Eenheid in Al

18 maart 1985

Wanneer we oorzaak en gevolg zien hebben we altijd te maken met een gesloten keten. Het is niet mogelijk het begin of het einde ervan te bepalen. Maar elke keer als er een gevolg is ontstaan, betekent dat, een variant op de mogelijkheden die wij hebben om dit gevolg oorzakelijk te maken.

Er is dus volgens mij een mate van vrije keuze. Deze vrijheid blijkt ‑ voor zover ik dit kan nagaan ‑ niet alleen bepaald te worden door zuiver stoffelijke omstandigheden, maar daarnaast ook door vele psychische omstandigheden. Wanneer de geest in een harmonisch concept iets doet waarvan de uitwerking voor anderen disharmonisch is, dan zal desalniettemin voor die persoon zelf het volgende uitgangspunt harmonisch zijn. Met andere woorden: er komt vanuit zijn standpunt ‘goed’ uit voort.

Het omgekeerde is ook waar, wanneer iemand iets doet wat een uitstekende uitwerking heeft, terwijl hij dit heeft gedaan vanuit een disharmonisch standpunt, dan zal voor hemzelf daaruit een verdere disharmonie onvermijdelijk worden.

Ik geloof, dat dit een interessant uitgangspunt is.  Wanneer wij dus uitgaan van intenties dan blijken deze ‑ voor zover ze echt en oprecht zijn en niet alleen verklaringen ‑ van volledige kracht te blijven voor de persoon, die deze intentie heeft gekoesterd.

Het lijkt wel of geestelijk gezien oorzaak en gevolg een andere weg volgen dan op aarde. Op aarde is het feit bepalend voor de gevolgen.

In de geest blijkt de intentie bepalend voor de gevolgen. Wanneer ik dat dan verder probeer te ontleden dan blijkt mij, dat de keuze die je maakt uit de ontstane mogelijkheden voor jou mee bepaald wordt door je geestelijk standpunt. De innerlijke weg is dus niet bepalend voor de verschijnselen zonder meer, maar wel voor de keuze die je maakt wanneer een verschijnsel is ontstaan.

Dat maakt de zaak eenvoudiger, dacht ik. Wij beperken door hetgeen wij doen weliswaar onze verdere mogelijkheden om te kiezen (of als u het liever heeft, onze vrijheid tot kiezen), maar wij zullen bij deze keuze bepaald worden door onze intenties. Dus door datgene, wat in ons leefde en niet alleen maar door de meest logische gang van zaken.

Het is denk ik niet zo moeilijk: voor u om te aanvaarden, dat de mens in feite een onlogisch wezen is dat zijn logica gebruikt om zijn eigen onlogisch gedrag te verontschuldigen. Maar wanneer wij hier even verder kijken, blijkt dat geestelijk gezien logica dus eigenlijk niet bestaat. Want in de logica tellen de feiten; maar in de geest tellen de voorstellingen. Dan kan een droom net zo belangrijk zijn als een daad; dan kan een gedachte even veel invloed hebben als iets wat je feitelijk doet.

Daarmee wordt, dacht ik, het geheel van de kosmos voor ons toch een beetje anders. Want als je praat over een geheel, zoals de gastspreker doet, dan is het wel allemaal heel mooi om te zeggen: ja, als je maar ophoudt te beseffen, dat je als een ik‑heid in dit geheel functioneert, word je deel van het geheel en dan is de perfecte harmonie bereikt. Maar wie van ons komt zo ver?

De meesten van ons worden belaagd door hun dromen. Soms angst­dromen, dromen van onvolledigheid; soms dromen van succes, van slagen, van rijkdom. In al die dromen zeggen we eigenlijk tegen onszelf wat we werkelijk zijn en wat we werkelijk willen. Het leuke is, dat die droomwereld dan bepalend is voor de manier waarop wij feitelijk reageren wanneer we in de stof zijn. Zo is een dergelijke droomwereld uiteindelijk beslissend voor datgene wat je geestelijk wel en niet kunt aanvaarden en ervaren. Je bent dus zelf a.h.w. een controlemechanisme geworden waarmee je de uiterlijkheden van je wereld ‑ welke die ook moge zijn ‑ mee helpt bepalen.

Aan de andere kant blijkt dat elke wereld toch zijn eigen existentie heeft. Zij heeft eigen wetten, eigen regels en die vloeien voort uit het wezen van die wereld. Als je bv. op aarde leeft moet je zwaartekracht hebben. Als er geen zwaartekracht zou zijn zouden de mensen werkelijk vliegen en niet alleen ze zien vliegen.

Wanneer je in een geestelijke wereld bent, is er een zekere amorfiteit van vormen, die kunnen steeds herbouwd worden. Maar er moet een substantie zijn. Je kunt niets bouwen wat niet behoort tot het beeld van de wereld waarin je functioneert. In Zomerland kun je een huis bouwen en als je wilt nog een kerk ook. Als je een winkel wilt openen gaat het ook. Wil je alleen gewoon een lekkere tuin hebben dan kun je die er ook bij denken. Dat is allemaal mogelijk.

