Droom en uittreding

Wanneer een mens droomt en de droom is levendig, dan denkt hij vaak, indien hij althans tot kringen als deze behoort, dat er sprake is van uittreding. Omgekeerd zal menigeen uittredingen meemaken en ‑ hetzij door eigen instelling hetzij door zijn pogingen om alles rationeel te zien ‑ spreken van een droom. Het is daarom wel belangrijk en interessant om deze beide waarden tegenover elkaar te stellen, ze te vergelijken, te definiëren en ze zoveel mogelijk uiteen te rafelen. Laat ons beginnen met de definitie:

Droom: Een beleving, die zich zonder het gebruik van de zintuigen afspeelt binnen de mens en is gebaseerd op de in zijn hersenen aanwezige prikkels en herinneringen. Prikkels van buiten worden hierbij wel verwerkt, maar worden niet als zodanig gerealiseerd.

Uittreding: Een verlaten van een groot gedeelte van het bewustzijn, dat in de hersenen achterblijft. De persoon zelf (het geestelijk “ik”) werkt, beleeft, leert in de andere werelden en brengt van hetgeen daar werd beleefd een gedeelte mee terug, dat door de hersenen wordt geaccepteerd in een beeldvorm, die beantwoordt aan datgene, wat er in die hersens aanwezig is.

Nu hebben we dus twee definities, die al meteen duidelijk maken waarom wij zo gemakkelijk tot verwarring of tot verwisseling van waarden komen, want de herinnering van de uittreding beantwoordt aan alle eisen, die wij eigenlijk voor de droom moeten stellen. Het grote verschil tussen beide is het feit, dat de impulsen van de uittreding buiten de stoffelijke mens liggen en dat zij ervaringen kunnen en een terrein kunnen bestrijken, waarvan hij weinig of niets afweet, terwijl hij in de droom altijd blijft gebonden aan zichzelf.

Als de mens droomt, dan speelt zich het volgende in hem af:

Slaap: algemene verhoging van bewustzijnsdrempel waarbij de gedachten in de mens (u kunt dat zelf bij het indommelen vaak constateren) een betrekkelijk vrij en fantastisch spel gaan spelen om langzaam maar zeker hun inhoud te verliezen. Al datgene, wat herinnerd is (dus al datgene, wat als onbewuste herinnering ook in de hersenen bestaat), kan nu in verband met een probleem dat het ego bezig houdt worden geprojecteerd.

We kennen twee verschillende soorten dromen. De eerste is de droom, die tot stand wordt gebracht door een in de mens bestaand probleem. Hierbij gaat men van het probleem, a.h.w. een verhaal opbouwen, dat is gebaseerd op herinneringen, waardoor het probleem wordt opgelost of schijnbaar wordt opgelost.

De tweede soort droom bevat aan het begin een prikkel; dus een gebeurtenis buiten de stof. Het kan een geluid zijn. Het kan zelfs een mug zijn, die een ogenblik neerstrijkt om te zien, of u wel goede voeding bent. En deze kleine prikkel moet worden verklaard. De verklaring gaat dan eveneens een verhaal opbouwen en wel van het eindresultaat naar het begin, dus in omgekeerde volgorde. In beide gevallen zal, indien de droom wordt herinnerd (de gemiddelde droomherinnering is ongeveer 3 à 4% van het aantal werkelijke dromen), deze altijd worden gezien als gaande van begin tot einde, omdat dit voor de mens de logische wijze van denken en realiseren is.

Een uittreding heeft daarentegen weer heel andere kwaliteiten. Om tot een uittreding te komen moeten we in de eerste plaats qua bewustzijn en geestelijk bewustzijn verbonden zijn met een andere sfeer of wereld. Hoever die verbintenis gaat, is niet met zekerheid vast te stellen. Wat er ontstaat, is over het algemeen het beeld van een andere wereld en van een aantal belevingen in die wereld. Die belevingen worden heel vaak uitgedrukt in bv. wijziging van stemming of wijziging van landschap. Het lijkt een droom; maar de wijziging, die men in het droombeeld ziet en behoudt, is in feite de weergave van een beleving die men heeft.

