Een wapen tegen angst

uit de cursus ‘Levensproblemen van de moderne mens’ 1956

Uit de voorgaande lessen hebben wij allen kunnen leren dat de angst een van de meest fatale drijfveren is in het bestaan. Angst en zelfverheffing zijn de krachten die de levensproblemen van de moderne mens tot aanzijn brengen. Het is begrijpelijk dat wij tegen deze angst moeten strijden. Echter een wapen te vinden tegen deze bijna ons gehele leven beheersende kracht is moeilijk.

In de eerste plaats hebben wij natuurlijk de mogelijkheid van het geloof. In het geloof kan men de verantwoordelijkheid voor het leven zo ver van zich werpen, dat men zich hierdoor gerechtvaardigd acht in alle daden, gedurende alle toestanden en bij elk gebeuren. Hierbij kan dan inderdaad de angst worden uitgeblust, tenzij wij het spookverschijnsel zien van een dreigend hellevuur, dat de meer reële angsten komt vervangen.

In het geloof zekerheid vinden, zou echter ook betekenen: de realiteit van de wereld, van het eigen bestaan, ja, zelfs van een groot gedeelte van de eigen persoonlijkheid verwerpen. Indien wij tegen de angst een dergelijk wapen zouden gebruiken, zou een overwinning van de angst weleens fataal kunnen worden voor onze levensmogelijkheid in stoffelijke en zelfs fijnstoffelijke vorm. Dit is voor ons in de Orde niet acceptabel.

Een ander wapen tegen de angst is het volkomen uitleven van jezelf en het verwerven van een machtsbesef, het vluchten voor al wat sterker is en een omgeving zoeken waarin het sterke niet meer tot uiting komt. Maar dit betekent een vernedering. Wij zouden bv. kunnen terug vluchten in de wildernis. En in die wildernis levend, bevrijd van de strijd van de mensen, ons kunnen handhaven tegen de dieren. Wij voelen ons dan moedig, goed en sterk. Maar de vraag is, of zelfs dan de angst altijd van ons verwijderd zal blijven. Want in ons weten wij dat buiten ons ergens een sterkere bestaat; en wij vrezen diens kracht. Dus, ook eenzaamheid, de afzondering, is niet aanvaardbaar.

Andere groeperingen zoeken een wapen tegen de angst in het weten. Nu geef ik toe dat het weten meer dan één van de voornoemde mogelijkheden een scherp zwaard kan vormen, waarmee men de angst uit zijn leven kan bannen. Naarmate men meer weet, zal men minder vrezen. Want het is niet wat men kent dat men vreest. Maar juist de onbekende factor die men nog niet voldoende beseft, nog niet geheel kan beheersen. Maar er zijn factoren, die zich ook aan het weten onttrekken.

Als men u vraagt: “Wat is er in het leven na de dood?”, dan kunt ge met schijnbare zekerheid antwoord geven, maar nooit met volkomen zekerheid. Het kleine verschil tussen de schijnbare en de volkomen zekerheid is voldoende om in u nog bepaalde angsten te laten bestaan. Men zou kunnen zeggen dat uw wereld, indien ge wéét, nog steeds door spoken wordt bezocht. Vreemde, met ketenen ratelende geesten, die opduiken en tegen alle rijm en rede in, tegen al uw wetenschap en kunde in, een ogenblik een fantastisch spel opvoeren om dan weer te verdwijnen.

De onverklaarbare raadselen in het Al zijn vele; en elk van die raadselen brengt u de angst dat er iets anders achter verborgen gaat. Kunnen we de studie, het zoeken naar kennis van zuiver materiële zowel van meer esoterische aard, een goed wapen noemen; een volmaakt wapen is het niet.

Dan rest ons slechts te gaan zoeken naar een wapen dat in ons de angst kan doden, buiten ons kunnen we dat niet. Onze projectie naar de buitenwereld laat ons geen voldoende mogelijkheid om al hetgeen ons voortdurend opjaagt en vervolgt uit te schakelen of te erkennen voor wat het is. Te veel raadselen zijn er rond ons. Te veel verborgen hoeken, die in het schemerig duister van een half-weten spookvormen krijgen. De schijngeesten, die op het kerkhof schijnen te staan en die eerst op het laatste ogenblik, als je voorzichtig aarzelend verdergaat, zich onthullen als onschuldige witte berken. Neen, in onszelf moeten we zoeken. Wat voor waarden heeft de moderne mens dan, die het hem mogelijk maken uit zijn innerlijke gesteldheid, zijn persoonlijkheid, het wapen te maken dat de angst afweert?

