Een ogenblik aan onszelf ontrukt

image_pdf

 20 mei 1958

Dit proces bestaat eigenlijk overal, u moet dus niet denken, dat het aan zichzelf ontrukt zijn alleen maar voorkomt op aarde. Het komt in de sferen net zo goed voor. Het is een proces van jezelf een beetje verliezen, Hoe? Ja, voor iedereen is dat iets anders en het is wel heel erg moeilijk daar een vaste lijn voor te trekken. Wanneer ik dan ook hier een paar mogelijkheden aanstip, moet u vooral niet denken, dat dat volledig is. Het is alleen maar een proberen u duidelijk te maken “hoe”.

Het kan zijn, dat je zo bang bent voor de wereld – om een eerste voorbeeld te nemen – dat je die hele wereld de rug wilt toekeren. Het resultaat is, dat je eigenlijk in een soort wereld van jezelf komt te staan. Ze is een beetje vertekend, ze is niet meer een normale wereld. De waarden, die er in gelden, zijn anders en ook de wetten, die er in bestaan, kunnen niet worden vergeleken bij wat normaal heet. Dan kan het soms gebeuren, dat je – ofschoon je uiterlijk dus a-normaal blijft – toch je eigen problemen gaat proberen te overwinnen. Je gaat proberen’ de schriktendensen, de eeuwige vlucht bv., voor jezelf te elimineren. Je probeert moediger te zijn, je probeert jezelf meester te worden. En dan komt er een ogenblik, dat je niet meer in staat bent die strijd vol te houden. Het resultaat is» dat je – nu eenmaal je wil weer op het normale leven is gericht op een overwinnen der problemen en niet slechts een ontgaan – ook uit je waanwereld wegtrekt. Dus een dubbele vlucht. Eerst uit de normale wereld in een waanwereld en vandaar in die onbekende wereld, waar het ons vandaag om gaat. Want heb ik een goede gedachtegang gehad, een goed streven, dan is geestelijk gezien de bijkomende omstandigheid der stof (a-normaliteit) niet van belang.

Ik kom dus tot een wereldbeschouwing “op een heel andere manier. En dat kan voor zo iemand wel eens lijken op een ouderwets schilderij. Ik weet niet of u wel eens zo’n duivel hebt gezien, zo’n demon, die met zijn lang nagelige vingers uitgrijpt naar een wereldbol, die ergens in een blauwe ruimte schijnt te roteren. Zo ongeveer kan dat zijn voor zo iemand. Het is alsof hij boven zichzelf uitgroeit en de hele wereld ziet als een soort speeltuin. En misschien dat hij dan zich realiseert, dat zijn eigen problemen – zelfs al zouden ze al dan, niet overwonnen worden – toch onbelangrijk zijn. Op zo’n ogenblik wendt hij zijn blikken van de wereld af en ziet dan iets van de oneindigheid. Hoe? Daar zullen wij dadelijk wel over spreken.

Een andere methode, een andere mogelijkheid hier dus, is die van een normaal mens, die bv. in zijn geloof verdiept is. Nu is geloof feitelijk – ik hoop niet, dat iemand mij die uitlating euvel duidt – van uitzuiver stoffelijk standpunt ook een a-normaliteit. In je geloof neem je zeer veel waarden aan, die in feite in je wereld niet zo bestaan of niet passen volgens je eigen kenvermogen. Het resultaat is dus, dat ik hier ook een wereld van schijn voor mijzelf schep.

Ik verzink mijzelf erin. Dat is een toestand van godsdienstige beschouwing, van contemplatie, van levens aanvaarding, waarbij langzaam maar zeker mijn God, Die voor mij stoffelijk immers niet bewijsbaar is, steeds meer rond mij kenbaar wordt. En van hieruit krijg ik wederom hetzelfde. Want op een gegeven ogenblik is mijn honger naar deze God zo groot, dat zelfs mijn voorstellingswereld binnen het geloof daaraan niet kan voldoen. Ik verlaat haar en kom dan vanzelf te staan op een plaats, waar ik de wereld – en heel vaak een wereld, die dan z.g. hemelaspecten vertoont, dus kleuren en schoonheid, zoals ik me die in een hemel voorstel – ook van bovenaf zie.

Ik heb wel eens gedacht, dat de, mens eigenlijk van het begin af aan heeft willen leren vliegen, omdat hij in zijn dromen de wereld zo vaak van bovenaf heeft gezien. Het klinkt een beetje vreemd, maar het is een typisch verschijnsel. Op het ogenblik dat wij ontrukt worden aan onszelf en terugkijken naar de wereld, zijn wijzelf zo onmetelijk groot en is die wereld zo klein. Heel vaak lijkt ons dan ons eigen bestaantje een soort miniatuur poppenspel, een groepering van loden soldaatjes, die eigenlijk verder niets beduidt. Deze manier van beschouwen en van denken is op de door mij aangestipte twee manieren dus eigenlijk absoluut onredelijk.

De derde methode is redelijker – gezien van uit het individu – en Ik wil ook deze citeren om u althans enig inzicht te geven in de verschillende stromingen, die kunnen bestaan. Stel, dat ik voor mijzelf de. behoefte, heb aan onsterfelijkheid. Een typisch menselijk verschijnsel, dat ook voor de geest geldt. Ook al kunnen wij de onsterfelijkheid misschien niet bewijzen, wij hebben behoefte om er aan te geloven. Want zonder dat geloof lijkt ons leven te nutteloos, te waardeloos. De eisen, die het leven aan ons stelt, zijn te zwaar om te dragen, wanneer wij dat niet kunnen aanvaarden. En nu kunt u dat ook weer een vluchtsymptoom noemen, maar ik meen, dat het toch iets meer is. Want men zoekt nu naar alle gegevens die voor de eigen stelling bevestigend kunnen zijn. Degene, die dus zo zoekt, begint over het algemeen – wanneer hij redelijk denkt -naar bewijzen te speuren. Daarbij zal hij door zijn verlangen heel vaak genoopt worden om bewijzen te accepteren, die normalerwijze verworpen zouden moeten worden. Het is dus ook wel degelijk een zeer persoonlijke ontwikkeling, Dan komt er een ogenblik, dat je in contact komt met anderen. Hoe? Ja…., moet je zeggen, dat het een stem is, die tot je spreekt? Moet je zeggen, dat het een plotseling bewustzijn is, een aanvoelen van de aanwezigheid van anderen? Het is wel een zeer subjectieve kwestie, erg onderworpen aan ons eigen ikje, inderdaad. Maar toch komt er zo’n ogenblik, dat je op de een of andere manier plotseling weet, dat je verbonden bent met een ander, een onzichtbaar wezen. Je vormt misschien je eigen voorstellingen ervan, misschien ook aanvaard je het zonder meer.

Dat is niet belangrijk. Want nu je dit contact hebt, wordt voor jou, een tweede wereld tot werkelijkheid, ook al zie je haar nooit.

Dat is nu niet zo verwonderlijk, want de menselijke rede neemt ten slotte Amerika ook aan. En in de tijd dat het eerste schip daarvan terugkwam, wist niemand of ze nu werkelijk die grote oceaan waren overgegaan en of ze daar tegen alle voorspellingen van de wetenschap in in plaats van een afgrond aan het einde van de wereld een reeks eilanden hadden gevonden. Maar van af dat ogenblik stond dat vreemde land vast. Want er waren immers een paar vreemde mensen en er waren dingen, die zij nog nooit hadden gezien. Zo is het dus voor de mens ook wel redelijk aan te nemen, dat hij door enkele persoonlijke bewijzen – en die kunnen gaan via een mededeling door een psychometrist, een genezing, een wandelende tafel tot een plotseling erkennen van een grote waarheid toe – dus het contact met die wereld voor zichzelf werkelijk heeft gevonden. Het is een realiteit geworden. Hij gaat erover nadenken.

En dan leest u heel rustig in uw krant, dat er in Indonesië vandaag dit gebeurt en in Washington is dat besproken en in Frankrijk en Parijs was, het zo en zo en u vindt dat heel normaal. Toch hebt u die dingen niet zelf gezien of meegemaakt. U gaat van een algemeen erkende waarde uit, n.l. dat Frankrijk en Amerika en Indonesië bestaan. Of ze nog zo bestaan, zoals u ze gekend hebt, weet u niet eens. U accepteert het. Op dezelfde wijze accepteert u redelijk het bestaan van een andere wereld. En u accepteert ook steeds weer datgene, wat u van die andere wereld bekend wordt.

Dan gaat men meestal zoeken. Dit zoeken gaat soms een beetje cynisch, soms met een ware hartstocht, soms met een schijnbaar zeer groot geloof. Maar zoeken doe je. En in dat zoeken vind je op een gegeven ogenblik een bevestiging…..voor jezelf. Nu staat het voor jou vast: “Alles, wat ik van die andere kant krijg, heeft zin. Er is een andere wereld.”