Dan moeten we verder begrijpen dat ‑ naarmate een binding met een bepaalde sfeer sterker is -, wij een dergelijke sfeer ook gemakkelijker en sneller zullen betreden. Er is daarvoor vaak niet eens een werkelijke slaaptoestand nodig en ofschoon ik hier niet wil spreken over dagdromen, kan er toch een zekere trance, een dommeltoestand ontstaan, waardoor elementen uit die andere sfeer zelfs tijdens de normale activiteiten tot de mens doordringen.

Het kenmerk van deze soort uittredingen, die volgens mij wel de voornaamste zijn, is het steeds weerkeren van dezelfde beelden, landschappen en personen in de droomrealisatie van het geestelijk beleefde. Verder, de continuïteit, die dergelijke dromen vaak over zeer lange perioden schijnen te bezitten. Misschien verwar ik u hier door het woord “dromen” te gebruiken, maar de uittreding wordt omgezet in een beleving van de hersenen. Er is dus geen sprake van een concrete weergave van datgene, wat er in die andere wereld gebeurt. Er is sprake van een droom, die is gebaseerd op een beleving in een andere wereld, die daarmee ongeveer evenveel gelijkenis pleegt te vertonen als de hoofdfilm met het boek, waarnaar ze is gemaakt. Hier bestaan dus weer parallellen maar ook verschillen.

Wat is de aanleiding tot de droom en wat is haar nut?

Een droom zal altijd compensatiewaarden inhouden voor het waakbewust bestaan. Ik weet, dat is psychologie en u kunt hier ongetwijfeld Freud e.d. bijhalen, maar zover wil ik niet gaan.

In de mens bouwen zich gedurende het dagelijks bestaan bepaalde spanningen op. Er zijn situaties, die hij niet meester kan. Er zijn angsten, die hij moet beheersen en niet kan uiten. Er zijn problemen, die hij schijnbaar wel oplost, maar waarvan hij weet dat hij niet in staat is zo reëel en blijvend op te lossen. Indien dergelijke problemen zich blijven ophopen, dan zal op een gegeven ogenblik het zenuwstelsel dat niet meer kunnen verdragen. Men zou dus kunnen zeggen, dat de droom eigenlijk de spanningen compenseert, die door het normale bestaan (het waakbewust bestaan) in de mens naar voren treden. Dat de mens dit alles niet zelf beseft, is niet zo belangrijk.

Een groot gedeelte van de droomwereld ligt tenslotte ook in het onderbewuste. Waarom zou een dergelijk afreageren van spanningen niet eveneens tot de onbewuste functies van de mens behoren? Zo zal dus de droom, ofschoon ze vaak is te interpreteren, in haar grondelementen altijd ‑ en dit moeten we onthouden, dit is een heel belangrijk punt ‑ teruggrijpen naar de mens zijn lot, zijn verwachtingen, zijn angsten en vrezen en zal zij door de manier waarop zij voorkomt, altijd uitdrukking geven aan de spanningen, die in hem leven op een zodanige wijze, dat deze spanningen na de droombelevenis zijn afgenomen of omgezet in spanningen, die waakbewust verder kunnen worden bestreden.

Dat is een mond vol en ik kan me voorstellen, dat u zegt: Wat hebben we aan dergelijke technische dingen? Toch moet u goed begrijpen, dat wij niet kunnen beginnen aan een ontleding van de uittreding en haar werkingen, voordat we begrijpen wat de droom eigenlijk inhoudt. In de formulering zal u zijn opgevallen dat ik ruimte heb gelaten voor de z.g. voorspellende droom. Want wanneer het waakbewustzijn met zijn logische begrenzingen ophoudt de mens en zijn denken te beheersen, dan bestaat de mogelijkheid, dat hij zich a.h.w. uitrekt langs de tijdlijn en incidenteel, maar altijd in verband met zichzelf, feiten uit toekomst en verleden waarneemt en interpreteert. Het typische hiervan is echter, dat nimmer de werkelijke toestand van later, maar altijd de interpretatie die nu mogelijk is beslissend is voor de fragmenten van toekomst of verleden, die worden waargenomen.

