Een takje hulst

26 december 1954

Groen te midden der somberheid, Gekleurd met rode bossen geeft de Hulst aan al wat ziet haar stille wijze lessen.

Zij spreekt van leven, dat niet vergaat, van vruchten, die steeds blijven komen.

Zij spreekt van eigen werkelijkheid, die in werelddromen niet verglijdt, maar reikt te ver in ‘s Hemels oorden.

Zij zingt er een kerstlied. Die stille Hulst met al haar stekels en staken

Zij is een plant, die in de tijd van duister juist wil waken.

Dat takje Hulst, dat is er een los, dat de wereld u gaat geven. Vergeet niet, oh mens in duister en nood Dat uw taak is: Voort te leven.

Vergeet niet, al is er de kou nog zo groot. En lijkt er uw harte haast te sterven. Dat door te leven gij het Licht van de tijd en de komende lente kunt erven.

“Ik geef er mijn vruchten de vogels tot voer. Ik lach om hun ijverig snebben, Ik weet; dadelijk zijn mijn vruchten teloor en weeft er de spin zijn webben.

Ik draag mijn vrucht en ik besta voort. Altijd groen zijn mijn bladeren,

Want ik vrees niet de last, en de drift van de tijd. Mij zeggen ze niets, al die jaren.

Maar ik voel een kracht uit de Eeuwigheid een Licht, dat mij streelt en doet leven. Een Licht, wat ik met de vrucht van mijn zijn. Nu ook aan de vogels wil geven.

Een takje van Hulst, ‘t is stekelig en klein, Het geeft u de les van het leven. Doorstaan, ondergaan, maar jezelve steeds zijn. Is beter dan jagend te streven.

Want ben je het eens met wat je bent in jezelf. Dan vindt je de eeuwige kracht en, dan wordt je gedragen tot beter bestaan. Door wondere hemelse machten.

Dan wordt er een Kerstkind geboren in het hart, dat alle lijden zal wreken.

Wie vertrouwt op zijn God, bestaat altijd voort. Ook wanneer ruwe handen hem breken.

De Hulst, zij is juist der kersttijd gezel. Herinnering aan de mens en, Die elkander veel liefs, veel goeds en veel schoons in woorden, vaak woorden slechts wensen. Toch geeft ons die Hulst in zijn stilte een les, De les : Mensheid, durf te leven!

En wil ommentwille van deze les haar leven en welzijn graag geven.

Een takje van groen met een rode bes. Een takje van Hulst, dat staat, de vogel, die smacht naar wat voedsel. Wat pikt en dan weer verder gaat.

Het is wel niet veel,

Het lijkt op de aard te weinig om aan te denken

Toch kan ook de Hulst, eenvoudig en stil,

De wereld het weten ook schenken,

Dat reikt over grenzen van menselijk bestaan,

Dat reikt over duistere nachten tot het Licht,

Dat leeft in al wat bestaat,

Voornaamste der bewustzijnskrachten.