Een korte samenvatting

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 76 slot

11 augustus 1957

Bij deze  bijeenkomst  wil ik trachten een korte samenvatting te geven van het vele, dat wij in het afgelopen jaar in deze bijeenkomsten met U mochten behandelen. Wij hebben ons hoofdzakelijk gewend tot de christelijke leer en wel speciaal de geheime leer, die Jezus aan zijn leerlingen heeft gegeven. Nu is het natuurlijk moeilijk een lering, die zoveel inhoud heeft, in enkele woorden weer te geven. Ik kan moeilijk citaat na citaat aaneen gaan rijen en moet wel met eigen woorden spreken om zo duidelijk te maken, wat Jezus heeft geleerd en wat voor ons één van de belangrijkste stellingen is, die er in het geestelijk leven op aarde zijn geopenbaard.

De kern van alle dingen is de naastenliefde. Jezus’ gehele leer is op liefde, kosmische liefde gebaseerd. Wie zichzelf verloochent ommentwille van een ander, bevestigt zichzelf. Want ziet, in die ander leeft hij, zoals hij leeft voor zichzelf. Te komen tot een beleving van het eigen “ik” in de veelheid van levende wezens, betekent God naderbij komen in de Vader, Die leeft in alle wezens en Zich openbaart in allen. En zo werkende voor dezen werken wij voor de Vader.

Indien wij echter willen komen tot een bereiking, waarbij de Vader Zich kan openbaren in ons wezen, zodat men in staat is alle nuchtere wetenschap een ogenblik terzijde te stellen, daartoe geloof ik in de grote weg, die deze bereiking mogelijk maakt. Te geloven wil zeggen: aanvaarden in onomstotelijke zekerheid in jezelf. Wie zo gelooft kan buiten alle redelijke en menselijke vermogens om met de kern van zijn wezen contact krijgen met de grote Schepper. Diens krachten te openbaren volgens Zijn wil, opdat alle schepselen hierdoor nader tot Hem worden gebracht, moet worden gezien als het edelste doel van men en geest.

Wie zich afvraagt: “Wie is mijn naaste?” realisere zich, dat een ieder zijn naaste kan zijn op het ogenblik, dat deze niet Uw vijand is in God, in de Vader. Een vijand in de Vader, een vijand in God, vinden wij geopenbaard in elk wezen, dat ons door zijn handelingen en wezen wegvoert uit het contact met het Goddelijke, dat wij begeren.

Er zijn vele wetten gegeven op aarde, die eigenlijk onbelangrijk zijn. Jezus verkondde uitdrukkelijk: “Ziet, ik ben U het nieuwe Verbond en daarmede het einde van het oude Verbond.” Alle wetten vallen weg voor de grote wet der naastenliefde.

Echter is het niet voldoende de wet der naastenliefde alleen te erkennen. Wij moeten alle leven erkennen en alle geestelijke kracht in ons samentrekken en openbaren. Daartoe kan volgens de leringen gegeven aan de kleine groep, waar van Johannes het hoofd was als volgt te werk worden gegaan:

Indien gij zegt: “Ik geloof en ik handel niet uit mijzelf maar uit de Vader,” zo zult gij in al Uw handelingen de kracht des Vaders voor de daden des Vaders kunnen gebruiken.

Indien gij verdergaat en U afvraagt: “Waar is de vrede, die ik vinden kan?” zo bedenk, dat alle vrede ligt in het vervullen van de wil des Vaders. Want zo gij Zijn wil vervult, is Hij in U en Uw wezen vervullende is Hij U de vrede en de heerlijkheid.

Indien gij U afvraagt: “Waarheen voert mijn weg?” zorg niet noch bekommer U om hetgeen morgen kan gebeuren. Ga heden Uw weg, zoals gij meent, dat gij deze moet gaan om de wil des Vaders te vervullen. De weg zal zichzelf uitstrekken, geleid door de wil des Vaders door al Uw dagen en gij zult zo volvoeren wat ge volvoeren moogt.

Zeg niet: “Bezit is mij een noodzaak.” Want bezit niet de Vader alle dingen? Zo zonder de armoede te aanbidden, maar ook zonder de rijkdom te vragen neem wat Uw behoefte is. Neem niet ten koste van anderen, maar neem wat U gegeven wordt, wat ge U verdienen kunt met Uw handen en Uwe daden.

