Een vrouw met literaire inslag

30 januari 1955

Ik moet ook weer vandaag een inleiding voor u gaan houden, waar wij wederom een spreker, die normaler wijze niet tot u komt voor deze ochtend, bereid hebben gevonden om het woord tot u te richten. Ik weet niet in hoeverre u zult kunnen doordringen in de gedachtegang, die hier achter ligt. Niet acht ik mij bekwaam, wij zijn het daar in onze sprekerskring wel eens, op het gesproken woord zo dadelijk nog commentaar te gaan geven, dus zal ik moeten proberen om u althans de achtergronden te geven, zodat u bij het luisteren naar deze persoon, niet in misvattingen zult vervallen. In de eerste plaats, de persoonlijkheid, die optreedt is oorspronkelijk een vrouw geweest met literaire inslag.

Zij leeft in een sfeer, die, zij het niet ver, toch boven onze eigen sfeer uitgaat. Het is een moeilijk leven geweest voor haar, en vaak een zeer droevig leven. Toch heeft zij altijd geprobeerd om altijd de lichte kant van de dingen te zien. Dat brengt met zich mede, dat deze vrouw heeft geleerd zich uit te drukken, deze entiteit mag ik wel zeggen, sekse valt in deze sferen natuurlijk weg, in de termen van het lichte. Wanneer dat nu moet worden overgebracht in stoffelijke termen, dan vrees ik haast, dat het zo nu en dan een dichterlijk accent zal krijgen. Dat ligt ook in de persoon zelf. Een bepaald geloof heeft deze vrouw nooit gehad. Zij is regelmatig ter kerke gegaan in een hervormde gemeenschap, maar de godsdienstige dreun heeft haar nooit kunnen bekoren, wat dat betreft mogen wij haar dus zeer vrijzinnig, en schoon christelijk aanzien. Dat deze gedachtegangen ondertussen nog veranderingen hebben ondergaan, zal u duidelijk zijn. In een lichte sfeer kom je vanzelf tot geheel nieuwe bewustwordingen en realisaties. Toen wij haar verzochten om op deze bijeenkomst a.h.w. te helpen het ijs te breken, juist voor de sferen, die wij hier meerdere malen naar voren hopen te kunnen brengen, maakte zij deze opmerking – ik zal het maar heel plomp in woorden zeggen – “Ja maar, wanneer ik nu ga spreken, zullen zij dan begrijpen, wat ik bedoel? Want mijn wereld is er een van zoveel lichtende kracht, dat ik haast geen woorden meer kan vinden, om weer te geven, wat er in mij leeft. En dan; “Waarover zou ik moeten spreken?” Toen heb ik haar, samen met enkele anderen, gevraagd: “Waarom vertelt u de mensen niet, hoe U God ziet en het leven? Waarom probeert u ze niet duidelijk te maken, dat de zwaarheid van uw eigen bestaan de bron is geweest van de vreugden, die u op het ogenblik hier voor u zijn?” Het antwoord, dat wij kregen; is heel tekenend voor haar; “Wat zou ik spreken over het zware, wanneer ik het licht in mij draag?” Wij weten dus niet in welke zin zij dit zal opvolgen. Wel weten wij, dat het een persoonlijkheid is, die ons allen zeer dierbaar is. Dierbaar om de hoogheid, de lichte ijlheid van haar gedachtebeelden, die de vorm verliezend, in zich dragen.

Iets van een zo hoog en zo statige vreugde, dat spreken met haar voor ons soms een kerkgang kan worden. Ik hoop, dat u begrijpt, wat ik hiermee bedoel. Het is voor haar natuurlijk niet gemakkelijk of eenvoudig, daar zij niet vaak met een medium gewerkt heeft, om hier te spreken. Dientengevolge zal een onzer als monitor dienen, als schakel, waar dit nodig mocht zijn. Wij hopen echter met haar kracht zelf rekenende plus met de toestand waarin wij het medium ondertussen gebracht hebben.

Ik zit hier natuurlijk niet alleen maar in te leiden om u te vertellen, wat er gaande is dat zij persoonlijk tot u kan spreken, wanneer de uitdrukking van het medium misschien niet zo volledig is als anders, bedenkt u dan waar alle vorm vergeten wordt, is het vaak moeilijk om je eigen persoonlijkheid van vroeger nog weer voor te stellen; en weer volledig uit te drukken; zonder door te dringen in het diepste van de stof. Dat is iets, wat zij zeer zeker niet zal doen, daar ligt haar taak niet. Inspirerend heeft zij soms gewerkt en onder haar beste inspiraties behoren bv. enkele romanwerken met een zeer esoterische inslag. Ook veel gedichten. Haar leven is een leven der schoonheid, haar naam mag ik echter, op haar verzoek, niet mededelen.

