Een bijzondere geheimschool

11 mei 1958

Nu bestaat er een zekere geheimleer, waarvan ik vandaag ook weer een klein stukje behandelen wil. Zij is wel gebaseerd op het christendom, maar door vermenging o.a. met delen van de oude Isis-verering (dus Egyptische invloed) en bepaalde Babylonisch-Assyrische invloeden geworden tot een zeer bijzondere groepering. Wij vinden op het ogenblik delen van deze school o.a, in het Abessijnse hoogland in enkele Koptische kloosters; verder ook rond het Victoria, waar twee nederzettingen zich bevinden van magiërs, die ook deze school aanhangen. Hierbij spelen bepaalde waarden uit het christendom wel degelijk een grote rol en in de eerste plaats de volgende gedachtegang:

Jezus heeft gezegd, dat met een waar geloof niets onmogelijk is. Het is dus voor ons noodzakelijk om een geloof nader te begrijpen. Uit de z.g. secondaire Evangeliën heeft men daar nu een aantal leringen omtrent het geloof bijeengeraapt. Ik wil niet zeggen “samengevoegd,” want daarvoor is de samenhang vaak te klein. En de kern van dit geheel zou ik dan wel kort even kunnen samenvatten.

In de eerste plaats is geloof een zekerheid, die gaat boven al hetgeen redelijk wordt ervaren. Om werkelijk te geloven moet men bewust de rede terzijde stellen om andere waarden te accepteren. Datgene wat wij zien, beleven en horen is niet de werkelijkheid maar slechts een enkel en uiterlijk verschijnsel ervan. Wanneer wij onszelf op de werkelijkheid baseren, zullen de verschijnselen zich aanpassen bij onze behoeften en onze noodzaken. Het is onmogelijk om zonder geloof onze eigen wereld te veranderen ofwel onze eigen wereld te verlaten, te overheersen. Met geloof is dit alles wel mogelijk. Dat is dan een reeks van leringen, die men uit deze Evangeliën heeft getrokken. En daaraan heeft men toegevoegd: Dus is het voor ons noodzakelijk het geloof te maken tot kernpunt van ons streven.

Vanuit hun standpunt kan ik het daarmede eens zijn. De gedachtegangen, die geleid worden door de oudere godsdiensten en oudere religies brengen ons dan in onmiddellijk contact met de onderwereld en wat dies meer zij. Zonder dit magisch geloof direct te zien als een demonengeloof, speelt toch zeker de onderwereld en de wereld ook een zeer grote rol daarin. Men stelt nu dit: De rijken der hemelingen het is maar een term, vermoedelijk is ze van Indische oorsprong de rijken der hemelingen, de onderwereld en de wereld, waarin wij leven, zijn één geheel. Ze zijn onscheidbaar met elkaar verbonden. Wanneer echter ons bewustzijn zich in de onderwereld bevindt, zo kunnen wij zolang wij sluimeren daarin niet tot een andere wereld ontwaken. Indien iemand in die wereld sluimert en ik ben mij van die wereld bewust, dan kan ik hem daarin wekken. Men gebruikt dit als een grondslag voor menige magische procedure. Want ook u kent natuurlijk de bekende verhalen over de geesten in de duisternis. U hebt misschien zelfs van ons over die duistere sferen meer gehoord dan u lief is.

Stel u nu voor, dat deze duistere wereld en uw eigen wereld één zijn (vanuit een goddelijk standpunt is dat zeker waar), dan kan men dus vanuit zijn normale wereld in die duistere wereld ingrijpen. Men kan daar iemand wakker schudden, uit zijn slaap doen ontwaken. En het is een grote gave, wanneer men iemand uit kwellingen brengt naar een land met meer licht en rust. De magiër doet dit niet uit zuivere naastenliefde. En degenen, die deze leer aanhangen, zijn meestal nogal tot de magie geneigd. Vandaar dat zij stellen, dat als prijs voor deze hulp de andere geest een dienst zal terug bewijzen. In het Babylonische Baalsgeloof, dat overigens ook wel verwant is met het Baalsgeloof dat wij bv. nog in Carthago vinden stelt men, dat indien de Heren (let wel Baal, dus Heer) worden verdrongen, dus hun rijk, hun duisternis wordt terzijde geschoven, zij overwonnen kunnen worden door elk hunner slaven. In christelijke termen betekent dit eigenlijk, dat elke verdoemde, die zich bewust wordt van het hemelrijk, meester is over de duivel. Zo kan dus zeer veel van het kwaad teniet worden gedaan, eenvoudig door krachten, die in het kwaad leven, te wekken tot licht.

