Een gedeelte van Jezus leven, dat niet bekend is

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 53

17 februari 1957.

Wij hebben ditmaal ook weer een gastspreker voor U en wij hopen, dat de omstandigheden het toelaten deze spreker persoonlijk door te laten komen. U zult begrijpen, dat dit mede enigszins van sfeer en omstandigheden afhankelijk is. In voorbereiding dan op hetgeen hij U eventueel kan zeggen, zou ik met U willen spreken over een gedeelte van Jezus leven, dat niet bekend is

Er is n.l. een tijd geweest, dat Jezus in aanraking kwam met enkele monniken, die men op het ogenblik waarschijnlijk boeddhistische monniken zou noemen. Zij waren van Brahmaanse afstamming en zij hebben met Jezus betrekkelijk lang gepraat over de weg tot de bevrijding. Het is dan ook opvallend, dat ook Jezus spreekt over de weg en de waarheid, zoals ook de boeddhist spreekt over de weg of het pad. Begrijpelijkerwijze kan ik U niet precies alle omstandigheden gaan mededelen. Dat zou een verhaal worden, dat uren vergt en in bijkomstigheden misschien het belangrijke verloren zou doen gaan.

Jezus is in deze tijd en dat mag men hierbij niet vergeten in de weergegeven samenspraken nog niet de leraar. Hij is eerder de onderzoeker en leeft dus het leven van een normaal mens. Ook zijn hele gedrag is minder lerarend. En in sommige fragmenten zult U bemerken, dat hij vooral naar lering zoekt. Begrijpelijk, want de mens Jezus bereidt zich voor op zijn taak.

De Brahmanen erkennen in Jezus wel degelijk een bijzonder mens, een bijzonder wezen. Geschoold in occulte wijsheid begrijpen zij, dat zij hier te maken hebben met iemand, die veel en veel meer is dan het eenvoudig en wat schuchter uiterlijk doet vermoeden. Vandaar dat hun begroeting de moeite van het herhalen waard is. “Gegroet, gij kracht der eeuwigen.”

Jezus reageert hierop heel eigenaardig. Hij zegt: “Niet eeuwig ben ik” met andere woorden vergis je niet in mij. Ik ben niet zo groot en hoog als jullie in je begroeting wilt laten uitkomen. En dat zal waarschijnlijk wel het verzet gewekt hebben bij één van deze priesters, deze Brahmanen, waar hij natuurlijk niet gewend is, dat men hem tegenspreekt. Zo merkt hij op:

“Vreemdeling, hoe verwerpt gij de kracht van de Eeuwige in U.” Het antwoord is nuchter en niet zonder een zekere bonhomie. “Indien wij ons zouden beroepen op de kracht van de Eeuwige in ons, hoe zouden wij onszelf loven en prijzen. Maar schouwen wij naar de kracht van de Eeuwige of schouwen wij naar onszelf en onze wereld? Zo we dit laatste doen, laat ons nederig zijn.”

Wanneer Jezus niet zo buitengewoon goed en vriendelijk was, dan zou je zeggen; Hier geeft hij eigenlijk een steek onder water, alsof hij zeggen wil: “Priester, kom nu eens van je hoge paard af. Gedraag je nu eens als een normaal mens en vergeet jezelf te beroemen op datgene, wat niet je eigen verdienste is.” En het schijnt, dat deze priesters hier ook werkelijk met vreugde op zijn ingegaan; dat ze dit hebben geaccepteerd van die onbekende, van deze geheimzinnige jongeman. Want even later vinden we hen in een gesprek.

“Zo verwerpt gij het vlees als voedsel?”

En Jezus antwoordt: “Hoe kan ik verwerpen, wat de Schepper ons gegeven heeft? Maar waar Hij mij vrij laat mijn weg te zoeken, zal ik voor mijzelf dat verkiezen, wat past bij mijn wezen en aard.”

Dat is natuurlijk even een soort verwijs. Vandaar dat plotseling het gesprek een eigenaardige wending neemt. Ik ga het nu niet verder meer verklaren. Ik geef U het gesprek weer; zo dadelijk zullen wij de conclusies er wel uit trekken.

