Een nieuwe geestelijke wijsheid

3 maart 1963

Ik zou vandaag een vergelijking willen maken. Wanneer na de winter de zon weer terug komt, dan zijn de mensen blij met de zon, dan is dat een feestelijk gevoel en voortdurend drinken ze de warme zonnestralen in. Maar wanneer de zomer er eenmaal is en ze heet is, als de zon voortdurend brandt, dan zullen diezelfde mensen zich weer terug trekken in de schaduw en zullen ze amechtig neerzitten in de hitte en de zon verwensen. Zo gaat het met geestelijke waarden ook. Wanneer wij voor het eerst worden geconfronteerd met: een nieuwe geestelijke wijsheid.

Ach, dan springt het hart op, dan juicht de ziel en zijn we ermee gelukkig. Maar wanneer die waarheid zich steeds verder ontwikkelt, dan is het of ze eisen gaat stellen, waaraan we niet kunnen beantwoorden en dan worden we onder diezelfde invloed, welke ons eens een vreugde en een openbaring was, loom en traag; en op den duur vragen we ons af, of we ons niet ergens kunnen verschuilen voor die voortdurende invloed van steeds maar datzelfde geestelijke licht. We kunnen dat overal zien. Laten we eens nagaan hoe het bv. in Jezus tijd is gegaan.

Toen Jezus was heengegaan, was er een enthousiasme, een stralende kracht, waarbij de mensen zich niet hebben afgevraagd: Hoe moeten we dat nu voor onszelf zien of doen? Ze hebben ineens de Christengemeenschap gesticht. Ze hebben geprobeerd a.h.w.. de eerste commune ter wereld te stichten. Toen dat een tijd duurde bleef alles zo hetzelfde. En omdat het hetzelfde bleef, werden ze moe. Ze gingen met elkaar strijden en de eerste Christengemeenschap ging teniet.

Mohammed bracht vrijheid van valse goden. Toen de Djihad (de grote stoet van strijders) optrok naar Mekka, waren er velen bij, die niet eens werkelijk in zijn zending geloofden. Maar de bevrijding van de afgoden, het breken van de stadsmacht, het vinden van een nieuwe vrijheid, dat was hun alles waard. Zo hebben ze verschillende grote slagen geleverd. Ze hebben Mohammed geëerd als profeet, als verlosser.

Maar toen Mohammed eenmaal was heengegaan, was het zo moeilijk om datzelfde enthousiasme te behouden. Ja, wanneer er weer een nieuwe Djihad (een heilige oorlog) zou zijn, dan zouden ze misschien weer enthousiast zijn geweest, maar er waren geen beproevingen meer. Er was alleen de rijping van de mens onder de wet. Er was de noodzaak om zich geheel in te stellen op de regels van de Koran en toen hadden ze er al gauw genoeg van. Al heel snel zien we twee van zijn volgelingen over de opvolging twisten. Wie zal het zijn? Ali of Hoessein? Ali neemt het een beetje gemakkelijker dan Hoessein. Hoessein geeft wat meer wereldse vrijheid. Ali belooft wat meer geestelijke voordelen. Op die manier wordt er een verkiezingsstrijd gestreden; en het eigenlijk inzicht, dat Mohammed toch ook heeft gebracht, is weg; dat versikkert in een wereld, die eerder een sociale binding ontwikkelt en gevoel voor rechtvaardigheid dan een werkelijk geestelijke verlichting. Zo is het ook nu met de nieuwe wereldleraar. De leraar predikt in gebieden, die op het ogenblik aan de grootste veranderingen onderhevig zijn. Hij bereidt iets nieuws voor en het aantal van zijn volgelingen neemt langzaam toe. Ze worden steeds enthousiaster en gelijktijdig worden zijn tegenstanders steeds feller. Het zal niet zo lang meer duren, vermoed ik, voordat men zal proberen hem te doen sterven of hem uit de gemeenschap te verwijderen. Nu zijn ze sterk en krachtig. Het nieuwe inzicht van de gemeenschapszin, die niet is gebaseerd op de wet van de liefde maar die de uit het Goddelijke geboren wordende mensheid met elkaar moet verenigen, leeft sterk.

Maar zo dadelijk is de Meester weg, zo dadelijk is het nieuwe er eigenlijk weer af. Als het nieuwe er af is, wordt het lastig; men heeft er dan geen aandacht meer voor. Zo gaat het altijd weer. Een mens zoekt de verandering. En als die verandering een lichtende, een sterke, een geestelijke is, dan kan hij dat verwerken. Wanneer het strijd is, zal hij desnoods zijn laatste ons kracht geven, maar hij zal verder strijden. Als het echter gelijkmatigheid wordt, als het een langzame en gestage groei wordt, dan wordt hij het moe. Waarom eigenlijk?

