Een paar oude waarheden

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 3

15 januari 1956

Wij zullen dan trachten en deze keer ook weer een paar oude waarheden te beschouwen, die doel uitmaken van de mysteriën, behorende bij het christendom in de eerste tijd van zijn bestaan

Er zijn n.l. vele wegen om tot bewustwording te komen, ofschoon er in het christendom een weg wordt gegeven, die voor een ieder te volgen is. Er zijn daarvoor natuurlijk redenen. En het belangrijke punt hierin is wel de grondgedachte van het begrip naastenliefde.

Ik zal U zo dadelijk proberen een spreker door te geven via contacten, die U uiteen kan zetten, hoe deze dingen besproken zijn in de tijd, dat deze mysteriën nieuw waren. Sedertdien is er veel van verloren gegaan en U zult in de meeste boeken niets meer kunnen terugvinden. Hoogstens nog ergens in de Vatikaanbibliotheek, waar – naar ik meen – nog een van die werken zwaar achter slot en grendel bewaard wordt.

De grondgedachte van het christendom is uiteindelijk de gedachte van de eenheid van het ZIJN, van het AL. Wij kunnen dat elke keer weer zien wanneer Jezus de waarden uitspreekt tot zelfs in Zijn Bergrede, waar Hij bv. de eenvoudigen van geest zalig prijst en andere. Er is een evenwicht in het Al. Een evenwicht, dat onverstoorbaar altijd voortgaat. Dit evenwicht is een waarde, die wij allen kunnen bereiken. Wij kunnen allen komen tot dit ene punt, waarin ons volledig bewustzijn opgaat in het Goddelijke en daardoor het volledige Rijk ofwel de Schepping Gods ook volledig kent.

Gij zult begrijpen, mijne vrienden, dat Jezus Zijn uitdrukking van deze waarheid juist in Zijn openbare toespraken heeft moeten aanpassen aan de mentaliteit van de mensen die rond Hem waren. In gesprekken met Zijn leerlingen is Hij echter veel verder gegaan. Hij zegde juist hen de kern, terwijl Hij de massa slechts de richting heeft gegeven.

Zijn leerlingen zelf hebben Hem niet altijd begrepen, getuige een korte weergave, – ongeveer juist vertaald, in ieder geval, in betekenis juist vertaald – van een gesprek tussen Petrus en Jezus. Bij dit gesprek waren verder aanwezig de tweede Simon en Andreas.

“Gij zegt, dat alle dingen één zijn. Maar, Rabboni, ik ben toch mijzelf.” Uit die vraag, door Petrus gesteld, klinkt overigens de opvatting van heel de wereld.

Het antwoord, dat Jezus geeft, is opvallend in zijn duidelijkheid, maar ook even opvallend is het commentaar, daarop geeft, als bewijs van het menselijke onvermogen om deze dingen te begrijpen.

“Gij zegt: Ik ben mijzelf, Petrus. Maar ik zeg U: Gij zij zelve, want slechts door de Vader zijt gij, het is de Vader in U, Die leeft en spreekt en werkt. En dat wat gij zijt, is slechts een droom. Een droom, die gij droomt, zonder de waarheid van Uw wezen te begrijpen”.

“Maar Heer, zo de Vader in mij leeft, wat zoek ik dan? En waarom moet ik dan Uw wegen gaan en Uw voetspoor volgen?”

“Omdat dit de wil des Vaders is. Het is de wil ieder tot Hem komt, bewust en uit vrije wil. Het is Zijn wil het alle delen van het ZIJN, Hem erkennende en lovende, één zullen worden met Zijn wezen, zoals zij waren in de beginne.”

Maar Heer, hoe kan ik één zijn met God en mijzelf zijn?”

“Dit is het wonder van de Vader, Die Zich openbaart op vele wijzen; maar één is in Zichzelf, ondeelbaar en oneindig.”

Ik zal niet verdergaan met die weergave. Uiteindelijk loopt het gesprek in een uitleg van Jezus, waardoor Hij probeert Petrus te doen zien, wat de werkelijkheid is. Maar Petrus blijft op zijn standpunt staan. Hij zegt; “Ik leef toch? Het is toch mijn streven en mijn denken?” En Jezus antwoordt steeds; ” Wat je denkt te zijn is een waan, is een droom. Je bent deel van God, maar je realiseert het je alleen niet. En daarom beleef je de dingen niet, zoals ze in God bestaan, maar verwrongen door je eigen kleine denken. En juist daarom moet je begrijpen een te zijn met heel de wereld, want anders ga je ten gronde. Je kunt niet alleen staan”.

