Duel tussen magiërs

SVGZ – 25 september 1964

U vindt deze titel veelbelovend. Toch zult u zien, dat u daarin minder sensatie aantreft, dan u nu verwacht. Misschien is dit u een teleurstelling, maar daar kan ik ook niets aan doen.

De magie is een gebruiken van het onzienlijke, om daardoor zichtbare resultaten te bereiken. Een magiër is iemand, die de regels kent – of vermoedt – volgens welke hij krachtens onbekende wetten zienlijke, onzienlijke resultaten kan behalen en ook zichtbare gevolgen tot stand kan brengen. Wanneer ik spreek over onzienlijke resultaten, zo lijkt dit onjuist. Maar er bestaan vele resultaten, die geheel werkelijk zijn, maar toch niet onmiddellijk kunnen worden gezien of zelfs maar gemeten. Wij zouden verder terecht bij de magie kunnen spreken over een pogen, via eigen Ik anderen te beïnvloeden, een soort hypnose uit te oefenen, om zo een verplaatsing of verandering in werkelijke waarden tot stand te brengen.

Misschien denkt u nog steeds, dat ik wil spreken over alle witte en zwarte magiërs in deze dagen. Dit is echter niet mijn bedoeling. Er is in deze dagen een nieuwe soort magiërs ontstaan: wetenschappelijke denkers, die zich zelfs in een extrovert mechanische maatschappij steeds meer onmisbaar weten te maken en zichzelf andere namen dan magiër plegen aan te meten. Dezen noemen zich psychologen, public relations man enz. enz. en werk zoeken zij hoofdzakelijk in het op onopvallende wijze beïnvloeden van hun medemensen, het wijzigen van tendensen en gebruiken.

Normalerwijze zal ik, bij het ondergaan of beschouwen van iets, mijn conclusies aan de hand van eigen ervaring trekken en geen andere factoren daarbij mee laten spreken. De relaties en waarden mogen op deze wijze weliswaar relatief worden gesteld, maar voor mij is het geheel juist, aanvaardbaar en zelfs eerlijk. Zeker zal ook zelfsuggestie hierbij te pas komen. Maar veel maakt dit niet uit. Nu komen echter de psycholoog, de reclameman, de public relations man. Men vertelt mij nu – tegen mijn eigen oordeel of wens vaak in – dat alles, wat ik mooi vind, eigenlijk maar lelijk is, dat mijn kleding ouderwets is enz. Hierdoor kan hij mijn leven veranderen, mijn gewoonten wijzigen volgens zijn eigen inzicht. Zo stelt men bv. wel, dat men geen echte man is, wanneer men geen broek met smalle pijpen draagt en dat een vrouw pas werkelijk stralend jeugdig is, wanneer zij preparaat Y op haar gezicht smeert. Nu weten wij allen wel, dat smalle broekspijpen aan de persoon niet veel veranderen en beseffen innerlijk ook heel goed, dat je met de een of andere pasta geen jaren van je leeftijd af kunt halen. Ergens willen wij echter graag geloven, dat de tekorten, die wij bij ons zelf constateren, op een dergelijke eenvoudige wijze kunnen worden weggenomen. Dus zullen wij het tegen beter weten in toch maar geloven, vooral doordat men ons dit alles zo aanvaardbaar weet voor te stellen.

Zolang dergelijke invloeden slechts een enkele maal optreden, denken wij daarover wel na, maar zien het eerder als een illusie, iets waarvan wij wel willen dromen, maar waarop wij toch niet durven bouwen. De kritische vermogens van de mens nemen echter snel af, wanneer men het gestelde maar blijft herhalen. U kent misschien de slagzin wel: het tovermiddel der reclame is herhaling.  Elke keer weer vertelt men u hetzelfde. De vorm kan zich wel eens wijzigen, maar het eind- resultaat wijkt steeds op dezelfde manier van de werkelijkheid af, terwijl ook steeds weer een beroep wordt gedaan op bepaalde elementen in uw wezen, zodat u het gestelde maar al te graag zou willen geloven. Dan komt er een ogenblik, dat het eigen en werkelijke oordeel van de mens weg valt. Hij aanvaardt nu geheel de illusie en behandelt deze als een werkelijkheid.

Nu zullen illusies als: met weinig middelen jonger of mannelijker kunnen zijn, maar weinig kwaad doen. Indien men u echter kan doen geloven, dat elke groep op aarde, behalve één bepaalde, uw vijand is, dat men niemand anders kan vertrouwen, dat niemand op de juiste wijze zal kunnen reageren en handelen buiten één enkele mens, wordt de zaak anders. Dan gaat u ook dit geloven, zodat uw houding in – en verhouding tot – de wereld zal gaan veranderen. Zo vreemd het dus ook moge klinken, men kan met reclame wel degelijk wonderen doen. Men kan daarmede in de ogen van mensen het onmogelijke waar maken. Op deze verklaring zullen velen, waaronder ook reclametechnici, stellen: man, je zit onzin te vertellen. Laat ons dan de feiten eens nader bezien.

Krachtens reclame, psychische beïnvloeding van het publiek, heeft men in bepaalde landen binnen 40 à 50 jaren een omschakeling tot stand weten te brengen, van een agrarische economie tot een technische economie. In zelfs kortere tijd heeft men, met dezelfde propagandamiddelen, de levensgewoonten van gehele volkeren zo weten te wijzigen, dat zelfs de verhoudingen tussen de mensen onderling geheel anders zijn gaan liggen. Men heeft, door middel van reclame, van vijanden vrienden en van vrienden vijanden weten te maken in minder dan een jaar, men heeft politieke evenwichten alleen door deze middelen weten te wijzigen, de besteding van gelden door enkeling en gemeenschap weten te wijzigen. In enkele gevallen slaagde men er zelfs in, voor een gehele gemeenschap de relatie tussen mens en God tot een andere te maken. Stel dit alles vast en zeg nog eens, dat dit alles niet als een vorm van magie beschouwd kan en mag worden.

Tegenover deze soort van magiërs, die alles beschouwen vanuit de formules van het redelijk wetenschappelijke, staat een andere soort. Magiërs, die zichzelf misschien eveneens niet meer als zodanig beschouwen, maar dan toch op hun manier gebruik maken van klanken en woorden, om een soortgelijk resultaat te behalen. Een dergelijke magiër geeft zijn woorden zelfs geen schijn van redelijkheid meer mee. De woorden zijn een eigenaardig ratjetoe van begrippen, ideeën en onzinnige associaties, waarin alleen de resonans van het geluid, het ritme van het woord zin heeft. Ook deze minder bewuste magiërs slagen er in de menigte te beïnvloeden. Wij kunnen dat naderhand misschien psychologisch wel verklaren. Maar toch rijzen er vragen als: hoe komt het, dat er mensen zijn, die liever drie uren luisteren en kijken naar Fidel Castro dan een half uur naar Brigitte Bardot e.d.? Hoe komt het, dat mensen voor bepaalde soorten redenaars, in vuur en vlam staan en hun overtuiging eenvoudig terzijde werpen, terwijl er, rationeel gezien, niets bijzonders gebeurt of gezegd wordt? Ook deze soort magiërs is er dus. Soms noemen wij hen politici, soms priesters en zendelingen, soms vinden wij voor hen nog ander namen. Niemand zal kunnen ontkennen, dat bv. mensen als Hitler, Churchill e.d. resultaten wisten te behalen met woorden, die ver uitgaan boven alles, wat redelijk verwacht kan worden.

Naast deze magiërs, die hun eigen werken een andere naam willen geven en vaak de werkelijke achtergrond van hun werk niet eens kennen, zijn er dan nog de bewuste, de echte magiërs. Dit zijn mensen, die uitgaan van geheel andere stelregels dan degenen, die onbewust de magie van klank en woord hanteren of mensen en hun gevoelens “wetenschappelijk”, weten te gebruiken om een irreële situatie tot stand te brengen. Het is misschien wel goed, u over deze magiërs eerst iets meer te vertellen. De andere soorten kunt u zelf regelmatig in actie zien. Wat de meer persoonlijke elementen daarvan betreft, hoeft u alleen maar een Kamerdebat bij te wonen en het verschil van persoonlijke invloed te bezien tussen bv. Cals en Koekoek, en u weet al, waarop ik onder meer doelde.

