Een kleine beschouwing aangaande waarheid

14 december 1958  

Er is eens gezegd door een misschien wat cynisch filosoof: “De waarheid is datgene, wat men meent te bezitten, wanneer men zich vergist.” Waarheid schijnt een ongrijpbare factor te zijn, omdat waarheid op zichzelf zo enorm uitgebreid en gelijktijdig zo enorm eenvoudig is, dat het zich doodgewoon aan de voorstellingsmogelijkheden van de mens onttrekt. Nu heeft men natuurlijk van het begin van de denkende mensheid af, dus van de Witte Orde van Atlantis af voortdurend zich bezig gehouden met de waarheid. Niet zozeer met de waarheid op zichzelf, maar om te begrijpen wat nu eigenlijk waar is van al hetgeen de mensen op aarde beleven, wat de inhoud is van begrippen, die wij tegenwoordig noemen: God, eeuwigheid, wereld, enz. En mij dunkt, dat je pas over Bethlehem kunt gaan praten, wanneer je enig begrip hebt van de waarheid omtrent de verschillende werelden. Waarheid ook omtrent de eigen toestand en je eigen mogelijkheden. En dan grijp ik maar meteen heel ver terug en citeer u een stukje, dat is geschreven over de waarheid van de wereld. Ik zeg het maar om in moderne taal ik, hoop, dat u me dat niet kwalijk neemt want dit bloemenschrift is nogal moeilijk te vertalen. Als ik dat woordelijk moet vertalen, wordt het onbegrijpelijk. Daar gaan we dan:

De wereld is opgebouwd uit de gedachten der mensen. Wij moeten echter aannemen, dat er een stoffelijke werkelijkheid bestaat. Deze is als het gebeente of geraamte, waaromheen de gedachten (vlees, spieren en zenuwen) staan. Evenzeer als het gebeente in zich niet leeft, maar de steun is van het leven, zo is de waarheid van de wereld de steun, waaruit de schijnwerkelijkheid van het menselijk bestaan wordt geboren.

Ik geloof, dat ik het daarmee eens kan zijn. Van uit ons standpunt gezien zijn uw wereld en vele andere lagere werelden een voortdurende wanorde van gedachten, die van voldoende verstand gezien gezamenlijk een bepaald beeld geven. Een gemiddeld beeld, waarvan we echter weten, dat het voortdurend variabel is. De waarheid kan niet variabel zijn; dus is het beeld niet waar. Aan de andere kant vinden we, dat de stof voortdurend bepaalde beperkingen oplegt omdat ze ook voortdurend bepaalde mogelijkheden geeft: Zover we kunnen nagaan is er geen enkel ogenblik geweest, waarin die mogelijkheden van de stof niet bestonden; is er geen enkel voorbeeld te vinden van een wezen in de stof, dat niet aan deze beperkingen onderhevig was. Daaruit trekken wij de conclusie, dat wat we stofwereld noemen, een reeks van beperkingen oftewel richtlijnen is, waarbinnen het bewustzijn van mens en geest zich bewegen moet en kan.

Nu vraag je je natuurlijk onmiddellijk weer af: Maar wat is dan de waarheid van de geest? En dan moet ik een heel eind in de geschiedenis naar het heden toe gaan en kom ik in een periode van ongeveer een 3000 jaar, 4000 jaar geleden. Daar is n.l. een filosoof, die een hele studie maakt over de inhoud en het wezen van de geest. En ook deze keer is het schijnt nogal vaak voor te komen ietwat somber. Hij zegt n.l.: “De geest is de reeks van wanbegrippen, die de mens scheidt van de grote werkelijkheid.”

Nu zou daar wel iets tegen in te brengen zijn. Maar….hij heeft toch ook wel weer gelijk. Want datgene, wat wij als geest beschouwen, is een reeks van denkbeelden. Waar die denkbeelden in bevat zijn ja, goed, misschien mogen we dat ook geest noemen. Maar de begrenzing, de inhoud, de grootte  kortom alles, wat wij als eigenschap van de geest kennen, wordt bepaald door de gedachten. Hoe intenser die gedachten zijn, hoe intenser de geest wordt. Brengen wij echter alle gedachten terug tot één hoofdgedachte, dan is die geest verdwenen; een punt in de ruimte geworden. Wanneer we dan verder geloven en dat is een geloof, dat ook al heel oud is dat het ons doel is om één te worden met de Schepper op de een of andere manier, dan is eigenlijk die hele geest met al haar bewustzijn iets, wat ons daarvan verwijderd houdt.

