Een paar punten van Jezus geheimleer

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 67

2 juni 1957

Een paar punten van Jezus geheimleer die wij een ogenblik gezamenlijk zullen trachten na te gaan en te overwegen. Deze staan in direct verband met Jezus opvatting van leven. En voordat ik uit de geheimleer verschillende punten naar voren breng, meen ik er goed aan te doen, zijn opvatting van leven weer te geven in eenvoudige woorden.

Een mens leeft. Hij kan zichzelf niet beschouwen als bestaande uit meer delen, elk onafhankelijk in bestaan, elk met hun eigen wezen. De mens of hij dit aanvaarden wil of niet is een eenheid. Hij kan niet geestelijk groeien zonder een lichamelijke bevestiging daarvan. Hij kan zeker ook niet lichamelijk tot goed of kwaad komen, zonder dat de geest daaraan haar medewerking verleent. De levenskracht zowel van geest als stof wordt onttrokken aan het Goddelijke, is dus deel van God. Jezus heeft dit vele malen op verschillende wijzen en met verschillende beelden naar voren gebracht. En dit is de achtergrond, waartegen wij zijn regelen moeten zien omtrent – ik zou haast zeggen – het volmaakte bestaan.

“Wie leeft, begrijpe goed, dat leven alle zijn omvat. Wie een verschil maakt tussen zich en ander leven, is daarmede reeds verwijderd van de Vader en het Koninkrijk Gods. Slechts zij, die de absolute eenheid zonder grenzen met alle leven en alle bewustzijn aanvaarden, kunnen werkelijk nader treden tot de Vader, Zijn krachten kennen en geheel volgens Zijn wil volledig bewust werken.

Het leven der aarde is een kort en beperkt leven. Doch dit leven der aarde is de uitdrukking van al hetgeen in ons leeft, de uitdrukking van al hetgeen wij kunnen bereiken. Hieruit volgt onmiddellijk, dat het leven op aarde het belangrijkste is, dat wij kunnen vinden, zolang wij op aarde bestaan. Geen afwijken hiervan, geen zich overgeven aan het geestelijke is mogelijk.”

Jezus heeft zelve verschillende malen gehandeld – schijnbaar – in strijd hiermede. Maar ik zou hier willen opmerken: dat zijn eenzaamheid en zijn zoeken naar eenzaamheid voortkwam uit lichamelijke vermoeidheid en niet alleen uit geestelijke vermoeidheid; dat de verzoekingen, die hij in de woestijn moest ondergaan gedurende zijn veertigdaagse vasten, zeker niet alleen geestelijke bekoringen waren, maar dat deze een beroep waren op zuiver stoffelijke eigenschappen en kwaliteiten, gepaard gaande met zuiver stoffelijke beelden.

Wij mogen niet zeggen: “Mijn geest zal dit doen en stoffelijk kan ik dan wel dat doen.” Op het ogenblik dat wij dit doen, splitsen wij onszelf in verschillende waarden; maar in feite is dan al hetgeen wij niet daadwerkelijk beleven waan. Het is geen werkelijkheid. Hieromtrent heeft Jezus ons geleerd: “De werkelijkheid nu is geboren uit de Vader. Doch de waan is de kracht des duisters; en deze gaat rond, waart te allen tijde in en buiten de mens en tracht hem te trekken in een chaos, die waan en begoocheling is.” De geest en de stof als eenheid, daaruit vloeit dan voort:

Indien gij iets schenkt aan één mens, zo schenkt gij aan alle mensen; en in alle mensen aan God. Indien gij neemt van één mens, zo ontneemt gij alle mensen ook Uzelf en Uw God, voor zover dit mogelijk is. Indien gij één mens troost, zo troost gij alle mensen en uit daarin Uw God. Indien gij Uw troost weigert, zo beneemt gij Uzelf bewustzijn en schept ge voor Uzelf de droefenis, die in de waan geborgen ligt. Wie een zieke geneest, geneest zichzelf; maar wie een wonde toebrengt, wondt zichzelf. Wie een bloem ziet en haar vertreedt, vertreedt zichzelf; doch wie haar eert en haar schoonheid bewondert, hij leert iets kennen omtrent de werkelijkheid van zijn eigen bestaan.

Er bestaat een hele reeks van deze gezegden, maar de door mij geciteerde maken het beeld duidelijk. Geen verschil. Alles is één. En nu trekt Jezus bovendien daaruit de volgende conclusie: “Zo bestaat er voor de mens geen zonde dan de zonde, die hij begaat tegen zichzelf.”