Jezus zelf was het met deze stelling niet geheel eens. En ik geloof ook wel, dat er hier en daar iets aan mankeert. Ik zegde u reeds: De stellingen doen ons vaak samengeraapt aan. Toch vind ik juist in deze paar punten, die ik nu geciteerd heb, wel enkele dingen, die ook uw aandacht waardig zijn. En nu wil ik dat maar stellen in heel gewone termen, zoals wij hier bij elkaar zijn.

Alles wat wij doen in onze eigen wereld, onverschillig wat, heeft een betekenis voor zowel de duistere als de lichte wereld. Met alleen is het een evenwichtskwestie, waarbij dus voortdurend een harmonisch verschijnsel wordt veroorzaakt in het totaal der schepping en elke verschuiving in een der sferen een verschuiving in andere sferen met zich brengt, maar bovendien hebben wij ook nog te maken met de wisselwerking van invloeden, die boven de verschijnselen van drie werelden uitgaan.

De geest van het heelal, het kosmisch bewustzijn, is niet beperkt tot een enkele wereld. Het omvat alle werelden. Indien wij in harmonie met dit kosmisch bewustzijn een daad stellen in onze eigen wereld, dan zal het bewustzijn van die daad in elke wereld kunnen ontstaan. Wat meer is, wanneer onze eigen kracht buiten de harmonie met het kosmische op zichzelf met een bepaalde persoonlijkheid eerst banden van harmonie heeft gevlochten, dan zal een gemeenschappelijke beleving van die daad mogelijk zijn onafhankelijk van de sferen, waarin een van beide partners vertoeft.

Een zeer belangrijk punt. Wij kunnen dus in meer werelden gelijk werken, actief zijn. En als je nu naar die wereld van vandaag kijkt, dan wordt het wel heel duidelijk, dat naast lichte krachten ook heel wat duistere krachten over die wereld zijn losgebroken. In uw eigen leven komt u bewust of onbewust ook telkenmale weer met het demonische in aanraking, datgene wat vernietiging zoekt, wat haat uitstraalt. Op het ogenblik dat u met deze krachten in contact kunt komen, zult u mits bewust van het kosmische, de levenskracht van de Vader kunnen komen tot een wekken van het kwaad. Maar dit kwaad verandert, indien uw eigen instelling tijdens dit wekken ten goede was. De demon wordt gedwongen om degene, die hem wekt uit zijn duister lijden, te dienen. Hij kan niet anders, want hij is gevangen in de ban van die gedachten, hij is gevangen in de ban van die daden en zal automatisch zich de eerste tijd associëren met de wil, met de denkbeelden van degene, die hem bevrijdde.

Hiermee kunnen wij misschien ook wel eens wat doen. Want, zoals Jezus ook zegt, het Koninkrijk Gods is in ons. In ons is de lichtende kracht, de kracht van een kosmische liefde en een kosmisch weten, die nooit te gronde kan gaan. Zijn we ons hiervan bewust geworden, dan leeft voor ons de wereld als een eenheid. Er bestaat geen lijden meer, geen smart. Er is geen reden meer een lang gezicht te trekken of jezelf uitgeput en vermoeid te voelen. In dit bewustzijn zijn alle problemen en zorgen opgelost. Niet omdat we de oplossing vreten, maar omdat we weten, dat die oplossing er zal zijn op het ogenblik, dat het noodzakelijk is. We zullen niet meer lijden, omdat wij in het lijden steeds weer voelen de leiding ten goede en het accent zo verandert.