Ik hoop dat deze korte beschouwing over de droom al voldoende is om u te doen beseffen, dat de droom altijd ‑ onverschillig haar oorzaken, werkingen, de daaruit voortkomende waarschuwingen voorstellingen etc., zelfs indien zij is geïnduceerd en slechts tot stand wordt gebracht door buiten het “ik” liggende bewuste entiteiten ‑ gebonden blijft aan de mens van nu, met zijn problemen, zijn angsten, zijn wensen van nu.

Als u dit niet begrijpt, dan zult u aan de droom een heel andere waardering gaan toeschrijven. U zult haar waarden toekennen, die eigenlijk in de droom niet of ternauwernood bestaan. En doet u dit, dan is het onderscheid tussen uittreding en droom niet meer te vinden.

We gaan nu over naar de uittreding en zullen proberen ook hier een paar factoren te noemen, die van beslissende aard kunnen zijn om ook voor uzelf te constateren: is er hier sprake van een uittreding of niet?

Als u uittreedt, verlaat u het lichaam met een deel van uw wezen. Dit wezen treedt binnen in andere werelden. In die andere werelden bestaan totaal nieuwe waarden en wetten. Het is dus duidelijk, dat de uittreding altijd een element bevat, dat stoffelijk niet redelijk is; dat niet in verband staat met uw direct stoffelijke problemen en mogelijkheden; dat verder in de uittreding leringen kunnen worden ontvangen en resultaten kunnen worden bereikt, die door de hersenen niet eens kunnen worden weergegeven. Een typisch voorbeeld hiervan: U droomt, dat u met een groot aantal mensen tezamen bent op een plaats. U hebt een probleem (een mathematisch b.v., laat ons zeggen: de kwadratuur van de cirkel). Dit probleem wordt voor u opgelost. Het is alles eenvoudig. U wordt wakker en u schrijft de oplossing neer; zij is onzin. Dan kunt u zeggen. Ik heb hier wat gedroomd. Neen. U hebt de oplossing vernomen, maar met uw verstandelijke middelen bent u niet in staat geweest die oplossing in menselijke termen om te zetten. Daardoor en daar door alleen is dus dit onzinnige resultaat ontstaan.

Een ander voorbeeld: Ofschoon wij bij de herinnering aan dergelijke werelden, die immers binnen de hersenen wordt vastgelegd, gebonden blijven aan menselijk voorstellingen en beelden, zullen er altijd bepaalde incongruenties in liggen. Een landschap bv. zal gelijktijdig voorjaarsbloemen en najaarsbloemen bevatten. Het is kennelijk een samengesteld geheel.

Indien u niet zeker bent, of het een uittreding is geweest, vraag u af, of daarin voorstellingen voorkomen die niet redelijk, die niet logisch zijn. In enkele gevallen zal het denkvermogen weigeren om een bij de uittredingsbeleving passende omschrijving in de hersenen als herinnering te wekken. In dit geval ontstaan de z.g. symbooldromen, die echter absoluut abstract zijn, de herinnering aan een dergelijke werking (uittreding) is altijd uitgedrukt in kleuren. Een zeldzaamheid, want de meeste dromen kennen geen kleurdefinities. Uittredingsdromen echter doen dat bij uitzondering vaak zodra het symbooldromen zijn. Zij omvatten verder lijnvoorstellingen of vlakvoorstellingen, die over het algemeen moeilijk te definiëren zijn. Wij zien b.v. onregelmatige vierhoeken met betrekkelijk grote frequentie optreden. U kunt die dingen natuurlijk wel enigszins vertalen, maar een juiste interpretatie hiervoor te geven is zeer moeilijk. Want als u een vierkant hebt, maar het is iets vertekend of verschoven, dan kan hiermee evenzeer worden uitgedrukt, dat de actie in de sferen onvolledig is; bv. een taak die niet is afgemaakt, dan wel het feit dat uw eigen persoonlijkheid een in de sferen erkende grote waarde op aarde nog niet kan aanvaarden en beseffen. U ziet, hoe groot de moeilijkheden zijn.

Om de zaak eenvoudig te maken wil ik hier vergelijkend een aantal voorwaarden opnoemen aan de hand waarvan wij kunnen constateren dít is droom, dát is uittreding.

