Een moderne levensfilosofie

image_pdf

7 februari 1964

Allereerst moet ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp voor heden is, zoals u bekend zal zijn: Een moderne levensfilosofie.

Wanneer men de hedendaagse mensheid beziet, valt allereerst op, dat de moderne mensen vaak in veel te grote opeenhopingen plegen te leven. In de tweede plaats ontdekken wij, dat de persoonlijke mogelijkheden en de persoonlijke vrijheid van de mensen hieronder ernstig lijden. Ten derde valt op, dat – mogelijk als gevolg hiervan – bij velen een soort onverschilligheid heerst, waardoor zij, ongeacht hun begrip en inzichten, niet tot handelen komen, of de noodzaak tot handelen aan anderen trachten over te dragen. Daarmee zitten wij dan midden in de problemen van deze tijd. Nu zal dit er vanuit ons geestelijke standpunt misschien wel iets anders uitzien dan vanuit uw eigen standpunt. Per slot van rekening ziet u, dat alles uiteindelijk toch nog wel draait en kunt u moeilijk overzien of alles nog veel slechter zou kunnen zijn of beter zou kunnen draaien.

Wij hebben getracht, mede rekening houdende met de leer van de nieuwe Wereldleraar, de bestaande geestelijke en kosmische stromingen en invloeden, terwijl wij daarnaast de feiten, zoals die ons getoond worden in het geheel betrokken, een filosofie op te bouwen, die misschien voor de mensen een basis kan zijn voor het behouden van of het bereiken van een volwaardig mens-zijn in deze tijden. Nu weet u, wat wij eigenlijk willen vanavond en op welke basis ik ga spreken.

Allereerst wil ik beginnen met denkwijzen, die uit het materialisme voortkomen: De mens beheerst de materie, kent vele geheimen daarvan en heeft een vaste – zij het niet geheel foutloze – voorstelling van de mogelijkheden daarin en de krachten, die daarin heersen. De regel, die in de schepping bestaat, kan toeval zijn. Er is nergens een openbaring van in God, zoals men deze vanuit de openbaringen en heilige geschriften van vele godsdiensten zou kunnen verwachten. Er is ook geen reden om aan te nemen, dat binnen het bestel van menselijke wereld of natuur God voortdurend of zelfs maar soms, onmiddellijk ingrijpt. Wanneer dit het geval zou zijn, zouden wij, naar ik meen, hier toch menig maal een voorbeeld moeten zien.

Wij kunnen ons dus niet aan de hand van ons eigen leven zonder meer vastklampen aan een geloof, dat gebaseerd is op metafysische veronderstellingen, die immers onbewijsbaar zijn. Wij zullen allereerst rekening moeten houden met de feiten. De feiten zijn deze: Als mens, met alle inzicht omtrent de mogelijkheden van de materie, met alle beheersing van elementen en de techniek, die de mensheid zich heeft verworven, ben je toch hulpeloos. De hulpeloosheid van de mens vloeit voort uit het feit, dat hij niet in staat is alle kennis van de mensheid binnen zich te bevatten of maar te kennen en te begrijpen, terwijl het hem evenzeer onmogelijk is alle belangrijke bekwaamheden van de mensheid in zich – hoe onvolmaakt ook – te verenigen.

De mens is daarom voortdurend van anderen afhankelijk. Zolang deze afhankelijkheid wordt gezien als een last wordt beschouwd als een beperking van eigen mogelijkheden, zal de mensheid steeds meer onderling verdeeld worden en zal nijd en machtsdrang de mensen steeds meer uiteen drijven. Het is daarom allereerst noodzakelijk als mens te beseffen, hoezeer men anderen nodig heeft.

Zie dit voorbeeld: Wanneer een boer graan verbouwt en daarvoor een z.i. niet redelijke prijs krijgt, kan hij weigeren zijn oogst te verkopen of verder graan te verbouwen. Maar wanneer hij dit doet, maakt hij de mogelijkheid, dat hij voor enig product blijvend een betere prijs zal krijgen in wezen kleiner: Hij is afhankelijk van de graankopers. Deze zijn weer gebonden aan de maalderijen. De maalderijen zijn afhankelijk van de afzet, die zij kunnen vinden bij bakkersbedrijven, die op hun beurt weer afhankelijk zijn van de smaak en de eisen van hun clientèle. Zolang een deel van deze keten onverschillig is, zal een ander deel eigen belangen en inzichten door kunnen zetten. Op het ogenblik echter, dat een ernstige onderbreking ontstaat, bv. door het uitvallen van een van de schakels, zal het geheel uiteen vallen en zal een strijd ontstaan, waarvan de gevolgen niet te overzien zijn. Daarom is het noodzakelijk, dat men in deze tijd geen banden legt tussen boeren onderling, maalderijen of graankopers onderling, bakkers onderling enz., maar komt tot een band, waarbij alle delen van productieproces en verbruik elkander kennen, elkanders belangrijkheid beseffen en samenwerken. Een samenwerking, die dus niet meer horizontaal, maar verticaal gegroepeerd is. Men zal dan rekening moeten houden met de belangen van alle schakels. Een afzonderlijke afspraak of binding tussen een of twee schakels zal altijd schadelijk zijn voor het geheel en zal op den duur de samenwerking in de keten doen verbreken en omzetten in belangenstrijd, wat weer onoverzienbare toestanden en gevolgen met zich brengen zal.

Negatieve! Dan zal de mens dus allereerst moeten beginnen zich te realiseren, in hoeverre hij feitelijk van anderen afhankelijk is. Men zal moeten proberen, eens te beseffen, hoeveel in wezen reeds noodzakelijk is om de mens de waarden, die hij als eerste levensbehoeften beschouwt, te schenken.

Door begrip voor de noodzaak van gemeenschappelijk werken en samengaan zal men de vormen van anarchisme, die op zo vele plaatsen de kop op steken, kunnen bedwingen. Deze anarchie is niet meer, zoals eens, een politieke bestreving, die alle macht wil vernietigen met bommen. Het is een geestelijke anarchie, die stelt: Ik heb recht op de maatschappij. Deze moet mij en mijn uitingen zonder meer aanvaarden. Ik heb echter niets te maken met alle beperkingen en regels, die deze maatschappij mij op wil leggen. In wezen is dit een gevolg van vervreemding van de werkelijkheid. Deze vervreemding treedt op, omdat juist door de grote aantallen mensen de band binnen de gemeenschap teloor is gegaan; de band, die voor alle samenleving en zelfs voor een menswaardig leven zo belangrijk is.

Wanneer wij een band tussen de mensen stellen, zo zal hierin voor de mens een zekere bevrediging kunnen liggen. Onderlinge samenwerking geeft inderdaad resultaten, waarmee allen blij kunnen zijn. Maar: Zelfs wanneer wij allen samenwerken, is het uiteindelijke doel alleen nog maar om zo prettig mogelijk in leven te blijven. De mens, die alleen maar wil leven, kan in wezen met heel weinig toe en zal zich gemakkelijk los kunnen maken van vele waarden, die de moderne samenleving opbouwt. Er is dus meer dan alleen de noodzaak tot leven nodig, om werkelijk goede banden tot stand te brengen.

Verder zal men zich in deze dagen bijzonder moeten hoeden voor de denkwijze, welke veld dreigt te winnen, dat het leven zo kort is, dat bereikingen geen zin hebben en de dagen het beste gevuld kunnen worden met genietingen. Wij zien op het ogenblik vanuit ons geestelijk standpunt de mensheid op de wereld in 3 hoofdbestanddelen uiteenvallen: Allereerst de genotszoekers, het aantal daarvan wordt met de dag groter. Zij wijzen alle verantwoordelijkheden af.

In de tweede plaats zien wij de groepen van “streng gelovigen”, die vluchten voor de werkelijkheid van het leven in systemen of metafysische waarheden, waarvan zij zelf de betekenis niet overzien, of zelfs maar redelijk kunnen kennen. Zij trachten hun stellingen meestal te hanteren als een wapen tegen de gemeenschap.

De derde groep bestaat uit onverschilligen. Zij laten Gods water over Gods akker lopen, omdat zij eenvoudig de lust niet hebben zich moe te maken, of risico te lopen voor een meer persoonlijk leven, denken en bestaan.