Natuurlijk moet een ieder voor zichzelf naar de oplossing zoeken. Maar ik geloof, dat de grote moeilijkheid wel is gelegen in het feit, dat de mens zichzelf met zijn mogelijkheden en ook met zijn plichten nimmer volledig realiseert. Je leeft. En als je mens bent, dan ontdek je dat je plichten hebt, en je ontdekt ook, dat er van die plichten zo nu en dan wat af kan en dat is wel prettig. Maar je hebt eigenlijk niets meer waaraan je je volledig geeft, Het blijft allemaal een zoeken, een avontuur. Er is geen sprake meer van de werkelijke honger naar geestelijke waarden of desnoods naar stoffelijke beleving. Er is alleen maar de behoefte om zo nu en dan eens van een fijn gerecht te proeven en dan verzadigd en vol spleen weer verder te gaan om te laten zien dat je het niet nodig hebt. In geestelijk opzicht komt dit in deze dagen steeds meer voor. De mensen hebben een zekere spleen. O zeker, Jezus Christus is voor hen de Verlosser en zij zullen heus ’s zondags wel eens ter kerke gaan, maar eigenlijk is het zo gewoon en wat hebben we er eigenlijk mee te maken?

Het is niet de kracht, waaruit je leeft; het is een formaliteit geworden. De waarheid uit de geest betekent voor velen al precies hetzelfde. Ze horen de woorden wel, die worden gesproken en ze erkennen wel dat het allemaal waar is, maar voor ons geldt dat eigenlijk maar ten dele: Wanneer zo’n mens dan toch gaat zoeken, dan zie je weer een heel eigenaardig verschijnsel. In plaats van te zoeken naar de kracht die hem met het Al verbindt, in plaats Van de Alkracht eigenlijk helemaal voor zichzelf te zoeken, zoekt hij meer naar zichzelf. Wij zien dat zo vaak, wanneer wij onze leringen geven. Spreken we over wonderen die komen, o, dan gelooft men wel dat het mogelijk is en dan wacht men af, of het wonder alsjeblieft gebeurt. Maar niemand beseft dat het wonder een innerlijk wonder is, een kracht die uit jezelf moet worden geboren. O neen, het zal wel van buitenaf komen. Maar zeg je tegen diezelfde mensen, dat er beproevingen en lijden komen, dan zeggen ze: Natuurlijk, dat zal de wereld wel ondergaan; maar wij, wij zijn toch geestelijk bewust, voor ons zal het wel loslopen. Zeg je tegen de mensen dat het noodzakelijk is om te streven, dan geven ze het onmiddellijk toe. Dan roepen ze: Natuurlijk, de hele wereld moet streven; maar wij, wij hebben het al zo ver gebracht, wij kunnen het wel langzaam aan doen.

Zeg je tegen de wereld dat zij zich innerlijk tot een God moet wenden onverschillig hoe ze zich Die voorstelt, is het maar een begrip is van een God, van een hoogste Kracht, waarin je kan leren, die zo uit zichzelf kan openbaren dan zegt men natuurlijk, dat is goed en het wordt noodzakelijk dat er steeds meer mensen komen, die dat doen. Maar zoeken zij werkelijk naar die God? Meestal niet. En dat is dan eigenlijk het onderwerp voor deze ochtend. Het is een onderwerp, dat een vreemde mengeling is van vreugde en smart, van streven en van lauwheid en onverschilligheid. En waarom zouden we dat niet baseren op de woorden van hem, die door in ‘t westen op het ogenblik nog steeds als de grootste leraar aller tijden wordt gezien, op de woorden van Jezus van Nazareth zelf, met de twaalf of met de drie die hij in het bijzonder heeft uitverkoren, dan wordt er natuurlijk ook gesproken over de mensheid; en dan hebben die apostelen precies hetzelfde problemen, waarmee wij soms zitten, wanneer we de wereld bezien. Dan zeggen we: Er wordt toch zoveel gegeven, er is zoveel kracht en er wordt zoveel kenbaar. Waarom ziet de mens het niet? Dan vragen we ons af: Als de wereld verandert, zoals dat op het ogenblik het geval is, waarom denken de mensen dan dat het allemaal hetzelfde blijft? Zijn ze dan blind? Zijn ze dan doof? Hebben ze dar geen hersens? Jezus heeft daarvoor zijn antwoord.

Een antwoord dat, geloof ik, ook op deze tijden toepasselijk is, tenminste wij vinden er een zekere troost in. Wanneer de apostelen samen zijn, dan wordt er zo gesproken, Meesters Heer, Gij hebt zovelen genezen en Gij doet wonderen en de geest Gods spreekt uit ons Gij zijt de Messias, Gij zult allen verlossen, hoe komt het dan dat zovelen in het volk U haten en achtervolgen? Hoe komt het dan dat zovelen U toejuichen, maar nog aarzelen U gastvrijheid te geven?

Dan zegt Jezus het op zijn manier geloof ik wel heel zuiver: Wanneer de mens wil gaan tot de Vader, zo kunnen wij zijn voeten op de weg plaatsen, maar niet do weg voor hem gaan. Wanneer de mens het licht moet erkennen en aanvaarden, zo kunnen wij hem de glans en de glorie daarvan tonen, maar hijzelf moet geloven. Want, voorwaar, zo zeg ik u: geen kracht des Vaders kan ik openbaren aan hen, die niet geloven. Zelf zullen zij moeten gaan; en dit beseffen zij niet. Zij verwachten, dat ik alle dingen zal zijn en beseffen niet, dat ik slechts de weg ben, die zij moeten gaan, En wanneer zij vermoeden, dat ik niet de vervulling van hun verlangen en hun begeren ben maar slechts het streven en de weg, dan haten zij mij, omdat zij aarzelen de weg te gaan, die hun wordt getoond, omdat zij te klein van harte zijn. Wanneer zij u uitwijzen, haat hen niet en veracht hen niet, doch bid de Vader, opdat Hij hun eens de ogen openen. En zo ze mij vervolgen, zeg niet dat zij onrecht doen, maar dat zij niet beseffen; want de mens vermeit zich in zijn onwetendheid en uit zijn onwetendheid en onbegrip zal hij de waarheid verwerpen.

