Droom en daad

image_pdf

23 maart 1962

Aan het begin van deze bijeenkomst delen wij u mee, dat wij, sprekers van deze groep, niet alwetend of onfeilbaar zijn. Hopelijk zult u dus zelfstandig nadenken. Het onderwerp van hedenavond is getiteld: Droom en daad.

Wanneer wij de droom zien als de directe uiting van al, wat in de mens leeft, zo mogen wij  stellen, dat de daad zijn verwerkelijking is en mag worden omschreven als al hetgeen de mens uit zijn bewustzijn, begeren en angst tot stand brengt. Tussen droom en daad zijn zeer grote en qua betekenis vaak ook intrinsieke verschillen aan te wijzen. Een belangrijk deel van de belangrijke verschillen tussen droom en daad blijkt te stammen, uit wat men op aarde moreel besef noemt. Een mens, die droomt, de mens, die zich illusies maakt, is ongeremd daarbij. Hij bevindt zich in een wereld, waarin geen consequenties bestaan. Er bestaat geen weg, die niet kan worden ingeslagen zonder grote moeite en kosten, omdat anderen dit nu eenmaal willen beletten. Ook de noodzaak tot zelfbeheersing is veel minder. In de droom- en gedachtewereld heeft de mens alleen te maken met een voortdurende confrontatie met eigen wensen en vrezen. In de wereld van de daad wordt de mens daarentegen met geheel de wereld geconfronteerd; een wereld, die zeker niet geheel aan zijn eigen wezen beantwoordt.

In die wereld voelt de mens zich dan ook vaak wat onbehagelijk. Er zijn voor hem teveel niet te overziene factoren in deze werkelijke wereld. Daarom zal hij in vele gevallen trachten – door het kiezen van de weg van de minste weerstand – voor zich een zo aangenaam en aanvaardbaar mogelijk leven te bereiken. Zolang men in de stof leeft, zal de reactie van de wereld buiten het ik beschouwd worden als een direct antwoord op eigen wezen en alle daarin aanwezige waarden. Men kan nu wel stellen: “Wij zijn vrije mensen en/of geesten”, waaraan men dan de gevolgtrekking verbinden wil, dat men in de geest en in de stof door niets werkelijk gebonden is, maar de praktijk leert wel anders. Het geheel van het menselijk bewustzijn – insluitende alle psychische factoren – wordt tot in de hoogste fasen van volledig geestelijk bewustzijn, mede bepaald door de ervaringen, die mens in de stof op zal doen. De buitenwereld is bepalend voor alle ervaringen in de stof en geeft gestalte, zowel aan het menselijke begeren, als aan alle menselijke angsten.

Hierdoor mag worden gesteld, dat de waarden van die menselijke wereld mede alle waarden en mogelijkheden van de menselijke droomwereld bepalen, terwijl daarnaast het gehele samenspel van geestelijke en psychische waarden door deze ervaringen mede wordt gekleurd en vaak zelfs gericht. Indien men nu – zoals vele mensen – een geestelijk pad wil gaan, zal de neiging voor de doorsnee mens zeer groot zijn, daarbij tevens van zijn gedachte- en droomwereld uit te gaan, onder uitsluiting van zijn werkelijkheid. Dit is begrijpelijk, waar men in deze droomwereld immers alles aan kan treffen, wat voor het eigen Ik en eigen geluk noodzakelijk is, terwijl eigen gedachtewereld een reeks van inzichten mogelijk maakt, waardoor men zich boven de werkelijkheid kan stellen, of de waarden van die werkelijkheid in aanmerkelijke wijze vervalsen.

De mogelijkheid zichzelf boven alle anderen verheven te achten, de mogelijkheid bepaalde fasen van bewustwording door te maken, in zich God te ontmoeten, dan wel in en door zich kosmische krachten te ontketenen, liggen eveneens in de denkwereld van de mens opgesloten en zijn voor hun verwerkelijking vaak mede afhankelijk van de voorstellingen, die men in zich weet te bouwen. Deze voorstellingen beantwoorden niet aan een bestaande werkelijkheid en mogen m.i. dan ook wel als deel van de menselijke droomwereld worden beschouwd. Zolang men het innerlijk bereikte niet beproeft door het in eigen wereld tot daad te maken, is er niets, dat de hoogste voorstellingen van eigen bereiken in de weg zal staan. Integendeel in de droomwereld kan men eigen grootheid vaak zo intens beleven, dat dit bijna als compensatie kan worden beschouwd voor alles, wat men meer materieel in zijn werkelijkheid niet door daden uiten kan. Het zal u lijken, dat de droomwereld en de denkwereld van de mens wel begeerlijke en prettige dingen zijn, omdat men zich daardoor aan een groot deel van de moeilijker te aanvaarden werkelijkheid van eigen wereld kan onttrekken. Maar een dergelijke opvatting geeft aanleiding tot vele vreemde problemen. Want op het ogenblik, dat ik mijn denkwereld beschouw als bepalend voor mijn eigen wezen en de omzetting daarvan – door daden – in de werkelijkheid niet meer noodzakelijk acht, vervreemd ik zozeer van mijn wereld, dat men mij daar als waanzinnig zal beschouwen. Zeker zal ik niet meer passen in de maatschappij, waarin ik toch als mens dien te leven. Alleen door aan mijn werkelijkheid en daden een geheel andere betekenis toe te gaan kennen, dan zij in feite voor mijzelf hebben, is het mogelijk binnen de gemeenschap te blijven leven.

Er zijn op de wereld steeds weer grote aantallen mensen, die dit klaarspelen. Over het algemeen zullen zij hun dromen – al dan niet symbolisch – voor zichzelf enigszins verwerkelijken, terwijl door het gebruik van de juiste symbolen gelijktijdig een te groot conflict met de eigen wereld kan worden vermeden. Dit bereikt men in feite, door de bestaande stoffelijke verplichtingen en noodzaken in eigen droom in te weven, doch daaraan een voor het ik bevredigende verklaring te verbinden. Het is zeker, dat degene, die zo leeft, een wereldbeeld schept, dat voor het ik in grote mate bevredigend is. Maar geestelijk gezien heeft dit alles weinig zin: De ervaringen, die men in de stof opdoet, worden niet gerelateerd met de bestaande goddelijke wetten, maar alleen met de regels van eigen denkwereld.

Men leert dus God niet werkelijk kennen, maar vergroot in feite alleen de in het ik reeds bestaande waarden en intensifieert deze, zonder dat werkelijk nieuwe inzichten kunnen worden aanvaard, of van een werkelijke bewustwording en innerlijke vernieuwing kan worden gesproken. Wanneer u even nadenkt, zult u beseffen, wat dit inhoudt: Verstarring en stilstand zijn het onvermijdelijke gevolg van een dergelijke levenshouding. Het lijkt misschien aardig de mensen voor te houden, dat zij moeten dromen en denken, maar de daad moeten vermijden.

Even aardig lijkt het, wanneer iemand leert: Laat alle denken. De stof is het enig belangrijke.

Alles natuurlijk onder het motto, dat degene die zo leeft gelukkig en zalig zal worden. Maar al is de schijn misschien in het voordeel van degenen, die deze stellingen verkondigen, op den duur blijkt ook dit niet waar te zijn. De confrontatie met de werkelijkheid, die onvermijdelijk rond het ik zal blijven bestaan, maakt de dromen van de mens onevenwichtig en dwingt ook de meest onwillige stofmens, te denken. De illusies vervliegen en alleen het ongeluk blijft.

Een steeds weer voorkomend verschijnsel bij deze gevallen is het, naar men meent zonder eigen schuld en zelfs vaak zonder kenbare redenen, optreden van onverwachte invloeden van buitenaf. De wereld buiten het ik stelt haar eigen wetten en stoort zich niet aan stellingen, die een deel van de werkelijkheid verwerpen en ontkennen. Daarom wil ik op deze avond enkele punten stellen, die betrekking hebben op de droom- en denkwereld van de mens en de verhouding tot de werkelijkheid. In de droom bevat ik mede het geloof van de mens, zijn ideaal, zijn zelfrechtvaardiging. Het eerste punt in dit verband luidt dan – naar ik meen – duidelijk eenvoudig en begrijpelijk: Alles, wat je in jezelf beleeft en denkt, moet zijn aangepast – of worden aangepast – aan de werkelijkheid, die je buiten jezelf kent. Alle dromen en voorstellingen, die niet in daden kunnen worden omgezet, zijn waardeloos, tenzij door streven alsnog een verwerkelijking binnen de door u erkende werkelijkheid mogelijk schijnt.