Deze 3 groepen vallen steeds verder uiteen, de verschillen worden steeds groter, het begrip van de “rechtgelovige” voor de “genotzoeker” bestaat eenvoudig niet. De onverschillige interesseert zich eenvoudig niet meer voor anderen en gaat zijn eigen weg, tot hij door het optreden van beide andere groepen zo zeer geprikkeld wordt, dat hij zelf tot een onbeheerst en niet verantwoord optreden komt, dat zijn leven verandert en hem vaak voor grote stoffelijke en geestelijke problemen plaatst.

Het is noodzakelijk, dat de binding tussen de mensen niet alleen ontstaat aan de hand van een materieel besef, een materieel verbonden zijn, maar wordt uitgebreid tot een meer geestelijke band. Deze geestelijke band kan alleen bestaan, wanneer men begint met alle dingen als mogelijk, geen enkele waarde echter als volledig en onaantastbaar voor te stellen.

In de moderne tijd is er geen plaats meer voor absolute waarheden en deze bij voortduring bewijsbaar zijn. Elke stelling, die beweert een absolute waarheid te bevatten en  na enige jaren geen betekenis meer heeft, gewijzigd moet worden of aan feitelijk inhoud verliest, zal tevens een verzwakking betekenen van alle werkelijke waarheden en alle ontdekkingen van de toekomst.

Men moet dus zoeken naar een geestelijke band met de mensheid. Deze behoeft zeker niet in de eerste plaats gebaseerd te worden op het gezamenlijk naar de hemel willen gaan of bewust willen worden. Zij moet echter zeker gebaseerd zijn op een begrip voor elkander, zodat een ieder – op eigen wijze geestelijk strevende – gelijktijdig respect heeft voor de denkwijze van anderen, bereid is deze anderen aan te horen en van hun stellingen en gedachten kennis te nemen. De vele vooroordelen, die, naar ik meen, in uw wereld een voortdurende beperking van de mogelijkheden tot uitwisseling van gedachten betekenen, zouden weg moeten vallen.

Er zijn in de maatschappij – vooral door de veelheid van het aantal mensen – steeds meer van boven af opgelegde beperkingen van vrijheid van handelen en denken ontstaan.

Wij kunnen hier herinneren aan de fatale gevolgen, die de goedbedoelde drooglegging van de USA heeft gehad. Het feit, dat de helft van de Verenigde Staten zelfs nu nog door het gangsterdom geregeerd wordt, heeft men te danken aan de goedbedoelde pogingen de mensen voor drankmisbruik te behoeden. Wanneer men zo verder gaat t.a.v. sigaretten komen er binnenkort waarschijnlijk weer sigaretten-bootleggers bij enz.. Laat ons vooral niet trachten een mens teveel tegen zichzelf te beschermen. Een mens moet vrij zijn om zijn eigen besluiten te nemen, zijn eigen normen te volgen, zelfs indien dit voor hem schadelijk kan zijn vanuit het standpunt van anderen.

Wanneer men b.v. een bepaald soort boeken aanstotelijk en pornografisch acht, zo kan men misschien terecht eisen, dat deze dingen niet worden tentoongesteld in het publiek, waar zij ergerniswekkend en aanstootgevend voor velen zijn. Ik geloof echter niet, dat men het recht heeft anderen het lezen daarvan en het beschouwen daarvan te verbieden. Laat de mens zo veel mogelijk vrij in de uitoefening van geloof, zijn spreken en denken, zijn werken, maar ook in het zoeken van eigen denkrichting, leefwijze en ontspanningen. Zelfs al zouden daardoor mensen ten onder gaan, zo behoeft men dit nog niet te betreuren. Langzaam maar zeker is een cultus ontstaan rond de menselijke gezondheid en de heiligheid van het menselijke leven.

Men heeft dit laatste wel geheel verkeerd geïnterpreteerd: Het leven van een mens dient heilig te zijn voor anderen. Men zal het niet aan mogen tasten, omdat men het leven, dat men eenmaal neemt, niet meer terug kan geven. Ik meen dan niet dat er ergens een recht of zelfs maar morele rechtsgrond gevonden kan worden voor doodstraf, oorlog, het hanteren van wapens. Men zal dit dus mogen en moeten bestrijden. Maar daar staat tegenover, dat men elke mens het recht moet geven op zijn eigen wijze te leven, ook wanneer hij daardoor zijn leven bewust of onbewust verkort. Desnoods kan men hem op het gevaar wijzen. De rest is echter m.i. zijn eigen zaak.

Ik kan niet inzien, waarom een soldaat, die gaat vechten in een of andere oorlog of revolutie een held moet zijn, terwijl iemand, die opium rookt een schoft, een zwakkeling en een asociaal element moet zijn. Beiden brengen levens in gevaar, dat is waar. Beiden hebben daarvoor ongetwijfeld hun redenen. Maar de tweede brengt alleen zichzelf in gevaar. De eerste speelt met de levens van anderen, en is zo m.i. moreel en maatschappelijk minder aanvaardbaar. Nu weet ik wel, dat men hierover in deze tijden nog anders pleegt te denken. Laat ons echter trachten nuchter en logisch te zijn. In een zo overbevolkte wereld als de huidige is het niet bepaald erg, wanneer zwakkere elementen uitvallen. Wanneer zij dit kunnen doen op een wijze, die voor hen aangenaam en aanvaardbaar is, zou daartegen vanuit een stoffelijk standpunt geen enkel bezwaar geopperd kunnen worden. Wanneer wij de zaak geestelijk bezien, zo moeten wij ons ook realiseren, dat degenen, die geestelijk bewust genoeg zijn, in hun stoffelijk leven ongetwijfeld voldoende doel en richting zullen vinden, om een eigen weg te gaan, die voor hen goed is, ook al bestaat er geen pressie van bovenaf. Er zijn, ook in deze dagen, getuigenissen voldoende te vinden van mensen, waaronder ook zeer jonge mensen, die ten koste van alles hun eigen weg willen gaan en gaan, daarbij strevende ten goede van zichzelf en anderen en niet lettende op de offers, die zij moeten brengen, het lijden, dat met hun streven gepaard gaat, omdat zij innerlijk weten, dat zij juist handelen.

Laat ons streven naar een zo groot mogelijke vrijheid. Want eerst de mens, die waarlijk vrij is en niet door verbodsbepalingen wordt uitgedaagd om dingen te doen of te proberen, waaraan hij anders misschien voorbij zou gaan, heeft de mogelijkheid een leven te vinden, dat waarlijk levenswaardig is. Dat wij in zekere zin verplichtingen tegenover elkander hebben, is waar.

Maar alleen in zekere zin. Ik ben niet mijn broeders hoeder, dat ik hem tegen zijn wil in moet beletten zich in gevaar te begeven. Wel ben ik mijn broeders hoeder, wanneer hij in gevaar is en hulp verlangt. Dan mag ik niet voorbijgaan, maar moet helpen, moet trachten hem te redden en zal zeker van mijn kant niet zijn ondergang mogen bevorderen. Het beeld is christelijk – misschien prefereert u de term “judeïsch’ – maar op zich is het een grondstelling van alle menselijk zijn. Wij moeten respect hebben voor onze medemensen. Dit betekent ook, dat wij, gezamenlijk opgestapeld in bv. een modern flatgebouw, rekening moeten houden met onze medemensen. Maar alleen, zover ons gedrag voor hen in eigen leven en waarden direct storend of hinderlijk kan zijn. Verder niet: Wij hebben het recht alleen te zijn en zullen ons dit recht moeten nemen, wanneer men het ons niet wil geven. Wij hebben recht op een eigen leven. Zolang wij anderen daardoor niet feitelijk schaden, zal niemand ons dit recht mogen ontzeggen, zelfs indien wij onszelf te gronde willen richten, of willen opwerken tot de meest belangrijke mens ter wereld. Dit gaat niemand iets aan buiten onszelf.

Ik weet, dat deze stellingen niet iedereen even prettig in de oren zullen klinken. Maar wij moeten beginnen, wanneer wij een moderne levensfilosofie op willen bouwen, met het terzijde stellen van allerhande gevoelselementen, die uiteindelijk geboren worden uit heerszucht. Want heerszucht is het meest demonische, wat op het ogenblik in de wereld van de mensen bestaat.