Nu vinden we echter rond 1200 v. Chr. in Spanje een denker, die de functie van de geest probeert te omschrijven. En hij stelt dan dit: De geest, is het  wezen, dat uit de gedachte de perfecte vormgeving van de ziel doet ontstaan.” Deze meent dus klaarblijkelijk, dat die beperkingen niet alleen zijn gegeven, omdat het wezen voor zichzelf moet kunnen  denken of handelen, maar ook als een instrument, een werktuig, waarmee de zielskracht of de goddelijke kracht in de mens wordt aangepast aan het Goddelijke.

De bouwmeesters van de Nôtre Dame hebben er ook een eigenaardige opvatting over, ofschoon deze naar ik meen niet algemeen bekend is geworden. Zij stellen n.l. dit: Datgene wat de mens zijn geest of zijn ziel noemt – zij maken er geen onderscheid tussen – is een verzameling van engelen en demonen. Wanneer deze teniet zijn gedaan, blijft alleen God over. Zo is de geest (of de ziel) het strijdperk, waarin de tegendelen van de schepping elkaar trachten te overwinnen.

Dat is allemaal heel aardig en ook alweer tamelijk juist. Maar waarom dan de gedachte aan Verlossing? We kunnen nu met Kerstmis wel over het Kerstkindje gaan praten, en over de ster uit het oosten, over de wijzen en al wat erbij hoort. Maar de vraag blijft; waarom een verlossing? Als die wereld voor ons grotendeels waan is, als onze geest alleen maar een reeks van tegenstellingen is, die elkaar bestrijden, waar blijft dan de werkelijkheid? Wat is dan de zin van het leven en van het bestaan? Het antwoord, hierop te geven, is: Een verlossing is in feite een soort wapenstilstand tussen de strijdende partijen in ons wezen.

Over het algemeen ben je zwaar tegen jezelf verdeeld. Je gedachten en al wat erbij hoort komen voort uit een reeks van tegenstellingen, die in je bestaat. Je opvatting van de wereld, het valse, het waanbeeld, dat je van de wereld krijgt, dat is toch m.i. ook alleen maar een kwestie van verkeerde voorstelling. Dus wanneer er een soort wapenstilstand is, is er sprake van verlossing. Want op het ogenblik, dat de tegenstrijdigheden ophouden te bestaan, zijn we bewust van hetgeen werkelijk is, Onze werkelijkheid wordt niet geboren uit onze strijd maar uit de overwinning, waardoor de strijd ophoudt te bestaan.

Dan kan een geboorte op Kerstmis geen werkelijk belang hebben. Het kan hoogstens symbolisch gebruikt worden als een argument in de strijd, die in ons woedt. Dan kan er nooit gesproken worden over een kosmische werkelijkheid, zolang wij menen, dat tegenover die kosmische werkelijkheid nog een andere werkelijkheid staat. Dan kan er nooit gesproken worden over naastenliefde als een bereiking maar hoogstens als een weg. Want als we de grote ingewijden nagaan, dan horen we steeds weer, dat alle dingen één zijn. De Schepper heeft de wereld geschapen en alle dingen waren één en perfect. God heeft Zich in de schepping Zijn tempel gebouwd. En in Zijn tempel voegt het geheel der schepping zich samen, uitende Zijn eer en glorie, bevattende Zijn wezen.

Daar kan ik het mee eens zijn. Maar als vergelijking wordt hetzelfde ook op de mens toegepast. De mens is de tempel Gods, zo zegt men. Ja, maar als ik een tempel Gods ben voor mijzelf en ik moet de gehele schepping als een tempel Gods zien, dan moet er een overeenstemming te vinden zijn. Of een van de twee beelden is fout, of de overeenstemming moet bestaan. En in de gedachten van alle eeuwen, vinden we steeds weer bepaalde vingerwijzingen, die ons doen vermoeden, dat die overeenkomst toch wel reëel is.

