Droomwereld en relativiteit

16 mei 1972

Wij hebben de laatste malen met u gesproken over relativisme in verschillende vormen, in verschillende samenhang. Wanneer wij deze avond ons proberen in te stellen op het innerlijk en geestelijk leven van de mens, zo worden wij ook hier geconfronteerd met de relativiteit van de verschijnselen. Veel van hetgeen ik u ga zeggen is niet bewijsbaar, het is iets wat zich in de  mens afspeelt, en wat zich in vele gevallen aan controle onttrekt. Enkele punten zijn misschien wat meer wetenschappelijk verifieerbaar. Maar ook om daarop in te gaan, zou ons te ver voeren. Wat ik u voorleg is dus een schema dat u niet als juist behoeft aan te nemen. Een schema waarvan ik tevoren zeg dat u het niet moet zien als een wetenschappelijk geheel, maar ten hoogste als een filosofisch geheel. In dit geheel echter heb ik de ervaringen en waarnemingen, zowel van mijn vrienden als mijzelf, verwerkt.

Wij kennen in onszelf een soort droomwereld. Deze droom kan zich, in vele vormen, in de mens voordoen. En althans een deel daarvan kunnen wij terugleiden tot de spanningen die een mens, psychisch vooral, ondergaat. De herinneringen en gegevens aan ervaringen die hij in de laatste tijd heeft opgenomen.  Er komen in de slaap van de mens droomperioden voor, daarnaast droomloze perioden. Gemiddeld heeft de doorsnee mens vier à vijf, droomtoppen in de slaap. Plus dan nog een ontwaak droom. Een reeks gedachten diep in hun onsamenhangendheid, en het zoeken naar analogieën die a.h.w. het ontwaken geleidelijker doen plaatsvinden. Tot zover zijn die dingen constateerbaar, zijn zij vastgelegd. Maar wanneer ik droom, bevind ik mij in een eigen wereld. De samenhangen van die wereld kunnen wij misschien wel verklaren aan de hand van de menselijke psychologie bv.. Maar er treden ook altijd weer verschijnselen op waarvoor wij eigenlijk geen verklaring hebben. Hetzelfde gebeurt bij dagdromen. Wij kunnen soms in onze gedachten weg dwalen van de werkelijkheid. En dan voor een ogenblik terechtkomen in een soort van andere wereld. Een wereld waarin de verhoudingen anders liggen, waarin onze beleving anders ligt. En ook hier moeten wij constateren: de dagdroom is vaak psychologisch verklaarbaar, maar niet altijd. En zelfs dan blijft altijd de vraag bestaan: Is de psychologische verklaring wel de meest juiste?

Wanneer je droomt kom je in contact met het geheel van je wezen. Dit totale “ik” zal zich altijd moeten uitdrukken in de referentiewaarden, in de termen die je zelf kent. Zomin als het u mogelijk is om, zonder meer, een vreemde taal te lezen en te begrijpen, of u daarin plotseling uit te drukken, behalve misschien tijdens een toestand van verrukking of een seance, zomin is het mogelijk om een innerlijke beleving van een hoger niveau, zonder meer uit te drukken in de termen van dit niveau. Je zoekt naar gelijkenissen en vergelijkingen, soms naar symbolen en deze vormen de wezenlijke droominhoud.

Het volgende is absoluut niet wetenschappelijk bewijsbaar en ook niet meer aannemelijk te maken. Het is echter, (zover de feiten die wij hebben geconstateerd), dus juist geïnterpreteerd, zijn waar.   Elke mens leeft in meerdere werelden gelijktijdig.

Dit is niet alleen een kwestie van sferen. Maar er is een situatie waarin wij gelijktijdig op aarde kunnen leven en in een soort droomwereld, een soort parallelbestaan kunnen voeren. Waarbij zelfs in vele gevallen opvalt dat de rustperiode in de geest, samenvalt met de activiteitsperiode in de stof. In enkele gevallen treedt ook in dagdromen ditzelfde beeld nog even naar voren, maar dan over het algemeen onsamenhangend. Voor de mens blijft dit onwerkelijk. Maar het geheel van de belevingen die hij doormaakt, de ervaring die hij opdoet, wordt zover overdraagbaar uitgedrukt in zijn stoffelijk bewustzijn. Er kan dus een mogelijkheid ontstaan, waardoor je situaties erkent die je nog nooit hebt meegemaakt, gevolgtrekkingen doet die, op grond van je bestaande ervaring, onlogisch zijn. Dit komt meer voor dan men gemeenlijk aanneemt, maar men let er weinig op. Men betitelt dan deze dingen als een inspiratie, een gissing, misschien een ingrijpen van de geest, of desnoods een Goddelijke genade. Ik stel echter: Dit is niet het geval. Je kunt in twee en zover wij na kunnen gaan, zelfs in meerdere werelden actief zijn. En die activiteiten brengen een eigen ervaring met zich en een eigen ontwikkeling. U zult zich afvragen: Wat hebben wij daaraan? Niet veel misschien in die zin dat u die andere wereld niet gemakkelijk naar u toe kunt halen. U kunt zich daarin nooit volledig verdiepen. U hebt niet de referentietermen, de termen van uitdrukking, waarneming in de stof, die voor zo’n geestelijke wereld noodzakelijk zijn. Maar u hebt in uzelf bepaalde krachten die u niet normalerwijze kent. U hebt in uzelf denkbeelden waarvan u niet weet waar zij vandaan stammen. U bent geneigd om die krachten en die denkbeelden zonder meer in te voegen in uw materieel patroon van bestaan. Indien u dit nu eens niet zou doen en deze krachten, deze innerlijke ontdekkingen eens een eigen leven zou laten voeren. Dan zou u met verbazing constateren dat hierbij wel degelijk totaal nieuwe mogelijkheden voor u ontstaan. Wanneer wij alles natuurlijk gelijkschakelen met wat is, dan ontstaat er geen ontwikkeling. Op het ogenblik dat wij die nieuwe tendens zijn eigen weg laten volgen, dan ontstaat een tweede ontwikkeling in de materie. Soms denk je in het begin dat je dan een beetje een gespleten persoonlijkheid bent (Schizofreen). Dat is niet noodzakelijkerwijze waar. Wat ik als geslotenheid ervaar, is het verschil in logica, in aanvaardbaarheid.

