Een God of meerdere Goden

uit de cursus ‘Filosofieën over het Goddelijke’ 1955-1956

Wanneer wij de ontwikkeling van de wereld nagaan, dan zien wij het veelgodendom in de oudheid, maar zelfs nog in de moderne tijd, opduiken als uitdrukking van het menselijk geloof. Wij kunnen natuurlijk zeggen: Wij geloven in één God en daarmee basta. Maar het lijkt mij redelijker te trachten na te gaan hoe wij tot een veelgodendom kunnen komen en in hoeverre dit verenigbaar is met onze voorstelling van één God. Want alle erkenning van het Goddelijke moet gebaseerd zijn op dezelfde grondwaarde.

Wij kunnen niet zeggen: Er is of dit of dat. Alles, wat in ons voorstellingsvermogen leeft, moet binnen het Goddelijke aanwezig zijn. Het gaat hier dus om de toestanden in het Al en de interpretaties die wij hieraan geven.

In de eerste plaats zijn wij ‑ mens zowel als geest ‑ beperkt. De mens is beperkt door zijn wereld en het gebonden zijn aan de tijd, aan een algemene tijdsfactor. De geest is beperkt door haar voorstellingsvermogen die haar wereld bepaalt en wederom door de tijd die bij haar een persoonlijke factor is. Willen wij dus met de rede nagaan wat de mogelijkheden in het Al zijn, dan moeten wij uitgaan van waarden die bij de geest en de stof ongeveer gelijk bestaan.

Allereerst is dit de begrensde wereld. Wij kunnen ons voorstellen dat de wereld van de mens door vaste vormen wordt begrensd en dat die begrensde wereld door een complexiteit van wetten wordt geregeerd. Maar wij weten niet (vanuit menselijk standpunt) waar deze wereld ophoudt of waar zij begint. Een mens kan slechts zeggen: Dit is mijn werkelijkheid. Tot zover zie ik. Buiten dit bestaat er voor mij niets.

Theoretisch echter kunnen wij ook het volgende zeggen: De mens beleeft die werkelijkheid, waarmee hij volkomen in harmonie is. Hier zeg ik heel iets anders, want ik neem aan dat er meer mogelijk ontelbare werkelijkheden naast elkaar bestaan, maar dat de mens alleen die werkelijkheid beleeft waarmee hij in harmonie is.

De kwestie waartoe wij tenslotte komen, is deze: Kan er voor de mens een mogelijkheid bestaan om buiten de wereld, waarmee hij onmiddellijk in harmonie is, ook nog bepaalde harmonische tendensen te tonen met andere werelden? Zo ja, dan kent deze mens buiten zijn eigen reële wereld, die hij werkelijk beleeft, een aantal werelden, waarin het beleven en bestaan hem minder reëel lijkt, ofschoon zij binnen de schepping even werkelijk tegenwoordig zijn.

Ik heb deze these voor u opgebouwd, omdat als wij over het veelgodendom gaan denken, juist deze theorie hierbij een zeer belangrijke rol kan spelen. Sta mij toe, voordat ik hierover uitweid, nog even de wereld van de geest te analyseren.

Wij weten dat de geest in haar wereld slechts in zoverre bestaat als zij bewust is. De vergroting van haar bewustzijn is identiek met een vergroting van de wereld voor haar. Ook bestaan er schijnbaar waarden waarmee de geest niet onmiddellijk in harmonie is. Toch klinken die tot haar door. Wij zien krachten uit andere en hogere sferen. Wij worden beleerd door entiteiten uit andere werelden en dalen soms af in werelden die zeer van de onze verschillen, maar altijd voor korte tijd. Wij keren steeds weer terug tot onze eigen sfeer die onze werkelijkheid is.

Ook de geest ontdekt dat in elk van de werelden buiten haar eigen werkelijkheid, door haar bezocht, andere wetten regeren dan zij van haar eigen wereld gewend is. Gij ziet dus dat voor stof en geest de toestand ongeveer gelijk kan worden gesteld.