In de eerste plaats hebben we een zeker geloof nodig. Maar dat is een geloof dat in bijna iedereen leeft. Wij moeten geloven in de continuïteit van het bestaan. Als we weten dat dit leven maar een kort ogenblikje is in een totale ontwikkeling, dan wordt de belangrijkheid van ons beleven zozeer teruggebracht tot nietigheid, dat wij ons niet meer overstelpt voelen door wat er met ons gebeurt. Wij zien het gebeuren meer onpartijdig en hieruit alleen reeds putten wij kracht.

Nu is het niet noodzakelijk dat wij in een persoonlijk voortbestaan geloven. Natuurlijk, er is een persoonlijk voortbestaan. Daarvoor sta ik u met mijn wezen en mijn ervaring borg. Maar zelfs indien ge daar niet in gelooft, indien ge gelooft dat in het korte ogenblik van uw leven uw hele bestaan voltooid is, dat met uw lichaam ook uw bewustzijn te gronde gaat en wordt opgelost in het totaal van de schepping, dan nog is het een krachtig wapen, als we begrijpen dat de wereld voortgaat, dat de wereld groot is. Zichzelf terugbrengen tot de ware proporties binnen de wereld waarin we leven, onze voorstelling loslaten van het ik-heidje, tronend te midden van een wereld geheel op het “ik” gericht, lijkt mij wel noodzakelijk. Dat ikje moet onttroond worden. Dan eerst zien we de ware proporties en hebben we ook een begrip, waardoor het ons mogelijk wordt om alles met open ogen tegemoet te treden. De mens, die niet vlucht, overwint de angst, zelfs als die hem keer op keer zal bedreigen.

Er zijn ook punten waar het weten ons kan helpen. Velen vrezen pijn. Maar wat vreest de mens? Meestal een pijn die groter is dan hij met waardigheid meent te kunnen dragen. De ervaring leert ons dat de mens nooit meer pijn kan lijden dan door zijn organisme te dragen is. Wordt die grens overschreden, dan valt het bewustzijn uit en is er geen pijn meer. Het weten dat je de dingen aankunt, is ook een machtig wapen tegen de angst.

Dan: beseffen hoe het leven is. Dat dat leven niet afhankelijk is van wat je rond je hebt opgebouwd. Dat je leven kunt en zelfs vreugde hebben, als alles wat je bezit je wordt ontnomen. Dat je de kunstmatige droefheid over verlies van je kunt afzetten; de waanideeën die je vast kluisteren jaar na jaar, aan een schim, aan een herinnering, van je afgooien. Ook dat verdrijft de angst. De angst voor het verlies, maar ook de angst voor het leven. Je moet altijd weer terugkeren tot een natuurlijke relatie tussen jezelf en de buitenwereld. En zo kun je een wapen tegen de angst opbouwen. Een machtig wapen.

Het wapen tegen de angst, dat ik u wil aanbevelen, kan ik eigenlijk in één zin samenvatten: wees je bewust van het zijn en weet jezelf daarin geborgen. Dat omvat alles. Je bewust zijn van het leven, van het bestaan ‑ niet alleen van jezelf, maar van de gehele wereld. Je bewust zijn van het feit dat geen mens kan sterven en daardoor de wereld ook maar iets kan veranderen. Begrijpen dat vreugde of smart van de mens de tijd niet doet stilstaan. Dat er geen vorm verandert, indien een mensheid wordt weggevaagd uit het Al. Het leven gaat verder. Het zijn is eeuwig en onbeperkt. Je bent deel van dit zijn, eeuwig, zoals wij dit geloven. Beperkt misschien tot de periode van een kort leven, zoals een mens dit kan zien. Maar wij zijn met het zijn verbonden. Niets kan ons vernietigen. De indruk die wij in het leven hebben gemaakt, gaat nooit te gronde. Heel dit zijn openbaart zich voortdurend aan ons. En als je dit leven durft accepteren voor wat het is, als je afstand durft doen van je dromerijen, dan heb je de angst overwonnen.

