Een stabiliserende factor in tijden van onrust

25 november 1962

Wanneer u op het ogenblik uw omgeving, uw milieu en alles wat ermee samenhangt beziet, dan zult u ontdekken dat er allerhande storingen zijn. Het zijn niet altijd dingen, die u misschien direct aangaan, het hangt soms ten dele met uw eigen persoonlijkheid samen, soms staat u er zelfs helemaal buiten, maar overal zijn er mensen uit het lood geslagen. Hun normale wijze van leven en handelen is omgeslagen in een krampachtig zoeken naar het een of ander, een wanhopig trachten iets te herwinnen, enz. enz. Deze toestand is dus inderdaad onevenwichtig en wanneer je daar tussen staat, word je al heel snel en heel sterk beïnvloed door alles, wat zich rond je afspeelt.

Als nu de vraag wordt gesteld: Hoe kan ik een stabiliserende factor zijn, dan moeten we allereerst uitgaan van de gedachte, ikzelf kan hieraan geen reëel deel hebben. Iemand, die deel uitmaakt van een verwarring, kan nooit de verwarring overzien. Slechts degene, die er buiten staat,  heeft een zeker overzicht en kan vanuit zijn standpunt buiten het geheel leiding geven. Misschien mogen we het voorbeeld stellen van iemand, die als een verkeersagent in het moderne drukke verkeer probeert een plaats te krijgen boven het gemiddeld niveau van dat verkeer en dan in staat is uit de chaos orde te scheppen.

Orde is nl. de eerste behoefte in deze tijd. U zou waarschijnlijk denken, dat dat niet gemakkelijk is, want men gehoorzaamt u niet. Indien u dit zuiver materieel wilt doen, inderdaad. Want op het ogenblik, dat u op een zuiver stoffelijk vlak probeert te stabiliseren, zult u moeten deelnemen aan de verwarring; maar dan bent u uw overzicht kwijt en is uw handelen en uw stuwing niet gebaseerd op de feitelijke situatie van dit ogenblik maar op iets, dat u reeds in afzondering hebt gadegeslagen. Elke nieuwe ontwikkeling is voor u een even grote verwarring, een even grote ontsteltenis als voor ieder ander en u zult zelf omringd door mensen, die ik wil niet zeggen in paniek verkeren, maar die toch in ieder geval niet geheel redelijk zijn heel snel worden meegesleurd in elke onredelijke reactie. Wilt u dus een stabiliserende factor zijn, dan is punt: Ik moet proberen mij enigszins boven de dingen te stellen. Nu kun je je natuurlijk op verschillende manieren boven de dingen stellen. Je kunt zeggen: “Ik ben geestelijk zo groot of zo hoog, ik sta er boven.” Probeert u dat in ‘s hemelsnaam niet. Want als u denkt, dat u geestelijk groot bent, dan doet u denken aan het visioen, dat Daniël eens heeft uit gelegd; een gouden hoofd, zilveren schouders, een stukje brons en dan ten slotte de voeten van leem….. Je ligt zo ondersteboven.

Neen, aan een geestelijk te hoog staan heb je ook niets. Je moet je standpunt, je afstand bepalen door een zekere mate van onverschilligheid. Zolang in de materie voor het “ik” de mogelijkheid om te leven bestaat, kan er niets gebeuren. We weten voor onszelf zeker (althans zo dienen we te denken), dat de kracht, die in ons werkzaam is: wat rond ons bestaat, onze eigen capaciteiten, onze mogelijkheden in het leven, hoe jong of hoe oud we ook zijn, ons in staat zullen stellen onszelf altijd te helpen. We zullen altijd in staat zijn ons te redden. Er kan dus niets werkelijk fataal gebeuren; en alles, waarover die anderen zich zo buitengewoon druk maken, is eigenlijk maar van ondergeschikt belang. Je staat dan ongeveer als een volwassene tegenover het spel van kinderen; en deze houding geeft het beste inzicht, niet in wat de kinderen denken, maar wel in de mogelijke gevaren van hun misschien wat chaotische of vreemde spelen.

Dan hebben we hier dus de houding niet van een volkomen onverschilligheid maar toch zonder directe gebondenheid aan het gebeuren proberen we onze naaste te observeren. De banden, die wij zouden kunnen en moeten leggen, zijn in de eerste plaats geestelijk en de krachten, die we gebruiken, eveneens. We kennen de middelen om die voor onszelf op te wekken, naar ik aanneem, en als we die niet kennen, zal ik er zo dadelijk nog even over spreken. Wij staan dus op een zekere afstand. Nu ontdekken we onevenwichtigheid. Onevenwichtigheid kunnen wij alleen een balans geven door een gemiddelde toestand te bepalen, die we willen handhaven. Daarbij zal ons oordeel lang niet altijd juist zijn. Denkt u alstublieft niet, dat u in staat bent de ideale balans, de ideale evenwichtigheid voor uw omgeving te bepalen. Daarvoor overziet u toch nog te weinig van het leven. Maar u kunt voor uzelf zeggen: Dit lijkt mij op het ogenblik juist; en dan krijgt het eigen “ik” dus de functie van stabilisator.