Als we nu gaan kijken naar een mens, dan vinden we hem natuurlijk ten eerste opgebouwd uit verschillende bestanddelen. Wij noemen dat altijd; ziel, geest en stof. In de tweede plaats ontdekken we, dat de ziel niet nader te bepalen is. Ze is de inhoud. Het is net als de – hoe moet ik dat zeggen – de ruimte in de kathedraal of in de kerk. In de derde plaats vinden we, dat de gedachten willekeurig zijn en aan de werkelijkheid onttrokken. Ze zijn niet realistisch of reëel, integendeel, een zee van droombeelden, die echter de lege ruimte in ons a.h.w. omgeven, sieren en gelijktijdig enigszins beperken. We mogen dus misschien de gedachtewereld (het geestesleven) dan gaan beschouwen als de reeks van beelden en muurschilderingen, die in een kathedraal gebruikt worden om de sfeer en de inhoud te geven aan deze plaats van bijeenkomst. En de stof dan? Ja, de stof lijkt ons zelfs niet de muur te zijn. Ik geloof, dat het denken de muur is, die we bouwen. Daarbuiten ligt de stof! Een werkelijke wereld, die echter alleen haar zin ontleent aan hetgeen in de kerk, in de kathedraal bevat is. Ik hoop, dat u het beeld niet te ingewikkeld vindt.

De conclusie, waar ik toe kom, is deze: De werkelijkheid in ons is een leegte, die we wel kunnen begrenzen, maar niet kunnen begrijpen. Onze denkwereld is datgene, waarmee we die begrenzing vorm geven, maar ook schoonheid en inhoud. Wij scheppen a.h.w. voor onszelf het beeld Gods, ook wanneer dit slechts een uiterlijk omhulsel is. Met ons bewustzijn hebben we verder een scheiding gezet tussen de God in ons en datgene, wat buiten ons bestaat. Of dit “buiten ons” ook God is, interesseert ons niet. Slechts datgene wat in ons is, is voor ons reëel goddelijk. En daarnaast niet als God erkend zien we dan het totaal van de werelden, waarin we bestaan. En dat zijn vele sferen en vele werelden. Ook wanneer uw stoffelijke wereld u op het ogenblik misschien vast van vorm, beperkt en begrensd en reëel lijkt, zo zult u ontdekken, dat wanneer u overgaat vele andere werelden de plaats daarvan kunnen innemen. Dan mogen we dus ook nog stellen, dat die buitenwereld variabel is.

Als nu de God in ons Zich spiegelt in de God buiten ons, of deze Beiden als een eenheid beschouwd worden, dan blijkt hieruit n.l. dat alle werelden buiten ons identiek kunnen worden geacht aan hetgeen ín ons  leeft, zodat onze eigen gedachten, de sierselen, die in ons wezen ontstaan zijn, gelijktijdig de bepaling zijn van de wereld buiten ons.

Komen wij nu tot naastenliefde, komen wij tot zelfoverwinning, tot een zuiverheid, een harmonisch leven, dan zullen we daarmee dus de God buiten ons en de God binnen ons, tot grotere eenheid maken. Wanneer die God meer een wordt, zullen onze gedachten nog steeds beperking blijven. Ze zullen nog steeds de vorm bepalen van alles, wat wij als God kunnen erkennen. Maar als de God in ons en de God buiten ons zover samenvloeien, dat wij daartussen geen verschil meer vinden, omdat wij onszelf identificeren met alle wereld buiten onsen de God daarin dus kunnen ervaren, dan mag m.i. ook worden gesteld, dat buiten alle denken en buiten alle rede om de werkelijkheid ervaren wordt, n.l. God.

De waarheid is althans m.i. niet met een gedachte of een woord uit te drukken. Zij is te ondergaan in het innerlijk wezen; en vanuit dit wezen wederom te ervaren. Het is dus een ervaring ín en buiten ons, die op de duur zo samenvloeit, dat het eigen wezen zijn begrenzingen vergeet en daarin de absolute eenheid kan bereiken met  de waarheid, de waarheid Gods, die mijnentwege uit honderd verschillende krachten bestaat, maar voor ons in deze krachten één is. (Een tamelijk ingewikkeld betoog misschien, maar ja, voor een enkele keer zal u dat geen kwaad doen.)