Maar wanneer je daarin bv. een tempel wilt hebben met wit licht erin dan kun je die niet maken. Je kunt het verlangen, maar je kunt het niet maken omdat dit licht niet behoort tot de wereld waarin je functioneert.

Dat moet op aarde ook zo zijn. Je kunt op aarde wel allerlei dromen hebben van geestelijke hoogheid en grootheid, maar je kunt ze nooit volledig waarmaken. Want geestelijke grootheid en hoogheid zijn nu eenmaal waarden, die ontstaan wanneer het ik zichzelf en het Al veel eenvoudiger gaat ervaren en veel directer verbonden voelt. Op aarde bestaat die mogelijkheid niet omdat je door de feiten wordt gestoord. Die feiten op aarde worden natuurlijk door jou geïnterpreteerd, dat kan niet anders, maar ze zijn er wel.

Natuurlijk, de een houdt van oesters en de ander is al misselijk als hij ze ziet, met of zonder citroensap. Maar dat is een persoonlijke benadering van een feit. Daarom is de oester niet anders. Je zou kunnen zeggen: de werkelijke feiten op aarde blijven altijd gelijk, maar het is de wijze waarop je ze benadert, waardoor jouw reactie daarop ‑ en dus de betekenis die ze voor je hebben ‑ bepaald zal worden.

Dan vraag je je af ‑ tenminste ik vraag me af ‑ wat is dan het kader van die werkelijkheid? Als ik dan op aarde kijk blijkt dat oorzaak en gevolg eveneens bestaat, een vaste keten is. Maar oorzaak en gevolg wordt op aarde niet bepaald door geestelijke waarden die je erin injecteert, ze worden gewoon bepaald door de reactie van elementen ten aanzien van elkaar; de reactie van leven op bepaalde stoffen of van bepaalde stoffen op leven.

Wanneer je die wetten kent, ken je oorzaak en gevolg op aarde. Maar dat wil niet zeggen dat je daarmee een omschrijving hebt van het menselijk leven. Het menselijk leven kan eigenlijk pas bestaan wanneer aan die feitelijke keten van oorzaak en gevolg voortdurend interpretaties worden toegevoegd. Dat houdt in, dat een mens op aarde niet leeft met een reële ervaring van de stoffelijke waarden van oorzaak en gevolg, maar eigenlijk alleen leeft door zijn interpretatie ervan.

Ik heb geprobeerd om datzelfde te vinden voor een paar geestelijke werelden en ik zal daarvoor kiezen de combinatie Hoog‑ en Laag Zomerland omdat de meesten van u daarover hebben gehoord. Hoog‑ en Laag zomerland blijken beide te berusten op de vorm die je geven kunt aan iets wat je niet kunt omschrijven. Het is geen fijne materie, maar het heeft in zich toch een mate van substantie. Gedachten boetseren hier. Dat kennen we ook uit de astrale wereld. Maar gelijktijdig zijn die gedachten bezielend en dat is in de astrale wereld slechts beperkt het geval.

Wanneer u een huis bouwt in Laag Zomerland dan bouwt u niet alleen een huis, u bouwt een uitstraling op. Die uitstraling kan alles inhouden wat voor u “thuis zijn” betekent. Het kan eventueel een paleis zijn of een hut en alles wat u daarmee associeert wordt door dit bouwsel uitgestraald.

Nu blijkt dat als je die betekenis wegneemt, het bouwsel zich zeer snel oplost; het verdwijnt. Ga je in Hoogzomerland mediteren op een bergtop dan is die bergtop voor jou echt. Je zit daar, je neemt waar, je beleeft. Maar op het ogenblik, dat je zelf niet meer die bergtop als deel van je plaats, van je zijn ervaart, vervaagt zeg ze is er niet meer.

Het wonderlijke is, dat ze gelijktijdig voor anderen nog wel existeert. Die hebben daar nog een bepaalde bedoeling in gelegd of een bepaalde waarde aan toegekend en daardoor een deel van hun ik in het beeld van die berg vastgelegd. Maar zodra je persoonlijke relatie met die berg verdwijnt, verdwijnt voor jou de berg.

Dan moet de werkelijkheid eigenlijk gezien worden als gedachtekracht in die wereld; maar dat is een vage term. Wat is die gedachtekracht? Wanneer ik probeer het op mijn manier te definiëren, zou ik zeggen: er is een vaste hoeveelheid kracht. Als ik zo’n sfeer bekijk zou ik ze willen vergelijken met een veld met een bepaalde straling of wat mij betreft met een magnetisch veld of iets dergelijks.

Wanneer jij denkt vervorm je dus a.h.w. de kracht die er is en de storing die je veroorzaakt wordt voor jou kenbaar als het huisje, de bergtop of wat dies meer zij. Wat op zich erg interessant is maar nog steeds de vraag openlaat: ­wat doet het denken dan? Op aarde blijkt het denken bepalend te zijn voor een beleving, niet voor het feit maar voor de beleving.

In Zomerland blijkt het denken een beeld te projecteren. De voorstelling wordt naar buiten toe gebracht en zodra je daarin gelooft als een werkelijkheid, is ze voor jou werkelijk. Er is een klein verschil.