Maar de echte magiërs kent men niet. Daarom moeten wij allereerst hun denken nagaan. Hun idee luidt: “Er is een God. In den beginne was het Woord. Het Woord was uit God en het Woord was God.” God is in en rond alle dingen. God uit zich.  Gods gedachte is het Woord, zijn schepping is zijn Beeld. Wanneer ik Gods wezen leer kennen en uit de klanken van zijn wezen iets opbouw, zo zal men hiermee een zekere macht bereiken over alles, wat in God bestaat.

In een oude legende vertelt men, dat een zekere engel, Raziël een kabbalistisch boek op aarde bracht en dit gaf aan Adam, of –  zoals anderen stellen – aan Abraham. Hoe het ook zij, dit boek kwam in handen van Salomo, die hierin de werkelijke klanken van de godsnaam vond. Hij vond een woord, dat, menselijk gezien, absoluut onzinnig is, een woord van 72 letters; door dit woord zou hij kracht hebben gehad over alle geesten van licht en duister, over de wereld en alle elementen. Dit duurde, tot hij zich vergiste en het woord eens verkeerd sprak. Vanaf dit ogenblik was de ondergang van Salomo een zekerheid.

Dit is een legende. Wij mogen dit alles dus rustig met de nodige korreltjes zout nemen, maar in deze legende schuilt iets, wat wij toch wel moeten onthouden:

Er zijn oerklanken, klankcombinaties, trillingen, die een affiniteit tonen voor andere krachten en wezen, en daarop inwerken. Zo het verhaal, dat een slang zich laat lokken door de tonen van een fluit al onjuist moge zijn, zo blijken er toch mensen te bestaan, die hen onbekende of zelfs wilde dieren met bepaalde klanken weten te lokken en te beïnvloeden. Mensen, die met een enkel schijnbaar zinloos woord, dat zij fluisteren, een wild geworden paard tot rust weten te brengen. Deze dingen bestaan. Er is dus wel degelijk een bepaalde macht, en invloed over anderen, te verkrijgen door bepaalde klanken. Er zijn andere trillingen, die eenzelfde uitwerking hebben. De magiër maakt van deze macht en mogelijkheden gebruik.

Hij doet dit niet wetenschappelijk, volgens vaste formules, volgens een vastgelegd systeem. In de goddelijke wereld geldt een goddelijk systeem, dat niet zo gemakkelijk in menselijke begrippen is uit te drukken. Wanneer u er een formulering voor wilt hebben, zo lijkt mij de beste wel de werking en wet van de 22 letters en de 10 getallen. Dit laatste aan de kabbala ontleende systeem kan men gebruiken in de esoterie, toepassen op de mystiek. Men kan er zelfs een metafysica op opbouwen, maar men kan er geen onmiddellijk bruikbaar stoffelijk stelsel of systeem op baseren. Het optreden van de magiërs is dan ook steeds schijnbaar willekeurig. Dit maakt het moeilijk, hun werken duidelijk te omschrijven. Daarom wil ik u allereerst een voorbeeld geven van de wijze, waarop het duel tussen de verschillende soorten magiërs plaats kan vinden.

Er is een redenaar, die, met kennis van het volk en misschien zelfs voldoende psychologisch inzicht om te weten, wat hij doet, een menigte weet te overtuigen, dat hij alleen goed is. Nu klinkt opeens achter uit de zaal een enkel woord, een klank misschien alleen maar. In Engeland is het eens gebeurd, dat iemand op het juiste ogenblik alleen maar “bé” zei. Opeens ligt het gehele zorgvuldig opgebouwde betoog in brokken. De stemming die was gewekt, de overtuiging van de mensen, is daarmee opeens gebroken.

In een gehele, goed opgezette reclamecampagne sluipt een enkele opvallende drukfout in. In een betoog sluipt een enkele gekke spreekfout in, en de waarde van alles, wat vooraf ging, is teniet gedaan. Het resultaat is vaak zelfs het tegendeel van het beoogde.

Dit is het middel, waarvan de werkelijke magiër zich, naast uitstraling van meer geestelijke waarden en invloeden, gaarne bedient, om de volgens hem onjuiste beïnvloeding van de mensheid te voorkomen. Vaak is hierbij sprake van een directe, zij het voor het sujet niet merkbare, beïnvloeding van een persoon. Het kan dan ook voorkomen, dat iemand, die een bepaalde beloften in alle eerlijkheid doet en ook alles geeft, om deze waar te maken, tracht zijn einddoel te verwezenlijken om te ontdekken, dat hij één enkele factor heeft vergeten en daardoor het tegendeel van zijn streven bereikt. Vaak is het op een ongunstig moment hanteren van een enkel begrip reeds voldoende, om alles, wat men dacht bereikt te hebben in puin te laten vallen.

Uit dit alles blijkt wel, dat ik, al spreek ik wel degelijk over een werkelijk duel tussen magiërs, het toch niet heb over mensen die rondlopen in fraaie sterrenmantel, puntmuts en zich wapenen met toverstaf of gewapend met magisch zwaard en magische dolk de geesten uit het duister oproepen om de wereld te ketenen, of de geesten des Lichts, om alle geest uit het duister aan banden te leggen. Het is veel eenvoudiger dan dit. In wezen wordt er gestreden om en met de innerlijke waarden en krachten van de mens.

Wanneer ik tot u spreek, ben ik in deze zin tot op zekere hoogt dus ook een magiër. Want met mijn spreken doe ik meer dan alleen maar begrippen verkondigen. Ik tracht een sfeer te scheppen, een overtuiging te geven, die u misschien in staat stelt om wat nuchterder te staan tegenover andere op gelijke wijze verkondigde overtuigingen, die heel wat minder goed gefundeerd zijn.

Over de gehele wereld gaat het op het ogenblik om het vinden van een werkelijkheid, die men echter niet aan de hand van het betoog van een psycholoog of volksmenner kan vinden. Want er zijn er onder deze mensen, die, met de beste bedoelingen misschien, in het leven en denken van anderen vreemde, wonderlijke en voor de mensheid soms haast fatale dingen tot stand brengen.

Ook hier zal ik weer in voorbeelden moeten vervallen, omdat het onderwerp dit nu eenmaal vraagt. Ik kies als punt van uitgang iemand, die u allen kent: Martin Luther King.

Deze strijdt met vele anderen voor het bereiken van een gelijkheid tussen de blanke en gekleurde burgers der V.S. Overigens zoekt men dit geweldloos te bereiken. Hiervoor gebruikt deze man een vorm van magie. Wie ooit iets heeft kunnen zien van de wijze, waarop de bijeenkomsten van de kleurlingen plegen te verlopen, zal onmiddellijk toegeven, dat hierbij vele onredelijke factoren een grote rol spelen, terwijl gescandeerde leuzen vaak meer invloed hebben dan een gehele predicatie. Hierdoor ontstond een idee, die niet geheel reëel was. Men kreeg namelijk de indruk dat deze gelijkheid onmiddellijk en automatisch het recht van alle kleurlingen zou zijn, zonder dat er persoonlijke factoren als het verdienen van vertrouwen, tonen van bekwaamheid aan te pas zouden komen.

Ofschoon men de strijd begon voor gelijke mogelijkheden in het onderwijs – wat juist was – volgde al snel het denkbeeld, dat reeds nu en voor alle kleurlingen ook een mogelijkheid tot onmiddellijke materiële gelijkwaardigheid zou bestaan. Ook King en zijn volgelingen begonnen deze “gelijkheid” te prediken. Deze is echter niet onmiddellijk te verwerkelijken, terwijl de gestelde eisen een tegenstand wekken, die bij een andere manier van optreden misschien  achterwege gebleven zou zijn. Hierdoor kreeg onder de negers een reeks radicale groepen invloed, die tot het stellen van deze eisen in wezen maar weinig betekenis hadden. Ik denk hier aan organisaties als bv. de Black Muslims, een in wezen vaak terroristische groepering, die de negers boven alle blanken wil verheffen en daarom alle samenwerking met en zelfs contact met blanken verwerpt.

U kent misschien de leuze wel: “freedom now”. Deze impliceert niet meer, dat men wenst te groeien naar een steeds groter gelijkwaardigheid, maar dat men deze nu, ongeacht mogelijke verschillen in opvoeding, leefwijze e.d. onmiddellijk wil hebben. Hierdoor wordt de gedachte geschapen, dat eenieder, die jou niet zonder meer als gelijke erkent, je onrecht aandoet. Onder het mom van bevordering van naastenliefde en christendom en misschien zelfs handelende in de overtuiging, dat dit alles in overeenstemming is met het wezen van het christendom, schiepen vele groepen, daarbij veelal geleid door negerpredikanten, bij de kleurlingen een haat, die toeneemt, naarmate de blanken in de onmogelijkheid verkeren, zich onmiddellijk om te stellen en aan alle eisen – ook de onredelijke – zondermeer toe te geven. Dat dit niet waarlijk verantwoord is, zal duidelijk zijn: het voert tot – door de verkondigers van de idee – ongewenste gewelddadigheden.