Een tweede, even eenvoudig gesteld punt geeft aan, hoe de mens zijn geloof moet beleven: Wanneer ik werkelijk in iets geloof en dit dus in mijzelf tot een innerlijke zekerheid gemaakt heb, zal ik dit geloof ook volledig in mijn eigen wereld – voor u de stof – tot uitdrukking moeten brengen. Dit met dien verstande, dat ik – zo mijn geloof voortdurend of zelfs bij herhaling door de feiten in de werkelijkheid wordt tegengesproken – bereid moet zijn mijn geloof te herzien en aan de in de werkelijkheid blijkende feiten en mogelijkheden aan te passen. Het derde punt betreft de niet werkelijke waarden van de innerlijke wereld, die door mij werden samengevat onder het begrip “droom”. Het heeft alleen zin te denken en te dromen over waarden, die voor het ik, een erkenning van eigen wezen en wereld schijnen te bevorderen.

Met deze punten heb ik getracht in korte woorden vast te leggen, hoe de mens de problemen, waarmee hij in uw dagen pleegt te worstelen, tot oplossing kan brengen. Tevens heb ik in het voorgaande zoveel mogelijk aangeduid, welke deze problemen kunnen zijn.

Het zal u wel duidelijk zijn, dat het menselijke denken voor een zeer groot deel van de menselijke problemen verantwoordelijk kan worden gesteld. Het is eenvoudig genoeg tegen de mensen nu maar te zeggen: “Geloof nu maar en denk niet na. Want denken baart alleen maar onrust en is schadelijk voor uw zielenheil en bereiking.” Een gedachtegang, die ik ontleen aan iemand, die zegt zich te beschouwen als de op aarde herboren god. Maar het heeft geen zin de gedachten uit te schakelen, omdat de gedachte nu eenmaal een noodzakelijk en zelfs intrinsiek, belangrijk en onvermijdelijk deel is van het menselijk bestaan. Men kan niet als mens leven, zonder tevens te denken. De gedachte dient echter, evenals de menselijke daad, gelimiteerd te worden door het reeds genoemde morele besef: Er zijn nu eenmaal grenzen, waarbuiten het waarlijk mens-zijn niet meer mogelijk is en men tot een dierlijke staat terug valt. Ook het denken dient steeds gebaseerd te zijn op de menselijke waarden.

Wanneer men het denken niet limiteert, zal er tussen de gedachte en alles, wat de mens in zijn werkelijkheid kan en moet zijn, een te grote hiaat ontstaan. Daarin zou dan elk begrip omtrent eigen werkelijk wezen, ja, zelfs elk bewustzijn van menselijke waarden, taak en mogelijkheid teloor kunnen gaan, zo de mens een verdere bewustwording onmogelijk makende. Het is dus werkelijk van belang, dat de mens realist blijft, al is zijn streven mogelijkerwijze zeer geestelijk. Zelfs wanneer men zich bezig houdt met dromen en idealen, zal men de werkelijkheid nooit uit het oog mogen verliezen. Degenen, die dit niet doen komen er al snel toe hoge idealen te verkondigen, maar gelijktijdig te stellen, dat anderen het noodzakelijke maar moeten doen, dat inspanningen niet noodzakelijk zijn, want dat alles toch wel in orde zal komen enz..

Deze mentaliteit komt in uw wereld op het ogenblik zeer veel voor. Zij wordt als negatieve factor slechts geëvenaard door de opvatting, dat de mens niets behoeft te doen omdat hij toch te klein, te onmachtig, te onbelangrijk is, zodat hij toch niets kan bereiken. In beide gevallen tracht de mens de wereld, waarin hij leeft, te ontkennen en zichzelf als daarvan gescheiden of zonder mogelijkheden daarin voor te stellen. Zo tracht de mens te ontkomen aan de aansprakelijkheid, die in zijn wereld op hem rust, terwijl hij zichzelf tevens gerust stelt omtrent alle mogelijkheden, waarvan hij geen gebruik durft te maken. Door deze rationalisering van eigen daadloosheid, die in feite op een denkfout berust, verwijdert de mens zich steeds meer van de werkelijkheid en heeft hij geen werkelijk deel meer aan het gebeuren rond hem. Ik geef toe, dat men zich op deze wijze aan menige aansprakelijkheid en aan vele schuldgevoelens zal kunnen onttrekken.

Maar aan de gevolgen van dit alles in eigen wereld, zal de mens zich niet kunnen onttrekken.

Want hij is en blijft deel van de mensheid en de wereld, of hij dit nu wenst of niet. Het gevolg is meestal, dat de mens juist door zijn zich aan zijn aansprakelijkheid te onttrekken enz., rond zich alle dingen tot werkelijkheid doet worden, die hij haat, vreest of vermijden wil. Men verwerkelijkt dus door zijn weigering eigen taak in de wereld te aanvaarden, alles, wat voor het ik onaanvaardbaar is. Hieruit zal dan later vaak een schuldbewustzijn voortkomen, dat – omdat het als onaangenaam eveneens uit het ik wordt verdreven – de schadelijke gevolgen voor bewustzijn en geest nog versterkt. Realiseer u dus dat, of wij nu uitgaan van een geestelijke, dan wel een zuiver stoffelijke basis, denken en streven alleen zin heeft als men de daad wil stellen, die uit het denken noodzakelijk wordt. Men zal bereid moeten zijn al, wat innerlijk als juist wordt erkend, ook buiten het ik tot werkelijkheid te maken en om te zetten in de praktijk.

Op het ogenblik, dat men weigert een geloof, of een als juist aanvaarde gedachte, in de werkelijkheid om te zetten, zonder daaruit de gevolgtrekking te maken, dat het punt van uitgang niet juist is, heeft men in feite reeds gefaald. Gezegden als: “Het is wel zo, maar dat kun je toch niet doen…” of “De tijd is er nog niet rijp voor”, bewijzen eveneens, dat de mens de onaanvaardbaarheid binnen eigen werkelijkheid van het gestelde beseft. Indien u dit overdreven lijkt, moet u zich de zin van deze uitspraken eens realiseren: In feite zegt men met deze woorden: “Ik vind deze stelling erg mooi, ik wil dit heel graag geloven, maar het is niet zo. Het past niet werkelijk in mijn wereld.” Wat als theorie zo mooi lijkt, blijkt in vele gevallen in de praktijk geheel waardeloos te zijn.

Daarnaast zien wij dat vele waarden en mogelijkheden, die de mens als onaanvaardbaar verwerpt, in de praktijk van grote invloed en betekenis zijn, daarbij tot praktische resultaten voerende, die men dan liever maar negeert. Wanneer de mens er toe over gaat, zijn theorieën zonder meer in de praktijk om te zetten, blijkt vaak snel, dat hij op het verkeerde pad is.

Indien hij weigert dit te erkennen, zijn de gevolgen soms niet meer te overzien. In uw dagen blijkt dit op velerlei gebied. Steeds weer bemint de mens echter mooie woorden, goed klinkende stellingen en utopische idealen te zeer, om te willen toegeven – of ook zelfs maar te willen begrijpen – dat hij verkeerd handelt. Hij wijt dan de onaanvaardbare gevolgen aan alles, behalve aan zich en zijn stelling.