Maar is er dan geen regel in Zomerland die dan wel vaststaat, die je kunt constateren? Dat blijkt ook inderdaad het geval te zijn, maar die hangt weer met het denken samen. Op het ogenblik, dat ik Zomerland om welke redenen dan ook vrees of verwerp, verdwijnt het voor mij. Ik blijf nog wel deel van diezelfde wereld maar voor mij existeert het niet meer.

Ik ben zo vrij geweest om dat na te gaan aan de hand van het z.g. Nevelland. U weet het wel: die sfeer waarin entiteiten vlak na de dood vaak ronddolen in een soort eeuwigdurende smog. Deze situatie kentekent zich door het volgende: de entiteit doolt in een voor hem onbekend en niet waar te nemen gebied. Hij ziet vonken licht en gaat naar die vonken licht toe. Maar elke keer als hij ze benadert verdwijnen ze.

Dit verdwijnen wordt gewoon veroorzaakt door het feit, dat er een verwachting aan dit licht is verbonden, die niet strookt met de werkelijkheid die Zomerland kent. Zolang je jezelf daar wilt zien in een ontmoeting met een medemens die je de weg kan wijzen, verdwijnt het licht. Pas op het ogenblik dat je dit licht gaat ervaren als iets waarheen je jezelf eventueel ook kunt richten, benader je het. En wanneer je het benadert ontvang je gedachtenindrukken. Aanvaard je ook die, dan zie je een land.

Misschien is dit ook de verklaring voor het bekende overgangsverschijnsel: de z.g. trechter. Daar hebt u wel van gehoord, denk ik. Wanneer je dood gaat heb je meestal het gevoel van een vallen of stijgen ‑ dat kan variëren ‑ door een soort donkere trechter. Aan het einde is een lichtend vlak en bijna iedereen die dat vlak bereikt zegt dat daarachter schoonheid ligt.

Die schoonheid is er natuurlijk altijd maar je moet eerst jezelf omstellen. Je moet die gedachtegangen, die waarden van het Zomerland aanvaarden voor je het kunt beleven. Het proces, dat verloopt tussen het zich nog stoffelijk zien en het aanvaarden van dat andere, blijkt dan in feite een tunneleffect te zijn.

Een tunneleffect zou een heel mooie uitdrukking zijn voor een tijdelijke en bijna absolute vernauwing van bewustzijn. Je raakt kwijt wat je bewustzijn uitmaakte, daardoor ben je in staat een nieuwe vorm van bewustzijn te aanvaarden. Wanneer je dat controleert ga je natuurlijk ook een keer kijken hoe het gaat met iemand, die overgaat en die wordt afgehaald. Want dat gebeurt heus.

Ik kwam tot de conclusie, dat het afhalen zich altijd afspeelt in een beperkte maar toch wel lichte ruimte. Je ziet nooit een hele wereld, je ziet een persoon en soms er omheen een soort lichtschijn. De ontmoeting is a.h.w. een treden in een lichtcirkel.

Nu blijkt verder, dat nadat dit contact is gemaakt toch die trechterervaring optreedt. Dus ik meen zeer juist te zeggen, dat oorzaak en gevolg hier zijn; een bewustzijn, dat een bepaalde wereldvoorstelling heeft, niet passende bij zijn nieuwe situatie; dat eerst een verval van dit bewustzijn zal moeten ondergaan voordat een aanvaarding van de nieuwe situatie mogelijk is.

Tja, ik vind het altijd een beetje vervelend om met mensen over de dood te praten. Dat vindt u misschien een beetje vreemd, maar mensen zijn als de dood voor de dood. Pas als ze dood zijn geloven ze niet meer dat ze dood zijn; en tegen de tijd dat ze dan ontdekt hebben dat ze wel dood zijn en toch leven, dan begint pas de werkelijke pret.

Ik zou haast zeggen; wanneer je dood gaat dat is het pauzebelletje; dan moet je eerst de zaal in en zie je nog het brandscherm, dat langzaam omhoog gaat. Dan gaat het licht bijna helemaal uit, je ziet alleen nog het voetlicht. En pas als je dan kijkt zie je het decor waarin zich de voortzetting van de voorstelling zal voltrekken. Dan denk je misschien: ik kan gaan zitten, maar dan heb je pech gehad want je moet zelf het toneel op en je moet zelf gaan meewerken.

Ik vind voor mensen het idee van dood ook eigenlijk een beetje zielig. Mensen denken aan dood als afscheid nemen. Maar je neemt niet afscheid van de werkelijke dingen, je neemt afscheid van een oorzaak en gevolgwerking, waar je toch in je leven ‑ als je het goed bekijkt – eigenlijk geen raad mee wist. Want je kon het niet allemaal verklaren en je wist ook niet hoe je het allemaal kon veranderen.

Daarvoor in de plaats krijg je nu een wereld waarin die oorzaak en gevolgwerking door jou zelf bewust behaald kunnen worden zodra je begint te beseffen wie en wat je eigenlijk in die wereld bent. Dat lijkt mij dus een reuze voordeel.

