Een aantal aspecten van de moderne krachten en moderne magie

image_pdf

11 juni 1963

Ik zou op deze avond met u willen spreken over een aantal aspecten van de moderne krachten en moderne magie, en ook over de reactie daarop in onszelf en de werking vanuit onszelf in de moderne wereld. Ik heb daarvoor een groot aantal citaten, die dit in betere woorden dan ik misschien zelf kan vinden omschrijven. Allereerst dan dit:

Slechts daar, waar de geest vrij is van haar eigen beperking, kan zij de waarheid vinden en de kracht, die haar in wezen toebehoort.

 Alle beperkingen van de geest, van het verstand, zijn eigenlijk remmingen ook voor ons innerlijk bewustzijn. Op het ogenblik dat wij van onszelf uit zoeken, hoe kunnen wij opstijgen naar het hogere, moeten we afstand kunne doen van al wat ons belemmert.

Zolang de mens droomt, is hij een vorst. Zodra hij denkt, is hij een bedelaar.

Wij zijn vorsten in eigen recht. Wij zijn direct deel van een allerhoogste kracht, verbonden met de zonnelogos; wij zijn in weten en leven deel van de kracht van de aarde (indien we in de stof leven zeker)| en wij hebben dus alle vermogens, die daarbij behoren. Maar we kunnen die vermogens niet gebruiken om de doodeenvoudige reden, dat we ze ons niet kunnen voorstellen.

Het wiel was een ontzagwekkende ontdekking, omdat men zich realiseerde, dat een wiel bruikbaar was. Het wiel is er altijd geweest; de mens is er altijd geweest maar eerst moest de idee geconcipieerd worden, voordat het wiel bruikbaar werd. Nu is het een volledig de beschaving bepalend deel van de menselijke bereiking. wanneer er geen wiel is, kan uw beschaving niet bestaan.

Op dezelfde wijze moeten we ook rekenen met geestelijke krachten. Zodra wij met het verstand alleen werken, zijn wij bedelaars. We vragen naar kracht, naar licht, we vragen naar erkenning, we vragen naar bewijs en ons wordt zo nu en dan een kleine gave gegeven. Zodra we die beperking terzijde zetten, is de idee vrij, ongelimiteerd. D.w.z. dat elk concept in ons tot aanzijn kan komen, omdat we niet onze eigen beperkingen en die van onze wereld vooropstellen. Het concept zelf bepaalt onze kracht.

Hier zitten we natuurlijk in de mystiek, in de gedachtegang die buiten de werkelijkheid ligt volgens menig mens. Wanneer u echter leert om vanuit uzelf die kracht te gebruiken, dan kunt u waarlijk zeggen:

Als god geboren, openbaar ik mij daar, waar ik mijn beperkte wezen ontken. Want  één met de Vader ben ik, zodra ik niet meer mijn beperkingen stel als mijn enige persoonlijkheid.

(Dit is van een van de vroege kerkvaders.)

Hier komt de gedachte tot uiting, dat we zelf a.h.w. god zijn. Maar dit god-zijn is niet voldoende. Want god-zijn zou aanleiding kunnen zijn tot een poging om te herscheppen.

En herscheppen kunnen we alleen onszelf, maar niet die totale wereld; omdat ze wel leeft uit dezelfde krachten als wij, maar ons toch niet onderdanig is. In de magie en ook in de esoterie geldt dit:  Het onbewuste of minder bewuste is altijd aan het meer bewuste onderdanig, omdat het meer bewuste de geaardheid van het leven in het minder bewuste begrijpt, maar het omgekeerde niet mogelijk is.

Het begrip van leven, het begrip van bestaan, van het wezen, is de kracht waardoor wij regeren en dat houdt in dat elke kracht, waarmee wij magisch of anderszins doordringen in het minder bewuste leven, niet inhoudt een zonder meer en aan de hand van ons eigen persoonlijk bestaan domineren van anderen of het andere, maar neerkomt op een begrijpen van het andere en door het begrip domineren ervan.

Nu zegt een bekend esotericus daarover het volgende:

Wanneer gij wortelt in de aarde en reikt tot de hemelen, zo zijt gij waarlijk de boom des levens. Maar slechts indien gij uit de aarde uw sappen puurt en opstuwt tot uw kroon (die is een deel van de hemel), zult gij bewust leven. Slechts wie bewust leeft kent zichzelf en kent het leven. Zijn zijn is de oneindige rust, waarin hij de oneindige kracht omvaamt, het oneindig weten in zich kent en de voleinding bereikt.

 De gedachte van de mens als een levensboom lijkt op het eerste gezicht wat overdreven. Je gaat je afvragen; wat heeft dat voor zin? Maar u behoort nu eenmaal tot het z.g. vijfde ras. In dit vijfde ras is dus een reeks van vroegere ontwikkelingen tot uiting gekomen en daarmee is de plaats van het stoffelijk bestaan op aarde dus op het ogenblik gedefinieerd. Het vijfde ras moet de wereld erkennen, omdat het vierde ras de wereld vernietigd heeft.

Eerst wanneer het de wereld kent en aanvaardt, kan het zijn begrip van het hogere en het hoogste met die wereld in verband brengen. Ook dan nog zal de mens steeds zelf de verbinding tussen hemel en aarde moeten zijn. Voor het vijfde ras is dus de bereiking, de samensmelting van de werkelijke materie en de werkelijke geestelijke concepten binnen het “ik”.

Nu zal men in de meeste gevallen, wanneer men op aarde leeft, wel trachten om de materie te verwerken. Men zou dus kunnen zeggen; de wortels zijn er wel. Sommigen willen ook aan de hemel denken. Zij bouwen zich de kroon van gebladerte. Maar zij begrijpen niet dat de stam (het verband tussen deze beide waarden) het “ik” moet zijn. Het “ik” is; oneindigheid, zichzelf realiserend, doelend op de aarde, gekroond met de hemel.

Deze situatie moet voortkomen uit jezelf. Maar dan zal ook alles wat de aarde levert zijn waarde eerst krijgen, wanneer het door het “ik” gepasseerd is. Het is het “ik”, het persoonlijk wezen, dat alles overbrengt naar het hogere, dat het hogere bruikbaar maat t.o.v. het lagere en een verband schept tussen die waarden, waartussen geen kennelijk verband in de materie bestaat.

Men heeft dus ook de mens wel eens vergeleken (dit is een andere vergelijking) met een waringen, die luchtwortels neerlaat. Wie op aarde is ziet alleen een nieuwe wortel komen. Wie de boom kent weet, dat hij zich daardoor verstevigt en voedt en juist daardoor groter en hoger kan groeien.