De vertaling is betrekkelijk vrij. Er zijn natuurlijk weer gelijkenissen mee verbonden, waarvan ik u zo dadelijk een enkele zal geven. Wij vinden er een zekere troost in (en ik hoop, dat dat ook voor u het geval zal zijn en een zekere leer, een zekere aanwijzing. Wij kunnen alleen maar trachten een weg te tonen, zoals alle grote Meesters dat ook hebben kunnen doen. En wie zullen wij zijn, dat we meer willen doen dan bv. Jezus? Wie zoudt gij zijn, dat ge meer zoudt willen zijn of willen doen dan hij, die is de bewuste zoon van de lichtende Kracht? Wij willen natuurlijk graag zonder moeite het mirakel volgens onze behoefte zien. Maar altijd weer is het een bewustwording: het gaan van een weg, een steeds weer leren. En pas als we voldoende hebben geleerd, dan wordt het wonder voor ons een mogelijkheid; en dan zelfs is het nog de vraag, of wij dat wonder om zichzelf ooit nog zullen doen of zullen begeren.

Wij zullen het hoogstens geven als een aalmoes aan anderen, wanneer we niets anders meer te geven hebben. Wij moeten groeien zoals iedereen. Wij moeten zoeken niet naar de eentonige gelijkheid van een bepaalde leer, maar naar een vernieuwing, die in onszelf ontstaat en die uit onszelf steeds verder groeit. Jezus gaf zijn leerlingen, die ongetwijfeld zijn betoog maar half hadden begrepen met uitzondering misschien van Barnabas en Johannes, dan ook nog een paar gelijkenissen om het hun wat duidelijker te maken. Zo sprak hij tot hen: Er was een man, die begeerde gegist brood te eten. Hij ging naar een buurman, leende van hem gist en hij legde het bij het deeg, dat de vrouw voor hem kneedde en sprak: “Deze avond zullen wij gezuurd brood eten.” En zij, de desem ziende, riep uit: “Hoe heerlijk zal de maaltijd zijn!” Maar zij bracht de desem niet in het deeg en dus waren zij teleurgesteld en riepen uit, dat de desem niet goed was. Zo nu is het met de mens, die de waarheid wel aanvaardt, maar haar niet maakt tot een deel van zijn leven. Hij verwijt degene, die hem de lichtende wijsheid geeft, dat het leven zich niet wijzigt. Ik geloof, dat dat wel een aardig beeld is.

Je kunt een mens alle wijsheid geven en alle voorschriften, maar wat zegt een mens dan? “Ach ja, maar dat is voor een mens onmogelijk.”Ach, dat kun je toch niet doen; en dat is zo moeilijk en hoe meet je dat nu eigenlijk tot werkelijkheid maken; het is een mooie theorie.” En wanneer dan zijn leven niet verandert, zegt hij heel rustig:”Dat is de schuld van die leer. Die leer geeft me niets. Hij vergeet alleen, dat hij haar niet heeft toegepast. Wanneer je zegt: De lichtende kracht van de geest staat voor u klaar, dan zegt de mens: “O, wat is dat mooi, wat is dat heerlijk. Ik heb dus die lichtende kracht” en hij stelt haar naast zijn leven, maar maakt haar niet tot een deel ervan. Hij probeert niet voortdurend in elke handeling, in elke gedachte, in elke daad die kracht van de geest te gebruiken. En dan verbaast hij zich, dat het leven gelijk blijft. Op dezelfde wijze gaf Jezus nog een andere gelijkenis. Hij zei: “Er was eens een man, die zag hoe er een boom wonderschoon groeide en hij sprak: “Hoe rijk draagt deze olijf.” Hij, die de bomen bezat, sprak nu tot hem: “Zie, hier zijn jonge scheuten, pas ontsproten. Ik zal u er enkele van schenken. Plant ze daar, waar ze licht krijgen en enige schaduw, waar de wind ze beroert en waar het water ze kan drenken en voor ge oud zijt, zult ook gij deze olijven bezitten.” Zo ging de man, heen en hij plantte wat hem was geschonken. De eerste tijd droeg er zorg voor. Hij zorgde ervoor dat de wind ze niet kon ontwortelen en voorzichtig droeg hij het water over lange afstand, opdat ze niet zouden dorsten. Maar toen er een jaar voorbij was, sprak hij: “Hoe ondankbaar zijn deze bomen, dat zij mij geen vrucht geven.” En toen het tweede jaar voorbij was, sprak hij: “Hoe zou ik water dragen voor zo een schamele oogst?” En zo verdorden de bomen en wat er overbleef, was knoestig en verwrongen en bracht geen rijke oogst. Toen riep hij uit: “Bedrogen heeft hij mij! Hij heeft mij niet gegeven wat ik begeerde: een boom, die rijke vruchten draagt, maar iets, dat ik in mijn dwaasheid daarvoor hield.” Hij besefte niet, dat een ieder, die vruchten eist, lang zal moeten werken, opdat dat wat hij plant vruchten draagt. En daarin zit ook weer een aspect, dat duidelijk is.