Zo kan ik elke geestelijke beleving, ook wanneer zij in de droom zich manifesteert, wanneer ik ze een ogenblik bewust ervaar, nimmer juist uitdrukken. Wat ik uitdruk zijn de verhoudingen, de relaties, niet de feiten. En dit punt kan u al helpen want, wanneer ik die waarden hun eigen gang laat gaan, dan zullen zij niet zo concreet in denkbeelden worden omgezet, maar zij zullen zich wel ontwikkelen volgens hun eigen inhoud. En dan blijkt dat wij er een soort krachtbron, een soort reserve bij hebben. Een tweede punt dat bij dit droomleven opvalt is dat in de droom de mogelijkheid bestaat, dit is door de parapsychologie aannemelijk gemaakt. Ik geloof niet dat er een aannemelijk bewijs helemaal bestaat om in de tijd te zien en te denken. Ook dit verschijnsel moet toch wel enige bedenkingen oproepen. Wanneer wij uitgaan van een determinisme, een vastgelegde levensbaan, dan is het zonder meer aanvaardbaar dat iemand of iets in de toekomst vastgestelde daden volbrengt, en dat dit voor mij een tevoren vastgelegde betekenis heeft. Maar uit de droomervaring, die de parapsychologen hebben geregistreerd, blijkt dat de droom benaderend is. Zij is niet de concrete werkelijkheid die plaats vindt, maar zij is een beeld dat daarmede veel overeenkomst heeft, maar zeker niet in alle details geheel overeenstemmend is.

Ik wilde u wijzen op het feit dus dat zien in de toekomst bestaat. Maar, als het zien in de toekomst bestaat, moet ook het zien in het verleden bestaan. Wat ik in de toekomst zie, zo blijkt uit de waarnemingen, is zéér waarschijnlijk niet datgene wat ik later persoonlijk zie of meemaak. Het is een beeld dat, zeker ten aanzien van het punt van waarneming, verschoven is, het is verder een beeld dat in details niet nauwkeurig is. Er is dus geen sprake van een volledige vastgestelde toekomst, maar er is ook geen sprake van een absoluut kennen van de toekomst. Mijn herkenningen zijn hoofdfactoren die, in de toekomst, bijna onvermijdelijk lijken te zijn. Ook wanneer ik de basiswaarden niet bewust ken. Maar daaromheen weef ik weer mijn eigen verhaal van samenhang. Waarnemen in de toekomst is relatief. Dan zal elke waarneming in het verleden deze zelfde eigenschap moeten kennen. Ook wanneer ik de vastgelegde feiten van het verleden voor mijzelf zie herleven, zijn dit hoofdtendensen, maar daaromheen weef ik wederom mijn eigen verhaal. Mijn geestelijk leven, zou je dus als mens kunnen zeggen, is iets wat slechts een relatieve werkelijkheid uitdrukt en waarvan ik de werkelijke betekenis nimmer ten volle en in alle mogelijkheden zal kunnen ontleden. Tot zover dit punt.

Nu kent u misschien de theorie van de stralen. Wij kennen dus de heersers der stralen, dat is afgeleid van de planeten. De planeten hebben een kleur toegekend gekregen, men neemt aan dat deze krachten dus als besturende entiteiten een hoofdrol spelen in het leven van mensen, die met hen harmonisch zijn. Daarnaast kennen wij een tweede vorm: de zogenaamde stralen van inwijding. Nu zal ik deze laatste voortaan maar gewoon gebruiken met de term “inwijding”, desnoods “inwijdingsklasse”, want anders wordt het geheel te verwarrend.

Wanneer ik behoor tot een bepaalde straal, dan zegt dat nog niet dat die straal mij beïnvloedt. Het betekent wel dat ik een gevoeligheid heb, voor alle verschijnselen die tot die straal gerekend worden. Dan is de aanduiding straal niet noodzakelijk het beheerst worden door een kosmische kracht, al lijkt mij dit in vele gevallen waarschijnlijk, maar het is een aanduiding van een innerlijke gesteldheid.

Deze innerlijke gesteldheid bepaalt de eigen gevoeligheid. Elke mens neemt waar. In zijn waarneming selecteert hij, uit het totaal der waargenomen facetten van werkelijkheid, er enkele. Om het heel eenvoudig te zeggen: Als u voor een etalage staat, waarin vele verschillende artikelen liggen, dan zult u één enkel daarvan goed zien, een vijftal andere terloops zien en u zult er een twintigta1 andere niet bewust zien. Dat wil zeggen dat de straal waartoe ik behoor, de harmonie waarin ik leef, bepalend is voor datgene wat ik zie in de wereld. Mijn beeld van de innerlijke werkelijkheid, van andere geestelijke werelden zowel als van mijn eigen wereld en zelfs mijn persoonlijkheid, wordt dus door deze instelling bepaald. Ik meen dat deze stelling logisch te noemen is. Nu is er echter een mogelijkheid voor de mens om zijn bewustzijn uit te breiden. Misschien mogen wij ook hier een vergelijking gebruiken. Wanneer je in een dorp leeft en er nooit bent uitgekomen, dan is dat dorp je wereld. Wanneer je echter enkele malen in de stad bent  geweest, is je wereld, groter geworden en zie je de verhoudingen in je eigen dorp op een andere manier. Wanneer je veel  gereisd hebt, dan zal ook die stad, die eens overweldigend was, veel minder indruk maken en je zult weer op een heel andere wijze gaan oordelen, je gaat ook andere dingen zien.

Wanneer ik nu bewustwording zeg, dan bedoel ik daarmee een uitbreiding van dat gebied waarin ik bewust kan denken en reageren. Het is dus een samenstelling van kennis, ervaring en kracht. De kennis kan, voor een deel, stoffelijk zijn. De ervaring kan stoffelijk zijn, maar kan ook van andere aard zijn. In de dromen, die ik aanhaalde, bleek dat een mens in een droom iets kan leren en dat hij daarvan stoffelijk profijt kan uit trekken. Ervaringen kunnen dus uit meerdere werelden komen en toch uiteindelijk in de stoffelijke wereld een rol spelen bij de bewustwording.

En dan kracht. Kracht is niet alleen maar wilskracht bv. Het is ook niet alleen levenskracht. Het is een samenstelling daarvan. Het zijn al die dingen die ons doen leven, doen begeren, vrezen, het geheel van de gevoelswereld, het geheel van de geestelijke, de innerlijke wereld en daarnaast krachten die wij dan, bij gebrek aan beter, Goddelijk noemen, of geestelijk, of kosmisch al deze dingen werken samen. Nu kan ik niet ontkomen aan de harmonie, de straal waartoe ik behoor. Dit is een vorm van conditionering, van geschoold zijn tot eenzijdigheid in feite. Aan die eenzijdigheid onttrek ik mij niet zo gemakkelijk. Maar wanneer ik nu kom in een klasse van bewustwording, dan krijg ik dus kosmisch andere harmonieën te verwerken. Mijn wereld verandert niet en mijn waarneming verandert niet, maar de betekenis van het waargenomen verandert wel. Wanneer nu dit geheel eens even wordt gezien als een proces van leven, een uitbreiding van bewustzijn dus, dan zal de harmonie die ik vind, ten aanzien van een klasse van inwijding, zeg maar een geestelijke kracht van licht, waardoor ik de zaken anders en beter zie, bepalend zijn voor wat ik ben.