Wanneer er een te snel optimisme of een te snel handelen optreedt,  zullen we het afremmen. Zien we een absolute neerslachtigheid en traagheid, zo zullen we trachten op te beuren. Zien we de gedachte van hopeloos verloren zijn, dan zullen we onmiddellijk trachten alles in het werk te stellen om iemand te doen zien, dat niet alles verloren is. Meent iemand, dat hij de hele wereld gewonnen heeft, dan zullen we hem a.h.w. de bezwaren presenteren (de tegenstellingen), zodat hij niet te ver gaat in zijn overmoed. Dit spel van balans kan zoals ik reeds zei, niet worden gespeeld op zuiver stoffelijke wijze.En wat blijkt dan hier in de eerste plaats een zeer grote invloed te bezitten? Het is de sfeer, de omgeving. Wanneer u rustig bent en iemand, die onrustig is, komt bij u, dan gaat hij niet zo rustig weg als u zelf bent, maar rustiger dan hij was. Er is geëgaliseerd. Komt iemand, die absoluut niet meer weet waarheen te gaan, die geheel terneergeslagen is, in een milieu dat een rustige vreugdigheid, een levensaanvaarding uitstraalt, dan zal die mens iets sterker weggaan, iets minder negatief.

Sfeer kweek je o.m. met gedachten. En zo komen we hier terecht op de kwestie van gedachtekracht en het juist gebruiken ervan. Gedachtekracht, positief denken en al wat erbij hoort,zijn afhankelijk van z.g. harmonische ketens. Een harmonie met het Goddelijke is natuurlijk ideaal; maar deze wordt zelden bereikt. Geen mens en slechts weinige geesten zijn in staat het totaal Goddelijke zonder enige kritiek en voorbehoud te accepteren. Maar wij weten allen, dat er in ons mogelijkheden bestaan, die we wel kunnen aanvaarden. Dat moeten niet de dingen zijn, die we met alle hartstocht verlangen misschien of die we uit ons bewustzijn trachten weg te drukken, omdat ze onaanvaardbaar zijn, want daarmee komen we niet verder. Het moeten de dingen zijn, die we kunnen aanvaarden als een direct doel, als een basis, omdat het eigenlijk zo gewoon is. Dat wat gewoon is voor ons en waarin we toch het Goddelijke, het positieve leven, de positieve kracht kunnen zien, dat is een punt van uitgang. Die gesteldheid moet je natuurlijk ook bereiken en daarbij stuit je altijd op een paar moeilijkheden.

Wanneer je nl. stelt, dat iets aanvaardbaar is, maar je weigert het in praktijk te brengen, dan ben je dwaas. Je maakt het jezelf onmogelijk met die waarde te werken. Wanneer u bij wijze van spreken stelt,dat u alleen door bloemen te plukken en die in een vaas te schikken de innerlijke rust kunt krijgen om die dan aan een ander te geven en u weigert bloemen te plukken, dan kunt u nooit iets bereiken. U heeft in uzelf associaties. Die associaties zijn daad en geestelijke stelling. Meestal zult u de geestelijke stelling aanvaarden en de daad verwerpen; of de daad aanvaarden maar de geestelijke achtergrond ervan liever niet beseffen. Probeer dat eerst op te heffen. Hoe kunt u een stabiliserende factor zijn voor uw omgeving, wanneer u in uzelf nog niet tot een evenwichtigheid bent gekomen? En juist op dat punt, van waaruit u dus kunt werken, uw eigen harmonische mogelijkheid in het Al, zult u dus de eenheid stof-geest moeten realiseren.

U kunt nu wel zeggen, dat het beter is van niet, maar daarmee komt u niet verder. Is dit juist? Aanvaard ik dit als juist? Dat is uw criterium. Ja, dan moet ik en in de geest en in de stof deze werkelijkheid realiseren. Dan moet ik dit voor mijzelf zien als een bron, van waaruit ik krachten ontvang, van waaruit ik krachten geef en zal ik dus op basis van geestelijk beeld plus stoffelijke ervaring verder moeten bouwen.

Hier ontstaat dus voor menigeen, die wil stabiliseren, al een moeilijkheid. Want niet alles, wat je stoffelijk zou willen, is innerlijk aanvaardbaar. Niet alles, wat innerlijk aanvaardbaar is, zou je stoffelijk willen. Zoek daarom voor jezelf het punt, waar je meent die eenheid op de meest eenvoudige manier tot stand te kunnen brengen. Zoek in jezelf een punt, waarin je toch met jezelf harmonisch kunt zijn in beide fasen van leven: geest en stof. Hebben wij eenmaal dit beeld in ons, gebaseerd op ervaring plus geest, dan zal blijken dat wij soms door het stimuleren van een stoffelijke ervaring of van een geestelijk beeld in staat zijn een harmonie te scheppen met anderen. Deze anderen zijn een onbekende kwantiteit en een onbekende kwaliteit; je kunt er niets van zeggen. Op den duur zult u uit een dergelijke harmonie zeker persoonlijkheden leren kennen, maar in het begin is het “het vreemde”.