Om een voorbeeld te gebruiken: Wanneer je nu alleen maar denkt aan uitgaan en je bent buiten en het begint te regenen, dan is dat erg pijnlijk. Maar een boer, die weet, dat de aarde dorstig is, zal zich verheugen over die regen, omdat het gewas er goed door gedijt. En hij neemt de rest op de koop toe. Hij is toch gelukkig, ook al wordt hij nat, al is het onaangenaam. Zo kan het voor ons natuurlijk ook zijn.

Stel nu eens, dat wij in staat zijn om dus zo al het goede werkelijk voor ons te realiseren. Dan bezitten wij een rijkdom, die zonder grenzen is, Dan is er haast geen andere mogelijkheid, of je moet voortdurend dankbaar en blij zijn van binnen. En in die dankbaarheid en in die blijheid kun je ook uitreiken naar lagere gebieden. Je kunt degenen begrijpen, die in de sferen of misschien zelfs al op aarde in een duisternis van eenzaam lijden, van levensontkenning zijn verzonken. En doordat je hen begrijpt, kun je hen ook beïnvloeden. Wanneer die invloed ten goede wordt geleid (en dat kan haast niet anders, wanneer je je bewust bent van het Koninkrijk Gods in je), dan doe je dus die anderen ontwaken tot jouw wereld. Maar dit ontwaken impliceert, dat alle waarden van die wereld in de eerste tijd voor deze ontwaakte geest precies gelijk zijn aan die van jou. Het is als bij een kind, dat in een gezin wordt geboren. Zo’n kind leeft in de eerste tijd het leven van de ouders. En wie van ons zal durven ontkennen, dat juist daardoor vaak de grondslag wordt gelegd voor een heel verder leven? Er zijn wel mogelijkheden van afwijking, maar als je een kind leert om hoffelijk, beleefd en vriendelijk te zijn, dan zal dat kind voor de wereld inderdaad vriendelijk, beleefd, hoffelijk blijven en het zal wel heel lang duren, voordat dat er helemaal afgaat.

Zo is het met die geesten ook. Wanneer u iets uit de duisternis kunt wekken en het kunt vatten in een sfeer van volkomen geloof, volkomen Godsaanvaarding, bewustzijn omtrent de goddelijke liefdekracht, omtrent het kosmisch weten, dat dit alles heeft bepaald en bestemd in een harmonische eenheid, dan heb je daarmee een kracht ten goede geschapen. Dit eigenaardige geloofje, waarover ik U spreek, doet dit. Misschien niet altijd op een manier, die voor de westerse mens aanvaardbaar is. Dat geef ik graag toe. Wij vinden bij hen o,a, nog bepaalde vruchtbaarheidsriten uit de Isis-dienst, wij vinden bij hen enkele Babylonische wichelaarsgebruiken en zelfs Perzische geloofsverschijnselen laat ik het zo maar noemen die ik liever niet nader omschrijf. Maar dat neemt niet weg, dat de kern ervan goed is. Het gaat tenslotte niet om de manier, waarop wij een geloof uitvoeren, het gaat niet om de ceremonie; het gaat om de innerlijke gesteldheid. En dit vreemde geloofje slaagt er inderdaad vaak in om van uit menselijk standpunt gezien zuiver helse machten om te buigen tot iets redelijker, tot iets beters, tot iets wat aanvaardbaar wordt.