Dat is voor een mens misschien moeilijk te aanvaarden en toch is het waar; tenminste, indien wij rekening houden met het voorgaande. Wij kunnen niet zondigen door iets, dat wij anderen aandoen. Wij kunnen slechts zondigen door datgene, wat wij onszelf aandoen. En waar wij alles, wat wij aan de buitenwereld schenken, in onszelf ondergaan, vloeit hieruit voort, dat elke handeling, die volgens ons beste bewustzijn als “goed” werd volbracht, automatisch een bevestiging is van onszelf; en dus ook van de wereld, ongeacht de schijnbare gevolgen daarvan. Is daarentegen een handeling volgens de wereld goed, maar wordt ze in onszelf als kwaad ervaren, dan zullen wij door deze handeling te stellen, onszelf ontkennen. Daarmede benamen wij niet slechts onszelf licht en bewustzijn maar ook de wereld.

Oprechtheid is noodzakelijk, wil men binnen het bestel van Jezus leer komen tot een werkelijk licht en een werkelijke bewustwording. Hij drukt dit ondermeer als volgt uit en wel speciaal tegen de kleine groep der leerlingen, die eenmaal zeven waren, maar later tot drie werden teruggebracht. Hierin zegde hij n.l.: “Op het ogenblik dat ik genees in de naam des Vaders, genees ik mijzelf. Want door te geven, wat in mij is, wéét ik, wat in mij is. Zo zal ik tot U zeggen: Ga uit en genees in mijn naam en de naam des Vaders. Maar deze namen zeggen U niets. Want indien gij geneest, zo zijt gij zelve, die geneest en zelve, die genezen wordt. De Vader is in U te allen tijde en deel van Uw wezen. En ik, door de Vader erkend en aangenomen, waar ik de Vader erkende en aannam, ik ben deel van de Vader en deel van U. Er bestaat tussen ons geen grens.

Weet, dat alle krachten één zijn. Zo indien gij Uzelf beheerst, beheerst ge de wereld. Maar er is één kracht, die U beheerst. Dat is de kracht des levens. Want alle dingen zijn U gegeven, behalve dit ene: te leven uit Uzelf. Het is de kracht des Vaders, die Uw leven is. Indien Hij deze kracht neemt, zo zult gij niet volbrengen, zult gij niet heersen, zult gij niet bevelen. Doch indien Hij met U is, is er geen grens gesteld aan Uw vermogen en kunnen, zolang gij meester zijt van Uzelf.

Dat is een betrekkelijk moeilijke opdracht, die daar wordt gegeven. “Wees meester van jezelf.” Dat wil zeggen, dat je niets doet zonder overleg. Dat je jezelf beheerst, omdat heel je wezen het bevestigen moet, eer een daad gesteld kan worden. Dat wil zeggen, dat je je wezen beheerst, opdat je wereldbeeld zuiver en volledig wordt uitgebeeld, zowel in je stoffelijk bestaan als in je gedachten en je geestelijk leven,

Het is moeilijk dit te bereiken en ook Jezus kreeg dit van zijn leerlingen te horen. In de grotere groep, de groep van veertig, zegde hij daarom dit: “Wie zegt: Ik zal mijzelf meester zijn, is geneigd te zeggen: ‘Zo ben ik meester van het Al. Ook deze ontkent zijn eenheid met het Al en zal daardoor zichzelf te gronde richten. Doch wie zegt: Zozeer beheers ik mijzelf, dat ik bewust dien al wat leeft, die dient zichzelf. En in deze beheersing en deze dienst vindt hij de bereiking der eeuwigheid.”

Jezus heeft eens gezegd: “Aanziet de leliën des velds,” aanhalende de oude wijsheid van Salomo. “Zij spinnen noch zij weven. En toch zijn zij gekleed in een heerlijkheid groter dan die van Salomo in al zijn pracht.” Deze vrije weergave van Jezus gezegde bergt een groot gedeelte van zijn leer in zich. Je kunt een vergelijking maken tussen een vorst en een plant. Een zucht wind is even belangrijk als een mensenziel. De mens kan dit niet aanvaarden, omdat hij zichzelf ziet als gescheiden van alle dingen. Daarom zou ik hier graag in deze geheimleer enkele commentaren voegen van Timotheus. Hij merkt op:

“Wat is het leven des mensen meer dan een zucht winds, die de vlakte der zee een ogenblik doet beroeren? Wat is de kracht des mensen meer dan een werveling, die wat stof opgooit om ineen te zijgen, zonder dat men weet vanwaar zij kwam? Wij nu echter weten, waar onze oorsprong ligt: In de Kracht, Die het Al geschapen heeft. Zolang wij ons bezighouden met de uiterlijkheid, met de zee, die wij beroeren of het stof, dat wij opwerpen, kennen wij niet de werkelijkheid. Doch indien wij één zijn met de Kracht, Die ons heeft voortgebracht, weten wij: Wat gebeurt op de wereld is de wil des Vaders. En wij strevend volgens ons beste weten, vervullend Zijn wil ondanks onszelf soms wij zijn slechts de uiting van Zijn kracht en één met Hem; en zo waar en geborgen, eeuwig voor alle tijden, ongeacht de tijdelijkheid van onze verschijning.”

Ik breng juist dit commentaar naar voren, omdat het een aanvulling is op hetgeen Jezus zelf heeft geleerd. Het is een verduidelijking. Wat wij ook zijn, waar wij ook zijn, hoe wij ook handelen, altijd weer zijn wij deel van de Vader. Wij zijn aan onszelf verplicht te handelen volgens het goede; dus niet te zondigen tegen onszelf. Maar dat neemt niet weg, dat Gods kracht ons te allen tijde beweegt; zodat erkennen van dit werk, Gods schepping ook in ons, Gods wil ook in ons, het voor ons mogelijk maakt Jezus werkelijke leer volledig te aanvaarden.

Sprekend over zichzelf merkte hij eens op: “Want ik zeg U, men zal de Zoon des Mensen verheffen in roem; en men zal hem verheffen in schande. Doch hij zal zijn niet meer dan gij, niet minder.” Jezus doelde daarmee op het volgende: Wat er ook gebeurt, of men mij Verlosser en Messias noemt of misdadiger, ik zal steeds mijzelf zijn. En mijzelf zijnde ben ik de uitdrukking van Gods wil.”

Hij breidde dit later uit door te zeggen: “Wanneer de omstandigheden dwingen tot handelen, wanneer de krachten buiten ons, ons brengen in een toestand, die voor ons slechts één oplossing aanvaardbaar en mogelijk maakt, zo is het niet óns handelen, óns denken, maar het is de wil des Vaders, die zich door ons uitwerkt. Daarom zeg ik U: ‘Rouwt niet over Uw verliezen en verheugt U niet over Uw gewin, als het niet geboren werd uit Uw eigen keuze, uit Uw eigen werk.’ Ik zeg U: ‘Indien U rijkdom wordt gegeven, bedenk, dat Uw eigen streven dit niet tot stand zou brengen. En indien U alles wordt genomen, bedenk, dat niet gij dit prijsgeeft, doch dat het U genomen wordt door de wil des Vaders. Zo begeer niet wat gij gewint zonder verdienste; en klaag niet over wat gij verliest zonder eigen schuld. Aanvaard het leven als deel des Vaders. Zo slechts kunt gij leven in bewustzijn. Zo slechts zult gij weten, wat de weg is. De weg, die voert tot de Vader en deel is van de Vader. Eén zijn en bewust zijn, waarin alle daad, elke ademtocht zelfs, handeling Gods en wil Gods is. Waarin elke verantwoording slechts genomen wordt, wanneer het ik beslist. Doch indien dit niet beslist, zo aanvaardt men de wil des Vaders en draagt ze zonder rouw, zonder vreugde.”

U moet goed begrijpen, wat de inhoud hiervan is. Er gebeurt veel in Uw leven, waar U niets aan kunt doen. U zult soms rijkdommen kunnen gewinnen door een toeval. U zult wat U dierbaar is verliezen door een toeval of door een wet, die gij niet kunt beheersen. Indien gij U nu daarover beklaagt, stelt ge U buiten de Vader en tegenover de Vader. Indien ge U daarover verheugt, zult ge U evenzeer buiten de Vader stellen. Slechts indien ge leert al hetgeen U overkomt, al hetgeen met U gebeurt zonder Uw onmiddellijk eigen ingrijpen te zien als werking van God, zult ge leren het leven op de juiste wijze te dragen. Zeg niet “ik wil,” doch zeg “de Vader wil.” Zeg niet “ik lijd,” doch zeg “de wil des Vaders voltrekt zich aan mij.” Zeg niet “van mij is genomen”’ want ge hebt nooit iets bezeten. Zeg niet “mij is geschonken,” want gij bezit niet onbeperkt.