Een mens kan in het leven onnoemelijk veel bereiken, maar hij kan dat niet onmiddellijk bereiken, wanneer u iets wordt gegeven, kunt u nooit de voldragen vrucht of wijsheid worden gegeven, die bv. in de geest bloeit en die gij zo zeer bewondert en begeert. Men kan u slechts het zaad ervan geven en gijzelf zult dat moeten opkweken; ge zult een lange tijd veel moeten geven en weinig ontvangen, voordat de rijpheid is ontstaan, waarin ook in u datzelfde vrucht kan dragen. Het is het probleem van de wereld en niet alleen van deze tijd. Ergens in de mens leeft nog de droom van het paradijs, van het moeiteloos bestaan. Soms droomt hij van een soort luilekkerland, waarin alles voor hem bereid is, als hij het alleen maar vraagt. Hij beseft niet met hoeveel moeite hij alle dingen moet gewinnen. Soms zouden we geneigd zijn te zeggen, dat God dan toch wel wreed is, dat Hij elke keer weer juist die beproeving geeft en dat Hij ons juist voor dat probleem stelt. Hij is toch almachtig, Hij zou ons toch alles kunnen geven, zoals wij dat wensten. Hij zou ons Zijn gaven kunnen schenken. Maar ja, ik ben bang, dat het dan zou gaan, zoals met de mensen, die nu hunkeren naar de zon en elke zonnestraal opvangen en die misschien over enkele maanden voor die zon in de schaduw zullen wegvluchten, omdat ze hun teveel is geworden. Wanneer wij geestelijk willen groeien en geestelijke gaven willen ontvangen, dan moeten we wel beseffen dat het begint bij onszelf.

Natuurlijk, er wordt ons iets gegeven, waarmee we kunnen werken. Er wordt ons een denkbeeld gegeven dat we moeten beproeven, zodat we weten, of het in ons wezen past. Er wordt ons soms een kracht gegeven of een gave, waarvan we zullen moeten uitmaken, of het voor ons geschikt is, want niet alles, wat in de wereld wordt geschonken, is voor ons even waardevol en goed. We moeten onze keuze doen. maar als we die keuze hebben gedaan en we hebben met heel veel moeite iets, dat ons een onbelangrijke gave of een aarzelend zoeken naar wijsheid leek, ontwikkeld tot het voor ons een kracht is geworden, waaruit we kunnen leven, dan is het ook kostbaar; want het licht, dat wij zelf maken, is ons dierbaar, maar het licht, dat ons wordt gegeven, zal ons gauw vervelen. Misschien dat ik ook hier een paar woorden van de nieuwe wereldleraar mag aanhalen, die toch ook weer met datzelfde thema in verband staan. Wanneer men in het zuiden van Pakistan nieuwe huizen begint te bouwen, maakt hij n.l. de opmerking: “Gij bouwt hier; en gij bouwt voor enkele jaren.” En dan komt de dorpsoudste (dat is daar nog zo) daartegen in verweer en zegt: “Ja, maar heer vreemdeling, wij bouwen voor de eeuwen. Wij bouwen een nieuw volk. Wij bouwen een nieuwe welvaart, een nieuwe vrijheid. Ons land zal groot zijn.” En dan zegt de wereldleraar weer: “Gij bouwt voor enkele jaren.” “Neen, heer, dit is maar provisorisch, later zullen we beter bouwen. We zijn arm. We moeten eerst met het kleine beginnen.” En dan lacht de wereldleraar weer eens: “Ja, misschien bouwt ge provisorisch betere woningen; en toch zeg ik u: ge bouwt maar voor enkele dagen.” Dan wordt de man eigenlijk een beetje nijdig. Dat kan ik me ook wel voorstellen, want in zo’n land waar men dan met veel moeite de dorpsgemeenschap op een wat hoger peil brengt en waar men de landbouw enz. verbetert, heb je toch wel het gevoel, dat je wat bereikt. En nu komt er iemand, die zegt: Dat is maar voor even. En het leuke is, dat de wereldleraar dit erachteraan zegt: “Want ziet, de kinderen leren soms. (Dat was een toespeling op het onderwijs, dat daar dus nog maar heel provisorisch en zo nu en dan wordt gegeven.) Indien gij uw kinderen wijsheid schenkt en u niet beroept op uw eigenwijsheid, zo zal de toekomst groot zijn. Maar zo gij uw oude wegen (dat is natuurlijk een steek onder water, want: … onze vaders hebben het zo gedaan en wij veranderen het wel een beetje, maar wij weten het dan toch) blijft gaan en niet wilt erkennen wat groeit, dan zal dat wat gij bouwt met u sterven; en gij zijt oud.” Nou, dat was eigenlijk een flinke klap op het hoofd. Het was erg onplezierig. Ze hebben zich natuurlijk afgevraagd: Wat moet die vreemde snoeshaan?