Nu vraag ik mij af: Waarom kan de mens dat niet? Waarom kunt gij dat niet? Waarom zouden wij daarin falen? Is het misschien, omdat wij niet voldoende geloof bezitten? Of is het eenvoudig, omdat wij ons niet de moeite getroosten om het kwade in overeenstemming te brengen met het goede, tot harmonie te bewegen met het heelal? Een moeilijke vraag, waarop ik helaas U het antwoord schuldig moet blijven. Ik geloof echter, dat we wanneer wij bewust het goede willen en dit goede niet alleen beperken tot het voor ons aanvaardbare, maar het zoeken in alle dingen en het in alle dingen trachten te beleven dat wij dan hiermede een band scheppen, die heel veel duistere werelden licht geeft. Een band scheppen, die heel veel duistere werelden tot bewustzijn brengt. En als inleiding van deze morgenbijeenkomst op deze zondag, zou ik u dan ook de volgende gedachte willen meegeven:

Overal waar het kwaad schijnt te bestaan, overal waar nood, leed en ellende is, overal waar zorg ontstaat, daar zijn wij meester, indien wij kunnen geloven in het licht. Laat echter ons geloven in het licht, ons bewustzijn van het Goddelijke, nooit impliceren een verwerpen van hetgeen duister lijkt, maar een aanvaarden daarvan in de zin van de zuiver goddelijke liefde. Zo zullen wij het duister kunnen overwinnen, de wereld tot een vreugdiger, een prettiger plaats maken en misschien niet het minst van alle mogelijkheden kunnen helpen om mensheid en geest bewust te maken van de grote gave, die het leven betekent en alle vreugden, die erin verborgen zijn.

o-o-o-o-o

Salomo heeft een Hooglied gezongen, dat wel eens wordt genoemd: het meest volmaakte liefdeslied, dat ooit in schrift werd neergelegd. Maar dat Hooglied was veel meer dan alleen een liefdeslied, dat zult u wel begrijpen. Het was een aanvaarding van het leven, het was een erkenning van de schoonheid. En moge de vergelijking soms wat zinnelijk aandoen, toch was het in feite het scheppen van de schoonheid der wereld voor zichzelf. Salomo was een groot wijsgeer en in zijn erkennen van het leven zelve als een voortdurende eenheid met het “ik”, kon hij zijn liederen zingen en verre geslachten reeds benaderen en beroeren, zodat in uw dagen soms nog ditzelfde Hooglied wordt gedeclameerd tussen de niet-gelovigen, alleen omdat het het hart ontroert en in de schoonheid van woorden een ogenblik een stille huivering in je hart doet vallen. Ik ben geen Salomo en ik kan u geen Hooglied zingen. Toch zou ik willen trachten iets van de zonnige blijheid van het leven, van het wonder van het bestaan in een paar woorden voor u samen te vatten.

Als de wolken laag hangen en wenen, tot er sluiers van water naar de aarde grijpen, dan lijkt je wereld somber. Maar wanneer je ziet naar de bomen, naar het gras, naar de bloemen, die drinken en hoe de aarde een nieuwe kleur krijgt, dan merk je, dat dit een vreugde is. Het lijkt of de regen met zijn ruisen tot een lied wordt, dat zingt van nieuwe kracht van voortbestaan, van nieuwe strijd en groter vruchtbaarheid. Wanneer de hemel hel is en blauw en hoog en de zon een vurige boog beschrijft om de aarde, dan is het of het licht fonkelt in alle dingen, de kleuren helder worden als van juwelen. En dan denk je aan al het schoons, dat je hebt meegemaakt. Onbewust haast herinner je je vroegere schoonheid en je verweeft het met het heden, totdat de zon in je eigen hart schijnt te branden en een lied zich een weg baant naar je lippen…..omdat je de schoonheid hebt herkend.

Maar ga nu eens langs de wegen, ga gewoon uw gang, zoals u dat normaal doet in de wereld en kijk eens naar een enkele grasspriet, die daar in een stadstuin verwaand zich uitrekt boven alle andere en vraag u eens af, hoe deze leeft. Of indien er zelfs geen tuin is zie omhoog naar het glanzen van de ruiten en zie hoe ze wisselen van kleur tot kleur, gaande door de wazige klaarheid van de morgen, via de felheid van een rustende middag, waarin alles trilt, tot een avond, die in een veelkleurige soberheid een ogenblik vaarwel zegt. En vraag uzelf af, hoe het komt, dat deze schoonheid bestaat.

