Eenheid in verscheidenheid

image_pdf

8 november 1976

Inleiding

Vanavond mag ik een inleiding voor u houden, wat een beetje moeilijk voor mij is omdat ik te maken heb met,  laten wij maar zeggen,  iemand van de betere standen. Dat zijn van die mensen die zich allerlei incarnaties herinneren. De man zegt heel rustig: “Ik heb nog eens een keer voor kluizenaar gespeeld in Tibet voordat ik vermoord werd, daar en daar.” En die moet je dan interviewen. Nu heb ik in mijn tijd heus wel eens vraaggesprekken gevoerd, maar dat was wel op een enigszins andere basis. Ik dacht eerst dat het heel eenvoudig was en zei dus:

“Waar gaat u over praten?”

Zegt hij: “Over niets.”

“Wat wilt u dan zeggen?”

Antwoord: “Heel veel.”

Ja, dan zit je met een mond vol tanden en voor een geest, die eindelijk van de nood van het kunstgebit verlost is, is dat een lichte schok.

Ik heb gezegd: “Maar wat is eigenlijk uw belangstelling?” Zegt hij: “Alles.”

Toen heb ik het dan maar heel nederig gezegd: “Zeer geachte, geëerde vriend, er is voor mij de bittere noodzaak,  en ik vrees dat die inderdaad bitter wordt deze maal,  om u in te leiden.

Antwoordt hij: “Nou, dat kun je toch doen?”

“Ja maar, waar moet ik over praten?”

Zegt hij: “Als jij het niet weet, hoe moet ik dat dan weten?”

“Ik zou graag over u praten.”

Zegt hij: “Daar is niets over te zeggen.”

“Dus u bedoelt: ga jij dan maar drie kwartier met je mond vol tanden staan.”

Zegt hij: “Ach, heeft hij zijn eigen gebit nog!”

Uiteindelijk, na een vreugdig heen en weer, waarbij het heen-werk van mij kwam maar het weer-werk van de ander, heeft hij me dan toch een paar gegevens verstrekt, waarop ik dan nu moet gaan improviseren.

Laat ik in de eerste plaats beginnen met te vertellen dat de gastspreker iemand is die in zijn laatste incarnatie wetenschapsman is geweest. Maar ja, dat was in de late Middeleeuwen en de wetenschap van toen wist niets, dat weten we tegenwoordig. Maar goed, hij was wetenschapsman en alchemist en zijn denken is eigenlijk bijna universeel.

Een enkele keer was er iets tussen, dat bij mij associaties wakker riep aan Uriah Heep. Een ogenblik daarna leek hij weer meer op de knecht uit de Pickwick papers en tenslotte leek hij soms Samuel Pickwick himself.

Zijn denken is eigenlijk gelijktijdig alomvattend maar met aandacht voor het detail.

Toen wij eenmaal zover waren dat wij allebei wat zeiden (en dat duurt in een conversatie soms even) zei hij dit: “Wanneer ik een geheel ken, kan ik de waarde daarvan pas zien wanneer ik leer de details te onderscheiden. Het geheel van de kosmos openbaart zich juist in de kleine dingen en in de kleine gebeurtenissen.”

Dat was wel een lichte schok voor mij. Ik vroeg:

“Wat noemt u een kleine gebeurtenis?” Toen straalde hij mij even door,  zoiets van achthonderd röntgen of zo,  en juist toen ik mij licht getroffen voelde, zei hij: “Nou, die ene sherry die zo goed smaakt.”

Ik zei: “Wilt u zeggen dat dat de kosmos is?”