Een wijsgeer zei eens: “De angst van de mensen is de droom in hun hart, die zij niet kunnen overwinnen.” En dat is waar. Nuchter zijn. Tegenover de wereld durven staan, zoals je bent. Het leven durven accepteren, niet als wat je je ervan voorstelt, maar als een werkelijkheid. Van dat leven durven nemen wat het bieden maar niet méér vragen dan het geeft. Dat is het wapen tegen de, angst. Ik wil u een voorbeeld geven om dit toe, te lichten:

Een mens is gelukkig gehuwd. Hij heeft kinderen, een rijke woning, een tuin, een auto, wat huisdieren misschien, een goede betrekking. Hij geniet eer en aanzien bij de mensen. Nu weet deze mens wel dat een groot gedeelte hiervan niet een rechtmatige verdienste, een zelf bereiken is geweest. Dientengevolge vreest hij en bouwt zich een schijnwereld op. Een wereld waarin hij wel iemand is die dit alles terecht heeft bereikt en verworven.

Nu sterft de vrouw. Dat laat natuurlijk een leegte achter in ieders leven. Maar die leegte betekent alleen maar dat in het leven van nu deze gestalte niet meer voorkomt. Zij blijft ons even nabij en dierbaar; alleen, ze bestaat niet meer op dit vlak. Misschien is ze uitgeblust maar in ons leeft ze voort.

Deze mens gaat nu zeggen: “Nu kan ik niet meer. Mijn perfect uitgebalanceerd wereldje is gebroken. Ik kan niet verder.” De huisdieren vluchten en verwilderen. De tuin vervalt. En heel gauw blijft er niets meer over.

Dan zegt deze mens; “Ik word door het noodlot achtervolgd.” Hij is neerslachtig, ziet overal vijanden om zich heen en tracht tenslotte een einde aan het leven te, maken, ergens in het smerige koude water of in de bedwelmende stankdampen van de gasketel. Zo’n mens wordt door de angst beheerst.

Nemen we nu het tegenovergestelde. Iemand accepteert het feit. Goed, deze periode is afgelopen. Maar ik heb nog zoveel. Daarmee ga ik verder. Wat gebeurt er dan? De kinderen hechten zich meer dan voorheen aan deze ene persoon die voor hen thans het gezin betekent. Het huis krijgt zijn goede verzorging en blijft intact. De huisdieren ver­keren in goede conditie. De zaken gaan verder. Er wordt een compensa­tie gevonden. Het leven is anders geworden, maar het kent zijn vreugde en zijn waarde. Deze mens verwerpt niets wat het leven geeft. Hij blijft accepteren. Hij houdt zich niet vast aan wat hij zou willen, aan wat hij droomt of aan wat misschien mogelijk zou zijn, maar zegt: “Zo zijn de feiten.”

Een ander voorbeeld, een beetje romantisch misschien: Een mens wordt gegrepen en zal worden gegeseld. In haat en angst wacht hij de pijn af. Vóór de eerste slag valt, heeft hij geestelijk al duizend keer zoveel geleden als het lichaam zou kunnen ondergaan. Hij droomt, dat hij  dit niet kan accepteren, dat dit onmogelijk is. Die mens lijdt. De geseling zelf wordt lichamelijk doorstaan. De geest is voorgoed gebroken. Die mens zal nooit meer zichzelf zijn. Hij blijft angstig door het leven dwalen, kijkend naar schimmen die ergens in de verte zitten, die nooit naderbij komen maar altijd voortjagen.

Nu een ander mens. Hij weet: ik moet dit ondergaan, ik kan er niet aan ontkomen. Hij zegt: “Nu ja, dat het kome.” Die mens zal misschien, juist doordat hij zich minder zorgen maakt, nog een bezigheid vinden gedurende de periode van afwachten. Hij zal iets waarnemen, iets leren, een ander steun geven. Nu komt de geseling. Natuurlijk de pijn is er. Ze wordt ondergaan, maar zonder de idee van “dit kan mij niet gebeuren”. Het is een ogenblik en daarna is het voorbij. De geest blijft sterk. Als het lichaam het doorstaat, is deze mens dezelfde, misschien zelfs nog sterker door het ondergane lijden. Dat is het verschil tussen een mens die zich vastklampt aan zijn dromen van eigen belangrijkheid en gewichtigheid, zijn eigen wezen en de mens die de werkelijkheid accepteert.