Echter mag de kracht des Vaders niet beloond worden, niet aan U. Want dat, wat U om niet is gegeven, zult gij geven om niet. Doch zo gij moet leven om de kracht des Vaders te uiten, zult ge vragen, dat men U het leven geeft en al wat daartoe nodig is. Wat U gegeven wordt aan levensbehoeften ommentwille van het werk des Vaders, is een gave Gods.

Indien gij een ogenblik in stilte kunt zijn, luister naar de Vader. Spreek niet tot Hem. Doch zo Uw hart vol is van kommer en zorgen en gij niet in stilte kunt luisteren, spreek tot de Vader, opdat Hij U de vrede geve, waardoor gij Zijn aanwezigheid moogt ervaren.

Bedenk, één is de wil des Vaders, maar niet één zijn de openbaringen, die Hij heeft gegeven, noch één de wetten. Want Hij heeft gegeven aan elk volk volgens diens kunnen, gegeven aan elke mens volgens diens vermogen tot aanvaarden. Zo zult ook gij bevrijd van volk en ras, zijnde deel des Vaders aanvaarden wat gij kunt uit Zijn wezen. Dit is Uw rijkdom, dit is Uw vervulling.

Deze leerstellingen brengen met zich een verandering van leefwijze voor velen. We mogen echter niet vergeten, dat Jezus wel degelijk een apostel der vreugde is geweest. Niet van de zuiver wereldse vreugden misschien, maar eerder van een vreugde, die van binnenuit komt als een licht, dat uit een brandende lamp de omgeving nieuwe kracht, nieuw leven geeft.

Zo heeft hij ons geleerd: “Wees verheugd, want ziet, deze wereld is U gegeven en het leven en méér. Want U is gegeven de kracht des Vaders, die met U is in alle dagen. Zo verheugt U en lacht, zingt en juicht. Danst, zoals David danste voor de ark. En verwijt de wereld niet, dat zij vreugde kent, maar aanvaardt hare vreugden, indien zij U niet verwijderen van de Vader.”

Wie zoekt naar de vreugden der wereld ommentwille van de wereld en de vreugde, zal er in ondergaan. Maar wie zoekt naar de vreugde des Vaders in de wereld, zal uit de vreugde der wereld nieuwe kracht putten en zijn lach zal worden tot een wekroep, die de wereld doet ontwaken tot nieuw bewustzijn.

Als apostel van vreugde geeft Jezus ook raad omtrent het lijden. Hij zegt hierover het volgende: “Al wie lijdt heeft door zijn lijden recht op Uw hulp. Zo zult gij nooit één die lijdt, een die hongert, één die ongelukkig is van U afwijzen. Maar bedenk wel: hun lijden is vaak een deel van hun eigen leven, hun eigen wezen. Indien gij geeft wat de Vader U toestaat te geven, opdat zij verlost kunnen worden uit hun zorgen en leed, is Uw werk voldaan. Indien gij weent, ween dan omdat Uw hart beroerd is; niet omdat anderen wenen. Indien gij lijdt, lijdt dan omdat dit lijden voor een ander een betekenis heeft; niet omdat anderen lijden.”

Er is een verschil in de band van gevoelens en denken en de band van eenheid in de Vader. De band van gevoelens en denken schenkt een zuiver stoffelijke reactie, een zuiver lichamelijk contact, dat geen betekenis heeft. Wie mede lijdt met een ander mens, kan ondergaan. Wie echter het lijden van een ander helpt dragen volgens de wetten des Vaders zal te allen tijde slagen, zo niet  voor deze ander dan toch door zijn wil, die hem dichter tot het Koninkrijk Gods heeft gebracht.

Jezus’ leer is geen gemakkelijke leer, waar zij een onthechting vraagt van alle wereldse dingen. Die onthechting betekent ook een onthechting van medelijden, van zelfbeklag, kortom van al die vele gevoelens, die op de wereld van zo groot belang worden geacht, ja, vaak een teken van menselijkheid heten. Wie echter Jezus’ weg volgt tracht boven het menselijke uit te stijgen. En met deze poging om zich te verheffen boven de mens kan men komen tot de grote bereiking van het één zijn met de Vader.