Als nu één wereld voor mij werkelijk is, zal ik ongetwijfeld daarin een aantal krachten en waarden zien die ik onmiddellijk aan God toeschrijf. Maar er zijn ook een aantal waarden die zich aan mijn begrip onttrekken of slechts een ogenblik in mijn wereld bestaan, daar zij in werkelijkheid tot de uitingen van een andere wereld behoren. Dergelijke toestanden en verschijnselen schijnen mij dan een uiting toe van een andere God. Dat is zeer belangrijk.

Indien dus verschijnselen, die ik in mijn eigen wereld niet ken en begrijp, zich afspelen in mijn wereld of op een voor mij nog benaderbaar vlak, dan zie ik twee verschillende Goden, twee verschillende reeksen wetten, dus twee werelden. Ik heb dan te maken met meer Goden.

Bij de primitieve mens waren er zoveel verschijnselen die niet in zijn onmiddellijke begripswereld thuishoorden, zoveel mogelijkheden door hem aangevoeld, die hij niet kon thuisbrengen in zijn eigen werkelijkheid, dat de veelheid zijner Goden vaak verwarrend heeft gewerkt.

Het is begrijpelijk dat langzaam maar zeker bij het groeien van de bewustwording de mensheid heeft getracht die Goden in te voegen in een vaststaand schema, hun verhoudingen onderling te bepalen, enz. Wij echter ‑ ofschoon wij misschien niet eens zoveel verder zijn dan die primitieve mensen – zeggen: Wij geloven in één God.

Er zijn zeer vele redenen, waarvan ik er enkele zal aanhalen, die pleiten voor een monotheïstische wereldopvatting, een één godendom en wel deze:

Indien er meer Goden bestaan, wordt het raadsel van hun oorsprong en zijn, groter dan als wij één God kennen. Eén zichzelf barende God is een unicum en daardoor onaantastbaar. Meer zichzelf steeds barende, zichzelf hernieuwende Goden echter doen een aparte wereld der Goden veronderstellen. In deze wereld moeten dan ook weer de verhoudingen geregeld zijn. Die regels moeten komen van iets hogers, want anders zouden de goden zich daaraan niet onderwerpen. Voor ons is dus het één godendom de eenvoudigste manier om het grote geheim van de schepping te beschrijven en althans enigszins voor onszelf te benaderen.

Ga ik nu echter logisch nadenken, dan komt ik tot de conclusie dat ‑ aannemende dat er één God is ‑ er desondanks onder die God een aantal grote machten bestaan die elk voor zich goddelijk schijnen in de wereld waarin zij zich uiten. Zij bezitten nl. het totaal van machten, noodzakelijk om de daar heersende wetten en regels door te voeren. Zij bezitten de capaciteiten om in de wereld te scheppen en te vernietigen.

Sommigen zeggen tegen deze krachten, Heren der Schepping. Anderen, Engelen, Aartsengelen. Weer anderen, Goden. Er zijn er zelfs die deze krachten terugvoeren tot demonen, omdat zij ‑ aan een God willende geloven ‑ tegenover deze God alle andere krachten als kwaad rekenen. Daarmee ook weer komend tot een twee-godendom: de God des kwaads en de God van het goede of van het licht.

Dat de stelling voor ons niet aanvaardbaar is, is begrijpelijk. Wij kunnen ook geen splitsing van God in twee delen accepteren. Hoe kunnen wij dan voor onszelf een verklaring geven van het veelgodendom en het mee bevatten in onze wereldbeschouwing, terwijl wij gelijktijdig onze ene grote, scheppende Kracht als oer-principe blijven behouden? Mij dunkt op de volgende wijze:

Er is één grote, scheppende Kracht. Deze wet, want als een wet zien wij Hem, het wezen is ons niet bekend, beheerst alle scheppende krachten in het Al. Wij nemen aan dat de Kracht, die deze wet uit, ook tevens alle scheppende krachten in het Al heeft voortgebracht. Deze wet regeert dus alle goden of engelen.