Deze kwesties worden in de moderne tijd vaak verkeerd begrepen. Wanneer u esoterisch wilt denken, dan moet u beginnen met de stof te accepteren. Wie de stof niet accepteert kan geestelijk niets bereiken. Een boom zonder wortels moet sterven. Het hoogste geestelijk bewustzijn zonder een materiele basis moet te gronde gaan. Maar omgekeerd wortelen die geen plant dragen, die ontberen niet alleen de lucht maar in de meeste gevallen de mogelijkheid om zich werkelijk voort te planten, te ontplooien, hun doel te vervullen. Wij moeten dus ook stellen, dat het “ik”-bewustzijn, dat zich boven de materie verheft, noodzakelijk is.

In deze dagen vergeet men dat. Men gaat de mens zelf normaliseren, men gaat hem dus terugbrengen tot het niveau van de wortel. Het is net alsof je gras maait, alle sprieten moeten gelijk afgesneden zijn; en dan moeten we ons baseren op de wortels van de grasmat. En wat er verder bij komt, dat is een aardig verschijnsel, maar het heeft ons weinig te zeggen.

Deze vergissing maakt het natuurlijk ook onmogelijk om de werkelijke kracht te beseffen, die het wezen als geheel heeft. Wanneer je kijkt naar de wortels, dan weet je niet dat van de stam planken kunnen worden gemaakt, bij wijze van spreken; dat de boom vrucht kan dragen en zich voort kan planten. Wanneer je uitgaat van het materiële alleen, zul je geen inzicht in jezelf hebben; je zult ook de vruchten, die in het eigen wezen bestaan, en het denken draagt, niet kunnen verwerken en begrijpen. Dan zou de volgende aanhaling hier naar ik meen weer mooi bij passen:

Wie doordringt in zichzelf en de verborgen tempel van eigen wezen betreden heeft, hij kent zichzelf en uit zichzelf de wereld waarin hij leeft en het doel der dingen. Hij beseft de voleinding daar, waar hij in de materie slechts het begin is.

En we maken daar de vergelijking bij van de zaadkorrel, waarin de hele plant aanwezig is. En we zeggen: Er is maar betrekkelijk weinig noodzakelijk om het innerlijk bewustzijn te bereiken. Het jammere is, dat het innerlijk bewustzijn alleen volledig bereikt wordt, wanneer men afstand neemt van zichzelf. Afstand nemen van jezelf doet men over het algemeen niet, althans zelden en ongaarne.

Hier kunnen we esoterisch gezien de eerste les trekken: Om in deze dagen begrip te krijgen voor hetgeen zich werkelijk afspeelt, moet je eerst vrij zijn van jezelf. Je moet vrij zijn van elk dogma, elke vooropgezette mening omtrent goed en kwaad, omtrent ethiek, moraal, godsdienst, wetenschap; alles wat er is moet je terzijde leggen.

Je moet jezelf stellen boven dat alles. Dan wordt je wezen gevoed door de kennis en de begrippen, die je op aarde hebt opgedaan (daar horen dus alle genoemde en nog meerdere andere onder) Heb je het zover gebracht, dan kun je dat geheel zien, niet als een afgerond geheel, maar als het begin van een ontwikkeling.

Doordat je de beginnende ontwikkeling in jezelf realiseert, visualiseer je een einddoel. Je ziet dus een ander doel voor je. Dit doel soms voor de mens uitgedrukt in een stoffelijk iets, maar uiteindelijk toch altijd weer een geestelijke kracht, een geestelijk iets houdt dan verder in; een erkennen van het hoogste. Wanneer ik het hoogste erken, dan kan ik handelen volgens de wetten van het hoogste. Wanneer ik de gehele weg ken, kan ik elke hinderpaal, die zich daar normaal bevindt, ontwijken. Ik kan sneller mijn doel bereiken en met groter zekerheid. Zo zal degene, die eenmaal het “ik” heeft gezien als een verbinding tussen hemel en aarde en niet als iets, dat aan een van beide horig of gebonden is, vanuit zichzelf het doel beseffen waarheen hij leeft. Het besef van dit doel betekent, dat je op je levensweg de juiste houding inneemt, de juiste bereikingen ervaart.

Dan stel ik verder: De gehele eeuwigheid kan worden uitgedrukt in een symbool, zelfs wanneer die eeuwigheid niet begrepen of geconcipieerd wordt in haar volle betekenis. Elk deel van mijn wezen kan worden uitgedrukt in een symbool, zelfs wanneer ik het wezen of dat deel ervan in zijn geheel niet volledig erken.

Ik kan dus de essentiële waarde van elk deel van leven en bewustwording overbrengen in een symbool. Elk symbool is willekeurig gekozen, ofschoon voor de mens daarbij de in hem meest gangbare associaties natuurlijk een rol spelen. Zodra ik aan een symbool een betekenis heb gehecht, zal elke groepering van symbolen voor mij niet alleen voeren tot een overzicht (dus bv. een mentaal beeld) maar ook tot een instelling van het “ik”.

Bij de esoterie gebruikt men deze procedure schijnbaar niet, omdat men de uiterlijke middelen van symbool e.d. nogal eens probeert te ontwijken. Maar wanneer ik zeg; er is prana, wanneer ik door ademhaling bv. tracht prana te verkrijgen, dan heb ik daarmee ook in mijzelf een symbool van levenskracht geschapen. D.w.z. dat de levenskracht in mij intenser en meer bewust stroomt dan anders. Ook wanneer er geen prana in de omgeving zou zijn, zal voor mij persoonlijk door het bewustzijn van de levenskracht de betekenis daarvan toegenomen.

Ook de esotericus werkt dus met symbolen. Hij streeft daarbij niet evenmin; als de magiër naar een volledige uitdrukking van iets, dat hij kent, maar hij gaat uit van een zodanige aanduiding, dat er een samenhang wordt gebouwd, die hij als gevoel, als verwachting in zich ondergaat, zonder dat hij alle consequenties of samenhangen ook redelijk kan uitdrukken of beseffen.

In de moderne tijd wordt het symbool wel gebruikt. Wanneer u een fototoestel of een foto wordt aanbevolen met een meestal fraai of terloops bekleed vrouwelijk wezen, dan is dat ook een symbool. Het is het symbool van het begeren in de man naar de vrouw, van de vrouw naar d’elegance, naar de charme, waardoor zij elke man bekoren en veroveren kan.

Dit symbool betekent dat de gevoelens, daarmee gepaard gaand, voor een deel worden overgedragen op het voorwerp, dat men adverteert. Door een groot aantal symbolen van die aard te gebruiken komt men in landen zelfs zover, dat men welvaart en seksualiteit onverbrekelijk met elkaar verbonden acht en de een van de ander niet los kan denken. Dat is praktijk.