Telkenmale wanneer verkeerde denkbeelden in de daad worden omgezet, ontstaan er reeksen van problemen, die alleen door een zich aanpassen aan de werkelijkheid en een herzien van eigen denkbeelden kunnen worden opgelost. Wie bepaalde door godsdienst en sociale ontwikkelingen ontstane problemen een ogenblik overdenkt, zal de waarheid van het gestelde, naar ik meen, wel inzien. Goede bedoelingen voeren soms tot vreemde situaties. Voorbeeld: In het verleden speelden de kinderen hoofdzakelijk met eenvoudige speelgoederen, aangevuld met dingen, die zij overal konden vinden. Stokken, stenen, zelfs kluiten modder waren voor hen zeer belangrijk. Ofschoon dit voor hen een voldoende bevrediging van hun speelzucht inhield, begeerden zij natuurlijk ook mooier speelgoed enz.. Ouder wordende, beseften zij niet, dat ook het begeren een noodzakelijk, nuttig en onvermijdelijk deel van het kind zijn uitmaakt.

Het niet vervullen van hun begeren in de jeugd deed hen stellen: Alles wat ik in mijn jeugd gemist heb, zal ik mijn kinderen trachten te geven. Zij proberen voor het kind van heden de dromen van het verleden tot werkelijkheid te maken: Veel vrije tijd om te spelen, veel zakgeld, veel en mooi speelgoed enz.. Daarbij hebben deze goedwillende ouderen echter vergeten, dat een droom, die tot werkelijkheid wordt, veel van haar betovering verliest, vooral wanneer zij geboren wordt uit een gebrekkig besef van eigen wensen en mogelijkheden. Het gevolg: De kinderen van heden hebben veel, zo niet alles. Maar zij spelen nog evengoed als hun ouders met rommel. Dit lijkt de ouderen niet juist. Overal verrijzen speeltuinen, waar het kind onder toezicht de vrije tijd in de buitenlucht door kan brengen. Vroeger was immers een bezoek aan een speeltuin een groot feest, dat een of twee maal per jaar als bijzondere gunst werd beleefd. Zolang alles nog nieuw was, werd er wel gebruik gemaakt van de wip, de draaimolen enz.. Maar al snel bleken de speeltuinen maar matig bezocht te worden, tenzij er pressie door de ouders werd uitgeoefend. Menig kind gaf de voorkeur aan een zwerven over de straat zonder toezicht.

Dit verschijnsel werd door deskundigen uitgebreid bestudeerd. En na lang zoeken ontdekten de psychologen, dat het wel eens beter zou kunnen zijn, aan de jeugd een terrein ter beschikking te stellen, waarop geen mooi speelgoed aanwezig is, maar wel hopen zand, stenen, oud hout e.d., zodat de kinderen hun eigen spel en speelgoed daaruit zouden kunnen improviseren. De hiermee genomen proeven tonen zonder twijfel aan, dat de kinderen uit eigen beweging regelmatig deze terreinen bezoeken en hier intens en vreugdig spelen, terwijl leeftijdsverschillen klaarblijkelijk op deze nieuwe speelterreinen niet zo belangrijk zijn als op de volgens oudere zienswijzen ingerichte speeltuinen. Na bijna twee generaties heeft men dus opnieuw ontdekt, dat juist eenvoudig en ruw materiaal, de noodzaak tot improviseren enz. het kind de mogelijkheid bieden, eigen dromen en gedachten te verwerkelijken en zich werkelijk uit te leven. Voor het kind en zijn ontwikkeling blijkt dus deze methode beter, ook al zullen volwassenen hun spel minder lief en aardig vinden.

Laat ons even bij dit voorbeeld aanknopen: Vele goedwillende mensen gaan uit van het standpunt, dat zij de wereld voor degenen, die na hen komen, beter en veiliger moeten maken, dan zij in hun dagen ooit is geweest. Hierbij houden zij rekening met hun eigen verlangens, niet met de menselijke noodzaken en mogelijkheden, zoals die werkelijk bestaan. Daardoor komen zij tot leuzen als: “Nooit meer strijd om het bestaan. Geen sociale onzekerheden meer. Een huis voor iedereen, of hij dit verdient of niet.” Zij eisen voor een ieder luxe en bezittingen als normaal, waarvan vroeger alleen de rijksten durfden dromen. Zij verliezen echter uit het oog dat, wanneer men alle mogelijkheid tot zelf doen tot het zelf iets verwerven of bereiken, wegneemt, de problemen van de mensheid in feite groter zullen worden dan tevoren. Want alles, wat men de mens om niet geeft, of opdringt, bezit hij wel, maar zal hij nimmer op waarde kunnen schatten.

De mens zal steeds meer als zijn recht dingen gaan eisen, die ongerijmd zijn, zal steeds agressiever worden tegenover de maatschappij. Tot er – misschien over 100 jaren – een beroemde socioloog of psycholoog stelt: “Het is niet goed, de mens te veel zekerheid te geven. Om gelukkig te kunnen leven heeft de mens zekere strijd nodig. Ook zal men een einde moeten maken aan de normalisatie van meubelen, woningen enz. Want door de mens de mogelijkheid te ontnemen zichzelf uit te leven in zijn bereikingen, zijn bezit, kortom alles, wat werkelijk van hem is en nergens anders zo bestaat, dwingt men hem, een andere wijze van zelfbevestiging te zoeken met alle nadelen, daaraan verbonden”. Dit zal het begin zijn van een werkelijke vernieuwing, waarbij de bereikte voordelen voor een deel behouden blijven: Een ieder zal kunnen beschikken over hetgeen werkelijk noodzakelijk is om in leven te blijven, terwijl men op eenvoudige wijze zal kunnen beschikken over de grondstoffen, waaruit men voor zich of anderen iets wil vervaardigen.

Daarmee zal de mens dan de mogelijkheid gevonden hebben, om werkelijk gelukkig te zijn op aarde. Een ieder zal immers zoveel of zo weinig kunnen werken als hij wil, maar voor alles, wat het leven waarde geeft, hard moeten werken. Met alles, wat hij voor zichzelf gewonnen en geschapen heeft, plus de zekerheid, dat dit alles inderdaad zijn eigen werk is, zal de mens vrede vinden. Misschien doet u er beter aan, dit alles als een voorbeeld te beschouwen. Want het zal nog enige tijd duren, voor men dit alles zelfs maar zal willen overwegen. Toch ligt hierin de oplossing van vele problemen, die op het ogenblik de mensheid steeds verder van vrede en geluk schijnen te verwijderen. Spreekt uit dit alles niet duidelijk het verschil tussen droom en daad? Denk niet, dat ik deze voorbeelden en waarden alleen gebruik om tot een abstracte bespreking te komen. Al het gestelde is gebaseerd op de werkelijkheid en hangt samen met de invloeden en problemen, die ook in uw dagen de wereld beheersen. Het zal zelfs noodzakelijk zijn, nog hardere waarheden uit te spreken vanavond.

Ik zou natuurlijk – zoals zovelen op aarde doen – de kern van de zaak kunnen omzeilen. Dan hoeft men alleen maar de wil Gods, de duivel, de maatschappij, het menselijke fatsoen en de zondigheid van de mens in het geding te brengen. Daarmee kan men alle dingen weg verklaren. Het is op deze wijze mogelijk de tegenstellingen tussen droom en werkelijkheid, tussen geloof en beleving, te omzeilen. Denk echter niet, dat men met een beroep op deze waarden om de onvolkomenheden van de mens, de wereld en het geloof werkelijk teniet kunnen worden gedaan. Het blijft noodzakelijk, praktisch en eerlijk na te denken over alle problemen, waarmee men geconfronteerd wordt. Wanneer ik dus in mijzelf een droom draag, een ideaal, een geloof, moet ik mij wel degelijk de moeite getroosten na te gaan, of dit werkelijk zo kan zijn, of ik dit nu werkelijk zo zou wensen.

Nogmaals: Met droom bedoel ik niet het dwalen van de gedachten in de slaap of een innerlijke speculatie, waarbij wij bv. eens trachten na te gaan wat wij wel zouden doen, wanneer wij de 100.000 eens zouden winnen. Wij zullen er niet snel toe komen dergelijke dromen als bepalend voor onszelf en onze wereld te zien. Ik bedoel de dromen van grootheid, de eigenwaan, het ideaal, de dromen, die weergeven, wat men meent te zijn en wat men in de wereld tot werkelijkheid zou willen zien worden. Want er zijn verschillende dromen.

