Een deel van Jezus leer en leven nader te beschouwen en te begrijpen

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 36

14 oktober 1956

Er zijn natuurlijk vele punten, die normalerwijze niet of praktisch niet belicht worden. En dat is begrijpelijk. Want elke leer bestaat niet slechts uit de werkelijke leer, zoals die eens werd gegeven, maar ook uit de interpretatie, die de leraar zelve aan de oude materie geeft. En dat betekent, dat Jezus’ leer reeds door zijn eerste leerlingen binnen een keurslijf werd gewrongen. Hierdoor is weinig overgebleven van zijn opvatting o.a. omtrent vrijheid. Ik zal trachten U juist dit op het ogenblik nader toe te lichten.

Jezus gehoorzaamt in het leven betrekkelijk veel. Wij weten, dat hij op 12-jarige leeftijd in de tempel onmiddellijk zijn moeder gehoorzaamt, wanneer zij hem verwijten maakt en slechts de reden van zijn uitblijven nader belicht. Jezus onderwerpt zich aan de spot van verschillende Farizeeërs. Hij onderwerpt zich aan kerkelijke wetten. Hij onderwerpt zich ook aan het Romeins keizerlijk gezag.

Daarom doet het ons eigenaardig aan, wanneer wij horen, dat Jezus zo vrij was en slechts het werk zijns Vaders deed. Er schijnt hier een, zekere tweestrijdigheid in de verhalen geslopen te zijn. O, zeer onopvallend. De meesten zien of begrijpen dat niet eens. Maar toch een zekere tweestrijdigheid. Deze tweestrijdigheid nu kunnen wij alleen oplossen door weer na te gaan, hoe Jezus zelve hierover dacht. Wat eigenlijk de stimulans is geweest voor hem om te gehoorzamen, waar hij zich zeer zeker krachtens populariteit, vermogen, had kunnen verzetten tegen zeer veel, dat uitdrukkelijk in strijd was met zijn eigen opvattingen omtrent het leven en datgene, wat hij zag als voor hem en zijn leerlingen het meest aanvaardbaar. Daarvoor moeten wij weer teruggaan naar een periode vóór Jezus’ openbaar leven.

Op ongeveer 20-jarige leeftijd zal Jezus in een discussie met een monnik, een monnik van een ander geloof dan het joodse, spreken over de vrijheid. En hij zegt als volgt: “Vrij zijn omdat ge alles verworven hebt, is als leven omdat ge niet sterven kunt. Vrij zijn omdat ge alles aanvaardt, is evenzeer een dwaasheid. Want ge hebt geen eigen bewustzijn en wil meer. En daarom zeg ik: De gedachte aan vrijheid als een verwerpen van alle dingen zonder uitzondering, is dwaas. Maar indien ik vrij ben, zo ben ik vrij; omdat ik weet, dat één kracht mij regeert, de wil des Vaders. En deze aanvaard ik. Zolang zij niet in strijd is met de wereld, zal ik deze wereld aanvaarden of verwerpen, zoals mijn eigen wezen mij zegt te doen, zoals mijn hart mij ingeeft.”

Bedenk wel, dit is vóór het openbaar leven. En in deze regelen zien wij Jezus’ hele gedrag al weer geschetst. Wij zien hier een kernstuk van zijn leer geboren worden. Want kunnen wij vrij zijn tegen de wil des Vaders? Neen. Dus de goddelijke Kracht moeten wij aanvaarden. Het onontkomelijke moeten wij aanvaarden. En in deze aanvaarding moeten wij dus de goddelijke wil boven de onze erkennen. Wij kunnen ons daaraan niet onttrekken.

Maar er zijn andere punten, waarover wij nader zouden moeten nadenken. Want hier kunnen wij “ja” en “neen” zeggen. En ons eigen wezen met al zijn vrijheden is dus hier de beslissende factor. Hebben wij nu “ja” te roepen, omdat wij niet zeker weten, of “neen” verkeerd zou zijn? Dan, hebben wij geen maatstaf. Daarom brengt Jezus het naar voren in de zin van “Wat mijn eigen wezen verwerpt en niet is tegen de wil des Vaders, mag ik verwerpen. Maar ik mag ook alles aanvaarden, zolang het niet strijdig is tegen mijn innerlijk bewustzijn.”