De weerslag daarvan blijft niet beperkt tot de V.S., maar is merkbaar over de gehele wereld. In Nederland bv. zal men tot voor enkele jaren weinig of niets gehoord hebben over rassendiscriminatie. Zo zij er al waren, waren het er maar enkelen en waren zij in wezen zeer onbelangrijk. Nu echter – tenzij hier mijn voorlichting heeft gefaald – schijnt het denkbeeld van rassendiscriminatie steeds sterker op de voorgrond te treden.  M.i. is een illusie van gelijkheid geschapen, die de kleurling ertoe brengt luidruchtig, en soms zelfs ten onrechte, zijn rechten op te eisen. Krijgt hij zijn zin niet, dat heeft hij onmiddellijk als wapen het begrip rassendiscriminatie in de hand.

Hierdoor zullen velen zich echter niet bepaald tot de gekleurde mens aangetrokken gaan voelen, zodat niet bereikt wordt, dat de gewone mens denkt: “natuurlijk, zij hebben gelijk, zij moeten gelijke mogelijkheden en rechten hebben”, maar zich door het te luidruchtige en soms zelfs agressieve optreden geschokt voelt. De uitwerking is dan: wij moeten voorzichtig met ze zijn. Laat ze maar ergens elders naar toe gaan. Deze mensen zijn mij te vreemd, te gevaarlijk.

Vroeger waren negers in Nederland vreemdelingen, die men met enige nieuwsgierigheid, maar zonder werkelijk voorbehoud wilde aanvaarden. Nu zijn het vreemden, mensen van ander ras, waarmee men geen raad weet, die men op een afstand wenst te houden. Kortom, deze zaak, die schijnbaar hoofdzakelijk humane en politieke aspecten heeft, blijkt heel wat meer magische aspecten te hebben. Door hierbij uit te gaan van theoretische rechten en niet te zeggen: “toon wat je kunt, laat je van je beste zijde zien”, heeft men de gevoelens van het volk gewekt op een geheel verkeerde manier.

Ik zou vele soortgelijke voorbeelden kunnen geven. Belangrijker is echter de vraag, wat men tegen dergelijke haat en onnodige strijd brengende invloeden moet doen. Daarvoor is maar een enkele manier: het moet niet enkel tot een conflict komen, maar in dit conflict moeten steeds meer elementen voorkomen, waardoor degenen die dit conflict aan de gang brengen, belachelijk worden. Het is dan misschien voor allen – ook de goedwillende blanken – onaangenaam, dat de leiders van deze beweging elke maal weer een nederlaag lijden tegen hun eigen volgelingen, zodat zij belachelijk worden. Zoals in de gevallen van relletjes, waarbij zij met hun autootjes en luidsprekers rondrijden om te roepen: “negers, ga naar huis!” en uiteindelijk nog een pak slaag op de koop toe kunnen krijgen, of de gevallen, dat misdadige elementen hun propaganda als voorwendsel gebruiken voor plunderingen enz.

Toch kan alleen op deze manier het denkbeeld van een bijna overdreven gelijk hebben van een enkele partij worden teniet gedaan. Daarom is er steeds weer een enkele stem, die er voor zorgt dat het vermaan niet slaagt, dat de leiders, die zich soms wel wat te veel als goden gevoelen en zich gedragen, menen te weten door de massa, eens in hun hemd komen te staan, alleen en verwonderd, terwijl anderen hun gang gaan.

Nu weet ik wel, dat dit geen prettig verhaal is. U hoort veel liever nog iets over Salomo. Want Salomo ligt ver af, daarvan heb je geen last. Dát alleen maar is interessant. Het kleurlingenvraagstuk ligt veel te dichtbij. Wij kunnen onze problemen ook nog dichter bij huis zoeken. Wat zou u bv. hiervan zeggen: tijdens een AD-REM-debat in uw Kamer werd gezegd: wij kunnen ons niet bezighouden met de gevoelens van de meerderheid van het volk. Wij moeten ingrijpen ondanks dit “ungesundes Volksempfinden”. Een typisch voorbeeld van een misplaatst woord. Wij kunnen het, naar ik meen, nog eens zijn met elkaar, dat men in de Kamer gelijk heeft met zijn visie en besluit. Maar men heeft met dit woord iets gezegd, dat langzaam maar zeker door gaat dringen tot de massa. Ik wil trachten u duidelijk te maken, waarom juist dit ene woord voldoende kan zijn om een beweeglijkheid op politiek terrein te scheppen, die anders nog vele jaren was uitgebleven.

In de eerste plaats, het is een Duits woord dat minachtend klinkt, “ungesundes Volksempfinden”. Het toont in de ogen van velen een absolute minachting voor het volk.

Het is een magisch woord, dat gevolgen heeft, die veel verder kunnen gaan, dan redelijk verwacht zou kunnen worden. Degene, die het sprak, heeft dit zeker niet begrepen. Maar nu is het er. En daarmee is – niet t.a.v. de AD-REM, maar t.a.v. de Nederlandse politiek – iets gebeurd, dat men niet begrijpt. Vooral ook, omdat dit niet meer past in het kader van een: “door propaganda en voorlichting kunnen wij alles wel redden”. Men meent, dat men het zó goed doet, dat men zo veel geeft.  De vraag, of het volk er is voor de wet, dan wel de wet er ten dienste van het volk is, past niet in de denkwijze van de sociologische formule-magiër, die alles uit denkt te kunnen rekenen met een mathematische zekerheid en zo ook meent te weten, wat men met het volk wel en niet kan doen. Er wordt hier een emotionele, niet een rationele reactie geschapen, die de hij de meeste mensen bestaande tegenzin tegen gezag op de voorgrond schuift.

Er zijn vele mensen in Nederland, die in de eerste plaats door dit woord werden getroffen, daar zij ressentimenten koesteren tegen de Duitser. Voor hen duidt dit woord, met zijn minachtende toon, die zij zich uit het verleden menen te herinneren, erop, dat in een deel van de regering dezelfde gezindheid heerst als eens bij die gehate Duitsers. Zo wordt een deel van het ressentiment overgebracht op de regering. En dit kan gevaarlijk zijn, vooral omdat dit niet op de voorgrond van het bewustzijn staat, maar eerder een onbewuste beïnvloeding inhoudt.

In dit voorbeeld komt mede een eigenschap van het duel tot uiting, die men over het hoofd pleegt te zien: het zijn alle niet redelijk in te schatten factoren. Wanneer zoiets onmiddellijk en duidelijk kenbaar zou worden, dan zou men tegenmaatregelen kunnen nemen. Dergelijke inwerkingen zijn echter eerder als een gif, dat langzaam binnen druppelt, waardoor men de aanwezigheid ervan eerst beseft, wanneer bijna de letale dosis bereikt is.

Met dergelijke middelen en op deze wijze wordt op het ogenblik rond geheel de wereld een strijd gestreden tussen hen, die uiterlijke waarden alleen van belang achten, en hen, die de innerlijke waarden en mogelijkheden van de mens van groter belang achten. In wezen gaat de strijd, tussen twee principes: het principe van de bovenal belangrijke, uiterlijke wereld, en het beeld van de boven alles belangrijke wereld van innerlijke kracht, welke door geen welvaart en zekerheid vervangen kan worden.

Een dergelijk duel is zeker interessant om te zien. Wanneer je zelf niet behoort tot de betreffende partijen, is het zelfs prettig om te zien, hoe het uiteindelijk zal aflopen. Maar voor u ligt de zaak anders… U bent niet alleen maar publiek, maar tevens deel en misschien zelfs lijdend voorwerp van de voorstelling. U moet de kosten betalen, u zult moeten lijden onder de verwarringen, die als gevolg van deze strijd bestaan. Daarom is het goed, dat men weet, dat er inderdaad een duel gaande is. Wanneer je onder invloed staat van een der groepen, zul je je aan de strijd en de gevolgen daarvan niet kunnen onttrekken. Misschien klinkt dit wel vreemd, maar het is waar.