Ik hoop, dat u dus de kleine gebreken, die ongetwijfeld in de weergave naar voren zullen komen, zult vergeten onder de diepte van de inhoud. Ik geeft dan nu het woord over aan deze spreekster.

o-o-o-o-o-o

Het is niet gemakkelijk voor mij om te spreken over dingen, die reeds ver achter mij liggen.

De wereld met haar problemen en jachten heeft mij reeds lang verlaten en meer en meer is de essence der dingen als werkelijk leven in mij doorgedrongen. Wanneer men mij verzocht heeft om tot u te spreken, moet ik spreken over de dingen, die mijn hart en wezen behoren. Wat kan dieper, wat kan zuiverder tot ons doordringen dan de lichtende kracht, die als een wonder in ons geboren, langzaam verwarmend de koelheid van denken en zijn zich in ons ontplooit als een Goddelijke waarde. Licht is mijn wereld geworden. En licht en juichend priemend is de gouden schijn, die het Al doortrilt, die je hele wezen vervult en die je dicht bij God brengt. Het is vreemd, dat God zich zo uit. Vele woorden zijn er gesproken, die mij ledige klanken bleven. wanneer men sprak over het Hemels Jeruzalem, dan droomde ik van verre landen, waar in de snel gevallen nacht de sterren als kristallen fonkelen en een eenzame fluit klinkt, zacht tegen het ruisen der bomen. Mijn beeld was verkeerd en verkeerd, het beeld, dat een prediker de mens voorhield. God kun je niet vereenzelvigen met een landschap of een stad en Zijn Vreugde is iets, dat te heilig en te teer is om in een vorm te worden vastgehouden.

Wanneer je opgaat en de vorm verwazend, langzaam de waarheid in je doet ontwaken, dan voel je God door je wezen stuwen, zoals je bloed kloppend door je aderen kan gaan, wanneer op een prille lentemorgen de nog kille wind je omzwermt en de zon een lach op je lippen brengt. God is iets, dat in je leeft. En al het licht rond je, blijft vaag en onbegrepen, terwijl, daarentegen in ons de lach, de zo duidelijke glimlach van een vaderlijk zijn zich uit. Hoe kan ik u de vreugde schetsen, die in ons leeft? Het is de vreugde van een mens, die verzonken in schoonheid, zichzelf verliest in de kleuren van een opgaande zon. Het is de tederheid van een Moeder, die haar eerst geborene voor het eerst aanschouwt, voor het eerst haar pas geboren kind in de armen houdt. Het is de diepe genegenheid, die mens tot mens kan binden en meer dan dat al tezaam. Het is de grootste wijsheid van het vorstig tintelend duister, dat kristalliseert in een enkele ster. Het is de beslotenheid van een huiselijke kamer op Kerstmis, waar kinderstemmen zingen; Ere Zij God In De Hoge. Het is een gevoel zo groot en zo onbeschrijfelijk, dat het onmogelijk is er een vorm en een gestalte aan te geven. Maar het is leven. God is een intens leven, zo wijd en zo groot, dat heel mijn wezen schreeuwend om woorden, verstikkend in de volheid van lichtende kracht, begrijpen moet, dat de beperking van een menselijk woord, deze vreugde niet kan weergeven. En het licht spreekt tot je. Het licht, dat geen vorm heeft en geen stem. Het spreekt tot de mens, maar de mens verstaat het niet. De bevrijde geest wordt dit vreemde leven, dat stilte is en ruisen, tot een steeds krachtiger wordende stem. Neen, zelfs geen klank. Een weten, dat je hele wezen vervult en alle licht rond je maakt tot een schouwspel, dat je zelf weerkaatst. Wie dit kent en deze vreugde doorleeft, wat zal die nog naar een leven vragen. En toch werd mij verzocht om u te spreken over het leven.

Het leven, dat de mens leven noemt. Deze duistere benepenheid, waarin je stoffelijk gebogen voortkruipt over de dode aarde, die met een laatste vertoon van leven rondwervelt rond een bleke zon. Ik kan het mij eigenlijk niet meer voorstellen. Toen ik jong was, was mijn Moeder ziek. Het was, of voortdurend de jubelende stemming van de vreugdige jeugd een sordino moest spelen. De klank was dof, slepend en traag. Wanneer ik lachte, dan moest ik altijd voorzichtig lachen, want de volle lach van een schaterende jeugd is kwetsend voor menig mens, dat zijn sterven nabij voelt. Maar wanneer de geest niet wil gaan, dan kan een mens zo lang worstelen, voordat het scheiden, wordt aanvaard. Deze vouw, die mijn moeder was, deze geest, die met mij in het licht leeft, kon geen afscheid nemen. Zo hebben de traag druppelende dagen zich tot jaren gereid tot een meer, dat in de tijd ons soms onoverzienbaar lijkt. Dagen van somberheid en lijden. Mijn leven was afgesloten van wat de wereld onder leven verstaat. En alleen wanneer de Moeder sliep, wanneer een ogenblik de taak der dagen aarzelde en inhield voor een korte verpozing, kon ik mijzelf uitleven met wat papier, en pen, een boekje, gebonden in paars fluweel, dat de Moeder mij gegeven had. Een pen, die woorden schreef en niets zeggen kon, van wat ik droomde.