Nu kan er een ogenblik komen, dat je zozeer aan die andere wereld gaat zitten denken, aan al wat er in is, dat je eigen werkelijkheid wegvalt: dat je die ongekende wereld een ogenblik voor jezelf tot werkelijkheid maakt. Dan is het veelal nog als een kind, dat foto’s kijkt. Dus een beeld, door iemand uit die andere wereld aan u gegeven, dat u beleeft. En die wereld is niet voldoende. Maar het eerste aanvoelen van die wereld, het contact daarmede, drijft u nu verder. Drijft u tot een uitgaan, ook uit dromen over Zomerland en verder. En u staat wederom boven de wereld en u kijkt naar beneden. En pas wanneer u zich daarvan kunt losmaken en u kunt zich omwenden (dus van de wereld afschouwen a.h.w.), komt u tot werkelijkheid. Dan ziet u, wat er werkelijk bestaat.

Dat beleven op zichzelf, daarover kunnen wij eigenlijk van uit stoffelijk standpunt heel veel en heel weinig zeggen. In de praktijk komt het wel daarop neer, dat een dergelijk beleven een psychotisch of neurotisch verschijnsel is volgens de meesten, dat het irreëel en onwerkelijk is volgens een meerderheid, maar dat het voor uzelf iets is, wat intenser bestaat dan de werkelijkheid. Wanneer u daarvan uitgaat, dan zult u misschien begrijpen, hoe een paar beelden, die ik u hier probeer te tekenen, toch ook van belang kunnen zijn, al is het alleen maar om een indruk te krijgen van wat mogelijk is.

Het zien van zo’n kleine wereld onder je gaat heel vaak gepaard met de behoefte om te manipuleren. Het is net, alsof je als een kind boven een leger van tinnen soldaten staat en plotseling het idee hebt: “Nu moet ik die ene soldaat ervoor zetten, want dat is de commandant.” Alleen gebeurt dat meestal niet. Het is maar heel zelden, dat je inderdaad die gedachte en die impuls hebt en die manipulatie zich ziet voltrekken. In de meeste gevallen blijft het bij een soort tableau vivant, waarbij de stellingen zijn vastgelegd en de spelers weliswaar leven, maar met een onvoorstelbare traagheid. Heel veel mensen, die dat voor het eerst zien, vragen zich af, of iedereen nu werkelijk plotseling zo plechtstatig is gaan bewegen. Want een normaal handgebaar wordt dan in een heel langzaam tempo uitgevoerd. Ik zal het maar niet voordoen, want dan duurt het bijna een uur. Het gaat heel langzaam, voorzichtig en statig, alsof het afgebakend is. Dat komt door een verschil van tijdswaardering. Tijd is op dat ogenblik voor jou een andere waarde geworden, en wat eigenlijk geldt is alleen je eigen vermogen om iets op te nemen. Vandaar dat je een heel beeld kunt opnemen in een breukdeel van tijd en zolang beleven, dat de ontwikkeling daarvan jou oneindig lang schijnt te duren.

Blijf je kijken, dan word je vaak bang. Word je bang, dan zie je soms vreemde beelden. Want je staat daar natuurlijk niet alleen. Dat is begrijpelijk. Die ruimte is gevuld met entiteiten. En kijk je naar die wereld toe en word het je angstig te moede, dan zul je bij het opkijken heel vaak eigenaardige gestalten zien. Soms doen ze mij denken aan de wachters, die men wel eens voor zo’n Indische tempel ziet afgebeeld. Andere keren weer zijn het je eigen schrikbeelden, die je daar in een enorme vorm en met een ontzaglijke intensiteit ziet weerkaatst. Eén ding staat bij een dergelijk aanschouwen vast: Zodra je naar de ander schouwt, voel je jezelf zeer klein. Er is werkelijk niets, wat kleiner en nietiger, kan zijn dan jijzelf, wanneer, je opkijkt naar zo’n enorme reus. Maar trek je je daar niets van aan, laat je je niet door de angst beheersen en wend je je af van de wereld, dan heb je daarmede tevens iets gedaan als mens of als geest, wat helemaal niet in overeenstemming is met je beleving. Je hebt n.l. de buitenkant van hot loven, de uiterlijkheid verlaten, en je hebt je gericht tot de innerlijke krachten. Vandaar dat dit onderwerp ook zo mooi past in de esoterie. Je denkt naar buiten toe te zien en in feite kijk je naar binnen. Het doet een beetje denken aan de strip van Möbius. u weet wel, de gevlochten lijn, waarbij je eerst aan de buitenkant staat, en ga je langzaam verder, dan loop je ineens aan de binnenkant. Zo’n eigenaardig iets is dit ook. Doordat je te zeer naar buiten toe streeft, keer je naar binnen.

Wat je daar binnenin je ziet: ja, daar hoor je 100 en 1000 stemmen over. Wanneer ik maar weer een beeld geef of een paar beelden, dan is dat natuurlijk weer te hooi en te gras. Het zijn mogelijkheden, maar naast die mogelijkheden bestaan duizenden andere wegen. Vaak is het eerste zien net, alsof je door een kier van een deur kijkt of door een sleutelgat. Een beetje duister. Er is maar een heel klein deel van wat je zou kunnen overzien, dat je belangstelling trekt. Een soort lichtend punt. In dat punt zie je voorstellingen, zie je beelden. Die beelden gaan van het zeer ongevormde af (dus bv. een kleurige massa damp, die door elkaar blijft warrelen), tot gevormde gestalten, waarmee je bv. kennis zou willen maken: of die je verloren hebt en die je nu meent terug te kunnen zien. Dan is het eigenlijk net,- alsof er een sluier wegvalt. Eerst valt dus dit waas weg. Langzaam als een iris a.h.w. verstelt zich de opening, ze groeit. In dit groeien wordt gelijktijdig het beeld, dat er achter ligt helderder.

Achtergronden, die je eerst niet hebt gezien, beginnen nu plotseling nog veel duidelijker te spreken dan de beelden op de voorgrond. En op de duur ontplooit zich dat geheel, totdat je binnen meent te treden in die andere wereld.

De ervaringen, die mij persoonlijk wel het beste liggen op dit terrein, brengen je eigenlijk uit het nevelige tot een onbestemd land, waarin een woord bv. geuit kan worden als een reeks van meetkundige figuren. Dus de klank wordt tot een reeks van vormen, die elk voor zich een onderverdeling betekenen van de volmaaktheid: waarin de ademhaling zelve een spel wordt van lichtende kleuren, dus waarbij je de ene kleur licht absorbeert en gelijktijdig de andere weer uitademt. Beweging is iets, wat a.h.w. doet denken aan een onweer. Een reeks van flitsen, die elkaar opvolgen. Als je het zo beleeft – ik zeg nogmaals: het is alleen maar een mogelijkheid – dan zul je ook wel ontdekken, dat je steeds verder wil gaan. En dat verdergaan, moet u zich niet als een wandeling voorstellen, maar eerder als een stuk elastiek, dat door de wil wordt uitgerekt tinnen dit beeld, dat ge beleeft. Dus het is net alsof steeds iets je terughoudt. Je moet overwinnen, overwinnen, overwinnen en verdergaan. En zo sta je ineens te midden van een wereld vol van kleurigheden, van onbestemde vormen, vol van abstracties, die je op aarde absoluut waanzin zouden lijken en die nu de diepste betekenis hebben.

Vandaar uit komt het ogenblik dat je losschiet. En nu is dat net stelt u zich voor, dat u zo’n expander hebt. Dus u hebt staan trekken om krachtige spieren te ontwikkelen en nu op een gegeven ogenblik, net als u tot het uiterste van uw krachten hebt gerekt, schiet dat ding los.

Wat gebeurt er? De kracht van de veer werpt u veel verder haar voren, dan u eigen krachtsinspanning alleen had kunnen doen. Dus het moment van losschieten werpt je eigenlijk als een kogel weg.

Zo is het nu hier ook. Je hebt tot nog toe altijd die band gehad, je hebt geworsteld om verder te komen en ineens is het net, of er iets breekt en je een enorme schok krijgt. Geen onaangename, geen trap onder je achterste, maar eerder alsof een vriendelijke djinn je grijpt en je met één tovergebaar in een ander land zet. Een idee van een enorme snelheid. Ruimtelijke verplaatsing komt er meestal bij te pas, een gevoel van gestuwd worden. En dan is het vreemde, dat je eigenlijk in een uitstalkast staat, waar je zelf overal voorkomt.

Overal waar je kijkt, zie je jezelf: niet alleen zoals je bent, maar zoals je geweest bent en zoals je misschien nog zult zijn. Hier sta je als een kind, daar als een grijsaard. Hier zie je een leven, dat ver terug ligt en sta je misschien in wanhoop op de muren van Troje, terwijl binnen hier en daar de zaak al brandt: of je bent op jacht met een kudde in huiden gehulde mensen naar misschien een stel oerossen. Al die beelden zijn daar naast elkaar geprojecteerd. Het is, of waar je ook kijkt, je jezelf tegenkomt maar steeds anders. Kun je dit beleven, dan is het eigenaardige, dat elk beeld, waartoe je je wendt, plotseling een hele reeks van levensflarden is, Het lijkt net een film. Als je zo’n figuur aankijkt, dan begint dit voor je te leven. Het wekt herinneringen. En al die herinneringen, die eerst fragmenten zijn, gaan op de duur door elkaar vloeien.