“Gij meent dus, dat alle dingen voortkomen uit het Eeuwige?”

En Jezus, zijn standpunt meteen verklarende: “Alles komt voort uit de Vader”.

“Ook Gij”

“Ook ik. En een ieder, die leeft en zich bewust is van Zijn wezen.”

“Dan is een ieder God.”

“Neen. God is het Volmaakte. Mens, datgene wat streeft naar volmaaktheid. Ik vraag U: “Zijt gij volmaakt?”

“Neen.”

“Dan zeg ik U: Gij streeft naar het volmaakte. En in dit streven erkent gij God in U zonder één te zijn met Hem, waar gij nog niet bereikt hebt.” Hier worden de heren op hun nummer gezet.

Kijkt U nu eens even naar de eigenaardige conclusie: God is in alle dingen. Waarop onmiddellijk het antwoord volgt, dat dus eigenlijk alles God is. Jezus verwerpt, dit. Maar hij maakt dit niet tot een kwestie van wezen, van bestaan. Hij maakt het tot een kwestie van bewustzijn. Hij zegt: “Heb je die volmaaktheid voor jezelf bereikt?” Met andere woorden: je persoonlijke interpretatie, je persoonlijke denken, je persoonlijke leven, dat maakt uit in hoeverre je één bent met God of niet.

Iets later horen we daar nog enkele opmerkingen, die eigenlijk onder dit gesprek ressorteren. Daar wordt n.l. gezegd: “Dus de mens kan niet God worden?” Dat is een heel moeilijke vraag voor Jezus. Want hij moet hier zeggen “neen” en “ja” tegelijk. Hij doet dit buitengewoon diplomatiek door te zeggen:

“Inderdaad wordt elke mens God. Maar waar hij nooit geheel God wordt doch slechts een deel is van God, zal hij zichzelf niet God noemen, maar roemen het Geheel, waaruit hij is voortgekomen.”

Dat zijn a.h.w. de eerste worstelingen tussen de heren. En de daaropvolgende dagen geven de beide Brahmanen aan Jezus zelfs opdrachten (hij treedt in deze tijd nog op als een reizend handwerksman) en spreken ondertussen met hem over vele onderwerpen. Het punt, dat voor deze morgen eigenlijk het belangrijkste is, is een reeks van gesprekken, die na de eerste week ongeveer gevoerd werd. Ik ga ook hier weer punten van citeren. Ik zal proberen ze uit te leggen, voor zover mij dit mogelijk is.

“Gij stelt nu, dat God liefde is. Maar indien God liefde is, hoe kan Hij ons de weg tot Zijn wezen dan zo moeilijk maken?”

Antwoord: “Moeilijk is de weg tot God niet. God is altijd met ons. Nooit verlaat Hij ons. Maar er komen ogenblikken, dat wij God verlaten, omdat wij in ons onbegrip het kleine verkiezen boven het grote.”

“En indien wij dit niet verkiezen?”

Antwoord: “Dan hebt gij de volmaakte eenheid met God bereikt.”

Let wel, hier wordt niet gesproken over het Koninkrijk Gods. Deze term wordt pas veel later gebruikt. Er wordt hier nog gesproken over een eenheid met God.

“Indien dan het kleine voor ons zo belangrijk is, moeten wij dan onze Schepper niet verantwoordelijk stellen voor onze belangstelling?”

Antwoord: “Is de vader meester over de gedachten zijns zoons? Is de moeder volledig in staat te doorzien, wat haar dochter doorleeft? En toch is hier mens en mens. De Vader nu laat de mens de vrijheid van zijn denken, want eerst in deze vrijheid wordt hij tot mens.”

Commentaar “Dus dan is God aansprakelijk voor alle misleiding en alle ellende?”

Antwoord: “Is alle misleiding en alle ellende niet een verkeerde opvatting, die leeft in de mens en die voortkomt uit zijn begeerte om meer zichzelf te zijn?”