Zelfzucht kan men altijd nog wel beheersen: Er zijn altijd wel zovele tegen elkander gerichte zelfzuchtige bestrevingen, dat zij hun invloed onderling op zullen heffen of althans beheersbaar zullen laten. Maar een machts-begeren, dat steeds meer toeneemt, kan op den duur elke mogelijkheid om menswaardig te leven en toch jezelf te zijn, teniet doen. Verder moeten wij in het materialistische denken verder gaande, ons eens afvragen, of de hedendaagse mens niet te veel waarden, die in wezen overbodig en luxe zijn, voor zich als noodzakelijke levensbehoefte wil beschouwen. Om te leven heeft men uiteindelijk niet zo veel nodig. Men is echter gewend steeds meer te eisen, onder verklaring, dat men zonder dit meerdere niet waarlijk leven kan of wil. Men stelt deze eisen echter niet alleen aan de wereld: in feite stelt men deze eisen vooral aan zichzelf. Een groot deel van de onrust, vele van de vaat- en hartziekten, van de maagklachten van deze tijd, komen niet vanuit het roken, de luchtverontreiniging en/of zelfs maar uit de onvermijdelijke en grote spanningen van het dagelijkse bestaan, maar komen voort vanuit de bezitszucht, waardoor men zichzelf – en anderen – opjaagt tot prestaties, die ver boven het eigen kunnen liggen of verantwoordelijkheden aanvaardt, die men weet niet te kunnen dragen. En dit alles alleen maar om daaruit de “eerste levensbehoeften” als bv. een auto of de eerbied van je medemensen te kunnen winnen.

Ik meen, dat deze instelling volkomen fout is. Het gaat er vooral niet om, wie en wat wij in de ogen van de mensen zijn. Het gaat er om, wie en wat wij in eigen ogen zijn. Wanneer wij voor onszelf kunnen zeggen, dat wij gerechtvaardigd en juist leven en zijn, zonder daardoor de buitenwereld aan te tasten, heeft niemand het recht ons te minachten of tot een andere wijze, van leven, te dwingen. Laat de mens dus leren soberder en rustiger te leven. En laat hem beseffen dat men de versobering heus niet alleen behoeft te zoeken in voeding, huisvesting enz..

Hij kan het eenvoudig zoeken in de beheersing van zichzelf. Niemand zal u het recht mogen ontzeggen om naar theater of bioscoop te gaan. Wanneer dit echter een gewoontedwang wordt – zoals bij velen – is het dwaasheid en een overbodige belasting. Zoals niemand u zal mogen verbieden een t.v.-apparaat in huis te hebben en daarnaar te kijken. Maar op het ogenblik, dat u niet zonder dit kunt, bent u niet alleen een dwaas, maar ook iemand, die tijd, mogelijkheden, rust en zelfs bezit opoffert zonder enige noodzaak. Gewoontevorming, een niet kunnen afwijken van bepaalde gebruiken, wijze van ontspanningen en overbodige werkzaamheden doen u leven onder spanningen, die niet behoeven te bestaan en op een wijze, die niet de uwe is.

Alles, wat bestaat, is er voor de mens om te gebruiken volgens eigen wezen en inzicht, maar niet om zich daardoor te laten beheersen. Daarom zal de bewuste mens zichzelf als eis stellen: ik moet steeds eenvoudiger en soberder kunnen leven. Nog steeds is dit denken zuiver materialistisch. Wij stellen, nog steeds vanuit dezelfde gedachtegang, dat elke mens een ideaal beeld van zichzelf heeft. Wanneer wij ons bezighouden met psychologie en zelfs psychiatrie, blijkt steeds weer, dat dit ideaal door de mens vaak ontleend wordt aan een voorstelling of wereldbeeld, dat hij zichzelf heeft opgebouwd, ofschoon het niet werkelijk bestaat. Dit ideaal neemt voor de mens de plaats van vader en moeder in, wanneer hij geen ouders meer heeft. En vaak reeds voordien.

Wanneer de mens, in overeenstemming met dit ideaal beeld van het ik handelt, voelt hij zich gelukkig. Wanneer hij daar tegen in handelt, voelt hij zich verstoten, ontevreden. Laat ons daarom stellen, dat de mens dient te leren handelen in overeenstemming met zijn beeld van de ideale mens, om waarlijk gerust en gelukkig te kunnen leven. Dan moet het mens-zijn zelf ons tot een eerste doel worden. Ik bedoel hiermee niet een bepaalde richting van denken en leven als bv. het humanisme, zo goed als dit op zich moge zijn. Ik bedoel eenvoudig een begrip voor de verantwoording, die men zichzelf als mens steeds schuldig is. Hoe meer wij begrip krijgen voor de betekenis van het feit, dat wij een denkend wezen zijn, hoe meer wij zullen kunnen beantwoorden aan het ideaal, dat in onszelf leeft, hoe groter de vrede en vreugde, misschien zelfs ook hoe langer de levensduur, die wij op deze wijze verwerven.

Nu komen wij toch aan meer metafysische argumenten en punten. Daarbij stel ik allereerst, dat godsdienst in vele gevallen een vlucht voor de werkelijkheid is. Pas wanneer het geloof zó groot is, dat het in de mens tot een werkzame en bruikbare kracht is geworden, heeft het waarlijk zin en betekenis voor ons. Een geloof, dat berust op verdiensten en woorden zonder meer is eerder geschikt om de mens van eigen persoonlijkheid te vervreemden en het in een keurslijf van pressies en angsten te doen leven, waardoor hij minder gelukkig, maar vaak ook minder bekwaam en prettig leven zal. Wij mogen de godsdienst wel als een basis van ons leven, of als een steun in ons leven beschouwen, maar mogen haar nimmer als het einddoel van ons bestaan beschouwen, of zelfs maar als de meest belangrijke waarde daarin. Ongeacht de beweringen, die vanuit de vele godsdiensten, sekten en cultussen – zelfs van het uit spiritisme in zijn vele vormen, als bij onze orde – gesteld wordt omtrent het hiernamaals, zijn deze dingen alleen van belang voor de mens, zover zij voor hem werkelijk doel van de realiteit zijn. Indien zij voor onszelf het bestaan van dit hiernamaals niet volledig aanvaardbaar en werkelijk kunnen maken heeft het weinig zin om, tegen eigen geneigdheden en geluk in, volgens de richtlijnen van de stellers van dit hiernamaals te leven.

Ik zou daarom willen zeggen, dat de mens steeds dient uit te gaan van dat beetje geloof, wat hij werkelijk bezit. Soms geloof je alleen maar, dat het leven ergens zin moet hebben. Maak dit dan waar. Maak waar, wat je daarover droomt voor jezelf. Wanneer je dit doet, maak je jezelf tot meer dan een mens en wijkt zelfs ver achter de beperkte horizon van de menselijke mogelijkheden uit.

Wanneer er een eeuwigheid is, zal dit de mens te stade komen. Is er geen eeuwigheid, dan zal men in ieder geval in zijn leven sterk en gelukkig zijn. Wij moeten dus beginnen, met enig geloof toch wel als een levensnoodzaak te stellen. Een mens, die in niets meer vertrouwt en in niets gelooft, is geen mens meer, maar een verscheurend dier. Zoek dus iets, waarin je kunt geloven, waarop je kunt vertrouwen. Waag desnoods de meest krankzinnige experimenten om dit te bereiken. Maar wees nimmer met jezelf tevreden, omdat je experimenteert. Wees alleen tevreden met een resultaat. U zult gemerkt hebben, dat ik ook hier de nadruk leg op resultaten. Dit is begrijpelijk: De vorming van de mens van heden is nu eenmaal min of meer wetenschappelijk. Wat een mirakel geweest zou zijn voor een Romein rond de tijd van Jezus geboorte is voor de mens van heden alleen maar een verklaarbaar verschijnsel iets om te onderzoeken. Wij mogen niet vergeten, dat hemel, aarde en wateren voor de mens van heden steeds minder geheimen bevatten. Voor alles vond men in het verleden een verklaring. Het onverklaarbare van heden is niet meer een wonder, maar iets, waarvoor men slechts de redelijke en logische verklaring dient te zoeken.