In dit korte gesprek zit eigenlijk de grondtoon van het gehele christendom verweven. Wij hebben allen onze persoonlijke eigenschappen, omdat wij de volmaaktheid niet gerealiseerd hebben, die God in ons heeft gelegd. Maar bereiken wij deze volmaaktheid, dan zijn we één met Hem, ondeelbaar en onscheidbaar. Dan is er niet meer te zeggen: “Dit ben ik en dat wereld”. Want al die dingen zijn één.

Dit werd gezegd tegen de leerling Johannes, die – wat begrip betreft – schijnbaar heel wat beter was dan de doorsnee leerling. Want zijn antwoorden getuigen in ieder geval van een buitengewoon helder inzicht in hetgeen Jezus bedoelt. Vandaar dat hetgeen ik U zal weergeven  iets cryptischer, iets korter is, maar ik zal trachten, dat door een uitleg goed te maken.

“Gij, mijn broeder, zoekt de waarheid, En gij zegt tot mij “Meester”. Maar ben ik Uw meester, zo de waarheid in U leeft? Ziet, Uw ziel en de mijne drinken aan dezelfde bron, wij laven ons met hetzelfde leven, zo zijn wij één, onverbrekelijk verbonden.”

Het antwoord is kort en duidelijk; “Ja, een ben ik met U, Heer, doch Gij zijt mijn weg omdat ik door U de eenheid, heb gevonden. Ik kan niet zeggen: “gelijk ben ik met mijn meester”. Ik kan wel zeggen: “één ben ik met Hem”.

Jezus wijst er op, dat Johannes in zijn begrip van Jezus, werken en waarde gelijk is aan Hem. Dat zij één, omdat zij beide de Goddelijke waarden als realiteit aanvaarden. Cijfert daarbij weg dat Hij deze gedachte vanuit de hemelen op aarde komt uitdragen. Vanuit de de hoogste sferen. Maar Johannes kent dat onderscheid. Hij zegt:”Ja, ik ben het met U eens, wij zijn één, is er geen grens tussen ons. “Maar” voegt hij toe “het is door U dat ik die eenheid heb bereikt. Eerst door U heb ik leren drinken aan de Bron der Goddelijke kracht. En daarom zijt Gij mijn Meester, al zijn wij één; en het is Uw wil, die mij stuurt en niet ons beider wil, die ons beide geleidt, tot wij opgaan in het Goddelijke.” Daar komt het eigenlijk op neer.

Ik wil nog een kort derde fragment weergeven en dan zal ik het woord overlaten aan onze gastspreker van deze bijeenkomst. Dit gesprek is veel jonger dan de voorgaande en wordt gesproken ongeveer 20 jaar na Jezus dood. Het is een uitleg van Johannes aan Barnabas, die eigenlijk niet apostel was, maar leerling is geweest, eerst van Petrus later van Johannes. Deze is in het christendom niet zo bekend, maar hij was zeker een van degenen, die de ware christelijke Geest kon dragen.

“Meester Johannes, waarom zijn de christenen zo weinig in staat om Jezus te volgen?”

“Mijn kind, wie kan Jezus volgen? Wij kunnen niet Zijn schreden gaan, zolang wij mens zijn. Slechts wanneer wij één zijn met Hem, dan voert Hij ons verder”.

“Hoe kan ik dan die eenheid bereiken?”

“Eenheid met Jezus, mijn zoon, kunt gij vinden, wanneer gij Jezus maakt tot de drijfveer van Uw leven. Wanneer ge alle menselijk gezag, alle menselijk opzicht afzweert. Zo gij leraart, leraar in nederigheid, Zo gij geneest, genees niet in eigen naam of naam des Vaders slechts, maar genees uit de Levende Kracht, wetend dat gij niets zijt en de Kracht alles is. Want slechts de mens, die zichzelf verliest, kan de weg gaan, die Jezus gaat. Omdat Hij zichzelf verloren had in de Kracht van de Vader.”