Het is een anonieme massa, zoals misschien het machinekamerpersoneel van een schip, waarop u vaart. U kunt het stuur in handen nemen, maar u kent de mensen in de machinekamer niet. Toch is zonder hen de stuwkracht voor uw schip niet aanwezig. Stel het u zo voor. Nu gaat u dus uit van het standpunt: Ik geef mijn kracht aan allen en ik ontvang kracht van allen. Dit schept voor mij geen enkele verplichting of band; het is slechts een realisatie van een facet van het Goddelijke. Je ontdekt dan al heel gauw, dat je met deze manier van positief leven en denken een zekere extra energie hebt, een extra veerkracht en het is deze, die u nu kunt gaan gebruiken om de onevenwichtigheden te corrigeren. De correctie zal nooit kunnen geschieden door bv. belerende woorden alleen. Wanneer iemand doodongelukkig is en zegt: “Wat heb ik aan mijn leven” dan kun je duizend keer zeggen dat het leven mooi is, maar dat zal die mens niet aanvaarden. Je kunt duizendmaal zeggen tegen iemand, die denkt dat hij ziek is: “Je bent gezond”, maar hij blijft aan zijn ziekte kleven. En omgekeerd: iemand, die zichzelf gezond waant, kun je duizend keer zeggen dat hij ziek is. Hij vraagt zich af, of je gek bent en gaat verder. Waarmee ik alleen maar wil duidelijk maken; we kunnen dat herstellen niet alleen met woorden, een gebaartje of een daad doen. Wij moeten a.h.w. rond degenen, die wij willen helpen, die wij willen stabiliseren in de eerste plaats een gedachteveld scheppen. En hier hebben we nu dankzij die harmonie ongekende mogelijkheden.

Wanneer we met zo’n zieke (imaginaire; u weet wel, zo à la Molierès: la malade imaginaire) te maken krijgen, dan hebben we eerst medelijden met die mens. Niet op dezelfde basis, waarop hij met zichzelf medelijden heeft, maar we hebben er een zekere sympathie voor. Het is soms erg moeilijk. Wanneer ik sympathie heb voor die mens met al zijn onrust, al zijn zelf gemaakte ellende, al zijn verwarde denkbeelden, dan heb ik n.l. een tijdelijke harmonie geschapen tussen mij en die ander. En dit is belangrijk, want nu ga ik gewoon met mijn denken de oplossing geven. Ik ga haar niet uitspreken, maar ik ga haar mij realiseren. Ik maak er een positief beeld van; wanneer je eerst dit toegeeft, kun je beter worden, bv. of om het eens anders te stellen; alleen als je afstand doet van dit waanidee, zul je in staat zijn te slagen; alleen als je die voorstellingen, waarmee je jezelf kwelt, terzijde stelt, kun je de veerkracht vinden om verder te leven enz.

We gaan dus het denkbeeld formuleren. En in de harmonie, die wij kennen, hebben we altijd een zekere hoofdtendens. De beste hoofdtendensen, die er bestaan, zijn: kosmische liefde, gevoel voor wereldeenheid en vrede. Dat zijn de gemakkelijkste werkfactoren. Maar er kunnen honderd andere bestaan bv.: daadkracht en besluitvaardigheid. Die zijn ook soms belangrijk. Het ligt er maar aan, waar vinden wij onze persoonlijke harmonie. Die harmonie beleven we. We stellen er ons op in, voordat we met die persoon in contact komen. Dan gaan we van dat standpunt uit -let wel,er is dus een bepaalde geesteshouding verplicht -proberen om de ander te begrijpen. Ondertussen geven we die ander onze sympathie, we gaan er niet tegenin. Neen, we vangen eerder op. Wanneer iemand werkelijk ellendig is, dan laat je zo iemand zijn leed klagen en je gaat hem niet vertellen dat hij niets mankeert, want dat begrijpt hij toch niet. Op deze manier laat je a.h.w. wat de ander aan onevenwichtigheid heeft zoveel mogelijk op jezelf toekomen, zonder je er direct in te mengen, of door in feite een tijdje een neutrale factor te zijn. Daarbij baseer je je steeds weer op dat ene principe en je laat je gedachten een beeld vormen. Dat beeld werkt natuurlijk in het eerste contact niet direct. U hebt nu echter in de eerste plaats een complex beeld in uzelf: n.l. degene, die u wilt helpen of degenen, die u wilt helpen of de situaties, die u wilt veranderen.

In de tweede plaats de innerlijke harmonie, de krachtbron, waaruit u kunt putten, en in de derde plaats de synthese, die de oplossing kan zijn uit uw denken, vanuit uw standpunt.  Voeg deze tezamen. Laat elke keer weer in uzelf a.h.w. meditatief dit beeld ontstaan en zeg dan tegen uzelf: “Deze kracht wil ik uitzenden”. Wanneer u door uw kamers of door de vertrekken of kantoren loopt, waarin u de sfeer wilt veranderen, waaruit u die onevenwichtigheid, die onrust wilt wegnemen, zou u ook steeds weer met die gedachten moeten gaan. U zou de sfeer, de trilling van de lucht zelf, de geabsorbeerde trilling in wanden enz. moeten veranderen.  Wanneer u dat doet, krijgen we dus steeds een compensatie, er wordt steeds een stukje onevenwichtigheid weggenomen. En naarmate je sterker bent, slaag je in kortere tijd erin om een totaal evenwicht tot stand te brengen. Zijn we tot zover allemaal nog steeds meegekomen? Het is niet zo ingewikkeld om het te vertellen, het is alleen wat moeilijker om het te doen. En daarom komen we nu aan de hoofdprocedure, dat hoort er ook bij. De mens alleen kan soms veel doen, maar de mens, die in een harmonische keten is opgenomen, kan over krachten beschikken, waarmee hij elke eenling en vaak een groep mensen met zijn gedachtekracht alleen reeds kan steunen en regelen,zolang zij niet uit eigen wil de onevenwichtigheid, de verdeeldheid of de verstoordheid zoeken. Er is dus een uitzondering:  Daar, waar de mens zelf wenst onevenwichtig, ziek, enz. te zijn, kunnen we proberen die mens te veranderen, maar wil die mens niet, dan staan we machteloos. Dan kunnen we ten hoogste die mens isoleren en kunnen we het element voor de omgeving dus minder storend maken door er een soort onverschilligheid tegenover te stellen.