Jezus zelve heeft dit bereikt en zegde daarover na zijn lijden en dood: “Want zo ik in lijden ben ondergegaan, was het lijden Uw lijden, niet het mijne. Want lijdende voor U vind ik de kracht van de Vader. Vindend de kracht van de Vader vind ik Diens licht in mijn wezen. Eén geworden met Hem keer ik tot U terug om U te spreken niet van het lijden, maar van de vervoering, die uit het lijden geboren kan worden.”

Jezus leert ons de absolute onthechting van de wereld. Het gaat niet om de stoffelijke waarden, het gaat niet om de uiterlijke verschijning. Deze mag ons onverschillig laten. Wij hebben geen enkele taak t.o.v. het stoffelijke volgens Jezus’ inzicht. Onze taak is alleen: In de stoffelijke wereld te vervullen wat God in deze wereld gerechtigd, gerechtvaardigd acht; dus de wil te volbrengen van Hem, Die Al geschapen heeft.

Het volbrengen van deze wil schakelt zeker uit elk zelfbeklag, elke voorzorg, elk lijden, elke nood, die in ons en dank zij onszelf ontstaan. Ten opzichte van Iskarioth en Andreas heeft Jezus dan o.m. dit gezegd: “Gij die U zorgen maakt omtrent hetgeen niet geschied is, gij die U beklaagt over hetgeen U ontnomen is, gij zijt dwazen. Want niets is U ontnomen, dat niet in de Vader U veelvoudig weergegeven is. Doch in Uw beklag zijt gij verblind jegens al wat gij ontvangen hebt. In Uw zorgen voor wat mogelijkerwijs kan geschieden verliest ge de werkelijkheid, waarin gij leeft en zo de openbaring van Hem, Die U leidt.” Het is noodzakelijk ook dit te onthouden.

Al deze leringen, al deze stellingen hebben gezamenlijk één doel gehad. Wij hebben vele daarvan in het bijzonder voor U uitgewerkt. Wij hebben ze a.h.w. woord voor woord gespeld. Nu aan het einde van deze reeks van lezingen moeten wij het kort en duidelijk zeggen: Mens, leef niet ommentwille van Uzelf, maar ommentwille van God. Dat is de ware vreugde des levens. Strijd niet tegen het noodlot, maar aanvaard wat God U zendt, het dragende volgens Zijn wil. Bedenk dat ge niet verantwoordelijk zijt voor Uzelf, maar wel voor anderen. God is het, Die voor U zorgt, Die voor U de verantwoording draagt, Die U de bewustwording geeft en alle mogelijkheden. God is het, Die U voert en leidt. Maar deze anderen kunnen slechts volgens de wil des Vaders door Uw leven, Uw werken geleid worden, zo zij niet bewust zijn van Hem. Zijn zij van Hem bewust, zo zal Uw daad in overeenstemming zijn met de goddelijke wil en voor hen slechts een bevestiging betekenen van eigen leven en streven, eigen aanvaarding van goddelijke kracht.

Ik geef toe, dat deze leer moeilijk in de praktijk te brengen is; moeilijk voor een mens, wil ik zeggen. Aan de andere kant is juist deze leerstelling als doel om naar te streven, als een poging om zelfbeheersing te bereiken en zelfbegoocheling te verbreken, gelijktijdig een mogelijkheid om licht te ontvangen ver boven hetgeen de doorsneemens in één leven kan ervaren.

Ik geloof, dat ik met deze samenvatting gevoeglijk mag besluiten. Wat ik U heb gezegd is U misschien allang bekend geweest. Toch zou ik U willen verzoeken: Overweeg het en probeer het tot deel te maken van de praktijk van Uw leven. Zo zult U de weg tot de Vader kunnen vinden.

o-o-o-o-o

Ik vind het eigenlijk erg lastig te gaan spreken na zo’n eerste onderwerp vol van gewichtige woorden. En toch is het wel eens nodig, dat je ook andere dingen bekijkt dan alleen die grote openbaringen, die grote wijsheid, Ik voor mij zou vandaag graag ik hoop, dat U het niet kwalijk neemt willen spreken over Uw eigen leven. Ja, niet alleen over dit leven nu, maar over het werkelijke leven, dat een mens heeft. Het werkelijke leven, waarin de geest vrij van de stof zoveel meer inzicht gewint dan een mens mogelijkerwijs ooit verkrijgen kan.