Jezus heeft dit uitgedrukt, zeggende: “Toen de Vader baarde hemel en aarde, toen Hij schiep de krachten des lichts en de verworpenen des duisters vluchtten voor Hem, toen was Hij in U en gij waart in Hem. En slechts indien gij Hem verwerpt, zult gij zijn buiten Hem. Doch Hij zal in Zijn liefde U steeds in Zich dragen.” Er is geen begin en er is geen einde aan het leven. Er is geen vreugde en er is geen smart, die werkelijk is. Het enige, dat bestaat is God, de Vader. De Vader, in Wie wij leven. De Vader, Die in alles met ons is. De Vader, die geen verschil maakt zoals wij tussen zonde en deugd. De Vader, Die ons het vermogen heeft onderscheiden, zelf te weten. Te weten omtrent het al of niet juiste van uit ons standpunt van onze handelingen en daden. Het al of niet aanvaardbare van uit óns standpunt van hetgeen ons overkomt.

Indien wij nu weten, dat de Vader boven ons is als DE BEWUSTE KRACHT, DE WERKELIJKHEID, wanneer wij verder weten, dat Zijn kracht in ons leven, ja, in ons wezen voortdurend kenbaar is, dan mogen wij niet verwerpen, dan mogen wij niet. aanvaarden. Dan moeten wij zeggen; “Gods wil is werkelijkheid.” En dan kunnen wij ons eigen beperkte oordeel soms moeizaam overwinnen. Vandaar dat wij meester van onszelf moeten zijn. Maar indien wij dit verwinnen, wordt de grote werkelijkheid van God ons geopenbaard. En in deze werkelijkheid vinden wij de bewustwording, waarheen Jezus alle mensen heeft trachten te voeren.

Het leven in kosmische zijn is vreugde noch smart. Het is een uitvoering van de volmaaktheid ook in ons wezen door de wil van de Schepper, Die ons binnen Zijn wezen gecreëerd heeft om Zichzelf te kennen door het beschouwen van hetgeen in Hem leeft. Dat is de feitelijke werkelijkheid, andere dingen bestaan er niet. Indien onze wereld anders is – zo leert Jezus ons – moeten wij trachten de wereld, die wij kennen, aan te passen aan de grote werkelijkheid, die in ons leeft, die wij aanvoelen maar soms niet durven aanvaarden. Uit deze aanvaarding wordt de volheid van ons leven geboren. Een volheid misschien met vreugden en lijden, beide even fel, even scherp voor ons kenbaar. Doch indien wij onszelf zover meester zijn, dat wij deze waarden weten te overwinnen door God te stellen boven al, wat in ons tijdelijk kan optreden, dan wordt de eeuwigheid ons deel. En dan kan niets van het tijdelijke ons beroeren, ons vernietigen of doen groeien. Want in God zijn wij de volmaaktheid.

o-o-o-o-o

Ja, daar heeft U het dan weer gehad. Hoge wijding en hogere waarheid dat geef ik onmiddellijk toe en dan krijgen we zo weer heerlijk de laag-bij-de-grondse platvoetpolitiek van mijn persoontje er achteraan. Dat is niet omdat we nu zo noodzakelijk eens eventjes weer uit de hoogte naar beneden toe moeten. Dat is alleen om te voorkomen, dat je jezelf zo opblaast met geestelijke wijsheid, dat je als een luchtballon blijft weg dobberen ins blaue Hinein en niet meer weet, waar je terecht komt.

Laten we het nu eens goed bekijken. We zitten hier zo bij elkaar. Is er nu een bij, die niet zijn eigen verdriet en zijn eigen zorgen heeft? Is er één bij, die niet zijn eigen vreugde of zijn eigen verwachting op vreugde heeft? Is er één bij, die niet een bepaald streven kent en die niet zoekt naar een bereiking en een vervulling? O, U hoeft het niet te zeggen, hoor. Ik weet het toch wel. Er is er niet een bij. Niet één, die dit niet heeft.

Nu ja, dan kunnen wij natuurlijk gaan praten over die grootse aanvaarding, maar per slot van rekening, maak ze nu eerst maar eens reëel. Maak het maar tot werkelijkheid. Kun je dat nog? Ik ben bang, dat je leven veel te arm wordt, als je dat doet. Je hebt zo het idee, dat je om God werkelijk te aanvaarden eigenlijk alle remmen overboord moet gooien behalve die van de stem in jezelf: God. God, Die je dwingt. En God, Die je net zo goed aan het kruis kan laten nagelen als je verheerlijken.