Er zijn in het door mij herinnerde beeld elementen, die mij herinneren aan een roman bv., die ik pas heb gelezen. De hoofdbegrippen zijn terug te vinden in conversaties, die ik de dag voorafgaande aan de droom heb gevoerd of ze daarin heb horen gebruiken. Dit is typisch een droombeleving. Maar in het door mij ontvangen beeld zijn een aantal waarden, die ik zelf niet kan definiëren. Er zijn misschien enkele associaties aan te duiden, maar de samenhang daarvan is menselijk gezien absoluut onlogisch en heeft voor mijn gevoel toch grote zin. Dit is dan zeer waarschijnlijk een uittredingsbeleving.

Als ik de droom bezie, zo heeft zij de eigenaardigheid te springen. Zij lijkt een montage van denkbeelden te zijn, waarbij wij van binnenshuis naar buitenshuis, van het grote gevaar naar de grote vreugde of omgekeerd voortdurend overgaan. Het “ik” bevindt zich voortdurend in situaties, waarin het verheerlijkt wordt of ridicuul is. Alles is fragmentarisch.

De uittreding zal in haar beleving altijd een continuïteit vertonen. Er is altijd weer sprake van iets dat een absolute samenhang heeft, waarin geen onverwachte veranderingen voorkomen en waarbij meestal ‑ in tegenstelling tot de droom ‑ de grote emotie aan het einde, zoals we dat dus herkennen van de droom, uitblijft. In de droom leven wij onszelf uit. Wij worden geconfronteerd met de beperkingen die er voor ons bestaan, maar ook met de vrijheden die wij wensen. Wij drukken deze uit in begeerte‑ en angstdromen. In uittredingsdromen zullen angst en begeerte zelden een rol spelen. Zo de angst optreedt, is zij een ontmoeting met wezens van bijzondere structuur. Er is dan sprake van een astrale beleving en deze worden ofwel, met behulp van anderen overwonnen, dan wel men schrikt zonder verdere beleving wakker. Indien geen van beide gebeurt, dan zal men uw stoffelijk overschot ongetwijfeld met de nodige eer ter aarde bestellen.

Wanneer de uittredingsdroom verder gaat, dan omvat zij altijd voorstellingen, waarbij het element actie of lering doelmatig is. Als ik iets leer, is het de voortzetting van mijn problemen , maar een voortzetting op geestelijk niveau. Eventuele stoffelijke consequenties worden er door mijzelf eventueel bijgevoegd, maar deze zijn niet van belang. Het geestelijk element domineert. Verder zal elke actie bestaan uit een hulpverlenen of geholpen worden, waarbij een vaste persoonlijkheid, een kenbare kracht of persoonlijkheid optreedt. Dan zullen we in de droom heel vaak zien dat wij worden geconfronteerd met steeds dezelfde beleving maar steeds in een andere omgeving.

Voorbeeld van het gevaarelement: Vandaag droomt u, dat u op een paard zit en het dier slaat op hol. Morgen droomt u, dat u in een trein zit, die razend snel een andere trein op hetzelfde spoor tegemoet rijdt. Overmorgen droomt u van een auto, waarvan de remmen defect zijn, terwijl u een helling afrijdt. Dus verandering van de vorm, terwijl de emotie zelf gelijk kan blijven. De uittredingsdroom is precies het tegenovergestelde. Indien wij eenmaal te maken hebben met een bepaald milieu, ook als daarin een voertuig moet worden uitgedrukt, dan zal altijd hetzelfde voertuig optreden of altijd dezelfde omgeving aanwezig zijn, maar onze actie zal in die omgeving voortdurend een andere zijn.

In de droom komt men al heel gauw tot een herhaling. Een droom kan dus repeterend zijn. De uittreding is altijd een continuering, nooit een herhaling. Want de andere wereld, die u betreedt, ontwikkelt zich verder. Bij het weer betreden van die wereld is ook daar tijd verlopen; niet in dezelfde mate als op aarde, maar de tijd gaat daar ook verder. Men zou kunnen zeggen: Een droom kan ik weer opvatten op het ogenblik, waarop ze werd afgebroken. Bij een uittreding zal mijn vertoeven op aarde ‑ hetzij kort of lang ‑ altijd een kenbaar tijdsverschil in de droomrealisatie, waarin ik die beleving dus uitdruk, teweeg brengen.