Binnen de straal, binnen het archetype kunnen wij misschien zeggen waartoe ik behoor. En daar blijkt nu weer relativiteit uit. Want wat ik bereik in mijn eigen klasse en eigen soort, zal nooit volledig waar zijn voor iemand die in een andere harmonie, in een andere straal leeft en misschien ook behoort tot een andere klasse van inwijding. Ook hier bestaat géén mogelijkheid absolute waarheden te constateren en absolute waarheden over te dragen. De enige zekerheid die ik heb, als mens of als geest, is de zekerheid die, op grond van mijn harmonieën, mijn denken, mijn waarnemingen, mijn ervaring, mijn kracht, in mij bestaan. Dat zijn mijn zekerheden. Dit zou je goed moeten overwegen wanneer je begint met een of ander bewustwordingssysteem. Wij zijn al te snel geneigd om te zeggen: Wij weten de juiste weg. De een die zoekt het in verschillende vormen van Yoga, de ander misschien bij de Rozenkruisers, bij de vrijmetselaars, in een kerk, of misschien zelfs in een atheïstisch zoeken naar een evenwicht van de natuur. Hoe je het zoekt, is ook niet belangrijk. Belangrijk is dat daarbij, voor jezelf, je begrip van de wereld groter wordt. En naarmate dus je begrip voor de wereld, hoe eenzijdig het dan verder ook moge zijn, groter wordt, verander je innerlijk. Dat is een proces waar ik nog wat over te zeggen heb, omdat dat direct van praktische betekenis kan zijn voor u.

Op het ogenblik dat ik mijn nieuwe ervaringen, krachten en mogelijkheden niet kan herenigen, in overeenstemming brengen met de persoon, die ik tot nu toe ben geweest, ontstaat in mij een tegenstrijdigheid of dualisme. Waarbij ik dus enerzijds mijn hoge geestelijke krachten en bewustzijn gebruik, in een positieve zin, maar gelijktijdig vernietigend inwerk op datgene wat ik was. Ik richt ten onder wat ik geweest ben en in deze strijd vernietig ik mijzelf, omdat ik datgene, wat ik als basis ben, toch altijd moet handhaven opdat daarop het geheel van mijn verdere ontplooiing is gebouwd. Misschien kunnen wij het met een kleine gelijkenis duidelijker maken. Wanneer ik zeg: Hier heb ik een klein rond vlak, dan kan ik dit als een groot vlak uitbreiden, totdat ik een grote schijf krijg Maar stel nu eens dat ik zeg: Nu heb ik dit middenstuk (basis) niet meer nodig; dan heb ik een rand; die rand kan smal of breed zijn, maar de kern, de ziel, ontbreekt eraan. In plaats dat ik een vlak heb, een wereld a.h.w., heb ik een soort vergrote letter 0, waarbij ik volledig blind ben voor de innerlijke waarde en beperkt ben bij mijn interpretatie van uiterlijke waarde. Daarom moet je nooit proberen om dat wat je bent te veranderen of teniet te doen. Een mens kan wel daarin vele, nu niet wenselijke, factoren herkennen, maar aan de andere kant is hij daaraan gebonden. Hij kan dat niet, zonder meer tenietdoen. Probeert hij het toch, dan ontstaan er in zijn eigen besef, zijn fysieke en psychische ontwikkeling hiaten.  Dus, ga uit op basis van wat je bent, maar verander de zaak niet. Op het ogenblik dat ik het oude verwerp, is de werkelijke betekenis van hetgeen ik bereikt heb, praktisch nihil. Slechts indien ik mijn oorspronkelijke persoonlijkheid behoud en daar omheen een nieuwe wereld, een nieuw besef opbouw, krijg ik een nog steeds relatieve, maar voor mij toch wel degelijk hanteerbare uitbreiding van wereld en een waardevergroting van mogelijkheden.

Er zijn heel wat mensen die denken dat zij in een vast spoor moeten lopen. Zij zeggen: Je zit aan een bepaalde weg vast en je kunt niet anders. Ik zou vele dingen anders willen doen, maar dit gaat niet. Ik onderga die invloeden, ik onderga die ervaringen, die gevoelens, die inspiraties en daarom moet ik deze weg gaan, of ik wil of niet. Dat zijn de mensen die hun oorspronkelijke persoonlijkheid hebben prijs gegeven. Degene die dat niet heeft gedaan, kan immers altijd terugvallen op de gehele persoonlijkheidsinhoud. Wanneer de stuwing hier niet in overeenstemming is met wat hij wil, dan kan hij zich terugtrekken naar de kern en hernieuwd zich projecteren. Dus opnieuw van de kern uit gaan beschouwen, het dwangverschijnsel valt weg. Je bent niet aan een noodlot gebonden, wanneer je bewustzijn altijd gebaseerd blijft op het geheel van je wezen. Of zoals men in boeddhistische termen weleens zei: Hij die zijn ziel beseft als deel van het geheel en niet zichzelf verwerpt, hij is de kern van het rad der gebeurtenissen dat rond hem wentelt. Zo wordt hij de kern van het heelal, beseffende alle waarden en alle werelden die daarin bestaan. Het klinkt misschien een beetje gek, maar ergens is het waar voor ons. Je moet nooit vergeten dat iets nooit algemeen waar kan zijn voor ons. Een algemene waarheid die ons allen zou omvatten, gaat ons begrip te boven. De betrekkelijke waarde die wij bevatten kunnen, geldt voor ons persoonlijk en misschien voor velen met wie wij harmonisch zijn, maar nooit voor allen gelijkelijk. En dat kan u misschien ook helpen om ten aanzien van uw eigen reactie op anderen, een beetje juister te denken. Er zijn kleuren die met elkaar vloeken, zegt men weleens, kleuren die alleen in zéér bijzondere omstandigheden samen kunnen komen en elkaar als het ware verdragen. Dus functioneel schoonheid tot stand kunnen brengen.