Er zijn dromen, waarin wij niet geloven, maar waarmee wij alleen spelen. Er zijn dromen waarin wij geloven. Er zijn ook dromen, waarin men de eigenschappen uitleeft waarvan men zich niet bewust is, of niet bewust wil zijn. In de wensdroom bv. etaleert de mens zijn verlangens voor zichzelf, maar realiseert hij zich ook vaak, hoe rijk hij in feite reeds is. Gevaarlijk worden dromen pas, wanneer men een droombeeld in de werkelijkheid gaat projecteren.

Voorbeeld: Wanneer de directeur, de gemeenteraad, de staat, dit of dat nu maar zou doen, dan zou ik…. Deze laatste droom schept n.l. een beeld, dat men in de werkelijkheid waar wenst. Indien men zich niet de feitelijke waarde en mogelijke gevolgen van het droombeeld realiseert, komt men door het vaak herhalen van een dergelijke droom er al snel toe, van de directeur, de gemeenteraad, of de staat, de vervulling van zijn droom te eisen, terwijl geen enkel recht of zelfs maar een mogelijkheid daartoe bestaat.

Men dient deze innerlijke beelden te ontleden om meer omtrent eigen wezen, mogelijkheden en toestand te kunnen beseffen. Ik zal als voorbeeld hiervoor een in moppenblaadjes vaak geëxploiteerde situatie nemen, die zeker mag gelden als een in menigeen levend droombeeld: Een man krijgt een erfenis. Prompt begeeft hij zich naar zijn directeur, die hij bekogelt met inktflessen, prullenmanden enz., tot deze een ware carnavalsfiguur is. Op zich is dit verhaal dwaas. Maar het weerspiegelt de innerlijke wensen en behoeften van zeer velen, die zich minderwaardig, miskend en misacht gevoelen. Natuurlijk beseft men zeer wel, dat men dit niet kan doen. Dat dit dwaasheid is. Maar hoevelen zouden innerlijk toch wel een dergelijke reeks van handelingen willen verrichten? Ik meen, dat dit er meer zijn, dan u denkt.

Op zich is dit alles niet belangrijk. Maar een mens die met wellust een dergelijke mogelijkheid overweegt, zou er beter aan doen, zich eens af te vragen, wat er eigenlijk met hem of zijn werk niet in orde is. Want daar hapert iets. Men doet er dus goed aan zich af te vragen of men wel geschikt is voor zijn werk. Men dient zich af te vragen: Ben ik voor het werk, dat ik doe wel werkelijk geschikt? Is er disharmonie in mijn werkkring? Zo ja, waaraan ligt dit? Zou het voor mij niet beter zijn een andere werkkring te zoeken, of zelfs een geheel andere arbeid te zoeken? Ik ben er van overtuigd, dat men in vele gevallen voor zich toegeeft, dat men eigenlijk niet geschikt is voor zijn werk, dat de werkkring eigenlijk niet de juiste is. Men voegt daar dan aan toe: als ik nu ga veranderen, word ik er bijna zeker minder op. Indien dit het geval is, lijkt het mij dienstig, dat men zichzelf nog afvraagt, of het toch niet beter zou zijn, met iets minder tevreden te zijn, maar gelukkiger te leven en beter werk te presteren.

Want het is zeker, dat de mens die zich de werkelijke betekenis van zijn geloof, idealen en dagdromen realiseert en daaruit zijn consequenties weet te trekken, in staat zal zijn vele, voor hem belangrijke waarden, in zijn leven te wijzigen. Doet men dit, dan zal men over het algemeen in het leven verder komen en geestelijk meer vruchten daarvan kunnen plukken.

Zoals reeds werd gezegd, is het grootste verschil tussen de droom en de realiteit wel, dat men in de droom de consequenties van zijn wensen kan vergeten. De doorsnee mens beseft dit goed genoeg, om in dromen een uitlaat voor zichzelf te zoeken. Hij weigert echter, bij een overbrengen daarvan naar de werkelijkheid, of zelfs maar in het denken zelf, met de mogelijke gevolgen in de werkelijkheid rekening te houden. Daarin schuilt nu de grootste fout, die al evenzeer kan optreden hij esoterisch denkende mensen.

Innerlijke bewustwording, roepen deze laatsten uit. Zij keren in zichzelf en bereiken misschien een harmonie met de hoogste sferen. Dan keren zij terug, misschien de grootste wijsheden van het Al in zich dragende. Maar zij durven deze wijsheid niet te uiten. Zij durven aan al, wat zij innerlijk bereikt hebben, geen uiting, aan de besefte noodzaken, geen gevolg te geven. Een verklaring daarvoor hebben zij snel gevonden: Men zou kunnen denken, dat ik gek ben. En mijn baas is zo orthodox, dat hij mij misschien wel zou ontslaan, wanneer ik de erkende waarheden zou verkondigen… Maar kan een mens, die zo reageert op zijn bereikte innerlijke harmonie, het innerlijk verworven Licht en kennis, nog wel in waarheid stellen, dat hij contact heeft met de hoogste geestelijke krachten? Ook indien een enkele maal dit contact met het hogere werkelijk bereikt werd, zal het zich zeker niet meer herhalen. Want wie zijn innerlijke waarheid niet durft te leven, zal nimmer werkelijke harmonie met het hogere kunnen vinden.

Sterker nog: wie in zich de hoogste waarden en waarheden erkent, eeuwige krachten dus, maar daaraan uit angst voor tijdelijke gevolgen geen uiting durft geven, deugt niet.

De verontschuldigingen van de minder bewuste mensen mogen hier niet gelden. Want er is een groot verschil tussen de weigering van de meer bewuste, een innerlijke waarheid ook tot uiting te brengen en de eenvoudige huichelarij van de minder bewuste mens. Misschien is het goed, ook op dit gebied, de eenvoudige huichelarij, een voorbeeld te geven. Er zijn vele mensen, die ter kerke gaan, omdat dit voor hun zaak goed is, of hun baas dit op prijs stelt. Zolang men de kerk als redelijk belangrijk beschouwt en de daar gebrachte leringen niet verwerpt of bespot, kan men met dit gedrag vrede hebben. Zodra iemand, die om deze redenen ter kerke gaat, echter de kerk innerlijk veracht en verwerpt, haar leerstellingen belachelijk vindt, is het niet meer aanvaardbaar, dat hij zo handelt. Door zijn vroom ter kerke gaan betekent dan, dat hij zichzelf verloochent, zijn innerlijke waarheid prijs geeft en zo, door het scheppen van een grote tegenstelling tussen innerlijke werkelijkheid en daad, voor zich een toenemende reeks van disharmonische aspecten tot stand brengt.

Zo iemand erkent innerlijk, dat hij een huichelaar is en veracht zichzelf daarom. Dit betekent, dat men zichzelf ongelukkig maakt, tenzij men er iets aan doet. Men kan niet volstaan met eenvoudig een scheiding aan te brengen tussen zijn innerlijk bewustzijn en zijn uiterlijke wereld, beiden als geheel afzonderlijk en van elkaar losstaande beschouwende. Niemand kan volstaan met het eenvoudig stellen van een scheiding tussen uiterlijke en innerlijke werelden.

Men kan toch ook niet zeggen: In mijzelf ben en kan ik alles. Maar zodra het op de werkelijkheid aankomt zal ik mij wel door anderen laten leiden, want ik wil geen aansprakelijkheid aanvaarden. Wanneer men de problemen van deze tijd ernstig beziet ontdekt men al snel, dat juist hier “des Pudels Kern” ligt. Men dient overigens wel te beseffen, dat er een verschil is tussen een zoeken en een geloven, een werkelijk aanvaarden.

Wanneer u hier komt luisteren, is het zeer wel mogelijk, dat u niet gelooft in alles, wat hier als waar wordt gesteld, maar alleen hoopt, dat het misschien eens waar zal zijn. In dat geval kunt u rustig uw eigen weg gaan en behoeft u zich van onze lessen niets aan te trekken. Maar indien u gelooft, dat, wat wij stellen en leren, waar is, indien in u iets leeft, dat onze stellingen bevestigt, ontstaat voor u daarmee ook de verplichting, de leringen in de daad om te zetten.