Toen mijn Moeder was heengegaan, was ik te oud voor vele dingen, die de mens en vreugde noemen. Maar ik had geleerd te dromen en van haar had ik geleerd om te dragen. Wat zijn die dingen eigenlijk belangrijk in je leven. Kunnen dromen, de geest wat vrijer maken in een fonkelende wereld, die feller en levender kleur heeft dan de bleke werkelijkheid te kunnen verdragen alle beperking en nood. Te durven en te kunnen lijden. Ik ben het leven dankbaar, dat het mij dat geleerd heeft, want in elke mens wacht de ziel op zijn laatste vlucht als een sidderende vogel, die de vleugels reeds strekkende, weg wil vliegen naar een onbekende verte. Maar wanneer de ziel uitvliegt is het lijden voor de stof lijden, dat je moet durven dragen om je geest vrij te maken. Veel schoons heeft het leven mij gebracht.

Niet alleen het schoons van dromen. De vreugde van het leven wasemende aarde in de lente, wanneer je in de tuin, ondanks alles, zelf een ogenblikje met wat floxen en wat rozen bezig was. Het gaan, in jezelf gesloten en toch leven naar buiten toe. Langs vreemde wegen, de vreemde landen, eenzaam en toch levend in de tijd. Uw leven zal anders geweest zijn. Daar ben ik van overtuigd. De weg van elke mens is de weg van een ziel, die streeft naar licht. Uit de duizenden ongeweten hoeken van het zijn, zien wij de zielen altijd weer op hetzelfde punt aanstreven? God, het lichte. Het lachende. Het zijnde. Daarom gaan onze wegen nooit gelijk.

Maar misschien, dat ik u kan zeggen, wat het leven nu voor mij betekent. Het lijden heeft mijn geest ogen gegeven voor vreugden, die anderen niet kunnen zien, of aanvaarden. De eenzaamheid en de stilte hebben mij oren gegeven, wanneer ik ver in de zinderende oneindigheid door kan dringen en horen de kristallijnen van het geschapene. Het lijden, het leven, de eenzaamheid; zij hebben mij gemaakt tot een wezen, dat de vorm kan laten gaan, want wie danst in de lachende lichte sferen als een straal een ogenblik schijnend hier, dan weg reikend, daar die geen vorm dragen, diens wezen wordt een weten. Stil en heilig weten, waarvan je toch steeds weer de delen terug vindt in al wat je ontmoet op je paden. Dan moet je die vormen durven laten gaan. Dan is het goed, dat je ooit eenzaam, geweest bent, dat je niet jezelf als een belangrijk punt, een centrum van allerhande stoffelijke dingen hebt gezien.

Och, het kan bitter zijn. Maar het is zo’n grote vreugde, wanneer je verder gaat. Al wat ik niet heb gehad op de aarde, een man, kinderen, dat mis ik nu niet meer, want wat ik toen niet wist, en nu begrijp, die de bleke wanhoop op mij vaak deed grijpen om in woorden uit te storten in beelden van droom en de diep doorleefde werkelijkheid van eigen bestaan, hebben mij meer kinderen gegeven, hebben mij meer innige banden van geest tot geest verschaft dan een ander leven ooit had kunnen doen. Hier heb ik een mens wat tranen gegeven en daar een mens een ogenblik van bevrijding. Hier heb ik getroost en daar raad gegeven en ik wist het zelf niet eens. Ach, hoe kan ik u dat allemaal duidelijk maken? Hoe kan ik u dat beschrijven?

Banden, die je daden vlechten, zodat je niet beperkt en bekrompen in kleine kring vast geketend blijft, maar naar alle kanten over wereld en zijn, door alle sferen heen je geest gegeven hebt aan anderen en daardoor leeft in anderen. Wanneer je dat begrijpt, leven die anderen ook in jou. Dan is het zijn zo vol en zo groot en zo goed. Dan ga je denken aan God, omdat je niet anders kunt. Dan is God meer dan een lichtende droom, zelfs meer dan een tintelen in je eigen bestaan, dat je voelt als een lachende onmetelijke vreugde. Dan is God meer dan een bloei van alle zijn en bestaan, ach, hoe kan ik er een woord voor vinden? God is de vervulling van al de verlangens en dromen, de ongewenste zelfs. Een volheid van vreugden, waar in je verdrinken kunt en toch leven. Een beker van kracht, die nimmer ledig is. Een band met het geheel der schepping, die nooit verbroken kan worden. Ik kan de woorden niet vinden. Het spijt mij. Ik kan ze niet vinden. Ik weet niet eens, of zij er zijn. God is een beleven, dat je gehele zijn in beslag neemt. God is een ademloos één zijn met al het geschapene. God is de oplossing van alle raadselen en problemen. God is alles, waar je van droomt en waarop je nooit durft hopen. God is zo groot, dat je in volmaakt geluk de grenzen van het geluk steeds verder kunt uitschuiven, totdat je de einder van je eigen wezen, van je eigen geluk niet eens meer zien kunt en nog altijd worden vreugde en wezen groter. Wat deert het dan, wanneer je op aarde misschien een beetje geleden hebt. Wat deert het dan, of de trage pen je gedachten verminkte.