Onze weg van leven gaat van bewustwording tot bewustwording. Dat weten wij allemaal. Dat in deze bewustwording meer stoffelijke levens zijn opgenomen zal ook de meesten Uwer wel bekend zijn. Maar wat de meesten zich niet kunnen realiseren is, dat je a.h.w. slag na slag zelf beslissen moet, hoe je verder wilt gaan. Er bestaat geen vast reisprogramma in deze reis, die wij door de oneindigheid maken. Je kunt niet zeggen: Om 9.01 vertrek ik uit de chaos om aan te komen om 9.10 op het punt van eerste bewustwording; en zo verder. Er zijn geen vaste tussenstations, maar er zijn plaatsen van beslissing. En die plaatsen van beslissing, ach, die kun je jezelf heel verschillend voorstellen. Maar als je dat wilt omschrijven op een voor de wereld aanvaardbare manier, dan moet je dat proberen te geven in termen van architectuur, van beweging, van leven, van mensen, van gevallen, enz..

Nu zijn die plaatsen niet alle gelijk en daarom wil ik proberen een paar van die plaatsen te schetsen met de beslissingen, die er genomen kunnen worden. Dit lijkt mij nogal belangrijk, omdat je daardoor misschien begrijpt, hoe je zelf voor je eigen leven mede aansprakelijk bent geweest, hoe je voor jezelf eigenlijk voortdurend uitmaakt, in welke richting je zult leven.

De eerste plaats kunt U zich het best voorstellen als een grote grot in de wolken. U hebt misschien wel eens naar stapelwolken gekeken, die goud en zilver getint zijn, doorstreept met dreigend grijs, om hier en daar zelfs tot loodgrauw te kleuren. U hebt misschien wel eens gezien, hoe in die torenende wolken soms een grot gaapt; en dat daarachter de blauwe hemel ligt, helder alsof daar de zon schijnt. Er valt dan een stralenbundel door die grot heen op de wereld. Daar is één plekje van licht, de rest wordt al, dreigend duister.

Wanneer je pas de eerste bewustwordingsfase hebt doorgemaakt, is het net, alsof je je bevindt in zo’n grot. Beneden je ligt de wereld, lichtend, maar slechts een klein stuk verlicht. Wat er verder is zie je niet. Boven. je ligt het blauw van de hemel, ver en onbereikbaar maar stralend schoon. En dan tekenen zich in de kokende en kolkende wolken voortdurend gestalten af. Je vraagt je zelf; “Wat zou ik willen zijn?” Je kikt naar de wereld beneden. Je denkt: “Ik zou in de natuur willen gaan,” en je wordt een plant. Of je denkt: “Neen, het is mij niet voldoende alleen te leven op deze wereld; ik wil meer zijn. Ik wil beslissen, ik wil strijden. Ik wil bewijzen wie ikzelf ben.” En je wordt misschien een dier.

Wanneer je dan terugkeert na zo’n tocht, begint langzaam maar zeker het leven meer vorm te krijgen. Je bewustzijn is gestegen en je krijgt al begrip van verantwoordelijkheid. Je bent niet meer alleen in een grot van wolken. Integendeel. Het lijkt je, alsof je op een groot rond plein staat, een soort eeuwige carrousel, waar duizenden levensvormen langs de rand ronddansen. En met jou in het midden zijn er velen. Je kunt met die anderen spreken; je kunt overleggen; je ziet er soms bekenden en soms ook wezens, die je nog nooit hebt aanschouwd.

Terwijl dat wervelende spel verder gaat, is het alsof je je gedwongen voelt mee te dansen. Mee te dansen daar aan de buitenrand van die schijf. Op dat ogenblik probeer je te besluiten. Je ziet een vorm en je besluit: “Ik zal mens zijn.” Je kiest een menselijke vorm, die de eigenschappen lijkt te hebben, die je volgens je vroegere bestaan begeerlijk vindt. Meestal kies je dan de primitieve mens. Stoer, sterk, zwaar van bot, breed van leden. Je hebt nog niet nagedacht over denkvermogen. Je meent immers, dat alle denken wel uit de natuur tot je komt. En zo dans je dan mee de wervelende dans van allen, die op de wereld leven.