Ik zeg: het is maar één van de vele manieren, die mogelijk zijn, maar het is wel een zeer wonderlijke manier. Want dat, wat je nu bent en wat je morgen misschien zult worden, blijkt soms samengevoegd met een oertijdperiode. Je ogenblik van grootste neerslachtigheid in dit bestaan blijkt gekoppeld te zijn met misschien een periode van overmoed in Atlantis. Je opstandigheid van vandaag is gekoppeld aan een achtervolging in de tijd van de Franse revolutie. En zo gaat het verder. Momenten en, momenten vallen ineen, alsof ze voortdurend een tegenstelling vormen, voortdurend elkaar opheffen.

Dan wordt je dat tot een soort warrelende molen. Al die gestalten en dingen verliezen hun kleur. Je hebt een ogenblik in de schatkamer van je eigen leven rondgekeken en nu begint dat leven zelf weer. Als een soort carrousel tolt het rond. je, tot je zelf het idee: hebt als een soort wervelstormpje draaiende te worden opgetrokken, ergens – je weet niet waar. En dan worden de gestalten, die je al in het begin door dat sleutelgat hebt gezien, vaak weer kenbaar. Maar nu op een andere manier. Laten we er ons maar bij houden, dat ze gestalten hebben. Dat is niet feitelijk waar, maar je erkent ze – als je mens bent – in ieder geval nog wel als gestalte.

Maar dan….kunt u zich een gestalte van levend vuur voorstellen? Niet van vuur dat branden zou, maar een vuur dat koel is, dat fonkelt, dat leeft? Zo doen die gestalten aan. Het is een intensiteit van bestaan, die je eigenlijk plotseling doet ervaren, dat je leeg bent, dat er iets aan je mankeert. En heb je ook dit doorgemaakt, dan is het net, of je met die anderen samen een soort van gewijde cirkel vormt. Een dwaas beeld misschien, maar het lijkt haast wel, of al die lichtende figuren en jijzelf, daar klaar staan voor een soort van hemels of kosmisch ringelrei-spel. En dan,….dan is er in het midden iets, wat ik zelfs niet meer met licht of met vuur of als vurig kan beschrijven. Het is intensiteit. Dat is het enige woord, dat ik ervoor weet. En die intensiteit beroert de kring. En van af het ogenblik, dat ze jou beroert, kun je de kring ook niet meer zien.

Het is geen geluksgevoel. U moet niet denken, dat het alleen maar is: Wat voel ik mij gelukkig! Dat krijg je misschien later als terugslag. Het is ook niet eens Wat voel ik mij rijk: Maar ja, hoe moet je het omschrijven? Misschien kan ik het best zeggen: Hoe voel ik mij één! Het is net, alsof er geen grenzen meer bestaan. En dan wordt die honger, die in je is, gestild.

Het is kracht. Het je zo’n moment doorgemaakt, ach, dan keer je weer terug naar je eigen sfeer of je eigen wereld. En in die wereld behoud je iets bij van dat, wat je gegeven werd. Dat blijft je bij. En soms kan je dan weer terugkeren en a.h.w. ten dele, ten dele dat contact weer opnemen. Bijvoorbeeld, de figuren, die je door het sleutelgat hebt gezien, die bereik je weer.

Maar dat verdergaan met die enorme snelheid tot midden in je eigen werkelijkheid, je eigen bestaan eigenlijk door alle tijden en alle vormen heen, dat komt maar heel zelden voor: en ook dat verdergaan.

Persoonlijk heeft deze wijze van beleven mij waarschijnlijk in de eerste plaats getrokken, omdat ik haar zelf het eerst en het meest heb doorgemaakt. Ik ken ook wel andere belevingen, maar deze heeft mij eigenlijk beheerst van af het begin van mijn bewustwording. Het zal u dus wel duidelijk zijn, dat ik een beetje bevooroordeeld ben in deze. Maar het geeft je zo het gevoel van werkelijke eenheid met de wereld.

Ik had het zo even er over, dat de rede wegvalt op een gegeven moment, omdat je komt tot een volkomen subjectieve waarheid, tenminste van uit menselijk of geestelijk standpunt, Nu, dit is de subjectieve waarheid, die juist door haar intens persoonlijk beleven en het eenwordingsproces met de kosmos, dat er in ligt, uiteindelijk voor jou wordt tot de mogelijke objectiviteit.

Een tweede manier. Inslapen en gelijktijdig wakker worden. Het is alsof, terwijl je lichaam begint te rusten, gelijktijdig plotseling je ogen – opengaan, je ledematen zich weer strekken.

Maar het is een ander lichaam. Met dat andere lichaam verplaats je je. En die verplaatsing is gebonden aan de gedachte. Op het ogenblik dat je denkt, ben je. Zo wordt je behoefte bv. aan geestelijk licht en geestelijk leven dus uitgedrukt in een zich sprongsgewijs voortbewegen naar een steeds groter abstractie en een steeds juister uiting van het goddelijk Wezen. Dat gaat schoksgewijs en je komt er eigenlijk niet toe om jezelf te beschouwer. Je hebt er geen tijd voor. Soms heb je het idee, dat je deel bent van een enorme drom wezens, die zich in diezelfde richting bewegen: een enkele maal meen je ook, dat anderen je tegemoetkomen en je dreigende dingen toeroepen, vooral in de eerste fase. Maar wanneer je blijft voortgaan, dan voel je je misschien, zoals een mot zich voelt, wanneer zij in de kaarsvlam gaat. Het beeld is natuurlijk onjuist, want je verbrandt niet. Maar … het licht zozeer begeren, zozeer liefhebben, dat je jezelf er middenin stort, omdat je blind bent voor alle andere dingen, zo ga je dan op iets toe, wat licht is.

Moge dan het feitelijk proces weer ongeveer hetzelfde zijn, als ik bij de vorige beleving aanduidde, n.l. de kringvorm in de eenheid, hier is daar absoluut geen bewustzijn van. Je bent je niet bewust van een deelgenootschap met anderen. Je weet alleen maar, dat er licht, licht, licht en nog eens licht is. En dat dit licht langzaam verandert, totdat het kracht wordt, een kracht, die je op de duur niet anders omschrijven kunt dan: een entiteit, die er niet is en die er wel is en die in jou is. Wie daaruit terugkomt, brengt weer een ander soort kracht, een ander soort blijheid met zich.

En dan de derde beleving, Dat is de beleving, waarop de meeste aardemensen nogal gesteld zijn: dat is tenminste mijn ervaring. Ze begint ook weer met de aanname van een andere wereld. En je zou dit beleven kunnen noemen: een Zomerlanddroom. Het gebeurt meestal niet tijdens de slaap, maar eerder wanneer je zo zit na te denken. En dan is het net, of in je eigen wereld rond je anderen ontstaan. Meestal zijn dat zelfs wezens, die je kent. Om een voorbeeld te geven: Je ziet je vader, je moeder, enz. – mensen, waarvan je erg veel hebt gehouden -en die zie je daar rond je. Heel gewoon in je eigen kamer. En je hebt zo het idee, dat je met hen praat en dat je opstaat en met hen meegaat. De mens noemt dat: meegenomen worden.

Nu is het vreemde hier weer, dat je je voortdurend wel van die entiteiten bewust blijft, maar dat je van achtergronden heel weinig weet. Wanneer iemand later over zo’n tocht moet vertellen, zal hij heel vaak zeggen: “Ja, ik heb zulke mooie bloemen gezien!” Maar zeg je: “Teken ze uit,” dan beginnen ze te stotteren en zeggen: “Het was net een lelie, een roos, of een flox of iets dergelijks, maar anders, mooier, veel mooier.” Dat komt, omdat er geen beeld van onthouden is. Het was een momentindruk, die is weggevallen in het gezelschap van die anderen. En dan, wanneer die beleving voortgaat, toont zich in dit gezelschap nog een ander wezen. De mens zou misschien zeggen: een rijzige gestalte, veelal gekleed bv. in een wit gewaad met gouden boorden, dan ook wel in een goudachtig gewaad. Anderen spreken hier weer over verschillende gewaden. Zoals bv. een magiër met gouden tekens, maar het geheel alsof er een gouden sluier over ligt. Of een oude vrouw, waarbij je kunt zien, dat de kleren vroeger arm waren, maar die nu zo’n licht uitstralen, dat ze mooier zijn geworden. Op die manier beschrijven ze dat, Dat is dan eigenlijk het contact, dat je legt via een persoonlijkheid.