Elke engel of god heeft echter in zich een aantal eigenschappen die deze engel of god op zijn eigen wijze zal uiten. Er is dus degelijk een verschil in de diverse verschijnselen. Zij hebben een andere geaardheid, een andere persoonlijkheid.

Als wij de wereld bezien, dan ontdekken wij in de eerste plaats goden die de vaste vorm beheersen. De vaste materie kent haar eigen leidende, denkende, richtinggevende vermogens. Hetzelfde zien wij voor de soorten van levende wezens. Bij dezen zien wij groepsgeesten, grote geleiders, die de verdere ontwikkeling in de hand hebben en zorgen dat die in de juiste richting plaatsvindt om een zo groot mogelijk resultaat te bereiken.

Wij zien echter ook goden, wiens beheersing ligt in de wereld van het zeer kleine. Zij beheersen het atoom, het zwervend elektron, een neutrino of wat dies meer zij. Deze wereld van het kleine is hun we­reld, sterk verschillend van de onze. Toch zijn de elektrische ver­schijnselen, die op uw wereld mee een grote rol kunnen spelen, niet onderworpen aan de wetten van uw wereld, maar wel aan de wetten van de wereld van het kleine die van de uwe aanmerkelijk verschilt.

Is het dan zo vreemd dat een primitieve mens spreekt van een Donder­god, van een Jupiter Tonans, die zijn bliksemstralen werpt? Er is een Kracht die dit alles regeert. En de mens heeft deze als mede werkzaam en beheersend in zijn wereld tot God verheven naast an­dere machten.

Wij kennen goden die in de sterren wonen. Krachten die ‑ geheim­zinnig werkend in het licht van de sterren ‑ daar hun wezen uiten en voor elke ster met haar eigen planetenreeks aparte toestanden scheppen en ook aparte toestanden wekken, die juist daar en nergens anders precies zo voorkomen. Ook dezen kunnen wij goden noemen en ook hun kracht komt op aarde tot uiting.

Als wij rekening houden met de stromen van kleinste stofdeeltjes uit verre sterrenstelsels gezonden naar uw aarde, dan begrijpen wij dat die goden soms ook ‑ een enkele keer ‑ de wetten van de aarde zelf schijnen te verstoren. Ook hen moeten wij dus in ons Pantheon een plaats geven. Maar een juiste plaats nl. de plaats van krachten die de scheppende wil van het Oerwezen mee helpen verwezenlijken in onze wereld, maar aan de hand van capaciteiten en eigenschappen die onze wereldvreemd zijn.

Zo wordt ons duidelijk, waarom er zoveel tegenstrijdigheden schijnen te bestaan in het gebeuren op deze wereld. Zo wordt ons duidelijk waarom wij steeds weer verdeeld schijnen te zijn tegen onszelf, want wij worden beïnvloed door krachten van verschillende geaardheid. Wij kunnen deze niet tot een eenheid verwerken en komen zo met onszelf in strijd. Op deze wijze kunnen wij vele goden vinden. Grote goden en kleine goden. Kleine demonen en sterke machten des kwaads. Want onze kleine demonen zijn niets anders dan wezens die behoren tot een andere wereld, wiens wetten zij moeten uiten, zoals gij op aarde moet leven als een aards mens, een aards wezen.

Wij kunnen dan verder gaan en zeggen dat de grote machten des kwaads ook wezens zijn die in hun eigen wereld heersen, waarin andere wetten van kracht zijn en andere toestanden bestaan. Ook zij zijn wel degelijk goden. Want wij kunnen tegen hen niet op. Wij zijn niet machtig genoeg om hen te dwingen zich aan te passen aan onze orde. Wij kunnen slechts trachten krachtens ons wezen en de wetten die ons regeren ons te onttrekken aan hun invloed.

Boven dit alles: één God, één Schepper, één levende Kracht. Maar in elk der kleinere invloeden het speciale aspect van deze Kracht, de bijzondere Persoonlijkheid die zijn eigen klank, zijn eigen intensiteit van leven mededeelt aan de wereld waarin Hij regeert.