Dit betekent een veel groter vrijheid dan men later binnen de eerste Christengemeenschappen heeft willen aanvaarden. Het verschil komt dan ook duidelijk uit, indien wij naast deze eerste stelling die zetten van een kerkvader, die zegt; “Er is slechts een wil, de wil des Vaders. En slechts door mijn eigen wil te verliezen kan ik de wil van de Vader vervullen.”  Er is iets niet in orde. Wanneer we nagaan, op welke grondslagen deze kerkvaderlijke stelling is gebaseerd, dan blijkt ons, dat hier o.a. “Gij zult alles verlaten en mij volgen” gebruikt is als eerste stelregel. “Gehoorzaamheid.” zegt hij, “is de grootste deugd.”

Dwaasheid. Dwaasheid in de ogen van Jezus. Want later, wanneer hij o.a. enkele malen gelogeerd heeft bij uitgeworpenen als een tollenaar (dat is ongeveer in dat Joodse land hetzelfde, als wanneer U in de laatste dagen van de oorlog bij een grote N.S.B-er zoudt zijn gaan logeren of iets dergelijks), dan moet Jezus hier toch rechtvaardigen, waarom hij dat doet. En dan vraagt een van zijn leerlingen, die het daar niet erg mee eens is: “Heer, is het dan de wil des Vaders, dat wij bij déze inkeren?” Met. andere woorden God kan toch niet willen, dat wij met deze verraders, deze landverraders (om het te zeggen in termen van Uw tijd); deze verachtelijke individuen, dat wij daarmee verkeren?”

En dan is het opvallende, dat Jezus daar een antwoord op geeft, dat niet vermeld staat in een der Evangeliën. Het wordt flauw aangehaald in het Evangelie van Thomas, dat niet bekend is – althans niet algemeen bekend – en evenzeer omschreven in Jezus’ leven, zoals dat door Philippus Sicanus is geschreven in het jaar 200.

Zijn antwoord is: “Gij zegt “bij deze inkeren.” Zal ik dan niet daar inkeren, waar mijn hart mij zegt te gaan? Of meent gij, dat goed en kwaad wordt bepaald door de heer, die men dient? Ik zeg U: beter zijn zij, die de demonen dienen uit heel hun hart dan de huichelaars, die opgaan met gebedskwasten aan hun kleed en roepen “Here, Here,” doch slechts hun eigen grootheid aanschouwen.”

Jezus bedoelt hier weer; Wij moeten vrij zijn van het vooroordeel t.o.v. de mensen. Hij verdedigt overigens later op zeer treffende wijze nogmaals zijn besluit, om zelfs in zijn gevolg lieden op te nemen, die volgens de Joodse gemeenschap helemaal niet deugen.

Indien de Vader mij niet zegt: “Gij zult verwerpen,” hoe zult gij mij dan zeggen “verwerp”? Want de wil des Vaders is mijn wil, waar ik de Vader heb aanvaard. Doch Uw wil is mij als wind. Ik kan mij daarnaar richten, doch mijn wezen gaat, waar het voelt voor de Vader en de mens het grootste heil te scheppen.”

Deze dingen heeft men altijd een klein beetje achteraf gehouden. Dat is begrijpelijk. Een Christelijke maatschappij zou er moeite mee hebben zich voor te stellen, dat Jezus eerder zou kunnen inkeren bij de een of andere heiden dan bij een christen. Daarom praat men over die dingen liever niet. Men wil hoogstens vanuit het christendom goedertieren tot de heiden gaan. Maar men wil niet aanvaarden, dat Jezus lang vóór het christendom reeds de heiden tot zich kan komen en hem genezen, zijn krachten geven, kortom, al wat het christendom eigenlijk van Jezus zou begeren. De reden voor het christendom valt hiermee een beetje weg. Want Jezus’ leven blijkt nu plotseling helemaal niet meer gebaseerd te zijn op de bovenmenselijke goddelijke wil alleen, maar ook op de wil van Jezus, binnen Gods wens.