De gedachte, die zich daar onmiddellijk bij voegt – bij mij althans – is deze: Wanneer de mensheid die waarheid dus zo zelden beseft, wanneer het zo moeilijk wordt voor de mens om uit dit strijdtoneel van verschillende gedachten en impressies iets van de waarheid te bevatten, dan heeft hij toch eigenlijk weinig reden om het kind in de kribbe als zijn verlosser te zien. Waarom doet hij het dan toch? En dan meen ik, dat we hier moeten uitgaan van de stofmens.

De stofmens voelt zich als kind gelukkig. Tenminste dat meent hij later, omdat de felle zorgen, de felle pijn maar ook de felle vreugden van de jeugd vergeten zijn en alleen overblijft. In het voorstellingsleven van de volwassene de intense geborgenheid, waarin hij gedragen door de wereld de wereld leerde kennen. De mens wil niet denken aan zijn verlossing en aan zijn bewustwording als een strijd. Hij kan niet Golgotha zien als het probleem, waarin de waarheid wordt geopenbaard. De strijd n.l. tot zelfvernietiging, waar juist het werkelijke leven in de vernietiging pas begint, omdat wat vernietigd wordt slechts een reeks van denkbeelden en voorstellingen is maar niet de essence, waaruit men bestaat. Neen, hij zoekt het eerder in de kleinheid, in de geborgenheid en in de bekrompenheid. Vertederd schouwt hij neer, maar vlucht daarmee terug op de weg naar God.

Misschien dat ik dat “terug op de weg” ook nog duidelijk moet maken. U weet, dat de stelling bestaat, dat we uitgaande van God een bewustzijn opbouwen, door dit bewustzijn onszelf bewust worden van de taak, die de Schepper voor ons speciaal in Zijn schepping eeuwig heeft uitverkoren en zo voor onszelf bewust datgene verwerkelijken, wat God als schepping in ons heeft gelegd. Dus we waren reeds volmaakt, voordat we begonnen aan een bewustwordingsgang, die ons deze volmaaktheid ook zou doen ervaren. Het kind nu is de mens vóór de strijd, voor de worsteling om volmaaktheid. Volmaakt in zichzelf, volledige uiting Gods. En de mens zoekt daarnaar terug. Want hij is bang voor de strijd, voor de zorgen, voor de problemen, die het bereiken van de volmaaktheid door middel van de strijd inhouden.

De waarheid van Kerstmis is eigenlijk, dat de mens zich juist zo zeer laat vertederen door het kerstgebeuren, omdat hij bang is voor het  leven. Dat is mijn waarheid. Zij behoeft niet identiek te zijn met de uwe. Maar ik geloof, dat er veel van waar is, voor iedereen, want wanneer wij werkelijk willen streven tot de ware God en ons bewust worden van de goddelijke waarheid de intensiteit van ons eigen bestaan in God en gelijktijdig de grootheid van het Goddelijke, waarin wij a.h.w. verzinken dan moeten wij daarmee alle zorgen, alle leed, alle strijd, die het leven maar bieden kan, accepteren, verwerken en voor onszelf inhoud geven.

Het is niet voldoende om het leven alleen maar te ondergaan, het alleen maar te doorstaan. Het moet aanvaard, beleefd, tot eigen werkelijkheid worden gemaakt. De mens, die lijdt, moet dat lijden als het ware vrijwillig accepteren, moet het doormaken in de volheid van zijn wezen, zijn kracht en zijn ziel. Dan pas heeft het werkelijke betekenis. En daar is de mens bang voor. Wanneer het niet anders kan, dan ondergaat hij zijn lijden en zorgen en nood en ellende. Natuurlijk. Maar hij, kan niet zeggen: “O, dit is dus de goddelijke vorming,” die in mij geschiedt, doordat strijdige elementen in mijn wezen zich t.o.v. elkaar elimineren en zo mijn buitenwereld tot een andere gestalte, een andere gedaante brengen.” Dat durft hij niet aan…. Ja, als ik dit zo zeg, moet ik zo langzamerhand tot mijn laatste conclusie komen. Dat is misschien een erg pijnlijke: Voor negen  van de tien mensen, die Kerstmis vieren, is dit feest niets anders dan een poging om het zelfbedrog te vergroten. Want zij willen niet de realiteit van die geboorte aanvaarden; n.l. dat dit het begin is van een vrijwillig gedragen lijden, een vrijwillig aanvaard streven en werken, dat zal culmineren (of misschien wilt u zeggen ontaarden) in een pijnlijke kruisdood, zoals er maar weinige zijn. Zoals bij u het begin van het leven moet brengen een vrijwillig aanvaarden van alle mogelijkheden en taken in dat leven, zodat u langs verlies, leed en zorgen misschien meer dan voorstelbaar uiteindelijk de zuivere essence Gods voor uzelf hebt leren kennen, ook wanneer het leven u daarvoor veel processen laat doormaken.