Ik hoop u met het voorgaande duidelijk gemaakt te hebben, dat er inderdaad een strijd aan de gang is. Nu wil ik trachten de oorzaak en redenen van deze strijd te analyseren, evenals enkele verschijnselen, die daarbij bijna niet vermeden kunnen worden.

Daarbij begin ik weer met de menselijk redelijke partij. Doordat zij steeds meer in staat zijn de denkbeelden van anderen te beheersen en hen in schijnbare vrijheid aan de leiband van hun eigen stellingen en ideeën te houden – of hun wensen en behoeften – hebben zeer velen onder hen een grote minachting gekregen voor de massa. De massa wordt hierdoor niet alleen gebonden met overigens meestal fluweelzachte ketenen van denkbeelden en economie, maar ook – en dit is veel belangrijker – sterk benadeeld in haar eigen geestelijke vrijheid.

Wanneer het zover komt, dat een mens geen tijd meer heeft voor zijn God, omdat hij alle tijd nodig heeft om een nieuwe wagen te kopen en zo stand op te houden tegenover de buren, is er iets niet in orde. Er vindt een verschuiving van werkelijkheidsbeleving plaats, die voortkomt uit een steeds grotere minachting voor de massa bij gezagsdragers en eveneens gepaard gaande met een steeds grotere laksheid van die massa, welke alleen nog maar op de bekende prikkels van deze psychologische tovenaars en goochelaars pleegt te reageren.

Hierdoor ontstaat een lacune: in de eerste plaats wel in het menselijke denken, omdat de behoefte aan zelfstandig denken en persoonlijke meningsvorming vermindert. De mens, die meent nog zelf te denken, wordt in feite een reproducent van hem door anderen voorgekauwde meningen en illusies. Daarnaast heeft men ook de mogelijkheid niet meer om met eigen denken en innerlijk streven zich voldoende bezig te houden.  Men kan daarmede geen tijd vullen – of doden – en voor zich een bevrediging bereiken, die, al berust zij niet op uiterlijkheden, maar alleen op innerlijke waarde, toch de voldoening van een film, tv-programma of leuke voetbalwedstrijd verre te boven kan gaan.

Er is dus een gebrek aan werkelijke bevrediging, terwijl verder blijkt, dat de medicijn van de illusie in steeds sterkere doses moet worden toegediend, omdat de eenvoudige impulsen die in het verleden voldoende waren om de mens te bevredigen en te leiden, langzaam maar zeker hun werkzaamheid verliezen. De mensheid reageert niet meer op beloften en stellingen, waarin zij in wezen het vertrouwen heeft verloren, al zal zij uiterlijk deze dingen nog aanvaarden. Om een reactie te krijgen is een steeds sterkere prikkel noodzakelijk geworden.

Voorbeeld: auto rijdt tegen boom, 4 mensen dood. “Toch wel erg, niet… Moeten zij maar beter uitkijken. Nog een kopje thee?” Een spoorwegramp: 100 doden. Dat is toch wel erg. Men is wel even geroerd, maar gaat met de normale gang van zaken verder. Men komt eigenlijk pas werkelijk uit zijn leunstoel, wanneer men kan zeggen: verschrikkelijke ramp vlakbij: 10.000-en gewonden en doden. Dit geldt natuurlijk, wanneer men zelf niet onmiddellijk bij het gebeuren betrokken geraakt. Vroeger was het al een heel gebeuren, wanneer er een van de buren ernstig ziek was. Dan leefde geheel het dorp mee, dan stond de gehele buurt op stelten.

Dit verschil betekent, dat je ook in politiek en reclame steeds sterkere middelen en methoden moet toepassen. Waarmee ook het gevaar groter wordt, dat een enkele factor een geheel programma in de war zal gooien. De magiërs, die zichzelf zo noemen, weten dit. Daarom zijn zij steeds meer in touw om elke storting of mogelijke storing uit te schakelen. Voor hen is de stoffelijke macht niet meer een middel om groot te zijn, maar een middel om de noodzakelijke illusie in stand te kunnen houden – of deze illusie nu welvaart of marktstabiliteit heet, doet er verder niet toe. Wat voor beeld men de mensen ook voorgetoverd heeft, men zal alle macht behoeven, om die illusie schijnbaar onberoerd voort te kunnen doen bestaan. Wat er dan verder gebeurt, is niet zo erg.

Tegenover deze groep, die tracht paard te rijden op een tijger, staan de anderen. Nu weet u, dat het wel mogelijk is om op een slapende tijger op te stijgen. Wanneer je gaat zitten en je maar met voldoende kracht vastklemt, kun je er zelfs op den duur wel snel mee rijden. Maar je weet ook, dat je, wanneer je af zou stijgen, geconfronteerd wordt met een dier, dat je vastpakt en stelt: nu heb ik toch heus wel een extra hapje verdiend. Daarom durf je niet af te stappen, moet je voortgaan of je wilt of niet.

De anderen worden gekweld door de grote vragen van de geestelijke waarden, de innerlijke  waarden, de achtergronden van de mens. Want voor de bewuste wit-magiër, die de goddelijke waarden en de schepping beschouwt als deel van zijn wezen, die bewust ook deel is van de gehele schepping, is het niet aanvaardbaar, dat er steeds maar meer illusies worden opgebouwd dat de mensheid zich baseert op luchtkastelen, die zo maar in elkaar kunnen vallen.

Tempo en uiterlijkheden spelen daarbij geen rol. Vroeger bouwde men vele jaren over een kasteel. Maar dat was dan ook een stevig bouwwerk. Vele kastelen staan nu nog. Denk maar aan het oude jachthuis, dat nu nog deel uitmaakt van het complex op het Binnenhof. Tegenwoordig bouwt men veel sneller, mooier, luxueuzer. Alleen vallen de bouwwerken soms in elkaar voor zij af zijn.

Voor een magiër is zoiets niet aanvaardbaar. Hij zegt: wanneer ik iets schep, zo schep ik dit binnen de schepping Gods. Ik schep dit niet voor mijzelf en niet voor een ogenblik van genoegen. Ik moet iets opbouwen dat zoveel mogelijk van blijvende waarde is, en voor degenen, die nu leven, waarde heeft, zowel als voor komende geslachten. Het moet niet alleen voor mij, maar ook voor de vooruitgang van de gehele wereld betekenis hebben. Alleen op deze wijze kan ik de eeuwigheid tot mij trekken, en deel hebben aan deze eeuwigheid. Ziet hij dus rond zich al deze eigenwillige en egoïstische bestrevingen en stemmingen van deze tijd – en hun oorzaak – zo zal hij zich zeggen: daaraan moet ik iets doen. Hij zal beseffen: ik kan mijn tegenstrevers niet bevechten met hun eigen middelen. Ik kan bv. geen geweld tegenover geweld stellen, omdat daaruit alleen maar méér geweld voort zal komen. Ook kan ik geen psychologie tegenover psychologie gaan zetten in de zin van hantering, regeren en beïnvloeden van medemensen. Zou ik immers deze strijd winnen, zo zou ik in hetzelfde parket zitten als nu degenen, die de menigte leiden.

Op de vraag, wat hij dan moet doen, is er maar een enkel antwoord: men moet steeds weer trachten de illusie, die de werkelijkheid voor de mensen verbergt, te breken Men moet trachten, alleen de werkelijke feiten te laten zien, zonder daarbij gebruik te maken van menselijke zwakheden door leuzen e.d. De magiër zal zichzelf zeggen: “Ik hoef voor de mensen de wereld niet te veranderen. Dat kunnen zij zelf wel doen. Ik moet wel helpen, de menselijke geest weer zo vrij te maken, dat zij de moed weer hebben, zelf te denken; dat zij weer de tijd zullen willen nemen, om aan God te denken, dat zij in zichzelf weer de behoefte gaan gevoelen zelf hun besluiten te nemen, zelfs indien dit een persoonlijk risico inhoudt.” De mens moet weer leren, voor zich het recht van zelfstandig leven op te eisen, het recht zelfs om desnoods persoonlijk ten onder te gaan, maar dan ook door een handelen uit een geheel eigen overtuiging, een eigen inzicht en streven.