Nu zijn er heel wat stralen die niet onmiddellijk met elkaar harmonisch kunnen zijn. Dat is heel erg vreemd, de mensen bedoelen het allemaal goed, zij doen het beste wat zij kunnen, maar zij kunnen elkaar niet accepteren. Er blijft altijd een gaping, een soort misverstand misschien, want hun werelden wijken te veel van elkaar af. Mensen die elkaar niet goed kunnen verstaan, kunnen ook niet goed samenwerken. Wanneer u het gevoel hebt dat een dergelijk hiaat bestaat, realiseer u dat die niet aan de andere persoon te wijten is, maar ook aan uzelf, dat het uit uw kwaliteiten stamt. De enige manier om zoiets op te lossen is dan in die innerlijke wereld te duiken,die innerlijke wereld, die droomwereld, kan ons dan mogelijkheden suggereren waardoor we het verschil aanvaardbaar vinden. Dat is heel erg belangrijk. Wij kunnen het niet opheffen, maar wij kunnen zo ver komen dat het ons niet meer domineert. Wanneer wij personen niet sympathiek vinden, dan kan dat dus ook een dergelijk verschil zijn. Realiseer u dat de ander er niets kan aan doen en dat jij er niets kunt aan doen, maar dat je dus als mens, en als geest, voortdurend moet zoeken naar die dingen waar je persoonlijk het beste bij past.

In onszelf kennen wij verder, en dat is ook erg belangrijk, de zogenaamde Heiligheidsymbolen. Heiligheidsymbolen, omdat zij de sleutelbegrippen zijn voor een onbekende wereld, die wij aanvoelen, waaruit wij menen krachten te beleven, maar die wij ons nooit helemaal kunnen realiseren. Die wij ons niet concreet kunnen voorstellen. In deze era is bv. voor velen het kruis iets dergelijks. Vroeger waren het andere beelden. Ik zeg niet dat daar geen kracht aan verbonden is, ik zeg alleen dat de kracht niet bepaald wordt door het kruis, of het kruis door de kracht. Maar dat het kruis voortvloeit uit uw denken, daarom is het voor u het sleutelsymbool. Geloofssymbolen, machtssymbolen en dergelijke leven in onszelf en vertegenwoordigen een onbekende wereld, zonder dit weer te geven. Dat is ook een punt waar je moet over nadenken, want dan ga je ook begrijpen hoe je, in jezelf, de meest fantastische belevingen kunt doormaken.

Er zijn mensen die eerlijk God ontmoet hebben in zichzelf en die Hem daarbij hebben gezien als een oude man die op een gouden troon zat. Moeten wij daarom lachen? Neen, voor hen was dat waar en de God die zij ontmoetten, is precies dezelfde als de wolk van licht die een ander ontmoet heeft, of wel de zuiverende stilte zelfs waarin hij zich bewust werd van een boodschap zonder woorden. Hier is de benadering vanuit het “ik” een andere, het symbool dat wij plaatsen, tussen het “ik” en het onbekende, een andere. Maar de kracht, waarmee wij in contact zijn is dezelfde in bepaalde zaken die voor u geluk brengen.  Al deze dingen komen voort uit een innerlijke oriëntatie ten aanzien van het onbekende. Dat onbekende is niet te omschrijven, elke eigenschap die wij daaraan toekennen is beslist onjuist, omdat zij niet in een totale samenhang op de juiste wijze geplaatst kan worden. Wij kunnen geen menselijke interpretaties opleggen aan het onbekende, of dit nu bezield is of niet. Wij kunnen slechts de menselijke interpretatie gebruiken om het onbekende te hanteren.

In onze innerlijke wereld hebben wij heel wat onbekende factoren, wij zijn bang voor dingen die in onszelf verscholen zijn. Iedereen heeft wel ergens zo ’n soort kast waarin een paar skeletten hangen van zijn leven.  Dingen die hij nooit, en voor geen prijs aan anderen zou willen toegeven en die hij zelf ook maar liever vergeet. Maar die dingen zijn er wel. Wat zij genereren, angstsymbolen, vertegenwoordigt iets wat wij niet willen weten, dit is in de psychologie bekend. Maar waarom zouden wij dan niet zeggen, dat er ook gevoelens zijn van angst of afkeer, ten aanzien van onzienlijke krachten. Misschien krachten behorende in een andere wereld, in een soort droomwereld. Die ons te dicht nabij schijnen te komen, zonder dat wij die voldoende kennen of kunnen aanvaarden, zodat wij ook daarvoor een bepaald symbool in de plaats stellen. Er zijn mensen die bang zijn om zout te morsen. Is dat zout morsen op zichzelf gevaarlijk? Nee, je kunt hoogstens zeggen: Vroeger was het een verspilling want zout was eens kostbaar. Maar voor de mens, die daar bang voor is, drukt het de aanwezigheid van de angst voor het onbekende uit. Het zout is een symbool geworden. En wanneer wij de materiële betekenis van zout, zoals zij nu bestaat en in de menselijke ervaring ligt, betrekken op deze angst, dan ontdekken wij iets wonderlijks. Zout is datgene dat nadruk geeft aan de dingen, het haalt de smaak op zegt men weleens. Het is ergens een noodzaak voor het leven. Maar de mens is weleens bang voor datgene wat aan zijn leven meer inhoud en beweging zo geeft. Hij zou het liever ter zijde zetten. In vele gevallen is een dergelijke angst alleen dus een directe reflectie van de angst, voor een aangevoelde mogelijkheid of ontwikkeling die men voor zichzelf niet wenst te zien.  Op deze manier wordt men geconfronteerd met allerhande gedragseigenaardigheden in de materie, die te herleiden zijn in een innerlijke wereld.

Stel nu dat ik te maken heb met wat men noemt: het duister. Is er een duister in de zin dat de mens zich dat voorstelt? Ik geloof het niet, ik geloof dat je hoogstens kunt spreken over een afwezigheid van licht en dat is heel iets anders dan een duisternis die eigen kwaliteiten bezit.  Maar de mens gelooft aan dit duister omdat hij meent in het duister hulpeloos te zijn. Op het ogenblik dat ik dus iets vrees, dat mij hulpeloos maakt, zal ik het omschrijven als duister. Of het nu een geest is, een Goddelijke kracht, een gebeurtenis op aarde of iets anders. Gelijktijdig wordt ge gefascineerd door ditzelfde duister, want dit gevreesde duister draagt gelijktijdig iets van je eigen dromen in zich. Ik hoop dat u dit kunt aanvaarden, want de conclusie die ik hieruit wil trekken is de beschouwing, naar ik meen, wel waard. Het duister dat wij vrezen en gelijktijdig zoeken, is de onbekende geestelijke wereld, waarin wijzelf mede en vaak gelijktijdig bestaan en die wij toegang willen verschaffen tot het stoffelijke leven. Maar die wij gelijktijdig vrezen, omdat zij een totaal andere scala van waarden in zich draagt dan de stoffelijke wereld. Als je daarover nadenkt, dan ga je begrijpen hoe vreemd je jezelf manipuleert. En hoe al die waarden, die wij geestelijk als direct en volledig stellen, ergens relatief zijn. Elke persoonlijke waarheid, gebaseerd op persoonlijke ervaringen, kan algemeen zijn, maar zij kan evenzeer tot het “ik” bepaald blijven. Elke interpretatie die wij hebben van een droom, een innerlijk leven, van een ontmoeting met God of met de duivel, is een persoonlijke. Zij kan inderdaad een zekere waarheid bevatten. Maar die waarheid wordt gelimiteerd door ons begripsvermogen en daarnaast door onze onwil om bepaalde, zaken te aanvaarden en te erkennen. Dit is wel een nadere overweging waard!