Nu is het zo: Die verheerlijking, daar hebben we allemaal wel zijn in. Maar wat wij aan God zouden willen vragen, dat is een hemelvaart zonder risico’s en zonder moeilijkheden. En ja, dat bestaat nu eenmaal niet. Per slot van rekening bestaat de hele wereld uit tegenstellingen. Om een voorbeeld te nemen: Als je kiespijn hebt, is dat erg ellendig. Maar hoe gelukkig ben je dan, als je het even kwijt bent. Om een ander voorbeeld te nemen: Je kunt soms zeggen: “Ja, nu heb ik toch eigenlijk in mijn leven wel iets; ja, niets bijzonders, maar het gaat wel.” Maar als je het kwijt bent, dan weet je pas wat je kwijt bent en dan verlang je het terug. En dan heb je het niet meer.

Uit dat soort dingen is je leven opgebouwd. Soms met grote verwachtingen, en grote teleurstellingen. En dan zou een mens zeggen: “Ja, laat me nu die verwachtingen alsjeblieft niet hebben en die teleurstellingen niet; maak het nu maar, zoals ik het wil hebben en neem me op in de hemel en stel me daar ergens op een troontje midden in het licht; en dan wat mij betreft kan dat leven verder wel voortsukkelen.” Dat kan niet..Je hebt nu eenmaal te maken met een gewone wereld, waarin je leeft en je bent een gewoon mens of een gewone geest.

De leer van Jezus? Dat is een doel, waarnaar je streeft; het is niet de werkelijkheid, waar je midden in staat. En juist omdat het de werkelijkheid niet is, moet U het mij niet kwalijk nemen, dat ik eventjes heel nuchter er achter het plechtanker probeer te zijn van al die geestelijke stijging, die U heeft ondergaan. Zodat ik U eventjes aan die aarde vastketen, waar U of U wilt of niet toch aan vastzit. Want nauwelijks is de geestelijke schoonheid voorbij, of de laatste mop brandt weer los, of het laatste twistpunt komt weer naar voren. Nauwelijks is de wijding van de zondagochtend uitgeklonken, of daar komt de koffie op tafel en dan gaan we eens gezellig babbelen. Dat is de werkelijkheid.

Nu is die werkelijkheid heus niet slecht. O, ik weet het natuurlijk wel, er zijn pessimisten genoeg; mensen die zeggen: “Ja, maar daar heb je niets aan. Hadden we het nu allemaal maar zo mooi en zo geestelijk hoog; dan zouden we gelukkig zijn.” En ik ben het wel met U eens, maar waar haal je het vandaan? Je moet het eerst hebben; En om dat te krijgen kost een hoop moeite. Daarom zeg ik maar van mijn kant uit: “Elke keer beginnen bij het begin.” En dan ga ik van mijn zuiver nuchter, zakelijk standpunt uit eens kijken: “Wat kunnen wij dan doen op de wereld?”

Natuurlijk, in de eerste plaats mogen we geen pessimisten zijn. Een pessimist is iemand, die als hij de eeuwige zaligheid krijgt aangeboden zegt: “Nu, dat is vast duivels, want ik heb het niet verdiend; dus kom ik wel in het diepst van de hel terecht.” Bij een optimist is het omgekeerd. Dat is iemand, die weet, dat hij in de modder ligt te rollen en dan zegt: “Nu ja, ik word dadelijk wel opgenomen en gereinigd in de hemel gezet.” Dat is ook niet waar. We mogen noch optimist noch pessimist zijn. Realist! De werkelijkheid.

En wat is onze werkelijkheid nu? Laten we eens eventjes de puntjes zo stuk voor stuk nagaan. We hebben teleurstelling gehad, we hebben verdriet gehad; we hebben pech gehad; we zijn religieus, politiek, economisch voortdurend op onze tenen getrapt. O, we hebben het zo ontzettend slecht gehad. Maar, als we het nu op het ogenblik eigenlijk bekijken, och, dan gaat het nog wel. Zeker, we hebben eens een teleurstelling gehad in de liefde, en we hebben eens een teleurstelling gehad in de loterij. Maar als je het nu zo bekijkt, gaat het nog best. We zijn er zo slecht niet aan toe.

Dan wat anders. O, we hebben zo’n mooie droom. We willen zo graag weer leven in een volheid van bestaan. Zoals bv. iemand van 60, die zich voelt als een mens, die in de wereld staat en die toch soms zegt: “Ja, als ik nu nog eens 20 zou zijn.” Dat helpt niks. Je bent, wie je bent. Zo sta je in de wereld. Al wat je aan slechtigheid, aan tegenslagen hebt gehad, telt niet meer, bestaat vandaag niet meer. Dat is verleden. Het heeft je gebracht tot dit punt. En dit punt is het, waar je mee te maken hebt. Laat die rest maar achterwege. Al die tegenslag, ja, dat is beroerd; al dat gemis, verschrikkelijk. Maar je zit er nu niet mee. Dit is het ogenblik waarop je leeft.