Wanneer de esotericus of de magiër gebruik maakt van symbolen, dan zijn zijn symbolen schetsmatiger. Zij doen ons denken aan het ontstaan van de eerste letterschriften, waarbij beeldvoorstellingen in eenvoudige krabbels worden gesymboliseerd. Bij ontleding bv. van Chinees en Japans schrift vindt u daar dus nog voorbeelden van terug.

Wanneer wij zo schrijven, schrijven wij met het symbool ons woord. Maar ons woord is een uitdrukking van een groot aantal begrippen, die niet direct worden gerealiseerd, maar die in het woord mee bevat zijn. Door dit aan te voelen, krijgt het woord voor ons, een bijzondere betekenis. Door onze symbolen op de juiste wijze te stellen, is de gerichtheid van onze eigen persoonlijkheid een andere dan normaal.

Zodra het “ik” anders dan normaal is gericht, is het vanuit het wereldlijk standpunt niet meer redelijk of verklaarbaar. Dit kan men misschien bestrijden, maar ik geloof toch wel te kunnen stellen, dat het redelijk verklaarbare daar ophoudt, waar onredelijke effecten (dus op zichzelf zonder redelijke samenhang) optreden.

Het klinkt een beetje vreemd, als ik het zo formuleer, maar het is waar. Wanneer wij proberen in onszelf de grote kracht van deze tijd te realiseren. Wanneer wij proberen met een lichtende kracht, met een meester in verbinding te komen, dan gaan wij uit van zaken, die niet redelijk zijn. Wanneer wij streven naar het hoogste licht, naar een nieuwe bewustwording, die ligt buiten de materie, dan kunnen wij niet streven naar iets, wat redelijk is. Want het redelijke moet materieel uitvoerbaar zijn. Alles wat dat niet is, is onredelijk, zelfs wanneer het uiteindelijk effect resulteert.

Dan gaan we een stap verder. Wanneer ik erken dat mijn streven in wezen onredelijk is, zodra ik mij tot het hogere wend, besef ik ook dat het dwaas is en de redelijkheid te gebruiken om mijzelf te beperken. Ik vraag niet meer naar de redelijke bevestiging, maar naar de innerlijke bevestiging, waarbij het geheel dat ik onderga voor mij niet de waarde heeft van het concrete feit, maar van een persoonlijke beroering of bevrediging.

Dan maken wij de gevolgtrekking hieruit, dat alle magie en alle esoterie zijn: De onredelijkheid, waaruit wij voor onszelf de kracht van de kosmos kenbaar maken. Binnen het redelijke geen kosmische kracht kenbaar; binnen het onredelijke een voortdurende openbaring daarvan.

Nu hebben we schijnbaar de rede afgebroken. Toch zijn er heel veel denkers, die dat anders beschouwen.

“Wanneer mijn ziel juicht en mijn hart nieuwe krachten vindt, zo vormen mijn gedachten de weg, waardoor ik mijn gelijk met anderen kan delen.”

Wat ik innerlijk bereik kan ik niet mededelen; maar mijn denken vormt de weg, waardoor ik die innerlijke toestand toch kan uiten.

“Hij die droomt in de spiegelende vijver, ontwaakt eerst wanneer hij zijn wereld verloren heeft. Want wie zijn wereld verliest, ontluikt in een nieuwe wereld. Zo is sterven ontwaken; zo is leven dromen.” (een Brahmaanse wijsheid uit de tijd van de priestervorst Acoka. )

Leven in deze zin is dus heel iets anders. Volgens deze denkers is het leven zelf een droom. Een droom, die je moet dromen om tot de werkelijkheid te kunnen ontwaken. Er moet een toestand van leven zijn (een droom, besloten droom) om daaruit een werkelijkheid te kunnen erkennen. En daarmee is de waarde omgedraaid. De mens meent over het algemeen, dat je eerst beleefd moet hebben om te dromen. Hier wordt echter gesteld, dat je eerst moet kunnen dromen om te kunnen beleven. Voor dat laatste is veel te zeggen, want:

In mij is het licht, waarmee ik de wereld verlicht. In mij is het geluid, waarvan ik de echo buiten mij waarneem. In mij is de kracht, waardoor de wereld rond mij leeft. En zo het licht in mij dooft, de kracht mij ontbreekt. Wanneer de stem in mij zwijgt, blijft slechts ‘t niets.

We moeten begrijpen; het is ons innerlijk dat in de wereld uitgaat. In deze tijd, in deze moderne tijd, kan ons innerlijk alleen naar de wereld uitgaan. Wanneer we eerst de moed hebben om te dromen, ons te realiseren wat in ons leeft.

Normalerwijze zien we alleen de echo’s. Het gehele spel der begoocheling is slechts de beantwoording van ons eigen wezen. Wij, die vragen en eisen, ververpen en verlangen. Wij bouwen de begoocheling, waardoor wij ons wezen en onze wereld misverstaan.

Wanneer we verkeerdelijk spreken, wanneer we denken dat alle kracht van buitenaf komt, dat zij van buitenaf vaststelbaar is, dan zullen we daardoor een waanwereld opbouwen, waaraan we niet kunnen ontkomen.

Al deze citaten wijzen in dezelfde richting; in mijzelf. Breng nu samen wat ik zoeven zeide over het symbool en het woord en dit laatste. Zodra ik in het symbool of het woord vind, wat voor mij persoonlijk de weergave is van een hogere kracht, maar gelijktijdig besef dat dit symbool mijn persoonlijke kracht is, mijn persoonlijke uitdrukking en ik niet verwacht dat de wereld daaraan beantwoordt, dan zal ik luisteren naar dat wat in mij leeft.

Niet aan de hand van de antwoorden van de wereld, maar aan de hand van de antwoorden die ik mijzelf a.h.w. geef – hetzij redelijk, als emotie of als droom – de wereld meten. Dan ben ik schijnbaar van de menselijke wereld afgezonderd, dat geef ik toe, maar staat er niet geschreven:

“Hij die de bereiking verlangt, hij die wil ingaan tot het rijk der goden, hij die wil spreken met de stem der oneindigheid, verlate de mensheid, opdat hij 40  nachten en 40 dagen in eenzaamheid onderga; het verlangen dat gestild wordt. Wanneer men zich geheel onvermogend en eenzaam gevoelt.”