Nu is het vreemde, dat die persoonlijkheid bij je blijft. Je weet, dat ze bij je blijft. Al het andere valt weg en wat je doormaakt is een soort tocht in de duisternis. Het gevoel is misschien te vergelijken met iemand, die hoog boven in de lucht is in een vliegtuig en eruit stapt met een valscherm. Je stelt je voor, dat je dit niet uit angst of nood doet, maar werkelijk voor je plezier. En verder, dat je heel langzaam onder je de wereld vorm ziet krijgen, terwijl je wel met snelheid valt, maar toch niet zo, dat je het merkt. Het is net of je zweeft. Alleen is die wereld een beetje veranderd. Op die manier ga je dan op een wereld toe. En die wereld wordt door die entiteit, die je niet meer ziet, maar die je aanvoelt a.h.w. verklaard.

In die verklaring klapt ze open. En steeds maar weer klapt dat opnieuw open, zit er nog weer iets anders in verborgen. Het is net zo’n chinees raadseldoosje. Als je denkt, dat je aan het laatste doosje bent, zitten er toch nog tien in. Zo gaat dat. Steeds weer zie je in die wereld iets anders. En ten slotte, wat blijft er over? Ja, hoe moet ik dat zeggen? Een diamant in de vorm van een parel, dat is hier misschien het juist gezegd. Dus een druppel vloeibaar licht. Dat licht groeit en omhult je en dan kan zich de fase verder afspelen, zoals ik het ook bij vorige wijzen van beleving heb verteld. U moet nu niet denken, dat ik u deze dingen alleen maar vertel, omdat het zo prettig voor u is er iets over te horen. Maar deze dingen bestaan en deze dingen zijn gebaseerd op een werkelijkheid. Alle voorstellingen, die wij ons maken, zijn ten slotte het resultaat van ons eigen wezen, ons eigen denken. Men zegt wel eens: Het is maar goed, dat de smaken verschillen.

Maar zouden wij niet beter kunnen zeggen: Het is maar goed, dat de mensen verschillen? Het is niet alleen de smaak, die verschilt, het is de mens, die anders is, die anders ziet, anders denkt, anders leeft.

Zo gaat het geestelijk ook met ons. Ieder van ons heeft zijn eigen benadering van de Oneindigheid. Maar zoals alle mensen moeten eten – onverschillig wat voor smaak ze hebben, eten moeten ze – zo gaat het ons ook. Wij moeten geestelijk die leegte in ons weten te vullen.

Dat proberen wij dan stoffelijk of geestelijk te doen door ons streven en onze daden, maar dat is niet genoeg. Er komt altijd een ogenblik, dat je meer wilt hebben, dan je krijgen kunt in je wereld. En dat is het ogenblik, dat je hele leven een andere richting krijgt. Voor sommigen is dat een geleidelijk er in groeien, voor anderen is het een schok, maar het komt altijd erop heer, dat je je in zekere zin gaat wijden aan meer bovennatuurlijke belangen. Dat is geen afwijking, hoor. Helemaal niet. Het is heel natuurlijk. Dan ga je proberen om jouw leven en denken te baseren dus op die honger, op dat tekort. Een werkelijk goed mens leeft niet van wat hij heeft, maar van wat hij niet heeft. Dat is heel vreemd. Want juist, wat hij niet bezit, doet hem streven om steeds meer te zijn. Daardoor wordt hij meer. En dat is bij ons geestelijk ook het geval.

Bij de esoterie lijkt het wel, of het zoeken naar die innerlijke wijsheid en die innerlijke waarheid een soort poging is je boven anderen te verheffen. En onder ons gezegd en gezwegen, er zijn heus wel mensen, die dat doen. Dus die alleen maar méér willen zijn dan een ander en daarom aan esoterie doen. Maar dat is natuurlijk nooit ware esoterie. Doch dit zoeken naar de vorm van jezelf in die wereld betekent dat je nolens volens steeds meer jezelf moet ontmantelen. Je moet a.h.w. elk gewaad van stoffelijk denken uittrekken totdat je zo bent, als God je in het begin heeft gemaakt. Dat kun je niet, want er zijn zoveel voorstellingen in je. die dat afremmen. Ze kunnen nu wel tegen, je zeggen: “Ja, wanneer je nu morgen ergens op het plein bv. bovenop een standbeeld op je hoofd gaat staan, dan. krijg je geestelijke bewustwording. Maar dat kun je niet doen. Er is maar een enkeling, die daar de moed voor heeft en die doet dat meestal nog meer uit de grap dan als werkelijke ernst.

Zo gaat het ons ook. Wanneer wij onszelf onderzoeken – dus het begin van de esoterie: het kennen van onze eigen wereld – dan komen we te staan voor heel veel dingen, waarover wij gewoon niet durven te denken. Vandaar dat wij van het denken overschakelen op wat ik het visionaire zou willen noemen. We zouden in onze eigen wereld – onverschillig welke, feite – door te komen tot de kern van ons eigen “ik” – gelijktijdig aan onszelf het goddelijk Wezen als zodanig. Wij symboliseren dit door te deze is – hetzelfde kunnen doormaken, zonder één ogenblik de werkelijkheid uit het oog te verliezen. Maar wij durven het niet. En daarom gaan wij fase na fase verder en komen wij via verschillende irreële werelden tot andere sferen, waar wij niet gebonden zijn aan wetten, omdat wij dat leven en die wetten daar nog niet kennen. Vandaar uit gaan wij – hetzij zelf of dank zij de hulp van. anderen – weer verder, totdat op de duur al, wat voor ons realiteit heet, is weggevaagd. En eerst wanneer wij helemaal zonder buitenwereld staan, durven wij onszelf te zijn. Maar wanneer wij onszelf zijn, zijn wij ook werkelijk bewust in contact met God. Want ons wezen is altijd met het Goddelijke verbonden.

Dat kan niet anders. Als wij geloven aan een God, dan moeten wij ook zeggen, dat ons wezen er steeds mee verbonden is. En dus openbaren wij in zeggen: “Er is een iets, een Kracht, een Wezen, een Zijn.” Want wij kunnen het niet omschrijven. Maar doordat wij ons van dat Zijn bewust zijn geworden, dat Wezen a.h.w. hebben aangevoeld, ontwaakt de kracht, in onszelf sluimert.

Men zegt wel eens, dat die kluizenaars – ook esoterici in de meeste gevallen – vaak zulke eigenaardige dingen doen. Ze trekken zich niets aan van een gifslang. Ze zeggen gewoon: “Broeder of zuster, dit is een mensenweg, mag ik a.u.b. voorbij gaan?” En ze gaan voorbij. En geen beest, dat hen aanvalt. Wonderlijke kracht, zegt men dan. Neen, eigenlijk niet. Ze zijn, alleen maar zichzelf. De belemmering, die u met uw esoterisch bewustzijn ervaart in deze wereld, is juist het feit, dat u niet uzelve bent en niet uzelve durft te zijn.

Maar als we dan die voorbeelden nemen, zoals ik die nu hier aar voren heb gebracht, dan houden ze dus nog een les in: Hoe meer ik mijzelf kan zijn, hoe meer ik mijzelf bewust durf te zijn van mijzelf, met alle fouten zowel als met alle goede eigenschappen, hoe beter ik in mijn wereld zal passen, maar hoe meer ook mijn wereld omvat. Want mijn wereld wordt zoveel groter, omdat ik de inhoud, ervan beter begrijp.

Als ik u niet verveel, zou ik nog een ander punt willen aansnijden: Er moet natuurlijk een werkelijkheid bestaan. Die werkelijkheid zou, ongetwijfeld, ook ons benaderen, met ons in contact zijn, wanneer wij waar, dus werkelijk zouden zijn. We houden die werkelijkheid van onszelf af, doordat wij allerhande concepten (dus gedachtebeelden) stellen voor de werkelijkheid. Zolang wij handelen op grond van voorstellingen en niet handelen op grond van werkelijkheid, zullen onze handelingen in feite niet veel meer betekenen dan het kopen van een lot in de loterij. Je weet nooit, of het raak is of niet. Zelfs de meest ernstig levende en strevende mens die niet is gekomen tot een waar erkennen van zich zal datzelfde hebben. Hij zal te hooi en te gras eens iets doen, wat goed is, maar hij kan met dezelfde goede bedoelingen iets doen, wat averechts verkeerd en fout is. Daaruit ontstaan alle misvattingen op de wereld. Maar op het ogenblik dat ik de waarheid zie en dus alleen op de werkelijkheid kan reageren, kan ik nooit misslaan. Want er is maar één werkelijkheid.

Laten wij maar weer een voorbeeld nemen. Er komt iemand bij u, die zegt: “Ik heb buikpijn,” Dat kan spijsvertering zijn, het kan ernstig zijn, het kan alleen een kwestie van indigestie zijn, maar het kan ook blindedarm zijn. Dan moet je dat onderzoeken. Dan kom je tot de conclusie: het zou de blindedarm wel eens kunnen zijn. Maar…. wanneer je de waarheid ziet, dan bestaat er geen tweede mogelijkheid meer. Dat is het belangrijke punt.