Nu kan je mij nog meer vertellen. En je kunt me vertellen, dat je het eigenlijk toch anders zou willen hebben; dat je nog dit en dat je nog dat…. Ik voor mij zeg: Hoe is de werkelijkheid op dit ogenblik? Waar sta ik? En waar staat U? Laten we het even vaststellen.

We zitten hier bij elkaar, U bent in de gelegenheid geweest, om geestelijke lessen aan te horen, die als U ze goed verwerkt zeker zullen bijdragen tot een harmonisch innerlijk leven en dus ook tot een harmonisch uiterlijk bestaan. Een groot winstpunt.

Buiten schijnt de zon. U kunt dadelijk heerlijk eventjes in de zon staan. U kunt even in de tuin gaan of U kunt langs het strand gaan lopen. Een winstpunt. Wat is er aangenamer dan dat?

Het is zondag. Het werk staat een ogenblik stil. Je hebt even tijd voor jezelf. Wat kan er beter zijn dan dat?

Die wereld is zo slecht niet op dit ogenblik. Ja, natuurlijk, je kunt hem slecht maken. Je kunt i.p.v. de vrije natuur in te gaan en te genieten van de zon, eenzaam in je kamer gaan zitten en zeggen; “Wat heb ik het slecht, wat heb ik het slecht, wat heb ik het slecht!” Maar daar kom je niet verder mee. Dat is onzin. Wat hebben we vandaag. Daar gaat het om. We hebben zonlicht. We hebben tijd. We hebben geestelijke wijsheid. We hebben een beetje licht in onszelf. We hebben kracht. We hebben leven. Wat willen we meer? Wat ons gegeven is, is voldoende. Het ogenblik van nu bloeit open. We gaan het ogenblik van nu intens beleven. We zeggen voor onszelf; “Wat biedt het heden ons aan schoonheid, wat biedt het ons aan vreugde, wat biedt het ons aan kracht?” En dan zien we, dat we een rijkdom hebben, die niet zo maar is te overzien.

U denkt misschien: “Nu ja, we zitten wel hier, maar zo rijk zijn we toch niet.” Haalt U eens diep adem, gewoon diep adem. Voel eens hoe de lucht door je longen perst, als je mens bent. Voel hoe je bloed mee gaat kloppen en mee gaat stromen. En zeg dan nog eens, dat je niets hebt. Sta zo dadelijk eens op en rek je ledematen eens uit. Zie eens hoeveel je nog kunt en zeg me dan eens, dat je niets hebt. Kijk naar de wereld; zie eens al die kleuren. Kijk rond je; bekijk al die mensengezichten. Zie eens hoeveel rijkdom daar van uit die buitenkant naar binnenkomt. En zeg dan nog eens, dat je niets hebt. Je hebt genoeg. Meer dan genoeg. Je hebt geen reden om te treuren.

Als je op het ogenblik niet tevreden bent met je leven, niet tevreden kunt zijn met je leven, weet je, wat je dan bent? Een klein kind, dat zeurt om meer. Een kind, dat zeurt om de dingen, die niet eens goed voor hem zijn en die het toch niet meer krijgt. Nu ja, als U zo kinderachtig wilt zijn, dan moet U dat weten. Maar dat is niet reëel. We hebben op het ogenblik een hoop krachtbronnen rond ons. We hebben op het ogenblik nog een hoop dingen in het leven, in het beleven; en ook een hoop mogelijkheden. Maar ga nu eens verder. Probeer nu eens even door te denken. Hebben we ideeën van onszelf? Neen, die ons gegeven, die hebben we gekregen.

Natuurlijk, er zijn mensen, die zeggen: “Ja, maar ik ben ook maar tegen wil het leven ingeschopt.” Nu ja, ik weet het niet, hoor, maar als ik dat soort mensen zie, ben ik altijd zo geneigd om te zeggen; “Goed, als ik mag, zal ik ze er wel even uitschoppen.” Maar dan roepen ze toch allemaal: “Neen.” Begrijpt U? Dat zijn die mensen, die eeuwig protesteren. Wat heb je eraan? Niks.