“Indien wij zeggen: De wet is aansprakelijk, de wet, die ons leven regeert en ons voortjaagt van wereld tot wereld, dan hebben we recht van spreken. Dit is begrijpelijk: een onomstotelijke wet, waaraan wij geketend en gebonden zijn door de levende Kracht, die zich het eerste uit. Doch zo gij het stelt is God een dwingeland.”

Antwoord; “Neen. Maar waar gij zegt de wet, vergeet ge één ding: God is de wet. Het is de Vader, Die ons de vrijheid laat onze wegen te gaan. Het is de Vader, Die ons binden kan, waar Hij wil en bevrijden, waar Hij wil. Doch Die ons onze eigen weg schenkt als een middel om tot Hem te komen zonder Zijn dwang.”

“Gij verloochent dus de wet?”

“Ik erken de wet, maar meer dan dat erken ik de Vader, Die de wet is en de Bron van de wet.”

U hebt waarschijnlijk begrepen, waar hier het zwaartepunt ligt. Het gaat hier om de vraag: Is er een wet, die ook God regeert? Of is God de wet?

En de stelling van de Brahmanen is hier, dat – indien God identiek is met de wet en moet worden gezien als een bewust en denkend wezen – Hij verantwoordelijk is voor alles, wat er op de wereld geschiedt.

Jezus antwoord is: “Ja, in feite. Maar Hij leidt alles ten goede, terwijl Hij de mens (men zou het het best kunnen zeggen) de waan laat van het onvolmaakte, omdat hij door deze waan zelfstandig tot God kan komen en zo de vreugde ervaren van het Goddelijke, die hij niet zou krijgen, wanneer God hem eenvoudig in Zijn wezen zou terugnemen. “

Hier ontwikkelt Jezus eigenlijk reeds de gedachte van het Koninkrijk Gods. Ja meer, zijn hele relatie tegenover de Vader ligt hier nog wat summier in verborgen. Ik kan U nog een fragment geven, waarin dit misschien nog duidelijker;

“Gij zijt wijs voor zo’n jonge mens.”

“Wijsheid bezit ik niet. Maar ik bezit een Eeuwige in mij en Deze is mij meer dan wijsheid.”

“En gij zegt mens te zijn?”

“Kan een mens leven zonder de Vader in hem?”; “Dan zou een ieder dus volmaakt moeten zijn. Het Volmaakte leeft in een ieder. Te weten, dat het Volmaakte in ons leeft, betekent de volmaaktheid bereiken in onze wereld.”

“Gij loochent dus de wet.”

“Ik zegde U reeds: God is de wet. En de wet is in mij zowel als in U. Doch wie de wet erkent, is een met haar wezen. Wie één is met het wezen der wet, voelt de wet niet meer als druk, als belasting.”

Er wordt een beeld ontwikkeld van een God in ons. Het Koninkrijk Gods ziet Jezus als een één zijn met de Vader en hij brengt heel logisch naar voren: “Wanneer wij één zijn met de wetten, wanneer wij a.h.w. de wetgever zijn, dan kan een wet voor ons nooit een benauwenis zijn, een belasting. Hier wordt zeer zuiver het verschil gesteld tussen christendom en boeddhisme.

Bij het boeddhisme is de wet het onpersoonlijke, het wrede, waaraan je je onderwerpen moet en waaraan je misschien kunt ontsnappen, maar toch altijd slechts in beperkte mate.

Jezus stelt; Je kunt één worden met de Kracht, Die de wet stelt en zo aan de wet onttrokken zijn.

Dat klinkt heel eigenaardig. Toch meen ik, dat het behoort tot de belangrijkste punten van het christendom. Jezus heeft geleerd niet meer zo over die dingen te spreken. Wanneer hij zo gesproken had, men had hem een ketter genoemd en hem vergeten. Hij moest tot de menigte in gelijkenissen spreken, in beelden, die voor normale mensen aanvaardbaar waren. De tijd, dat hij jong was en overmoedig – juist in zijn denken – gaat voorbij, wanneer hij openbaar moet optreden. Maar die periode, waarin wij hem voor een ogenblik ontmoeten, is hij nog jong en vol geestdrift, en durft hij scherp te formuleren, wat hij later – bezield door een andere en grotere Kracht – zal verbergen in vele woorden.