Wat geeft het dan, wie of wat je geweest bent, wanneer je kunt worden tot een lichtstraal van levende vreugde. Wanneer je kunt zijn deels levend en lachend in de volheid van krachten, die je kent als de eeuwigheid. Jezus is de weg voor gegaan. Velen hebben Hem gevolgd. Maar ieder moet de weg vinden op zijn wijze. En dan komt er iets, dat geen beloning is. Denk toch niet, dat God ons omkoopt om braaf te zijn. Maar iets, dat de waarheid van het bestaan is, wanneer wij ons zelf vrij kunnen maken van de ketenen, die het denken ons oplegt. Nu ga ik u weer verlaten. Een ogenblik, als wat licht samen geweest, gebundeld tot een korte straal heb ik met hulp van anderen tot u kunnen spreken. Nu keer ik weer terug in de lichtende vreugde. Wanneer er gedachten zijn, die uit reiken naar dat licht dan tracht ik ze te vullen met het zijn, dat ik zelf geworden ben. Wanneer gij tot mij roept, ook de uwe, moge dat licht, dat Gods licht is, wie het ook brengt, in u branden en u tonen, dat het leven goed is, omdat het een bevrijding is van ketenen.

o-o-o-o-o-o

Na het eerste deel, dat misschien voor u tamelijk inspannend was om aan te horen, lijkt het mij verstandig een klein beetje een wat lichtere kost te nemen voor de tweede helft. Daarom zou ik met u willen spreken over de wereld van de lach.

Wanneer ik dat zeg, bedoel ik natuurlijk niet de ettelijke tijdschriften, die daarop gebaseerd zijn etc. Zelfs niet alleen maar de humor en het lachen zelf. Men zegt, dat de mens zich van de dieren onderscheidt, doordat hij kan lachen. Ik geloof, dat dat niet helemaal juist is. Tenminste betreffende hetgeen de mens lachen noemt. Maar wat betreft de echte lach zelf, meen ik toch wel, dat wij het als eigenschap speciaal aan de hogere wezens toe mogen kennen. Dit komt o.a. naar voren met een heel aardige vorm in de uitdrukking, waar wordt opgemerkt, dat de stille glimlach is als een gedachte, die zich zelf vindt. Een glimlach is hier natuurlijk een typisch deel van de Chinese uitdrukkingsvorm. Maar de wijze waarop zij wordt gekarakteriseerd mogen wij voor elke ware lach aannemen. Elke lach houdt iets in zich van zelf spot en van zelferkenning. Er bestaat wel een geluid, dat men lachen noemt, dat een soort Victoriekreet vol leedvermaak in over de ongevallen van anderen. Dit zou ik echter in de wereld van de lach uit willen schakelen. Dit ligt zuiver in de wereld van de lusten en vrezen, maar daarboven, de wereld van de lach, erkent het op een andere wijze. De lach is een beschouwen van jezelf en een erkennen van de ongerijmdheden van jezelf. Ook wanneer je die in anderen gespiegeld ziet, de ware lach is een vreugde teken van zelferkenning. Dit op zich zal U waarschijnlijk ietwat ongerijmd schijnen. Ik zal mij dus haasten om dit met waardevolle bronnen te beleggen, trachten te bewijzen, dat ik niet de enige ben en onze wereld niet de enige is, die zoiets meent. In de leringen van Boeddha, zoals die gegeven word aan Annakanarida staat het volgende:

“Waarom zoudt gij de lach uit uw wezen bannen? Want indien gij de gehele wereld ontzegt, zo zult gij u zelf niet ontzeggen. Wie zich zelf niet ontzeggen kan, die is de lach een geschenk der hoogste macht. Een lach verdrijft de duivelen der hel. Een dag, waar in een lach klinkt, breekt de ban van de sferen der hemelen. De mens, die lacht, erkent in die lach iets van het grote Nirwana, van de grote vrede van het innerlijk zijn”.

Dit is dan toch gezegd door een groot leraar. Wat dat betreft, schijnt hij het dus wel met mij eens te zijn. Pardon, laat mij niet verwaand worden. Ik voel mij geneigd hier te lachen; om de wijze van deze uitdrukkingswijze. M.a.w. ik zie mij zelve als een heel klein ventje naast deze geestelijke reus. Ongeveer hetzelfde als een keffertje, dat zegt: “Nu, ik neem vandaag het vrouwtje even mee uit”. Maar goed. Ik heb nog wel meer peilen op mijn boog, die uit uw wereld stammen. Het is in de Koran niet opgenomen, maar:

“Indien uw lach een waarheid erkent, zo is zij een geschenk van God”.