Wanneer je Laagzomerland, Hoogzomerland en de aarde vergelijkt dan zou ik zeggen dat je op aarde te maken hebt met zo veel vaste waarden, met zo veel wetmatigheden dat je daardoor gedwongen wordt om in je eigen dromen een zekere aanpassing te ondergaan. Als je in Zomerland bent zijn alle dingen mogelijk, maar dan is juist datgene wat je op aarde geleerd hebt weer een belemmering en misschien gelijktijdig ook een mogelijkheid om een al te veel dromen te vervangen door een beleven en dus een bewuster worden.

Dat op aarde oorzaak en gevolg ook voor een groot gedeelte voortkomen uit illusies zult u zelf wel hebben opgemerkt. Wanneer men bv. denkt dat men de economie gezonder kan maken door te besparen, dan verschuift men in feite alleen maar waarden binnen één en hetzelfde economische stelsel. Dus het is gewoon een illusie, dat je daarmee iets nieuws tot stand brengt.

Maar wanneer je de economische samenhang kunt veranderen dan ontstaat er weer iets wat je niet kunt controleren of kunt overzien. Uw hele economie berust eigenlijk voor een groot gedeelte op dergelijke droombeelden, niet volkomen reëel. Uw opvattingen van wat mag en wat niet mag, van rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid zijn voor een heel groot gedeelte ook alleen maar illusiebeelden, het zijn dromen. Ze bepalen uw wereld wel; maar als je ze toetst aan de zuivere oorzaak en gevolgwerkingen blijkt dat ze meestal niet kloppen.

De mensen, die daar dus op een of andere manier wat kregel over zijn geworden, hebben dan ook mooie gezegden geschapen zoals: de duivel doet het (met een lelijk woord) op een grote hoop. Maar dat is eenvoudig massa. Hoe groter de massa hoe groter de aantrekkingskracht. Dat is de wet van massa.

Massa bepaalt de attractie, dat is dus geen recht of onrecht, dat is heel gewoon, als je veel materie hebt, dan is er een afbuiging. Bijvoorbeeld: je hebt een groot bergmassief, dat redelijk hoog boven het vlakke land uitkomt, dan zal de neerslag van kosmische stof daar ongeveer 4 keer zo groot zijn als in de laagvlakte beneden, tenminste in de buurt van de berg. Waarom? Omdat die berg eenvoudig door zijn massa de rechte val afbuigt en tot een gebogen lijn maakt.

Dat is erg interessant en erg leuk, maar als je nou geld hebt dan is dat ook massa in de ogen van de mensen. Dat wil zeggen, dat de mensen volgens die wet gaan reageren, zodat waar veel geld is steeds meer geld komt. En waar veel te kort is, steeds meer te kort komt. Dat laatste is zelfs staatkunde geworden.

Eigenlijk hebben de mensen heel veel ideeën in hun eigen wereld ingebracht, die nergens op berusten, alleen op hun onderling aanvaarden van iets. Maar op die gedachten zijn de wetten van de aarde van toepassing en dat is interessant. Zodra denkbeelden zich bezighouden met de materie en het materiële, blijkt dat het geheel van de werkingen de oorzaak en gevolgrelatie in zich draagt, die ook de zuiver stoffelijke feiten voortdurend onderling verbindt.

Ik heb het toch niet te ingewikkeld gemaakt? Ik probeer iets eenvoudig te zeggen en ik heb al lang ontdekt, dat hoe eenvoudiger je iets probeert te zeggen, hoe ingewikkelder het wordt. Dat is zeer waarschijnlijk onder meer ook aansprakelijk voor de onbegrijpelijkheid van de wetgeving. Ze hebben het zo eenvoudig en precies willen zeggen, dat niemand meer weet wat ze hebben willen zeggen.

Ik probeer te voorkomen, dat het bij mij het geval is. Daarom ben ik ingewikkelder dan nodig is in de hoop, dat u de eenvoud zult distilleren uit mijn ingewikkeldheid, daar u mijn eenvoud alleen zult kunnen begrijpen als u zeer ingewikkelde denkprocessen zou volgen, die dan weer verder gaan dan de meesten van u zouden willen opbrengen. Zo, dat ter verduidelijking van mijn betoogtrant!

U leeft. Maar wat is uw leven eigenlijk? Iemand, die in coma ligt leeft ook, maar hij reageert niet op zijn wereld. Uw leven bestaat voor een groot gedeelte uit het bewust beleven van uw wereld en het daarop reageren. Dit blijkt hetzelfde te zijn in alle werelden die ik ken. Ook in de wereld die we dan weleens klank en kleur noemen of licht en geluid.

Of je nu komt in een trillingenwereld zonder vormen of dat je in een materiële wereld met vaste vormen zit, dat blijft gelijk. Mag ik dan misschien daaruit distilleren dat datgene, wat ons leven uitmaakt, in feite ons besef is de inhoud van ons wezen. En dat al het andere bijkomstig is en geen feitelijke betekenis heeft buiten de binding met een bepaalde wereld die daardoor tot stand wordt gebracht.