Vergeet niet, het is de mens Jezus, die hier zoekt en denkt. Het is nog niet Jezus Christus, die men de Verlosser noemt. Het is nog niet de allerhoogste geest, neergedaald in een menselijk voertuig. Het is de mens. Maar juist omdat het de mens is en een der edelste, is het voor ons zo leerrijk deze ontwikkelingsgang te bezien.

Een aardig voorbeeld van zijn rechtlijnige manier van denken vinden wij wat later in een gesprek met een tuinman. De kloosters, de boeddhistische kloosters, hadden ook toen al tuinen en vaak waren het oudere monniken, soms ook leken, die daar voor die tuin zorgden. Ze werden altijd een klein beetje als eenvoudige, als simpele mensen beschouwd.

Wanneer Jezus met zo’n simpele in gesprek raakt, dan luistert die tuinman eens heel rustig even toe en zegt dan op een gegeven ogenblik: “Meester, gij spreekt, alsof gij niet gelooft.”

Waarop Jezus zegt: “Maar ik geloof in de Vader.”

“Neen,” zegt de tuinman, “want gij spreekt, alsof het een zekerheid is. En wie zekerheid heeft, kan niet meer geloven.”

Een simpele spitsvondigheid eigenlijk. U kunt U voorstellen, alsof dat zo’n klein beetje met een glimlach wordt gezegd. Maar nu wordt Jezus aangetast in iets, wat voor hem belangrijk is. En het antwoord is dan ook verbluffend scherp:

“Indien ik zou weten, gij dwaas, zou ik hier vertoeven? Het is mijn niet weten en toch aanvaarden, dat mij drijft van stad tot stad, van oord tot oord. Het is mijn niet weten en toch aanvaarden, dat mij een lot voorbereidt, dat ik in mij gevoel als een zekerheid en toch niet ken. Want ik zeg U; Mijn naam zal gegrift staan in de stenen hier, lang nadat Uw geloof vergeten is. Wanneer Uw tuin een woestenij is, zal men nog zoeken in de woorden naar mijn wezen. Juist omdat ik geloof, kan ik dat zeggen. Geloof is de grote werkelijkheid en de kleine werkelijkheid is Uw aarzelend zoeken.”

Je kunt je dat best voorstellen. Jezus is nog niet zo oud. Hij is jong en geestdriftig en hij wordt daar ineens even aangevallen en hij moet daar even precies zeggen, hoe hij er over denkt. Een klein beetje opscheppen eigenlijk; nu ja, een heel klein beetje.

Maar dan lacht de tuinman. Die vindt dat wel leuk, dat jeugdige vuur. En hij plaatst er zo heerlijk een commentaar over heen:

“Uw woorden zijn overtuigend, mijn vriend. Maar wanneer gij werkelijk gelooft, waarom verdedigt ge Uw geloof? Een waar geloof heeft geen verdediging nodig. Het is.” Een wijsgerigheid, die wij eerder bij de Brahmanen gezocht zouden hebben dan bij de tuinman. Iets wat ook Jezus onmiddellijk opmerkt en zijn commentaar hierop is dan ook haast vrolijk.

“Gij weet,” zegt hij tegen de tuinman “dat de wijsheid zich verbergt onder het onaanzienlijkste kleed.” Het is een compliment, dat hij maakt. “Maar zo ik geloof en niet spreek voor mijn geloof, hoe geloof ik dan? Want waarlijk geloven is zijn.”

Dat laatste schijnt door de tuinman begrepen te zijn en dat zou er dus op wijzen, dat wij hier eerder te maken hebben met een soort heremiet van bijzonder scherp inzicht. Geloven is zijn.

Je kunt zeggen: “Ik geloof, dat ik goed ben.” Maar wanneer je dat gelooft, moet je het ook zijn. Want op het ogenblik, dat je het niet meer bent, is je geloof zelfbedrog. Geloof is waarheid, is werkelijkheid. Daar kun je niet aan ontkomen.