En niet alleen in de straten van een stad of ergens in de wijde velden is deze schoonheid te vinden. Zie naar een mens. Zie die mens, zoals hij is met al zijn fouten, met alle lelijkheid of misvorming misschien, die er ook in gelegen moge zijn, met al zijn verknepen zonden en met al zijn hoog uitgebazuinde deugden. Zie hem, zoals hij is. En zie dan eens, hoe zon mens haast instinctief zoekt naar licht, naar schoonheid. Hoe zo iemand ondanks alles hunkert naar de vreugdige eenheid met het leven. En zeg dan tot jezelf, dat dit geen schoonheid is. Of indien de mens u misschien te gecompliceerd is kijk naar de dieren. Zie hoe ze zich beperkt als ze zijn een eigen wereld bouwen en op hun eigen wijze banden knopen met mensen en dieren en planten. Zie hoe ze meester worden over hun eigen kleine gebied, terwijl ze schijnbaar niets betekenen in die grote en drukke wereld van mensen. En zeg dat dit geen eigen schoonheid heeft. Kunt ge dat zeggen? Ach, neen.

Schoonheid is er in alle dingen geborgen. En schoonheid is een schaduw van de volmaaktheid. Volmaakt, zeggen wij, is de Schepper en wij geloven, dat de onvolmaaktheid alleen in onze wereld bestaat. Maar is dat wel zo? Leeft er niet, buiten alle dingen, een volmaking ook in ons? Misschien is het de lens van onze ogen, die verkeerd gesteld is, zodat ze de schaduwen met nadruk ziet en het licht voorbijloopt als de glans van een ogenblik. Misschien is het wel het begeren van onze ziel, die verkeerd is gericht, gefrustreerd en vermoord haast door de zonderlinge wetten, die wij zelf eraan hebben opgelegd. We zien de dingen verkeerd. Maar is daarom de schoonheid minder? Bestaat de kleur niet, omdat een kleurenblinde haar beschouwt? Geurt de bloem niet, omdat niemand die geur kan waarnemen? Schijnt de zon niet, al zijn de ogen verduisterd in blindheid? De volmaaktheid, die leeft achter onze schoonheid, achter alle leven, ja, zelfs achter de hatelijkheden van het leven, het gemene, het lege, het lage, die is er altijd, wanneer wij haar maar kunnen zien. En daarom zouden ook wij een levenslied moeten kunnen zingen. Misschien zoals Salomo dat eens heeft gedaan, of met onze eigen woorden. We zouden moeten kunnen zeggen:

Hoe schoon is het leven, hoe gevuld van vreugde is het bestaan. Hoe schitteren de ogenblikken van geloof als diepe meren, die een hemel weerkaatsen. Hoe rijzen de gedachten omhoog als bergen, die trachten de zon te kussen. Hoe is de wijsheid als een statige boom, die de eeuwen trotseert en alle leven in zich neemt, omschrijvende aeonen van jaren. Zie, hoe het leven op ons toesnelt met zijn zorgen en leed, met zijn vreugden. Zie, hoe het ons benadert en voortdurend opvordert om te streven en te denken. Zie, hoe het tot ons lacht en.met de lach ons uitnodigt tot het feest van het bestaan. Is het niet schoon, het leven? Is het niet een droom, tot werkelijkheid geworden? Ach, laten we ons niet afkeren van dit leven. Laten we niet vluchten voor al wat het gegeven heeft. Want rijk en vol is het bestaan als een dal, dat ligt tussen de beschutting van de hoge bergen, als heuvelen, waarop de wijnrank de wijn baart, vangend het licht der zon en het makend tot sidderende zoetheid. Zie, hoe zelfs de bitterheid van het leven haar zin verwerft en mede wordt tot schoonheid en glans. Want het leed in het leven is als de wierook, die bitterzoet geurt door de tempel en een sfeer bouwt van vroomheid, waarin de ziele zich verheft en opwiekt tot het Allerheiligste.