Allereerst begin ik dan nu met de kwestie van harmonieën, de harmonische ketens. Een harmonische keten is in negen van de tien gevallen opgebouwd uit ervaringen uit het verleden. Voor de meeste mensen betekent het een band, die en stoffelijk en religieus is geweest (dus niet esoterisch, dat is lang niet altijd zeker of noodzakelijk, maar religieus); d.w.z. in verband staande met God, Godsverering, Godsaanvaarding. Deze banden uit het verleden vormen dus in elk leven een voortdurende mogelijkheid tot contact met anderen. Wanneer u in een leven met honderd anderen hebt samengeleefd en met die honderd anderen heeft u al kent u hen misschien niet allen bv. in een convent maar ook in een karavaan samen gestreefd in dezelfde richting en u bent daarbij redelijk harmonisch geweest (u hebt niet direct ruzie gehad), dan zult u uit dat gemeenschappelijk streven altijd een band met die anderen behouden. Zo verzamel je in elk leven een oneindig aantal banden. Maar niet alle banden passen precies bij de persoonlijkheid, die je in het latere leven bezit. Om u eens een voorbeeld te geven: Je hebt in een vroeger leven banden gehad gebaseerd op offer. Als je nu schapenslachter of schapenscheerder zou worden, zou je dus kans hebben, dat die oude harmonie zou herleven. Maar in dit leven ben je allergisch voor schapen; dan kun je die band nooit herwinnen. Er zijn stoffelijk bepaalde dingen, die het je onmogelijk maken, want er moet in dit leven een aanvaardbaarheid blijven bestaan. Het is niet: ik ga tegen mijn zin, mijn weten, mijn denken in iets doen. Neen, ik ga uit hetgeen voor mij aanvaardbaar is proberen de harmonie met het verleden te herstellen. We vinden dan onder de bestaande banden verschillende, die ook nu nog berusten op bekende en aanvaardbare procedures.

Ik geef daarvan alleen maar enkele algemene begrippen. Het kan zijn dat een dergelijke band op ritueel is gebaseerd. Een ritueel wil dus zeggen: een bepaalde vorm van gemeenschappelijk geestelijk beleven. Wanneer u een zekere rite volvoert en deze heeft weerklank (ze behoeft dus niet identiek te zijn) in de rite van het verleden, dan zal een ieder, met wie u in het verleden tijdens oude riten harmonisch was, met u een band vormen tijdens de huidige rite en uit het denkbeeld van die rite plus de vervulling ervan kunt u dus deze harmonische keten sluiten. Er zijn voorbeelden, waarbij strijd het element is geweest. Laat ons zeggen, dat u met de Argonauten bent uitgetrokken. Dan is het natuurlijk niet noodzakelijk, dat u nu weer een zwaard of een speer en een schild neemt en erop los gaat slaan. Maar slechts dromen van die dingen, is ook niet goed.  Je moet in deze dagen een zekere strijd voeren. Dat kan een strijd zijn, die je voert om recht, het kan alleen maar een poging zijn om anderen te beschermen voor al te grote ellende. Maar er moet lichamelijke moeite mee gepaard gaan, er moeten tegenstanders zijn. In dat element strijd kan de harmonie met de vroegere gezellen weer worden gevonden, en daarin wordt wederom een harmonische keten gesloten.

We vinden bv. zeer veel ketens (u vindt het misschien een beetje vreemd, dat ik dat zeg, maar het is toch waar), die zijn gebaseerd op erotiek, d.w.z. stoffelijk menselijke verhoudingen in het verleden, die een zekere geestelijke achtergrond hadden, een gevoelsachtergrond, die iets verderging dan alleen maar het zoeken naar hartstochtelijk genot. Wanneer dus in dit leven een soortgelijke situatie ontstaat, dan is er een harmonie met dit verleden ontstaan en wederom is een harmonische keten gesloten. Uit deze voorbeelden,ik zou er natuurlijk nog veel meer kunnen geven, kunt u dus de conclusie trekken, dat praktisch alles, wat u doet in dit leven, ergens een harmonische band kan sluiten, mits in het verleden die activiteit, die geesteshouding met anderen word gedeeld.

Wij onderscheiden nu deze harmonische banden in positieve en negatieve. Een negatieve band is een band, die het “ik” centraal stelt en daarbij de wereld ontkent of de wereld aan zich tracht te onderwerpen. Deze banden zijn negatief. Ze komen zeer vaak voor, omdat ze uit het onbewuste streven van de mens in de materie, uit zijn redelijk denken eigenlijk al voortkomen. Er zijn dus mensen, die daaraan enorme geestkracht en suggestieve krachten ontlenen, die een hele sfeer bepalen, alleen aan de hand van zo’n door hen gerealiseerde harmonische keten. De positieve is altijd een keten, die niet zichzelf zoekt, want om positief te zijn moet er een erkenning zijn van het doel van het heelal, van wat er bestaat en leeft in het Al. In de tweede plaats moet men dus niet voor zichzelf iets begeren, verlangen of zoeken, maar men moet het in samenwerking met en voor de wereld of voor anderen ook volbrengen. Dat wil niet zeggen, dat je er zelf buiten behoeft te staan.