D.w.z. dat u de naastenliefde en de verdraagzaamheid in de praktijk dient te beoefenen. Ook, wanneer dit toevallig minder goed uitkomt, of uw hoofd er eigenlijk niet naar staat. Overigens is het vreemd, dat zovele mensen de mond vol hebben over naastenliefde, maar er feitelijk niet aan doen. Desnoods zijn zij nog bereid om wat te geven aan het Rode Kruis. Maar wanneer een mens valt en daarbij vuil wordt, neemt men zich niet de moeite, deze mens te helpen opstaan, dan zou men misschien zelf vuil worden. En dat wenst men niet.

Sprekender is nog het feit, dat velen gaarne bereid zijn, iemand van eigen ras of eigen stand bij te staan, maar iemand van een andere stand of huidskleur niet helpen. Die moeten maar voor zichzelf zorgen. Toch is men door het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde stand niet meer of minder mens dan anderen. Dit laatste zal overigens geen weldenkende mens ontkennen. Alle mensen zijn in de eerste plaats mensen. Degenen, die menen verschil te moeten maken, zullen dit voor zich toch ook wel beseffen. Zij weigeren echter dit te aanvaarden en gaan dus met een vals beeld van de wereld en de werkelijke betekenis van naastenliefde door het leven. Men beseft dit wel, maar wil het voor zich niet toegeven. Wanneer men innerlijk erkent, dat naastenliefde en verdraagzaamheid goede en mooie dingen zijn, dan dient men deze niet alleen beperkt, voor een bepaalde groep, of volgens conveniëntie in de daad om te zetten. Dan dient men de idee geheel en zonder voorbehoud in de praktijk over te brengen, niet wanneer het zo uitkomt, of men er voor in stemming is, maar altijd.

Bedenk, dat iemand, die openlijk bepaalde idealen huldigt, maar deze alleen in de praktijk omzet, wanneer het hem toevallig zo past, niet eerlijk is. Wie de dingen, waarin hij gelooft, de waarden die hij openlijk beleid, niet durft te leven, is een waardeloze figuur. Natuurlijk is het niet prettig, wanneer deze dingen te openlijk en te duidelijk worden gezegd. Ik kan mij voorstellen, dat sommigen hierin zichzelf herkennen en zich ergeren. Maar de idee, de droom, is immers alleen een basis, een punt van uitgang? Eerst de daad zal bewijzen, wat u werkelijk betekent, hoever u werkelijk zult komen, wat u werkelijk zult zijn. Geestelijk zowel als stoffelijk. De droom, de idee, de gedachten, leggen verder aan de geest zowel als de stof, verplichtingen op: Men dient uit het gerealiseerde en de innerlijke overtuiging voor zich een bewustzijn van eigen taak te verwerven en deze naar beste weten te vervullen. Mijn broeders en ook ik zien het niet alleen als onze taak u te onderrichten en te helpen, maar menen ook u soms een spiegel voor te moeten houden. Dit zal soms zeer diplomatiek en zacht worden gedaan. Een andere maal spreken wij hard en duidelijk. Wij beseffen immers heel goed, dat, indien wij de onaangename punten vermijden en u alleen spreken over onderwerpen, waarvan u gaarne hoort, wij tekort schieten. Dan zouden ook wij niet deugen. Want ook wij hebben de plicht, al wat wij innerlijk als waar erkennen, om te zetten in de daad.

Vanuit ons standpunt is een gehoor, dat boos wegloopt, maar de waarheid heeft gehoord, dan ook verre te verkiezen boven volle zalen vol mensen, die ons aan zwijmelen en haast aanbidden, maar huiswaarts keren zonder iets geleerd te hebben, zonder ook maar een enkel bruikbaar denkbeeld, of een nieuw gezichtspunt gevonden te hebben. Wij dromen er wel eens van, een gehoor te vinden, dat naar onze ervaringen en leringen wil luisteren, zonder onmiddellijk alle onaangename lessen als alleen voor anderen van toepassing te beschouwen. Zolang de mens echter zijn droom, zijn ideaal en innerlijke wereld niet aan de werkelijkheid durft te toetsen, zal dit wel een droom blijven, ondanks alle moeite, die wij ons getroosten om dit te bereiken. Voor ons betekent de daad, die uit onze droom voortvloeit, dat wij naar de wereld moeten gaan, om daar te spreken zonder aanzien des persoons; de waarheid zeggende, wanneer dit noodzakelijk is. Het is onze taak, alles, wat in ons vermogen ligt, te doen om de mensen harmonischer, rustiger, bewuster te maken. En dit zullen wij doen, ongeacht de vraag; of ons dit nu wel convenieert, of dit voor ons en anderen nu wel aangenaam is.

Ik zou willen, dat ook u uw eigen leven eens zou willen bezien, zonder steeds weer naar compromis te zoeken. U draagt in uzelf dromen en gedachten, die u niet durft te uiten, nietwaar? U leeft immers in de wereld, en die wereld zelf is de reden, dat u niet tracht uw dromen waar te maken. Wanneer u kunt beseffen, waarom u in feite uw dromen niet in daden om durft of wilt zetten, heeft u reeds een schrede in de goede richting gedaan. Indien u zich bovendien kunt realiseren, dat het noodzakelijk is uw innerlijk leven en dromen in overeenstemming te brengen met uw leven in de wereld rond u, voor uit het leven in de stof, voor de geest werkelijk nuttige lessen te puren zijn, heeft u een tweede schrede gezet op het pad, dat naar de ware bewustwording en het harmonische leven voert. Belangrijker dan deze punten is het m.i. echter, dat een mens leert, eerlijk en oprecht voor zich te stellen: Al wat ik denk en al wat ik uit is een eenheid, daarom wil ik geen onderscheid meer maken tussen de wereld in mij en de wereld buiten mij, maar een werkelijke harmonie in geheel mijn wezen met al mijn krachten nastreven.

Laat ons nog even de aandacht richten op de innerlijke wereld van de mens. Daarin komen vaak waarden uit andere dan de stoffelijke wereld tot uiting. Maar men kan de waarden van een bepaalde sfeer niet voor zich werkelijk maken, terwijl men de eigen wereld geheel terzijde stelt. Men zal op den duur moeten beseffen, dat al, wat er in een sfeer gebeurt, de mens op aarde niet aangaat, zolang daarvan geen krachten of mogelijkheden op zijn eigen – stoffelijke – wereld voortkomen. Wel kan worden gesteld, dat men gedurende de tijd dat men zonder besef van de aarde of een stoffelijke binding in de sferen werkzaam is, deze sfeer en haar waarden tot de eigen geestelijke vorming bij zal dragen. Men mag echter nimmer pogen de maatstaven van een andere wereld op de eigen wereld zonder meer van toepassing te verklaren. Elke wereld kent nu eenmaal haar eigen wetten, mogelijkheden en krachten. Dezen kunnen niet zonder meer in een andere wereld gebruikt worden, omdat zij zeer wel met de daar geldende wetten en mogelijkheden in strijd zouden zijn, zodat negatieve werkingen hieruit voort zouden komen.

Wanneer men in het leven faalt, zal het goed zijn zich onmiddellijk af te vragen, waarom?

Daarbij kan het vooral voor mensen, die de esoterische weg gaan van belang zijn, zich tevens af te vragen, of men aan eigen wereld geen eisen stelt, die alleen in een andere en hogere wereld gesteld zouden mogen worden. Blijkt dit niet te bepalen, zo zal men nagaan, welke delen van eigen leven en denken als belangrijk worden beschouwd, zonder dat men zich een verwerkelijking daarvan op de stoffelijke wereld kan indenken. Daaruit zal men dan reeds af kunnen leiden, welke delen van het eigen denken niet direct tot de eigen wereld behoren, zodat men deze verder buiten beschouwing kan laten. Maar ook de geest moet binnen de stof mede tot uiting komen. Daarom vrage men zich tevens af: In welk opzicht en om welke redenen leef ik niet, zoals ik voor mijn eigen gevoel eigenlijk zou moeten leven? Een eerlijk antwoord op deze vraag zal duidelijk maken, dat men zich in vele gevallen, door in feite onbelangrijke factoren terug laat houden van een leefwijze, die volgens eigen gevoel goed is en gelukkig maakt.