De moderne mens heeft dromen nodig. Het leven zelf in zijn gemechaniseerde, materiële perfectie kan niet voldoende stof bieden tot vrede en bevrediging. Maar die droom mag zich nooit plooien om het eigen “ik” als het middelpunt. Zij mag nooit een tweede werkelijkheid scheppen die men niet aanvaardt.

Deze wereld is vol van angsten. Deze gehele wereld vreest wat er morgen zou kunnen gebeuren. Deze wereld vreest wat anderen zouden kun­nen doen. En zozeer is deze mensheid in haar waan gevangen, dat ze niet eens meer spreekt over wat “mij” zou gebeuren, als er een atoombom valt, als er een crisis komt, maar spreekt over “de wereld” en “de gemeenschap”. Men is zelfs te verblind om zich te realiseren, dat al deze angsten en vrezen als geheel voortkomen uit een angst voor de consequenties, die het “ik” daaruit zou moeten trekken.

We moeten eerlijk zijn. Men vreest deze dingen. Ze zijn er niet. Kan men er iets aan doen, kan men er iets aan veranderen door een eigen daad of handeling? Neen. Dan late men de zaak rusten.

De mens die tegen de angst wil strijden op de juiste manier, moet realist zijn. Er bestaan geen spoken. Er bestaan geen geheimzinnige, dwingende machten, tenzij ze met u persoonlijk in contact komen en het u mogelijk wordt gemaakt ermee te werken en u de gevolgen daarvan zelf heeft te ondergaan. Anders bestaan deze dingen niet.

Eigenlijk is het wapen tegen de angst zo eenvoudig dat het velen moeilijk zal vallen het te hanteren. Het komt erop neer jezelf te zijn, zo reëel mogelijk. Het komt erop neer dat je de wereld niet in schijnwaarderingen beschouwt, maar haar ziet zonder daarin te schone of te lelijke aspecten te tekenen.

En de angst voor de dood, zult ge vragen. De angst voor de dood wordt met hetzelfde wapen bestreden. Wij weten dat eens de dood – zoals de mensheid dit noemt ‑ onvermijdelijk moet komen. Men kan die niet afwenden of tegenhouden. Hij komt. Hij is een werkelijkheid. Tot het ogen­blik dat bij komt, denken wij niet aan hem. Het is niet noodzakelijk. Wij doen onze plicht tegenover de wereld en de gemeenschap. Wij leven zo goed als wij kunnen en zo prettig als we kunnen. Wij houden ons bezig met het heden. Wij weten dat onze dood voor de wereld geen werkelijk gewich­tige vermindering betekent. We weten dat er niets zal haperen. Als u sterft zal er geen beeld minder in een bioscoop worden geprojecteerd, zal er geen straaltje zonlicht minder op aarde vallen. Er gebeurt niets.

Dit te weten is op zichzelf al voldoende. Te weten dat je geen verplichtingen tegenover deze wereld hebt na je dood, dat je de dood rustig kunt accepteren als hij komt. En daarna? Dat zullen wij zien, als wij zover zijn. Dat is realistisch. Dan ben je niet bang voor de dood.

Je weet dat, het onontkoombaar is. Maar waarom zou je je druk maken? Je weet dat er een kleine verandering komt in je wereld. Je weet ook dat ze niets betekent. Het noodlot voltrekt zich toch wel. Dus maak je niet druk over de consequenties daarvan.

Zeker, je trekt in het heden alle consequenties uit het feit dat je eens zult sterven, maar meer ook niet. Je gaat je niet druk maken over: wat zal er met mij gebeuren als ik sterf en wanneer zal ik sterven? Dat is van geen belang. Vandaag is de dag, dat je leeft. Vandaag schijnt de zon. Vandaag zijn er nog daden die moeten worden gesteld. Vandaag zijn er vreugden die moeten worden genoten. Vandaag, niet morgen.

Door zo te leven, valt de grootste angst weg; nl. het langzame opbouwen van een climax in jezelf, waardoor op den duur de geestelijke processen meer nog dan de stoffelijke voorwaarden vaak de dood veroorzaken. Je weerstandsvermogen, je kracht wordt dan niet weggevreten door het nadenken over punten die onbelangrijk zijn en het kleine restant dat er blijft, de overgang zelf.

Wat ge zijt, zult ge blijven. Want is er geen leven na dit leven, dan zult gij niet plotseling, getransformeerd zijn tot een andere persoonlijkheid.