Ook heel aardig, wanneer een lach dus het erkennen van een waarheid is, zit er iets Goddelijks in. Ik geloof, dat wij het daar wel eens mee kunnen zijn, want, wanneer wij iets als waarheid erkennen en wij durven daarom te lachen, dan betekent het, dat wij in de eerste plaats de zaak niet al te ernstig nemen. Wij begrijpen het als iets, dat in ons zelf leeft en wat er buiten ons bestaat, interesseert ons minder, wij vinden het alleen komisch op deze wijze ons zelf te herkennen. Ook in de oudheid heeft men waarheden en wijsheden over de lach geschreven. Ik citeer hier een bekende Atlantische spreuk, die lange tijd boven een altaar stond gegrift:

“De Lach is het scherpste wapen. Wie het wapen tegen zichzelf keert, dood in zichzelf het niet-Goddelijke.”

Nu schijnt dat in die tijd nodig geweest te zijn, waar men het in die tijd schijnbaar nodig vond om steeds een ander bespottelijk te maken en daarmee te lachen. Overigens is het opvallend, hoe een dergelijke lach lijkt op het geluid, voortgebracht door een wezen, dat bij de mensen als niet zeer intelligent bekend staat. Wanneer er iemand vol leedvermaak lacht, dan heb je n.l. vooral de kans, dat hij of zij begint te hi-ha-en. Maar goed, laat dat even rusten. Ik hoop dat ik u met deze enkele citaten althans aannemelijk heb gemaakt, dat de lach op zich zelf waardevol kan zijn. Nu gaan wij proberen, die wereld van de lach te vinden, want die strekt zich uit over heel wat sferen. Degenen onder u, die kennis hebben gemaakt met enkele onzer vrienden, zoals bv. de kapitein, zoals u hem noemt, de koloniaal, een, die u misschien niet meer kent, geheten Dorus en dan natuurlijk onze vriend Henri, hebben u wel gemerkt, dat aan een zin voor humor en een lach ook bij ons niet ontbreekt. Maar wat is het wezen, de kern van die lach? Mag het sarcastisch zijn? Neen, een sarcasme kan alleen een ware lach geboren doen worden, wanneer het in de eerste plaats op de persoon, die het brengt, in de tweede plaats pas op de wereld wordt toegepast. Dan kan men inderdaad lachen, waar men dan zich zelf, die eigen eigenwaan bespot. Wat mag dan verder nog die lach in zich dragen? Moet zij altijd zoetsappig zijn? Ach, neen. De ware lach heeft iets in zich van een Pantagruel, een zekere haast ruwe levenslust. Een levenslust, die de feiten neemt, zoals zij zijn en de dingen bij hun naam noemt. Vaak wordt de lach dan geboren uit een aan anderen aangepaste uitdrukkingswijze. Indien bv. iemand naar u toekomt en zegt: “Ik moet even mijn handen wassen”, wanneer je voelt, wat daar vaak achter zit, zou je om de eigenaardige verschuiving der ideeën soms kunnen lachen. Maar dan moet die lach meteen in zich houden; kijk, zo gek doe ik nu zelf ook. Ik ben er net zo verlegen mee. Juist omdat, die lach voortdurend de fouten in het “ik” erkent, is de Wereld van de lach niet zonder weemoed. Een weemoed, die ongetwijfeld in vele gevallen betekent een betreuren van iets, dat nog niet bereikt is. Deze wereld van de lach brengt vele verschillende personen op de voorgrond. Ik heb mij veroorloofd, om, aannemende, dat u dit goed zoudt keuren één van de groteren uit die wereld van de lach op uw aarde aan te spreken en te vragen, ook zijn eigen zienswijze hierover te geven. Begrijpen wij echter goed; elke ware lach is een bewustwording. Juist omdat dit zo is, moogt u aannemen, dat degenen, die de lach werkelijk geboren kunnen doen worden op de juiste wijze, meer meewerken aan de bewustwording der mensheid dan velen, die in een voortdurende ernstige statigheid de mensheid vangen in ideeën, waarvan zij een werkelijke realisatie meestal niet kunnen vinden. Ik geef nu het woord over aan één van degenen, die, ondanks zijn misschien wat stormachtig leven op aarde, toch behoorde tot de bewoners van de wereld van de lach in uw wereld en zelfs in uw eigen land.