Wij moeten eerst de eenzaamheid vinden en vanuit de eenzaamheid tot het leven komen. Hier komt nl. de vraag of wij ons symbool direct vinden of dat het veel later komt. Veel mensen hebben een symbool, dat zo beperkt is, dat zij niet beseffen dat het deel uitmaakt van een geheel. Maar er is geen mens, die niet bepaalde symbolen hanteert. Sommigen gebruiken er een woord voor, anderen een gebaar. Sommige een instelling t.o.v. de wereld, weer anderen doen het door een voorkeur voor een bepaalde kleur, een bepaalde wijze van handelen of bewegen te kennen te geven. Elk drukt zo een deel van het “ik” uit. Maar kan dat deel van het “ik” voldoende zijn? Er is een tijd geweest, dat er een planeet was die nu vergaan is. En daarop leefden wezens, die ten dele op aarde zijn geïncarneerd. De planeetlogos van die planeet werd gestimuleerd door een stervende ster.

En de geest van die ster noemde men wel: De Lichtende. Hij werd later in het menselijk geloof. Lucifer.  Deze Lucifer geeft kennis. Hij is de openbarende. Hij brengt bewust weten. Hij brengt oordeel. Hij is daarom niet slecht of hij is daarom niet goed. Ons oordeel kan alleen goed zijn, wanneer het oordeel van onszelf uitgaat; niet wanneer het gebaseerd wordt op een algemene waarde. Er bestaat geen algemeen belang. Er bestaat slechts onze erkenning van de wereld. En dat is ons belang, ook wanneer we het willen uitbreiden over de gehele wereld. Het “ik” zelf is ook hier de enige ware band tussen hogere krachten (ook de wereld van idealen en dromen) en de werkelijkheid. Niemand, niemand kan daaraan deel hebben buiten het “ik”.

We kunnen zeggen; er is een woud met vele stammen en vele kruinen, die alle naar de hemel reiken. Maar we kunnen niet zeggen; een stam draagt twee kruinen. Of; drie verschillende stellen wortels – niet één zijnde – voeden één boom. Zo is het met de mens.

Wanneer wij macht willen uitdrukken (dus magie beoefenen), wanneer wij inzicht willen gewinnen (de esoterie beoefenen), dan zijn we daarbij dus gehouden aan het “ik”. En dat “ik” schijnt een van de moeilijkste aspecten te zijn van het bestaan.

Aan de ene kunt is het uitermate complex; aan de andere kant is het doodeenvoudig. Enerzijds kunnen we het grotendeels opbouwen en verklaren met stoffelijke feiten of met geestelijke feiten; en anderzijds blijft er altijd ergens het hiaat, het onbegrepene, de missing link, waardoor de eenheid, de continuïteit niet bewezen kan worden. Ik citeer maar weer:

Wat ben ik anders dan een leegte in een volheid van gedachten.

Wat ben ik meer dan een vraag in een wereld vol antwoorden.

Wat ben ik meer dan een eis in een wereld van overvloed.

Want mijn “ik” is voor de wereld negatief en niet kenbaar.

Maar ik kan niet leven uit de feiten; ik kan slechts leven uit mijzelf.

Zo zeg ik: Al wat waar en vast schijnt te zijn rond mij, bestaat voor mij

niet. Want daar, waar ik de wezenlijkheid van mijn persoonlijk bestaan

ontken, ontken ik alle leven, ook dat wat rond mij is.

 U kunt de conclusie hier zelf aan toevoegen. Wanneer je van jezelf uitgaat, dan zul je heel veel, wat waarschijnlijk of werkelijk lijkt, terzijde moeten leggen. Dan zul je moeten betrouwen op je eigen innerlijk, je innerlijke stem. Ook wanneer daardoor de wereld schijnbaar niet meer bij je past, want alleen vanuit jezelf vind je de volle betekenis.

Dan gaan we verder met andere symbolen. Want de symbolen zijn belangrijk. Er is geen ras geweest, dat zo eigenaardig en zo intens heeft leren bidden als dit ras, dit volk. Vanaf het ogenblik dat de mensheid tot bewustzijn ontwaakte op deze wereld – en dat was voor hij het genus homo was volgens de huidige normen – kende hij het bidden tot de geest, die hij erkende. Daarna het bidden tot de krachten der natuur, het bezweren van ongekende natuurgeesten.

Ook in deze dagen bidt hij. Bidden is hem ingeschapen. Wanneer je eenmaal een wereld materieel te gronde hebt zien gaan zoals althans een deel der bewoners van deze wereld eens hebben moeten meemaken, omdat ze behoren tot een vorig ras, tot een vorige golf dan blijft je geen ander houvast dan het onwerkelijke, dat je voor jezelf werkelijk maakt en dat je God noemt. De naam, die die God krijgt doet niet ter zake. De naam is het symbool, dat je in jezelf vindt. En in de letters, waaruit je die naam a.h.w. vormt, geef je de overeenkomst weer met wat je daarin verlangt. Hebt u wel eens opgemerkt dat God en goed niet zoveel verschillen? Got en gut? God en good, in vele talen.

Elders vinden we God als een aarde, die minder directe invloed heeft, maar God meer een gevoelskwestie wordt. We vinden hen als Deos, Dieu, enz. Die naam Gods geeft aan wat de mens erin zoekt. En zoals verschillende rassen in God verschillende waarden zoeken en verschillende waarden erkennen (sommige een oordeel, sommige een bestaanskracht) zo zullen wij met ons persoonlijk symbool voor het Ongekende, waartoe wij bidden en waar we ons aan vastklampen, uiteindelijk alleen weergeven wat wijzelf zijn.

Dit ras moet rijzen tot een bewustzijn van het vrije geestelijk bestaan. Zolang het dit niet kan, zal het aan zichzelf steeds ten onder kunnen gaan. Dan zal het zichzelf vernietigen zoals het vorige ras, de vorige golf. Kan het er boven uit stijgen, dan zal het zijn redelijkheid in stoffelijke zin moeten loslaten, dan zal het zijn symbolen moeten gaan beleven en stellen boven alle andere dingen.

Dit zijn punten, waarover u verder kunt nadenken. Maar wanneer wij bidden, wat doen we dan? Wanneer wij werkelijk bidden, dan huwen wij de emoties en de woorden. Wij geven begrippen en idealen plus gevoelens gezamenlijk gestalte in klank. Er zijn verschillende gebeden in de oudheid en verschillende in de moderne tijd, die een aardige weerspiegeling kunnen zijn van wat ook voor de esotericus en de magiër het gebed zijn.

Het gebed is niet altijd een smeken, ook al wordt het in die vorm vaak gegoten. Het is vaak een eisen. Verder moeten wij begrijpen, dat in vele gevallen het gebed niet is een erkennen van God, maar een zelfomschrijving. Ik citeer enkele gebeden, die elk voor zich voor mij een van deze bijzondere waarden in zich dragen.

Gij Heer, die rijdt op de storm, Gij Heer van licht, ik roep tot U en vraag U; wil Uw dienaar horen. Werp Uw schichten slechts om hem te beschermen. Kom tot hem en ga tot hem in, opdat hij leven moge uit Uw Kracht en kennis. Schonk hem de gouden rijkdom van de wapenrusting, die Gij draagt.