Dit leidt later, in het laatste jaar van Jezus’ leven, tot een discussie, waarbij o.a. de Cyrener Anthonie, een halfbloed, zich tot Jezus wendt uit de bitterheid van het verworpen zijn door het volk waarschijnlijk. Hij vraagt: “Heer, gij zegt ons vrij te zijn. Maar hoe kan ik vrij zijn, wanneer mijn moeders volk zegt; “Gij zijt verachtelijk” en mijn vaders volk: “Wij kunnen U niet aanvaarden.”

“De vrijheid, die gij bezit, is dan Uw eigen volk te zijn,” zegt Jezus. Hij bedoelt: Laat je niet beïnvloeden door wat ze aan de ene kant of aan de andere kant zeggen. Ga je eigen weg. Maar ja, daar kan deze man, de als Cyrener geborene, het niet mee eens zijn. “Maar Heer,” zegt hij, “hoe zal ik dan eenzaam zijn heel mijn leven.”

“Indien gij de eenzaamheid wenst,” zegt Jezus, “zo wordt ze U gegeven. Maar zelfs dan zult ge moeten strijden om eenzaam te zijn slechts met God. Doch indien gij wenst op te gaan in de wereld, zo weet, dat de wereld twee dingen acht meer dan geld en meer dan macht. Zij acht in de eerste plaats een weten, dat hoger gaat dan haar weten, en daardoor gaat over ruimte en tijd. En een kracht, die de dood verdrijft, waar zij zelf aan de dood onderworpen is. En ziet, deze kracht wordt U gegeven uit de Vader, zelfs in Uw eenzaamheid. Indien gij gelooft in Hem en Zijn wil volbrengt vóór de Uwe.”

Deze discussie brengt uit de aard der zaak enige moeilijkheden met zich mee. Wel is de persoon in kwestie hier getroost, maar de leerlingen zijn in opstand. En niet tegen Jezus, maar dit kunnen ze niet begrijpen. Ze zeggen: “Ja, Heer, indien de Vader ons al de macht geeft om te genezen, zullen wij dan niet genezen naar Zijn wil?”

En dan is er ineens Jezus’ opmerking, scherp, ik zou haast zeggen: bijna op het hatelijke af. “Zo gij de wil des Vaders kent, zult gij niet handelen tegen Zijn wil. Maar hoe weet het gras, waarheen de wolken drijven? Hoe weet het oog, vanwaar de bliksem stamt? Voorwaar ik zeg U; Zij, die zich beroepen op de wil des Vaders, kennen de wil des Vaders niet. Slechts zij, die één zijn met Hem, vervullen Zijn wil zonder deze te kennen, maar met leven en zijn deze vervullende, aanvaardend, wat Hij oplegt, ommentwille van Zijn kracht en heerlijkheid.”

Aarzelend komt dan de vraag: “Maar gij, Meester, kent toch de wil des Vaders?” Dan zegt Jezus iets heel eigenaardigs. Hij zegt: “Ik bén de wil des Vaders.”

Ongetwijfeld zullen velen aan de betekenis van dit “ik ben” voorbijgaan. Maar als we dit aanvullen, dan betekent die zin eigenlijk: Ik ben een product van de wil des Vaders. De wil des Vaders wordt door mij geuit. Ik behoef deze niet te kennen, omdat mijn wezen zelve deel is van de goddelijke wil. Ik behoef slechts te aanvaarden, indien ik zelve in mijn leven geen besluiten kan nemen.

In een scherp.verwijt zal hij wat later Andreas wijzen op de noodzaak om een onderscheid te maken tussen de goddelijke wil en de eigen wil. Andreas zegt: “Heer, zo ik Uw wil volbreng, volbreng ik de wil des Vaders.” Dan wordt Jezus even bijna scherp. “Gij, die met mij gaat, volbrengt gij niet Uw eigen wil? Want ik heb U niet gezegd “Kom en blijf, want dit is slechts Uw leven.” Ik heb U gevraagd: “Volg mij.” Niet mijn wil is het, die U hier drijft, doch Uw eigen wil. Gij zijt het, die de schreden telt langs de paden, niet ik. En wanneer gij in vermoeidheid neerzit en zegt: “De Meester is ver gegaan,” “Zo bedenk, dat niemand U heeft gebonden.” (Dit “binden” vraagt een nadere verklaring: gebonden was iemand, die door schuld tijdelijk als slaaf diende bij een van zijn ras en soortgenoten daar.) Er is geen band van dienstbaarheid tussen mij en tussen U.”