Maar je begeren wordt groter. Soms keer je vier, vijf keer tot dit plein terug. Vier, vijf keer achtereen zie je de carrousel van het leven voorbijgaan, Vier, vijf keer ook breek je uit het middelpunt weg, als weggeslingerd door de middelpuntvliedende kracht en word je weer een figuur in een levende wereld. Maar dan komt er een ogenblik, dat dit je niet voldoende is. En je verlaat het plein zonder te kijken naar de vele vormen, die rondwervelen. Het gaat je niet meer alleen om wat er leeft in deze wereld. Het gaat je om wat er leven kan in jezelf.

Je komt dan binnen in een grote tempel, een kathedraal. Stil, wat schemerig, met hier en daar lichte glanzen. Rond de zuilengalerij, die het geheel omringt, staan beelden. Beelden, die meer zijn dan een menselijk standbeeld of zo iets. Het zijn a.h.w. beelden, die eigenschappen classificeren. Die je laten zien; Kijk, hier is streven in wetenschappen en daar streven in geloof. Dit is streven in dienstbaarheid en dat is heerschappij. Dan kies je.

Je wordt geboren op de wereld, en misschien dat je ook vele malen terugkeert in deze vreemde tempel met zijn schaduw en goud, met zijn beelden, die niet de levende vorm geven, maar die iets geven van de eigenschappen, die er in een mens, in een wezen kunnen schuilen.

Maar ook dit is niet voldoende. Want langzaam maar zeker heb je geleerd, dat je deel bent van een gemeenschap, deel van een grote groep en dat je je keuze moet doen op een eenvoudiger manier. Is de eerste keuze die van de wolkengrot er een van onvoorstelbare veelheid van mogelijkheden, de tweede is al beperkter. Het plein biedt je niet zoveel kansen meer. En wanneer je verder komt, zijn de mogelijkheden nog kleiner.

Nu ga je binnen in een paleiszaal. Een paleiszaal met vele uitgangen, maar met één ingang. Komend uit je dromerig land van zomerse sfeer, van geestelijke rust en langzame bewustwording, treed je binnen. Grote gevleugelde deuren slaan open en je ziet een mengeling van mensen in velerlei gewaad. Allen staan ze daar tezamen en tussen hen gaan figuren, gekleed in levend zilver. Ze spreken dan met deze, dan met gene.

Soms ziet U er dan heengaan. Een enkele beklimt een galerij, gaat een trap omhoog en verdwijnt daar door een deur. Die deur is als glas, ondoorzichtig en toch helder. Wie daardoor gaat zal een leven van geestelijke beschouwing gaan voeren. Een leven, dat niet meer noodzakelijk stoffelijk is. Vaak een leven, dat in feite bestaat in het geleiden van de stoffelijk levenden op aarde en het vergezellen van de geest, die door het duister streeft naar licht.

Maar niet allen kiezen die weg. Want onder deze galerij is een gouden deur. Die is klein, maar toch zien wij soms ook iemand daar doorheen gaan. En wanneer ze die deur naderen, lijkt het of hun hele gewaad, hun hele wezen iets aanneemt van deze kleur, ijl en doorzichtig schijnt degene te worden, die de galerij opgaat daar door die deur. Tot een vreemde, levende kracht, als kleine zonnen schijnen degenen te worden, die de deur beneden kiezen. Zij kiezen een leven, dat anders is, met heel andere mogelijkheden, heel andere beschouwingen. Een leven, dat zich streng zal houden aan stoffelijke wetten; dat a.h.w. het geweten der wereld is geworden en gelijktijdig toch krachten puurt. Hier gaan er velen door.

Wat verder is een deur, die doet denken aan een lucht bij avond, wanneer de zon net is ondergegaan. Ze schemert in kleuren, die je soms kunt terugvinden in het parelmoer van een schelp. Bovendien glanzend als van vele edelstenen. Deze deur kiezen zeer velen. Het is de terugkeer tot een menselijk bestaan en strijd om macht. Hier gaan degenen, die zoeken naar heerschappij; doch niet over zichzelf maar over anderen.