Toen zei de wereldleraar dit (ik heb de voorgeschiedenis erbij verteld om u duidelijk te maken hoe dat eigenlijk is ontstaan): “De vernieuwing ligt niet in een ander huis of in een ander systeem. De vernieuwing ligt in de vreugde, waarmee ge werkt. Zolang gij weet te zullen bereiken en zelve wilt bereiken voor anderen, zo bouwt ge werkelijk, want wat aan arbeidsvreugde, aan streven voor anderen in u leeft, dat is een fakkel, die gij aan de jeugd verder geeft, een licht dat zij zal ontsteken in vele komende geslachten. En wanneer gij terugkeert (dat is dus de gedachte aan het paradijs; we zijn daar in een Mohammedaans land, dat moet u niet vergeten) tot de grote tuinen, dan zal de wijn des levens u worden geschonken in de beker van uw streven.”

Dat is heel typisch, want we horen van de moderne mens, dat hij eigenlijk niet altijd zo erg plezierig is. De nieuwe Leraar heeft dus ook ontzettend veel kritiek. Maar hier zegt hij dan toch iets; waaruit we in de eerste plaats troost kunnen putten, maar in de tweede plaats ook begrip voor kunnen hebben. Hij zegt tegen de mensen: Kijk eens, het is niet, dat je alleen maar iets anders gaat doen, dat is niet zo belangrijk. Maar het is, dat je het van uit jezelf doet. Je bouwt iets, en dat kun je eigenlijk alleen doen voor anderen. Voor jezelf kun je niets bouwen; zelf ben je. En als je dat voor anderen bouwt en je legt je hele wezen daarin, dan schep je voor die ander niet de traditie van het bezit of van de procedure maar van de verandering; het stuwen naar meer, naar groter, naar beter. Dat is dus een vorm die eeuwig is, omdat ze alle veranderingen in zich kan dragen. Niet wat ik geef om zeker een vernieuwing te bereiken, maar wat ik geef, opdat het vernieuwende, het leven zelf in de wereld en rond mij zal bestaan, dat wordt a.h.w. een kostbare beker, waarin ik de eeuwigheid zelf kan vangen. Dan wordt het eigenlijk toch wel begrijpelijk, dat wat wij doen en wat ook u op uw wijze doet zinvol is, ook als we niet de resultaten zien, die we graag ervan verwachten. Dan wordt het duidelijk dat alle lijden, alle strijd en alle zoeken, dat een mensenleven zo vaak vult en alle moeilijkheden, die je moet overwinnen, dat ze niet alleen maar dingen zijn, waar je zo gauw mogelijk vanaf moet, maar dat ze krachten zijn, die je kunt omvormen in jezelf, totdat ze eeuwige waarden worden. Het is de weg, die we gaan (het leven), zeker. En wanneer we daarin een wijsheid kennen, dat is dat hetgeen de richting bepaalt. Maar we kunnen niet zeggen, dat we klaar zijn als we eenmaal die weg hebben gevonden.

Misschien kan ik u dat duidelijk maken door weer te citeren. Daarvoor moet ik terug gaan naar een wat oudere wijsheid, die een zekere Simon van Azila  heeft gesproken. Deze man was bekwaam in wat men vroeger noemde: de occulte wetenschappen en zijn kennis is ontleend aan de kabbala; het is dus op een bepaalde visie gebaseerd. “In het leven is het steeds weer nodig, dat we met inzet van al onze krachten en met heel ons wezen een weg gaan. Maar wanneer we die weg gegaan zijn, dan komt er een punt, dat we niet weten hoe verder te gaan. Dan toeven wij een tijd en wij menen, dat we stil staan. Maar we spreken met een, die rust naast de weg. En wanneer we hem kunnen aanvaarden en we niet alleen maar verder willen gaan, maar aanvaarden dat we moeten rusten, dan leert hij ons hoe wij het volgende deel van de weg.dat moeilijker is, moeten gaan, en zo wordt hij ons tot deel van de weg. Elke mens, die streeft naar bewustzijn, begint in de materie en nooit zal hij die materie verloochenen. Maar daarnaast vindt hij steeds weer lering op lering; en zo vernieuwt hij zichzelf. Hij kent de geheimen van de geest en zijn weg voert hem tot het hoogste licht. Maar niet verloochent hij de vroegere fasen van zijn zijn; want hij, die het volle bewustzijn heeft gevonden, heeft de wijsheid van velen in zich, en hij is geworden tot een weg, welke die velen verbindt met de aarde en het licht.”

Dat is dus een versie, die kennelijk ook op de levensboom slaat. Maar het is een versie, die ik speciaal nu naar voren breng, omdat zij eigenlijk weer past bij wat Jezus zegt en tevens bij wat de nieuwe wereldleraar ook zegt. Je leven is een weg, die je zelf moet gaan. Men biedt je voortdurend wijsheid, men biedt je kracht, men biedt je steun, men biedt je hulp, maar je moet ze aanvaarden. En hier komt dat zo duidelijk tot uiting. Je begint in het leven altijd met een doel; en dat is meestal tamelijk stoffelijk. Geen mens begint met geestelijk te streven.