Dan ben ik zo vrij om daar nog een paar conclusies aan te verbinden voordat ik ga eindigen. Mijn conclusie is deze: Wanneer je bewustzijn in wezen bepalend is, is het voor de mens belangrijk om zijn bewustzijn eens nader te bezien, zich eens af te vragen op welke manier hij de wereld beschouwt, welke standpunten die niet onmiddellijk en stoffelijk vast te leggen en bewijsbaar zijn voor hem in zijn beslissing of haar beslissing een grote rol spelen

Wanneer wij beseffen wat wij eigenlijk van binnenuit in de wereld brengen dan kunnen wij misschien ook zo ver komen dat we een scheiding weten te maken tussen de oorzaak en gevolgwerkingen van onze wereld en de oorzaak en gevolgwerkingen die in feite door ons bewustzijn worden bepaald. Dat zou beteken dat wij vrij zouden worden van heel veel dingen die ons enorm kunnen belasten.

Je kunt natuurlijk op aarde allerlei gevoelens koesteren. De een voelt zich verheven boven anderen, de ander voelt zich schuldig of minderwaardig. Iedereen zit met dat gevoel en doet er dan op zijn manier wat mee. Mensen met minderwaardigheidsgevoelens worden meestal grote krijgsheren of bijzonder grote zakenlieden, die hun pantoffelheerserschap thuis bv. in een heersersschap op kantoor of in het leger omzetten.

Als we deze gevoelens apart kunnen bezien zijn we eindelijk in staat de werkelijke gang van zaken te beoordelen. Want als elke wereld een oorzaak en gevolgketen heeft dan moet de erkenning van zo’n keten met zich brengen dat we alle mogelijkheden overzien. Het zijn onze eigen gevoelens zoals we dat dan noemen, ‑ in feite een bias dat ons ergens beheerst ‑ die ons blind maken voor een deel van de mogelijkheden, die voortvloeien uit hetgeen we nu constateren en nu eventueel zelf doen.

Komen tot de werkelijkheid betekent een scheiding weten te maken tussen datgene, wat je zelf in je wereld brengt en datgene, wat die wereld is. Als je in Zomerland met deze gave aankomt zul je het Zomerland zien zoals anderen het beseffen. Je zult de wetmatigheden zien die de anderen en ook jou ‑ zo lang je er deel aan wilt nemen ‑ beheersen. Maar je bent niet meer gebonden aan het vormbesef en kunt dus andere werelden zonder meer betreden.

Ik denk dat vrijheid ‑ geestelijk zowel als anderszins ‑ voornamelijk is gelegen in het vermogen een onderscheid te maken tussen de wetten, de gevolgenketens van een wereld en datgene wat jij zelf gebruikt om je daarin te oriënteren. Zodra die scheiding tot stand is gekomen zal er een lichte disoriëntatie ontstaan, maar daarvoor in de plaats komt het vermogen om ook andere werelden te beseffen, om ook andere krachten dan die, welke je aanvaard hebt voor jezelf, te gebruiken en zul je uiteindelijk veel bewuster worden van een feitelijk heelal en zul je steeds minder de indeling in sferen en werelden, en situaties gaan aanvaarden. Je zult oorzaak en gevolgketens niet meer zien als onvermijdelijkheden; maar als wetten die ook gebruikt kunnen worden om oorzaak en gevolgketens te bepalen of te veranderen.

Misschien zou je het zo moeten zeggen: eerst daar, waar we ons­zelf voldoende kennen om een scheiding te maken tussen onze emotionele en eenzijdige benadering van een wereld, zullen wij in staat zijn ons los te maken van die wereld en gelijktijdig die wereld toch te blijven beleven en beseffen zover wij dit wensen. Dat lijkt mij de grootste vrijheid die bereikbaar is. En daar wil ik het bij laten.

Ik hoop niet dat ik te veel vragen heb opgeworpen want ik mag geen antwoorden geven, op vragen die hierna gesteld zouden worden. Vervelend hè. Maar het is nu eenmaal een esoterische avond en wat ik nu heb gezegd is eigenlijk dit: Al wat buiten u is, wordt voor u medebepaald door datgene wat je werkelijk bent. Door te beseffen wat je bent zult ge de wereld buiten u zien zoals ze is en daardoor het vermogen bezitten om die wereld te veranderen, zelfs volgens datgene wat jij bent.

De Gastspreker

Wanneer ik mijn thema mag aanduiden: in het Al is er niets, tenzij men het niet toch als belangrijk ziet.

Belangrijkheden worden door ons gemaakt. Wij scheppen een wereld waarin wij alle dingen samenvoegen en niet beseffen dat zij ook zonder ons een eenheid zijn.

De mens verkondigt soms de vreemdste zaken en zegt dat de Heer alomtegenwoordig is. Dat is voor die mens belangrijk, maar hij begrijpt niet wat hij zegt. Want wanneer ik zeg dat God alomtegenwoordig is, is er geen God in de hemel om te aanbidden. Dan is Al deel van God, dan is God in alle dingen en dan is er geen reden meer om sommige mensen boven anderen te verheffen en hen tot de ware dienaren Gods uit te roepen.