Wanneer al deze deuren gebruikt zijn, blijft er nog een over. Het is een simpele poort. Gebogen – haast Romaans – wordt ze opzij door twee pilaren gesteund, waarin een voortdurend licht flakkert. Het is niet gelijkmatig, maar het is alsof er een rivier van levend licht stroomt tussen deze beide zuilen. De poort zelf is rood, lichtrood als van levend bloed, dat zo van het hart wegklopt het lichaam in.

Dit is de weg van degenen, die het leven zullen ingaan om de eigenschappen van het leven te leren erkennen en om ze te leren beheersen. Een moeilijke weg, maar vaak een dankbare. Wie hier gaat gekleed in het lichtende rood kent alle geweld van werelden en sterren. Een voortdurende strijd. Voortdurende reeksen van beproevingen. Het rood staat voor de moed en voor de strijd maar ook voor de hartstocht, die even intens aanbruist in het leven. Men moet leren al die eigenschappen, al die krachten, die voor een mens doodzonden of levend vuur kunnen zijn te verenen, tot ze saamgebonden worden in een stil beschouwen en weten omtrent de wereld.

Wie deze weg heeft gegaan, keert terug zoals de anderen. Maar het vreemde is, wie door de glazen deur ging en wie door de rode poort ging, keren meestal niet meer terug in deze hal van het paleis. Wanneer dezen weer een keuze moeten doen voor verder leven en streven (wanneer de rustperiode voorbij is), komen ze samen op een heuveltop. Rondom liggen grote, statige bossen, die zachtjes ruisen als in een voortdurend dankgebed. Op de top ligt een kleine tempel, rond, omringd door zuilen. Maar wie er binnengaat vindt geen altaar. De vloer in vele kleuren geschakeerd verbleekt, wanneer je hem langer beschouwt, tot een eenvoudig blokwerk van zwart en wit. En daarin lopen enkele lijnen. Rondom langs de muren, die de zuilen verbinden, is een grote rustbank met wat kussens en een enkel kleed; en erboven een hemel, waarin azuur wisselt met goud. Wanneer je daar binnenkomt, moet je kiezen.

Misschien valt hier de moeilijkste keus. Terug te gaan tot het menszijn …. het is niet begeerlijk meer. Of het moet zijn als één, die de krachten van het leven openbaart aan de mens. Verder leven in onstoffelijke vorm is mogelijk. Het is het pad, dat we hier zien getrokken in deze blokken als een diagonaal. Een lijn, die wisselend in zwart en wit het gehele vlak van de vloer doorsnijdt. Wanneer je die weg gaat, och, dan leef je als mens maar gelijktijdig ook als meer dan mens. Je kunt worden tot een wervelende planeet, die danst rond de zon in de ruimte. Je kunt misschien een kosmisch stof je zijn, dat een heel Al moet doorstreven om een noodlot te vervullen op een bepaalde wereld. Wie deze weg verdergaat keert niet in de hal terug, voordat hijzelf als lichtende zon de Kracht aanschouwd heeft, die de nevelen beweegt, die als gouden spiralen in het donker van de nacht staan.

Maar er is ook een andere weg en dit is een witte lijn. Een witte lijn, die als een spiraal vlak na vlak beroert, gaande en komende, nooit zichzelf beroerend maar toch altijd parallel met zichzelf. Deze lijn houdt op in het middelpunt van de koepel. Wie deze weg gaat leeft als geest. Ontwaakt en bewust geworden, misschien door het aanvaarden van het leven of het streven als geest, ga je nu in de onstoffelijke vorm verder. En naarmate de spiraal dichter bij het middelpunt komt, zullen alle vorm en vormbewustzijn verbleken en alle krachten terugvloeien tot één grote kracht. Wanneer het middelpunt van de spiraal bereikt is een lange weg dan duidt misschien de koepel ons aan, wat daar verder volgt. Een begrip, dat een heel Al omvaamt. Een daadkracht, die kan scheppen en kan doen ondergaan. Een bewustzijn, dat innig vervlochten is met een hoger leven, dat wij misschien nog wel kennen maar ons toch niet bewust kunnen realiseren.

Haast iedere mens komt door soortgelijke plaatsen. Ik heb ze beschreven, zoals ze zich aan mijn menselijke vorm zouden hebben voorgedaan. U begrijpt, dat ze er voor anderen anders kunnen uitzien. Maar dat, wat er gebeurt, is voor een ieder hetzelfde.