Je bent in het leven. Dat leven, is je gegeven. Een hoop gedachten, een hoop kracht van binnen, dat alles wordt je gegeven. Je hebt het zo maar. En wie geeft je dat? Wie is het, die de zon geeft en de regen? Wie is het, die in de wolken voor ons voorbij drijft? Wie is het, die opbloeit in de kleuren van de bloemen? Wie is het, die leeft in de steeds wisselende valling van het licht? Die het pannendak vandaag rood maakt en morgen bijna karmozijn? Wie is het, die fluistert in de bladeren? Wie is het, die klopt in je bloed? Wie is het, die met de lucht in je adem meegaat? Die langzaam maar zeker in je binnendringt, die tintelt in je? Wie anders dan God? Al die dingen, die je vandaag hebt, die rijkdommen, die je opsomt, dat zijn punten van God, waarvan je je nu reeds bewust bent.

Leegte? Dat is onbewust zijn. Nu ja, die is weggegaan en die is dood. Natuurlijk, leegte. Maar die leegte komt voort uit het feit, dat U nog niet begrijpt, hoe de werkelijke band is met de dingen. Leegte heb je alleen maar door een onvoldoend bewustzijn van de dingen. Maar daar staat tegenover, dat alles wat op het ogenblik in je leeft en wat je beleeft, al wat er leeft, wat er klopt in je lichaam, wat er aan gedachten opbloeit uit je geest, alles wat je hebt, alles wat je ziet, de hele wereld: dat is God. Niets anders. Dan heb je toch al een heel hoop rijkdom, een hele hoop geluk.

Nu ja, misschien begint het vervelend te worden, dat ik steeds weer op dezelfde manier probeer duidelijk te maken, dat het leven de moeite waard is. Maar ik ben altijd zo bang, dat als die geestelijke wijsheid is gebracht, de mens op een gegeven moment zegt: “Wat heb ik toch aan dit leven? Ik wil de grote geestelijke wijsheid.” En dat hij daarmee zichzelf en de hele wereld loopt te beduvelen. Dat is zelfbedrog.

De mensen, die zeggen, dat ze o zo graag geestelijk hoog willen staan, omdat dit leven maar bijzaak is, die zeggen in feite vaak: “Ik durf het leven niet meer aan en ik vlucht in de waan van de geestelijke wijsheid, die voor mij zonder het stoffelijk bestaan kan zijn op dit ogenblik.” Maar dat is niet mogelijk. Leef je in de stof, dan ben je stof. Dan moet je wijsheid in de stof zoeken, dan is het alles in de stof. Dan zit je hele geestelijk leven in de stof, zelfs wanneer je uitstijgt tot God. Dan komt dit uit de stof. Het staat er mee in verband; het is niet te scheiden. En wanneer de stof is weggevallen in de gewone vorm van de mens, dan krijg je de mogelijkheid om er eens even op uit te gaan op een vrijer, op een beter, op een zuiverder manier.

Zeker, ik zeg ook “beter, zuiverder,” maar dat is chauvinisme, Zoals iedereen in Holland zegt: “Er is maar één Holland” en dan op de zuiver chauvinistische manier van Holland dus naar het buitenland gaat, zo gaat het me ons ook. We zeggen: De sfeer van de geest, dat is “je van het!” Maar we komen ook op aarde om te leren en we gaan ook naar boven toe. En zo gaat het U ook. Laten we verstandig zijn en niet zo chauvinistisch, hé.

Laten wij nu eens de werkelijkheid aannemen. Wanneer je leeft in de stof, dan moet je van uit de stof alles doen. Dan is de vorm van je leven bepalend, Maar wanneer je begrijpt, welke kracht zelfs in dit leven zich uit….. Wat zeg ik “zelfs”? Het woord hoort er helemaal niet bij. Want in alle leven is het hetzelfde.

Wanneer ik zeg: Dit zijn de rijkdommen, die ik krijg en daarin is God, dan kan ik nooit meer zeggen, dat ik alleen ben. Je doet je ogen maar open en je kijkt en daar is God. Daar gaat God als een vlinder en daar zoemt Hij als een vlieg. Daar zit Hij in de vorm van een aantal mensen. Daar bloeit Hij als een bloem. Daar is Hij een boom, net mooi in het lichtgroene blad, dat het teken is van de lente. Daar staat Hij aan de hemel als de zon. Alles wat wij zien, wat wij weten, wat wij horen wij, die op aarde zijn alles wat in ons leeft en wat buiten ons bestaat, is God. Als we tekort komen, is het alleen maar een kwestie van God nog niet voldoende begrijpen, niet voldoende aanvaarden.