Laat ons nu proberen om dit naar de praktijk terug te brengen. De mensen zijn nogal erg tegen de toenemende verontreiniging van de natuur, atmosfeer, bodem, water. Gelijktijdig echter zijn die mensen voortdurend bezig om die verontreiniging op te voeren. Waarom? Omdat hun angst het onbestemde is, er ligt een zekere nieuwsgierigheid in de mens, ondanks  al die  angst naar wat er dan wel zal gebeuren. En hierdoor is zijn concreet verzet tegen de toestand aanmerkelijk minder dan het zou behoren te zijn. Aan  de andere kant zoekt de mens zijn eigen belang en zijn eigen continuïteit toch wel voortdurend te bewaren. Hij verzet zich dus tegen alle facetten die hem niet onmiddellijk beroeren en die voor hem niet onmiddellijk in verband te brengen zijn met zijn eigen huidig bestaan en zijn toekomstige ontwikkeling. Dit is een eigenaardig verschijnsel misschien. Nog eigenaardiger is het dat ditzelfde wordt uitgedrukt in godsdienst, in politiek enz. Wij vrezen iets en daardoor roepen wij het te voorschijn, maar dan moet ergens in ons iets zijn dat het wil wekken nietwaar? Er is een economische crisis, die zich nog verder ontwikkelt. Is die crisis, noodzakelijk?

 Antwoord: neen. Is die crisis onontkoombaar? Eveneens: Neen. Waarom gaat die crisis dan voort? Omdat ergens in ons het gevoel is dat dit gevreesde in de sociale en economische ontwikkeling, gelijktijdig voor ons een doorbraak zou kunnen betekenen naar iets nieuws, naar iets anders. Daarom doe je daar niets tegen.  Zo is het in de materie, zo is het in jezelf. De innerlijke werelden met al hun vaagheid,  met al hun soms toch weer scherp gedefinieerde fragmenten die het menselijk denken kan opvatten, is een reële wereld. Zij is deel  van uw bestaan, zo goed als de aarde. Deze dingen vloeien samen tot één totale persoonlijkheid. Alle waarden van al die werelden tezamen, zouden een sleutel kunnen vormen misschien tot de origine en bron van ons bestaan en gelijktijdig een verklaring kunnen zijn voor het einddoel van ons wezen. Maar dat impliceert dat wij onze  voorstellingen, ten aanzien van onszelf, onze wereld,  noodzakelijkheden, behoeften etc. terzijde stellen.  En daarom zijn wij blind, daarom werken wij ook in onszelf met een vaak duistere symboliek. En kost het ons zéér veel moeite om, zo nu en dan, voor een kort ogenblik boven de troebele troposfeer van de fantasie uit te schrijden en te komen in de stratosfeer waarin de geestelijke kracht aanvoelbaar of ervaarbaar is. En nog moeilijker valt het ons vaak om die gehele atmosfeer van menselijk denken achter te laten en de pure essentie van het kosmisch bestaan te proeven. Dit alles is vergelijkend, zeker, zoals alle dingen die je zeggen kunt omtrent de innerlijke wereld van de mens vergelijkend zijn. Maar ik dacht dat de vergelijking een zodanig grote analogie had ten aanzien van het feitelijke, dat u daaruit, omtrent uzelf, iets kunt leren.

De conclusies hieruit in praktische raadgevingen, zijn als volgt samen te vatten:

  1. Ga steeds uit van dat wat je was, probeer nooit je verleden teniet te doen om in heden beter of intenser te zijn. Want hierdoor maak je jezelf tot iemand die geen beheersing meer heeft over zichzelf en over zijn lot.
  2. De betrekkelijkheid van alle dingen geldt ook in onze innerlijke wereld. Zeker wanneer het de ervaringen betreft die wij materieel registreren. Laten wij begrijpen dat deze dingen aanduidingen zijn. Laten wij ze niet beschouwen als een voldongen feit, of als een absolute zekerheid. Zij kunnen ons helpen ons verder te ontwikkelen. Laten zij niet worden tot de grafsteen van onze bewustwording.
  3. Alle krachten en alle besef dat u, op welk niveau dan ook, in uzelf draagt, kan samenvloeien in en geprojecteerd worden door uw stoffelijk voertuig. Maar dan moet u elke beperking, in de hand van stoffelijke denkbeelden etc..  terzijde stellen. Dan moet u datgene dat in u leeft, een eigen ontplooiing gunnen. En het a.h.w. zich laten aanpassen aan datgene wat u stoffelijk doet. Zonder het a-priori daarvoor te bestemmen. Dan zullen de harmonieën die u hebt, ten aanzien van uw straal, uw klasse van inwijding, uw innerlijke beleving en basis van kracht, zowel als uw stoffelijk leven, althans op punten, een totaal worden waarin de uitbreiding van bewustzijn mogelijk wordt, en gelijktijdig de vergroting van bereiking.

Hiermee ga ik dan besluiten. Ik hoop voor u en ook een beetje voor ons dat wij in het begrip van de betrekkelijkheid van alle dingen, zelfs ons leven in een sfeer, ons geestelijk bestaan, onze mogelijkheid tot bestaan op verschillende niveau, tot een verwazing kunnen komen van de grenzen die wij plegen te trekken tussen de verschillende facetten van ons zijn. Misschien dat wij, in die vervaging van grenzen, de innerlijke eenheid mogen en kunnen beleven, waaruit wij ten volle kunnen ontplooien wat onze bestemming, ons doel, om niet te zeggen: onze kosmische taak is.

  • Hoe kan ik weten wie ik ben, hoe ik ben, wat ik ben?