Nu is het voor ons ook helemaal niet vreemd meer als iemand ons vertelt van een hel vol lijden. Die hel is geen hel. De hel is alleen een wereld waarin wij komen zonder dat wij in staat zijn onszelf daaraan aan te passen. Het is een wereld waarmee wij niet in harmonie kunnen zijn of komen, die tegengericht is aan ons wezen. Voor die wereld zijn wij een indringer, een verschijnsel dat zich plotseling openbaart – misschien zelfs even fataal als een inslaande bliksem in uw wereld. Die wereld zal dus alles doen om het ons nog onaangenamer te maken dan het al is. Zolang wij in die wereld verblijven, lijden wij. Niet omdat die wereld kwaad is, niet omdat de god die in die wereld regeert een demon is, maar eenvoudig omdat wij niet in staat zijn harmonisch te zijn in deze wereld.

Zo vliedt de hel van ons weg als een onnatuurlijke strafmaatregel van het Goddelijke en keert zij tot ons terug als een foutief richten van de persoonlijkheid, waardoor werelden worden betreden waarin die persoonlijkheid eigenlijk niet kan leven, niet werkelijk meer kan bestaan.

Zo wordt ons de hemel duidelijk. Een wereld die in perfecte harmonie met ons is, die voor ons de volledige vervulling van ons bestaan is. Er is dan geen enkele kracht die ons kan losbreken uit die wereld. Wij zijn daar eeuwig, tenzij wij zelf verder willen gaan.

Ook die hemel van ons kent een god. Die god is niet het Al-scheppend Vermogen. Het is de heersende geest die deze wereld heeft geschapen en haar beheerst door zijn wetten, zijn wezen en zijn uiting.

Als wij in zo’n wereld komen ‑ hetzij hemel of hel ‑ dan zullen wij ons altijd wenden tot de kracht daar en zeggen: “Ziet, dit is God” of: “Dit is Duivel.” Daarmee vervallen wij dan in de waan, omdat wij niet meer kunnen begrijpen dat vele werelden door speciaal voor hen optredende krachten worden geregeerd en dat al deze krachten terugvloeien tot Een.

Indien wij echter het veelgodendom beschouwen, dan zal onwillekeurig de vraag bij u rijzen of het niet verstandig is rekening te houden met die krachten, om deze krachten misschien te eren en zo te trachten hun uitingen zoveel mogelijk harmonisch met uw wezen te doen verlopen.

Het is natuurlijk mogelijk. Maar als gij de wateren wilt maken tot deel van uw wezen, richt gij u dan tot een regendruppel, tot een bergbeek of tot de aarde die de wateren heeft voortgebracht en ze beheerst? Als gij in de luchten wilt zweven vrij als een vogel, wendt gij u dan tot het windzuchtje dat u een ogenblik kan dragen? Wendt gij u tot de stormen of tot de elementen van de lucht zelf? Gij kunt dat ongetwijfeld doen. Maar het beste is u te wenden tot de aarde die de atmosfeer heeft voortgebracht en haar beheerst. Zo is voor ons ook onze ene grote God het Al‑scheppend Vermogen.

Wij mogen rustig de kleine goden erkennen, want de naam die wij eraan geven, maakt niet veel uit. Wij moeten zelfs ‑ willen wij tot de grote God kunnen komen ‑ iets begrijpen omtrent hun wezen en bestaan. Maar het is niet verstandig om ons tot hen te richten. Want als wij de grote God vinden, het Al‑scheppend Vermogen, als wij de wetten en regels van deze ene God begrijpen, die niet zo ingewikkeld en zoveel zijn als alle wetmatigheden door de kleinere krachten geschapen, dan zijn wij indien wij deze gehoorzamen, gelijk aan wat ons eens goden leken. Wie de ware wetten van het Al‑scheppend Vermogen in zich ver­vult en uit, is onafhankelijk geworden van alle andere wetten. Omdat de Goddelijke wet sterker is dan elke persoonlijke uiting van een kleine geest. Omdat de kracht die is gelegen in het vervullen van de goddelijke wetten ons bewust, zeker en krachtig maakt tegen el­ke onharmonische factor, die in een andere geest gelegen kan zijn. Willen wij een perfecte harmonie vinden in het leven ‑ als geest of als mens ‑ een harmonie die geldt in alle werelden, dan kunnen wij die alleen bereiken door in harmonie te zijn met de Al‑scheppende Kracht. Eerst dan wordt ons een bewustwording gegeven, die het ons mogelijk maakt alle werelden gelijk te aanvaarden en te ervaren.