Schoon is het leven als de bloesem in de lente, wanneer de pracht der kleuren in teerheid de aarde maakt tot een bruid, wachtend om de zon en haar kracht te ontvangen. Schoon is het leven, wanneer het blad verdort in de hitte van de zomer en de zon een wrede meester schijnt, die wolken verdrijft en zeeën doet verdrogen. Want in de trillende warmte ligt toch weer de belofte van zijn, van leven, de intensiteit van een wereld, die streeft. Schoon is de herfst, wanneer de vruchten ter aarde vallen, volbracht is de taak der natuur, die wordt tot een hooglied, een weelde voor mens en dier en een laatste vlam van kleuren. Want ziet, rijk beschenkt het leven de wereld, wanneer het voor een korte wijl afscheid neemt om heen te gaan en wederom te keren met groter intensiteit en in groter vreugde. Hoe schoon is het leven in de winter, wanneer uit hemelen als lood de witte kristallen vallen en de velden bedekken, totdat smetteloos en wit de wereld is als de ogen van een kind, dat pas geboren is. Hoe schoon is het leven, wanneer het water stolt op harde vlakten en de vreugdige kreet van de mens, die speelt, zich vermengt met de klagelijke kreet van de vogel, die zoekt naar voedsel.

Hoe schoon is het leven. Schoon als de dauw, het juweel voor een ogenblik uit de morgen geboren, vervliegend weer en gaande naar een onbekende einder. Hoe schoon is het leven. Het leven, dat op ons toesnelt om ons te ontvangen, om ons met zich te nemen en te dragen. Ver is de horizon, maar met het leven snellen wij daarop toe. Wij weten, daarachter ligt onze woning. Achter de einder ligt een slot, gebouwd uit kristallen gedachten, geworden tot een weelde zonder einde, door een liefdekracht van de Oneindigheid. Dit is het leven. Het leven, dat ons geschonken is. Want meer dan de bruid,” die Salomo eert, is het leven voor ons de kracht, die al betekent. We kunnen een ogenblik misschien nadenken over deze dingen en soms onszelf dwazen noemen, omdat we dat leven dan toch weer accepteren. Of misschien noemen wij onszelf wijs, omdat we verwerpen, wat we niet geheel begrijpen. Maar is het leven dan niet schoon? Heeft het niet ondanks alles zijn inhoud?

Ach, vrienden, waar is er een dichter, die woorden vindt om het leven te eren voor wat het is? Een lichtende zee, waarin de vreugden en de smarten tezamen smelten tot een lichtende weerkaatsing van de eeuwigheid. Waar is een wijsgeer, die doordringt tot achter alle waarden en dingen en ziet de Schepper Zelve als levend nu reeds in dit ogenblik, met en in ons allen? Daarom misschien vindt U het niet eens erg passend op deze bijeenkomst zou ik willen zeggen; Mens, aanvaard het leven. Aanvaard het met al zijn schoonheid, met al zijn vitale kracht, die je voortstuwt naar een einddoel, dat de vervulling betekent van alle dingen. Aarzel niet, trek je niet terug, probeer je niet te verbergen voor al, wat op je aanstormt, of het winst of verlies is, of het vreugde of leed betekent volgens menselijke waarden. Aanvaard het leven en erken in de aanvaarding de grootheid ervan. Misschien dat ge dan voor uzelf zult trachten een hooglied te zingen om het kostbare, dat u gegeven werd.

o-o-o-o-o

Wanneer je je zo bezig hebt gehouden met al die hoog esoterische dingen want dat zijn ze wel zo’n beetje dan weet ik nu niet hoe het u vergaat, maar dan hunkert mijn nog zeer menselijk hart naar een klein beetje houvast, naar een paar meer praktische regels. En nu moet u niet bang zijn, dat ik ga proberen de sfeer te breken en de zaak weer tot het alledaagse terug te brengen. Maar per slot van rekening is er wel eens behoefte om de zaak nuchter te stellen: het is mooi om een hooglied aan het leven te zingen, maar hoeveel mensen kunnen dit de hele tijd? Het is erg mooi om te spreken over de geheimen, waardoor we zelfs de krachten uit het duister tot het licht kunnen brengen, maar hoevelen van ons bezitten het geloof om dat zo eens even te doen? Per slot van rekening is het aardig om te weten waar je naar toe gaat, maar het lijkt me nog beter om te weten, hoe je de eerste schrede moet zetten. En daarom heb ik dan geprobeerd om kort zo’n paar punten bij elkaar te halen, die u misschien bij de eerste of verdere schreden op dit pad van dienst kunnen zijn.