In mijn leven meende ik dat de natuur met al hetgeen zij aan wonderen bezit het kenmerk was van het goddelijke. Nu ik de aarde al reeds lang achter mij heb gelaten, zie ik de hele wereld met haar natuur als een onvermijdelijk product van de mensen die er op leven. En daarachter zie ik de eenheid van alle dingen die de zin van alles betekent en gelijktijdig de verschillen opheft.

In mijn dagen schreef eens iemand: als je de mens en naast die mens een mooie ezel ziet, dan is het de kreet waaraan je weet, wie mens is en wie niet. Wat is het verschil tussen een mens en een ezel? Een vorm? Een wijze van denken? Van reageren? Een beeld misschien van wat je zelf bent of wat de wereld moet zijn. Maar neem die verschillen weg en wat blijft er over? Twee stukjes leven. Niet meer.

Mensen maakten in mijn dagen soms hele tochten om genezers op te zoeken en andersdenkenden gingen naar hun bedevaartsoorden om genezen te worden. Dan vroeg ik mij af of daar een bijzondere macht zou schuilen. Maar er is geen bijzondere macht. Er is alleen ‑ en dat is het enige ‑ één Kracht in alle dingen.

De wonderdoener, die geneest zou kunnen worden vervangen door een ezel die hetzelfde denkt en dan zou hij ook hetzelfde kunnen. Het is het niet beseffen van de Kracht, waardoor een mens in afhankelijkheid komt van hen die gezag hebben, van hen die macht of krachten bezitten. Als je jezelf bewust wordt van datgene, wat in jezelf leeft den is het niet meer nodig om naar elders te gaan.

Elke mens zingt op zijn eigen wijze. De jongens in de straten zingen anders dan de vromen tijdens een dienst. Maar eigenlijk doen ze hetzelfde: ze brengen de lucht in trilling. Misschien dat die jongen vindt dat de gemeente toch maar zeer traag en slepend voortbalkt. En misschien vindt de goegemeente dat die lustige knaap met al zijn melodieën alleen maar schandelijke gedachten op toon zet. Toch doen zij hetzelfde. Toch is wat zij zijn en wat zij doen gelijk.

Men predikt altijd de gelijkheid van de mens. In mijn tijd waren er al filosofen die dat deden. En de adel in Frankrijk en later ook de rijke heren in de Nederlanden hebben daarvan geweten. Maar gelijkheid is de kern en niet het uiterlijk.

Een mens, die de kracht in zich beseft, is alleen op dat punt de meerdere van ieder die de kracht niet beseft. Degene die heeft ‑ of dat nu kennis is of goud ‑ is op dat gebied de meerdere van degene die niet heeft. Er is een verschil dat voortvloeit uit onszelf. Zo lang mensen denken, dat al wat je bent en al wat je hebt een eenheid vormt, zullen ze nooit beseffen wat ze zijn. Eerst wanneer je los komt te staan van alle dingen ‑ en dat is een moeizaam pogen ‑ kom je langzaam maar zeker in die vrijheid, die gelijkheid, die werkelijkheid omvat.

Wanneer ik u zeg: wij zijn allen één; dan zult u denken: misschien is het waar. Maar ge kunt u niet verplaatsen in die anderen en daarom ben je niet werkelijk één vanuit uzelf. Wij denken dat er een scheiding is, een scheiding tussen ons en anderen. Een scheiding tussen de eeuwigheid en het menselijk bestaan.

Maar de wand is poreus. De eeuwigheid dringt voortdurend binnen in de tijd. En de tijd lost zich langzaam en voortdurend op in de eeuwigheid. De geest dringt door in de mensenwereld en de mensenwereld mengt zich met de wereld van de geest. Zo lang de uitwisseling bestaat zijn er verschillen. Wanneer de uitwisseling ophoudt te bestaan is er gelijkheid. Waar gelijkheid is, is schijnbare rust. Maar de schijnbare rust is gelijktijdig de werkelijkheid van een bestaan, die niet meer door een wand wordt gescheiden in verschillen.

In mijn denken, in mijn beseffen zijn wij alleen een. Niet slechts met elkaar, maar met al wat denkbaar, voorstelbaar en waarneembaar is. Eén met God en één met de kleinste wezens, die zich in het water van een sloot vermeien in hun beperkt kortstondig bestaan. Er is geen scheiding. Er zijn de verschillen die komen door datgene, wat wij aan onszelf aanhechten en datgene, wat anderen misschien voor zich weer als wezenlijk of werkelijk opeisen.

Kunt u, die hier naar men zegt bijeen bent voor esoterische lering, u voorstellen, alleen maar voorstellen dat er geen grens is? Nee, u kunt dat niet; U probeert het, maar u kunt het niet. Dat is onze beperktheid, onze tijdelijkheid, maar ook onze onmacht.

Want wanneer wij uit het besef van één zijn ervaren wat leven is, dan kennen wij een kracht, dan kennen wij een wezen en een werkelijkheid die niet stilstaan voor grenzen, voor onvolkomenheden, maar die Al doordringen. De predikers van mijn dagen spraken van de hemel en van de zeer te vrezen hellewerelden. Maar waar de hemel is, is de hel. Waar de hel is, is de hemel. Verschil in ervaren, maar niet in wezen.