Hier eist de mens. Hij omschrijft zijn God als een die rijk is. Hij draagt het gouden pantser en Hij is daardoor beschermd. Hij hanteert de bliksem (o, het is geen Griekse of Romeinse god, waarover ik het heb). Hij heeft dus de grootste macht, die de mens zich kan voorstellen. Hij rijdt op de volken. Hij kan vliegen. Hij is los van de aarde, van de gebondenheid, die de mens als een bezwaar vindt.

De mens drukt zijn behoefte en geestelijk vrij te zijn uit in menselijke termen. Waar in wezen zegt hij: Ik zou willen rijden op de wolken, vrij zijnde van mijn menselijk bestaan, gezekerd door het harnas van goud (de rijkdom die mij ook op aarde soms beschermen kan). Ik zou de macht willen hebben en te doen, omdat ik alleen door te doen mijzelf beschermen kan tegen anderen. En veiligheid is: God zijn. En omdat ik dat zelf niet kan zijn moet er een God zijn, die aan mij beantwoordt. Het symbool God is de behoefte aan kracht. Ik vul dit aan met een citaat uit een inwijdingsleer uit diezelfde godsdienst:

En zo gij gaat voor het gouden altaar en Hem groet, Die is de zon, zo weet dat gij aangegord zijt met die kracht. Want hij die waarlijk ingaat tot de poorten van het zevende huis, hij kent deze kracht en hij is deze kracht. Hij gaat boven alle krachten, omdat in hem het licht is. Zo neem de bliksem, zo neem het licht der wijsheid, zo meen het harnas der kracht en ga tot de mens. Want uw kracht kan doden en redden door de kracht van de God, Die gij eert.

Hier komt de overdrachtelijkheid tot uiting. Het ene gebed is openlijk; het andere is een poging om te openbaren. Wij moeten realiseren dat wij één zijn met die God en uit die God kunnen wij iets bereiken. Dan kunnen wij genezen, dan kunnen we doden, dan kunnen we voorspellen. We zijn vrij van de materie en er toch deel van.

Dit laatste is een waarheid. Hoe meer ik mij bewust ben van de God in mijzelf, hoe meer ik die God uitdrukking kan geven door mijzelf. Een tweede gebed:

Gij hebt mij Uw beden gezonden. Ik heb hun woorden gehoord en weet niet of ik ze heb verstaan. Maar ik roep tot U, Gij Meester van alle dingen, Gij, eerste adem waaruit Al is voortgekomen. Leer mij de boodschap verstaan; door mij de kracht te zijn, die uit Uw kracht voortkomt en leer mij de taak, die Gij opdroeg door Uwe gezondenen, te vervullen.

Hier wordt de bede weer een andere. Het element van ik-zijn ligt er nog sterk in. De gezondene (het element dus van de openbarende) maakt al duidelijk waarom het hier gaat. Het is een gebed van een profeet, dat bewaard gebleven is. Deze profeet echter voelt, dat hij met die profetie zelf niets kan beginnen. Hij weet immers niet wat ze betekent, hij kan zo niet voldoende definiëren. En daarom doet hij een beroep op de hoogste kracht, opdat het duidelijk worde. Voor hen is het symbool van de gezondene zeer waarschijnlijk het symbool voor zijn eigen onbegrepen contact met andere werelden of waarden. Voor hen is het uitdrukking geven aan de verduidelijking, die uit de hogere kracht komt, een erkennen dat zijn wezen in dit opzicht niet volledig is. En het is gelijktijdig een overboord zetten van de behoefte en redelijk te begrijpen. Want bewogen door een goddelijke kracht, die hij niet nader kan zien of kennen, is alles wat eruit voortkomt voor hem automatisch goddelijk. En hij vraagt bovendien – vreemd weer – de middelen en zijn taak te kunnen volvoeren; want hij identificeert zich met de grootheid van de Allerhoogste en van degenen die tot hen gezonden zijn.

Deze dingen hebben op zichzelf dus een zekere potentie. En een van de meest moderne gebeden, die dus ook een esoterische inhoud hebben, is misschien wel dit:

Aarzelend verhef ik mij tot U, O Heer van Licht en kracht. U wijd ik mijn wezen. Want niet besef ik wat ik ben en waar ik moet gaan. Doch Gij, Die, alle dingen kent, Gij kunt mijn schreden leiden. Laat mij dan in U beseffen hoe ik een met allen kan zijn. Hoe ik met allen gezamenlijk kan zijn: weerspiegeling van Uwe beeld. Want, mijn God, alleen uit U kan ik vervullen en zonder U is mijn leven zinloos. (gebed van een kloosterling. )

Ik wil één zijn met God, ja, dat is goed. Natuurlijk, ik wil stijgen boven mijn eigen beperkingen. Maar het symbool God is niet voldoende. Het symbool God moet worden uitgedrukt in de wereld. De behoefte om de wortels en de kruin van de levensboom samen te brengen, komt hier wel zeer sterk tot uiting. Daarom laat mij één zijn met allen. Hier is de gedachte aan perfecte harmonie (Wereldharmonie) duidelijk, maar gelijktijdig het spiegelbeeld van God.

Het kan niet God Zelf zijn. Want dan zou ik moeten erkennen dat ik mij volledig moet wijden aan al wat rond mij is. Maar een spiegelbeeld van God, dat is mogelijk. Dan kan ik mij altijd baseren op die God en zeggen: het is die God, die mij voert. Een afschuiven van verantwoordelijkheid weer, omdat men in zijn menselijk weten en denken met bepaalde delen van het “ik” niet klaar kan komen. En toch gebruikt men dus hier a.h.w. God als een middel om de kracht in zichzelf te wekken.

Nu krijgen we als aardig voorbeeld, naast een paar z.g. incantaties, die – gezien hun magische inslag -schijnbaar van het gebed verschillen. Het gebed blijft smeken, de incantatie beveelt. Maar ook in dit bevel is er een zich vereenzelvigen met een ongekende hogere kracht; is er een schermen met een symbool, waardoor het “ik” de band tussen hogere wereld en lagere wereld tot stand brengt. En er is nooit een ontkenning van dit “ik” als eerste oorzaak voor het gehele verloop. het is het “ik” dat bepalend is. Wat zoudt u hiervan zeggen:

Gij geesten van de lucht, gij geesten van het vuur, gij geesten der wateren, gij geesten der aarde, hoort mijn stem, want ik beveel u uit de geheime naam, die geschreven staat in het zegel dat ik draag.

Ik spreek: tot u in naam van Hem, die gij kent, Hij die regeert in de zon; hoor mijn bevelen, opdat de wil van Hem Wiens zegel ik draag vervuld zij. (En dan volgen de bevelen.)