Wanneer Jezus dit zo op de voorgrond brengt in zijn jeugd, zal hij het later in geheel andere termen en veel meer docerend voorleggen aan zijn leerlingen. Want dan is er Johannes en die zegt; “Heer, ik geloof in U. Maar zo ik geloof in U en de Vader, hoe vind ik de kracht in mijn ziel?” Hij bedoelt: Jezus, ik geloof nu wel in U en ik geloof in alles, wat ge vertelt over God en over de Vader. Maar er is toch in ons een zekere kracht nodig om dit geloof werkelijk reëel te maken, om het te handhaven. En dan krijgen wij Jezus antwoord:

“Indien gij gelooft, zal Uw geloof geen waarheid zijn? Want weet, in wie het geloof leeft, in die leeft de Vader. En voor de Vader is niets onmogelijk. Zo, levend in Uw geloof, zult gij in het geloof handelend en levend een zijn in dezelfde bevestiging van alle dingen, die ligt in Uw geloof.”

Jezus conclusie a.h.w. tot de wereld en tot zijn leerlingen is: Mens, indien je nu zegt iets te geloven, praat er dan niet over, vecht er niet over. Wat je gelooft is waar. En als het onwaar blijkt, kun je het niet meer geloven. God is waar, dus je kunt in God geloven. Indien je in God gelooft, leef dan met God en in God, volledig en bewust, zonder een scheiding te maken tussen jezelf en God, tussen jezelf en de eeuwigheid. En dan zul je juist door deze wijze van leven de volledige vervulling kennen van wat je gelooft, maar ook van wat God betekent.

Dit is hier de kern van het hele probleem en ook eigenlijk het hoofdonderwerp van deze bijeenkomst. Geloof.

Geloof is een zekerheid. Een zekerheid, die je niet bewijzen kunt, maar die je niet moogt aantasten of bekritiseren. Op het ogenblik, dat ge twijfelt aan iets, is Uw geloof al praktisch teloor gegaan. Jezus zegt het honderd keer tot zijn leerlingen: “Gij klein gelovigen.” Of: “Hebt ge dan geen vertrouwen?” als Petrus door de golven heen zinkt.

Wanneer je iets accepteert, dan moet je dit helemaal doen, met je hele wezen, zonder onderbreking, zonder twijfel, zonder kritiek. Op het ogenblik, dat de kritiek komt, is de waarde van het geloof weg. Iemand, die zichzelf moet overtuigen om iets te geloven, die heeft nog geen geloof. Die zoekt er alleen maar naar.

Wanneer je gelooft in God, dan is God dus een werkelijkheid voor je geworden. Geloof je in een eenheid met God, met een God, Die leeft in jou, een Koninkrijk Gods, dat in jou bestaat, dan is elke kracht van die God, van dat Koninkrijk Gods, ook in jou geuit en uitbaar. Dan is er geen grens.

Dat is Jezus’ argument, dat is Jezus geloof. Neen, het is meer: dat is Jezus’ wezen. Dat is voor hem de weg, waardoor hij komt tot het aanvaarden van de Christusgeest in hem, tot het aanvaarden van een offer zo zwaar, dat geen mens het zou willen brengen. Dat is het, wat het hem mogelijk maakt om alles te verloochenen, alles terzijde te stellen voor één doel, wat hijzelf ternauwernood omvaamt, maar wat als geloof, dus als geestelijk bevestigde waarde in hem, een gewicht gewint, dat al het andere terzijde doet stellen.

Ik zal nu proberen om onze gastspreker te helpen, zodat hij onmiddellijk met U het contact kan maken. Zou dat niet gaan, dan zal ik zelf of een ander als bemiddelaar voor hem optreden. Dus ik mag nu wel even stilte verzoeken. Want ook deze spreker, die ook weer Jezus enkele malen ontmoet en gezien heeft, zou juist met u over het geloof willen spreken; vandaar dat ik dit punt voor zover het mogelijk was heb toegelicht.

o-o-o-o-o

Door een teveel aan storingen moet ik hier bemiddelen. Het volgend is zo goed mogelijk overgezet, de indruk, die ik ontvang van de eigenlijke gastspreker.