Hier heeft u een aantal kenmerken, die ‑ wanneer u ze met enige handigheid weet te manipuleren ‑ u al direct helpen om te schiften: dit is droom en dat is uittreding. Nu zult u misschien denken dat iemand, die veel uittreedt niet droomt en dat iemand, die veel droomt waarschijnlijk wel niet uittreedt. Sta mij toe ook hieraan een klein commentaar te wijden.

Dromen zowel als uittredingen kunnen alleen worden herinnerd, indien tijdens de slaaptoestand een verhoogde activiteit in het brein mogelijk is. Iemand, die veel droomt, zal een uittreding gemakkelijker in de hersenen vastleggen dan iemand, die nimmer droomt. Dus, hoe meer men zich dromen herinnert des te groter de kans is dat daaronder uittredingen zijn. Aan de andere kant: iemand, die zelden of nooit droomt, zal een droom alleen onthouden, indien deze voor hem een buitengewoon sterke emotionele waarde bevat; of: hij zal een uittreding alleen onthouden, indien zij voor het “ik” onmiddellijk en direct van het hoogste belang is. Juist als u weinig droomt, is het belangrijk die dromen te toetsen. Neem echter niet aan, dat er hier sprake is van de weergave van een uittreding, voordat u de kenmerken hebt nagegaan.

Een groot gedeelte van de droom zowel als van de uittreding blijft onderbewust. Ook dit is begrijpelijk. Een mens, die slaapt, zal in een periode van 6 tot 8 uur waarschijnlijk tenminste 1 tot 1½ uur dromen, misschien zelfs meer. In die periode is er een activiteit. Maar die activiteit is zo gering, dat zij geen sporen nalaat in het denkvermogen. Men zou kunnen zeggen: De belevingen spelen zich wel af, maar alleen indien een persoon midden in zo’n droom wordt gewekt en een residu van die beweging eigenlijk het ontwakingsmoment overbrugt, herinnert hij zich er iets van. Normaal vergeet hij dat.

Bij de uittreding is het precies hetzelfde. Wanneer u uittreedt en er is geen directe reden en het beleefde in de hersenen vast te leggen, dan wordt er wel iets meegebracht, maar dit is uitermate vaag en tenzij de uittreding wordt onderbroken bijna gelijktijdig met het ontwaken zal er weinig of niets van achterblijven.

Van de mensheid, zoals ze op het ogenblik bestaat, treedt meer dan 90 % zo nu en dan uit. Wij kunnen zeggen dat 20 % van de mensen op deze wereld regelmatig plegen uit te treden, terwijl ongeveer 0,3 % met zeer grote frequentie plegen uit te treden. Dat zijn dus geen geringe aantallen. Toch kunnen wij zeggen dat van allen, die uittreden nog niet één op de 10.000 zich van het feit, zelfs maar als droom, bewust is. Ik geef u deze cijfers om duidelijk te maken, dat niet noodzakelijkerwijze de kwestie van “ik droom niet, dus ik treed niet uit”, behoeft te worden aangesneden. Er is teveel wat onbewust geschiedt. Je kunt ook niet zeggen: Ik droom nooit. Je kunt alleen zeggen: Ik herinner mij niet dat ik droom.

Wederom een belangrijk punt. Want de doorsnee‑mens heeft sterkere bindingen met allerhande sferen en krachten dan hij zich op aarde pleegt te realiseren. Hij heeft vaak een zeer groot en sterk contact met wat wij bv. Zomerland noemen. Een mens kan in zeer sterk contact staan met een persoon, die in het duister of in Schaduwland, in Zomerland of hoger bestaat en dat contact ook buiten eigen lichaam voortzetten. Hij kan met die ander misschien praten; hij kan hem helpen en zich hiervan toch niet of ternauwernood bewustzijn.