U kunt bv. liefdewerk doen; ziekenverpleging en reuze blij zijn, dat u erin slaagt een zieke enige verlichting te geven. Dan heeft u er dus zelf ook wel iets aan; maar het brandpunt ligt in de ander. Elke positieve keten erkent eigen deelgenootschap, maar stelt het doel buiten het “ik”, De positieve keten kan sfeer bepalen; dus zij kan een sfeer super imposeren op een bestaande sfeer. Een negatieve keten kan wel sfeer veranderen maar slechts door de waarden van de werkelijk bestaande sfeer langzaam in het negatieve te trekken. Is dit laatste duidelijk? U begrijpt dat van die sferen niet helemaal, geloof ik. Nu, het is heel eenvoudig. Er is een vrolijke sfeer. Nu kan iemand, die positief denkt, boven die vrolijkheid een dankbaarheid aan God leggen en dan komt er een spontane en gelukkige vroomheid uit voort. Dat kan met een oogopslag gebeuren, dat is zo voor elkaar.Er verandert iets, je weet niet wat. Men komt iets meer tot bezinning, maar de blijheid blijft, nu komt de negatieve. Hij wil die vreugde niet. Hij wil de mensen trekken naar een vlucht voor het leven. Maar dat kan hij niet; hij kan niet plotseling alle mensen hun blijheid ontnemen. Hij kan echter wel hier een beetje ergernis brengen en daar een tikkeltje wantrouwen, hij kan dus steeds iets wegnemen en op den duur blijft er iets over, dat niet de sfeer is, die hijzelf begeert maar het negatieve aspect, de negatieve mogelijkheden van de sfeer, waarin hij werkzaam was. Is het nu begrijpelijk?

Ja, het is moeilijk, dat weet ik wel. Maar toch moet u denken: het is simpel genoeg. De uitlegging is veel moeilijker dan de praktijk om de doodeenvoudige reden dat u er geen rekening mee houdt dat iemand, die onevenwichtig is, ik neem nog een voorbeeld niet al uw geduld, al uw genegenheid voor het leven en al uw positiviteit ineens kan absorberen, dat gaat niet. Maar wanneer er elke keer een beroep op u wordt gedaan en weer een beroep en nog eens een beroep, dan begint u zo langzamerhand een klein beetje terughoudend te worden, de spontaniteit is eraf en op den duur voel je je gewoon misbruikt en dan ben je net zo prikkelbaar, net zo onevenwichtig en net zo ellendig als die ander, wanneer je je erdoor laat overmeesteren.

De praktijk is dus heel gewoon. U ziet het in het dagelijks leven. De secretaresse komt met een daverend humeur en grote werkkracht op kantoor. De eerste drie brieven vliegen door de machine. Dan komt de baas, zo’n gezicht, ruzie gehad met zijn vrouw. De vierde brief gaat al niet meer; de vijfde gooit ze in de prullenmand, want ze heeft teveel fouten getikt; en dan heeft ze helemaal geen zin meer en alles, wat er die dag nog gebeurt, is half.

Daar heeft u nu het typische verschijnsel. Wij willen echter evenwicht geven. Wij willen die vreemde verwardheid, die onrust, die ongedurigheid omvormen tot iets, dat meer stabiel is en wij hebben daarvoor de positieve gedachtekracht nodig. Dus allereerst een gedachtesfeer opbouwen, die nimmer uit onszelf een verwerping of een veroordeling inhoudt, hoogstens een uitsluiting, die door de houding van een ander tot stand komt. Een ander behoeft ons niet te aanvaarden, maar dan sluit hij zichzelf buiten de sfeer; hij zal dan echter binnen die sfeer ook geen onevenwichtigheden meer tot stand kunnen brengen. Een soort magische keten, een poging om die sfeer op te bouwen en ermee te werken, puttende uit een harmonie, die zo goed mogelijk (naar je beste weten dus) tot stand wordt gebracht en die je verder de kracht geeft om gedachten te dirigeren ook op grotere afstand.

U kent toch allen het uitzenden van gedachten op afstand? U concentreert zich op een bepaalde persoon of op een bepaald punt. Als die gedachten sterk genoeg zijn gericht, ontstaat er daar een invloed. Doet u dat uit een keten, een groep, een kring, eventueel ook in samenwerking met de geest e.d. dan is de werking groter en heeft u dus mogelijkheden om iets tot stand te brengen, dat anders niet kan. Nu gaan we zeggen: Er zijn in onze omgeving of in de wereld rond ons bepaalde personen of bepaalde aspecten, die dit evenwicht in het bijzonder verstoren. Wanneer we die personen kennen, kunnen we nooit zeggen: “We gaan u nu eens eventjes uitsluiten”. Dat kan alleen een ander. U kunt nooit uit uw sfeer, uit uw gedachtekracht een ander uitschakelen, als u positief wilt zijn. U kunt hoogstens de ander toestaan zichzelf uit te schakelen. U richt dus op die persoon uw gedachten en u geeft weer de toestand; evenwicht, rust, juist handelen, juist denken, juist aanvaarden, een zich baseren op de werkelijkheid. Wanneer zo iemand dat niet wil, maakt hij die kracht voor zichzelf negatief, maar daarmee heeft u niets te maken. U oordeelt niet, u geeft kracht,meer niet. Wanneer de ander – door deze kracht voor zichzelf negatief te maken – de magische cirkel heeft gesloten,kan hij u praktisch niet meer benaderen. Zijn pogingen om u stoffelijk of geestelijk te benaderen, te schaden of uit te buiten houden op, er is geen mogelijkheid meer. Alle kracht, die hij van u heeft ontvangen, zal hij gebruiken om de onevenwichtigheid zo snel te ontwikkelen, dat zij voor iedereen kenbaar wordt. Er ontstaat een isolatie; en in een wereld, waarin iedereen je onevenwichtigheid ziet, kun je alleen dan nog maar kiezen, gaan of je herstellen.