Of u zegt: “Ja, ik ga toch eens nadenken over een vakantie. Zouden we hier of daar naar toegaan, of zus of zo?” Een prettig spel, maar in feite bestaat er maar één mogelijkheid voor u. Alle andere mogelijkheden worden toch weer teruggebracht tot dat ene. Uw vakantie is niet een reis hier of daar naar toe, het is een beleving. Die beleving kan kracht winnen en kracht verspillen betekenen, ze kan verrijking van het leven of een verlies betekenen, dat maakt niets uit. Maar….wanneer je dat weet en je daarop baseert, zul je altijd goed kiezen, nooit verkeerd.

Een esotericus die dat begrijpt door zijn innerlijk beleven, handelt voortdurend waar. Hij stelt dus de relatie niet vast t.o.v. wat hij ziet of wat hij denkt, dat er is, maar tot datgene, waarvan hij weet dat het werkelijk is. En op deze manier, vindt hij overal dus wat wij “God” noemen. God is de werkelijkheid, nietwaar? Dus het onveranderlijke aspect van het zijnde. En in dit vinden van die werkelijkheid zal hij voort durend uitdrukking geven aan die werkelijkheid. Dat kan niet anders. Want de waarheid is, dat hijzelf er ook een deel van is. Begint het u te dagen? Weet u nu, waar ik naar toe wil? Nu mag ik dus wel mijn conclusie gaan trekken.

Kijk eens, al ons esoterisch streven en beleven is in feite niets anders dan een proberen om de kern van de zaak te vinden: de waarheid. En nu kunnen wij onszelf wel voorhouden, dat we het doen voor hoger geestelijk leven of voor dit of dat, maar dat is omschrijving, dat is een ontvluchten aan de werkelijkheid. Wij durven niet aannemen, dat er een werkelijkheid bestaat en daarom zoeken wij dat in een andere wereld, ergens anders: maar het is altijd hier, bij je.

Willen wij terecht spreken over esoterie, over streven dus ten goede, dan zal dit in feite gebaseerd moeten zijn op een steeds grotere zelfkennis en een poging tot steeds meer zonder enig vooroordeel de waarheid te zien van n.l. hetgeen zich aan ons toont. Doen wij dit, dan zullen wij zeer snel de normen, die nog stoffelijk kunnen worden uitgedrukt, ontgroeien, want dan zijn de stoffelijke waarnemingen en de stoffelijke mogelijkheden voor ons slechts een zeer klein deel van de werkelijke aspecten. Al onze esoterie en al ons beleven, dat ermee gepaard gaat – wonderlijk en schoon als het op zichzelf is – is alleen maar een middel tot het doel: te weten wat de waarheid is. de werkelijkheid.

Als het mij nu maar gelukt is om u één ding duidelijk te maken, n.l. dat achter al deze dingen maar één ding kan schuilen, de waarheid van het leven, waarnaar wij steeds hongeren, waarnaar wij steeds zoeken. God is de waarheid, goed, En die waarheid is hier, vandaag, nu, als we de juiste verhoudingen kunnen zien.

o-o-o-o-o

 Zijn we wel wat we denken te zijn?

Natuurlijk ben ik het met de vorige spreker wel ten zeerste eens. Mij dunkt, dat zijn argumenten – indien u zijn stellingen aanvaardt – praktisch niet te verwerpen zijn. En omgekeerd dat, wanneer u de argumenten redelijk acht, het onmogelijk is aan het aanvaarden van de stellingen te ontkomen. Maar we schakelen daar misschien iets mee uit, wat toch voor heel veel mensen een soort wet, een soort regel is geworden. En nu denk ik hier wel in de eerste plaats aan die oude getrouwe der esoterische scholen, de wet van oorzaak en gevolg of – zo u wilt – van karma. Zelfs in het beeld, dat mijn voorganger u zo levendig heeft geschetst, wordt een verband gezien tussen alle momenten in tijd. En nu wij dan toch de historie willen zien als een deel van ons wezen en bestaan, mag ik er misschien – kort natuurlijk – van mijn kant dan toch nog wel een voorstelling bijvoegen!

Zijn we wel wat we denken te zijn? Als wij deze oorzaak-en-gevolgwet willen zien als zich afspelend binnen een continuïteit van beleven, ja, dan bestaat er een direct verband, steeds weer duidelijk kenbaar, tussen punt A en punt B: tussen de fout en de straf of correctie: tussen de deugd en het loon, dat er op volgt. Maar achter de waarheid, zoals die in oorzaak en gevolg is uitgedrukt, geloof ik, dat ik een andere waarheid kan zien.

Stel u nu eens voor, dat wij allemaal bv. een honingraat zijn. Het is geen aanmerking op iemands figuur natuurlijk, maar stel u dat eens voor. Dus een hele reeks van vakjes. De scheidingswanden zijn onze werkelijkheid. Wat er tussen ligt is onze illusie. Nu kijken wij maar uit één wandje tegelijk. Dus wij kijken naar het celletje, dat bv. aan de rechterkant ligt. Daar zien wij dan een hele wereld. Dan maken wij van alles mee in die wereld, want wij voelen er ons deel van. Wij gaan er misschien omheen, wandje na wandje, belichten hetzelfde bestaan uit verschillende punten. Gelijktijdig ligt aan hetzelfde wandje ook nog steeds een andere cel.

Want elk wandje, waarop ons bewustzijn zich concentreert, is niet een wereld maar een scheidslijn tussen twee werelden. En nu is het vreemde, dat wanneer wij die raat nu eens even horizontaal houden – u kunt er dan doorkijken – dan hebben wij hier dus dit wandje, hier een zeshoek, daar een zeshoek, enz. Dan is, wat hier boven is, daar beneden: of wat hier rechts is, aan die kant links.

En dan zou ik nog wat meer willen stellen. Die werelden liggen zo dicht bij elkaar, dat zij nog wel wat gemeen zullen hebben. Wanneer je een bijenraat ziet, dan zie je ook, dat slechts een enkele keer een werkstercel tussen de honing in gewerkt zit – meestal zijn ze gescheiden.

Broedcellen met enkele kronen van koninginnencellen daarin en aan de andere kant de honingraat. Die gelijkheid van aangrenzende cellen zal voor ons leven meestal ook wel kloppen. Maar elke cel is qua vorm gelijk. U kunt het beeld toch vasthouden? Dan impliceert dit, dat wanneer ik hier overga van de rechte lijn naar de volgende rechte lijn, dus het volgende wandje, het volgende standpunt, dat ik binnen een bepaald leven inneem, ik op dat ogenblik gelijktijdig drie andere werelden zie en twee delen van mijn eigen leven, die mij daarmee in verband brengen. Dan is het dus wel begrijpelijk, dat wij op één beslissend moment in ons eigen bestaan altijd maar weer gelijktijdig kunnen beleven – of misschien niet – drie andere levensfasen. Zouden die er niet zijn, dan zou ook dit huidige veranderen er niet zijn.

Degene, die denkt aan de continuïteit, zegt nu: oorzaak en gevolg. Maar kun je misschien niet zeggen: de realisatie van een verbinding tussen, verschillende fasen, verschillende delen van mijn eigen wezen? Men gelooft toch algemeen aan de mens als een soort van eeuwigheid. Zelfs de religieus denkenden zeggen: God heeft de mens geschapen en van af dat ogenblik leeft hij zonder einde. Waarom nu niet te zeggen: Elke mens is deel van alle tijden? Nemend de beleving van een bepaalde wereld, een bepaald tijdsmoment, realiseert hij zich steeds weer gelijktijdig tenminste één, maar mogelijkerwijze zelfs drie andere werelden. Het verband, dat tussen deze andere delen van zijn wezen en zijn huidig als werkelijk gezien deel van het wezen, bestaat, is dan de oorzaak-en-gevolg-relatie, zoals hij die meent te mogen aanschouwen.

En nu kom ik dus na mijn voorbeeldje eigenlijk weer aan de kant van een tikkeltje esoterie. Dat is n.l. dit: Wanneer mijn wezen vaststaat door alle tijden, is het enige veranderlijke de realisatie van het wezen. Indien ik deze veranderlijkheid kan uitschakelen en daarvoor in de plaats stellen een begrip van mijn werkelijke wezen, dan ben ik – over de grens van alle tijd en -wereld heen – geworden tot één geheel. En misschien dat ik dan – als geheel mijzelf  kennende – zal kunnen weten, wat het leven van een ander is. Maar voor die tijd zal ik dat nooit kunnen vaststellen. Daarom is ware esoterie nooit het leren aan anderen, maar slechts het leren omtrent jezelf.