Ik weet niet of u wel eens een kraakinstallatie hebt gezien. Dat is zo’n heel grote koker, waarin de ruwe oliën aan verschillende processen worden onderworpen en men door verschillende verhittingen en bewerkingen er o.m. benzine enz. enz, uithaalt. De grondstof is er. Maar die grondstof wordt ontleed in haar verschillende bestanddelen. Dat is hetgeen het leven met u doet. Alle bestanddelen, waaruit uw leven bestaat, waaruit uzelf bestaat, zijn deel van God. Maar voordat ge kunt begrijpen, wat elk van die bestanddelen is, moeten ze eerst van elkaar afgehaald worden. En zo is een groot gedeelte van het menselijk leven in waarheid bestemd niet om de eenheid op te bouwen maar om de onderdelen van elkaar af te zonderen, zodat een overzicht kan worden gewonnen.

Een totaalbeeld van de mens over zichzelf is haast onmogelijk. En wanneer hij het bereikt, heeft hij nog de werkelijkheid niet gevonden, omdat hij niet begrijpt, hoe de verschillende dingen in hem functioneren. Maar wanneer hij de inhoud van zijn geestelijke en stoffelijke krachten, de inhoud van zijn wereld en zijn wereldbeeld samen weet te zien in de juiste verhoudingen, kennende elk van hen met eigen capaciteiten en mogelijkheden afzonderlijk, dan vindt hij de verlossing. Dit scheidingsproces, waarbij hij nu afstand doet van dit, dan van dat en waarbij hij toch al die dingen moet trachten terug te winnen in een of in meer levens, in een sfeer of in vele sferen, tot elk van hen afzonderlijk behouden en bevat is in eigen wezen….., dat is hetgeen waarvoor de mens vlucht, en waarvoor menige geest ook vlucht.

Er bestaat een verlossing. Maar die verlossing is niet gelegen in de sentimentaliteit van Kerstmis en zelfs niet wanneer u het mij vraagt in de tragiek van een Paasfeest. Het is gelegen in de persoonlijke strijd, waarbij de mens zichzelf zozeer ontledende, de geest zichzelf zozeer erkennende, dat er geen verschillen met de omwereld meer mogelijk zijn zich kan identificeren met het grote totaal van de goddelijke Kracht, die men waarheid noemt.

Dan wil ik dit besluiten met een laatste citaat. Toen men de Gautama Boeddha eenmaal vroeg, wat de waarheid van het leven was, gaf hij een antwoord, dat voor een westerling misschien erg dwaas lijkt, maar volgens mij de grootste wijsheid is, die er bestaat: “De waarheid is het ledig Niet, waarin de angsten zijn gestorven, de begeerten vervluchtigd. Een Zijn, waarin vorm noch kracht bekend is en dat toch in zichzelf doel is van het bestaan.”

Dan geloof ik, dat ik hiermede mijn mening over waarheid kenbaar heb gemaakt. Ik hoop, dat ik u niet heb verveeld. En wanneer u het eens wilt overdenken, dan meen ik, dat er toch voor uzelf ook wel hier en daar een aanduiding kunt vinden, die voor u belangrijk is.

o-o-o-o-o

Als ik zo de abstracties hoor over de waarheid, dan denk ik zo bij mezelf: “Was het nou maar waar, dat we die waarheid hadden. Maar waar vinden we haar?” Want u moet me niet kwalijk nemen, dat we de praktijk toch eigenlijk moeten stellen naast de op zichzelf misschien volkomen ware abstractie. En nu kan het best zijn, dat we allemaal een soort strijdtoneel zijn van tegenstellingen. Maar aan dat feit op zichzelf heb je niets. Wanneer iemand mij met een knuppel op mijn hoofd zou slaan – dat is me vroeger wel eens gebeurd – dan heb ik er weinig aan, dat ik weet: dat is de ontmoeting tussen die knuppel en mijn hoofd, die deze zenuwschokken en pijn in mij veroorzaakt. Ik heb er veel meer aan, wanneer ik weet hoe ik ofwel de pijn kan voorkomen of in ieder geval zo gauw mogelijk weer van die hoofdpijn kan afkomen, die als gevolg van deze ontmoeting tussen dode en levende materie ontstond.