Je leven is een voortdurend streven, waarbij je elke keer weer bepaalt, hoe je verder zult gaan. Of je nu kiest de kleinmenselijke of de hoog dierlijke vorm in de carrousel van het leven; of je kiest de weg van geestelijke, nuchtere bewustwording of het hartstochtelijk en moedig strijden in het leven om te komen tot ware bewustwording in de paleiszaal, of je kiest de weg van materie, die vorm na vorm tot de zijne maakt en vormen schept; of de weg van de geest, die de vorm verliest en daardoor een begrip krijgt, dat meer is dan scheppen, je zult altijd weer voor een hele tijd je eigen leven bepalen, de eigen sfeer, de eigen wereld a.h.w., waarin je zult voortbestaan.

Wanneer je die keus hebt gedaan, is er geen terug meer. Wie uit de tempel gaat moet een hele levensgang gaan, voordat hij terug kan keren. Dat is altijd weer waar. En wie uit het paleis gaat, keert er nooit meer zo terug en zal nooit meer door dezelfde deur die zaal kunnen verlaten. Wie op de top van de berg zit kan slechts één keer binnentreden en één keer verdergaan. Je legt zelf je leven vast. Je bepaalt a.h.w., hoe je streven zult en onder welke omstandigheden.

Een ieder doet dat op zijn manier. De één kiest met moed, de ander met angst. De één kiest licht, terwijl de ander de schaduw bemint. Een ieder gaat zijn weg op zijn manier, maar een ieder zal moeten terugkeren op deze kernpunten. En het hele leven, dat je op het ogenblik leidt, alles wat je zult moeten doormaken en al doorgemaakt hebt, is iets wat je eigenlijk gekozen hebt op het ogenblik, dat je het leven bent ingegaan van uit de tempel of van uit de carrousel, misschien van uit de paleiszaal. Zelf heb je gekozen, zelf heb je je gerealiseerd: dit is mijn weg. En omdat je dat hebt gedaan, leef je nu zó en niet anders.

Wanneer je dat weet en je kijkt terug over je leven, zul je zien, hoe een bepaalde tendens je altijd weer heeft beheerst. Dan zul je zien, hoe een zekere kracht de hoofdrol heeft gespeeld in je leven. Voor sommigen hartstocht en voor anderen een hang naar bezinning. Voor de een het zoeken naar stofgeborgenheid, voor de ander een vlucht in het geestelijke, het schijnbaar onbereikbare, dat de mensen nog fantasie lijkt.

Een ieder heeft een hoofdlijn in het leven. Zoek die lijn op, ga ze na. Dan kun je tegen jezelf zeggen: “Kijk, dit is de weg, die ik gekozen heb.” En wanneer je wéét die weg gekozen te hebben, kun je misschien die grote leringen, die zo vaak door de eerste sprekers van deze bijeenkomsten worden gebracht, daarop toepassen volgens jouw weg, volgens jouw leven. En misschien dat je ze dan – wanneer je ze in je eigen wezen hebt leren begrijpen en verwerken – volgens de gekozen weg eens kunt toepassen, wanneer het noodzakelijk wordt om weer te kiezen en weer door een poort de verwachting van leven te verlaten om te komen tot een werkelijk leven, onverschillig waar.

Ik weet niet, of dit nu belangrijk is. Er zijn heel veel mensen, die veel liever op een reeks citaten en spreuken afgaan of op hoogdravende redevoeringen dan op zo’n eenvoudig beeld, als ik U hier ontworpen heb. Toch heeft het zijn waarde voor mij – dat weet ik zeker – en misschien voor U. Want wat deert het óns, of wij nu dwaasheid horen spreken of wijsheid, wanneer wij de weg van het leven zelve hebben gevonden, wanneer wij weten volgens welke normen van leven wij streven.