Het heeft geen zin een ander anders te behandelen – en nu goed luisteren, dat je het niet misverstaat! – het heeft geen nut een medemens anders te behandelen dan een gegeven deel van een wereld, die in feite de leegte in jouw wezen betekent, maar waardoor je jezelf kunt leren kennen. Elk beeld, dat je kent van een ander, kan onmogelijk verschillen van je eigen “ik”. Al wat je bent voor je medemensen volgens je eigen idee (wanneer je eerlijk bent!) is niets anders dan een voor jezelf erkennen van eigenschappen, die in één wandje van dit hele bestaan zijn gegrift. Al wat anderen voor jou zijn is wederom hetzelfde: een realisatie van wat je zelf bent, En juist daarom horen er nog een paar punten bij de esoterie, die sommigen (natuurlijk niet hier) maar sommigen dan wel eens over het hoofd zien. En dat is dit: Wie tekort schiet tegenover een ander, stelt in feite slechts een tekort in zichzelf vast. Maar deze vaststelling kan een remming betekenen bij de aanvaarding van het geheel, dat hij is.

Voordat je het geheel van je wezen door alle sferen en tijden en werelden heen kent, is er geen absolute bewustwording: is er zelfs geen werkelijk leven maar slechts een dromen in kleine delen van het bestaan.

En nu zou men één bezwaar kunnen maken – tenminste dat is wel eens voorgekomen, wanneer wij met die stelling bezig waren, zelfs op de G.G.S. Namelijk dit: Wanneer ik iemand ben, die het ledige omsluit, waar komt dan de wereld vandaan?  Ongetwijfeld zal die wereld werkelijk zijn, want je bent lang niet de enige figuur, die – in alle tijden bestaande – zich voortdurend, nu hier dan daar kan realiseren. Maar u hebt met dezen geen contact, voordat u het geheel van uw wezen kent: zoals twee honingraten gescheiden van elkaar door dezelfde steun een verband vinden, maar de cellen dit nooit zullen realiseren.

Daarom kunnen wij nooit de ware relatie tot een medemens vaststellen, noch de ware betekenis van een medemens of een deel van de wereld, voor wij onszelf kennen als geheel.

Accepteer rustig, dat zij voor zichzelf waar, werkelijk en levend zijn: Maar begrijp, dat dit op het ogenblik voor jou nog niet veel te zeggen heeft. Zelfs al kun je hen doorzien, zelfs al ken je elke eigenschap, fout en kwaliteit van hen, dan nog zijn ze een spiegeling van een deel van jezelf. Verzamel die delen, totdat je voor jezelf een geheel kunt bouwen, waarbij alle tijden gelijktijdig te beleven zijn, waarbij alle werelden kunnen worden teruggebracht tot hun essence: uiting van het Zijnde. Dan heb je werkelijk dat, wat esoterische bewustwording heet, niet alleen voor een keer volbracht, afdalend tot het kernpunt van één bestaansmoment, maar dan heb je ook de vormgeving van de schepping – en niet alleen de Schepper Zelf – leren kennen en daardoor het begrip gekregen, dat in de plaats kan treden van een alleen maar ondergaan.

  • Bedoelt u met de doorbraak van alle cellen of van alle individuen of entiteiten, dat wij ons daarmee in verbinding stellen en hen opnemen in ons eigen wezen?

Dat is een beperkte uitdrukking ervan, geldende voor één wereld. Maar mijn punt, of tenminste het punt, dat ik trachtte te stellen, was dit: dat het heel goed mogelijk is – ik kan niet zeggen, dat u het moet aanvaarden – dat u niet alleen in deze wereld en in deze tijd, maar in honderd werelden en honderd tijden tegelijk bestaat. En de manier dus, waarop je in de wereld, waarin je op dit moment bewust bent, de anderen ziet als deel van jezelf (wat zij in hun verschijningsvorm zijn), maakt het je dus mogelijk te realiseren wat je bent in dit deel van je wezen. En zo kom je tot een zelfkennis.

  • Dus teruggaan tot het oerprincipe, waar je alles ontmoet.

Dat is een term. Oerprincipe of het Zijnde: wanneer wij dat identiek stellen, ja, dan hebt u gelijk. Maar het is geen teruggaan, want wij leven er steeds in en uit. Dus het is niet een teruggaan tot, maar alleen in elke graad en fase van je eigen wezentje dit principe realiseren als enige werkelijkheid. En dan kom je ook tot wat mijn voorganger heeft gezegd.

o-o-o-o-o

De wereld is een spiegel.

 En nu wil ik nog even doorgaan op die eerste twee onderwerpen. Maar dan doen wij het even in hemdsmouwen, heel gewoontjes. In de eerste plaats moeten we begrijpen, dat elke beleving, die wij doormaken en vooral: wanneer het een geestelijke beleving is, altijd afhankelijk is van onszelf. U zoudt kunnen zeggen: “De wereld is een spiegel. Je kijkt erin en je zegt: Wat staat daar voor een lelijkerd! En je bent het alleen maar zelf.”

Daar komt het eigenlijk op neer. Als je nu gaat handelen, alsof je anders, beter ware dan dat, wat je ziet, dan haal je een grote stommiteit uit, want dan ga je net doen, alsof je jezelf niet bent. En dat is wel eens aardig voor een carnaval of een maskerade, maar als je het een heel leven moet volhouden, ben je zover van de realiteit van het bestaan verwijderd geraakt, dat het je erg veel moeite kost om weer terug aan boord te klauteren. Dat was punt 1.

Hoe wij ook de dingen beleven – en daar hebt u dan verschillende beschrijvingen voor gehad – is onze eigen zaak. Maar die beleving zal ons altijd tot één bepaald doel voeren en dat is in de eerste plaats tot het kennen van onszelf. Dat is nuchter in een paar woorden. De rest van die eerste spreker hebben jullie wel zo ongeveer meegekregen, maar die tweede spreker daar zaten jullie echt mee in de “raat”.

  • Ik vond de tweede spreker zeer duidelijk.

Dat is een enkeling, die dat zegt. De een is een beetje verder gekomen met de geestelijke zaken dan de ander. Dus niet voor degenen, die het al begrepen hebben, maar voor de anderen een vereenvoudigde versie: U hebt nu heel veel gehoord over 4e, 5e, 6e dimensie, enz. Maar nu heeft die spreker geprobeerd dat terug te brengen tot een zeer eenvoudige stelling. En dat is dit: Je leeft alleen maar, doordat je denkt. Dat kun je toch accepteren? Dat denken kan ingewikkeld zijn, het kan betrekkelijk vaag en zwak zijn, maar denken moet er zijn. Zonder denken geen leven, geen reactie. Alleen….het denken is beperkt. Je kunt bij wijze van spreken op een landkaart 100 km, afmeten, maar als je het lopen moet gaat het stapje voor stapje. En onder ons gezegd en gezwegen kan ik uit eigen ervaring mededelen, dat je na de eerste 7 á 8 km. dan meestal de eerste zucht slaakt, vooral als het warm is. Je kunt maar stap voor stap gaan. Toch is die weg er met zijn 100 km.

Stel je nu eens voor dat ons leven een weg is. Je begint ergens. Beginpunt: schepping: eindpunt: einde van de schepping. Ik geef het maar een naam. Daartussen is die weg, altijd en te allen tijde. Ik heb een aardig voorbeeld, dat in de moderne tijd past. Wanneer je die weg opkomt met je auto, dan staat daar misschien een kikvors te liften. Want dat is de fase van leven, waarin je dan bestaat. Voor jou is dat op dat ogenblik een redelijk wezen: het leven daarvan bepaalt voor jou je bestaan. En als je langs de weg ergens gaat zitten in een gezellig cafétje, dan is dat uiteraard een kikvorsen cafétje, waar ze je een beetje slootwater serveren met gratis: vliegjes voor de honger. Maar dan ga je een eindje verder en daar staat een Atlantiër. Die staat ook te liften. Je wereld van dat ogenblik. Maar kikkerland, Atlantis en – waarom zou je het niet doen – de bloeitijd van Egypte, het verval van Athene, de Romeinen, Karel de Grote, Pepijn de Korte, en hoe ze allemaal heten, die staan ook langs de weg. Want die weg is gelijktijdig, wat u tijd noemt.

Nu is dat natuurlijk heel leuk, zolang je daar in een wagentje langs gaat of er langs moet lopen. Dan ga je van fase tot fase. Dan zeg je: “Ik leef.” Maar dat is alleen waar, wanneer u onafhankelijk bent van de weg. Helaas bestaat deze onafhankelijkheid voor ons niet. We zijn aan die weg gebonden. Nu, is dat voor iedereen duidelijk? Maar stel je nu eens voor, dat die weg niet recht loopt maar een serpentineweg is, zoals deze tegen een berg oploopt. Dan kom ik op een gegeven ogenblik op deze bocht en heb ik hier een trapje, dat naar boven gaat, daar een: trapje, dat naar beneden gaat. En daar staat u, de heer en mevrouw Jansen, Pietersen, enz. in de moderne tijd met uw problemen, uw Drees, uw Soekarno, uw atoombom en wat dies meer zij. Gaat u nu het trapje naar beneden, dan staat u ineens in de buurt van Lodewijk Napoleon, die net bezig is om de ergste belastinggaardersopstanden te onderdrukken. Tippelt u naar boven, dan vindt u daar een wereld, waarvan u vandaag aan de dag nog niets weet, die of veel beter is dan heden ten dage of veel kaler. Staat u echter in die andere wereld, dan kunt u weer trapjes gaan lopen, als u wilt. Zo kunt u dus de hoofdfase van elk bestaan bereiken van uit een bepaald punt in elk leven. Kunt u zich dat voorstellen?