Dus wat is nu de waarheid in de praktijk? (Ja, als je me vervelend vindt, dan zeg je het dadelijk maar, dan leg je me maar het zwijgen op. Dus je hebt de kans om te interrumperen. Maar dan zal ik van mijn kant eens gaan beginnen.) Wat is hetgeen ons in het leven het meest kwaad doet? Ontevredenheid. Wanneer we ontevreden zijn, dan denken we, dat we tegen de wereld beginnen te foeteren. Maar in feite doen we het tegen onszelf. Hoe harder je scheldt tegen de mensen buiten je, hoe minderwaardiger je jezelf van binnen voelt. Een eigenaardig verschijnsel, maar het is waar. Dus punt een van de waarheid zou ik willen noemen: Probeer te komen tot een zekere tevredenheid, waardoor je niet in een voortdurend gevecht gewikkeld bent met een buitenwereld, terwijl je de meeste schade van binnen aanricht.

In de tweede plaats: Als mens ben je nogal eens geneigd om jezelf te zien als een uitzonderingsgeval. Je begrijpt wel, dat anderen diezelfde zorgen ook wel hebben; maar als jij ze hebt, dan is dat toch wel iets heel bijzonders! En juist omdat we dan onszelf toch altijd als meer getroffen, meer van belang beschouwen dan de rest, krijgen we weer een verschuiving. Want dan zeggen we: “Ja, ik vind het erg, dat die ander er zo beroerd voor zit, hoor. Dat hij zo ziek is.” Maar als je het zelf bent dan zeg je: “Wat een schreeuwend onrecht, dat dat mij gebeurt!” Daar ligt nu het verschil. Probeer dus, als je de waarheid wat naderbij wilt komen, eens geen verschil te maken in je beoordeling van toestanden en mogelijkheden en ellenden tussen jezelf en een ander.

In de derde plaats is mijn persoonlijke ervaring geweest, dat een mens over het algemeen geneigd is om zijn eigen mening zeer heilig te houden boven die van alle anderen. Nou is dat natuurlijk wel je goed recht. Maar als je dat nou gaat, doorvoeren op het terrein van de kleinigheden, dan is het gevolg over het algemeen voortdurende ruzie. Als ik alleen denk aan het aantal bedpredicaties en boetpredicaties (die waren bij ons identiek), die ik van mijn vrouw zaliger te verwerken heb gekregen, dan weet ik wel, dat juist die eigenzinnigheid de rust ten zeerste kan verstoren. En het beroerde is, als je geen ander hebt om tegen je te preken, dan doe je het wel tegen jezelf.

Op het ogenblik, dat je jezelf te belangrijk acht, gaat het niet goed in de wereld. En op het ogenblik, dat je jezelf te onbelangrijk acht, deugt het ook niet. Want in allebei de gevallen verstoor je als het ware het evenwicht. Zeg, dat je kapitein bent. Goed. Dan moet je niet proberen op te treden alsof je generaal was. Maar je mag je ook niet vernederen tot de ietwat barse jovialiteit van een sergeant. Je moet proberen om jezelf te zijn. Dat betekent, dat je jezelf niet te laag mag aanslaan, maar dat je het ook niet te hoog mag doen. Wanneer je probeert dat te zijn, wat je volgens je eigen beeld maar ook volgens de wereld bent en die twee zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming brengt, dan heb je alweer een stukje meer vrede gevonden. En als nu mijn voorganger staat te vertellen, dat de waarheid verborgen wordt achter de strijd van de gedachten, dan zeg ik: “Nou, laten we die strijd dan eerst maar eens een klein beetje stop zetten. Dan komt er vanzelf wel wat meer bruikbaars naar voren.”