Zoiets past niet zo goed in de moderne tijd, maar toch wil deze groep dit bereiken. Daarom streeft zij haar doel na op, een schijnbaar krankzinnige manier. Stel u de gehele wereld voor als een enorm grote machine met zuigers, vliegwielen, elektronische buizen, flitsende lichten. Nu komt de magiër en zegt: zij werkt niet goed, ik moet deze machine dus tot stilstand dwingen. En hij neemt één enkele korrel zand, steeds weer, en laat die vallen in een van de onderdelen. Wanneer dit vaak genoeg gebeurt, zo meent de magiër, zal het geheel vanzelf gaan rammelen en zal de machine wel langzaam en zonder te grote spanningen of schade tot stilstand komen. Hoe vreemd het ook lijkt, deze magiërs, die in deze dagen in zekere zin de representanten van de Witte Broederschap zijn, hebben het middel gevonden om steeds weer met kleinigheden onzekerheden te scheppen en zo de onjuistheid van het zogenaamde ‘grote verband’ van heden kenbaar te maken.

Voor de tegenpartij betekent dit, dat de beheersing van de massa in wezen minder in plaats van meer wordt. Daardoor worden de mensen geconfronteerd met steeds meer feiten, die misschien niet aangenaam zijn. Zoals een neger, die misschien geconfronteerd zal worden met het feit, dat hij een goede baan krijgt, maar die niet houden kan, of wordt toegelaten op een school, maar door gebreken in zijn vroeger onderricht daar niet mee kan komen. Pijnlijk is dit wel. Maar misschien leert men er iets van. Nu zal de neger misschien nog zeggen: dit is allemaal de schuld van de blanken. Maar er komt een ogenblik, dat de onbekwamen dit niet meer kunnen zeggen, dat deze uitvlucht, dat dit zelfbedrog niet meer hanteerbaar blijkt. Zoals er voor andere een ogenblik zal komen, waarop zij toe zullen moeten geven: ons stelsel, onze manier van werken of zaken doen, deugt niet meer. En dit is niet de schuld van anderen, want steeds meer blijkt, dat ik zelf niet meer over de nodige capaciteiten beschik.

Misschien vindt u dit een aardig praatje voor de vaak, een aantijging van een maatschappij, die toch heus niet zo dwaas is. Dan moeten wij de feiten erbij halen. Ik zal er enkele voor u noemen, zelf zult u er meer kunnen vinden.

Weet u dat, ondanks de gemiddelde toename van vakkennis bij de gemiddelde handelsman de vooruitgang en mogelijkheden van de enkeling binnen de handel steeds teruglopen, zodat op den duur de man met het kleine bedrijf slechts met moeite kan overleven en zeker de kans niet meer heeft zijn bedrijfsvoering te wijzigen, of zijn bedrijf op te werken tot een groter?

Weet u, dat de lichamelijke conditie van de jeugd in een tijd, die dan toch zoveel voor deze jeugd doet, waarin gymnastiek en sport vereerd worden, minstens 30 procent ligt beneden het gemiddelde peil van de jeugd van gelijke leeftijd in rond 1900, toen er jeugdarbeid bestond, men aan sport weinig deed en vele andere omstandigheden de gezondheid toch niet ten goede kwamen? Onbegrijpelijk misschien, vooral omdat de gemiddelde leeftijd zover omhoog ging, maar toch is het zo. Heeft u misschien geconstateerd, dat de kwaliteit van de hedendaagse producten, ondanks alle verbeteringen van productiemethode enz. het niet haalt bij wat 50 jaar geleden geproduceerd werd – dit over de gehele wereld? Alles loopt terug: kwaliteit, houdbaarheid, prijswaardigheid. Niet alleen maar van producten, maar helaas ook van de mens. De mogelijkheden van de doorsnee mens lopen terug.

Dit alles kan alleen maar het gevolg zijn van een foute mentaliteit in de mens, niet in een systeem dus. Men zal wel graag zeggen, dat dit de schuld is van de socialisten, de communisten, de kapitalisten, de liberalen enz. enz. Want dat is de gemakkelijkste methode. Het is echter een feit, dat het falen overal voorkomt en dus niet ligt aan partijen, systemen, technische veranderingen, of veranderingen in de levenscondities, maar in de mens zelf. En dit is ongeveer het enige, wat men liever niet wil weten in deze dagen. Daarom moet er juist iets aan gedaan worden.

De mens moet zich realiseren, dat hij zelf moet doen, zelf verantwoordelijk is voor het product van zijn arbeid, dat hij zelf iets moet presteren, iets moet zijn. De mens moet de kans weer krijgen om ten koste van alles door te bijten en iets te bereiken, desnoods ten koste van zelfopgelegde armoede, wanneer hij meer wil zijn dan anderen, meer wil bereiken. Dit kan alleen door een aantasten van de illusies, die men rond u heeft geschapen: de illusies van uithoudingsvermogen enz. Want doorzettingsvermogen heeft de doorsnee mens van heden niet meer. Ik denk aan de stakingen in de tijd van Domela Nieuwenhuis, toen men staakte, al verhongerde men zelf met vrouw en kinderen, om een recht te bevestigen. Nu staakt men tot de kas niet meer kan uitbetalen, of staakt men soms eerder, omdat het mooi weer is om te vissen, dan dat men streeft voor iets belangrijks.

Realiseer u eens, hoe zeer alles veranderd is, hoezeer vooral ook de mensen veranderd schijnen te zijn in betrekkelijk korte tijd. Dan ziet u vanzelf de tegenstelling die tot uiting komt in de strijd tussen de verschillende groepen “magiërs”.

De ene groep wil ten koste van alles het bestaande handhaven. Zij wenst een steeds algemener groter illusie van geluk, welvaart en tevredenheid scheppen, zelfs wanneer deze dingen niet waarlijk bestaan en steeds weer met kunstmatige middelen moeten worden gesuggereerd. De andere groep wil die illusie van genoeglijk leven en prettig en zonder zorgen het oude kunnen voortzetten, verbreken. Zij slaagt daarin ook meer en meer. De mensen zouden het werk van deze groep misschien wel op prijs stellen, wanneer zij zekerheid kon geven Maar deze groep kan niet de belofte – eerlijk of oneerlijk – geven, dat wanneer men haar maar volgt, alles als vanzelf goed zal gaan. Deze groep kan alleen zeggen: “Mensen, je zult moeten trainen tot je in jezelf en uit jezelf weer iets waard bent.” En hierdoor ontstaat bij velen een afwijzen, terwijl zij in feite de juistheid van het gestelde wel aanvoelen.

Nu strookt dit interessante duel met facetten in de kosmos, die juist in het heden steeds meer kenbaar worden. Daarom hoeft men de strijders niet als een zuiver persoonlijke ontwikkeling te beschouwen, maar kan men hen ook zien als uiting van een kosmische tendens.

Elke keer, wanneer het gaat om het behoud, dan wel de ondergang van een cultuur of een beschaving, kunnen wij de volgende verschijnselen opmerken:

  1. Tegen de periode van ondergang is honger iets, wat in vergelijk met de normale toestanden van deze cultuur, praktisch niet meer voorkomt.
  2. De belangstelling voor spelen is groter dan voor werken, arbeid wordt alleen gezien als een middel, om meer te kunnen spelen.
  3. Er bestaat en zodanige bovenlaag, dat zij in staat is eigen rechten te handhaven, ongeacht de behoeften of denkbeelden van de anderen en weet daarbij zelfs een goedkeuring van die anderen te verkrijgen voor handelingen, die het geheel benadelen. Slechts door zich buiten de maatschappelijke verhoudingen te plaatsen, kan men in dergelijke perioden nog zelfstandig iets bereiken of vernieuwingen tot stand brengen.

Deze verschijnselen zijn altijd weer op de voorgrond gekomen. Een dergelijke situatie bestaat ook nu op deze wereld. Nu komt er vanuit aarde en kosmos een golf van vernieuwing. Deze golf past volgens mij gelukkig binnen het kader van de strijd, die zich nu afspeelt. Ook zij kent geestelijke invloeden. Het is niet mijn taak over de komende kosmische Heerser veel te vertellen, maar ik kan er toch wel alvast op wijzen, dat deze Heerser bv. de algemeenheid der dingen bevordert – ten goede en ten kwade – terwijl deze geestelijke Heerser tevens alle geestelijke achtergronden aanmerkelijk versterkt – eveneens ten goede of ten kwade – naarmate de waarden van het bestaande. Deze heerser heeft de tendens van de wetenschappelijke magiërs veroorzaakt – dus van de analist, psycholoog enz. – maar heeft gelijktijdig ook aan de andere partij, de magiër met zijn innerlijk en niet wetenschappelijk werken, meer macht gegeven. Deze laatste wordt in toenemende mate verlost uit het isolement, waarin hij leefde. Hij gevoelt kosmische krachten steeds sterker en bemerkt, dat de banden die hij met de wereld heeft, veel sterker zijn, dan hij had gedacht. Daarnaast beseft hij onder deze invloed ook, dat de verantwoordelijkheid, die hij draagt, voor de mensheid en zichzelf veel groter is, dan in een afgelopen periode hem misschien kenbaar was.