Daar heeft U dan – nog eens menselijk omvat – het hele probleem. Het is mogelijk alle dingen te doen. Het is mogelijk alles te zijn en toch Jezus te volgen, wanneer je maar niet probeert om tevens jezelf te uiten. Anders kun je die weg van Jezus niet gaan. Je moet Zijn voetspoor volgen in de zin, dat je jezelf volledig prijs geeft aan het Goddelijke en elke handeling, elke daad en beleving van jezelf tot uiting maakt van de goddelijke Kracht op aarde, zonder daaraan voor jezelf enig gezag of enig voorrecht te ontlenen.

Dat dit mysterie is uitgeleefd door velen in het christendom, is niet te ontkennen. Dat anderen die weg ook hebben gevonden buiten het christendom, staat evenzeer voor ons allen vast. Hoe echter in het christendom dit soms beleefd wordt, kan ik U niet laten horen door een van degenen, die werkelijk bereikt hebben. Zij, die bereikt hebben, zijn niet meer persoonlijkheden, die leraren en kunnen terugkeren zij het via vele tussenschakels tot deze wereld. Zo is degene, die tot U gaat spreken, iemand, die niet geheel bereikt heeft, maar toch de bereiking reeds zeer benaderd heeft. Ik zal trachten om de verbinding zo sterk mogelijk te maken. Zou zij verbroken moeten worden, dan zal ik daarna nog commentaar geven. Anders zullen we daarmede het eerste gedeelte besluiten. Ik geef het woord dan over aan de spreker, die dit voor U behandelt.

o-o-o-o-o

Pax tibi.

Het geheim van Jezus leer is gelegen in de eenheid, die wij kennen met alle dingen. Er is geen grens tussen ons en al wat rond ons bestaat en leeft, dan door ons eigen denken. Er is geen strijd dan de strijd met het duister, waar wij het duister uit onszelf moeten verwerpen, voor wij het Licht zonder enige beperking kunnen aanvaarden.

Het Licht is de Kracht van de Vader, van de God, Die ons allen heeft geschapen. Waar Hij in ons aanwezig is en in al het Zijnde, moeten wij door ons leven, streven en werken, (zowel metterdaad als in de gedachten) trachten deze eenheid uit te drukken en voor ons eigen wezen tot een werkelijkheid te maken. Hierover wordt geleerd:

“Zo gij Uzelf vergeet, vindt gij de waarheid omtrent Uzelf in de Kracht, die handelt door U. Indien gij Uzelf en de wereld verloochent, verloochent gij Uzelf en de God, Die U geschapen heeft. Gij moet altijd het leven erkennen en alle waarden in dat leven. Erkennende echter moet gij beseffen, dat gij geen recht hebt boven het andere.

De bloem, die bloeit op het veld, heeft recht en leven gelijk; persoonlijkheid en kracht gelijk gij. Het dier is Uw gelijke, het is uit God geschapen. Wanneer gij de mens als meer en hoger wilt zien dan de schepping, zo faalt gij in Uw bewustzijn omtrent het Goddelijke.

De waarden, die de mensen kennen, zijn slechts waarden, die de mensen hebben opgesteld, De Vader heeft geen waarden en geen onderscheid van waarden gesteld, Hij heeft slechts geschapen en Zijn Leven gegoten in vele vormen, het leven ín deze vormen erkennen, betekent jezelf zien als klein en nietig temidden van de grootheid der schepping. Echter God erkennen in de wereld wil zeggen; in staat zijn te putten uit heel de wereld en Zijn Kracht in U te gevoelen. Zijn Kracht in U te weten, wil zeggen, dat gij meester zijt over alle waarden, die mensen en dieren door hun eigen denken hebben geschapen.”