De meeste mensen zijn te bang om te gaan, het herstel is waarschijnlijker, vooral omdat men weet: ik krijg kracht. Er is ergens een kracht, die mij helpt. Die kracht, die mij helpt, is goed. Als ik haar aanvaard, ben ik uit mijn neerslachtigheid, uit dit negatieve deel van mijn bestaan verlost. U zult zeggen: Dat is allemaal heel mooi en goed in theorie, maar hoe kan ik nu bv. het humeur van iemand veranderen? Ja, u zult menen, dat een humeur zo onbelangrijk is. Maar er zijn mensen, die alleen met hun humeurigheid anderen het leven tot een hel maken. Nu moet u goed luisteren; Ik kan het humeur van een ander nooit veranderen alleen door sfeer of door gedachtekracht. Maar als ik te maken heb met iemand, wiens humeurigheid zich ontwikkelt in een bepaalde richting, dan zal ik in beperkte mate dit humeur moeten aanvaarden. Is iemand driftig, dan aanvaard ik, dat die drift zo nu en dan rechtvaardig kan zijn. Maar als ze onrechtvaardig is, kennelijk onrechtvaardig, dan constateer ik dit in de eerste plaats in mijn gedachten, in de tweede plaats door mijn houding: ik reageer er niet op, ik trek mij terug. Dan ontstaat een beïnvloeding, waarbij het humeur, het karakter zelfs, onaangetast kan blijven en het inzicht zich toch kan herstellen. Je mag het zo iemand dus nooit euvel duiden, dat hij gisteren iets heeft gedaan dat niet aanvaardbaar was. Hij heeft erop gereageerd, u negeert het. Komt de ander erop terug, u trekt zich terug. Zolang die ander weer in het normale kader verdergaat, gaat u ook normaal verder, of er niets gebeurd was. Dat vergt veel van u, vooral als het mensen uit uw eigen omgeving zijn. Maar als u dit kunt volhouden, als u zelf de beheersing, de kracht kunt opbrengen, dan bent u ook in staat de negatieve aspecten van zo iemand a.h.w. uit uw eigen leven te verwijderen. U gaat het goede zien. Het goede gaat u continueren. U aanvaardt elke gerechtvaardigde uiting van het karakter, elke ongerechtvaardigde snijdt u af.

Resultaat: in het begin bij de ander een zekere woede tegen u. Maar u antwoordt niet met woede; u bent vrede, u bent rust. En wanneer u het zelf haast niet meer kunt, dan duikt u even in die harmonische keten en put er weer kracht uit.

Dan zal de sfeer rond die persoon zich wijzigen. U bent er nu niet bij en kunt dus niet compenseren, maar de muren van het vertrek, de straten, waardoor u loopt hebben ergens die sfeer opgenomen. De mens zelf is onbewust gaan vertrouwen op dit stabiliseren. De mens kunt u niet veranderen, maar u kunt de onevenwichtigheid, de onrust a.h.w. herstellen. En daarmede hebt u voor die mens en ook voor uzelf iets heel belangrijks tot stand gebracht. Dit is zeer belangrijk, maar men moet goed begrijpen dat men daarmee nooit te ver kan gaan. U kunt niet gelijktijdig tien mensen stabiliseren. Eén persoon, dat kan de gemiddelde mens, vanuit zichzelf met enige wilskracht.  Twee tot drie personen in hun onevenwichtigheid en onrust stabiliseren, dat kunt u als u behoort tot een harmonische keten. Meer dan dat is een taak voor adepten en ingewijden. Dat kunt u zelf niet. U moet dus goed begrijpen: Nooit een te grote taak op u nemen. Probeer niet alle dingen tegelijk te stabiliseren, maar neem eens de punten, die het meest ernstig zijn en ga van daaruit. Dan geloof ik, dat we zo langzamerhand aan het laatste punt zijn toegekomen en dat is dit: Wij kunnen moeilijk met gedachtekracht toestanden redresseren. Wij kunnen een gedaan onrecht niet door gedachtekracht herstellen. Met alle positief streven en positief denken kunnen we op die manier de onrust, die er bestaat, niet verdrijven.