Alle waarden in het leven zijn terug te brengen tot aanvaarde waarden en kwaliteiten. Niets is onveranderlijk in onze wereld, maar wij geven er tijdelijk een onveranderlijk uiterlijk aan door onze wijze van denken en aanvaarden. Door ons opgaan in wat wij menen, dat een werkelijkheid is, scheppen wij die werkelijkheid. Het is mogelijk te spreken over werelden van waan en begoocheling. Maar dit geldt alleen, wanneer wij de werkelijkheid uitschakelen van ons eigen beleven. Zolang ons beleven bestaat als voor ons onaantastbaar, leven wij in een werkelijkheid. Elke werkelijkheid, die uit ons voortvloeit, wordt geboren uit ons geloof in deze werkelijkheid. Alle waarderingen, die wij geven aan stoffelijke en geestelijke krachten, zijn geboren uit ons geloof in deze waarden, als zijnde een vast en onwrikbaar deel van onze wereld of van het Al. Elke waardering, die relatief is, kent het eigen ik als veranderlijke factor en ziet zo een verband tussen eigen instelling en de waarde, die voor mij op een bepaald ogenblik in een zeker gebeuren, beleven, bezitten ligt.

Van hieruit bouwende kunnen wij nu trachten voor onszelf een grotere werkelijkheid te scheppen. Een geloven in onzichtbare waarden is zeker moeilijker dan te geloven in tastbare waarden. Maar in beide gevallen is het onze eigen instelling, die onze verhouding tot het geheel betekent, regelt en uitdrukt. Indien wij alzo geloven in dingen, die onze wereld niet als werkelijk kent, en wij kunnen dit geloof maken tot een vast en volledig opgaan en vertrouwen daarin, dan zullen alle waarden in de wereld beantwoorden aan ons geloof.

Wie gelooft, dat Hij wandelen kan op de lucht, zal de lucht tot pad worden. Wie gelooft, dat de stralen der zon hem voeden; zal geen andere spijs van node hebben. Wie gelooft, dat in hem God leeft en door God de beheersing van de materie ook voor hem mogelijk is, beheerst de materie. Het geloof is het stellen van een verhouding tussen jezelf en de wereld. Wie in staat is dit te volbrengen, kan dus volledig realiseren zijn hoogste voorstelling van God en levende kracht in alle dingen.

Toen de Meester sprak over het geloof, zei hij, dat men God zonder kritiek moet aanvaarden. Dit is logisch. Want indien wij geloven, mag dit geloof in den beginne niet kritisch zijn. Eerst wanneer de volledige aanvaarding een beproeving betekent van elke waarde, die in het geloof gelegen is, kunnen wij in onze zelfkritiek een aanvulling of een verbetering van ons geloof verwachten.

Wie zoekt naar God, moet God aanvaarden. Zonder vragen, zonder aarzelen. Wie gelooft aan geluk en aan vrede, moet dit aanvaarden zonder aarzelen, zonder twijfel. Immers door het aanvaarden alleen scheppen wij deze toestand voor onszelf. En wanneer deze toestand nog niet volledig beantwoordt aan het verlangen van ons wezen, aan het streven van onze ziel, zó zullen wij door niet het ondergane te verwerpen, het beleefde te veroordelen, maar het te maken tot bron van een nieuw beleven en een nieuw ervaren, de volmaaktheid in onszelf verwerkelijken.

Dit is de goddelijke Kracht in ons; Dat, zo men gelooft in de waarde van elke toestand, van elk beleven en het aandeel ook hiervan in een eeuwig en volmaakt plan, men kan komen van elke beleving, elke gedachte tot een nieuwe, betere en volmaaktere, die het oude mede omvattend en brengend in een nieuw licht zo voor ons een wereld bouwt, die volledig en schoon zijnde, ons God doet realiseren in en buiten ons wezen zonder enige wijziging.