Maar er komt een tijd, dat je niet verder kunt, dat je het idee hebt: Nu sta ik stil, nu is het zo’n beetje afgelopen. Mat moet ik nu nog? Dan kun je onrustig worden of je kunt proberen de zaak te forceren, je kunt je eigen wezen in oproer brengen. Maar je kunt ook luisteren, gewoon eenvoudig absorberen wat er dan tot je komt. En dan blijkt dus dat de rustfase, die de mens in het leven vindt, eigenlijk voor hem geen dood tij is; dat het niet is: het steeds weer wachten op een bevordering of op een herstel van aanzien of van rijkdom. Neen, het is een tijd van leren; en in die periode van stilstand, waarin je eigenlijk niet weet hoe het verder moet, zou je moeten absorberen wat je dan wordt gegeven. Niet omdat het onmiddellijk bruikbaar is (want je kunt jezelf en de wereld er niet direct mee veranderen), maar het is datgene wat het je mogelijk maakt om je weg verder te gaan. En dan zal de mens dus tot God gaan.

Hij zal langzaam maar zeker door belevingen, door streven, door zijn denken zeggen: Nu heb ik dus God; ik ben bij het geheim. De mens zal dit zeggen “bij de inwijding”: Maar ook dat is niet voldoende want dat geheim of die inwijding is ook betrekkelijk. God erkennen, dat is mooi en goed, maar je moet ook weer leren om de kracht van God te worden. En daarom krijgen we dus niet alleen de fasen, die ons naar het Hogere voeren, maar ook de weg terug. Dat is eigenlijk heel typisch. We zeggen. dan: Wij moeten dus begrip hebben voor het grofstoffelijke en voor het hoog geestelijke. Maar we kunnen dat contact, die band niet vinden. Wij kunnen de weg niet vinden, die voor ons noodzakelijk of goed is. Dat is heel erg moeilijk. Langzaam groeit er echter een begrip. Je komt van het geestelijke meer naar de praktijk toe. maar je bent nog niet werkelijk bij de materie, bij het gewone leven. Er is nog een verschil. En dan sta je stil en zeg je: Wat moet ik er nu mee? Ik voel het in mij. Ik heb die kracht, ik heb die wijsheid, maar het brokkelt onder mijn handen weg, zodra ik het wil toepassen. Dan is het ook weer precies hetzelfde; luisteren en leren, omdat je begrijpt dat wat je hu bezit, het punt waarop je nu staat, alleen volgens een zekere weg of op een bepaalde wijze weer dichter bij het Zijn kan worden gebracht. Dan zie je op een gegeven ogenblik dat deze mens het hoogste en het laagste, het meest lichtende en wat duister schijnt tot elkaar brengt. Hij lost in zich het kosmisch raadsel op. Dat zijn grote woorden “hij lost in zich het kosmisch raadsel op”. Ik weet, het gaat om wijding.

Misschien mag ik het niet zo ingewikkeld maken, maar als we nu eens goed beseffen wat dat betekent, dan kun je alle eeuwige kracht uiten, zo ver ben je gekomen. Maar omdat je die kracht kunt uiten en toch die kracht in de stof kunt erkennen en uit jezelf voortbrengen, moet je ook die stof beseffen. Dat is wat we bij Jezus zien. Jezus doet wonderen: hij wekt mensen uit de dood op, hij geneest mensen, hij profeteert, hij wandelt over de wateren, hij vermenigvuldigt de wijn en het brood en de vis. En hoe hij het doet, daar zullen we dan niet verder op ingaan. Hij presteert dat. Hij heeft een beheersing, waarop ongetwijfeld ook de materie antwoordt; of dat nu kennis is of het wonder dat men erin wil zien, daarover behoeven we nog niet eens te praten, maar hij heeft dat. En dan moet diezelfde Jezus het kruis accepteren. Hij moet voor zichzelf de machteloosheid van de stofmens zonder geestelijke kracht en geestelijk licht aanvaarden om op deze wijze het mogelijk te maken om werkelijk het Licht in de materie te uiten.

Dat hebben de mensen van zijn tijd niet begrepen, vandaar dat ze riepen: “Indien ge dan de Messias zijt, kom af van het kruis!” Daar hadden ze van uit hun standpunt groot gelijk in. De mens, die niet verder ziet en niet verder denkt, vraagt de manifestatie van macht van uit het “ik”. Maar Jezus (en wat dat betreft eigenlijk een ieder die de inwijding, de rijpheid van het licht ondergaat en terug weet te komen tot de menselijke praktijk) ziet ook dat hij juist menselijk zwak moet zijn om dat licht te kunnen uiten. Dat strookt niet met onze opvattingen, wanneer we in de stof leven, dat weet ik. We verlangen naar het licht; en als het licht er is, dan vluchten we terug naar de schaduw. Maar we begrijpen niet, dat de werking van licht en schaduw, van koude en warmte tezamen het werkelijke leven zijn, dat de levende kracht juist daardoor haar werkelijke openbaring vindt, dat voor vruchtbaarheid droogte en regen elkaar moeten afwisselen, dat leven en dood elkaar moeten afwisselen, opdat de mens kan rijpen.