Dat wordt daar even eigenlijk zo scherp gezegd, dat ze er van schrikken. En dan gaat Jezus verder. “En zo zeg ik U, gebonden ben ik niet aan de Vader, doch gehouden in Hem ben ik wel.” (Gods wil bepaalt niet, wat ik wil. Maar ik leef door Zijn leven. Dat is de vertaling.) “En zo ik in Zijn wil mijn wil erken, ga ik Zijn weg.”

Ik moet eerst in het Goddelijke de waarheid erkennen. De waarheid, die ik zelf dus ook verlang en begeer om Gods wil te kunnen volbrengen. Ik moet de noodzaak er van begrijpen.

Dit laatste is overigens in debat geweest, o.a. kort voor het Concilie te Nicea. En daar werd een tegenargument gebruikt. “Maar toen Jezus in de Hof der Olijven was, bad hij toen niet: “Vader, indien het Uw wil is, dat deze kelk mij voorbij ga”? Was Jezus dan nog wel vrij?” En het antwoord is eigenaardig genoeg “ja”, en niet “neen”.

“Neen,” zoals men daar heeft gezegd, verdedigende, dat Jezus – een menselijke persoonlijkheid zijnde – (een klank, die men tegenwoordig in het christendom weinig meer hoort) het voertuig en werktuig was van de goddelijke wil en niet in staat was zelf te besluiten.

De juiste uitlegging hiervan was deze. Opvallend, het werd gegeven door een zekere Ambrosius, die leraarde in het Noorden van Afrika. “Jezus had een verlangen: een nieuw verbond te brengen, waar het Oude Verbond de mens teloor dreigde te gaan. En dit was hem dus zijn eerste wens en wil. Doch in het volbrengen van deze eigen wil van zijn wezen, dit uit hem geboren willen, stond hij voor de keuze; ofwel zijn taak op te geven, ofwel een ondergang te aanvaarden en zijn taak te volbrengen. Er was niemand, die hem dwong de ene of de andere weg te kiezen. Zo was hij vrij. Maar het was Gods wil, dat – zo Jezus de mensheid zou verlossen – hij ook zou lijden en sterven. En Jezus’ gebed “dat deze beker mij voorbijga” is niets anders dan een vraag aan God; “Is dit dan de enige weg, die Gij mij laat om mijn eigen willen te volbrengen?” Ik geloof, dat het duidelijk begint te worden. Het beeld der vrijheid is niet een beeld van absoluut regeren, maar ook niet van absolute onderwerping. De vrijheid van Jezus is: een doel stellen. De gebondenheid van Jezus is: dit gestelde doel slechts te kunnen bereiken op de wijze, die God toestaat.

En nu wordt ons waarschijnlijk zeer duidelijk, wat Jezus eens zegde, toen hij sprak met Anna, de vrouw van Simeon. Zij zegde  n.l. tot hem: “Wanneer je spreekt, dan hoor ik een stem der wijsheid, maar ik zie de rebellie in je ogen. Zeg mij, verlaat je de God onzer vaderen?”

Het is begrijpelijk, ze was een tante van hem. Ze was bezorgd voor Jezus. En dan Jezus’ antwoord: “Kan ik de Vader verloochenen, Die mijn leven is? Doch de leer der mensen, de krachten, die op deze wereld bestaan, ze zijn onderdanig aan mijn wil. Ik zeg U: indien ik ga, dan ga ik uit mijn wil. Indien ik mij onderwerp, is dit mijn wil. En buiten mijn wil bestaat er mij niets in deze wereld behalve de wil van de Schepper.”