Heeft men voor al deze vragen een antwoord gevonden, dan heeft men tevens een verklaring voor eigen depressies, voor de oorzaak van vele ziekten en tegenslagen. Men heeft eigenlijk voor zich beantwoord, waarom de wereld zo wreed en zinneloos lijkt, waarom het leven soms zo hard lijkt, waarom anderen geen begrip voor u hebben. Want al deze dingen, worden uiteindelijk grotendeels veroorzaakt door de ontwijking van eigen werkelijke levenswaarden door de mens. Nu zou u misschien hieruit de conclusie willen trekken, dat wij dus alles, wat in ons leeft, zonder meer door ons uitgeleefd kan en mag worden. Ook dit is niet waar. Wij hebben nu eenmaal te maken met de menselijke moraal. Wij mogen daartegen niet ingaan, wanneer daardoor in ons een schuldbewustzijn zou kunnen ontstaan. Want een je bewust zijn van schuld betekent innerlijke disharmonie en daardoor ellende. Verder dient men zich te realiseren, dat men niet geheel zichzelf kan zijn, wanneer men niet geheel meester over eigen leven en lot is, maar van buitenaf door vele, door het ik niet van tevoren te bepalen of te beheersen invloeden, geregeerd wordt. Zolang u werkelijk en geheel meester van uw eigen lot bent, kunt u leven zoals u wilt. Dan zou men alle dromen zonder meer in werkelijkheid om kunnen zetten. Er zijn echter in het leven vele invloeden, die men niet alleen kan verklaren door een terug grijpen op eigen lot en karma. Er bestaan invloeden, waarvan een verklaring vanuit eigen wezen niet mogelijk is tenzij men stelt: Ik ben deel van dit ras en ben aan het lot van dit ras gebonden, ook wanneer ik zelf daaraan geen schuld heb, of de gebeurtenissen niet kan beschouwen als gevolg van mijn eigen verdienste. In deze dagen kan men bv. stellen: Ik leef in een wereld, die mij naar alle kanten opjaagt, zonder dat ik dit wil of zelf veroorzaak. Ik word meegesleurd in ontwikkelingen, die zeker geen deel van mijn eigen streven, wezen of karma zijn. Wie dit in deze dagen stelt, heeft zeer waarschijnlijk gelijk, zelfs indien wij rekening houden met alle vroegere ontwikkelingen. Buiten het eigen levenspatroon, dat door eigen keuze a.h.w. ontstaat, heeft de mens nog te maken met het kosmisch patroon. Er zijn kosmische wetten, die ook de aarde als geheel leiden en binden. Dank zij deze wetten kunnen wij zeggen, dat de mens – en een deel van de geest – onderdanig zijn aan reeksen van kosmische invloeden. Op aarde kan men deze uitdrukken door curven – grafische slingerlijnen – die het verloop van de invloeden weergeven. De beïnvloedingen, die wij weergeven door deze lijnen, zijn bindende factoren, waaraan wij niet  kunnen ontkomen.

Indien ik op aarde leef, dan mag mijn streven nog zo hoog geestelijk zijn, op een dieptepunt van een materialistische invloed, zal ik in mijn vergeestelijking nooit verder kunnen komen dan een onthechting, die gelijk is aan de nullijn, die de slingeringen van de curven in positief en negatief deelt. Iemand, die met dezelfde capaciteiten leeft in een periode, dat een invloed van hoog geestelijke aard haar hoogste punt bereikt, zal veel verder komen en een bewustzijn bereiken, dat ver het normaal menselijke te boven gaat. Aan deze invloeden en de stimulans of de beperking die zij voor ons streven betekenen, kunnen wij zelf niets doen. Het streven kan gelijk blijven en toch in resultaat voor een deel bepaald worden door de invloed – of heerser – die in de kosmos beheersend optreedt.

Indien dit alleen voor uw stoffelijke wereld het geval zou zijn, zou u dit misschien onrechtvaardig kunnen noemen. Maar dezelfde heersers hebben zeer grote invloed in een groot deel van de geestelijke werelden. Hun invloed is daarin n.l. kenbaar binnen elke sfeer, die vorm kent en binnen bepaalde sferen, die wij wel klankwerelden noemen, omdat zij geen vorm kennen, maar de daar heersende trillingen nog lager zijn, dan voor een werkelijk geheel lichtende wereld verwacht kan worden. Daarom zal men met het volgende rekening moeten houden: Wanneer mijn denkbeelden en dromen sterk verschillen van mijn werkelijke leven – terwijl dit een zich ontwikkelende tendens, zowel bij mijzelf als bij anderen blijkt te zijn – kan ik aannemen, dat hierbij een kosmische invloed optreedt. Het is duidelijk, dat men in zijn leven rekening dient te houden met alle kosmische invloeden, waarvan het bestaan en de inwerking daarvan beseft wordt. Dan zal men zijn daden niet alleen door het eigen denken moeten laten beheersen, maar bovendien in dit denken de invloed van de kosmische tendensen verwerken, terwijl ik ook in mijn dromen en idealen zoveel mogelijk een erkennen van deze inwerkingen zal vastleggen.

Gezien uw reacties meen ik er goed aan te doen nu nog even door te gaan op de kwestie van het karma. Karma is de wet van oorzaak en gevolg, tot uiting komende in de belevingen van het ik, tot uiting komende ook in achtereenvolgende toestanden van zijn. In deze opeenvolgende toestanden van zijn zal een volledig beleven van het ik en het karma nooit mogelijk zijn. Elke beleving komt voort uit de voorgaande en wordt gesuppleerd door van buiten komende invloeden. Mijn feitelijk lot zal dus de resultante zijn van de kosmische invloeden, die ik onderga, plus de gevolgen van mijn vroegere leven, plus mijn eigen aanpassing aan de omstandigheden, waarin ik mij bevind. Deze dingen maken de inhoud van mijn werkelijke ik verder uit en zullen ook de mij psychisch beheersende factoren bevatten en omschrijven. Dan kan eveneens gesteld worden, dat het eigen droom- en denk-leven mede een uitdrukking is van dit geheel en daarom een aanwijzing zal zijn voor de ideale belevingsmogelijkheid binnen de bestaande condities.

De innerlijke wereld zal, zolang ik haar i.v.m. de werkelijkheid durf te brengen en weet te maken tot een besef, dat ook in daden kan worden omgezet, zal mij in overeenstemming met de kosmische heerser aanpassen aan eigen karma of noodlot, mij kunnen voeren tot alle ervaringen, die ik voor een zo snel mogelijke bewustwording nodig zal hebben. Een gebruik maken van deze mogelijkheid heeft voor mij twee voordelen: Ik leef juister en harmonischer, maar tevens gelukkiger. Dit betekent niet, dat men op deze wijze nu altijd een stoffelijk succes zal zijn, rijkdommen of achting zal kunnen verwerven. Wel wil het zeggen, dat men gelukkig en vredig leeft, dat men uit het leven de beste waarden weet te putten, terwijl het eigen bewustzijn voortdurend groeit.

Dankzij dit laatste zal men de ongunstige invloeden van het karma, de onaangename omstandigheden van het leven, steeds meer om kunnen buigen, zodat een voortdurende verbetering van mogelijkheden op alle gebied en voor alle toekomst resulteert. Wanneer ik in de laatste tijd enerzijds de waanzin, het negatieve sterk zie toenemen – in het leven zelf, zowel als in het meer occulte en religieuze – terwijl aan de andere kant vele zuivere en positieve krachten en bestrevingen tot uiting komen, meen ik te mogen stellen: Wie in reinheid en in waarheid droomt van Goddelijke streven, kennende en levende het eigen wezen zonder vrees of begeren, zo zonder aarzelingen eigen wezen gaande, kent het Licht. Anderen, die in hetzelfde bestaan, zullen reinheid niet erkennen in haar ware gedaante en zich illusies scheppen, zo ten onder gaande aan hun onvermogen eigen waarheid nog te erkennen.