In de dagen, dat Jezus predikte voor de groep van veertig, zegde hij tot hen als volgt: “Wie verlangt één te zijn met mij, zal een zijn met mij. Wie verlangt één te zijn met de Vader, zal één zijn met de Vader. Doch ziet, mij kent gij en de Vader is voor U een droom, een waan. Zo wendt U tot mij, opdat door mijn weten voor U werkelijk wordt de kracht van de Vader, Die in U woont. Uit het geziene zult gij komen tot het niet zienlijke. Uit het begrepene zult gij de kracht gewinnen om het schijnbaar onbegrijpelijke te bemeesteren en in U te dragen. Zo zeg ik U: Wendt U tot mij. Wendt U tot de krachten, die gij kent en vertrouwt. Tot al, waarin God voor U verschijnt. Opdat gij door het aanvaarden van het gekende de Vader zult mogen kennen, Die leeft in U.”

Wanneer wij ons leven op deze leerstellingen baseren, dan zullen wij door het geloof, dat gaat van het geloof in het gekende tot een begrijpen en geloven van het niet gekende, voor onszelf vervullen de belofte, die Jezus gegeven heeft in zijn leven, dat geen vraag ongehoord gaat, dat geen wens onvervuld blijft, en dat geen ogenblik God verlaten zal, wie in Hem gelooft ten volle en volledig.

Ik kan hier slechts nog aan toevoegen, dat ook Jezus zich eens door God verlaten achtte. Toen was hij mens en geloof de hij aan de mens en de kracht der mensen, aan geweld en smarten, meer dan aan de lichtende Kracht. Wie gelooft in God, zal falen op het ogenblik, dat hij aan zichzelf denkt. Maar in dit falen zal hij de kracht vinden God te aanvaarden zonder kritiek. En moge dit dan lijden betekenen soms, door het geloof zal het lijden worden tot een verheerlijking.

Hiermede beëindigt spreker het contact.

Ik voor mij geef het woord over aan de volgende spreker.

o-o-o-o-o

Het is misschien niet erg makkelijk om de consequenties te trekken uit hetgeen hier naar voren is gebracht. Wanneer een mens gelooft, dan verwacht hij, dat dit geloof wonderen doet. Meestal echter aarzelt zijn geloof voor het als normaal aanvaarden van het wonder, dat geschiedt. En elk “als wonder” zien betekent een twijfelen aan de natuurlijkheid der krachten.

Wanneer wij, mijne vrienden, dit geloof beschouwen van onze kant, dan moeten wij toegeven, dat juist het verwachten, dat voor velen in het geloof gelegen is, het onnatuurlijke aspect dus van de krachten van het geloof, voor ons een verwijdering van de realisatie betekent. Wij kunnen ons geen werkelijkheid realiseren, wanneer wij niet opgaan in het natuurlijke aspect van het geloof.

Het zijn juist deze punten, die ik een ogenblik onder Uw aandacht wil brengen. Het geloof verwerkelijkt niet het bovennatuurlijke voor de gelovigen, maar het brengt wat tot nu toe bovennatuurlijk was op een natuurlijk vlak, waarin het normaal wordt beleefd. Wie hierin voor zich misschien de aanwijzing vindt, kan dan mijn conclusie (ik zal niet te lang tot U spreken, U krijgt nog een laatste spreker ook) zich misschien realiseren, dat voor mij het belangrijkste is, dat je in de eerste plaats gelooft in jezelf, zoals je bent. Wie niet in zichzelf vertrouwt, in zichzelf gelooft, niet gelooft in het doel van zijn leven, die maakt voor zichzelf elk werkelijk geloven en elk bereiken door dat geloof, onmogelijk.