Dat impliceert dus, dat ik op een gegeven ogenblik als ik maar snel genoeg dalen of stijgen kan, van het moment kikker tot het moment volmaakte geest in één sprongetje kan doen. Dan kan ik dus ook zeggen, dat deze beide dingen gelijktijdig deel uitmaken van mijn wereld. Nu is de enige kwestie dit: Ik heb nu nog steeds aangenomen, dat u zich beweegt en dat de weg blijft liggen. Maar als de weg zich bewust is en niet alleen maar van één ogenblik – dus waar die ene voetganger staat – maar van alle plaatsen, waarop voetgangers gestaan hebben of staan zullen, dan is er een totaal bewustzijn. Dat is natuurlijk een ideale toestand. Stel je nu eens voor, dat we nog niet zover, zijn, maar dat wel – wanneer iemand op plaatsje A, bij wijze van spreken staat – die weg gelijktijdig bewust wordt in plaatsjes B, C en D. Dan kan die weg die toestanden vergelijken met de ogenblikkelijk optredende prikkel. Te volgen? Valt het moeilijk voor te stellen? Dan vereenvoudigen.

Hebt u wel eens met een blokkendoos gespeeld vroeger? Stel nu, dat de hele blokkendoos het leven is, van begin tot eind. Je kunt die blokken op duizend verschillende manieren combineren. Als je aanneemt, dat één blok steeds de kern vormt en dat dat het ogenblikkelijk bewustzijn is, dan zal dat blok steeds in beroering zijn met de blokken, die er toevallig naast worden gelegd: dus met verschillende delen van hét eigen wezen. Aangezien die delen kunnen wisselen, naar gelang de positie van dat blok bewustzijn in het geheel wisselt, zal dus dit bewustzijn zich steeds in verbinding gevoelen met bepaalde punten, die vrij dan verleden of toekomst kunnen noemen, maar die in feite niets anders zijn dan punten van het eigen wezen.

  • Het ligt op die weg. Je moet eigenlijk die baan aflopen.

Je moet die baan aflopen of beter gezegd, die baan wordt zich fase na fase van zichzelf bewust. Is het verhelderend geweest of moet ik er nog meer over zeggen? Goed, dan ga ik mijn talent voor spreuken eens botvieren op u, maar op een andere manier dan u van mij gewend bent. In de eerste plaats zou ik willen definiëren? God.

God is voor ons de volmaaktheid, waarvan wij dromen zonder haar ons geheel te kunnen voorstellen. Leven, noemen wij datgene, waarvan wij ons thans bewust zijn: niet begrijpende, dat leven betekent: het totaal aantal mogelijkheden, waarvan wij ons bewust kunnen worden. Esoterisch streven betekent: er zozeer naar streven één te worden met je wereld, dat je jezelf leert kennen. Dan de kern van het “ik”. De kern van het “ik” is de oneindigheid, waarvan alles, wat “ik” genoemd wordt, slechts een verschijningsvorm is.

o-o-o-o-o

 Een wet van erkenning, van ervaring.

Eigenlijk is: ons zoeken naar esoterische bewustwording toch voor onszelf een zeer belangrijk iets, nietwaar? En daarom mogen we er wel eens over praten. Zoals een spin een web weeft om daarmede vliegen te vangen, die haar voeding zijn, zo moeten wij eigenlijk ook in het leven zelf een wet spinnen. Een wet van erkenning, van ervaring. Hoe meer we weten, hoe meer we kunnen aanvoelen en begrijpen. Hoe groter ons begrijpen en onze wijsheid, hoe meer wij de kern, de kracht van de dingen voor onszelf kunnen zien en aanvoelen. Om te kunnen leven hebben wij geestelijk voedsel nodig. Zonder dat kunnen we nu eenmaal niet. En daarom moeten wij uit ons leven dus steeds voor onszelf met gedachten met daden, een wet zien te spinnen, waarin a.h.w. het belangrijke uit het leven voor ons gevangen wordt.

Je zou je dat misschien als volgt kunnen voorstellen: Je leeft. En op een bepaald ogenblik komt in dat leven het lijden. Het is vreemd, maar zonder lijden kan geen mens leven. Hij kan misschien bestaan, vegeteren, maar leven niet. In dit leven mét zijn lijden dus komt ook een beoordeling van de wereld. En het is voor ons erg gevaarlijk om de wereld te gaan beoordelen aan de hand van onze ervaringen. Want wij zijn maar al te zeer geneigd om onze wensen te stellen als ons recht.

Maar wanneer we het lijden durven te zien met een zekere onpartijdigheid, dan blijkt ons, dat het naast veel leed, ongetwijfeld veel pijn, veel, zorg, veel ellende, ook een nieuwer bewustzijn met zich meebrengt. Een intensifiëring misschien van het leven, een nieuw ervaren. Wanneer we dit begrijpen – dus het leed niet alleen maar zien als iets, waartegen we ons moeten verzetten, iets, wat ons ten onrechte wordt aangedaan – dan kunnen we juist uit dit lijden, uit het ongenoegen, dat we doormaken, voor onszelf een reeks draden spinnen, die aanslaan op alles, wat lijden heet in de wereld.

Een mens, die zelf honger geleden heeft, kan zo goed begrijpen, hoe een ander zich voelt, die niet te eten heeft. Maar wie alleen maar volle tafels heeft gekend, die kan niet ontwaken tot het bewustzijn van de honger van een ander. Zo ontgaat hem veel in de wereld. Daarom is ons lijden, het leed, dat we hebben doorgemaakt, voor ons een middel om de wereld te te grijpen.

En het begrijpen, van de wereld brengt met zich mee, dat we de essence van de dingen, de werkelijk voor de meesten verborgen kwaliteiten, aanvoelen en voor onszelf leren gebruiken. Zo worden we rijk door wat we lijden.

We hebben ook weten. Wanneer je de wetenschap dient om zichzelf, dus alleen maar om het weten steeds te vergroten, dan haalt het weinig uit, Maar wanneer je het weten beschouwt als een middel om en voor jezelf en voor anderen iets te doen, dan het je het weten gemaakt tot een contact met de wereld. We kunnen als voorbeeld nemen iemand, die in een laboratorium zoekt naar een middel – mijnentwege tegen een ziekte – of die misschien streeft naar een uitvinding, die het de huisvrouw gemakkelijker zal maken, dan wel materiaal onderzoekt, zodat het sterker zal zijn en duurzamer en er dus minder ongelukken zullen voorkomen.

Wanneer deze mens zich realiseert wat hij doet, dan begrijpt hij, dat elke handeling gelijktijdig het uitgrijpen is naar bepaalde problemen 3n zorgen, die over de hele wereld bestaan. Hij komt dus in een zeker opzicht nader tot de mensen. Naarmate zijn weten meer fasen omvat en hij dus op meer terrein steun en hulp aan de mensen kan geven, zal hij ook meer contact met de mensheid hebben: en is dit contact zichzelf wederom geestelijk en innerlijk verrijken.

Maar om al deze dingen samen te houden – want we kunnen nu wel een web van heel veel draden spinnen naar buiten toe – hebben we toch ook nog de verbindingslijnen nodig, die pas het eigenlijke web vormen. U weet wel, die snoertjes, die de spin zo zet van draad tot draad, ijverig steeds rondgaande, tot op de duur een reeks van mazen met een vaak wonderlijke regelmaat ontstaan is. Kijk, wij kunnen uit al ons weten, al ons lijden, al ons begrip, ja, zelfs uit al onze vreugden, nooit iets putten, wat werkelijk belangrijk is, wanneer we niet leren dit te verbinden met elkaar. Zo kan ons lijden bv. voor ons een begrip van het lijden der mensheid betekenen. Maar eerst wanneer we daadwerkelijk proberen om zo dit begrip door ons weten om te zetten in een handeling, die op haar beurt de mensheid helpt en in die hulp ons de wijsheid geeft, dan hebben we pas werkelijk wat gedaan.

De theorieën en de innerlijke begrippen en toestanden zijn mooi. Maar alleen wanneer we daadwerkelijk iets bereiken kunnen, iets presteren, kunnen beantwoorden we aan het werkelijke doel van het leven.