o-o-o-o-o

Wanneer wij zo zitten te praten over de lach, dan zijn er altijd zo’n hele hoop dingen, waar je eigenlijk eens een ogenblikje bij stil zoudt moeten staan, want in een programma, waarin wij wat aardigheid zoeken, wordt het altijd weer een probleem; wat zal ik de mensen nu eigenlijk voor gaan zetten? Natuurlijk hoort er wat sentiment bij, want ze zijn nooit tevreden, wanneer zij niet tenminste een traan hebben kunnen laten. Maar aan de andere kant moet je ze toch eigenlijk de lachspiegel voorhouden. Dat doe je dan natuurlijk op een beleefde manier. Ik weet tenminste wel, dat ik, in net cabaret opkomende, tegen mijn vleugel aan staande, altijd de mensen onmiddellijk opnam, om te kijken; wat zitten daar nu voor mensen? Dan zag ik daar van die zakenlieden met ernstige fronshoofden. En met natuurlijk heel andere begeerten, want anders dan zouden zij niet bij mij in het cabaret zitten, nietwaar? Dus dat was dat altijd goed voor een paar mopjes over een zakenman en zijn secretaresse. Als u hoorde, hoe die mensen dan konden lachen….. Dat was aanstekelijk. Het was een gebouwtje van hout en ik was bang, dat, als ik te ver zou gaan, de fundamenten er aan gingen. Dus ging ik maar gauw over tot de fijnere nuances. Dan hoort er natuurlijk een liedje bij. En als je een liedje zingt, ach, als je het maar netjes doet, dan komt het er niet op aan, of je wel zingen kunt. Ik weet bv., dat ik een keer eens een liedje zou willen zingen, dat was nog in het gezelschap – mijn zuster was er ook nog bij – de titel was “Marietje”’. Zo maar, zonder meer.

Dat viel eigenlijk een klein beetje in verkeerde aarde. Toen vroeg ik mijzelf af; wat mankeert er eigenlijk aan dat versje? Ik heb het dan ook nooit aan de buitenwereld voorgezet, ofschoon het van een heel goeie tekstschrijver was, waar ik heel lang mee gewerkt heb. Toen ben ik dat eens gaan ontleden en toon dacht ik; verdorie, ja, jullie hebben gelijk, want in dat versje maakte ik niet iets zieligs op de één of andere manier acceptabel, of zo maar belachelijk, maar jullie voelen jezelf ook een klein beetje genomen. Mijn zus zelf ook. Die was ook niet zo mooi. Dus wat krijg je dan? Dan zeggen ze; ja, maar denken anderen soms zo over mij? Dan lachen ze niet meer. De kunst van het lachen en vooral ook het anderen aan het lachen te brengen, dat is eigenlijk, het te zeggen op een manier, dat ze weten, dat zij er zelf ook mee bedoeld zijn, maar toch aan een ander over kunnen geven, weet je wel. Zo heerlijk van; daar staat hij in het hoekje, hij staat er weer te kijken naar alle schone mensen, die met een bloempje prijken, dan denkt hij aan de bollen, maar heeft geen halve cent en is dan met die blommen nog heerlijkjes content. Allemaal….. u kent dat wel, ja, dat zijn zo van die dingen, daar moeten jullie allemaal mee opletten, luitjes, want als zij zichzelf zo met een halve weemoed wel eens betrapt hebben op het kijken naar al die slingers, die er hangen en ze naar de bollenvelden zijn geweest, dan vinden ze zo’n liedje

een beetje zielig. Dan denken ze; dat heb ik op een andere manier ook. Dan voelen zij medelijden met zo iemand. En dat is natuurlijk niet de bedoeling. Neen. Dan heb je veel meer aan een liedje, waarin je die avonturen zo beschrijft van iemand, die naar de bollen gaat. Dat werd dan ook meteen een succes. Dat gaat precies hetzelfde met de gewonere dingen. Daar heb ik niet over gesproken en gezongen. Ik heb gezongen over een “bakkie koffie en over het “stille strand”. Ik heb gezongen over een “arm mannetje, een “aardig vrouwtje, over een “roeipartijtje op het water”, Ik heb zelf eens gezongen over een “vatenkwastje” en een “teiltje”. Maar altijd moest je er voor zorgen, dat de mensen eerst konden kijken naar het belachelijke er in en daarna pas soms niet zonder ontsteltenis tot de ontdekking kwamen; ja, maar dat ben ik eigenlijk ook. Wanneer de mensen zo aan het lachen kunt brengen, dan kun je zeggen, dat er werkelijk aardigheid aan zit. Als ik op het ogenblik een liedje over de mensen zou moeten schrijven, want ik heb er zelf ook wel geschreven, dan zou ik waarschijnlijk schrijven over een mierenhoop. Zoiets, waarbij de mieren aan alle kanten te hoop lopen en in werkelijkheid hun hele wereld met een paar kranten kan worden toegedekt en de echte wereld zich van het oproer in de mierenhoop maar dan ook niets aantrekt. Maar het zou te filosofisch zijn. De mensen zouden er niet om lachen. Om mijzelf heb ik ook wel eens moeten lachen.