In de eerste plaats natuurlijk het geloof. En de raadgevingen daarvoor zijn al heel eenvoudig. Begin met het woord “onmogelijk” uit je vocabulaire te schrappen. Niets is onmogelijk. Begin met voor jezelf vast te stellen, dat alles wat je ook maar denkt of verlangt, werkelijkheid kan worden. En richt daarom je gedachten hoofdzakelijk op datgene, wat je begeerlijk lijkt en probeer vooral elke duistere gedachte te weren. Want een mens, die denkt aan somberheid en aan leed, wekt in zichzelf een affiniteit voor alle leed en alle somberheid op. Dus gooi het pessimisme overboord. Je mag nuchter blijven, daar is helemaal geen bezwaar tegen, maar denk nooit het slechtste. Zoek nooit het beeld van: Als het nu zo verdergaat, dan wordt het helemaal onuitstaanbaar. Dat is geen geloof, het is alleen maar een toegeven aan hetgeen je van binnen denkt, zonder z.g. verstandig na te denken.

Dan is er nog zo iets. Elke mens heeft op zijn tijd zijn tegenslag, zijn sombere en donkere dagen. Probeer steeds jezelf voor te houden, dat dit ook zijn nut heeft, zelfs al begrijp je het niet. Het moet een doel hebben. Niets is doolloos. Dat helpt je ook weer een stap naar het geloof toe. En voor de rest: Wees niet bang om te geloven in dingen, die zo dwaas en onmogelijk lijken. Niet omdat je nu juist de dwaasheid moet geloven. Natuurlijk niet. Maar omdat hetgeen je wilt geloven voor jou vaak een richtlijn is van hetgeen werkelijk in je bestaat en in je leven bestaat. Je verlangt niet een bepaald iets te geloven, omdat het nu toevallig zo aardig of zo dwaas is, maar je wilt ergens in geloven, omdat je er behoefte aan hebt dit als werkelijkheid te zien.

Gebruik als begin van alle zoeken naar een goed geloof, naar een volmaakt geloof, eerst eens een vertrouwen in al die dingen, die in je leven: die gedachten, die wensen, die hoop op geluk, op ontwikkeling, enz.. Gebruik die nu eens als een basis, als een kern. Je zult merken, dat je vertrouwen in de wereld heel wat groter wordt. En dat is erg belangrijk. En wanneer het je nu eens heel beroerd gaat, laat je dan niet te veel afschrikken door het feit, dat je er zelf niet tegenop schijnt te kunnen.

Stel je nu eens één ding voor. Het leven staat nooit stil. Om met een collega van mij te spreken: In het leven zit je eigenlijk op de wip. Je gaat met een smak naar beneden, maar je gaat met eenzelfde smak weer omhoog. Als je het nu boven prettig vindt, houd er dan rekening mee, dat je er dadelijk weer komt en probeer nu reeds, terwijl alles naar beneden gaat, je te prepareren op hetgeen je zult doen, als het je wel goed gaat. Een leven te waarderen in al zijn volheid is moeilijk genoeg, maar het is onmogelijk op het ogenblik, dat je van te voren de nadruk gaat leggen op alles wat slecht en somber is. Dus…..deze punten zijn voor een appreciëren van het leven wel zeer van belang. Wanneer het slecht gaat, denk eraan, dat het altijd weer beter wordt. Wanneer het tegenvalt, vraag je af, waar je zelf gefaald hebt en vraag je af, hoe je het toch nog aan je verwachtingen tegemoet kunt doen komen. Wanneer je zelf geen kracht hebt, zeg dan niet, dat iets onmogelijk is, maar zeg, dat een ander je zal helpen om het te volbrengen.