Willen wij nu realistisch in de wereld staan, dan moeten we beginnen met te beseffen, dat onevenwichtigheden, dat onrust soms als een kosmische invloed die gehele wereld kan beroeren. Onthoudt u dat goed, dat is zeer belangrijk! De mens kan nimmer tegen een kosmische invloed oproeien, dat speelt men niet klaar. Men kan slechts de gevolgen van een kosmische invloed beperken. Nu is er op het ogenblik in de wereld ontzettend veel onrust, in het persoonlijke leven zowel als daar buiten. We kunnen wat dat betreft net zo goed wijzen op de moeizame beperking van crisisverschijnselen, die op het ogenblik toch weer overal oplaaien als een veenbrand. Zo even dacht je nog: er is geen vuur meer, nu vlamt het weer uit de grond op. Zo is het ook met de onrust. Overal laait ze op. De mensen, die in zichzelf het meest eenzijdig, het meest onevenwichtig zijn, zullen het sterkst worden beroerd door die onrust. U zou deze zelfs astrologisch kunnen berekenen. U zou dus kunnen zeggen; Kijk, die en die tendensen zijn er. (Vooral wanneer u rekening houdt met een kleine variatie in het gebied van de werkingen van de maan. Deze zijn dus ietwat veranderd, mede dank zij atoomexplosies, straling enz., verder is ook de zon meer dan normaal actief.) De spanningen en de wisseling van spanningen, die op aarde optreden, zijn dus ook zuiver materieel bevorderlijk voor het ontstaan van onrust. Daartegen kunt u niet veel doen. U kunt niet de onrust geheel wegnemen, maar u kunt wel trachten haar in goede banen te leiden. Een kleine jongen wil graag spelen en wil meedoen met de grote mensen. Dan kun je het kind natuurlijk voor je voeten laten lopen. Maar je kunt hem ook een schopje geven en zeggen: “Terwijl ik nu hier dit stuk grond omspit, moet jij daar eens een klein stukje omspitten.” Dan loopt dit kind niet in de weg. Het komt raad vragen, het heeft het idee, dat het iets doet en het vindt rust.

U zoekt in uw leven kosmische harmonie, u zoekt eenheid met het grote Al. U zoekt in uzelf de verwezenlijking, de vervulling van de kosmische liefdekracht, van de goddelijke liefdekracht, waarin u dus geborgen bent, waarin u zeker bent, waarin alles schoonheid is, waarin het eigen wezen zich kan ontplooien tot werkelijkheid enz. Als u zo leeft, dan kunt u niet zeggen: “Ik ga die onrust opheffen,” maar u kunt wel proberen, waar u die spanningen en onrust in anderen ziet, ze in de goede richting om te buigen. Onthoudt u daarom over de huidige situatie voornamelijk het volgende: De onrust in deze tijd komt voort uit een behoefte naar onafhankelijkheid, naar vrijheid; een hunkeren naar belangrijkheid en bezit. Heel vaak zelfs om dan met die belangrijkheid en dat bezit anderen weer te helpen of te dienen. Het is dus niet absoluut negatief. Hier komen voor het doorsnee menselijk lichaam sterke wisselingen van spanningen bij, waardoor perioden van uitputting, van grote agressiviteit en van grote energie elkaar opvallend snel kunnen afwisselen. Dan is de juiste houding van iemand, die naar dat kosmisch ene zoekt; de vrijheid die wordt gezocht te bevorderen en niet af te remmen, de mogelijkheid tot streven te kanaliseren en wel in de richting van de invloeden, die meer en meer heersend worden, dus in de richting van een geestelijke ruimdenkendheid, een zekere belangstelling voor het technische of voor organisatorische vragen  de mogelijkheid om zelf ergens betekenis te hebben; een wegnemen van begrippen van minderwaardigheid, het teniet doen van begrippen van falen door te wijzen op een nieuwe mogelijkheid, waarbij men toch kan slagen.

Belangrijk is verder, dat u in deze dagen al te grote afhankelijkheid van anderen probeert te remmen. Mensen moeten in deze dagen vrij zijn; maar dat betekent ook, dat ze zelf aansprakelijkheid moeten dragen. Zij moeten hun eigen leven leven. Ze moeten zelf beslissen, laat hen onafhankelijk zijn. Dwing hen niet in uw denkpatroon, en als ze zich aan u vastklampen, maak hen voorzichtig los, als een moeder, die zegt: “Hoor eens, kind, nou niet aan mijn rok hangen. Moeder moet nu even werken. Je mag wel achter me aanlopen, maar je moet zelf lopen.” Daardoor bereikt u dus in de eerste plaats al een aanpassing aan de kosmische invloed. Dan ga ik zeggen: Wat is positief? Wat zie ik aan positiefs in die mens, in zijn denken, in zijn mogelijkheden? Niet: Wat is het verleden? Of: Wat is de toekomst?

Neen, wat is nu de positieve mogelijkheid van die mens? Wat leeft erin? Wanneer ik nu de kracht van de gedachte, de innerlijke harmonie kan projecteren op die ander hetzij door een sfeer, door concentratie van gedachten, desnoods een enkele keer door een woord, dan bereik ik dat die ander zich een doel kiest. De onrust verkeert in rust, zodra de mens een doel heeft. Wij geven de kracht, de steun, de hulp, al merkt men dat misschien niet, waardoor de eerste schreden naar dat doel kunnen worden gezet. Onze innerlijke zekerheid, gebaseerd op de voor ons geschapen aanvaardbare harmonische keten, gebaseerd op de goddelijke Kracht, die weer achter die keten staat, gebaseerd op ons innerlijk begrip van het Hogere, waaruit wij putten, is daarbij een andere stabiliserende factor.

Wij zijn sterk en rustig. Wij laten ons niet opjagen. Wij laten ons niet bewegen tot al te grote toorn en onrust of al te grote gezapigheid. We moeten ons eigen wezen dus goed vormen en dan kunnen we verder stabiliseren. We kunnen de onrust, die van buitenaf komt, niet ongedaan maken, maar we kunnen haar veranderen, totdat ze een positieve kracht, een positief licht, een positieve waarde is geworden. Zo kunt u dus door middel van gedachtekracht, door innerlijk bewustzijn, door het scheppen van de juiste harmonische verhoudingen, ook onder mensen en met de harmonische ketens (dus de uit het verleden stammende groeperingen, die reeds harmonisch zijn en in welke harmonieën je nu bewust weer intreedt) in de verwarring van deze dagen onnoemelijk veel doen.