We willen of het een of het ander, maar we kunnen niet begrijpen dat beide bij elkander behoren. We begrijpen niet dat hoogste macht en grootste hulpeloosheid in feite elkaar completeren en gezamenlijk pas goddelijk maken. En daarom loop je in je leven zo vaak vast. Want,  het is altijd erg gemakkelijk om te bidden en het is gemakkelijk om een beroep te doen op de geest en het is gemakkelijk eisen te stellen en te vragen: waarom niet zus en waarom niet zo? Maar als je dat doet, sta je er eigenlijk nog een beetje buiten. Indien deze tijd van vernieuwing ook voor de mens een vernieuwing moet betekenen en niet alleen maar een tijdelijke afwisseling, dan moet hij niet alleen eerst beseffen wat er verandert (en dat is veel), maar hij moet ook zelf mee veranderen. Hij moet leren, dat zijn gebed niet is: een afschuiven van verantwoordelijkheid of het overdragen van een taak aan een ander, maar dat het is het zelf volbrengen van een taak ín die hogere kracht. Hij moet leren begrijpen, dat vernieuwing niet betekent: de totale en plotselinge verandering, die men daarin zou willen zien (bv.: alle mensen ineens vrolijk, goed en deugdzaam en alleen maar voor elkaar leven), maar dat het moet zijn: een samenvoegen in jezelf van het hoogste licht en de meest eenvoudige praktijk van het stoffelijk leven.

Nu heb ik u eigenlijk heel wat lering zitten verkondigen. Ik heb geprobeerd u een beeld te geven van de groeiprocessen, die eigenlijk de lente van de nieuwe tijd genoemd zouden kunnen worden, omdat er ongetwijfeld reeds velen zijn, die al zien ze de sneeuw in de zon en ergens in de lucht al de lente gaan proeven. U proeft misschien de lente van de nieuwe tijd zo nu en dan, maar u moogt niet vergeten dat het een proces is, waarin u zelf moet groeien, wil de zomer voor u betekenis hebben. Misschien ben ik hierin ook wel een beetje vervelend, want ik geef u zo weinig troost. Ik zeg niet, dat het een ander is, die voor u zal doen. Ik zeg alleen dat het de kracht is, waarmee gij het kunt doen. Ik zeg u niet, dat het de kracht is, waarmee gij de wereld kunt veranderen. Ik zeg alleen, dat gij in u de kracht kunt vinden om de wereld kracht te geven; en dan zal die wereld zelf moeten bepalen, of ze verandert. Ik zeg u niet, dat alles wat er gebeurt zonder meer goed is, maar ik zeg u dat alles een lering is, het goede en wat u het kwade noemt, alles bij elkaar heeft het zijn waarde, zijn betekenis, zijn lering, indien u die lering erin vindt, indien u in al deze dingen (dus ook in de stilstand, in de hulpeloosheid, in het “niet weten waarheen”) toch de kracht kunt vinden om de lering te absorberen, die er in zit.

En dat is niet alleen de lering, die wij geven, maar dat is ook dat wat het leven u zegt, de nieuwe inzichten die u krijgt, de nieuwe ervaringen die we opdoen. En dan moeten we toch het evenwicht vinden om te zeggen: Van hieruit moeten we weer verdergaan, we moeten onze weg weer verder zoeken. Dat is niet erg hoopgevend, ik geef het direct toe. Maar het is heel wat anders dan als je zegt: Wanneer je jezelf lang genoeg oefent, kun je misschien eens zo dansen dat het is, of er een ballet wordt gedanst. De mensen hebben veel liever dat je zegt: Hier heb je een kaartje voor het ballet en dan is alles voor elkaar; maar dat gaat niet. Vergeef me dus, als ik misschien wat langdradig ben geweest hier of daar, of als ik dingen heb gezegd, waarvan u denkt: Nou, moest dat nu juist vandaag? Maar begrijp alstublieft ook de werkelijkheid! Er is niets, dat zonder zin gebeurt. Alles heeft zijn doel. Dat doel wordt niet bepaald door wat u weet of wat u denkt. Het wordt bepaald door wat de kracht, waarin het plaatsvindt, de mens waarin het plaatsvindt, de wereld of de maatschappij waarin het plaatsvindt, is en denkt en weet. Het is de kracht, die een nieuwe eigenschap moet ontwikkelen, of u het nu nodig vindt of niet. Het is de kracht, die dat wat u misschien perfect en mooi vindt moet breken, omdat dit verstarring betekent. Het is het zoeken naar het nieuwe en het in jezelf sterk worden, waarop alles aankomt.

Nu wil ik niet met deze noodkreet eindigen, tenzij u vindt dat het nu de hoogste tijd wordt om er maar mee uit te scheiden. Ik wil u n.l. ook nog iets anders vertellen, maar dat hangt met het voorgaande niet helemaal samen. Er is in dit jaar dat weet u allen onnoemelijk veel aan het gebeuren. Het zijn dingen, die misschien pas in latere jaren worden beseft voor wat ze zijn. Het is meestal zo, dat terwijl de historie wordt gemaakt, je het niet beseft, maar als je later terugkijkt, dan zeg je: Dat was een grote tijd. En zo is het op het ogenblik ook. Het wonderlijke en het grote hierin is wel, dat dit jaar een fantastisch sterke inzet brengt van wat u ingewijden en hoog lichtende geesten pleegt te noemen. Dat is dus niet een kwestie van: nu gaan er mirakelen gebeuren; en nu zullen we ineens Jezus zien komen gezeten op de wolken; en nu zullen we Boeddha zien rondwandelen e.d., maar het is doodgewoon: er is een kracht, er is een sfeer. Een sfeer, die buitengewoon veel spanningen en onrust met zich brengt.