Dan dacht ik; jonge, nu heb je daar net over alle ellende van bridge en van echtscheiding gesproken en daar zit je met een borreltje en een kans op echtscheiding naast je te bridgen.

Dan ben je eigenlijk een idioot, je weet dat het niet past en je gaat toch je gang. Had ik een hele serie moppen verteld over ruzie op een avond en het zat me niet goed, ik kon er met de stem niet bij op zo’n avond, dan kwam ik thuis en dan had ik wel stem om ruzie te maken en lastig te zijn. Dan dacht ik wel eens bij mijzelf: kerel, je bent eigenlijk een belachelijk mens, als je het goed bekijkt. Maar ja, de wereld heeft mij altijd een groot man genoemd. Tenminste in mijn eigen kleine omgeving. En waarom zou ik niet groot zijn? Alle mensen zijn groot?

Alleen is de mens niet zo groot, als hij zichzelf ziet. Nee zeg, stel je voor, dat alle mensen zo groot zouden zijn, als zij zichzelf zien. Dan zouden ze er met de huidige woningbouwproblemen helemaal niet uitkomen, want dan zouden ze plafonds van 3.20 m hoog moeten maken. De kunst is, jezelf zo groot te zien als een ander je ziet, dat je net iets kleiner bent. Dan kun je altijd lachen ook. Er is eigenlijk een hele wereld, waar je allemaal om kunt lachen. Je moet niet denken, dat het bij ons een saaie boel is, hoor. Ook al hebben wij geen Kurhaus-cabaret. Waarom zouden wij het ook wel hebben? Maar we hebben toch wel een hele hoop dingen; die mooi en goed zijn en waar je ook wel eens om lachen kunt. Maar het meeste lachen wij nog om ons zelf. Wanneer je denkt, dat het net past, dan kom je niet meer vooruit en ben je net klein Duimpje zonder zevenmijlslaarzen. Durf je dan om je eigen kleinheid te lachen, dan ga je ineens vooruit. Waarom? Omdat je de verhoudingen ziet. Het hele spel van het lachen is een kwestie van verhoudingen. Van het mopje vol leedvermaak af, dat gaat over schoonmama, die de vaten staat te wassen en tegen schoonzoon zegt: “Droog af”, waarop schoonzoon schoonmama afdroogde, de vaten in puin gingen en schoonmama wegliep, tot het mopje van de meneer, die deftig loopt en op een gegeven ogenblik een dubbeltje in een putje laat vallen. Toen die man in de put zat, graaiende met zijn vingers naar het dubbeltje en het eindelijk vond, kwam hij tot de conclusie, dat hij een taxi moest nemen van drie gulden om nog op tijd op kantoor te zijn. U lacht erom. Leedvermaak. U ziet het belachelijke ervan in.

Maar kom lui, laten wij eens een keertje eerlijk zijn. Laten wij het nu eens werkelijk een keer zo bekijken, zoals het is. Wat doe je in je leven? Hoe vaak zitten jullie ook niet naar een dubbeltje te peuren? Als je dan later aan onze kant komt, betaal je de rekening niet voor één, maar wel voor vijf taxi’s. Enfin, je hoeft geen fooi te geven, dat valt alweer mee. Hoe vaak laat een mens niet uit louter hebberigheid, alleen, omdat hij het niet hebben kan, dat er iets verloren gaat, zonder dat er iets voor terug komt zijn leven niet kapot gaan? Nu, daar kan ik over meepraten. Dus als er een dubbeltje valt, dan nemen wij toch doodgewoon de tram. Als het niet anders kan, dan gaan wij lopen. Dat is altijd nog goedkoper dan een taxi. Ga je aan het zoeken, dan is het altijd nog maar de vraag, of je het dubbeltje terug krijgt. Laten wij toch ook nooit verstrooid zijn. Dat was ook altijd zo’n heerlijke aanloop. Dan begon je te vertellen over de professor. Vooral in het begin heb ik er ontzettend veel over gesproken.

Dan had ik het over die professor, die zo verstrooid was, dat hij op een gegeven ogenblik in bed lei en tegen zijn vrouw zei “Zeg kind, ga mij even uit bed halen, want ik heb per ongeluk de paraplu in bed gelegd.” Bij die mensen is het altijd hetzelfde met dat lachje. Als je het goed bekijkt, zit er meer achter. Hoe vaak zeggen wij niet, dat wij anders zijn dan wij zijn. Dat zeg je dan tegen de wereld. Je kunt niet zo lang met de vrouw getrouwd zijn, of je zit nog meer aan de wereld vast, hoor. Zolang je in die wereld bestaat, doe je er niets aan. Dan zeggen wij tegen die wereld ook zo iets van: dit ben ik niet, ik sta in de paraplubak op het ogenblik. Stel je voor, dat je de wereld zo gek krijgt, dat ze je geloven. Dan gaan ze je halen en vinden je nog een Houten Klaas ook. Al denk je nog zo hard, dat je wat bijzonders bent. Als die mensen maar eens om zichzelf durfden lachen. Als ik het had over mensen, die aan het stille strand van Scheveningen met allerlei avonturen zaten, dan zat de hele zaal te lachen.