Elke mens, elke geest, moet wil hij werkelijk iets bereiken uitgaan van een zelfvertrouwen, dat de bereikingen van dit ik als normaal en natuurlijk aanvaardt. Niet zeggen: “Wat een wonder, dat ik dit kan.” Niet Uzelf bewonderen, omdat ge iets gedaan hebt of volbracht, want dat is dwaasheid. Integendeel, aanvaard Uzelf en Uw beste prestatie als natuurlijk. Zie, wat gij minder doet dan normaal, als een blijven beneden Uw eigen kunnen. Geloof zo in Uzelf, geloof zo in de wereld, geloof zo in de krachten van die wereld. En het zal U volkomen natuurlijk zijn, wanneer de geest, wanneer de Schepper ingrijpt in Uw bestaan en dit vervult op de wijze, die gij verlangt.

Er bestaat hier geen enkele reden om geloof anders te formuleren dan: Je verplaatsen in een werkelijkheid, die verschilt van de vorige en een betere vervulling betekent en van jezelf en van al het zijnde in jou en rond jou.

Mijn conclusie, toegevoegd aan het geheel van hetgeen deze bijeenkomst U gebracht heeft, is dan dit: Stel, dat elke mens, dat elke geest, dat elk leven bestaat op het plan in de schepping, dat door hun aanvaarding van een deel der schepping wordt bepaald. Stel verder, dat ons aanvaarden van een deel der schepping van een deel der krachten der schepping, datgene is, wat wij geloof noemen. Dan is een ieder krachtens zijn eigen wezen en kwaliteiten, krachtens zijn eigen geloof in staat te bepalen, op welke wijze hij leeft en bestaat in de wereld of daarbuiten. Dan is hij in staat voor zichzelf alleen door zijn aanvaarding van het leven en de aspecten van het leven te bepalen, hoe dicht hij bij God of hoe ver hij van God zal afstaan. En dat punt vond ik belangrijk genoeg om U ter overweging te geven i.v.m. voorgaand gebrachte lezing.

Ik zal het hierbij laten en geef thans het woord over aan de laatste spreker.

o-o-o-o-o

GELOVEN

Ik weet, dat de wereld bestaat. En ik weet, dat mijn Schepper leeft. Ik weet, dat Zijn wezen mij kracht en heil, mij vreugde en sterkte geeft.

Ik zie niet mijn God en ik zie niet het zijn als een wereld, die ik kan begrijpen. Het onbegrip is het, dat met zorgen en dood, dat met lijden en pijn en met bittere nood soms de waarheid voor mij doet verdwijnen. Maar ik lijd uit onbegrip. Geloof is werkelijkheid. Want hoezeer ik geloof dan ook in kracht der eeuwigheid, in God en licht, in macht en geest ….het is minder dan werkelijk waar. Te klein is mijn geloof, te klein mijn wereldbeeld. Daarin schuilt het gevaar van alle leven,

Meer dan ik aanvaarden durf, werd mij door God gegeven in het eerste ogenblik van het bestaan. En daarom geloof.

Geloof in eeuwigheid, die met mij is en in mij leeft; die mij, wanneer de wereld spreekt van dood, nog sterker leven geeft.

Daarom, geloof in vaste band, die gaat door alle tijd; en niet een scheiding is maar eenheid sterker dan ooit, aangevoeld en lang verbeid, nu geworden tot een werkelijkheid.

Onbegrip, onwetendheid, ach, wereld zonder grens, dat is het wezen van het kleinte, van onbewuste geest en mens. Maar wie in het geloof zijn God ervaart, zich niet als deel van Zijne kracht, is een met de werkelijke Schepper, met werkelijke levensmacht, net scheppingskracht en wondere schoonheid.

Daarom, geloof met al Uw kracht, opdat de God, Die in U leeft, voor U tot uiting wordt gebracht en U de nieuwe krachten geeft om verder nog te gaan.

Tot boven mens en boven zijn, boven vormbestaan en het verbleken van de waan geboren wordt de werkelijkheid. Eeuwigheid, één met God, Die alle streven leidt, Die is altijd en alle kracht, ook van U, van al wat is.

Gelooft ge dit, het leven is volbracht. Voorbij is elk gemis, is elke klacht en elke kwaal. Want dan spreekt gij en spreekt tot U het Al in ene taal zonder geloof in zekerheid van God, Die is het leven en ‘s levens enige werkelijkheid.