Een van de grote vragen, die binnen dit kader altijd weer wordt gesteld is: Ja, maar hoe kan ik mij nu bewust worden van mijn uittredingen? Laat mij deze vraag eerst beantwoorden met een paar tegenvragen te stellen. Vindt u het belangrijk, dat u aan het einde van de dag precies kunt zeggen hoeveel mensen u hebt ontmoet, wat u precies van minuut tot minuut hebt gedaan? Vindt u het belangrijk precies te weten wat u allemaal hebt gezien? Als u het belangrijk vindt, dan zult u uw geheugen daarvoor trainen; en dan zal ook de uittreding gemakkelijker en vollediger in het “ik” worden vastgelegd, want dan bestaat er in het denkvermogen een gevoeligheid voor allerhande geringe prikkels, dus voor z.g. onbewuste waarnemingen. En die gevoeligheid helpt u dan om ook de uittreding vast te leggen. Maar indien u betrekkelijk weinig belangstelling hebt voor wat er alles precies gebeurt en u zich meer bezig houdt met de dingen, die uw aandacht vragen, dan moet u ook niet gek staan te kijken dat die uittredingen erg moeilijk kunnen worden vastgelegd, eenvoudig omdat uw hersenen daartoe niet zijn getraind. Daaruit vloeit weer voort, dat een betrekkelijk grote training nodig is om als mens van elke uittreding althans de droombeelden bewust terug te kunnen brengen. De werkelijkheid kunt u nooit terug brengen.

De vraag is, of dit de moeite waard is, want de werkelijk belangrijke punten worden altijd wel herinnerd. Zij komen naar voren als een inspiratie, als een denkbeeld dat je hele dag beheerst, als een stemming, als een gevoel van kracht. Zij komen naar voren als een aantal symbolen of als een eigenaardige droom. Die dingen komen toch wel. Indien u zich dus bewust wilt zijn van alle uittredingen, dan betekent dat dat u in feite de alledaagse, de onbelangrijke activiteiten van uw geest wilt registreren.

Ik weet niet, of dat de moeite werkelijk waard is. Persoonlijk ben ik geneigd te zeggen. Neen. Maar u kunt er misschien anders over denken. De uittreding en de actie, die in de sferen plaatsvindt, moeten niet worden gezien als iets bijzonders. Men ziet dat vaak als een buitengewone gave of een verheven zijn boven anderen. “Ja, maar ik treed uit en ik heb die geest ontmoet en ik heb dat gedaan.” Haast iedereen doet dat op zijn wijze. Dat u zich toevallig daarvan bewust bent, maakt datgene wat u presteert of leert niet meer of minder waard; maar het maakt u ook niet meer of minder dan een ander. Uittredingen zijn voor u in de stof in zoverre belangrijk indien door uw geestelijk leven en streven kenbare veranderingen en resultaten in de materie mogelijk worden, verder niet.

Voor de geest is de activiteit in de sferen van het hoogste belang. En zodra die geest van de stoffelijke beperkingen is bevrijd, zal uw ego zich het totaal van dat verleden herinneren, beter dan u dat in het stoffelijk leven kunt. Waarom dus op aarde zoveel zorgen over de vraag: Treed ik nu wel of niet uit? En hoe zit dat nu eigenlijk? Nu ja, vele mensen worden daarbij ook gedreven door een haast ontembare lust om juist dat onbekende land aan de andere kant van de dood, zoals men dat pleegt te zeggen te onderzoeken. Ik weet niet, of u wel eens bent uitgegaan met het idee een heel bepaald iets te zoeken. De dames bv. om een hoedje te kopen; de heren misschien om dat ene stuk gereedschap te vinden dat zo nodig is voor hun sleutelen aan auto, bromfiets of zelfs de verzorging van de huiselijke mankementen. Is het u dan misschien opgevallen, dat u later ineens dacht: Ja, maar had ik dan niet beter dit of dat kunnen meenemen of kunnen kopen? Dat u achteraf dacht: Ik ben eigenlijk aan een hoop dingen voorbij gegaan

Ik geloof, dat het met die eenzijdige belangstelling voor het leven na de dood precies hetzelfde is. Door te zeer ernaar te zoeken gaat u niet alleen voorbij aan vele mogelijkheden en waarden van uw stoffelijk bestaan, maar zelfs aan vele elementen uit de geest, die volgens u niet ressorteren onder het gebied dat u wilt kennen of wilt onderzoeken.