Er zijn op het ogenblik leermeesters aanwezig van zeer groot belang en zeer lichtend vermogen. Zij brengen waarheden zo lichtend, zo onmiddellijk bruikbaar voor het dagelijkse leven en toch ver doordringende in het leven van de ziel zelf, de geest verlichtende, dat deze dagen tot de meest lichtende tijden gerekend moeten worden, die de mensheid in vele duizenden jaren heeft kunnen aanschouwen. Gelijktijdig zien wij de waan en de demonie van de mensheid zich ontplooien. De mensen weigeren vaak om rekening te houden met de waarheden van zowel uiterlijke als innerlijke werelden. Zij weigeren de werkelijkheid onder ogen te zien, weigeren hun leringen en stellingen aan te passen aan de feiten. Wie dit alles beziet, is geneigd dit alles te beschouwen als het begin van de slag bij Armageddon. De tot uiting komende kwade krachten blijken grotendeels uit de mensheid zelf te stammen en vinden al te vaak hun oorzaak in het menselijk onvermogen daden en denkwereld tot eenheid te brengen. Deze krachten zijn sterk. Het Licht, dat op het ogenblik steeds sterker de wereld beroert, kan dan ook niets anders doen dan een strijd voeren tegen dit duister in de mens, zoals voordien het Lichte langere tijd heeft gestreden tegen kwade en demonische machten, die deze wereld omringen. Een strijd overigens, die nog gaande is, ook al nadert zij haar einde. Er kan geen belangrijker strijd worden gevoerd voor de mensheid, dan deze strijd van het Licht tegen de bezetenheid en de waanzin. Het resultaat zal niet alleen bepalen, of de wereld voortbestaat, maar ook, of de mens, mens kan blijven.

In de lichtende krachten van de geest is het vermogen ontwaakt u steeds duidelijker te doen inzien en erkennen, wat waar is. Ook in u wordt – of u nu gevoelig bent of niet – steeds sterker de strijd tussen uw illusies, uw begoocheling en de werkelijkheid van de Eeuwige kenbaar.

Wanneer u reëel durft zijn en uw innerlijk beseffen en streven in een daad weet om te zetten, doorstroomt u een zó sterk Licht, een zo grote vloed van weten, dat u deze dagen kunt ondergaan als de meest lichtende en vreugdige tijd van uw leven. Wie weigert de waarheid omtrent zichzelf en de wereld onder ogen te zien, wie zijn ideeën belangrijker acht dan de feiten, vindt in deze dagen toenemende verwarringen en uiteindelijk een afgrond van wanhoop. Vele mensen zullen dit niet zo uitdrukken, maar eerder uitgaan van het standpunt: Laat ons nog de laatste vruchten van het leven plukken, laat ons nog een laatste maal alle geneugten van de wereld proeven, voor onze wereld ondergaat.

Maar de roos, waarvan men de geur nog zou willen genieten, valt tot as uiteen in je handen. De dronk, die zo zoet lijkt, wordt bij het drinken tot gal en bitterheid, want de vreugde van de wereld, die op waan gebaseerd is, kan niet echt meer zijn. Zij zijn reeds nu een voorproef van de ondergang. Juist omdat de mens van heden voor een dergelijke belangrijke keuze staat, wil ik nog trachten u te tonen, wat de weg is, volgens ons besef.

In deze tijd is het niet meer voldoende te zeggen: “Heb je naasten gelijk jezelf lief”, om nimmer verder dan de woorden te gaan. De naaste liefhebben gelijk jezelf betekent in deze dagen, zonder uitzondering elke naaste liefhebben, in elk opzicht, dat belangrijk is, of goed voor de ander, zolang het eigen Ik daardoor je niet van je God verwijderd en zijn Licht verliest.

Wanneer men stelt, dat men God moet dienen en liefhebben boven alles, zo is dit heden inderdaad geworden tot de noodzaak desnoods geheel de wereld uit te dagen ter wille van de God, die in je woont. Indien men niet alles over heeft voor zijn God, zal het Licht, dat men bezit, al snel tot duister worden en zal de God, die wij menen te aanbidden, ons aangrijnzen als een lachende demon. Dromen is goed, omdat er in de dromen geen banden bestaan, maar een droom, die geen daad wordt, is in deze dagen een nutteloze belasting van het eigen innerlijk, dan wel een verloochenen van eigen taak op aarde. Daarom dient ook de droom de noodzakelijke banden te beseffen. Waarlijk, er zijn krachten in deze dagen zo groot, machtig en sterk, dat elke mens daardoor in staat wordt gesteld zijn God in zich te beseffen en de krachten van die God in zich te verwerkelijken.

Daarom stellen wij: Indien je je dromen erkent als goed, is dit de tijd om die dromen waar te maken. Dit is de tijd om tot de wereld te zeggen: Niet langer wil ik een speelpop zijn van uw denken en uw beperkingen. Innerlijk wil ik de krachten van de kosmos erkennen en deze – tezamen met de God die in mij woont – zullen mij maken tot hetgeen ik moet zijn om mijn wezen te vervullen en mijn plaats in de schepping in waarheid in te nemen. Denk niet dat dit slechts woordenspel is. U zult in toenemende mate bemerken, hoe dit alles u a.h.w. wordt opgelegd. De komende jaren maken een einde aan het voortdurende compromis met de wereld en jezelf, ook al weet men, dat dit niet goed is, ook al wenst men eigenlijk anders te leven.

Wie denkt door een compromis iets te kunnen behouden, zal bemerken, hoe alles hem ontvalt en geen mogelijkheden hem over blijven De dingen, die u verheerlijkte en loofde, terwijl u wel wist, dat zij niet waar en echt waren, breken onder u weg.

Dit is een tijd van beproeving voor de mensheid en voor allen. Het is een tijd, die voor niemand een tijd van kwelling behoeft te zijn. Het is een tijd, waarin de mens voor zich moet beslissen, wat hij wil doen: Leven in waarheid, of ondergaan aan zijn dromen. “Indien u in uzelf de waarheid zaait, zult u een rijkdom van begrip en Licht oogsten. Zo u in u de leugen heiligt en haar zaait, zal zij u verstikken. Indien u weet te antwoorden op het goede, dat in uzelf en de wereld leeft, zal de wereld zelf u dragen tot de vervulling van uw bestemming. Wie zichzelf zoekt en slechts zichzelf ziet als centrum van leven en kosmos, gaat onder en wordt vertreden, want dit is de tijd van beproeving”. Ik citeer hier de meester. U ziet, dat ik met mijn woorden niet veel anders heb gedaan, dan zijn woorden herhalen.

Elke ademtocht in deze dagen kan een nieuwe bron van Kracht en Licht zijn, maar wie te zeer aan zichzelf blijft denken, zal bemerken, dat de adem hem wegblijft, tot hij meent daaraan tenonder ten gaan. Degenen, die niet sterk zijn, maar aan de krachten van deze dagen weten te beantwoorden, zullen alle krachten vinden, die hen noodzakelijk zijn en meer, maar de sterken, die geen werkelijkheid meer willen aanvaarden, geen daad willen stellen in overeenstemming met hun innerlijk weten en hun besef van Gods goedheid, zullen zwak worden en niet verder kunnen gaan. Daarom vrienden, stel ik, dat wij geen keuze meer hebben: U niet en wij niet. Nog is het ogenblik van waarheid niet aangebroken. Dit is nog jaren van ons verwijderd. In de afgelopen tijd zijn vele ontwikkelingen begonnen, die van zeer groot belang zijn voor de wereld in stof en geest. Elk ogenblik kan het heerlijke ogenblik zijn, dat u in uzelf een roepstem hoort, zodat u uw bestemming hebt gevonden en eindelijk beseft, waarvoor en waarom u leeft. Want wie waar is en trouw aan zichzelf, zowel als aan zijn God, vindt zijn bestemming.

Een laatste waarschuwing: Wee degene, die zegt: Ja, ik wil wel, maar nu moet ik aan mijn baantje denken, aan mijn positie, mijn aanzien. Dit, is alles, wat ik u nog verder wilde zeggen. U heeft bemerkt, dat mijn wijze van spreken op sommige ogenblikken een bepaalde sfeer rond u tot stand bracht. Deze kwam voort uit een harmonie. Ik uitte datgene, wat in mij leeft, wat ik innerlijk als de grote waarheid erken. Indien ik dit alles uit, word ik in mijn wereld tot een kracht en zullen alle andere werelden, zelfs door een geleend voertuig, de waarheid en kracht van mijn weten ondergaan.