Ja, en dan zitten we ook nog altijd erg in de knoop met onze ideeën van wat wel en wat niet mag. Nu zult u er misschien om lachen, maar er zijn mensen geweest, die schuldbewust waren alleen omdat ze een ietwat minder fraaie dame van het gezelschap hadden uitgescholden voor: “tjitjak kering.” Dat was natuurlijk niet erg mooi en niet erg passend, maar het was niet erg belangrijk. Maar dan leren ze zo iemand verder kennen en dan denken ze: Neen, “gedroogde hagedis” is het toch zeker niet. En dan gaan ze proberen het goed te maken. Door het goed te maken gaan ze juist de persoon in kwestie wijzen op het onrecht, dat ze hebben aangedaan, waardoor ze nog veel erger in de puree komen. Dat is ook een persoonlijke ervaring van me geweest.

De conclusie, die je hieruit moet trekken, is wel deze: Je zult soms door impulsen en emoties wel eens een enkele keer iets zeggen of doen, wat eigenlijk onrechtvaardig is. Maar als nu een ander het niet heeft gemerkt, dan doe je verstandiger om je mening eenvoudig te herzien en te proberen dus een meer ware situatie te aanvaarden zonder daadwerkelijk boete te doen. Het feit, dat de mensen boete doen voor dingen, die in de ogen van anderen geen zonde zijn, brengt hen meestal in een parket, waardoor ze grotere schuld volgens eigen inzicht op zich laden. Laten we dat dus vooral trachten te voorkomen.

Dan ja, ik zit zo’n beetje te praten uit m’n eigen leven, uit m’n eigen ervaringen ook mee heb ik nog iets anders geleerd en dat is: Probeer altijd als je boos bent zo gauw mogelijk weer niet boos te worden. Een mens, die boos is, uit n.l. maar één kant van zijn wezen. Het gevolg is, dat de andere kant protesteert en dat je innerlijke strijd en ellende veel groter worden dan noodzakelijk. Leer negeren, wanneer het nodig is. Per slot van rekening als je in een winkel komt, koop je ook niet alles. Dan koop je alleen wat je bevalt. De wereld rond je heeft een hele hoop ervaringen. Neem daarvan de ervaringen, die bij je passen, die je bevallen. En negeer de rest, maar erger je er niet over en word er niet kwaad over, Heus, en zo’n ergernis heeft mij eens een keer niet alleen zo’n mooi kindertrekwagentje van f 1.15 gekost maar ook nog een mooie nieuwe strohoed van f 0,87.  Dus dat is kostbaar zowel in de stof als in de geest, en daarmee heb ik dan zo’n paar aanduidingen gegeven van wat voor mijn idee stoffelijk belangrijk is om de richting van de waarheid in te slaan, Maar dan hebben we ook nog de geest. En als ik uit mijn eigen ervaringen verder mag putten…..ja, ik hoop, dat dat kuchje geen kritiek is, hé; dat je zegt: “Nou, hou nou maar op.” Je mag het zeggen, hoor. Neen? Nou goed.

Kijk eens, m’n geestelijke ervaring is, dit: We zijn vaak zo erg bezig vooral geestelijk met de details, dat we geen oog overhouden voor de grote lijnen. Dan vinden we vele kleine dingen, die op zichzelf mooi zijn, maar als we ze bij elkaar leggen, dan is het een afzichtelijke wanorde geworden. Als u uw kamer inricht, dan moet u een zekere stijl hebben of althans een zekere harmonie van vormen en kleuren onderling, nietwaar? Nou, stel je nu voor, dat je een grote kamer gaat inrichten en dat je zegt: “Dit is een mooi meubel, dat is Queen Anne, en daar vind je een ander, dat is Louis Seize, en dan vind je daar een andere stoel, dat is Quakerstyle,” Dat zet je allemaal bij elkaar: Dan haal je bricabrac bij elkaar van de meest oosterse dingen tot de fijnste Sevresfiguurtjes toe. “Je belegt het met echte Mechelse kant en zelfgehaakte antimakassertjes. En wat heb je? Een afzichtelijkheid, een monstruositeit. Toch kan elk van die dingen op zichzelf mooi zijn.