Wij kunnen dus niet meer teruggrijpen naar een wereld, die bevolkt is met machten en goden, welke zelfstandig in het leven van de mens in kunnen grijpen met uitschakeling van alle wet, redelijkheid en zelfs alle recht. Men heeft zich in deze tijd eigen goden geschapen: de machines, de systemen. Laat ons desnoods deze goden eer bewijzen, maar ons nooit vernederen tot een redeloze aanvaarding, verering of aanbidding, opdat hetgeen de mens geschapen heeft, hem niet overmeesteren. Onze taak is het voortdurend te scheppen. Deze neiging tot het zelf presteren, scheppen, vorm gevende aan hetgeen voor ons nog niet was, zal ons een innerlijke verwantschap doen ontdekken met het Godsbegrip, dat overal nog op oude basis wordt gepredikt.

God wordt ons voorgesteld als de Denker, die Zich wil spiegelen of erkennen in het Al, het werk van Zijn handen. Laat ons dan mensen en geesten zijn – want ik ben nu eenmaal geest, en reken mijzelf hierbij in – die door het werk van hun handen en gedachten scheppen, om uit de resultaten van hun werken en bestaan zichzelf te mogen leren kennen. In een tijd als deze is zelfkennis meer noodzakelijk dan ooit. De mogelijkheid om in een droom gelukkig te leven is minder geworden. Of men wil of niet wordt men steeds weer met de harde werkelijkheid geconfronteerd. Wanneer deze werkelijkheid dan teloor gaat in waan of illusie, zal zij toch steeds weer aan de deur kloppen en onze waan verstoren, onze illusies breken.

Een God, die alleen maar veraf is, kan wel bestaan. Wij kunnen Hem desnoods eren. Werkelijke betekenis heeft hij echter in het mensenleven niet. Wanneer wij echter uit die God kracht kunnen putten om iets te doen, al is het maar om een werk te scheppen, dat in ons leeft, iets wat wij zonder dit tot nu toe niet konden verwerkelijken, dan leeft die God voor ons en is werkelijk onze God. Laten wij God zien als een kracht, die in ons leeft en er niet over praten, of dit nu een eeuwige kracht is of niet. Wanneer wij geloven in een hiernamaals, mogen wij informatie daarover zoeken, mogen wij ons ook daar mee bezig houden. Maar nooit zullen wij mogen vergeten, dat wij vandaag en nu leven. Vandaag je eigen verantwoordelijkheden dragen, vandaag aan je eigen idealen gestalte geven, vandaag zien naar al, wat je in het leven reeds volbracht hebt en jezelf daaruit leren kennen, is een eerste behoefte, een eerste vereiste voor de mens, die geluk en vrede wil kennen.

Alle mensen hebben mogelijkheden en zintuigen, die verre het gekend stoffelijke te boven gaan. Bij sommige van hen zijn deze ontwikkeld, bij anderen worden zij ontwikkeld of sluimeren zij. Wij moeten m.i. trachten ons wezen tot het uiterste te ontwikkelen, te komen tot de hoogste grenzen van ons begrip en kunnen. Dit uiterste zal niet alleen kunnen gelden voor onze prestaties, ons werk, maar zal eveneens gezocht moeten worden in het rijk van de gedachten. De eis, het uiterste te presteren en te bereiken, geldt voor alles, zelfs voor vreugde. Want zelfs blijheid en vreugde zijn een prestatie, die mede de inhoud van ons leven bepaalt. Laat ons trachten al, wat wij zouden kunnen zijn, zo volledig mogelijk, zo oorspronkelijk en juist mogelijk te zijn.

Vanzelf komen wij nu aan de toenemende invloed van de geest op de mens in de stof. De invloed van het spiritisme alleen, daarbij zijn vele vormen als spiritualisme enz. tellende, maar ook de vermomming van dit streven en zoeken als occulte school of onderzoek naar het paranormale, omvat meer mensen dan u zou denken. Een schatting naar het aantal mensen, dat zich hiermee – vaak naast andere godsdienstbeoefeningen – bezig houden, brengt ons tot een minimum van 80 tot 90 miljoen personen. Een niet gering aantal! Ook hierbij dient men echter van zichzelf uit te gaan. Wanneer men contact op neemt met de geest, energie en streven daaraan wijdt, mag men van die geest ook eisen dat zij in ruil daarvoor de mens iets schenkt, het behoeft geen vrije gave te zijn, het mag handel lijken, of eerder een uitwisseling van krachten en ideeën betekenen, maar de geest moet haar eigen invloed en mogelijkheid op een voor de mens bevredigende wijze tonen. Zoals wij deze eis stellen aan de kerken: Gij zult ons aantonen, dat uw God waarlijk is, zoals gij zegt en wat gij zegt, zo moeten wij een soortgelijke eis eveneens stellen, waar het de geest of occulte leringen betreft.

Geduld zullen wij hierbij wel moeten hebben. Naar ik meen, zal men, zowel in de kerken als daarbuiten, bereid moeten zijn om enkele jaren met volle inzet van persoonlijkheid te werken en te streven, voor men kenbare resultaten mag verwachten. Maar dan moet men daarmee ook werkelijk iets verder komen. Altijd zullen wij, bij geloof, leven, streven en stelling terug moeten keren tot deze ene vraag: Wat is het resultaat? Nemen wij verder de kosmische invloeden in ogenschouw. Deze beroeren ongetwijfeld de wereld steeds weer en kunnen wereld en mensheid soms in oproer brengen. Maar wanneer je in de zee zit, zal het hoger worden van de golfslag vaak alleen maar betekenen, dat je wat hoger wordt opgetild, wat dieper in het golfdal afglijdt. Dat je misschien het enige ogenblik iets verder kunt zien – ofschoon dat altijd weer afhankelijk is van de omgeving – en het andere ogenblik niets meer zult kunnen waarnemen buiten eigen onmiddellijk bestaan.

Zo gaat het ons: Wanneer wij als mens, of zelfs als geest betrokken worden in een kosmische werking van buiten af, dan kunnen wij misschien enigszins berekenen, wat dit zal kunnen betekenen. Maar een groot deel van de predictie, zullen wij eerst zelf waar moeten maken. Laat ons nooit vergeten, dat, wat er ook voorspeld is, wat er ook uit God of andere krachten geopenbaard wordt, toch wijzelf het zijn, die deze dingen waar moeten maken. Laat ons dan de dingen waar maken, die voor ons belangrijk zijn en laat ons weigeren aan al het andere deel te hebben. Wanneer je niet aan een voortbestaan gelooft is het eenvoudig genoeg om te stellen: een leven, waarin ik tegen mijzelf in moet streven is mij niet levenswaard. Liever dan tegen mijzelf en mijn besef in te leven, laat ik mijzelf doden, want het is beter uitgeblust te zijn en onwetend te rusten, dan mijzelf te verloochenen.

Wanneer je wel gelooft in een voortbestaan, zo meen ik, dat de gedachte nog veel intenser en juister ervaren zal worden. Want wat heeft het voor zin, nu tegen jezelf in te gaan en later dan nog eens onder alles te lijden, wat je veroorzaakt hebt! Dan is het beter nu bewust en voor jezelf verantwoord over te gaan in de kracht van de waarheid, die je bezit. Probeer, vanuit jezelf te leven. Dat is voor mij het belangrijkste punt bij alle metafysische zijden van de menselijke levensbeschouwingen. Zonder dit heeft immers streven en leven geen zin.

Laat ons nu eens zien, wat de wereld ons vertelt in deze jaren. Men heeft b.v. ontdekt, dat een atoom uit delen bestaat, die in delen uiteen blijken te vallen, die waarschijnlijk weer in delen verdeeld kunnen worden. Het schijnt zo voort te gaan ad infinitum. Men weet niet, waar het ophoudt, maar weet wel, dat de kern, de basis van alle vormen ergens energie moet zijn. Toch kan men geen afstand doen van ’t begrip materie. Men weet, dat er een ledig moet bestaan, een ruimte, waar werkelijk niets is. Men kan zich dit niet voorstellen, vult het desnoods op met begrippen als stralingen en krachtvelden, maar als

geheel ledig kan men niets, ook de ruimte niet, aanvaarden.

Laat ons daarom stellen, dat de kennis, die de mensen bezitten, te groot is voor hun daadwerkelijk begripsvermogen. Daarom is het goed terug te keren tot eenvoud, tot het voor eigen begrip wel aanvaardbare en bestaande. Uiteindelijk is het niet zo belangrijk te weten, hoe een atoom gebouwd is, wanneer het je maar diensten kan bewijzen, die goed zijn.