Ik zou zeggen: Concentreer u niet in het bijzonder op de uittreding en zelfs niet op de droom. Maar zo zij voorkomen met een duidelijke herinnering, maak allereerst een onderscheid. Wat was dit: een droom? Of was het mogelijk een uittreding? Is het een droom, dan volgt automatisch de vraag: Welke problemen kunnen tot deze droom de aanleiding zijn? Welke spanning heb ik hierin ontladen? Dus een bevordering van zelfkennis; en dat kan heel voornaam zijn. Denkt u dat het waarschijnlijk een uittreding is, dan is de enige vraag van belang: Wat zit er in deze droom, dat voor onmiddellijke stoffelijke toepassing in aanmerking komt? Is dat er niet, laat haar voor wat ze is. Zo u meent dat er iets in is wat voor onmiddellijke toepassing in aanmerking komt, ga na of dit te verwezenlijken is. Probeer het eens voorzichtig en als u merkt dat daar reactie op komt (een reactie, wederom beantwoordend aan de eisen, die wij hebben gesteld voor uittreding en die afkeurend of goedkeurend is), baseer dan uw verder gedrag op deze impulsen. Het is eigenlijk betrekkelijk eenvoudig, zoals u ziet.

Dan komt nog het laatste probleempje van deze inleiding. Ik denk, dat u nadien nog wel veel problemen zult hebben, maar voor mij is dit het einde van mijn inleiding, die ik bewust niet al te lang heb willen maken.

Als de mens droomt, als hij uittreedt, als in hem denkbeelden ontstaan (en dat geldt zelfs voor inspiratieve waarden), dan is er altijd de neiging om dat op een hoog niveau te plaatsen. Als u een inspiratie krijgt, dan denkt u er niet aan dat het Janus de rioleur is, die u die inspiratie geeft. Het is op zijn minst een dokter, een advocaat een priester of misschien zelfs een grote Meester. Als u uittreedt, dan heeft u altijd de neiging te zeggen: In die uittreding heb ik gesproken (en dan zegt u niet: met mijn buurman die een tijdje geleden is overleden; hoogstens met een familielid, dat wil men nog wel doen) met bv. Seneca; of ik heb Napoleon ontmoet; ik heb het de apostel Petrus gezellig zitten hassebassen. Kijk, dat is ook weer iets waarmee we voorzichtig moeten zijn, zoals ook met de droom het geval is. We dromen iets; en die droom is een uiting van ons eigen probleem. Dat probleem is echter niet zo prettig, als we dat moeten erkennen. Dus is het een waarschuwing voor de toekomst en dus is het iets wat de geest ons heeft geïnspireerd. Laten we daarmee voorzichtig zijn.

In zijn uittredingen zowel als in zijn dromen leeft de mens op het niveau van zijn huidig bewustzijn, met zijn huidige spanningen. Al datgene, wat hij op aarde daarvan verwerft, is inherent a.h.w. aan zijn ogenblikkelijk persoonlijkheid, en wil hij in de uittreding hoger komen, dan zal hij ook zijn stoffelijke persoonlijkheid anders moeten ontwikkelen. Wil hij inspiratief andere waarden ontvangen, dan zal hij zijn uitstraling, zijn gedachteleven moeten wijzigen. Wil hij in zijn dromen een ander element brengen, dan zal hij de problemen van zijn leven moeten oplossen, opdat materieel dat leven een andere inhoud voor hen krijgt.

Sla de zaak niet te hoog aan. Zoek het niet altijd ver boven u. Zoek het als een normaal contact. Zie de uittreding niet als iets bijzonders, maar als een normale voortzetting van uw leven die voor bijna iedereen zo bestaat. Zie ook de inspiratie niet als een Goddelijke boodschap en waarschuwing of als een onfeilbaar teken en voorschrift, maar zie haar als een normaal contact, waarbij men u raad geeft en zich misschien net zo gemakkelijk kan vergissen als U. Leef normaal met deze dingen. Juist als u zich de normaliteit van uw gedrag en denken het als gewoon accepteren van deze dingen eigen maakt, dan zullen de uittredingen gemakkelijker een bewuste beleving zijn; zullen de dromen een actiever, een machtiger hulpmiddel zijn om uzelf te kennen en uw problemen op te lossen en zullen zelfs de inspiraties, doordat ze in de juiste verhouding staan een grotere betekenis krijgen, omdat ze nu op hun waarde zijn geschat, ons helpen te leven met de hulp van anderen, zonder te leven onder het gezag van anderen.