Wanneer u volledig eerlijk zou zijn tegenover uzelf, wat zelden voorkomt overigens, dan heeft u dus de mogelijkheid ongeveer te weten hoe u bent. Wat u bent, ja, dat is iets dat u aanneemt en wie u bent? Dat is de identiteit die u, op dit ogenblik, hebt aangenomen. Het is dus zo: je moet begrijpen dat je niet je hele wezen kent en dat je niet de totaliteit van je bestaan kunt overzien als mens. Maar dat is ook helemaal niet nodig, want je hebt voorlopig werk genoeg met dat wat je werkelijk bent. En als je je nu maar niet te veel in de stof denkt, en wanneer je je nu maar niet te druk maakt over alles wat je misschien zou moeten zijn ergens anders of wat je origine is, dan geloof ik ook dat je een zekere eerlijkheid kunt bereiken en dan begrijp je wat je relatie is tussen de wereld, zoals je die kent en jezelf. En die relatie dat is dan weer de basis waaruit je de zelfkennis bereikt. Maak je a.u.b. niet al te druk over je origine. Nu is er een hele reeks theorieën over de origine en niemand kan ze precies uitdrukken. De uitleg, de bron over wat ben ik eigenlijk is voor mij op deze wijze het gemakkelijkst aanvaardbaar. God openbaart zich in het licht en in het leven. Licht en leven zijn in het begin identiek. Wij zijn een brokje van dit licht en dit leven dat zich tijdelijk als afgezonderd van het geheel beleeft en ervaart, maar dat eens weer deel zal worden van die totaliteit. Dat voor zover: “Wat ben ik”. Ik ben dus een deel van de scheppende macht en ik zal daartoe eens terugkeren, hetzij als een bewust wezen, hetzij als een onbewust wezen geabsorbeerd worden. Dan: “Wie ben ik”. De identiteit die ik heb, die wordt bepaald door de ervaringen die ik heb. Dus de relatie die ik gesteld heb tussen mijzelf en het verdere wat er is: het zijn. Ik kan dat niet met een naam omschrijven, want een naam is uiteindelijk alleen maar een aanduiding. Maar ik kan wel zeggen: Ik ben dus datgene dat ik tot stand breng in het geheel van de schepping, in het geheel van het bestaande. En zo zou je dus kunnen zeggen dat je bent: Een actieve factor die in de verwezenlijking van de mogelijkheden van de schepping of de wil van een schepper dus een rol speelt. En die door het juist vervullen van die rol een begrip krijgt ook voor het geheel waarvan hij deel is. Er zijn nog andere uitleggingen over de Goddelijke werkelijkheid, omringt door een begrenzing die men dan de spiegeling noemt in welke spiegeling de archetypen ontstaan. Van welke archetypen wij dan weer a.h.w. een deel zijn. Er zijn dus veel theorieën, maar er is er geen één die, in stoffelijke termen, volledig duidelijk maakt wat je bent en wie je bent. Het is allemaal een veronderstelling.

Maar één ding weet je zeker, op dit ogenblik ben je wie je beseft te zijn, want het is je eigen besef dat bepalend is voor je relatie met de wereld, zowel als je voorstelling van jezelf. Ga daar dan maar vanuit, vindt u niet?

  • U maakt een onderscheid tussen een bewust of een onbewust terugkeren tot het Goddelijke?

Ja, ik maak hier een verschil omdat de stellingen, waarvan ik u kleine delen heb geciteerd uit de aard der zaak, dus zeggen: God is een kracht en deze kracht wordt manifest door de gedachte. Maar wanneer ik dus de gedachte behoud en de kracht erken, dan zou ik Schepper kunnen zijn. Ik behoef het niet te zijn, ik behoef dus niet de kracht weer vorm te geven. De bewuste terugkeer zou dan inhouden: een erkennen van de kracht waaruit het geheel bestaat. En dat zou waarschijnlijk, men veronderstelt het dus, een daadloos erkennen zijn omdat in de kracht alle mogelijkheden aanwezig zijn. Als die beseft worden is het niet meer nodig om ze te realiseren. De onbewuste verliest zijn persoonlijkheid op een gegeven ogenblik en gaat dus wel weer op in die kracht, maar zonder verdere begrenzing, inhoud of bewustzijn. Tot daar het verschil.

  • Meer uitleg over: hoe ik ben.

Hoe ik ben? Dat is in de eerste plaats: Wat denk ik van mijzelf? En dat dus eerlijk en niet: wat zou ik in de ogen van anderen willen zijn maar: Wat ben ik, wat doe ik? Wat doe ik anderen aan? Wat doe ik goed aan anderen, wat ben ik, precies. En dan in de tweede plaats vraag je je af:  Wat ben ik in de wereld?

Wat is de betekenis die je hebt voor andere mensen? Dus ben je voor die andere mensen iets goeds of ben je iets vervelends, ben je iets waar zij voortdurend pijn onder lijden? Waar zij leed door ervaren, of ben je eigenlijk iets wat anderen helpt om hun eigen leed te dragen en minder te maken? Al die dingen moet je daarbij in aanmerking nemen en dan kom je dus wel tot de conclusie wat je dus ongeveer bent. Wat je bent is, om het heel kort te zeggen: het geheel van je betekenis voor alle anderen waarmee je in contact bent, plus je eigen besef van dit contact en van je eigen mogelijkheden en eigenschappen.

  • Die rol die men dus speelt in het geheel, kan voor sommige mensen miniem zijn en voor anderen, zoals meer gekende persoonlijkheden, groot zijn. Is dit een maatstaf?

Nee, de enige maatstaf die wij kunnen toepassen in het geheel is de onmisbaarheid. Om een voorbeeld te geven: Als je een heel ingewikkeld uurwerk hebt, dan zit er misschien één klein onbetekenend schroefje in, maar als het wegvalt wordt het geheel ontsteld en dan kan het niet functioneren. Dan is dat schroefje net zo belangrijk als de wijzer, de wijzerplaat, de veer of wat er ook verder inzit. En op deze manier is onze belangrijkheid dus: dat wij deel van een functioneren zijn, dat zonder ons niet zou bestaan. Ik dacht dat daarom niet te zeggen is: Deze is méér dan gene, of: dit is beter dan dat.  Je kunt alleen zeggen: In mijn persoonlijke visie is het zo.  Maar je kunt nooit zeggen dat het helemaal zo is, want als je dat gaat zeggen dan kun je, op een gegeven ogenblik, gaan stellen: Nu ja, ik beteken niets, dus ik ben onbelangrijk. En om een vriend van mij te citeren: De belangrijkste mensen op deze wereld zijn nullen, waar genoeg achter staat. Dus, die belangrijkheid kunnen wij zeker niet als maatstaf nemen.

  • Wat kan de oorzaak zijn van angstgevoelen en hoe kan men die overwinnen?