De menselijke kennis is alleen belangrijk om de resultaten, die zij mogelijk maakt. Een eenvoudige vraag: wat is het belang te weten, hoe bv. een eenvoudige verkoudheid ontstaat, wanneer deze kennis je niet in staat stelt om er iets tegen te doen? De kennis is alleen belangrijk door de mogelijkheden, die zij voor de mens kan scheppen, niet echter op zichzelf.

Erkenningen en wetenschap zijn eerst zinrijk, wanneer zij tevens bruikbaar zijn. De kennis alleen, voor zich, heeft tegenwoordig geen waarde meer, omdat men niet meer in staat is zichzelf of anderen daarmee waarlijk te verrijken. Nieuwe kennis is niet zo belangrijk. Eerst moet men leren de bestaande kennis af te ronden en te gebruiken, de zin van deze kennis in eigen leven en mogelijkheden geheel te beseffen. De wereld van heden heeft mogelijkheden te over, om de mens bijna geheel na te bootsen. Men kent mechanische breinen, machines die voor de mens lopen, sorteren, schrijven enz. De mens is dus wat productie betreft en zelfs verwerking van kennis, niet meer zo belangrijk. Er zijn allerhande andere en vaak meer rationele mogelijkheden, ook al verzet de mens zich steeds weer tegen het gebruik daarvan.

Laat ons beginnen met dit feit te erkennen. Onze kennis zegt reeds nu, dat de mens niet meer werkelijk belangrijk is om het werk van zijn handen. Wanneer men klerk, referendaris is, zo klinkt dit misschien heel mooi, maar een machine kan u gemakkelijk geheel vervangen. Dat dit niet gebeurt, ligt o.m. aan het feit, dat u voorlopig nog goedkoper bent, al bent u trager. Zelfs wanneer u een scheppend kunstenaar bent, mag u niet vergeten, dat er apen zijn geweest, die moderne kunststukken geschilderd hebben, dat een rekenmachine zeer aardige melodieën heeft gecomponeerd. Denk dus niet, dat u door uw arbeid zelf, door uw perfectie van arbeid in de wereld nog veel betekent. Overzie de bereikingen van de mensheid en erken, dat de mens meer en meer het voorlopig nog goedkopere vervangingsmiddel wordt voor de machines, die hij zelf geschapen heeft. Wat inhoudt, dat uw belangrijkheid als mens nooit kan liggen in de plaats, die u inneemt in de maatschappij.

Een ding bezit de mens echter, wat de machine niet bezit, een ding wat niet geïmiteerd kan worden: De mens heeft een begripsmogelijkheid, die verder reikt dan de feiten, een inzicht, dat uit onvolledige gegevens toch een juist beeld kan scheppen en tot juiste conclusies kan komen. Dit betekent, dat wij niet moeten zoeken naar een verbeteren van de menselijke acties en bestaanswaarden, die ook mechanisch zouden kunnen worden gepresteerd, maar een zuiver menselijke waarde op de voorgrond dienen te stellen. Deze menselijke waarde ligt in de eerste plaats wel in het vermogen van de mens om lief te hebben en te haten, daarnaast in zijn vermogen om te lachen en te huilen. Uw emotionele wereld maakt u belangrijk niet uw vermogen om te denken alleen. Dit laatste kan mechanisch gemakkelijk overtroffen worden.

Dan moet de mens dus leren, zijn emoties, zijn emotionele status eigenlijk, steeds meer te gebruiken, om het bijzondere, het eigene van het menselijke leven tot uiting te brengen.

Daarbij zal hij ongetwijfeld begrippen ontmoeten die men meestal vooral in meer geestelijke zin hoort als harmonie enz..

Twee machines kunnen niet werkelijk harmonisch zijn. Afzonderlijk functionerend kunnen zij synchroon zijn. Een samenwerking in de zin van harmonisch en volledig samengaan kan men bij machines alleen bereiken door ze te koppelen. In wezen zijn zij dan echter geen afzonderlijke machines meer, maar een geheel, uit onderdelen opgebouwd, die geen afzonderlijk bewustzijn van zichzelf meer bezitten.

Mensen kunnen echter, al zijn het er honderden, elk een afzonderlijke persoonlijkheid blijven met eigen bewustzijn en toch harmonisch zijn in de hoogste graad, zij kunnen samenwerken met anderen en perfecte eenheid met anderen bereiken, zonder daarbij zichzelf of eigen bewustzijn prijs te geven. Het is deze mogelijkheid tot invoelen in anderen, die de mens steeds verheffen zal boven de meest ingewikkelde en volmaakte van zijn scheppingen. Wanneer de mens zich daarbij dan durft te beperken tot hetgeen werkelijk noodzakelijk is en af durft zien van niet noodzakelijke waarden, handelingen die voor hem misschien wel bezit of prestige kunnen betekenen, maar niet noodzakelijk zijn, zal hij een volgende en hogere trap van menszijn kunnen bereiken.

Het is eenvoudig om nu te zeggen: Bouw geen gemeentehuizen en kantoren, voor alle burgers onder dak zijn gebracht, zolang men verschillen in interesse, belangen enz. kent, zal dit een vrome wens blijven. Op het ogenblik echter, dat een aanvoelen van de behoeften van anderen het uitspreken van een dergelijke zin zelfs overbodig maakt, kan de mens een vorm van eensgezindheid bereiken, die ook in de wereld van de gedachten wordt voorgezet. Uit vele proeven, die op dit terrein zijn genomen leerde men, dat vooral bij jongere kinderen – die sterker aanvaardingen, sympathieën en antipathieën kennen dan volwassenen – een rapport bestaat met hun onderwijzer of onderwijzers. Vaak blijkt echter ook, dat kinderen van ongeveer gelijke leeftijden bijna gelijktijdig worden bevangen door eenzelfde behoefte of denkbeeld. In dit verband kunt u aan uw jeugd terug denken. Binnen enkele dagen waren ineens alle jongens aan het knikkeren, daarna allen opeens aan het tollen. Niet in één plaats, maar praktisch in geheel de streek. Dit mag wel gelden als een eenvoudig voorbeeld van gedachten overbrenging op het onbewuste vlak. Maar waarom zou het daarbij blijven? Wanneer de mens urgenties en noodzaken erkent, kan hij ook deze uitstralen. Mits hij beheerst blijft, is deze gedachteoverdracht mogelijk. Zij wordt belangrijk, zodra er sprake is van een voldoende harmonie, voldoende deelgenootschap met de omringende wereld…

Daarom dient men de mens wel de raad te geven vrij te zijn, maar mag dit begrip van vrijheid in geen geval een isolement betekenen. Door een gemeenschappelijk gedeelde gedachtewereld en de daaruit voortkomende beïnvloedingen zal het mogelijk zijn, dat de gehele mensheid gelijktijdig noodzaken, behoeften en mogelijkheden beseft en ingrijpt. Wanneer de mens een redelijk beeld van zichzelf heeft en enige beheersing zal hij, tezamen met de mensheid, t.a.v. de wereld tot een soort God worden. Dan kan de mens zeggen: zie, ik heb de machines gemaakt naar zijn beeld en aanzijn en zie, mijn werk is goed, zonder daaraan zelf ten onder te gaan. Men zal in dit bewustzijn en deze eenheid originator en krachtgever blijven, wat er zich ook ontwikkelt. Deze kracht is onvervangbaar. Vreemd, dat ik hier als enig juist beeld het woord God moet gebruiken in verband met de mens. Maar zoals het begrip God – hoe ver het ook van ons afstaat – altijd boven ons zal blijven staan en altijd een perfectie en kracht in zal houden, die wij niet beseffen kunnen, zo zal het begrip mens iets in kunnen houden, dat het voor altijd stelt boven en scheidt van de door de mens geschapen vormen van werken, bewustzijn en zelfs van veel van het lagere leven.

Leven op zichzelf – als mens – moet ons doel zijn. In dit leven als mens moeten wij trachten onze steeds groeiende harmonie met anderen a.h.w. te incorporeren. Wij moeten trachten onze verbondenheid, zowel geestelijk als materieel, te maken tot een belangrijk deel van de band met wereld en anderen, maar ook van eigen ervaring. Wanneer er – en nu kom ik tot stellingen die direct van de Nieuwe Wereldleraar komen – voor ons perfectie is in het menselijk leven door een juist en zelfstandig bestaan, zal de God, die leeft, ons moeten erkennen. Het is niet slechts onze erkenning van God, die ons tot Hem brengt, maar ons leven volgens de wetten van die God.