Gij merkt dat ik een weg volg die afwijkt van de wegen der gebruikelijke godsdiensten. Ik mag dit doen, omdat ik filosoferende over het Goddelijke moet komen tot iets dat logischer, redelijker en zuiverder is dan dingen die eenvoudig maar “geloofd” worden. Ik mag ‑ en zo moogt gij, indien gij durft doordenken en de consequenties van deze gedachten durft aanvaarden ‑ alle goden zien en alle demonen die er in het Al bestaan. En ik kan erom lachen, want voor mij betekenen zij dan niets.

Ik weet dat ik verder moet gaan dan enige afdeling in het Al. Ik moet de kern van het leven vinden, zonder verdeeldheid, zonder een differentiatie. En dat kan ik alleen in mijzelf vinden. Ik ben deel van een schepping. De wetten van de scheppende Kracht van mijn wereld heersen ook in mij. Maar als ik met deze wetten in harmonie ben, dan ben ik ook in harmonie met de krachten die mijn Schepper, mijn kleine God, beheersen; de wetten van mijn grote God. En als ik dan alle ingewikkelde verschijnselen achter mij laat en daarvoor in de plaats stel het innerlijk bewustzijn van het Al‑scheppend Vermogen, dan houdt mijn wereld misschien op zo reëel te zijn. Maar daarvoor vind ik een grotere realiteit nl. de scheppende uiting van mijn wezen in overeenstemming met de wetten van het Goddelijke.

Waakzaam zijn

Waakzaam. Wakker. Niet slapen. Waakzaam zijn betekent niet voortdurend waken. Let wel, het betekent: in een toestand verkeren waarin men op elk ogenblik wakend kan reageren. Dit is een van de dinge  die voor de mensheid en voor de geest noodzakelijk is in een leven dat ons steeds confronteert met waarden, waarop wij eigenlijk een gewoon antwoord willen geven, met toestanden waarop wij niet verder willen ingaan, maar die we slechts accepteren. Maar als wij dat doen, dan leven wij niet bewust. Dan kunnen wij nooit ons eigen wezen en de door ons gekozen richting van ontwikkeling tot uiting brengen.

Wij moeten dus waakzaam zijn, opdat wij niet worden overrompeld door de wereld. Wij moeten ons voortdurend bewust blijven van wat wij willen. Wij moeten ons steeds bewust zijn van hetgeen onredelijk is volgens ons beste bewustzijn. Wij mogen ons niet laten verrassen. Wij mogen niet het gevaar lopen dat wij op een gegeven ogenblik plotseling door emoties of door toestanden worden overweldigd.

Leven ‑ en zeker voor de stofmens ‑ betekent voortdurend waakzaam zijn, vooral tegen zelfbedrog. Want de mensheid is maar al te zeer geneigd zich door het lot te laten leiden en dan tot zichzelf uit te roe­pen: Ziet, hoe schoon heb gij dit gewild!

De mens is maar al te zeer geneigd de gemakkelijkste weg te nemen. Hij is al te zeer geneigd een ander te oordelen en zichzelf te vergoelijken. Daarom is waakzaamheid van node.

Elk ogenblik, zelfs in onze rust, moeten wij klaar staan om op elke prikkel te reageren. Elk ogenblik dat vreemd gevaar, dat onver­wachte reacties ons kunnen bedreigen of beïnvloeden, moeten wij klaarstaan om onmiddellijk daartegenover ons wezen te stellen om bewust en redelijk te handelen.