Ik wil op dit alles niet al te ver doorgaan. Maar dit duel der magiërs speelt zich op het ogenblik overal af. Psychologische factoren spelen daarbij een grote rol, maar ook goddelijke waarden en krachten, de schijnbaar zinneloze woorden en gebaren van de magie spelen een rol, groter dan men nu beseffen kan. Het is een strijd, waarin de klank het woordbegrip gaat overtreffen en het gevoel de rede overwoekert, tenzij de rede zich blijvend kan baseren op innerlijke hogere waarden en een hogere bestemming. De uiterlijke verschijnselen, die met dit alles in verband staan, liggen op het ogenblik zó kenbaar rond u, dat het misschien goed is zelf eens te zien, in hoeverre deze strijd met al zijn nevenverschijnselen ook voor u binnen eigen leven direct kenbaar is geworden.

Want als u beseft, dat u de inzet vormt van een strijd, dat u in vele gevallen lijkt op een “botje”, waar twee honden grommend aan staan te sjorren, dan zult u zich misschien ook realiseren, dat uw eigen instelling, uw eigen houding niet geheel juist is. Dan zult u misschien beseffen, dat u, om deze vernederende positie te veranderen, een eigen innerlijk leven en denken, en ook een persoonlijke uiterlijke discipline aan moet meten, dat gij uzelf zult moeten trainen, om tegen de invloeden van buitenaf opgewassen te blijven. Dat het niet uw taak is uw medemensen op te voeden, maar dat u uzelf zult moeten opvoeden. Zoals u zult beseffen, dat het niet uw eerste taak is medemensen te helpen, maar om in uzelf krachten te vinden en te bevorderen, waardoor u werkelijk voor uw medemensen en wereld iets kunt gaan betekenen.

Deze dingen kunnen u helpen, om de komende verwarringen en eigenaardigheden te overwinnen en u juist te oriënteren. Hiermede doel ik niet meer op een kleurlingenprobleem of een Rem-wet. Ik spreek nu over de gehele wereld, met al haar politieke spel en alles wat daarbij te pas komt, met haar omwentelingen en verschijnselen op economisch terrein, zowel als de geestelijke waarden van heden. U zult een plaats moeten vinden in deze wereld met haar toenemende overbevolking – en alle daaraan verbonden rampen en moeilijkheden – waarop een ander antwoord gevonden moet worden dan alleen maar de “pil” als een soort al heel middel.

Je kunt deze moderne wereld niet aan, wanneer je niet terug kunt keren tot de werkelijkheid. Terug keren tot de werkelijkheid is ook niet mogelijk vanuit een van de besproken vormen van magie; dezen zijn voorbehouden aan degenen, die er mee werken. Je kunt beseffen, dat deze invloeden rond je werkzaam zijn en ook op je eigen Ik invloed willen uitoefenen. Je kunt proberen te begrijpen, wat de waarheid van je leven is.

Het is dan misschien jammer, wanneer je eerlijk moet toegeven: ik dacht wel geslaagd te zijn, maar ik ben een mislukking. Zoals het voor vele ergerlijk zal zijn, wanneer zij zichzelf toe moeten gaan geven: ik doe nu wel of ik arm ben, niets kan, en dergelijke, maar als het er op aan komt, kan ik toch nog wel heel veel. Want dat brengt verplichtingen met zich mee die men misschien liever niet aanvaardt, maar zonder dewelke men in de wereld zich op den duur toch niet zal kunnen handhaven. Kun je echter de waarheid omtrent jezelf vinden en aanvaarden, dan kun je ook – misschien wel voor het eerst in je leven – voor jezelf bepalen, wat je eigen levenstempo is, wat je persoonlijke weg van leven, je uitingsmogelijkheid is. Dan kun je ook inzien dat niets voor een mens zo belangrijk is als de vrijheid om zelf te streven naar alles, wat hij innerlijk als juist en waar erkent en buiten zich ook voortdurend als juist en waar zou willen demonstreren.

Daarmee ben ik aan het einde van mijn betoog. Indien u commentaar hebt, is het nu wel de tijd daarvoor.

 * U hebt het over de achteruitgang van uithoudingsvermogen. Maar toch is de gemiddelde leeftijd van de mensen veel hoger dan bv. 100 jaren geleden. Hoe rijmt zich dit?

Het gestelde ben ik direct met u eens. Maar uithoudings- of prestatievermogen en leeftijd zijn dingen, die niet direct samenhangen. Ik geef een voorbeeld:

Beter dan een mens, door arbeid, ongezonde voeding e.d. zijn lichaam meer dan noodzakelijk te laten verslijten, omgeef hem met alle voorzorgen. Dan kan die mens misschien wel 150 jaar oud worden, zonder dat hij ooit de kracht heeft gehad om iets te presteren, of enig uithoudingsvermogen heeft gehad voor bezigheden en lichaamsbeweging. Maar wat is zo iemand met zijn hele leven? Een half mens, iemand zonder belevingen en ervaringen.

Leeftijd is niet bepalend voor de waarde van het leven. U telt in jaren. Toch zijn er mensen geweest, die in 30 levensjaren meer voor zich en de mensheid wisten te bereiken, dan 100 anderen gezamenlijk, die elk minstens 90 jaren oud geworden zijn. Want het gaat m.i. in het menselijke leven niet alleen maar om de levensduur. Wanneer je dit natuurlijk als criterium voor welzijn wilt aanvaarden, leven de mensen van heden in een buitengewoon goede tijd.

Volgens mij gaat het er echter om, dat de mens met zijn stoffelijke leven ook iets doet, dat hij daarmee ook iets bereikt. Het gaat er om dat de geest niet armer, maar rijker dan te voren terugkeert tot de werkelijkheid van het geestelijk bestaan.

Zoals ik reeds zei, geldt voor de goede magiër de band met God als bepalend. Om deze band uit te kunnen drukken en hechter te maken, zul je ook de gedachten, de wil van God uit moeten kunnen drukken. Om dit te doen zul je zelf en vanuit jezelf moeten leven, je zult iets moeten presteren, je zult iets moeten doen, moeten bereiken. Het gaat dan niet om de tijd, die men daarvoor nodig heeft, het gaat om de resultaten.

Ik maak een vergelijking, die, al klinkt zij misschien niet zo aangenaam, waar en toepasselijk is. Ik stel twee bedrijven. Het ene ligt in Amerika, het andere in Nederland. In het eerste bedrijf werkt men maar 40 uren per week. De productie per man in deze 40 uren ligt echter 3 maal zo hoog als bij het bedrijf in Nederland. Daar werkt men echter 52 uren per week. Vraag: welk bedrijf werkt het beste? Welk bedrijf is het meest rendabele? Welk bedrijf zal het meeste bereiken? Dat, waar het langste gewerkt wordt? Of het bedrijf, waar men het meeste presteert? Natuurlijk heb je, om mee te lopen in het eerste bedrijf, meer uithoudings- en concentratievermogen nodig, dan in het tweede.

Geef uw oordeel maar. Volgens mij gaat het er niet om dat men in het stoffelijke leven allereerst lange tijd bestaat, maar dat men in dit leven iets is, dat men iets presteert.