U zegt: ik ben ziek. U bent alleen ziek zolang u denkt: ik ben ziek. Want dat is een eigenschap die bij u behoort. Maar als u zegt: ik kan niet ziek zijn en ik kan niet gezond zijn; ik kan alleen bestaan; dan bent u niet ziek, dan bent u. Zijn is datgene, wat gij in uzelf voortdurend sterker moet ervaren; Zijn. Niet goed zijn of kwaad zijn; niet zus zijn of zo zijn, maar zijn. Bestaan; weten dat je bent; zonder je af te vragen wat je bent.

Want als God alomtegenwoordig is, is God ook in ons. Wanneer God in ons tegenwoordig is en wij zeggen ‘ik ben’, is God verdwenen op de achtergrond van onze eigenwaan. Als we zeggen: ik ben, zonder te bepalen wat wij zijn en wie wij zijn, dan is God één met ons. Dan is alle kracht en alle almacht waarover wij spreken deel van ons wezen geworden. Dan is het licht waarvan wij dromen iets wat in ons bestaat, iets wat door ons uitstraalt.

Het wezen van het zijnde moet worden herleid tot “het is”. Het is. Probeer voor een ogenblik de kracht te ervaren, niet door te denken wat je ermee zou doen, maar door haar gewoon te aanvaarden als dat, wat is zoals ik ben, dat, wat is één met wat ik ben. Dan zult u langzaam maar zeker zien hoe u de schellen van de ogen vallen; hoe uw blik oneindigheden bespeurt niet verwonderd, niet verheugd, maar bewust en vredig.

Vrede is de werkelijkheid die bestaat waar alle denkbeelden ophouden, waar alle verschillen terzijde worden gezet. Maar hoe spreek ik tot u? Gij kunt niet waarmaken, gij kunt niet blijvend beleven wat ik u zeg. Gij kunt een ogenblik één zijn met de kracht. Een ogenblik opgaan met dat wat werkelijk bestaat. Dan keert gij terug tot hetgeen je bent: een mens met zijn gebreken, met zijn deugden met zijn zorgen, met zijn vreugden, met zijn leed en met zijn vergeten. Dat is mens‑zijn. Onvolkomen zijn in het besef van de eenheid. Maar als gij dan zoals gij uzelf ervaart, voortdurend gekweld wordt door vragen, door twijfels; zou het dan niet goed zijn te beseffen: er is slechts één werkelijkheid en daarin bestaan deze dingen niet.

Hij, die op aarde zoekt wordt niet gedreven door de behoefte naam te maken of roem te vergaren of ontvangen te worden aan de hoven van vorsten. Hij wordt gedreven door het besef dat het moet zijn. Meer niet. Zolang als je voelt “dit moet zijn, dit is mogelijk, dit moet waar zijn” blijf je zoeken. Probeer dan in uw menselijk leven juist dat voortdurend in uw leven en denken mee op te nemen.

Ik zeg u niet: Gij zult de eenheid moeten beseffen. Ik zeg u: Gij voelt in u de behoefte aan die vrede. Gij voelt in u de kracht die stil en verborgen blijft. Aanvaardt die als deel van uw wezen.

Ik zeg niet tot u: Wees meer of minder dan een ander. Want of jij meer bent in eigen ogen of die van anderen, of minder, het verandert uw wezen niet. Niet datgene wat jij bent maar de vrede die u in uzelf soms voelt is de uiting van wat u bent. Jij bent deel van de eeuwige vrede. Niet van koninkrijken, niet van zegevierende engelen.

Je bent deel, alleen deel van de vrede die alle dingen omvat, wanneer het uiterlijk van verschil is weggestorven. Wie in zich de vrede wil kennen moet beseffen, dat verschil bestaat maar niet belangrijk is. Wie in zich de kracht wil kennen moet beseffen, dat denkbeelden van kracht of krachteloosheid beide zinloos zijn; maar dat je wezen richten betekent de kracht richten.

Waarheen voert ons het vreemde lot, dat ons gemaakt heeft tot wezens die afgezonderd zijn van datgene waartoe zij toch behoren? Het voert ons door vele vreemde dalen en over ongekende bergtoppen van beleven. En toch verandert er niets. Wij denken dat wij onszelf moeten veranderen. Maar wij kunnen niet anders zijn dan wat in ons is. En wat in ons is, is eeuwig. Maar wij kunnen ervaren wat in ons is en dan daaruit de vrede vinden met wat wij zijn en met wat wij doen.

Uw esoterie is de weg naar binnen toe. Maar waar is het verschil tussen binnen en buiten? Het is een verschil dat wij maken, niet een verschil dat bestaat. U zoekt naar sleutels om geheime werelden voor u te openen, maar er zijn geen deuren en poorten behalve die, welke in uw bewustzijn zijn gevoerd.

Zelfs uw inleider meende, dat ik leef in een andere wereld dan hij. Hij beseft niet dat onze wereld dezelfde is, maar dat de wijze waarop wij haar ervaren anders is. Zo is het met u, zo is het met alle leven.