“Wij willen,” zo zeggen wij, “tot God gaan.” Maar alle wegen, die dit leven ons biedt, schijnen ons daarvan af te voeren, tenzij wij bewust denkend de weg zelf kiezen. Laten wij dan zo waakzaam zijn dat wij niet op zijwegen worden geleid; dat wij ons niet door onbelangrijke dingen laten beïnvloeden; dat wij de werkelijkheid niet over het hoofd zien ter wille van een emotie, een gedachte, een kleine vreugde of een beetje gemak.  Wij moeten reëel blijven.

Waakzaam zijn wil niet alleen zeggen, tegenover de buitenwereld. Het wil vooral zeggen: tegenover jezelf voortdurend op je hoede zijn. Soms ben je geneigd om als in een roes voort te gaan en je vraagt je niet af wat de resultaten zullen zijn. Soms ben je geneigd iets naast je neer te leggen en weg te gaan, zonder je af te vragen of het goed is. Soms ben je geneigd vreugdig iets te beginnen. En dan… kom je tot de ontdekking dat het niet juist is geweest.

Waakzaam zijn als je tot God wilt gaan, dat wil zeggen voor jezelf een vaste lijn uitstippelen en voortdurend zorgen dat je hele wezen die lijn blijft volgen. Het betekent: je zwakheden zowel als je deugden kennen.

Als een mens waakzaam is, is het hem mogelijk in zijn leven alle waarden die bewustwording, innerlijke vrede, geluk bedreigen, te elimineren. Een waakzaam mens kan een weg vinden die hem geestelijk vrede en harmonie geeft en hem daardoor in staat stelt stoffelijk alles vreugdig te ondergaan, te dragen en te verwerken.

Als gij mij vraagt te mediteren over het waakzaam zijn, dan denk ik aan een wereld vol bewuste mensen. Mensen die waakzaam zijn t.o.v. zichzelf, die geen ogenblik de zelfbeheersing laten gaan, die geen ogenblik, maar dan ook geen enkel ogenblik zichzelf laten meevoeren door toestanden, door emoties. Mensen die hun doel hebben gekozen en dit ten koste van alles zullen verwerkelijken.

Wij moeten waakzaam zijn omdat in ons de grootste demon schuilt die er in ons leven bestaat, de eigenwaan. Wij menen dat voor ons dit niet nodig is en dat wij dat niet behoeven te nemen. Wij menen dat dít toch wel de enig juiste manier is en dat dat helemaal niet gaat. Wij menen maar steeds dat wij het toch wel weten en dat wij het toch wel kunnen, omdat wij nu wel de juiste weg hebben en een ander niet. Als wij die gedachten eenvoudig in ons laten voortwoekeren, dan worden ze onkruid. Zoals sommige bloemen vreugde brengen in een tuin, maar laat u ze verwilderen, dan zullen ze langzamerhand alle andere groei verstikken.

Zelfbewustzijn dat heb je wel een beetje nodig, maar niet teveel. Vóór alles moet je steeds zien dat jij de wereld niet zo ziet als de wereld jou ziet. Dat jouw wereld en de wereld van anderen verschilt. Je zult zien dat je niet moogt oordelen over anderen en dat je je doel alleen kunt benaderen door jezelf te zijn. Dat vraagt waakzaamheid.

Dat betekent: letten op elke impuls, op elk ogenblik van je bestaan. Dan ben je waakzaam op deze wijze. Dan wordt de waakzaamheid je tot een ontwaken in een grotere wereld. Een wereld waarin meer waarheid en minder waan gezamenlijk je leven vormen. En door de waakzaamheid kun je zo tenslotte komen tot de grootste bewustwording, een wereld van waar­heid, waarin je jezelf kent voor wat je bent en waarin je de wereld ziet in haar ware gedaante. Dan is er geen waakzaamheid meer nodig. Dan blijft het ZIJN alleen over. Maar tot dan moeten wij waakzaam zijn.