Wanneer u mij toestaat, om mijn gegevens van zo-even nog aan te vullen: het is gebleken, dat praktisch over de gehele beschaafde wereld de toestand van jongelui van rond 19, 20 jaar, als vastgesteld bij keuringen voor bv. militaire dienst, zeer slecht is te noemen. Het uithoudingsvermogen van velen blijkt, zelfs na enige training, uitgesproken slecht te zijn. Verder bleek, dat van 12 tot 35 jaar een continue verslechtering van het gezichtsvermogen plaats vindt. In bevolkingsgroepen tussen 20 en 60 jaar blijkt gedeeltelijke dan wel algehele doofheid steeds meer voor te komen. Dit zijn maar enkele voorbeelden. U kunt zeggen: maar wij worden nu tenminste 60 jaar. Mijn antwoord is: zeker, maar met steeds meer gebreken en minder resultaten in het leven. Zou men gebreken krijgen door het leven zelf, omdat men gewerkt, beleefd, gepresteerd heeft, dan is dat nog niet zo erg. Maar wanneer die gebreken ontstaan zoals bij vele jongelui, omdat zij te veel snoepen en te lui zijn om te werken… Wat dan?  Ik meen, dat er ondanks de hogere gemiddelde leeftijd er vele tekenen aan de wand zijn, verschijnselen, die zowel de psychische als fysieke vermogens van de mens betreffen. Het lijkt mij dan ook belangrijk bepaalde tendensen bij de hedendaagse jeugd te bestrijden. Met wat meer sport en spel is dat zeker niet te bereiken, evenmin als met meer zekerheid. Alleen door hen te bewegen tot grotere zelfstandigheid, door hen meer te brengen tot zelf beleven, zelf doen, door eigen streven in hen wakker te roepen, lijkt mij iets te bereiken.

* Is een van de middelen, die tot uw doel worden gebruikt, niet het breken van de macht van de grote concerns? Hoe kan men er aan meewerken om dit doel te bereiken?

Hierover is heden niet gesproken. Ook kunt u zelf aan het bereiken van dit doel niet meewerken. U kunt hoogstens een reëel besef behouden van de werkelijke betekenis, die deze concerns hebben: het maken van winst. Besef, dat maatschappijen als MS, Landbank, of de BP e.d. niet bestaan, om u iets voor niets te geven, ook al zullen deze maatschappijen vaak doen alsof dit wel het geval is. Hun doel is en blijft rijker en machtiger te worden door alles, wat u aan deze maatschappijen en de door hen vaak geschapen monopolies – soms vermomd als prijsafspraken – offert. Dat is alles, wat u kunt doen. Maar een concern, dat te groot wordt, wordt op een bepaald ogenblik onevenwichtig.

Door de eenzijdigheid van bestreving en de gelijktijdig noodgedwongen toenemende veelheid van acties en bestrevingen ontstaan innerlijk strijdige belangen, welke moeilijkheden veroorzaken. Liquiditeitsproblemen, personeelsmoeilijkheden, moeilijkheden met wetgevers enz. zijn dan niet meer te vermijden. Wanneer er in een van de hoofdgroepen van een concern eenmaal iets verkeerd gaat, is de kans groot, dat het in wezen uiteenvalt, ook blijven de delen schijnbaar zelfstandig voortbestaan. De bindende gemeenschappelijke politiek echter valt weg en daarmee de grote macht en invloed. Een ingrijpen op dit vlak valt echter meer binnen het optreden van de Broederschap als geheel en valt dus niet direct onder hetgeen ik beschreef als duel tussen magiërs.

* Uit het door u gestelde meen ik op te moeten maken, dat er in het westen een toenemend streven zal komen naar dictatuur, dit in de plaats van het tot heden bestaande streven naar democratie. Is dit juist?

Democratie is een term, die op het ogenblik door bijna ieder bewind gebruikt wordt om te verhullen, in hoeverre het in wezen reeds totalitair is, of geworden is. Denk aan de uit Rusland stammende term van “democratische volksrepublieken”. Het geldt evenzeer voor de z.g. democratische instelling van regerende lichamen als bv. de senaat van de USA, waarin zakelijke belangen een veel grotere rol spelen dan men wel schijnt te denken. Ook in Nederland blijkt, dat bepaalde groepsbelangen bij de regering veel zwaarder doorwegen dan men bij een werkelijke democratie, die dus zuiver de wil van het volk weergeeft, zou kunnen verwachten.

Om het anders te zeggen: overal groeit het totalitaire element bij de regeringen. Dit kan ook haast niet anders, omdat bij een toenemen van de massa en een verminderde belangstelling voor de politiek en grotere volgzaamheid van die massa, elke regering in feite reeds op velerlei gebied totalitair op zal treden, ook al handhaaft men de schijn van een democratie. Dit is zeker na de Tweede Wereldoorlog steeds sterker ontstaan en is in praktisch alle landen op de wereld op het ogenblik in meerdere of mindere mate het geval.

Daarom lijkt het mij juister te zeggen dat de wereld daar niet naar toe groeit, maar dat het reeds feitelijk zo is. Wij kunnen daarnaast stellen, dat dit zeker niet alleen de schuld van de regeringen is, maar ook van hun onderdanen, terwijl daarnaast kan worden gesteld, dat dit meer totalitair optreden steeds meer kenbaar zal worden en dat hierdoor misschien op den duur een te totalitair optreden der gezaghebbers weer kan worden teruggebracht tot een werkelijke samenwerking tussen volk en regering.

Nu, vrienden, moet u mij niet kwalijk nemen, dat ik mijn bijdrage aan deze avond beëindig. Ook hoop ik, dat, ondanks de suggestieve waarden, die ik haast noodgedwongen in mijn woorden heb gelegd, u voor uzelf zult willen zoeken naar en oordelen omtrent de gesignaleerde toestanden en verschijnselen, daaruit dan voor uzelf ook juiste conclusies trekkende omtrent de noodzaak tot zelfstandig optreden en handelen.

ESOTERIE

Dit tweede deel van onze avond laat ons enige tijd voor meer esoterische overwegingen en beschouwingen. Laat mij trachten om het esoterisch begrip voor u nogmaals, zij het op een enigszins andere wijze dan gebruikelijk, te definiëren.

Wij zijn een veelheid, die een eenheid vormt. Wij zijn een tijd, die in het tijdruimtelijke bestaande, in feite eeuwig is. Wij zijn een wordende dood, die slechts waarlijk leven zal zijn.

Op deze en dergelijke wijze zoekt de mysticus, de esoterisch georiënteerde zoeker, naar een innerlijke waarheid, het leven, zijn eigen wezen, kortom: het bestaan, dat hij wil definiëren. Altijd weer blijkt echter, dat het zeer moeilijk is de gestelde waarheden jezelf ook werkelijk voor te stellen.

Te zeggen, dat je de wordende dood bent, die tot leven wordt, betekent natuurlijk, dat je sterven moet, maar dat sterven een nieuwe vorm van leven is. Wie van ons is echter bereid zonder meer het leven te verlaten, zolang het nog enige waarde voor ons schijnt te bezitten. Zelfs wanneer anderen menen, dat er in het leven voor ons niets meer van waarde bestaat, dat het niets meer behelst wat van belang is, zullen wij er ons vaak nog aan vastklampen.

Wij kunnen zeggen, dat wij een veelheid zijn, die een eenheid is. Toch beschouwen wij onszelf zelden als werkelijk deel van een gemeenschap. Wij zien onszelf als eenling, die, behorende tot een bepaalde groep, of zich vrijelijk daarbij voegende, vooral en eerst letten moet op eigen wezen, eigen belangen en rechten.

Wij kunnen zeggen, dat wij tijd zijn en gelijktijdig tijdloos bestaan. Tijd echter zegt ons iets. Het begrip “tijdloos” daarentegen is voor ons eerder iets als stilstand, een onbegrijpelijk iets.

Waarmee wij komen tot de grote moeilijkheid, die schuilt in vele esoterische definities. Wij kunnen zelden dat, wat innerlijk waar is, uitdrukken op een wijze, die nog redelijk begrijpelijk blijft. Zoals wij maar zelden een omschrijving weten te vinden, die het ons mogelijk maakt, ondanks grote innerlijke, eeuwige en onveranderlijke waarde van het gestelde, dit ook zelf, nu en voor onszelf, zowel als voor anderen, duidelijk uit te drukken zonder te vervallen in gemeenplaatsen, die geen eigen waarde meer bezitten.

Esoterie is in vele gevallen geworden tot een spel met woorden, een opeenstapeling van verwarringen. Om daaraan te ontkomen, zullen wij ons denken eerst van abstracties zonder directe begripswaarde en dogmatische formuleringen moeten ontdoen. Het klinkt natuurlijk mooi, wanneer ik zeg dat alles in het Ain Soph is begrepen, in het stralende en alomvattende. Maar waarom zou ik niet zeggen: het geheel van de kosmos is een eenheid. Of, nog eenvoudiger: al wat ik ken, maakt deel uit van één wezen, één kracht.