En dan komt het spiritisme of spiritualisme, zoals u het noemen wilt en geeft u nog een ander wapen in handen tezamen met vele Oosterse leren. Het zegt u: “Niets is onherstelbaar.” Zeker, wat gedaan is, is gedaan. Maar de fout, die we gisteren hebben gemaakt, zullen we morgen niet meer herhalen. En vandaag denken we er niet aan. We dragen onze eigen wijsheid in ons.

“Wanneer het leven op aarde voorbij is.” zo zeggen deze geloofsrichtingen, “ontwaakt ge tot een ander leven. Een leven in een sfeer of herboren worden in een nieuwe stoffelijke vorm op aarde. Maar gij blijft wat gij zijt.”

Geen reden tot angst dus. Geen angst om iets te verzuimen. Er zijn mogelijkheden te over. De eeuwigheid ligt voor u. Geen angst dat iets onherstelbaar zal blijken. Ge hebt de eeuwigheid om het te herstellen. En zolang ge uzelf niets kunt verwijten dat ge een moge­lijkheid tot herstel voorbij hebt laten gaan, behoeft ge u daarover geen zorgen te maken. En dat is misschien het machtigste wapen dat er tegen alle angst bestaat. Maar het is niet het eenvoudigste. Het is een wapen dat bestaat uit wat geloof, uit wat weten en uit een vertrouwen dat gelijk zowel in God als in het “ik” wordt gesteld.

Wij zijn eeuwig. Wat vandaag voorbij is, kan morgen. Wat vandaag niet werd gedaan, kan morgen worden ingehaald ‑ ook al kost het misschien meer. Wat ik vandaag aan fouten heb gemaakt, zal ik morgen leren herstellen. Als ik weet hoe ik leef, zal ik eens de perfectie bereiken.

Dit is misschien het begin van de grote overwinning over alle angst. Als we de dood en het lijden niet meer vrezen, omdat ze slechts tijdelijk zijn en op het “ik” geen indruk kunnen maken, dan zijn wij wel aan het einde van alle angsten. Het enige dat we dan nog behoeven te vrezen, is ons eigen wezen dat we niet voldoende beheersen. Maar dat is iets dat je kunt bestrijden, daar je in voortdurende worsteling steeds sterker wordend tenslotte de overwinning zult moeten behalen. En dat voel je ook aan.

Dan is er dus geen ondergang, geen eeuwig duister, geen eeuwige verdoemenis. Dan is er geen pijn die verder vreet en nooit eindigt. Dan is er alleen maar het leren. Het leren tot je het levensdoel hebt bereikt ook al weet je nog niet wat het zal zijn.

Zo meen ik dat het wapen, dat de wereld tegen de angst kan hanteren is: reëel zijn. Staan in het heden en zich bewust blijven van de eeuwigheid die deel is van alle mensen en alle geest. Wie deze dingen in zich draagt als een overtuiging zal al het andere kunnen doorstaan en heeft dus geen reden meer om te vrezen.

Ontplooiing

Diep in de aarde gist en borrelt het magma.

Diep uit de aarde wellen de dampen. Diep in de

aarde klinkt het stampen van schotsen, die

elkander verdrijven en boven in een beving

schrijven de onlust van een aarde, die nog leeft.

Boven de aarde brullen vulkanen en heffen hun

stem ten hemel uit. Zij persen het stof in de

hoogste sferen en willen zo de mensen leren;

natuur is sterker nog dan menselijk besluit.

En toch kan de vulkaan niet keren,

dat het jaargetij vergaat,

dat uit winter langzaam lente,

uit lente zomer weer ontstaat.

En niets kan heel de aard voorkomen,

dat bewustzijn steeds ontbloeit

en in de mensenziel een leven,

ja, zelfs een geestelijk weten groeit.

Wie dit beschouwt met angst en beven,

hij grijpe naar een melodie van

eeuwigheden, weergegeven

in mensentaal met ironie.

Hij schrijve met wat spot en woorden

zijn beeld neer van de eeuwigheid.

En ziet: voordat hij heeft vergeten

te leven in zijn eigen tijd,

is hem een lente uitgebroken

en bloeit de geest in volle pracht

en vindt, door d’ironie tot bloei gekomen,

het innerlijk zijn ware macht.

Dan bloeit uit ’t “ik” een geestelijk weten.

Dan komt een kracht als een vulkaan,

vervullend het menselijk leven met besef van

God in ’t hele bestaan en de waarheid van een

eeuwig leven.