Want doordat wij met daden, met streven, met willen en geloven een band vormen, die ons hele leven samenvoegt tot één groot geheel, zijn wij in staat de dingen, die buiten ons huidig weten liggen, buiten onze huidige mogelijkheden, toch op te vangen en te leren kennen.

Want stel nu, dat u de mensheid wilt helpen. Dan hoeft u helemaal geen sensitief mens te zijn, u behoeft geen medium te zijn of helderziende met een andere wereld en sfeer, want daar wil men ook helpen. Zo brengt u niet alleen maar contacten op uw eigen bestaansvlak tot stand, maar verdiept u a.h.w. het leven door steeds meer krachten daarbij te betrekken.

Wanneer u intens probeert een mens te helpen dan krijgt u De eeuwigheid wordt wel eens voorgesteld als een bol. U weet wel, zo’n gezellige kaatsbal, die als een rijksappel in de hand van de Schepper rust. Maar ons leven, zoals wij het beleven, ís geen bol. Het is een uitermate punt dun schijfje van dat geheel, een enkel plat vlakje.

En we begrijpen niet, welke andere vlakken er in zouden kunnen bestaan. Het web, dat wij weven, is natuurlijk binnen dit vlak gelegen. Maar het brengt ons juist daardoor in contact met alle andere invloeden, die ons (eigen vlak doorkruisen. Zo komt de esotericus niet alleen maar tot een begrip van meer werelden, maar hij komt ook – en dat is veel belangrijker -tot een voorstelling van het leven zelve, van de wereld zelve. Kun je dat bereiken, ach, dan verandert alles zo. Ik zou u misschien een klein verhaal daarover mogen vertellen, voordat ik dan voor u  besluit.

Ergens, heel diep in de aarde, leefde vroeger een volk, geborgen in grote grotten. Deze mensen waren eens – in tijden, die zij zichzelf haast niet meer herinneren konden – gevlucht voor grote rampen aan de oppervlakte van de wereld. Ondertussen was de aarde tot rust gekomen, de zeeën hadden zich begrensd binnen de kusten, de planten groeiden, er leefden dieren, maar mensen waren er niet.

Toen was er één jongeman, die al die verhalen van de ouden over die wereld begon te beluisteren met een bijzondere interesse. Hij zei tegen zichzelf: “Dit kan niet zonder grond zijn. En alles wijst er op, dat buiten deze holen, waarin we wonen, ergens een wereld moet zijn.” En aangezien het begrip “boven” voorkwam zowel in zijn eigen wereld als in die verhalen, begon hij naar boven te streven.

Zijn vrienden hebben hem uitgelachen. Want hij begon met een trap te bouwen langs de wanden van de grot, zodat hij eindelijk daarboven kwam, waar het licht van de enkele lampen, die ze nog gebruikten, niet eens reikte. Toen – heel voorzichtig – begon hij een gang te bouwen. Eindelijk, eindelijk, toen kwam er een heel klein splinterig gaatje en daar viel een lichtbundel door.

De jongen was verblind. Hij kon niets meer zien. Het was hem een pijn op zijn ogen. Hij wist niet, wat hem overkwam. En toen? Toen kwam hem het weten te hulp. Hij zei tegen zichzelf: “Misschien is dat nu de zon.” Heel voorzichtig maakte hij dat gaatje groter….en nog groter.

Maar elke keer moest hij teruggaan tot de grotten, want lang kon hij dat licht niet verdragen. Maar er kwam een dag, dat hij het schemerige licht, dat er heerste, zo goed verdroeg, dat hij ten slotte zich los worstelde en boven stond op een wereld, die hem verbaasde door haar schoonheid.

Toen zei hij tot zichzelf: “Ik moet mijn volk naar deze blijde, vrolijke, lichte, rijke wereld brengen.” En hij begon met er een paar mee te sleuren. Ze werden verblind door het licht van de zon en konden niets zien. De stralen van de zon verzengden hun huid, die er niet tegen kon, totdat ze verbrand en ademloos neerlagen en bijna stierven. Toen begreep de jongeling, dat dat niet de juiste weg was. En daarom begon: hij een grote kelder uit te houwen waarin de duisternis iets minder was, maar dan ook maar “iets” minder. En nog een kelder, waarin het licht alweer wat normaler was. En hij bracht de mensen naar die eerste kelder en zei hun, dat zij daar moesten leven. En hij bracht hun vruchten van boven uit de wereld, als een bijzondere gave, zodat zij gaarne kwamen. En zo gewende hij hen eraan om trap na trap naar boven te stijgen, tot zij eindelijk het licht konden aanschouwen.

Toen de eersten dier holenmensen eindelijk de wereld jubelend betraden, was de jongeling oud en grijs geworden. En zelf had hij de vreugden van die wereld eigenlijk niet gekend, want hij was zo druk bezig geweest met zijn graven en met zijn verzamelen van voedsel. Maar in de vreugde van deze anderen en in het weten, dat hij hen bevrijd had, kon hij overgaan naar een andere wereld. En ziet, alle vreugde, die hij geschapen had, was de zijne. Want hij begreep de vreugde van al, wat uit duister tot licht komt, zowel in werelden als in sferen.

De weg van de esotericus is ongeveer dezelfde. Ook hij zoekt moeizaam zijn weg naar boven.

Soms tegen zo grote weerstanden en met zo grote moeilijkheden, dat men zich wel eens afvraagt, of hij nu eigenlijk niet een klein beetje “van Lotje getikt” is. Maar als hij volhoudt en toch verder zijn gang bouwt naar die andere, die lichte wereld, dan komt er een ogenblik, dat hij een straal licht ziet. En dan denkt hij, dat het de zon is.

Ook de esotericus moet wennen aan die innerlijke kracht, dat innerlijk licht, dat bewustzijn, dat hem eerst bijna verblindde. Maar is hij eenmaal in staat om de werkelijke wereld te betreden, dan kan wanneer hij werkt en zwoegt voor de anderen – hen verheffen tot zijn eigen peil van inzicht. En zal hij de vreugden daarvan misschien niet gekend hebben, zo zijn ze hem rijkelijk vergolden, wanneer hij door het vergaarde weten, het vergaarde inzicht en het vergaarde gevoelen, vrijelijk kan opgaan in grotere, hogere en lichtere werelden.

En dit, zou ik u dan als voorbeeld willen stellen. Eerst zelf bereiken en dan begrip tonen voor het onbegrip van anderen: zodat je hen langzaam kunt leiden tot een beter inzicht, kunt helpen aan een gelukkiger leven, kunt helpen op de duur aan de vrijheid, die je voor jezelf gewonnen hebt.

0-0-0-0-0-0

Meditatie

De leeuwerik.

De leeuwerik zingt en hij stijgt in de lucht, totdat hij uiteindelijk in maatloze vlucht één is geworden met ’t hemelse blauw. Een vogel, onaanzienlijk op aarde en grauw, werd één met de hemel. En keert hij terug, dan is ’t slechts om wederom opwaarts te gaan. Want de vlucht omhoog is de leeuwerik doel en wezen van ’t bestaan.

De leeuwerik zingt. Hij zingt, tot men ’t op aard’ niet meer kan horen en de laatste toon van ’t lied verschalt in zonnegloren of meevliedt met de loden nacht, wanneer de avond valt. Want wie stijgt en weet te kunnen stijgen, wie vliegen mag tot bij de zon, die zingt het lied van moeder aarde en van de Schepper, van ’t begin. Hij looft het Al van grote waarde en spreekt ervan met innige min. Want zingt de leeuwerik zijn lied, het is het lied van ’t eigen ervaren en de vreugde, die dat ervaren biedt.

Soms mag een mensenziel ook stijgen als de leeuwerik in de vrije lucht: ‘en neemt naar andere, vrijer hemel en lichter sferen dan haar vlucht. Een lied klinkt dan – doch zonder woorden – en spreekt het eigen leven uit. En roept het toe aan alle sferen: “Zie in mij zonneglans des Heren, ’t geluk, zo groot, zo wonderbaar.”

En als de leeuwerik moet vallen, zo keert de ziel tot ’t leven terug,- dat haar als doel nog werd gesteld. Ze ziet de dagen, die nog komen. Al zijn ze duizendmaal geteld, ze moet ze toch doorleven, mag ‘” nog niet slechts in de hoogte gaan en in andere sferen vredig dromen.

Maar wat deert dat? Het doel is om opwaarts te gaan. Dat is de zin en de vreugd van het leven. Laat ons daarom dankbaar ‘zijn, dat ons de middelen tot een vlucht in hoger sferen wordt gegeven.

Dat was dan een klein filosofietje rond het woord leeuwerik. En ik hoop, dat we daarmee dan ook tot uw tevredenheid deze bijeenkomst mogen besluiten. Een volgende maal zal ik graag van de gelegenheid gebruik maken om weer een eigen onderwerp met u te behandelen, maar voor vandaag was om verschillende redenen van de programmaleiding – zullen we maar zeggen – de indeling enigszins anders.

image_pdf