Bij deze incantatie valt op: Ik geef mijn eigen wensen, naar ik vervul de wil van de Hoogste. Ik spreek over een zegel (ik heb mijn totale emoties samengebracht in een beeld, dat voor mij betekenis heeft) en de naam die daarin staat is voor mij de kosmos. En nu beroep ik mij op alle natuurgeesten om mij te dienen, en aan mij onderworpen te zijn.

Dan kan ik tot hen zeggen; dien mij. Ik kan zeggen tot het vuur: Verwarm. Tot de lucht: Breng wind en koelte. Tot de aarde: Wees geduldig, vervul de kleine taken van leven, spreek tot het leven in de mensen. Tot de wateren kan ik zeggen: behoed het vuur, zodat de warmte niet wordt de laaiende gloed.

Dan heb ik dus een beeld gegeven. Maar dat hele beeld is afhankelijk van mijzelf. Ook hier heb ik eigenlijk gebeden tegen God; God, laat mij God spelen. En dan kan ik incanteren als volgt:

In het woord Abraxos, in het woord Tirtos, in het Woord Aysos is mijn kracht. gehoorzaam mij, gij dienaren der sterren, gij levenden der planeten, gij bezielende krachten en geesten, gij die gaat door de natuur. Want dit is mijn wil: Laat er kracht zijn in de taak die wij volvoeren. Laat de kracht kenbaar worden in een ieder. Opdat mijn wezen, dat de goddelijke taak vervult, door U die ik daarvoor eren zal en erkennen, moge volvoeren te grootse werken, mij opgelegd.

Typisch. In de eerste plaats wordt hier dus een z.g. zegelwoord gebruikt: Abraxos. Dat vinden we nl. in veel zegels terug. Ook in magische diagrammen. In de tweede plaats: Weer is het het “ik”, dat de taak vervult. Mag ik op grond hiervan stellen: Dit vijfde ras kan in vele symbolen het Ongekende uitdrukken. Het kan zijn eigen onbegrepen persoonlijkheid daarin weergeven. Maar het kan geen afstand doen van zichzelf als eerste en belangrijkste deel van dit alles.

In de tweede plaats: Zijn gezag ontlenend aan het Onbekende (aan de God die hij aanbidt) kan de mens zich de werking van die God niet anders denken dan mede door zijn wezen.

In de derde plaats: Al zijn persoonlijke eigenschappen draagt de mens over aan zijn God of op aan zijn God. Wanneer hij een deel daarvan ontkent, zal hij over het algemeen zijn God niet meer zien als een vervullende kracht maar als een wrekende kracht.

Ten laatste: In magie en esoterie gelijk zoekt hij naar de bevestiging van een eeuwige kracht, die hij vanuit zichzelf niet zonder meer hanteren kon. Hij kan dan zijn God overdragen op iets anders. Hij kan Hem wetenschap noemen. Of hij kan Hem stellingen noemen of de theorie van een bepaald systeem. Maar in wezen zoekt hij voortdurend hetzelfde. Hij zoekt de weg te zijn tussen de stof, die hen niet volledig bevredigt en waarin hij niet in werkelijkheid volledig kan leven en de droom, de hoge wereld, de sfeer, de eeuwigheid, waarmee hij zich verwant voelt, maar die hij niet kent en waarvan hij slechts droomt. De band tussen dromen en werkelijkheid is het “ik”. Het “ik” droomt echter, zolang het niet actief de krachten van het lage naar het hoge en van het hoge tot het lage kan brengen. De mens vreest voor alles, wat daaruit voortkomt en ontzegt zichzelf zo grotendeels de verwerkelijking van datgene, wat hij theoretisch nastreeft.

Dan hebben wij, hierbij een m.i. toch wel belangrijke les geleerd, nl. dat ons leven zelf, dat ook zekere symbolen en symboolhandelingen kent (zelfs gewoonten die symbolisch zijn voor het een en ander) uiteindelijk in de plaats kan treden van het gebed, de bezwering, ja, zelfs van de meditatie en de overweging.

Maar op het ogenblik dat het denken in strijd komt met dit wezen, roepen wij als enige oplossing buiten ons aan en geven daarmee onszelf over aan de droom. Zo eindig ik met een conclusie, die weer een citaat is:

Zo er een God is, leeft Hij in u. Zo er een leven is, zo is het Uw leven. Want zie, slechts wat in uzelf is, kent gij met zekerheid en kunt ge indien ge verlangt in waarheid beseffen. Keer u tot de waarheid, die in u leeft. En geef haar niet gestalte met woorden. Onderwerp haar niet aan de kritiek van meesters. Maar vorm vanuit uzelf het begrip, waardoor gij leeft. Vervul uzelf in alle dingen.

Want slechts wie zichzelf vervult zal beseffen hoe hij innerlijk leeft en wat de waarheid van zijn wezen is. In hen wordt het Onbekende geopenbaard. Slechts wie in en vanuit zichzelf leeft en zichzelf vervult zal de kracht bezitten, die hij nu toeschrijft aan anderen. Slechts wie zo zichzelf verliest uit de wereld der beperkingen en ontwaakt tot de wereld der oneindigheid zal waarlijk weten, dat God en leven gelijk zijn.

Ik hoop dat ik hiermee, u een beschouwing heb voorgelegd, die uw interesse kan hebben.

Wij hebben ook bij deze bijeenkomst een leraar, die nu het woord tot u zal richten en ik hoop, dat u aan zijn betoog ook de nodige aandacht zal geven. U weet, dat het hier zeker ook geldt: Ga af op hetgeen u in uzelf gevoelt en niet alleen op het woord.

Vergeet niet: Het Woord is slechts het onbeholpen symbool voor de uitgebreide waarheid, die zich er achter pleegt te verschuilen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Leven is ervaren

Leven is ervaren. De juiste ervaring is de harmonie. De harmonie is de eenheid met God in alle dingen.

De weg van het leven is de weg der ervaring. Zo zijn er vele wegen, die alle toch één zijn.

Er is de weg van de krijgsman, die strijdt, omdat hij dit ziet als zijn plicht; hij is een waardig krijgsman en hij vindt uit de krijg de vrede.

Hij die strijdt ommentwille van de strijd, strijdt ommentwille van zijn eigen gewin; hij strijdt tegen zichzelf en hij vindt slechts duister.

Hij die werkt met mensen en werkt en in de mens zijn God te vinden, hij werkt met God en met Diens krachten. Hij die werkt met de mensen om zijn eigen grootheid te bewijzen, hij vindt zijn onmacht. Hij die werkt met de mensen en macht te bezitten, hij gaat eraan ten onder.