De wetten van God zijn geschreven in de schepping. Ook in ons. Zij zijn nimmer in menselijke woorden of begrippen alleen uit te drukken en kunnen niet beredeneerd worden. Zij zijn.

Wij moeten begrijpen, dat met alle kennis toch een zeer groot deel van leven en Al, zich nog aan ons bewustzijn blijft onttrekken. Wij zijn de eeuwige avonturiers, die steeds verder zoeken door te dringen in alle leegten van begrip en kennis. Wat wij dienen te vinden daarin is echter wijsheid en niet alleen maar weten. Of wij uit willen trekken naar de sterren of af willen dalen, wij zullen altijd moeten blijven zoeken naar wijsheid, naar begrippen, die ons verbinden met al, wat wij leren en kennen. Het is deze verbondenheid, die ons allen eens in staat zal stellen zelfs het menselijke zijn in de huidige vorm achter ons te laten. Wij kunnen meer zijn, beter zijn. Maar de begrippen, die nu in de mensheid en vaak ook nog in de geest bestaan en van het hoogste belang worden genoemd, zijn gebaseerd op tijdelijke verschijnselen en waarden en in wezen reeds lang door de mensen overleefd.

Zij passen niet meer bij de huidige mogelijkheden, de tijd van heden. Zij hadden geen deel aan de vernieuwingen en maken behoudzuchtig en dogmatisch. Wij zien, dat hierdoor de mens bepaalde belangrijke problemen graag schijnt te willen vermijden, of althans alleen in verband met reeds overleefde stellingen en denkwijzen te willen zien. Eén daarvan is geboortebeperking. Ik meen echter, dat het meer verantwoord is, het aantal geboorten te beperken, wanneer men dit noodzakelijk acht, om zo in juiste harmonie en eenheid zijn kinderen op te kunnen voeden, dan – het leven heilig noemende – kinderen in drommen te doen komen met als enige mogelijkheid die kinderen te drillen of te verwaarlozen.

Vanuit dezelfde oude waarden horen wij steeds weer, dat de mens een zedelijke maatstaf moet hebben. Ik vraag mij echter af, waar deze nu nog voor nodig is, tenzij om de werkelijkheid te kunnen verdoezelen. Ik geloof niet, dat er een zedelijke maatstaf volgens menselijke begrippen en formuleringen gesteld kan worden, die voor een ieder zonder meer en geheel geldend is. U zult overigens wel weten, dat de maatstaven, die men op het ogenblik overal pleegt aan te leggen, op zijn minst genomen zeer dubieus zijn: Kijk maar naar de mensen.

Iemand was gisteren nog beul in een concentratiekamp en is vandaag een geëerd arts. Gisteren spion en rechter, die aan de lopende band doodvonnissen tekende, vandaag geëerd en waardig minister. Gisteren oplichter, vandaag meest aangezien bouwheer. Gisteren gangster, vandaag groot staatsman. Er zijn voorbeelden te over van het vreemde hanteren van de “zedelijke maatstaven” in de hedendaagse mensheid. Deze dingen bewijzen ons wel, hoe dwaas deze zijn.

Een mens is een mens. Niet meer. Wanneer deze mens afwijkt van de norm, dan moet men op het ogenblik, gezien de gehele maatschappelijke structuur, wel zeggen, dat dit niet mag. In wezen heeft zo iemand echter evenveel recht om te leven op zijn eigen wijze als ieder ander. Wanneer iemand homoseksueel is, lijkt mij dit en voor de mens zelf en voor zijn omgeving niet direct prettig. Maar wanneer deze mens daarin vreugde en bevrediging kan vinden, die op een andere wijze voor hem niet bereikbaar zijn, alleen op deze wijze gelukkig en menswaardig kan leven, heeft men dan wel het recht hem de mogelijkheid tot een gelukkig en nuttig leven eenvoudig te ontzeggen, omdat toevallig dankzij de maatschappelijke structuur van het ogenblik het biseksuele contact het enig aanvaardbare wordt genoemd? Ik meen, dat dit onjuist is, onredelijk. Ik meen verder dat, wanneer men eindelijk aanvaardt en erkent, dat zo iets bestaat, vele afwijkingen weg zullen vallen, of niet meer zo op de voorgrond zullen treden, omdat de prikkel van het verbodene, het grote geheimzinnige experiment, weg valt.

Ik weet, dat er vele afwijkingen bestaan. Zolang deze niet aanvaard worden, niet openlijk erkend worden, zal men weinig of niets kunnen doen, om deze aan te passen binnen het menselijk levenspatroon of in werking en belangrijkheid te verminderen. Men zal deze dingen moeten aanvaarden, zolang zij geen schade brengen voor anderen. Een sadist heeft neigingen en behoeften, die niet normaal zijn. In wezen is zo iemand geestelijk ziek. Door hem een uiting niet te verbieden, maar op het ogenblik, dat een niet meer aanvaardbare uiting komt, alle maatregelen te nemen om hem te genezen, bereikt men veel meer dan met een verwerpen, dat alleen tot resultaat heeft, dat dergelijke personen zich verbergen op  plaatsen in de maatschappij, waarop zij ongestoord hun neigingen na kunnen gaan.

Het is heel aardig om te zeggen, dat mensen nooit dronken zouden mogen zijn. Maar hoe wil men de neiging van de mensen hiertoe bestrijden? Door hogere accijnzen bv.? Dat betekent alleen maar, dat er slechtere drank wordt gedronken. Er is een industrie, een handel, niet waar? Goed. Wanneer een dronken man een misdaad begaat, veroordeel dan een ieder, die aan handel en productie van dranken heeft meegewerkt. Tenminste, wanneer u iets voelt voor de geheel geleide rechtsstaat en economie. Indien u dit niet aanvaardbaar voor komt, zeg dan: Wanneer iemand dronken is, moeten alle anderen hem maar de ruimte geven. Als nuchtere mensen zijn zij zelfs aansprakelijk en dienen er op toe te zien, dat een dronken mens geen schade aanricht.

Wanneer een mens verdovende middelen wil gebruiken, zo mag men dit betreuren, ofschoon er vele dagelijkse voedingsmiddelen zijn in deze tijd, die even gevaarlijk beginnen te worden als de veel gesmade opiaten. Wanneer men daardoor ziek wordt, kan men trachten zo iemand te helpen en te genezen. Wanneer men echter deze mensen in staat zou stellen de voor hen misschien onontbeerlijk lijkende middelen tegen redelijke prijzen en openlijk te verkrijgen, voorkomt men vele misdaden en wantoestanden, die nu wel bestaan: Vrouwen, die zich prostitueren om cocaïne te kunnen kopen, mannen die inbraak, roof, moord plegen, om voldoende geld te krijgen voor een volgende pil, een volgend spuitje.

Laat ons eerlijk zijn: De morele maatschappij is lang zo mooi en glanzend niet, als zij er uitziet. De veel geprezen publieke moraal is voor vele misstanden aansprakelijk, ook al blijven deze vaak verborgen. Dan is de morele maatstaf van deze maatschappij eenvoudigweg niet aanvaardbaar.

Ik pleit voor een afschaffen van een publieke moraal en in de plaats daarvan voor een zoeken naar werkelijk geluk, een mogelijkheid voor een ieder, om zo ver mogelijk te beantwoorden aan eigen idealen.

Ik pleit voor het afschaffen van de beloning voor de arbeid. Maak de arbeid tot een voorrecht.

Dan zult u altijd ijverige arbeiders genoeg hebben, in plaats van luie mensen, die in vele gevallen hun werk haten en het alleen maar doen, om er iets mee te verwerven. Het is lastig om daaraan te beginnen.

Ik begrijp zeer wel, dat dit op het ogenblik nog niet mogelijk is. Maar naarmate de jaren voorbij gaan, zal dit alles meer noodzakelijk worden. Laat ons dit reeds nu beseffen. Laat ons, ons eigen leven niet meer baseren op publieke moraal en het voor de gemeenschap aanvaardbare.

Laat ons, ons eigen leven althans reeds nu baseren op een voor alles verantwoord zijn, tegenover onszelf en alle waarden, die wij in onszelf beseffen.