Vragen.

  • Men zegt, dat wij onze omgeving met woorden kunnen overtuigen. Kunnen wij hen niet op gelijke wijze met onze daden en gedachtekracht overtuigen?

Wanneer men een mens wil overtuigen met woorden alleen, zal men zelden geheel kunnen slagen. Men zal moeten zoeken naar een innerlijke wijsheid, die metterdaad moeten beleven en zo – door de daad en zijn gehele bestaan – nadruk geven aan al, wat in eigen woorden tot uiting komt. Een mens met gedachtekracht alleen overtuigen lijkt mij moeilijk. Hoe kan men immers een mens dwingen iets te aanvaarden, wat hij niet eens geheel bewust kan ondergaan? Volgens mij zal dit moeilijk zijn. Wel kan de daad, als basis dienen voor het woord, door gedachtekracht verder ondersteund worden.

  • Geruime tijd wordt geadverteerd met “de onbewuste wil”. Door deze in werking te stellen, zou alles te bereiken zijn.

Een mens, die van zich bewust is, weet, dat wil en begeren uitdrukkingen zijn voor hetzelfde. Datgene wat ik wil, begeer ik ook. Naarmate het meer door mij begeerd wordt, wil ik ook sterker. Een onbewuste wil zou moeten zijn: Een onbewust begeren. Maar een onbewust begeren bewust maken, kan ten hoogste inhouden, dat men een nieuwe stimulans en ten hoogste tevens een nieuwe, maar eenzijdige verwerkelijkingsmogelijkheid vindt. Het lijkt mij zeer moeilijk om de onbewuste wil in de door mij gegeven betekenis te gebruiken om alle dingen te bereiken. Ik vermoed, dat men in feite heeft getracht op populaire wijze met deze woorden iets geheel anders aan te duiden: Innerlijk weten. Indien de mens zijn innerlijke wetenschap vanuit het onbewuste naar het bewuste kan overbrengen, kan hij daarmee alles, wat hij in zijn ware verhoudingen en mogelijkheden beseft voor zich tot werkelijkheid maken en dus inderdaad zeer veel – zo niet alles – bereiken.

  • Hoe kan men het innerlijk weten van het onbewuste naar het bewuste overbrengen?

Binnen deze rubriek is een volledig en duidelijk antwoord niet te geven. Dat zou eerder een lange cursus vergen. De procedure berust op: In jezelf bewust worden van de krachten, die in je wezen schuilen. Deze krachten in jezelf en het bewustzijn, dat je omtrent jezelf bezit, samenvoegen op zodanige wijze, dat dit in het gevoel beleefd wordt. Uit het gevoelsleven, dat zo ontstaat, kristalliseert zich dan een nieuwe en veranderde wijze van denken.

Deze nieuwe wijze van denken moet dan, tezamen met de ervaringen van innerlijk licht, aan de werkelijkheid worden getoetst. Hieruit komt wijsheid voort. Deze wijsheid kan dan weer gebruikt worden om de mens tot een volledig bewustzijn te brengen van alle krachten, die in hem leven, zodat het hem eveneens mogelijk wordt alle krachten, die in hem bestaan, naar eigen wil tot uiting te brengen. Ik besef zeer wel, dat dit antwoord de eenvoud en uitvoerigheid ontbeert, die u verlangt, maar binnen deze rubriek heb ik helaas geen betere mogelijkheden.

  • Bestaat er na de overgang nog tijd en ruimte? Kan men deze zich nog realiseren?

Tijd en ruimte zijn deel van het menselijke voorstellingsvermogen. Om het eenvoudig te stellen: Leven, tijd en beweging – of verplaatsing binnen en erkenning van ruimte – zijn, zover het de mens betreft, identiek. Zolang er leven is, zal er dus een vorm van tijdsbewustzijn en van ruimtelijke erkenning mogelijk zijn. Naarmate het Ik zich meer van het eigen wezen bewust wordt en minder aan de eigen omgeving gebonden is, zullen tijd en ruimte steeds meer persoonlijke betekenis gewinnen, waarbij op den duur zowel het ruimtelijk begrip als het tijdsbegrip vanuit het standpunt van anderen niet meer aanwezig zijn. In feite komen tijd en beweging slechts tot stilstand. Men noemt deze toestand dan Nirwana of ontruktheid, maar in de sferen daaronder zullen tijd en ruimte wel degelijk bestaan, ook al zijn er meestal geen werkelijk gemeenschappelijke maatstaven hiervoor. Er zijn sferen, die dicht bij de aarde liggen, waarin een tijdsratio door de meeste daar levenden gelijk wordt ervaren en niet veel verschilt van de aarde. Ook het bewustzijn van ruimtelijke verhoudingen zal voor degenen, die daar leven, veel overeenkomst vertonen met uw eigen begrippen daarvan. Slechts eigen verplaatsing in de ruimte beantwoordt aan andere regels en wordt dus anders beleefd.

  • Wat bedoelt men met het wekken van het slangenvuur?

Het wekken van het slangenvuur is een uitdrukking, die uit de Hindoeleer stamt en gebruikt wordt om het opwekken van innerlijke levenskrachten aan te duiden. Deze maken niet een direct en werkelijk deel van het zenuwstelsel zelf uit, maar bewegen zich enigszins in overeenstemming met de hoofdzenuwbanen en zullen langs de voornaamste zenuwstrengen in het lichaam door de wil geleid kunnen worden. Bij het wekken van het slangenvuur concentreert men zich op de krachten, die zich bewegen langs de ruggengraat. Men kan dus het verschijnsel omschrijven als levende kracht, die in twee tongen, twee afzonderlijke slangen – denk aan een Aesculapiusstaf – zich langs de ruggenwervels omhoog beweegt. De eerste vlam of tong vertegenwoordigt het stoffelijke, de tweede tong het geestelijke element. Bij volledige bereiking zullen beide tongen uitmonden in het kruinchakra, terwijl zij altijd uitgaan van het stuitchakra.

Indien beide chakra’s – bij volle bereiking – door het slangenvuur verbonden zijn, vormen zij de z.g. kosmische ketenen van de mens. Daarbij kunnen de hoogste krachten van geestelijk of kosmisch plan afdalen in de mens, tot het laagste niveau van levenskracht en uiting, terwijl de laagste krachten in de mens op hun beurt – versterkt door het hogere licht – veredeld op kunnen stijgen tot hogere werelden. De volmaakte werking van het slangenvuur is dan ook de perfecte eenheid van stof en geest, uitgedrukt in algehele overeenstemming met het kosmische bewustzijn.

  • “Ik zocht mijn ziel, maar kon haar niet doorgronden. Ik zocht mijn God, maar werd heen gezonden. Ik zocht mijn broeder. Nu heb ik alle drie gevonden.” Is dit waar?

Ongetwijfeld schuilt hierin veel waarheid. Indien de mens zijn God alleen in zichzelf zoekt, zal hij God ontkennen in alle dingen buiten zijn ik, zodat hij nooit de ware God zal vinden…. Wanneer de mens zijn ziel zoekt te doorgronden, maar daarbij geen rekening houdt met de wereld en de kosmos, waarvan hij deel uitmaakt, zal niets, van hetgeen hij vindt, blijvend waar kunnen zijn. Indien hij zijn verwantschap en deelgenootschap met en in al het zijnde erkent, zal hij daarin het geheel van de Schepping leren aanvaarden. Daardoor zal hij in zich leren, wat de waarheid van eigen ziel en de werkelijkheid van God is. Ik ben geneigd de geciteerde regels te zien als een aardig omschreven grote waarheid. Wanneer een mens de broederschap met de mensen zelf ontkent, zal hij zeker niet de ware eenheid met zijn God kunnen vinden. Daarom zou men hieruit de les kunnen trekken, dat hij, die het kleine niet goed weet te verrichten, het grote zeker nooit tot een goed einde zal brengen.

image_pdf