De werelden zijn niet anders; dat zijn onbelangrijke uiterlijkheden. Het wezen is overal gelijk. En wie zich richt tot het wezen weet dat verschillen niet tellen. Maar wie zich richt tot de verschillen kan het wezen niet beseffen.

Het is zo gemakkelijk, zo simpel te zeggen dat de kracht des Heren op u nederdaalt. Maar die kracht kan niet dalen, zij is in u. Ik zou zeggen, besef dat de kracht in u leeft. Maak die kracht tot een deel van wat je bent en wat je doet en streef naar de vrede, niet naar de bereiking. Dan zult ge weten wat kracht is. Dan zult ge weten wat werkelijkheid is.

Vecht niet met anderen over denkbeelden, over bezit. Hoe menselijk het moge zijn om deze dingen te doen, ze drijven je alleen maar verder af van de waarheid die in je leeft. Besef dat het Al zijn samenhang heeft. Dat er niets is wat niet van betekenis is. Dat er niets is dat van buitengewone betekenis is. Zodra ge in uzelf ervaart, dat juist in deze gelijkheid de verschillen de versiering vormen van de werkelijkheid, dan kunt ge werkelijkheid aanvoelen.

Zo dadelijk gaat ge huiswaarts. En ieder van u denkt dat hij een andere weg gaat dan anderen, maar in wezen doet ge precies hetzelfde. De één denkt dat er gevaren zijn en de ander denkt dat er rust zal zijn. Maar de werkelijkheid is dezelfde. Er is geen verschil tussen u, buiten het verschil dat ge maakt, omdat ge leeft in uw wereld En daarom zijn die dingen niet belangrijk.

Eens heb ik gezegd: het is erg om een medemens te doden. Nu besef ik: je kunt niet doden en niet tot leven brengen. Je kunt alleen maar vormen veranderen. En dan nog niet werkelijke vormen, maar de schijnvormen die uit onszelf voortkomen.

Zij, die de geestelijke wetenschappen bestuderen zullen weten, dat er vele namen bestaan voor goden en demonen en dat ze in vele verschillende samenstellingen worden aangeroepen en opgeroepen. Schijnbaar zijn ze echt, maar bezie het wezen en dan blijkt dat je met elke naam elke kracht kunt oproepen. Want de kracht die je roept is één straal van de zon. Het is de zon die werkelijk is, niet de straal.

Zij, die zoeken in de verborgen geheimen, dalen af tot werelden vol van demonen of stijgen op naar werelden vol van gezegende engelen. Het verschil is de voorstelling, niet het wezen. Want alle dingen zijn één. Je bent het zelf die uit de vrede de gelukbrengende engel maakt of de angst en verderf zaaiende demon. Je bent het die duister in licht kleedt of licht in duister.

Hij, die goud of zilver maakt uit lood, verandert een uiterlijkheid en niet het wezen. Maar als je de eenheid beseft zal die eenheid zich uiten. Wat je kunt waarmaken in je wereld is niet datgene wat jij bereikt, maar het is het verlengstuk van wat jij bent of denkt te zijn. Achter dat alles ligt die gelijkheid die vrede is.

Daarom: wanneer ge zoekt naar de innerlijke waarheid, zoek naar de vrede. Wanneer ge roept om de kosmische kracht, roep niet om de kracht maar aanvaardt de vrede in uzelf. Ze zal kracht zijn waar zij nodig is. Vrees leven niet en vrees dood niet; want zij zijn twee uitingen, twee belevingen van hetzelfde. Er verandert alleen iets uiterlijk. Overbruggen van werelden, van levenden en doden is een illusie. Zij kennen maar één wereld, maar één werkelijkheid.

Wanneer ik u kracht toestraal zoals sommigen denken, is dat een illusie. Want wat kan ik u geven wat niet in u berust? Maar uw werkelijkheid, uw rust, uw vrede is een kracht wanneer het nodig is, omdat in het geheel de vrede, de harmonie het enig juiste is.

Geen wet van de natuur die ik heb nagezocht was zo belangrijk als deze wet die onveranderlijk bestaat Daar waar de vrede is zal Al samenvloeien in één gelijkheid en één vermogen en één kracht. Daar zal Al zichzelf redresseren, zichzelf vormen en hervormen opdat de eenheid en de vrede blijft bestaan zonder einde. En waar de mens met zijn denken, de ziel met zijn illusies dit verstoort, ondergaat hij niet de werkelijkheid maar slechts de gevolgen van zijn eigen onvermogen om de vrede in zich te aanvaarden.

Gegeven zij het u allen de vrede diep in u te erkennen en te gevoelen. Dan zult ge alle dingen overwinnen; niet omdat ge zegeviert, maar omdat niets kan bestaan dat de vrede blijvend verstoort. Hunkert niet, verlangt niet, ontvlucht niet maar ken de vrede in uzelf. Dan zult ge datgene zijn wat ge moet zijn in uw wereld, dan zult ge dat beleven wat waar is buiten alle voorstellingen van wereld om. En dan zal vanuit die vrede voor u de openbaring komen van het zijn, dat zonder einde is.

Moge de grenzen tussen allen gesloopt worden tot wij ons verbonden‑zijn‑in‑de‑Ene beleven en aanvaarden.