Laat ons ook trachten ieder ander mens vrij te laten om zijn eigen ideaal en zijn eigen geluk op zijn eigen wijze te zoeken. Laat ons niet het bezit vereren, kapitaal is kapitaal. Natuurlijk.

Maar kapitaal zonder arbeid is niets waard en arbeid zonder kapitaal al evenmin. Op het ogenblik kent de doorsnee mens een belangrijke stimulans: Het geld, waarmee zijn arbeid gekocht wordt. Laat ons voor onszelf zoeken naar een bezigheid, een systeem, waardoor het weer een ware vreugde kan worden te werken. Dwing mensen die niet werken willen, tot een waarlijk nietsdoen en laat hen, zo zij dit wensen, zoeken tot zij zelf een taak hebben gevonden, die voor henzelf aanvaardbaar is. In het begin zullen er dan in de maatschappij een hoop parasieten zijn. Daarvan ben ik overtuigd. Maar die zijn er nu ook, vermomd als arbeiders, ondernemers en weet ik wat al niet. Deze zullen echter snel verdwijnen.

Ik wijs er nogmaals op, dat ik hier, zij het wat uitvoerig, stellingen aanhaal, die de wereldleraar bij zijn leven op uw wereld verkondigd heeft. Wat Hij zegt van God?

God is de kracht, waaruit wij leven, de eeuwigheid, die voor ons bestaat, de aanvulling van onze tekortkomingen. Hij mag niet iets zijn waartoe wij allen opzien. Hij moet de Bron in onszelf zijn, waaruit wij voortdurend putten. God moet voor ons niet een soort mens zijn, maar het leven zelf, waarvan ook wij deel zijn. Geen pantheïsme in de oude vorm, waarin alle delen afzonderlijk als god werden geëerd, maar een begrip voor het feit, dat de Ene God in alle dingen is en een verering en ervaren van die ene God in alle dingen is m.i. aanvaardbaar.

God is in het licht van de zon en de flonkering van de sterren, maar ook in de mens in zijn schoonste en meest verwerpelijke vormen leeft God. Laat ons dan uit die God steeds weer putten, deze God, die in alles, ook in ons, leeft. Waar wij tekort schieten in ons streven om eigen idealen te verwezenlijken en te beantwoorden aan het hoogste, wat wij kennen, moeten wij ons op die God beroepen, die God nemen als de kracht, die ons helpt.

Ten laatste nog een punt, dat, naar ik meen, binnen dit kader de moeite wel waard is: Het verleden heeft gesproken over naastenliefde. De mensheid is met deze naastenliefde reeds zover gevorderd, dat men elkander uit louter naastenliefde de keel afsnijdt.

Werkelijke naastenliefde is gebaseerd op een gezonde eigenliefde. Wanneer wij God beminnen, dan is dit niet een abstract iets, maar in de eerste plaats het beminnen van ons eigen leven en de vreugde, die daarin bestaat. De erkenning van die God zal ons brengen tot een als aan het ik gelijk erkennen van alles, wat met ons harmonisch en vreugdig kan zijn. Niet alle mensen zonder uitzondering zullen in het begin op deze basis misschien tot werkelijke broederschap kunnen komen. Denk hier aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.

Wij in deze tijd echter zullen allen moeten zoeken naar een samenhang tussen mens en mens, die de grote scheidsmuren doet vallen. Dat kan alleen uit de vrije erkenning van alles, wat met ons harmonisch kan zijn, het zoeken van begrip voor en harmonie met alles, wat wij kennen en beleven, zelfs indien het ons toe schijnt, dat er tussen ons en dit andere grote verschillen bestaan.

Nu zijn er scheidingen, tussen mens en mens, tussen jong en oud ook, die niet voortkomen uit verschil van leefwijze, beschikbare energie of leefwijze, maar eenvoudig uit verschillen van vooroordeel, zodat soms huisgezinnen zelfs tegen zich verdeeld zijn. Dit is niet nodig, wanneer wij maar een juist begrip hebben van al, wat het woord naastenliefde inhoudt: Het betekent het scheppen van een wederkerigheid, een samenhang, die niet alleen maar bij het huishoudelijk verband of familieverplichtingen blijft staan, maar geheel het wezen doortrekt en ons gelukkig maakt wanneer wij tot een erkenning daarvan kunnen komen.

In het verleden bestonden er inderdaad vaak familiebanden die hierop gebaseerd waren. Tussen twee mensen bestaat deze band ook nu nog vaak. Maar dan heeft zij meestal andere achtergronden, vooral vaak seksuele. Ik meen echter, dat een dergelijke band mogelijk is tussen alle mensen, zonder dat bv. seksualiteit daarbij een overheersende of zelfs maar belangrijke rol kan spelen of een beheersing hiervan ontstaat door bloedsverbondenheid en dergelijke conventies. Deze band is altijd mogelijk, wanneer wij maar willen beginnen met de erkenning van de rechten, die ook anderen bezitten, de aanvaarding van het feit, dat, ondanks alle verschillen in uiting, het ideaal van de andere mens ons ideaal nog zozeer nabij komt, dat wij, puttend uit de kracht van het goddelijke in ons, de ander kunnen bereiken en zelfs indien wij zwak zijn, onze kracht in die anderen kunnen hervinden.

Gemeenschapszin, zoeken naar de erkenning van het gemeenschappelijk streven en werken, is voor de moderne mens de meest juiste erkenning van God. Zo zei de wereldleraar dit.

Ik kom aan het einde van mijn inleiding. Een moderne levensfilosofie zal, uit de aard van de zaak, een aanval zijn op het vele, waaraan men waarde hecht of zegt te hechten, maar dat niet waar, niet echt meer is. De mensen van heden hebben, zo zij waarlijk als waardig mens willen leven, zeker geen behoefte aan halve waarheden, wijsheden, stellingen en regels die onwaar of onecht zijn. Wij hebben geen behoefte aan zoetsappigheid en liefdevolle leugens, maar aan de waarheid. Alleen zo zal men in deze tijd waarlijk en bewust zichzelf kunnen zijn.

Te zoeken naar de waarheid – niet door ze anderen op te willen leggen, maar door in eigen leven steeds daarvan uit te gaan – is het begin. Wie het begin eenmaal kent, leert zichzelf kennen. Wie zichzelf waarlijk leert kennen, erkent ongetwijfeld ook wat wij noemen: De God in de mens en zal ook de weg vinden om eenheid met die God te bereiken.

Alle beleven, alles wat op het pad van de mens komt, betekent dan voor hem gelijktijdig een grotere integratie van zijn wezen in het hogere, een bereiken van de zin van de schepping.

Rituelen en heilige boeken hebben wij dan niet meer van node. Want deze dingen misbruiken mensen en zelfs geesten maar al te vaak, om zichzelf te overtuigen van eigen gelijk, macht en/of deugden, maar zonder dat kan het ook.

Laat ons trachten al het overbodige, valse en bedrieglijke in eigen leven weg te zien, zeker in elke beschouwing van ons eigen wezen, zo mogelijk echter ook in onze contacten met anderen. Ik meen dat deze denkwijze de enig juiste zal zijn voor de mensheid van de komende paar honderd jaar.

Vragen

  • Gaarne kort de achtergronden van de heersende seksuele moraal.

De huidige seksuele moraal is opgebouwd op bezitsoverdracht en geborgenheid. Nu is zij belangrijk en noodzakelijk, omdat daardoor de mogelijkheid bestaat binnen godsdienst en staat over kleine eenheden te beschikken, van waaruit opbouw mogelijk is en aansprakelijkheden kunnen worden gesteld. Wanneer er geen band en onderlinge verantwoordelijkheid door de mensen wordt aanvaard, is pressie en beïnvloeding moeilijker mogelijk. Ook kan men een vrije mens niet zo vast binden aan een mogelijk voor hem of haar onaangename toestand, wanneer men niet het gezin als argument kan gebruiken.

De huidige seksuele moraal is – vooral ten aanzien van de vrouw, die nageslacht voortbrengt – ontstaan uit de noodzaak van het stamverband en de samenwerking, die voor de mens noodzakelijk waren. Deze oude moraal wordt strenger gezien en streng doorgevoerd door godsdiensten, zelfs in tijden, dat zij overbodig of zelfs lastig wordt. In dit laatste geval schept men vaak een religieuze uitlaat als bv. de saturnaliën. Men kwam dus tot het formaliseren van banden, die de mens vanuit zichzelf over het algemeen toch wel zal scheppen en handhaven, zodra van werkelijke genegenheid sprake is. Men heeft hem daardoor vele voor hem nuttige mogelijkheden en vrijheden ontnomen, die altijd weer voeren tot problemen in en buiten het huwelijk en daardoor indirect aansprakelijk kunnen worden gesteld voor spanningen binnen de maatschappij en agressiviteit bij de massa.