Dat is een vraag die niet te beantwoorden is. In het algemeen kun je nooit zeggen: Wat is de oorzaak van angstgevoelens, want er kunnen zoveel oorzaken zijn. Maar laat ons er eens een paar opsommen: Je kunt dus angstgevoelens hebben omdat je iets weet omtrent jezelf, of je eigen leven, wat je zelf niet wil toegeven. Voorbeeld: Er zijn mensen die dus aan een beginnende kanker lijden en die dat voor zichzelf nooit zullen toegeven. Die zelfs niet naar een medicus durven toegaan, uit angst dat er iets zou zijn. En die dus net doen of dat zij gewoon zijn, en gelijktijdig die verterende angst hebben dat zij langzaam ten gronde gaan. Dat zou zich dus sublimeren in allerhande angstgevoelens op een ander terrein. Een ander voorbeeld: Je hebt het idee dat je steeds tekort zult schieten. Wat je doet in die wereld is net niet belangrijk genoeg weet u, en het gaat net niet voldoende, het gaat niet goed. Je hebt zo het idee: ik faal. Dat zul je voor jezelf vaak compenseren door net te doen alsof je enorm succesvol bent en misschien enorm veel kunt. Maar dat gevoel geeft je een onzekerheid en dat resulteert weer in angstgevoelens. Je weet bv. iets niet, maar je hebt zo het gevoel: al het onbekende kan mij bedreigen. Dan is de aanwezigheid van een onbekende factor aanleiding tot een reeks van fantasieën die op zich weer de basis worden van angstgevoelens. En dan hebben wij allen nog maar een paar psychische factoren. Angstgevoelens kunnen ook ontstaan door een glandulaire afwijking. Wanneer wij een soort vergiftigingsverschijnsel hebben en daardoor functioneert het lichaam niet meer normaal. En deze slechte functie wordt vaak omgezet in beelden die vaak enorm dreigend zijn.  Dat is bv. als je met L.S.D. een donkere trip hebt, dan kom je dus in een toestand, waarin de afwijking van de norm in je  lichaam op dat ogenblik bestaat en wordt dan ervaren als iets ondraaglijks. Dat wordt dan weer omgezet in beelden en die beelden zijn dan weer opgebouwd op de associaties die je hebt met angsten en duisternis in jezelf natuurlijk. Dit zijn dus maar een paar voorbeelden. Er zijn er wel tienduizenden te geven. En wat kun je er tegen doen? Ik geloof dat je angstgevoelens pas dan kunt bestrijden wanneer je, datgene waar je bang voor bent,  eerst eens een gezicht geeft. Onbestemde angsten zijn niet te beschrijven. Wij moeten ons dus afvragen: Waarvoor zijn wij in wezen bang? En wanneer wij weten waar wij bang voor zijn, dan moeten wij proberen om, ofwel datgene dat wij vrezen dus uit te dagen, onszelf te bewijzen dat het niet te vrezen is. In vele gevallen gaat dat. In andere gevallen moeten wij onszelf duidelijk maken dat het gevreesde door ons vermeden kan worden. Dat het ons dus niet benaderen kan zonder dat wij het zelf veroorzaken. In beide gevallen zijn de angstgevoelens dus aanmerkelijk minder, maar het is altijd noodzakelijk om je dus de basis van je angstgevoelens te realiseren, wil je er toe komen het te bestrijden.

  • U sprak van organische angst, waardoor een glandulaire afwijking kan ontstaan door toedoen van L.S.D. Maar kan een angst gewoon organisch ontstaan, dus daar de oorzaak in hebben?

Dat is onder omstandigheden mogelijk. Wanneer wij bv. een slechte functie hebben van de bijnier, dan krijgen wij dus een soort opwindingstoestand in het gehele lichaam. Die opwindingstoestand betekent een anders zien van de wereld, een anders reageren, veel schichtiger, veel geladener. Maar die geladenheid wordt aangevoeld als iets wat niet uit onszelf voortkomt, want dat geven wij onszelf niet toe. Wij weten dat ook niet, wij projecteren dat dus in de wereld of in de geest. Het gevolg is dan dat wij ons achtervolgd gevoelen. Dat kan bv. met bepaalde adrenalineafscheidingen het geval zijn, dat kan zelfs zover gaan dat de mensen zijn redelijk denken als het ware verliest. Zodat hij een tijd in een voortdurende toestand van paniek leeft. En dat resulteert dan in vele gevallen weer in een psychisch ziektebeeld dat uiteindelijk uitloopt tot vormen van catatonie. Dat zijn dus heel normale dingen, u weet: het  moederkorenvergiftiging en dat soort dingen. Of ureumvergiftigingen kunnen ook angstgevoelens met zich meebrengen, vooral wanneer het lichte ureumvergiftigingen zijn, slechte functie van de nieren. Wanneer dus een afwijking ontstaat, aan de schildklier of aan de hypofyse, kan dat onder bepaalde omstandigheden, dus niet altijd, ook weer voeren tot een gevoeligheid voor dingen die je normaal niet hebt geconstateerd en het onbekende wordt gevreesd, Omdat je niet weet wat je er mee moet beginnen. Ook weer angstgevoelens en dan is ook de oorzaak lichamelijk.

  • Hoe komt het dat veel kankerpatiënten eigenlijk geen angst hebben van hun kanker? En zelfs nooit kunnen geloven dat zij het hebben?

Ik dacht dat, dat komt omdat men juist zo bang is voor kanker. Het is precies hetzelfde als de dood.  De mens is over het algemeen erg bang voor de dood en juist daarom praat hij zichzelf aan dat hij niet kan sterven. Dat is met die kanker dus ook. En wanneer je nu zegt: Ja, maar ik merk er toch niets van, ik ben toch nog gewoon zoals ik ben. Dat kan toch niet ernstig zijn want als ik aanneem: het is een doodsoordeel en die pijnen komen dan moet ik bang zijn, maar dat kan ik niet meer leven. De verwerping van angsten, ten aanzien van het onontkoombare, vormen dus in feite een verweer, een soort zelfbehoud. En dat zelfbehoud dat speelt, vreemd genoeg, vooral een rol als wij te maken hebben met feitelijke gevaren. Zodra de gevaren imaginair of niet sterk gedefinieerd zijn, zijn wij bang en dan maken wij ze met onze fantasie vaak veel erger. Maar op het ogenblik dat wij met een concreet gevaar geconfronteerd worden, ontkennen wij het voor onszelf, omdat de erkenning van het gevaar zou inhouden dat wij er dus aan ten onder zouden kunnen gaan. Dat is zuivere psychologie.

  • Bestaat er dan ook een verband tussen de gedachten van de mens, aan de hand van een ziekte, maar dat dus de ziekte- of het gedachtebeeld inherent is aan een van beide, bv.: Een MS patiënt is moeilijk te genezen, niet zozeer door zijn ziekte, maar door de gevolgen van zijn negatief denken ten opzichte van de gezondheid. Kunt u dat verklaren?