In die sfeer echter komt zeker in de komende paar maanden en dat loopt bijna tot augustus toe een soort gouden sprankeling, een fonkeling van het ware kosmische Licht. Als u zich nu gaat ergeren over de spanning, dan zult u het nooit kunnen vinden. Maar als je ondanks alles ergens dat licht kunt zien en je begrijpt dat dat licht je ook aan jezelf onthult met de fouten die je hebt maar ook met de goede kanten en de mogelijkheden, waardoor je jezelf beter leert kennen, juist in deze tijd van spanning. Je begrijpt, dat je daardoor altijd weer de grote rust kunt vinden, als je je beroept op het hoogste, waarin je waarlijk gelooft, dan zul je zien dat die komende maanden voor de individuele mens van beslissend belang kunnen zijn. Het is: hoe zult u dit aanvaarden? Hoe zult u dit beleven? En dan zult u ook wel ontdekken dat er in uw leven vaak zelfs ingrijpende veranderingen zullen zijn. Dingen, die je misschien allang hebt zien aankomen of waarover je allang hebt gedacht, maar die toch een beetje anders zijn dan je je voorstelde en die toch wat moeilijker zijn dan je je voorstelde, die,een aanpassing en een nieuw inzicht vergen of zelfs een nieuwe aansprakelijkheid. Wanneer dat gebeurt – onthoudt u dat nu eens van mij – dan moet u dus niet gaan zeggen: Jonge, jonger wat is dit een zware tijd. Dat is het voor iedereen, die alleen maar kijkt naar de buitenkant. Maar al dat ingewijd werken op aarde, dat licht dat overal a.h,w. doorheen is geweven, dat maakt al die veranderingen, al die noodzakelijke aanpassingen en al die moeilijkheden tot iets, waarin zo ontzettend veel kracht en zoveel bewustzijn zit. Overwin dus je moeilijkheden in deze tijd. Maak je niet al te druk over al die veranderingen.

Probeer voor uzelf na te gaan wat er in nieuw wordt en waardoor. Erger je dus niet over wat er verloren gaat, maar zoek naar het andere, het nieuwe dat erin zit en leef de kracht, die in je leeft. Dan zult u ontdekken dat zo’n jaar als dit (1963) aan de ene kant een soort rampjaar is, maar aan de andere kant een soort geboorte of hergeboorte betekent. We beleven op het ogenblik eigenlijk het begin van de geboorte van de lichte tijd, maar ook van de verlichte mens. Vandaar al die veranderingen, al die pijnlijke gebeurtenissen, al die teleurstellingen, al die onverwachte dingen, al dit zoeken naar nog iets beters of anders, al die versuffing, misschien ook die eigenaardige loomheid, die storingen in je geheugen, dat niet weten wat je met jezelf moet doen, dat is allemaal deel ervan. Natuurlijk kun je jezelf daarmee bezighouden en is het ongetwijfeld een ellendig jaar voor de meesten. Maar misschien dat de toekomst ook weer vol ellende is. Men kan ook proberen het licht te vangen, dat erin zit, want in al die veranderingen zit ergens een fonkeling van een “misschien”. Voor de mens is dat misschien een soort hoop, een verre verwachting of een impuls, waardoor je eens iets verandert.

Denk niet, dat je in deze jaren de definitieve vorm vindt, maar weet dat wanneer je altijd het lichte, het betere, het vrolijke, datgene wat je a.h.w. hernieuwd doet leven, wat je eens een beetje inhoud geeft, weet te putten uit de ellende, uit de verandering, uit de loomheid, uit de tegenslagen, uit de verwarring van de tijd en de ellende van stakingen en rampen en gebeurtenissen, ja, zelfs uit het lijden van jezelf en van je medemensen dat je eigenlijk dan pas innerlijk die hergeboorte meemaakt. Het schijnt, dat de eerste fase van het proces goed zal verlopen. Dit jaar brengt dus wel alle ellende en verwarring, maar het is niet een kwestie van: het oude moet nu eerst helemaal ondergaan Er is veel dat zich kan aanpassen en kan veranderen. Zorg, dat u daaronder bent. En als het komende jaar een beetje traag en taai is, put dan uit de kracht die u in dit jaar hebt gevonden en uit het licht dat u dit jaar hebt gevonden; dan kunt u het daarop volgende jaar  geestelijk zowel als stoffelijk aan.

Nog een laatste raadgeving: Bedenk wel, dat deze jaren niet meer toestaan en dat is toch wel heel belangrijk, dat je geestelijk het ene doet en stoffelijk het andere. Stof en geest worden juist in deze jaren verenigd, omdat het herboren worden een verstoffelijking betekent van een nieuwe geestelijke kracht, een nieuwe geestelijke tendens. Wanneer u dus eenzijdig blijft op het ene of op het andere terrein, loopt u vast. En als u dat wil ik er nog bij vertellen in uzelf die fonkeling, die goede kant laten we het zo maar noemen dat beetje licht of dat ogenblik dat je toch verder uitgrijpt, als u dat kunt vatten, dan moet u eens zien, hoe het eigenlijk allemaal meevalt.