Wanneer je meent, dat iets lelijk is, zeg dan tegen jezelf, dat het voor een ander schoonheid kan zijn en zoek rustig verder naar wat je zelf mooi vindt, zonder te veroordelen. Lijkt iets je dwaasheid, zeg tot jezelf, dat het voor een ander wijsheid kan zijn en probeer voor jezelf een wijsheid te vinden, die overeenkomt met de waardering, die de ander voor de dwaasheid heeft. Zoek in jezelf steeds alles te vinden, wat je ergens anders begeert. Zoek in jezelf naar de mogelijkheden om daarvoor de uitdrukking te vinden. Dan kom je ergens terecht, want dan wordt je leven vol. En als je leven een doel heeft, een reden heeft, dan behoef je heus niet zo’n gezellige, altijd tevreden sul te worden. Dan mag je heus nog wel eens op je achterpoten staan en steigeren, dat hindert niet maar dan heeft dat leven betekenis. Dan krijg je wat meer vreugde, wat meer aardigheid erin. Dan gaat die neerslachtigheid, dat “Nou ja, ik kan er toch niets aan doen,” er langzaam uit. En dan weet je, wat de schoonheid, de fraaiheid van het leven is.

En dan nog iets. Ze zeggen wel, dat niets onmogelijk is, maar voor jezelf ben er ervan overtuigd, dat een heleboel dingen onmogelijk zijn. Wanneer je nu werkelijk overtuigd bent, dat iets onmogelijk is, zoek dan liever naar iets, wat je wel als mogelijk ziet. Probeer dan het mogelijke te verwerkelijken, dan kun je er later nog eens over praten, of die onmogelijkheid misschien ook mogelijk gemaakt kan worden. Maar klamp je niet vast aan iets, wat niet kan. Zoek naar iets, wat wel gaat. En wanneer je overtuigd bent, dat iets mogelijk is en je verlangt het werkelijk, je zegt: “Dat is voor mij een deel van mijn leven, dat moet ik bereiken,” ga er dan op af. Het leven is geen postbode, die alles wat je begeert zo maar thuisbrengt in een aangetekend schrijven. Het leven is eerder een grote winkel, waarin alles te koop is, wanneer je de prijs wilt betalen. Het is een zelfbedieningszaak, je moet er zelf achteraan gaan. Niets is werkelijk onmogelijk. Maar wat je onmogelijk lijkt, laat dat liggen. Zoek alles wat je aan mogelijkheden ziet, die belangrijk zijn in het leven voor jezelf te verwerkelijken. Zeg niet: “Wat moet ik nu beginnen? Daar bovenaan zit de hele wereld met licht en ik heb geen straaltje.” Zeg voor jezelf: “Wanneer bij mij de zon niet schijnt, dan steek ik wel een lamp aan, Maar licht zal ik hebben, want ik wil het hebben.” En dan krijg je het. Zeg niet tegen jezelf: “O, als de vrienden uit de geest mij nu maar helpen om dit of dat te doen, want ik kan het zelf niet.””Onzin. Wat de vrienden uit de geest kunnen, kun je zelf ook leren doen. Zeg tegen jezelf: “Ik vind het prettig, als ze me helpen; en helpen ze me niet, dan vind ik er zelf wel een weg op. Want ik ben net zo goed verwant met God als zij. En per slot van rekening, als de relaties tot de Baas gelijk zijn, waarom zullen zij dan meer doen dan ik?”

Dus, vrienden, dat was kort en krachtig eventjes een kleine vingerwijzing. Denk maar rustig na over al het hogere en het esoterische, maar als je nog niet lopen kunt, moet je zeker niet proberen met een raket naar de maan te gaan. Zo is het nu maar precies. Wanneer je nog niet eens in staat bent in je eigen leven licht en vreugde tot een werkelijkheid te maken, hoef je je er voorlopig nog niet mee bezit te houden hoe het is, wanneer alle wereld licht en vreugde is. Begin maar bij jezelf.