Jezus is niet iemand, die wetten breekt, iemand, die zich tegen regels verzet zonder reden. Maar het is opvallend, hoezeer deze woorden door heel zijn leven bevestigd worden. Hij aanvaardt de tempel en het priesterdom, hij offert en hij volbrengt alle riten, die behoren bij het orthodoxe Jodendom. Maar wanneer zijn eigen inzichten in strijd komen met die van de tempel, dan klaagt hij de priesters en Farizeeërs aan; dan jaagt hij de wisselaars de tempel uit met een zweep. Jezus erkent het recht van de Romeinse vorst. Maar wanneer men tracht hem geweld aan te doen, opdat hij zichzelf verloochenen zal, dan laat hij zich liever doden dan het woord te spreken, wat een in zijn hart niet ongenadig landvoogd van hem verlangt. Jezus onderwerpt zich aan alle wetten der beleefdheid, aan alle gebruiken. Maar wanneer de sabbat komt en hij wil gaan, dan gaat hij. Hij vraagt niet, waar hij zijn vrienden zal kiezen. En hij vraagt niet, waar hij zijn zegen geeft. De overspelige vrouw is hem dierbaarder dan de priesterlijke leraar, die klaar staat om haar te stenigen. De tollenaar is hem liever dan de gerechtvaardigde nationalist, die in zijn verzet tegen het Romeins bestuur een groot gedeelte van zijn zelfzucht verbergt.

Jezus is niet vóór of tegen de dingen, hij is zichzelf. En dit is zijn grote vrijheid. De vrijheid, die hij nemen kan, omdat hij slechts voor zichzelf twee punten erkent als werkelijk waardevol: de Vader en zijn eigen wil. Eerst komt de Vader, want tegen God kan men zich niet verzetten. Maar dan komt hijzelf en hij acht zijn wil waar hij streeft ten goede belangrijker dan al wat men denkt, al wat men zegt op de wereld, alle reglementen, die men op die wereld geschapen heeft,

Wat dat betreft is het misschien aardig er aan te herinneren, dat ook Plinius reeds heeft gezegd: “Wie de wet acht, is wijs; doch wie de wet gehoorzaamt zonder denken, is dwaas. Want slechts indien de wet wijs is, zal zij de wijze van betekenis zijn.” Jezus zou ditzelfde gezegd kunnen hebben, al deed hij dit dan ook niet met zovele woorden.

Vrijheid, mijne vrienden, is de kern van het christendom. Niemand beslist voor U, wat de wil des Vaders is. Maar indien ge Zijn wil aanvaardt, zult ge Zijn leven moeten leven. En niemand zal voor U bepalen, wat goed is of kwaad, wat recht is of onrecht, behalve de stem des Vaders in Uw eigen hart. En niets zal bepalen, waarheen ge gaat, behalve de wil, die U drijft tot een doel, dat ge Uzelf hebt gesteld.

Maar een voorwaarde is hieraan verbonden: Wie zo vrij wil zijn, mag niets eisen van de wereld. Hij moet in staat zijn heel de wereld te verloochenen met al haar aspecten ommentwille van het doel, dat hij zich gesteld heeft. Eerst dan is men werkelijk vrij.

Zoals Jezus zegde tot de jongeling: “Indien gij Uw goederen niet aan de armen geeft, zo zal het niet mijn stem zijn, die U leidt, doch zal Uw goed tot U roepen, zodat ge mijn stem niet meer verstaat.” Zo gaat het ons, wanneer wij bezit hoger achten dan het doel, dat wij ons stellen. Wanneer menselijk opzicht en dergelijke er tussen komen, dan zijn we niet meer in staat om iets te bereiken, want dan spreken de tijdelijke dingen sterker dan het eeuwige. En dat is dan onze ondergang. Dat is het einde van onze vrijheid. Dat is de ware slavernij, waarmee in het leven allen gebonden zijn, die spreken over de beperking van vrije wil.

Jezus heeft het ons getoond. Indien men één punt neemt en alles offeren wil om dit te bereiken, zal men bereiken. Slechts Gods wil kan ons hier tegenhouden. Doch wie zich wendt tot de wereld en de wereld vraagt zijn streven te bevestigen, is slaaf van de wereld en kan niet gaan, waar zijn eigen wil hem eigenlijk zou willen voeren.