Ik geloof, als we op die manier leven, dat we minder pessimistisch worden. Dat we de lange-gezichten-politiek van een hele hoop vrome mensen kunnen afschaffen. Dat we kunnen zeggen: “Lach er eens over. Lach en wees vrolijk. Dans, want de Vader is met ons.” Jezus ging ook naar de bruiloft in Kana. Daar dronk hij ook z’n glaasje. Niet overmatig, neen. Maar ik ben ervan overtuigd, dat hij als een echte geschikte jongen ook een paar goede moppen heeft getapt. En toen de anderen in de puree zaten, toen heeft hij eens even een wonder gedaan, opdat er verder gefeest kon worden. Ik geloof, dat dat het zuiverste beeld is, wat je hebben kunt van het leven.

Zelfs Jezus, de grote Ingewijde, nam de vreugde van het leven steeds als de zijne. Als hij buiten langs de wegen liep, dan sprak hij over de schoonheid. En we horen nooit, dat hij werkelijk rouwmoedig was. Ja een enkele keer; als hij ziet, hoe de mensen in hun waan, hun begoocheling, hun hele wereld vernietigen. Over zichzelf klaagt hij niet. Alleen wanneer Jezus zichzelf moet overwinnen; maar dan kost het maar een kort ogenblik heel veel moeite. Dan zegt hij ook weer: “Heer, Uw wil geschiede.” En dan begint op dat ogenblik door alle lijden heen toch weer die vreugde, die levensaanvaarding.

Ik zeg maar zo, vrienden, we hebben geen recht om “Neen” tegen het leven te zeggen. Doodgewoon geen recht. We hebben geen recht de gaven, die God ons geeft, opzij te trappen. En wanneer wij ze aanvaarden, laten we het dan van ganser harte doen. En dan zullen we ongetwijfeld allemaal met elkaar zeggen:

“Ja, nu ik het zo zie, nu ik het zo aanvaard, nu ik het zo begrijp, nu is het leven toch mooi, nu is het toch wonderlijk.” En wanneer je dan doodgaat, dan zeg je: “Het is Gods wil,” en dan droom je niet van een hiernamaals vol van glorie. Maar terwijl je van deze wereld afscheid neemt, wordt het weer werkelijkheid voor je; en dan ga je zelfs ook datgene, wat de mensen zo vrezen in hun duisterste angst, de dood zelfs die ga je met vreugde tegemoet, omdat uit het verstervend schoon van de wereld, die je verlaat, alweer geboren wordt de schoonheid van de wereld, die je betreedt.

Levensaanvaarding, vrienden. Reëel, op het ogenblik van heden, nu. Niet wat morgen zal kunnen zijn. Niet wat gisteren is geweest. Nu, dit leven. God in ons en rond ons. Dat is onze kracht. Dat is onze vreugde. Dat is onze werkelijkheid. Dat is voor ons de weg, waarop wij schrede na schrede kunnen gaan, totdat we misschien eens en wie weet wanneer, misschien vlug, misschien pas aan het einde van alle tijden kunnen vervullen, wat Jezus heeft geleerd. Dat we de leerstellingen van de geheime leer dan kunnen vervullen in onszelf, tot ze waar zijn voor ons en de wereld. Dat ogenblik zal komen. En tot die tijd,., …..Laten we de weg gaan van het goddelijk Licht, van de goddelijke Kracht, van de stille vreugde in ons, die het leven steeds weer aanvaardbaar maakt, en die ons, uit wat de wereld misschien duisternis en ondergang noemt toch nog weer een lichte vreugde doet putten; een licht, dat ons verder brengt naar een volmaaktheid in een volgend leven.

Vrienden, dat is mijn bijdrage. Wanneer jullie het nu vervelend vinden, dat ik zo nu en dan een praatje kom maken, dan zeg je het maar rustig; dan geef ik het woord weer eens aan een ander over. Maar juist omdat het het einde van dit seizoen begint te worden, het einde van de bijeenkomsten van deze groep, waar ik zo echt in voel, dat ik mag zeggen, wat ik te zeggen heb, zander franje, daarom hoop ik toch de volgende keer als U geen protest heeft nog even terug te komen. Al is het alleen maar om U nog eens een keertje te zeggen (als het geen hatelijke uitdrukking was, zou ik het U met een gummi-hamer de koppen in willen slaan): LEVEN IS VREUGDE, OMDAT HET ZOVEEL GEEFT. Leven is het nu, omdat alleen het nu werkelijke betekenis heeft. En alle leven, alle nu: dat is God. En God is de volmaaktheid, die in ons zich meer zal uiten, naarmate wij meer Zijn wezen en Zijn werkelijkheid aanvaarden.