De godsdienst is altijd weer de basis van de staat, zelfs indien zij materialistisch is en zich als systeem aandient. Zij is echter altijd jaren achter bij de werkelijke ontwikkelingen. De beheersing van het kind en het in de hand hebben van de opvoeding wordt zowel door staat als kerk als machtsmiddel gezien, een mogelijkheid om eigen belangrijkheid en aantal te vergroten t.a.v. anderen. Op grond hiervan ziet men nog heden de voortplanting vaak als het werkelijke doel en de enige rechtvaardiging van het seksueel verkeer. De zo ontstane gebruiken en opvattingen maken het gezin een machtig wapen en voerden zelfs tot een weer herstellen van het gezin in staten, waar men oorspronkelijk het gezin als bourgeois en strijdig met de revolutie beschouwde, omdat alleen via het gezin voldoende mogelijkheden tot pressie aanwezig zijn.

  • Spant u het paard niet achter de wagen door te stellen, dat de mens eerst de vreugde aan de arbeid moet leren kennen, alvorens de morele ontwikkeling te hebben om die te kunnen appreciëren?

Ik meen, dat men het paard moet voeden, voor men eisen mag, dat het een wagen zal trekken. Op het ogenblik doet men het omgekeerde en verlangt van de mens als trekdier veel arbeid, terwijl men diezelfde mens onder het mom van bescherming van gemeenschap en morele waarden vele levensvreugden onthoudt. Hoe meer de echte levensvreugde verdwijnt en vervangen wordt door surrogaten, hoe meer de mens een automaat wordt, hoe sterker zijn afkeer van het werk en zijn haat tegen de gemeenschap zal worden.

Wat dus betekent, dat hij minder zal presteren, zich meer verzetten tegen de maatschappij en daaraan schade toebrengen, terwijl zijn prestaties bovendien minder van kwaliteit zullen zijn en zijn arbeidstrouw en nauwkeurigheid zeker lager komt te liggen dan noodzakelijk.

Bovendien lijkt mij arbeidsvreugde geen morele waarde of een appreciatie, die uit moreel besef voortkomt, maar eerder een invloed, die het leven aangenamer maakt en dus de mens neigt naar een meer verantwoorde moraal.

Ik meen dus, dat ik vanuit mijn standpunt op de juiste wijze het probleem en zijn oplossing heb gesteld.

  • Teilhard de Chardin meent, dat de mensheid staat op de drempel van een nieuwe fase in de evolutie, een soort van hyperlife, waar het gemeenschappelijke denken een nieuwe sfeer bouwt, die hij de noösfeer noemt. Is dit hetzelfde als uw “Telepathisch contact”?

Het is er sterk mee verbonden. De gemeenschappelijke sfeer van leven, die Chardin aanduidt, is ’n algehele wederkerige beïnvloeding van de mensheid, terwijl ik slechts de beginfase aanstip: Het toenemen van een massa-contact – of het ingrijpen van een bovenbewustzijn – waardoor een steeds groter onderling begrip en juistere samenwerking mogelijk worden.

In feite beschreef ik dus de beginfase, Teilhard de Chardin de latere ontwikkeling. De latere fase zou, volgens mij, voeren tot aan totale geestelijke ontplooiing van de mens en daardoor het ontstaan van een totale suprematie van de geest en het denken over de materie. Voor het zover zal zijn, gaan er nog wel wat geslachten voorbij. Dat kan ik u wel verzekeren.

  • U hebt in het laatst van uw betoog bezwaar gemaakt tegen riten en ritualen. Ik meen, dat een rituaal vaak een benadering van de waarheid vergemakkelijkt.

Ik heb bezwaar gemaakt tegen rituelen in de dogmatische godsdiensten en andere groepen, omdat voor vele mensen het begrip God wordt overgebracht op de rite of delen van het ritueel. Er zijn voorbeelden genoeg te geven – ik zal dit nu niet doen – waarbij binnen godsdiensten men het zwaartepunt verschoven heeft van de Godsbeleving naar de rite. Zodra de rite het doel is geworden, is dit verwerpelijk. Waar in zeer vele gevallen de rite voor de mensen doel wordt en de werkelijke inhoud en samenhang van het godsdienstig beleven wordt, meen ik dat wij ons daar tegen moeten wenden. Wij zullen eerst vrijheid van denken moeten eisen om later, wanneer deze eenmaal gevonden is, eventueel binnen de mogelijkheden van de rite, maar uitgaande van eigen denken en beleven, God te benaderen. Ik ben dus niet zonder meer tegen alle riten, maar verzet mij m.i. wel degelijk terecht tegen de plechtigheden, de rituelen, die bij vele mensen dreigen het Godsbeleven en godsbegrip te gaan vervangen. Ik verzet mij dus in wezen tegen alle soorten van bijeenkomsten, die in de plaats kunnen treden van een persoonlijk Godsbeleven.

  • Wat is eigenlijk bewust leven? Is dat steeds bewust zijn van je eigen handelingen, reacties, gedachten, gebreken etc.?

Dit is een zeer ideale definitie, maar in de praktijk ligt het toch wel even anders.

Onder bewust leven kunnen wij het beste verstaan: Het beseffen, welk doel men zich stelt.

Dus: weten wat men wil. Beseffen met welke middelen men dit doel op een volgens eigen ik verantwoorde wijze kan bereiken en een zo groot mogelijke controle over zichzelf en het gebruik van die middelen. Vandaaruit komen wij dan vanzelf tot een meer volledige vorm van bewustwording, waarbij eenheid met het Al de motivering wordt voor eigen gedrag als deel van dit Al binnen gemeenschap, maatschappij, of sfeer.

  • Wij spreken over de wijze, waarop eenheid te bevorderen is. Ik stelde als eenvoudig middel alle legers op te heffen. Men stelde: dit is niet mogelijk.

Inderdaad, waarde heer. Dit is onmogelijk, al is het alleen maar, omdat alle generaals zich met alle middelen tegen een dergelijke oplossing zouden verzetten. Wanneer men streeft naar vrede, kan men, naar ik meen, dit niet oplossen door het opheffen van legers of het eventueel vervangen daarvan door een ander, meer internationaal leger.

Men kan dit m.i. alleen bereiken door voortdurend meer gebruik te maken van vreedzame middelen en overleg. Een voortdurend sterker de nadruk leggen op het gevaar van en het niet werkelijk noodzakelijk zijn van gewelddadig optreden, het scheppen van een uitlaat voor de agressiviteit, die bij velen bestaan op andere wijze dan door gevecht en militair leven.

Wanneer men zo handelt, zullen de legers steeds kleiner worden, terwijl men als volk aan het onderhoud van een leger minder ten koste zal willen leggen, zodat de legers wegsmelten tot het ogenblik dat hun overblijfselen misschien uiteindelijk uit utiliteitsoverwegingen worden samengevoegd, om zo een internationale politiemacht te verkrijgen met zo weinig mogelijk geld, middelen en mensen.

Ik durf niet te zeggen of dit binnen korte tijd te verwachten is. Wij verwachten een tijdelijke vermindering van bewapening in dit jaar, maar alleen als voorloper van een vernieuwing van bewapening in volgende jaren. Vanuit ons standpunt worden de legers niet werkelijk kleiner.

Men heeft echter andere tactische inzichten gekregen en zal, vaak onder het mom van ontwapening, eigen strijdmachten aan die nieuwe visie aanpassen.

Wanneer wij het jaar 1967 echter zonder wereldoorlog gepasseerd zijn, zal het gestelde wel een feit worden. Bij kleinere staten verwachten wij reeds voordien ontwapening, omdat men daar in zal zien, dat het toch niet mogelijk is op gelijke voet met de grootmachten nog een zelfstandige defensieve of offensieve macht te handhaven. Voor kleine landen kan de komende tijd wel eens betekenen: het leger beknotten, of de staat failliet zien gaan. Dit heeft natuurlijk invloed op het totaal beeld.

image_pdf