Zelfs dan blijft nog de moeilijkheid om je dit wezen, die kracht enigszins voor te stellen. Daarom grijp je dan, of je wilt of niet, terug op het oude en stelt dit Wezen voor als iets, dat verdacht veel op jezelf lijkt, de Kracht als iets, wat je begeert, of meent te bezitten. Door te begrijpen, dat, zo je van God spreekt, alles wat in jouw wezen bestaat, zonder enige uitzondering, ook in dit Grote Wezen moet bestaan, voel je je daarbij betrokken. Het is dichterbij en wordt begrijpelijker.

De Antieken dachten hun goden als mensen met bijzondere macht, wezens, die wel onsterfelijk waren, maar konden eten, drinken, vechten en minnen enz. Daardoor stonden hun goden dicht bij hen. Wanneer wij de grote abstractie van de werkelijkheid willen benaderen, zullen wij soms afstand moeten doen van onze neiging om vooral heerlijk abstract te blijven redeneren. Want wat je niet werkelijk kunt voelen, niet ergens kunt begrijpen, kun je ook innerlijk niet verwezenlijken. Je moet daarom uitgaan van jezelf.  Stel dus allereerst, dat elke waarde van het innerlijk pad gebaseerd moet zijn op punten of feiten, die voor jezelf nog begrijpelijk zijn. Is dit geheel onmogelijk, gebruik dan als vergelijking dingen, die volgens jou wel begrijpelijk zijn en althans enigszins aan hetgeen in het onbegrijpelijke wordt vermoed of ervaren, beantwoorden. Zoek niet zonder meer in een dooltuin van ideeën naar woorden, die gewichtig klinken en uiteindelijk niet veel meer betekenen dan een gewoon woord. Waarom zeggen Nirwana, wanneer men “blijvende daadloosheid” bedoelt. Waarom spreken over Maya en begoocheling, wanneer uiteindelijk zelfbedrog de juiste term is?

Juist door de dingen een naam te geven, die mooi klinkt en ver van de adat verwijderd is – bv. afleidingen van woorden der Hindoes, Perzen, het oude joodse geloof, of het oude Griekse denken – wijst men de dingen uit eigen werkelijkheid en wezen uit: zij zijn niet echt meer. Wanneer ik zeg: “de gehele wereld is zelfbedrog”, zo betrek ik dit op mijzelf. Ik trek mij er meer van aan, dan wanneer ik spreek van Maya. Dit laatste is ver van mij weg, een onaantastbare uiterlijkheid, waarvan ik mij niet veel aantrek. En de innerlijke weg is juist gebaseerd op alles, wat het Ik persoonlijke betreft.

Ik kan zeggen, dat God alle dingen regelt. Maar als dat zo is, zo rijst de vraag, waarom ik Hem de kans niet wil geven, alles voor mij te regelen en alles eerst zelf tracht te doen. Daarom lijkt het mij beter te zeggen: God is een kracht, die werkt, ook door mij. Ik zelf moet vinden, regelen, moet bereiken. Dit strookt beter met de praktijk van mijn leven en voorkomt, dat ik alle mislukkingen aan God, alle slagen, aan mijzelf ga wijten.   Zo zegt men graag, dat God voor ons allen genade kent, zo wij deze willen aanvaarden. Maar genade is een vorm van welwillendheid, die zelden zonder reden geschonken wordt, zelfs door bemiddeling van anderen. Men moet daaraan beantwoorden, om ze te verwerven. Daarom lijkt het mij beter te zeggen, dat wij ons de welwillendheid van de Schepper moeten verdienen door hem waardig te zijn.

U ziet nu wel, waar ik naar toe wil. Wanneer je tracht om deze tijd met haar problemen uit te drukken, vervalt men immers al evenzeer in abstracties, in dingen, die halfbegrepen worden en misschien de waarheid wel uitdrukken, maar waaraan men zelf toch geen houvast heeft. Alleen degene, die dergelijke begrippen schept, zal ze misschien begrijpen en kunnen gebruiken. Voor anderen is de betekenis zeer relatief of zelfs nihil.

Wat wij moeten scheppen op de innerlijke weg is niet alleen maar een persoonlijke symboliek of zelfs maar een persoonlijke bereiking. Wij moeten een persoonlijke werkelijkheid scheppen die wij praktisch, desnoods zonder woorden, met anderen kunnen delen. Het is ook een verantwoordelijkheid, die wij niet alleen tegenover onszelf dragen, maar ook tegenover het leven en alles, wat daarvan deel is.

Kortom: wij moeten de gemaskerde vormen en fraaie formuleringen verlaten, om terug te keren tot eigen waarheid en persoonlijk feit.

Hiermede heb ik, naar ik meen, wel een zeer belangrijk aspect der esoterie belicht. Zo gij woorden spreekt, en uw ziel leeft niet daarin – zo zingt een oude esoterisch getinte dichter – zo zijn uw woorden leeg, ijlte van klank die vergaat en breekt in het onbegrip van de wereld. En hij voegt er aan toe: “Maar zo mijn ziel zingt en woorden vindt, ziet, zij is waar. Zij is Licht dat het duister doordringt.” Zij schept vorm, waar geen vorm is. Zij is God in een wereld, waarin het begrip nog ontbreekt en schept begrip, waar dit noodzakelijk is.

Een wat wonderlijke formulering misschien, maar toch een formulering, waaraan wij niet zonder meer voorbij mogen gaan, wanneer wij onszelf voor esotericus uit willen voorgeven.

Niet datgene, wat wij aan anderen ontleend hebben, niet wat we mooi vinden klinken, maar dat, wat in onszelf leeft, de waarheid van ons wezen, is het enige, wat wij de wereld kunnen schenken. Het is ook het enige, waardoor wij zelf door kunnen dringen tot een Hoger Wezen, een hogere werkelijkheid, zover wij deze kunnen aanvaarden, zover wij daarin kunnen geloven.

Het principe waarheid, zelf-bezield-zijn, zelf-zijn, is de kern. Dan pas, en niet eerder, kunnen wij aan de esoterie nog iets toe gaan voegen. Want er zijn vele facetten in het goddelijke, die wij niet allen kunnen noemen, het leven is niet altijd gelijk, innerlijk niet en uiterlijk niet. Onze mogelijkheden, verlangens en gedachten wisselen voortdurend.

Op de innerlijke weg noemen wij dit het ontmoeten van een facet van het goddelijke, of het gaan van één van de vele paden. Het komt erop neer, dat wij een deel van de Goddelijke Werkelijkheid in ons opnemen. Al het andere klinkt ons echter ver weg en vaag.

Laat ons daarom stellen: wij vinden God in onszelf. Wij vinden in onszelf steeds weer een onomstotelijke waarheid op een bepaald terrein. Dan moeten wij reeds verder gaan naar een ander terrein, zelfs vaak voordat wij de eerste taak voltooid menen te hebben.

Wat wij formuleren is eerst voor ons een woord, dan een eigenschap, waardoor wij onszelf soms lang laten beheersen. Zijn wij er echter meester over geworden, dan zal zelfs de schijnbaar onvoltooide klank van het geleefde woord kunnen passen bij het volgende woord. Ons zoeken naar al deze innerlijke waarheden en ramen – of hoe wij het ook noemen – is niets anders dan het zoeken naar de klankenreeks, waarmee ons eigen wezen zichzelf bewust omschrijft binnen de eeuwigheid.

Wij zeggen, dat wij in de esoterie zoeken naar het raadsel God. Het moge waar lijken, maar in wezen zoeken wij naar de oplossing van het raadsel, dat wij zelf zijn. Doen wij dit, dan hebben wij immers ook God gevonden. Wanneer wij God echter menen te vinden, zonder dat wij onszelf daarbij betrokken weten, dan hebben wij slechts een schijnbeeld gevonden, een dwaallicht boven een moeras van misverstanden.

Ook hier moet ik weer stellen, dat het kenteken van alle esoterie zelfkennis zal zijn, zelfkennis, die is opgebouwd uit de feiten van je wezen en de dromen of gedachten. In je droom ben je bv. sterk van wil, terwijl je weet in werkelijkheid slap te zijn. Zo zal onze zelfkennis tweeledig moeten zijn: de droom moeten wij kennen, waarin ook het meer eeuwige deel en de ziel van ons wezen meespreken. Daarnaast de verwerkelijking, de feiten. Wij hebben de blauwdruk en het bouwwerk, dat echter eerst half af is.

Door deze beiden te kennen en te vergelijken bereiken wij een innerlijk evenwicht. Wij bouwen de twee pilaren in ons wezen op en overbruggen ze door de balk van evenwichtigheid, waarop wij eerst het ware begrip van ons wezen en onze bestemming kunnen baseren.