Dit meesterschap nu verplicht U tot het dienen van het geschapene. Want zo gij niet dient in en uit deze Kracht, gaat gij verloren in de tegenstelling, die gij schept tussen U en Degene, Die U geschapen heeft. Zoals eens de Meester leerde: “Zij, die tot de Vader gaan in hun eigen gewaad en in hun trots, worden uitgeworpen in het duister. Want hier is het de Kracht van de Vader, die het bewustzijn van de onvolmaakte overtreft en hem verblindt, zodat hij niet meer leeft en niet meer aanschouwt. Degene echter, die de waarden, die de Vader heeft, aanvaardt uit al het leven en dit geeft, zonder voor zichzelf te vragen, zonder te begeren en zonder rechten te vorderen, deze uit de Kracht des Vaders en is een met de Vader en voedt zich met een Kracht, die het voedsel is van heel de schepping in het Huis van de Schepper.

Naastenliefde is het erkennen der gelijkheid. Niets is meer, maar niets is ook minderwaardig dan gij. Indien gij in naastenliefde dient, zijt gij niet meer dan degene, die gij dient. Gij zijt slechts meer Uzelve. Uzelve te zijn binnen de schepping, is het Koninkrijk Gods vinden. Onszelven zijn binnen de schepping betekent; God aanvaarden en ervaren, zoals dit in den beginne word weggelegd en zoals het bevestigd wordt in de oude geschriften. Opdat wij wandelen met God in eenheid, gebonden in Zijn leven, gebonden in het Oneindige, dat de volmaaktheid in zich bevat.”

Hier wordt helaas de verbinding verbroken. Een ogenblik.

Misschien heeft U reeds bemerkt aan de wijze, waarop moest worden overgenomen, dat de verbinding, door ons bereikt, niet ideaal was. Wij konden daar de persoonlijkheid niet tot uitdrukking brengen. Ik wil echter trachten kort aan te vullen, waar wij het gehele gedachtebeeld reeds ontvangen hadden en alleen de verbinding met U, zoals deze spreker zelve dit wenste, dus onvoltooid blijft.

De waarheid in al het Levende komt hierop neer: Wanneer wij de Levenskracht zelve erkennen en alles dienstig maken daaraan, dan vinden wij een zodanige eenheid met het bestaan, dat het Koninkrijk Gods in ons is gerealiseerd. Het Koninkrijk Gods gaat verder dan ras, dan stands verder dan een bepaalde wereld of ster. Het is de eenheid van al het zijnde zonder enige grens.

Dit is voor U in woorden moeilijk uit te drukken. Ge moet echter beseffen, dat elke schrede, die gij doet naar deze eenheid, voor Uzelf betekent: een vergroting van Uw krachten, een vergroting van de innerlijke vrede. Maar gelijktijdig een verlies van de rechten, die gij persoonlijk hebt, of meent te hebben op dit ogenblik, t.o.v. Uw wereld en omgeving.

Gij hebt geen recht meer op wraak en geen recht meer om verwijten te maken. Gij hebt geen recht meer om iets te doen behalve om te accepteren. Het enige recht, dat gij dus hebt is om te leven, waar alle andere rechten in “Het Koninkrijk Gods” (zoals dat wordt uitgedrukt) behoren aan God. En in het aanvaarden van Zijn waarderingen vinden wij dan Zijn wezen, zelfs in hetgeen ons onvolmaakt leek, terug.

Het kwade is God, vanuit Gods standpunt. Het kwade is demonisch vanuit ons standpunt. We overwinnen het kwaad, door God te aanvaarden in alles, wat ons tegemoet treedt. En wij vinden in het kwaad het goede, wanneer wij onszelf onthouden van hetgeen wij als kwaad zien, maar het van anderen kunnen aanvaarden en zien als deel van de Goddelijke waarden.

Dit laatste is voor de mens en ook voor de geest zeer moeilijk en naar ik meen niet zo een, twee, drie te volvoeren. Dat is echter mijn eigen mening, waar de spreker in kwestie er de nadruk op had willen leggen, dat al deze dingen binnen een derde van een mensenleven zelfs te bereiken zijn. Ik voor mij meen – wil hij deze stelling duidelijk maken – dat hier zeker nog enige betogen aan moeten worden toegevoegd. Ik zal trachten te bewerkstelligen, dat deze spreker een van de volgende malen niet zijn betoog afmaakt (zoals dat nu alleen bedoeld was), maar U tracht duidelijk te maken, hoe ge in korte tijd dit kunt bereiken. Ik kan er bij zeggen, dat ik deze methode – zoals kort in een gedachteflits opgevangen – moeilijk genoeg en niet gemakkelijk aanvaardbaar vind.