Dit, vrienden, is een kleine les, die wij ook uit het christendom kunnen trekken; maar vooral – buiten het christendom om – nog uit het leven van Jezus. Ik hoop, dat deze les U voldoende is.

0-0-0-0-0-0

WIJ, DIE ONZE WEG WILLEN GAAN

Het klinkt zo licht te zeggen: wij willen onze weg gaan. Maar wat is onze weg? Het is zo eenvoudig om te spreken over de noodzaak de weg te gaan des levens, die ons wordt getoond. Maar wie toont ons die weg? Wie vangt ons hier eigenlijk in een net van verschillende omstandigheden?

Onze weg willen gaan, ja, maar dan moeten wij weten: Wat is de weg? Kan er een weg geboren worden buiten ons? Of mogen wij met de dichter spreken, die zegt:

“In mij is levend goddelijk licht, dat mij bepaalt het pad, dat ik kan gaan en mijne schreden richt.”

In ons leeft God. Wij erkennen dat niet altijd. En vaak ontgaat ons Zijn werkelijk bestaan, Zijn werkelijk streven, in de waanvoorstellingen, die wij onszelf gebouwd hebben. Maar God leeft toch wel in ons. Het is Zijn kracht, die onze ziel, maar ook onze geest en onze stof vormt. God en niemand anders. Is het dan niet begrijpelijk, dat onze enige weg, de enige weg, die wij kunnen gaan, de weg is die ons tot God voert in onszelf? Wanneer wij onze weg willen gaan, dan gaan wij een weg tot onszelf, doorbrekend de grenzen van onze eigen uiterlijke voorstelling en dringen door de poorten van de geheimen van het hart in de kern van het eigen wezen. En daar vinden we God en daar vinden we een oplossing voor alle dingen.

Men heeft het neergeschreven in schone regelen: “Wie gaat langs de weg des levens en streeft naar ervaren, wie leeft, keert uiteindelijk in tot zichzelf, tot de kracht, die het leven hem geeft. Hij leert, dat het uiterlijk streven slechts deel is van spel en van waan. Maar dat hij tot zijn wordt gedreven door de kern van zijn eigen bestaan.

Wij kunnen niet anders. Wij willen onze weg gaan en wij tekenen ze af in de wereld. En wij spreken over rechtvaardigheid, over goedheid. Wij binden onze voorstellingen aan die van onze wereld of sfeer. Maar komen wij daar verder mee? Och, we komen daar alleen maar verder mee, wanneer wij ons eigen innerlijk bestaan daarin uitdrukken. Wanneer wij ons eigen persoonlijk innerlijk leven, de weg, die in ons is, op die manier kenbaar maken voor onszelf.

Het is als dat van de blinde, die (in een bepaald gedicht) alleen in een kamer zit. Dan zegt hij;

“Ik spreek en ik weet niet, wie het hoort. Of het ledig is rond mij en alles is waan, of dat rond mij engelen en mensen in grote getale nog staan. Maar het woord, dat ik spreek, weerklinkt, als een klank en klinkt weer mijzelf in ‘t oor. En zo vind ik voor elk woord,, dat ik spreek, ten allen tijde gehoor.”

Zo is het bij ons ook. Wij weten niet, wat onze daden in de wereld betekenen. O, misschien zeggen ze “het is goed” of “het is slecht.” Maar wanneer ze uit ons geboren worden, wanneer wij onze eigen weg willen gaan, zoals wij voelen ze te moeten gaan, dan is er altijd gehoor volgens de daad. Dan gaat er niets verloren, ook wanneer de wereld je uitlacht.

Wanneer de wereld je verwenst en uitwerpt, wanneer je het hebt gedaan ten goede, dan is deze kracht niet ongehoord verdwenen in de ruimte. Dan is het niet alleen maar hoon geworden, het goede van je eigen leven, de kracht, waarmee je hebt gezocht jezelf te zijn zo goed als je kon; zelf deel te zijn van de wereld zo goed en zo juist, als dat maar mogelijk was. Dat klinkt terug tot je eigen wezen. Dat sluipt door je begripsvermogen en je hersenen heen. Ver, ver weg, tot “de paden van de geest. Totdat ze eindelijk in het licht van de ziel haar werkelijk bewustzijn vindt..