Ja, het negativisme dat wij dus zien bij heel veel patiënten, van allerhande ziekten trouwens, dat blijkt heel vaak voort te komen uit het gevoel van onmacht. Het verzet dus, tegen de eigen toestand, maar dat betekent dat in dit verzet en vaak ook voortdurend zelfbeklag dus de energie wordt opgeteerd die het lichaam normalerwijze voor genezing en stabilisatie zou gebruiken. Het verbruik van krachten is psychisch dus zo groot en ook in de hersenmassa dus dat daardoor een tekort aan zenuwkrachten ontstaat en daardoor weer een verminderde mogelijkheid tot het scheppen van reactieprikkels waarbij, zoals u weet, het negativisme een grote rol kan spelen. Sommige ziekten zijn daarvoor nogal kenmerkend bv.: het zeer hoge bloedsuikergehalte brengt meestal een soort misantropie met zich mee. Waarom? Ja, ik geloof omdat de patiënt aanvoelt dat iets niet normaal is, of misschien zelfs weet dat het niet normaal is, en gelijktijdig dit als een onrecht beschouwt. Zodra je, je eigen ziekte als een onrecht beschouwt en je er tegen verzet, dan verteer je de krachten die je eigenlijk nodig hebt om te genezen. Daarom is het altijd bij genezing, geestelijk zowel als medisch, nodig dat je eerst je ziekte aanvaardt, dat je dus berust in de ogenblikkelijke toestand. In de berusting, in het weten is het mogelijk de krachten op te brengen om morgen te veranderen.

  • Stel: zuivere helderziendheid, in ruimte en tijd. Is wat men dan waarneemt te wijzigen?

Ja, dat is te wijzigen omdat de helderziende waarneming nooit volledig is.  Dat is iets dat de mensen vergeten. Een helderziende die, in ruimte en tijd, een plaats ziet waar een moord bedreven wordt. Die zal die plaats misschien aardig kunnen beschrijven maar hij zal zich ook vergissen. Want hij heeft een ongebruikelijk blikhoek daarop. Je kijkt namelijk meestal iets van boven op het toneel, of je bent direct verbonden met de personen, of één van de personen, waarin het drama zich afspeelt. Het resultaat is dat hetgeen je voorspelt alleen onder die bepaalde gezichtshoek juist is, maar daar het beeld zelden volledig is, trek je daar zelf conclusies uit. Deze conclusies worden niet waar. Ik kan iemand neer zien vallen nadat er een schot klonk en zeggen: die mens is vermoord. Maar is dat werkelijk zo? Is die mens misschien flauwgevallen en niet getroffen? Dat weet ik niet en omdat er altijd zoveel onbekende factoren zitten, in het waargenomen beeld, moeten wij stellen:

  1. Dat het beeld nimmer volledig juist is, ook als het een concrete praktische helderziende waarneming is. En ten tweede, dat is misschien ook erg belangrijk, wij zullen wanneer wij de toestand enigszins kennen geneigd zijn om in te grijpen waar dit mogelijk is en door dit ingrijpen de waargenomen omstandigheden eveneens kunnen wijzigen, al zal het totaal beeld dat wij hebben waargenomen inderdaad optreden.

Maar wat gebeurt er in de droom? Zeer waarschijnlijk nemen wij in de droom fragmenten waar, terwijl de samenhang van het verhaal eigenlijk eerst na het ontwaken ontstaat, wanneer wij de verschillende indrukken tot één geheel samenvoegend

  • Hoe kan men de intenties van zijn eigen geest zo juist mogelijk kennen?

Ik geloof dat, dat heel erg moeilijk is omdat dit een proces veronderstelt waarbij je komt tot een voldoende beheersing van je lichaam. Een voldoende scholing van je denken en je wil en daardoor een projectie van het “ik” buiten deze omhulsels. Je zou dus kunnen zeggen: De wil van je eigen geest kun je pas herkennen wanneer je in staat bent een bewuste projectie zeker tot in het levenslichaam te volbrengen. Zonder dit, kun je dus wel bepaalde dingen veronderstellen, maar het komt dus niet tot een volledige innerlijke zekerheid.

  • Ik meen dat het hierom belangrijk is.

Niet zo belangrijk als u denkt. U moet één ding niet vergeten, uw geest heeft een achtergrond, waarschijnlijk ook van vele levens, ervaringen in ieder geval van andere werelden. En wat voor haar belangrijk is, strookt niet met de belangrijkheden die zij op deze wereld kent. Wanneer u die intenties echter zou kennen, zou u ze interpreteren volgens de belangrijkheden in de scala die u op aarde hanteert. U zou dus waarschijnlijk een groot gedeelte van de bedoelingen van uw geest misverstaan.

Wanneer je slechte intenties in jezelf erkent, moet men zich daar dan tegen verzetten en jezelf vernietigen, want men moet zichzelf toch nemen zoals je bent omdat je anders je eigen persoonlijkheid volledig zou vernietigen.

Ja, laten wij nu eens zeggen dat u dus een persoonlijkheid hebt, waarin u dus machtswellust ondermeer hebt erkent, dan zegt u dus: Ik wil macht hebben dat is mij eigen. Hoe kan ik die macht zo gebruiken dat anderen er gelukkig mee worden. Dan blijkt zelden dat machtswellust, die normalerwijze tot zelfs sadisme kan voeren, dus ook gebruikt kan worden om te zoeken naar een beheersing waarbij je voor anderen geluk schept. Elke eigenschap die je bezit heeft positieve en negatieve mogelijkheden, wanneer je dit beseft, kun je die eigenschappen gebruiken. Het is zo dat vuur, op zichzelf erg nuttig is. Met vuur kun je stoomtreinen later rijden, machines mee laten draaien, huizen mee verwarmen. Zelfs terreinen mee afbranden en door de as nog een beetje mest verkrijgen zodat je landbouw kunt plegen hier en daar. Al die dingen dus zijn positief, maar vuur vernietigt ook.  Het vuur op zichzelf is niet vernietigend of reinigend, maar het kan onder omstandigheden in één van die twee punten optreden.

Zo is het ook met u. U hebt allen weleens ergens gierigheid, dat kan een verschrikkelijke eigenschap zijn, wanneer je dus zegt: Alles alleen voor mezelf hebben. Maar je kunt die gierigheid vaak ombuigen in een zakelijkheid, waarmee je de belangen van anderen dus behoudt en dan wordt het weer een gunstige eigenschap.

Ik geloof niet dat je dat dan maar in jezelf moet vernietigen, maar dat je je moet afvragen: hoe kan ik in datgene dat in mij leeft iets vinden wat positief is voor anderen en door die anderen dus ook als zodanig ervaren kan worden.

Dan vervul je jezelf en misschien dat alles wat je tot stand brengt voor de mensen niet even acceptabel is maar je haalt dan de ontwikkeling van de mens  vooruit op een wijze die voor jezelf niet negatief is en die voor de mensen over ’t algemeen toch noodzakelijk en onvermijdelijk is.