Hij die voortbrengt op de wereld, omdat in het voortbrengen zijn deel van de gemeenschap ligt, hij vindt de harmonie met alle dingen en zo de wijsheid, die hen voert tot God. Hij die voortbrengt om te bezitten, hij die voortbrengt voor zichzelf, hij maakt alle dingen waardeloos en gaat eraan ten onder.

Zo is de weg het erkennen van de eenheid. Zo is het erkennen van de eenheid het ontkennen van het persoonlijk belang.

Men zegt tot u: Heb elkander lief. Maar zo ge uzelf niet aanvaardt en bemint, hoe kunt ge anderen beminnen?

Men zegt tot u: Doe goed aan anderen. Maar hoe kunt ge goed doen aan anderen, zo gij in uzelf niet eerst de vrede bezit, waaruit het goede voortkomt?

Zo zeg ik u: Ga uit van uzelf, want gij zijt uw weg. Zoek de harmonie die past bij uw wezen, want zo slechts kunt gij harmonie vinden met God.

Zoek de weg van leven die past voor u, omdat gij u daarin geven kunt zonder slechts voor uzelf te streven. Want slechts zo vervult gij uw taak binnen de gemeenschap. Indien gij wilt ingaan tot uzelf, besef wel, dat wie zichzelf kennen wil God vindt. Want een ieder, deel zijnde van de grote Kracht, kan zijn waarheid eerst vinden wanneer hij deze Kracht ondergaat.

Men zegt tot u: Dit zijn de woorden, dit zijn de regels, dit zijn de wetten.

Maar ik zeg tot u: Al wat regel en wet is is dood, tenzij het voor u het levend deel is van de God, die gij erkent.

Doe goed aan elkander, niet door aan anderen te doen wat gij als goed ziet, doch aan anderen te geven wat zij voor zich verlangen en begeren, zo gij het geven kunt. Want waarlijk, hij die de dorstige spijs geeft en de hongerige slechts drank, hij verbittert zijn lot, hij kwetst anderen en hij kan nooit vanuit zich het juiste doen.

Maar wie vraagt; zijt gij dorstig? en lafenis schenkt. Wie vraagt; zijt gij hongerig? En spijs geeft. Hij leeft in de ander en door de ander leeft hij voort, deel van een groter geheel.

Men heeft gezegd; zegen uw naaste En ik zeg u: Gij kunt uw naaste niet zegenen, gij kunt uw naaste niet vervloeken, omdat dit slechts kan voortkomen uit de grote Kracht. Gij kunt slechts geven de vrede met alle dingen, gij kunt geven de onvrede met alle dingen. En dat wat gij anderen geeft, schenkt gij ook uzelf.

Zo vervloek niet en zegen niet, maar deel uw wezen met anderen, opdat de rijkdom van uw persoonlijkheid deel zij van het geheel en opdat het geheel spreken moge in u persoonlijk.

Gij zoekt naar kracht. En ik zeg u: Een kracht zult gij vinden buiten u, zo gij niet eerst de kracht vindt die in u is. Want waar wij spreken tot u, en gij niet spreekt tot uzelf, zult gij niet horen. waar de Schepper Zelf u Zijn kracht geeft en gij niet sterk wilt zijn in uzelf, zijt gij krachteloos. Een ieder is zelf zijn weg, een ieder is zelf zijn kracht, een ieder is zelf zijn leven.

Gij zoekt naar schoonheid. Maar indien gij niet in uzelf schoonheid draagt en ze zien wilt in de wereld rond u, zo zal de hatelijkheid van het leven zijn de gestalte van uw eigen persoonlijkheid. Doch zo gij uzelf geeft, de schoonheid uit uw wezen leggend in al wat gij rond u ziet, de vrijheid van uw gedachten gevend in al wat gij rond u erkent, zo zult ge weten wat de schoonheid is, die de schepping regeert.

Gij zoekt naar recht en naar gerechtigheid. Doch zo gij oordeelt, veroordeelt gij uzelf.

En zo gij niet oordeelt, verloochent gij uzelf. Oordeel daarom slechts uzelf, wetend dat slechts gij voor de wereld kunt spreken, indien gij spreekt over uzelf.

Doch spreek geen oordeel over uw wereld uit, opdat gij niet uzelf veroordele.

Woorden zijn u gegeven als een kostelijk goed. Maar hoe kan een woord klinken, indien gij het niet spreekt?

U zijn gegeven dromen en gedachten. U is gegeven een leven, dat vibreert met ongekende waarden. Maar zo gij het niet uit, hoe kan het ooit leven voor u?

Zo zeg ik u: Vermijd de dood, die ontstaat door de ontkenning en aanvaard het leven, dat komt uit de erkennende bevestiging.

Er was een mens die arm was, want niets noemde hij het zijne. Er was een mens die rijk was; want zie, zover het oog reikte was hij heer over het land. De zon kwam en zij verschroeide het land. En de rijke klaagde en steunde. Doch de arme koesterde zich in de stralen der zon. Er kwam een tijd, dat vreemde groepen binnenvielen en brandden en plunderden. En zie, de arme bleef ongedeerd, doch de rijke werd vervolgd. Want hij die niet bezat was rijk, hij die bezat was de arme.

Wat gij niet uw eigen noemt, doch slechts ziet als een koestering van de stralen van licht en leven, dat maakt u rijk.

Dat wat gij beschouwt als uw eigendom en beschermen wilt tegen de wereld, dat maakt u arm. Wees daarom arm, opdat gij rijk moogt zijn.

Ik zeg niet tot u: Verwerp dat wat het leven u geeft. Maar ik zeg tot u: Neem niet dat wat het leven u geeft als uw eigendom, als uw recht en uw verplichting, opdat gij niet arm moogt worden in alle dingen, die eeuwige waarde hebben.

Gij zoekt naar zekerheid. Gij kunt niet zeker zijn in deze tijd, zoals gij niet zeker kunt zijn van uzelf en van wat gij zoekt in enige wereld. Doch wie zijn zekerheid zoekt in de erkenning van zijn bestaan en uit zijn bestaan zelve herkent de God, Die leeft, hij is zeker in alle dingen. Wie echter vreest, hij sterft voortdurend. Hij lijdt en nimmer is hij waarlijk levend.

Gij wilt deel hebben in de kracht, die leeft. Gij wilt deel hebben in het licht, dat is. Gij wilt deel hebben in een vrijheid, die is de vrijheid Gods, levend in alle sfeer en wereld, ook de uwe. Daarom zeg ik tot u: Indien gij deel wilt hebben aan het licht, tracht licht te zijn.