Begrijpt ge, als we onze weg willen gaan, dan moeten we die weg kiezen onafhankelijk van wat de wereld zegt. Onafhankelijk van iedereen en alles, wanneer we zelf maar weten dat het goed is. En dan moeten we ons niet afvragen: “Heeft het nu wel zin, want niemand heeft er iets aan, of niemand hoort het of niemand ziet het.” Dan moeten we die weg gaan, wetend, dat in alle stilte en in alle eenzaamheid nooit een daad teloor gaat, een gedachte verklinkt, een woord onbegrepen verhaalt.

Onze weg willen gaan wil zeggen: Sterk zijn in onszelf. Dat wil zeggen: Durven opgaan tot waarden, die schijnbaar torenend hoog boven ons liggen, indien wij maar schrede na schrede kunnen voortgaan. En de wereld? Die maakt dan niets uit. Want elke glimp van goddelijk licht, die we voor een ogenblikje in ons wezen, in onze ziel dragen, mijne vrienden, dat is eeuwigheid, die in ons herboren wordt. En die is meer waar en belangrijker dan de hele wereld en alle sferen.

O, ik zou het zo in een paar woorden kunnen uitdrukken;

Wij, die onze weg willen gaan, wij weten nog niet van de wegen en dwalen door sloppen van ‘t aardse bestaan en door de geestelijke stegen en vinden nog niet de ruime baan voor het licht geschapen.

Wij kennen nog niet het ware zijn, waarin eigen wil wordt tot wapen, dat alles maakt zo nietig en klein, en ons voert tot het licht van ‘t bestaan, opdat wij in God erkennen onszelf en in God eind’lijk op kunnen gaan.

Wij leven en streven en gaan onze weg en worden zo vaak nog gedreven door de kracht van het licht, die wij zelf niet verstaan, en noemen dat: Noodlot van ‘t leven. Maar eens dan verbreekt ons begrip ons de waan en zien wij het doel van ons streven. Dan zullen wij zeggen: Wat ben ik verheugd, dat ik steeds toch mijzelf ben gebleven, en dat ik mijn weg ben gegaan.

Daar komt het op aan. Niet wat het op het ogenblik lijkt. Wanneer wij onze weg gaan, dan gaat het om het einddoel. En het einddoel is dichterbij, dan je je durft voorstellen. Wij kunnen bewust komen tot God. Wij kunnen alles in ons leven leren zien als deel van Zijn kracht. En dan hebben we pas de werkelijke zin gevonden.

Maar tot het zover is, moeten we ons laten leiden door dat vreemde, dat onbestemde, dat niet redelijk aanvaardbaar of verklaarbaar is vaak. Maar dat ons zegt: “Dit is je weg.” Die weg moeten we gaan ten koste van alles, opdat we de vrijheid vinden van ons eigen leven, van ons eigen bestaan en ons eigen wezen in sfeer of wereld.

Want hebben we dat gevonden, dan is eigenlijk het einde van de weg, die we gaan, gelijk de grote Vrijheid van het opgaan in God. De blijheid, die men noemt “het Koninkrijk der Hemelen” de eeuwigheid Gods, of het Nirwana. Maar die in werkelijkheid is de ontplooiing van ons leven uit alle beperkende gedachten tot het ware deel van het goddelijk licht, dat wij in God ook steeds zijn geweest en wat wij dan voor onszelf kunnen zijn.

Vrienden, daarmee heb ik dan gemediteerd hierover. Misschien niet erg vol bezinning, misschien met wat te veel enthousiasme. Maar als wij onze weg willen gaan in het leven, dan kunnen wij dat niet vol bezinning doen. Dan moet dat enthousiast gebeuren met inzet van je hele persoonlijkheid. Dan heeft het zin. En dan komen ze tot het doel.