Dachten zij; ja, zo zijn die dagjesmensen, die hebben toch geen geld om hier in het cabaret te zitten, kunnen wij rustig lachen. Dat gaat niet over ons. Stel je nu eens voor, dat ik het anders had gezongen, dat ik had gezegd; zij trekken naar het strand met zonnecrème gewapend, zij kijken naar elkaar en lopen maar wat rond. Eerst moeten zij wel heel goed uit gaan slapen, zij maken ‘s avonds laat het leven veel te bont. Zij leven in de kroegen en doen vooral aan dansen en noemen dat een heerlijk zomerspel aan het strand. De grootste sport van hen is met iedereen te sjansen. Gaan zij huiswaarts weer, maar half uitgeslapen, dan hebben wij weer thuis nog liederlijk het land. Had ik zoiets gezongen, dan hadden zij allemaal gezegd; die vent deugt niet. Daar hadden zij niet om gelachen. Dat stond te duidelijk op de voorgrond. Maar zeg je het op zo’n manier, dat zij kunnen denken; dat gaat over een ander. Om later te zeggen; nu ja, ik hoor er toch eigenlijk ook bij, dan durven zij te lachen. De wereld van mijn lach was de wereld van de mensen, die de waarheid, zoals hij is, niet durven zien, maar hen met hun hakken voelen en dan net doen, of het een ander is, waar het op slaat. De wereld van de lach is een licht bewustzijn, waarbij je voor jezelf denkt; geen mens merkt er wat van, lach dus maar, wat geeft het. Nu heb ik daarnet mijn naam door één van jullie horen mishandelen, maar wat of wie ik ben, gaat jullie geen steek aan. Ik heb mijn tijd gehad en ik heb er van gemaakt, wat ervan te maken viel, volgens mijn idee. Ik weet nog niet zeker, wat ik ervan gemaakt heb, groentesoep of snert. Maar ik vrees het laatste. Het beroerde is altijd, dat je zelf niet bent, wat je tegenover de buitenwereld schijnt. Aan de andere kant heb ik altijd geprobeerd om niet beroerder te zijn, dan ik moest zijn. In ieder geval heb ik niet alleen de anderen wel eens over zichzelf laten lachen, maar er zelf ook aan mee gedaan. Als jullie dat nu voor jezelf ook leren, wie weet, misschien komt er nog eens een nieuw cabaret daar op het Gevers Deynootplein. Of je zestig of twintig bent, als je de juiste manier hebt om de mensen aan te pakken, dan kom je er. Maar je moet dan ook de moed hebben om over je eigen te lachen. Want, wanneer je alleen maar over de andere mensen lacht vanaf een podium, dan lusten zij je toch niet.

o-o-o-o-o

Zo dat was een kleine illustratie. U merkt wel, er zit hier misschien niet zoveel diepzinnigheid in, als het eerste onderwerp, maar, wanneer u dat heeft kunnen verwerken, vooral de geestelijke tendens er van, is dit als naspijs nog zwaar genoeg. Wanneer wij over de lach spreken en over de wereld van de lach, dan brengt deze entertainer het zo goed naar voren; je moet om jezelf durven lachen en de wereld de gelegenheid geven om schijnbaar om een ander te lachen, terwijl ze zelf weten, dat zij ook zo dwaas zijn. Dan komt men al een heel eind weg. Daarmee is dan misschien nog meer dan met de citaten, die ik naar voren bracht, wel bewezen, meen ik, dat de lach, de ware lach, iets inhoudt van een zelfherkenning.

Een bewustwording in jezelf. En daarmede ook de mogelijkheid, wanneer wij maar ze in het juiste perspectief zien, ze terug brengen tot het begeerde, zuivere en reine punt, waarop de geest uzelf het licht in zich sterker en sterker voelt worden. Ik hoop, dat u dit als demonstratie niet onpassend vindt voor deze bijeenkomst. Maar zoudt u dan werkelijk vinden, dan zou ik u aanraden; Lach eens om u zelf. Per slot van rekening, wanneer je in de gewichtigheid der diepzinnigheid de realiteit verliest, ben je als een dronken man, die drie lantarens ziet, waar er maar een staat. Het blijft dan altijd de vraag, of je de goede vast pakt, of dat je uitglijdt. Wees een beetje reëel. Durf te lachen om jezelf en om een ander en onthoudt, dat, hoe oud je ook wordt en in welke wereld, of sfeer je ook terecht komt, je, zolang je kunt lachen om je zelf en om de dingen rond je, je in bewustwording verder gaat. Je hebt juist daarin een aangenaam en machtig wapen tegen de wereld van waan, die je anders dreigt te overspoelen.