij beseft dit niet. Maar zij is de uiting van al wat er leeft in de aarde, van al wat er leeft in de lucht en al wat de zon de aarde geeft. Zo zijn wij wanneer het licht ons treft.

De aarde is nog steeds de onze en ze voedt ons. De wereld rond ons en het gebeuren maken het ns mogelijk te ademen, te ontvangen en te geven. De wolken boven ons zijn nog steeds een grens die ons wezen niet kan overschrijden. Maar wij weten deze dingen niet, wij zijn er deel van

Wanneer je kracht wenst moet je eerst jezelf vergeten.

Wanneer je licht wenst moet je de moed hebben om blind te zijn.

Wanneer je de eeuwigheid wenst moet je de tijd nemen en vergeten. Dat is de waarheid.

In u leeft de waarheid. In u leeft dit licht, dat u eens zal bevrijden van de eeuwige rondgang door werelden van illusie. In u bestaat de werkelijkheid die onveranderlijk is, ook op dit ogenblik. Maar de kracht in jezelf moet je aanvaarden. Het licht in jezelf moet je beleven.

Wanneer je licht bent, ben je deel van alle licht.

Wanneer je kracht bent, ben je deel van alle kracht. Dan zijn er geen grenzen tot je denkt en grenzen stelt.

Elke mens moet leren hoe onbelangrijk zijn persoonlijkheid is. Elke mens moet leren hoe onbelangrijk de uiterlijkheden zijn die vergaan. Maar elke mens zal dan ook als antwoord het licht vinden, de kracht ervaren. Van uit zichzelf de kracht ontladen daar, waar de werkelijkheid dit noodzakelijk maakt.

De banden van de tijd zijn wonderlijk. De rovers, de krijgsman, de neringdoende, de boer en het monnikje smelten tezamen. Vormen van het verleden lossen niet op maar krijgen een andere betekenis. De daden van het verleden sterven niet uit, maar zij worden zinvol omdat zij passen in hetgeen ik ben. Dat is de waarheid die elke mens eens zal ervaren.

Zij die aan het rad gebonden zijn roepen uit: “Bevrijdt ons!” Maar niemand kan hen bevrijden tenzij zijzelf hun eigen kluisters verbreken. Mensen die door de werelden gaan beklagen zich over het duister en jubelen over het licht, maar zij vergeten dat zij zelf deze werelden zijn.

Ons allen is het gegeven het rad te breken en de waarheid te kennen. Elk van ons zal dit doel bereiken op zijn tijd; zal het bereiken op het ogenblik dat zijn vorm hem dit mogelijk maakt.

Niemand is gekluisterd en gebonden voor eeuwig. Het rad wentelt misschien zolang er nog één illusie bestaat. Maar gekluisterd aan het rad ben je slechts tot je beseft, dat jij het rad niet bent omdat het rad jouw wezen niet kan bestemmen

Telkenmale wanneer u probeert vrij te worden zult u ontdekken dat er nieuwe kluisters zijn, nieuwe grenzen en nieuwe wetten. En u zult er mee moeten leven. Maar elke keer weer zult u ontdekken, dat u kluisters kunt breken tot wetten ongeldig worden en vervangen worden door anderen. En steeds ruimer wordt uw wereld.

Zeg dan niet tot jezelf: ik verander. Zeg tot jezelf: ik word meer mijzelf. Want dit is de waarheid, die ik gevonden heb toen het licht mij trof, toen de kracht in mij bewust ervaren werd. Elke grens verdwijnt. Elke norm versmelt. Elke waarheid, die niet deel is van mijn wezen sterft. Maar wat ik ben is onveranderlijk en waar.

Wie kracht zoekt zal kracht ontvangen. Wie het licht zoekt moet bereid zijn verblind te worden. Maar hij zal het licht ontvangen. Wie de waarheid zoekt moet de tijd vergeten. Maar hij zal de waarheid vinden.

Aan het einde van alle wegen ligt één werkelijkheid. Aan het einde van alle levens is er het ene ware ik. Vrees niets. Het enige wat u kan overkomen is een benaderen van de waarheid die u bent. Verlang niets, want u kunt niets begeren, wat u reeds eigen is. Leven is de functie waardoor, zelfs wanneer het rad breekt, het licht deel blijft van uw bestaan, de kracht de kern blijft van uw vrezen en de eenheid zonder enige illusie de werkelijkheid wordt van uw alomvattend bestaan.

Het licht gloeit feller in u op dan u beseft. Zo verheug u dat u bent. Moge het u gegeven zijn dit te beseffen. Moge de kracht in u zo sterk zijn, dat je het licht niet meer vreest. Moge de werkelijkheid in u zo sterk stralen, dat je wat je bent niet verloochent. En moge het bewustzijn dat tijdloos is in u de twijfels vervangen die uw leven beheersen.

Moge het zo zijn op het ogenblik dat gij uzelf kunt aanvaarden.