Kijk, dat is nou het gevaarlijke van ons. We vinden sommige dingen mooi en dan zeggen we: “Daarom willen we die behouden, dat hoort bij ons.” Maar we kijken niet, of die dingen wel bij elkaar passen. Je maakt voor jezelf vaak een geestelijke wanorde en dan moet je beginnen om stuk voor stuk die dingen, waar je van houdt, weer af te staan. Net zo lang totdat eindelijk harmonie ontstaat. Dus zowel geestelijk als stoffelijk, hecht je nou niet te veel aan bepaalde concepten en voorstellingen. Probeer vóór alles geestelijk een harmonisch beeld te bereiken. En als iets niet past, al is het nog zo mooi, leg het dan op zij. Zeg: “Het is mooi, maar voor mij heeft dat geen zin.” Op die manier  kun je alle dingen waarderen en toch zorgen, dat je eigen huishouden van binnen in orde blijft.

In de tweede plaats: Verwacht nooit geestelijk wonderen. Het beroerde is, dat we meestal het idee hebben, dat je geestelijk ineens hoogbewust wordt. Of dat je ineens wordt opgeheven tot in de hoogste hemelen, enz. Ook al neem je dan aan, dat ge later weer naar beneden komt. Maar als we die wonderen gaan verwachten, dan zijn we net als die mijnheer, die de illusie had, dat de lift liep. Hij stond beneden te wachten en de liftkooi stond in de kelder in reparatie. Hij heeft daar vier dagen staan wachten, terwijl er een trap was, die hem in een half uur boven had gebracht. Zo gaat het ons ook vaak. Wij wachten geestelijk op het wonder, op de verheffing. En we begrijpen niet, dat we ideetje na ideetje, stellinkje na stellinkje ook op dezelfde hoogte kunnen komen. Wie wacht op het wonder zal geestelijk gezien zichzelf doemen te leven in een wereld vol van schaduwbeelden en nevelen, waarin geen werkelijke openbaring, geen werkelijk beleven van licht en wereld is.

Ze zeggen wel eens: “De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens.” Nou, dan zal ik het je nog anders zeggen: “Voor de meeste mensen is de weg naar Schemerland en Schaduwland geplaveid met een te groot vertrouwen in God en een te weinig zelfwerkzaam zijn.” Nou, wanneer we dat weten, dan zullen we ook proberen om dat te voorkomen. En dan behoeven onze ideeën geen gouden waarheid te zijn, nietwaar? Als de trap niet van marmer is en hij is een ladder, dan kunnen we ook naar boven komen, ook al zijn de sporten van hout en zelfs misschien niet helemaal stevig meer. En als het nodig is, kunnen we een touwladder ook gebruiken. Als we maar komen waar we moeten zijn, laat ons niet proberen om elke gedachte te toetsen op haar gouden inhoud zonder meer. Maar laten we haar beschouwen als iets, wat ons krengen moet tot een grotere afstand van die vormvoorstellingen en die beperkingen, waarin we zitten.

En dan heb ik nog een goede raad. Dat is n.l. dit: Vreugde is het beste voedsel voor de geest. Lijden is hetgeen de geest het scherpst laat zien wat ze verworven heeft. Wanneer je bang bent, dat je geestelijk leeg bent, probeer dan blij te zijn in het leven. Wanneer die blijheid je voldoende inhoud geeft, dan komt vanzelf wel dat ogenblik, dat je je daarop moet bezinnen, dat je moet gaan putten uit die reserves. En dan zul je wel weten, wat je betekent, Maar wees vooral een beetje blij in het leven. Ook al ratelen die mensen naast je voortdurend onzin, ook al zijn die buren voortdurend aan het stommelen of speelt iemand net Boyd Bachman, terwijl jij Beethoven wilt horen. Maak je daar niet druk over. Probeer zoveel mogelijk blijheid te vinden in het leven. Want dat is het, waardoor je geest het goede, het werkelijke achter de schijnvorm puurt. En wanneer het dan eens een keer zover komt, dat je zelf niet verder kunt en dan krijg je de tegenstelling, dus lijden dan zul je merken, dat je door dit vreugdige van vroeger in staat bent niet alleen om het lijden te dragen maar om het te overwinnen en te doen verkeren in nieuwe vreugde.