U kunt niet de hele wereld veranderen. Als u dat zou kunnen, zou het ongetwijfeld verkeerd gaan. Wat u kunt doen, is uw eigen persoonlijkheid, de mensen in uw omgeving veranderen. U kunt hen door uw eigen zekerheid, ja, zelfs door de vastheid van handelen en de besluitvaardigheid, die u zelf bezit, brengen tot een rust, tot een harmonisch leven. En in het kleine de rust herstellen, betekent de rust in het grote geboren doen worden. Evenwicht geven aan de delen betekent de balans van het geheel waarschijnlijker maken. Bewustzijn helpen ontwikkelen in de enkeling betekent: het massabewustzijn, het gezamenlijk bewustzijn op een hoger, plan brengen.

En vraag dan niet al te veel naar het zichtbare resultaat. Een enkele keer kunt u een wonder doen, maar in negen van de tien gevallen zult u afhankelijk zijn van het proces van herhaling: een langzaam, haast onmerkbaar vooruit komen. En als u soms vindt, dat er geen resultaat is, herinnert u zich dan maar, dat u ook niet dag na dag merkt dat u ouder wordt? en toch gebeurt het. Ik geloof, dat ik hiermee het onderwerp redelijk heb behandeld. Ik wil dan graag een kleine meditatie eraan toevoegen.

HARMONIE

Kan harmonie ooit zijn: het daadloos ondergaan?

Kan harmonie ooit zijn: het niet volledig of bewust aanvaarden?

Kan harmonie met God bestaan, wanneer ik delen van God in mijn waan tot duivel verklaar?

Kan ik harmonie erkennen met een mens, als ik die mens het recht ontzeg zichzelf te zijn en slechts wil zien als beeld van dat, wat ik ben en begeer en denk?

Harmonie is de samenklank van zielen.

Harmonie is het samengaan van streven in de stof.

Harmonie ligt in alle dingen.

Harmonie is soms de roes, die nog een mens verrukt, wanneer men toch gezamenlijk een eenheid daar bereikt, die verdergaat dan de roes. Maar het is ‘t “ik”, dat spreekt en uitdrukking geeft aan dat, wat leeft in het “ik”.

 Harmonie kan zijn: het gezamenlijk werken,het samen vervullen van een taak, al geschiedt het zelfs met een heel verschillend doel. Zolang een taak gedeeld kan worden, een doel gezamenlijk wordt beseft, verheft het “ik” zich en het komt tot eenheid met anderen, tot een harmonie, waardoor de eigen kracht vermeerderd wordt en het onmogelijke wordt verdreven of gemaakt tot mogelijkheid.

Harmonie wordt vaak gemaakt tot het groot begrip van een verre God, van het kosmische zingen van de sferen. De liederen, die sterren zingen, als zij hun Schepper loven.

Maar harmonie is toch eenvoudiger en dichterbij en meer. Is niet boven elke grens van redelijkheid en onder elk besef van wat zou moeten en behoren en wat de wereld is, niet ergens een woord, een begrip, een denken en een streven, dat in het “ik” lijkt op een verre melodie, die uiting zoekt?

En wordt daar uiting aan gegeven, ze schept met anderen in het leven een harmonie.

Mensen kunnen harmonisch samengaan, maar zij, die slechts streven naar harmonie met God en met de Hoogste alleen, zij zullen niet bereiken. Zij kunnen niet begrijpen, dat met het Hoogste harmonisch zijn slechts bereikt kan worden, wanneer je eerst in het klein de harmonie beseft en schept.

Adept, die alle dingen ziet, word je slechts door het begrijpen van de kleine dingen in jezelf door te bouwen feit na feit aan kennis en aan kracht en dan het je onderwerpen aan de eerst door inwijding beleefde en waar besef te macht.

Zo wordt harmonie, de kracht van het leven, uit het kleine opgebouwd: Een woord, een denken, een onbelangrijk en dra vergeten daad. Iets, dat je nalaat om een ander vreugde te schenken of dat je stil volbrengt, opdat een ander rust kan vinden, dat is het begin van harmonie, en in jezelf draag je een diep verborgen weten. Soms wil je voor jezelf niet zien dat het bestaat en droom je van het verleden, dat banden met anderen ook in het heden in jou leven laat. En zie je niet de banden uit het “ik” in het mij reeds gevlochten voor een toekomst.

Eeuwige harmonie, die kan bestaan, zodra de waan van het geïsoleerde zelf-zijn wegvalt en de mens aanvaardt wat uit het verleden voortkomt, wat in de toekomst uit het heden reeds bestaat. Harmonie is de eeuwigheid in jezelf, die je zo vaak jezelf ontkent.

Harmonie is dat kleine, dat uiting geeft. aan je werkelijke wil en je werkelijk wezen, dat de waarheid is van je bestaan en dat in die waarheid steeds voorziet in elke daad, in elk denken, een band met het Al, gevonden in het erkennen van de delen.

Slechts zo, zo kan een harmonie geboren worden. En als ik dan nu eindig, zou ik het zo willen stellen:  Harmonie is God en God is harmonie, erkend in onze eigen kracht en eigen middelen en in de banden, die voor onszelf bestaan. Dat is de kracht, waaruit we kunnen putten, waaruit de eenheid en het bewustzijn kunnen voortvloeien.