Weet U, als je zo naar bewustzijn zoekt, wanneer je zo in de knoop zit met het leven en je weet in welke richting dat leven je heeft gejaagd, heeft gevoerd, wat je bestemming werkelijk is, dan kun je heel veel onnodig schuldbewustzijn opzij zetten. Dan kun je heel veel onnodig zelfbeklag eenvoudig opzij zetten. Dan kun je zoveel van de ballast van je leven lozen. En ik geloof, dat dat voor heel veel mensen belangrijk is. Want meer dan U denkt gaat men veelal beladen met een ballast, met een aantal gaven, die in het leven hun betekenis wel hebben, maar die voor U op Uw weg niets anders zijn dan een rem, die U terughoudt van een spoedige bereiking. Daarom heb ik dit onderwerp vandaag aangesneden en hoop ik, dat ik U zal hebben aangemoedigd om op Uw eigen wijze verder te blijven zoeken naar waarheid; hopelijk ook zo nu en dan ja, dat is misschien erg, erg zelfzuchtig wel eens naar mij luisterend of naar de andere broeders van onze Orde, maar toch Uw eigen weg gaande, waarbij U zelf zoekt naar de wijsheid en de kracht, die U nodig hebt. En wanneer wij dat ermee bereikt hebben, vrienden, dan bent U goed af en dan heb ik iets van de gekozen taak weten te volbrengen, waardoor ikzelf ook weer een stapje verder ben.

Nu geef ik het woord over aan de laatste spreker, die de bijeenkomst voor U gaat besluiten.

 

0-0-0-0-0-0

 

DE WEG

Er gaat een weg door de oneindigheid. De mijlpalen zijn de momenten van en de mens moet die weg beschrijden. Die weg brengt je vreugd, die weg brengt je jeugd, maar ouderdom ook en lijden.

En ga je die weg van jezelf niet bewust; hoe vaak zul je zoals wij allen struikelen, omdat je de weg niet begrijpt en smartelijk moeten vallen.

Maar begrijp je de weg, die je zelve moet gaan en zie je de kracht, die je dan straalt er een licht vooruit op je pad, een licht van de eeuwigheid, verbreekt zo langzaam de spiegelende waan, die de wegen der mensen begrenst en helaas al te vaak in het menselijk zijn de mensen gewoonweg ontmenst.

Dan zie je het licht en de waarheid, de kracht, dan ben je reeds deel van een wereld, die lacht en die juicht in een eeuwige vreugde. Dan ken je niet meer je ouderdom als last, dan vind je het lijden niet zwaar, ongepast, dan ken je slechts de lachende vreugde.

De weg van het leven is niet zware gang – al is een mens die te gaan vaak nog bang – de weg is een lichte, vrolijke vlucht, die gaat als een vlinder door zomerse lucht van bloem tot bloem, van plaats tot plaats, van ontpopping, van ’t sterven, om dan heel het wezen en heel de natuur, als gevolg van de vlucht te beërven.

De prijs van het leven is niet zo duur, wanneer je de waarheid verstaat; wanneer je begrijpt hoe God, hoe Zijn zoon, de Bewuste, naast ons gaat. Vraag niet op je wegen naar werelds loon, vraag niet naar een hemelse prijs. Maar aanvaard wat het leven U brengt, zo gij kunt, en aanvaard ’t op Uw eigen wijs!

Leef zonder klacht en zonder begeren. Ga met hen, die naast U gaan. Opdat aan het eind van de weg in het licht gij bewust en bevrijd eens moogt staan. Bevrijd door de liefde, die in alles leeft. Bevrijd ook door het weten, dat met U streeft. Bevrijd van de netten der werkelijkheid, bevrijd van een pijn en een innerlijke strijd.

Opgegaan in lichtend bestaan, wat zou je dan vrezen om leven te gaan? Wat zou je dan vrezen om voort te bestaan? Wat zou je dan vrezen geboorte of dood? Wat zou je dan vrezen ondergang, nood? ‘

Dit alles is geen werkelijkheid. En de weg, die langs deze schijnbeelden leidt, is een gang der liefde, door God ons gegeven, om in Zijn liefde eeuwig te leven.

Nu heb ik op mijn simpele, misschien wat godsdienstige manier de weg beschreven. Niet iets gewichtigs, maar iets wat je aanvaardt. Iets wat alleen maar gewicht kent door de liefdevolle Kracht, Die het heeft gegeven. En wanneer die liefde in je eigen wezen begint te weerspiegelen, dan weet je, hoe goed het is de weg te gaan onverschillig waarheen ze voert. Wanneer God onze leidsman is. En in naam van die liefde, vrienden, en misschien ook een klein beetje in de naam van oude gewoonten …… (zegen)… mijn uitdrukking voor mijn geloof in de goddelijke liefde als afscheid.