Want wie in zich een vonk draagt, hij zal ontwaken en erkennen; ik ben als de zon. Doch wie in zich geen vonk licht weet te maken, voor hem is het licht alsof het nooit geboren ware. Hij is een kind der duisternis. Gij wilt deel hebben aan de kracht van deze tijd. Breng in uzelf dan een weinig kracht op, opdat uit uw streven en wil geboren worde de kleine  kracht, waarin de grote zich uit. En gij zult zien, dat gij wonderen verricht en bergen verzet, wanneer gij ontwaakt uit uw droom.

Doch zo ge meent dat ge zwak zijt, zo ge meent dat ondergang u bedreigt, zo ge meent dat ge niet kunt volbrengen slechts het weinige, dat u gevraagd wordt, zo zal er geen kracht zijn die u behoudt. En gij zult, de krachten niet ervarend, de tijd ondergaan als een vervloeking. Gij zoekt de vrijheid, die is het beeld van de lichtende vrede en de harmonie, die deze tijd regeert. Leer dan eerst voor uzelf vrij zijn. Want zo gij uzelf ketent met begrippen als schuld, met begrippen als falen, hoe kunt ge vrij zijn? Hoe kunt ge vrijheid aanvaarden? Daarom zeg ik u: Erken de fouten die gij maakt, maar nimmer een schuld die u is opgelegd, tenzij zij geuit wordt door de kosmische wet en buiten uw wezen en bedoeling.

Vervul uw lot, maar wees vrij van alle veroordeel, van alle zelfverwijt. Leef om deel te zijn van deze tijd en deze kracht. Leef nu! En vraag u niet af wat was of wat wordt. Dan eerst zult gij weten wat ware vrijheid betekent.

Gij zoekt een antwoord op uw vragen. Maar indien gij een antwoord wenst op uw vragen, leer eerst uw vraag te stellen. Want hij die juist vraagt, vindt het antwoord, omdat het antwoord en de vraag een zijn. Hij die niet juist vraagt, zal nimmer een antwoord vinden.

Het antwoord voor uw wezen, tijd, voor uw leven, is altijd weer; wat is waar? Bedenk dan dat waar is dat, wat gij waarlijk leven kunt. En dat alles onwaar is wat gij niet leven kunt.

Dat wat voor uw wezen belangrijk is, wat gij in daden erkent, wat in u leeft als droom en uiting vraagt, dat is waar.

En dat, wat gij rond u ziet en wat een ieder waar noemt, maar dat uw wezen niet beroert, is voor u en leugen. Leef uw eigen waarheid, opdat de waarheid van het leven voor u kenbaar worde.

Gij vraagt om hulp. De hulp die u gegeven wordt is de eeuwige kracht zelf, ook wanneer zij geuit wordt door een dienaar van het licht, door de geest. Het licht zelve nu kan niet antwoorden op uw smeekbeden om hulp, tenzij gij zelve begint. Hij die de eerste schrede zet, wordt de rest van de weg soms gedragen. Maar hij die stilstaat en slechts om hulp bidt, hij is verlaten.

Vraag verder niet naar mensen. Wie vraagt naar mensen, vraagt naar de vele verschillen en beperkingen, die de mensheid vormen. Vraag naar het leven, het leven dat in allen gelijk is. Want waarlijk, wordt u niet kracht en licht gegeven, omdat gij mens zijt, maar omdat gij leeft. En waarlijk wordt geen verschil gemaakt tussen u en ander leven. De nietigste plant, zich verbergend tegen de aarde voor de wind, heeft deel aan de kracht, omdat zij leeft zoals gij. En wie de kracht aanvaardt, hij is rijk in kracht. En wie de kracht verwerpt gaat eraan ten onder.

Leringen zijn misschien te eenvoudig. En toch wil ik u dit zeggen: Slechts wie in zich de eenvoud vindt, vindt de waarheid. Wie in vele woorden ondergaat, hij is als één, die tracht te zwemmen onder het water der rivieren. Zijn adem ontbreekt hem en hij moet zijn gang onderbreken om te leven.

Wie eenvoudig is echter en zich drijven laat door de stroom, hij leeft, hij ademt en zie: de kracht van de rivier voegt zich bij de zijne. Besef dat eenvoudig-zijn niet betekent simpel zijn, beperkt van geestvermogens. De eenvoud is de beperking van de geest tot het essentiële. Want alleen het waar belangrijke kan uw leven helpen vormen en leiden tot een einddoel en een bestemming. Al hetgeen gij zegt om het eenvoudige te verklaren is onbelangrijk, want gij leeft niet de verklaring.

Al wat gij zegt om een mening waar te maken, die gij niet als waar ervaart, is nutteloos, want gij kunt niet met gedachten een waarheid maken. Maar gij kunt slechts door uw gedachten een vorm geven aan de erkenning van de waarheid.

En zo gij eenvoudig kunt zijn, zo zult gij ook leren en te geloven.

Want waarlijk geloven is niet aanvaarden zonder meer, maar het is antwoorden op de stem die in je spreekt, zonder eerst te vragen; wie is zij? Waarom spreekt zij, en wat zegt zij?

Geloven is; in jezelf beleven.

Wat ge in uzelf beleeft in eenvoud, is niet slechts waarheid, schoonheid en recht, maar het is de bereiking van de harmonie, waardoor de mens één is met de Oneindigheid waaruit hij voortkwam.

En nu wil ik trachten u duidelijk te maken waarom ik gezegd heb; zegen niet en vervloek niet. Want, kan ik u zegenen? Kan ik u iets geven wat ge zelf niet ervaart en aanvaarden kunt? Maar indien gij de kracht, die in mij leeft, aanvaarden wilt en begeert als een kracht, die in u leeft, dan zult ge ze kennen.

Ik geef u míjn kracht, die niet is de kracht van mijn persoonlijk wezen, maar de levende kracht die ook in u bestaat. Aanvaard gij die kracht, zo neem haar.

In mij is het licht, dat is erkennen en weten. Maar het is niet mijn weten en mijn erkennen alleen, het is de waarheid van het leven zelf, die in mij bestaat. Wenst gij het licht: Laat de waarheid in u ontwaken. Ik geef u mijn waarheid. Maar slechts indien zij u eigene is, bezit gij het licht.

Zo ge wilt, aanvaard dit licht . . .

Ik heb u lief en alle leve lief. Niet opdat gij mij behoort of ik u behoor, maar omdat wij zijn: één in wezen en kracht, één in oorsprong. Zo gij het leven kunt aanvaarden zoals het is, met al wat daarin leeft zoals het is, zo zult gij de liefde in uzelf dragen.

Weet dat liefde is; de harmonie waarin het “ik” zich vermengt met het leven, omdat in alle dingen slechts het hoogste eenieder tegemoet kan treden. Wenst gij deze liefde? Zo aanvaard haar.

image_pdf