Ik hoop dat U de onderbreking van deze rede dus wilt accepteren. Zij is buiten onze schuld tot stand gekomen. En ik ben zo vrij geweest om als bemiddelaar dit onmiddellijk uit te drukken i.p.v. eerst weer de eerste spreker aan het woord te laten, zodat we nu, naar ik meen, vrijelijk het medium vrij kunnen geven.

Ik dank U voor Uw aandacht.

o-o-o-o-o

Wij zullen dan gaan besluiten met Het Schone Woord.

ZELFKENNIS

Ik zoek mijzelf te kennen. Wat is de waarheid van mijn zijn? Ligt er in mijn streven, leven, wel een richting, vaste lijn? Zijn de dingen in het leven, die ik zo belangrijk noem, zijn de dingen, die ‘k in mijzelf als zo goed en geest’lijk roem, wel een werkelijkheid? Ik weet het niet.

Ik zoek naar ‘t kennen van het zelve en ‘t betekent strijd, omdat ik niet meer kan gewennen aan eigen onbelangrijkheid, vind een wereld vol van dromen, van beelden, edel, zonder tal. Maar … weet ik ook, hoe ‘t werkelijk wezen zonder die dromen zijn eens zal? Ik ken het niet.

Wanneer ik begin om mijn eigen wezen te ontdoen van alle schone waan, en ik heb er de moed om voor mijzelf eens een keer ongemaskerd te staan, wat blijft mij dan van al mijn denken, van al mijn dromen, al mijn waan? Wat blijft er dan aan grootse waarden van mijn in droom, zo rijk bestaan? ‘t Is haast niets.

Ik voel mij rechtvaardig, ik voel gerechtigd om te leiden een ander tot doel. Maar ben ik eerlijk, vermom ik niet hetzelve? Dan zie ik, dat eigen waardigheidsgevoel mij leidt, en anders niet.

Ik voel, dat ik recht heeft op dingen in ‘t leven. Ik geef toch zoveel en ik doe toch zoveel. Ik heb toch aan al het eerlijke streven van geest en van stof voortdurend mijn deel? Maar ga ik het zonder masker bekijken en het met het werkelijke zijn vergelijken, wat blijft dan van mijn hele bestaan dan wat onbelangrijk streven en heel veel eigenwaan? En anders niets.

Maar heb ik mijzelf ontdaan van de dromen en ken ik mijzelf als een realiteit, dan kan ik plots’ling zo makk’lijk ontkomen aan wat eens betekende de levensstrijd, zo zwaar en moeilijk te dragen. Dan ben ik plots’ling ook weer rijk en hoef het leven niet te vragen: “Geef en geef”.

Want wat er streeft, dat ben ik niet. Ik ben een kracht, uit God geboren, gedragen door Zijn adem, heel ‘t Leven door. Hij is het, Die mij bekent ‘t Leven, mij baant in ‘s levens strijd een spoor, dat ik moet gaan.

Hij is het, Die geen rechten mij doet geven – want dat doet slechts alleen de waan – maar geeft een doel om naar te streven, bewustzijn, om mee voort te gaan.

Hij is het, Schepper in mijn wezen, Die maakt gelijk mij met al, wat er bestaat.

Hij is het, Die nooit eenzaam mij doet blijven,

Hij is de Kracht, Die nooit mijn wezen en mijn zijn verlaat,

Hij is het, Die mij alles heeft gegeven.

Hij is het Die steeds naast mis staat.

Hij is mijn zijn, Hij IS mijn Leven.

Onbelangrijk zijn de woorden, gesproken door mij, of gehoord. Onbelangrijk zijn de daden evenzeer al als mijn woord. Onbelangrijk zijn de gaven, waarmee ik laaf de wereld naar ‘k meen. Onbelangrijk zijn de tranen, die ik om ’s levens wreedheid ween. Want het is waan.

Maar onder deze waan daar liggen ‘s levens gaven: bewustzijn, kracht en eeuwigheid. Vandaar, dat – ken ik eens mijzelf – ik al mijn zijn, mijn wezen wijd aan Hem, Die in mij leeft.

‘k Herken mijzelf als een “niet”, als déél van groter Kracht van God, Die alles aanzijn geeft.