Antwoord: “Neen. Maar het is een geur. Het is een associatie. Het is een beleving en die is belangrijk voor je. Want nu je hier in geestelijke vorm voor mij staat (ik wist niet eens dat ik stond, ik dacht dat ik zweefde) weet jij dat nog. Het is een vreugde die nodig is om te onderstrepen wat er eigenlijk allemaal ook aan duisters is, zoals het duister er is om het licht kenbaar te maken.” Een beetje Rembrandtesk. Het licht krijgt zijn betekenis pas door het omringend duister. Ik zeg tegen hem: “En als je bij de mensen komt (we waren al aan het “Du und Du”, hij is Duitstalig geweest in zijn laatste incarnatie) wat wil je dan eigenlijk de mensen daarmee meedelen?” Antwoord: “De meeste mensen zien de werkelijkheid niet zoals die is, want de meeste mensen zetten de details tegen elkaar af. Ze wegen ze als tegenstellingen en je leven wordt eigenlijk pas volledig wanneer je ze juist ziet als aanvulling.”

Ik dacht bij mijzelf: hartelijk bedankt. Maar zo pratende kom je eigenlijk in een bepaalde sfeer, een beslotenheid, en ik zei zo tegen hem:

“Als ik begrijp wat u bedoelt, dan is het eigenlijk de samenvoeging van de dingen.”

“Ja”, zei hij, “dat heb ik gezegd.”

“Dus u bedoelt dat de muggen waarvan ik last had toen ik het heilige graf aan het bezoeken was…”  “Juist”, zei hij, “die horen er ook bij.”

“Maar die stoorden mij in de contemplatie.”

“Neen” zei hij, “Dat is niet waar. Die vliegen onderstreepten je gebrek aan concentratie.” Nou ja, zo kun je natuurlijk nog wel meer zeggen.

Het menselijk leven als geheel  daar kwam het dus op neer  wordt door de mens te vaak gezien als iets eenmaligs, iets wat nú moet gebeuren en waar je dan ook als de bliksem mee op moet schieten.

De visie van de gastspreker is juist: Menselijk leven is alleen maar een fase en als je denkt dat je in die fase alles moet doen, doe je meer dan de helft verkeerd. Juist wanneer je begrijpt dat alle tegenstellingen zelf versmelten tot een eenheid, heb je ook niet meer de behoefte om zo eenzijdig te zijn.

Rijk zijn is erg leuk. Maar als je op een gegeven ogenblik,  dat kan je ook gebeuren als je rijk bent,  zonder centen in je zak staat en niemand kent je zodat je geen krediet krijgt, dan kun je je wel ergeren, maar je kunt misschien ook begrijpen hoe het is voor een ander, die geen krediet heeft en die geen geld op zak heeft. Alleen neemt die natuurlijk geen taxi.

De situatie van het leven zelf, ik moet haast wat poëtisch worden in de vergelijking,  is eigenlijk zo: Onze levens sluiten op  een wonderlijke wijze aaneen. Wij zijn een soort sneeuwkristal. Nu weet u misschien hoe mooi en symmetrisch dat is opgebouwd en zou je graag zeggen: “Dat ben ik.” Maar dat is niet waar. Het is juist zo, dat je samen met een aantal anderen zo’n kristal vormt. Jij bent een aantal van die naaldjes ijs, die elk op hun eigen en verschillende plaats de symmetrie uitmaken.

Dat vond ik van mijzelf een hele goede vondst. De sneeuwkristallen vormen door een enorme veelheid een sneeuwdek, dat erg mooi is totdat de eerste auto er doorheen rijdt. Vanaf dat ogenblik is het ook maar drek. Maar dan kun je niet meer zeggen: het is één kristal. De kristallen samen vormen een neerslag en die is op zich weer een geheel.

Zo zijn wij eigenlijk een zeer beperkte functie in een symmetrisch geheel dat zo onbelangrijk is dat het onmiddellijk verdwijnt in de totaliteit.

Toen ik dat zo bedacht had, kreeg ik zelfs nog een soort knikje uit de verte en werd er nog bij gezegd: “Vergeet één ding niet. De mensen weten niet beter. Voor hen is dat ene ijsnaaldje het hele bestaan. Maar wanneer je wijzer wordt, dan weet je: binnen dat geheel waartoe ik behoor, ben ik misschien wel twintig keer of dertig keer als ijsnaaldje tegenwoordig. En de symmetrie van het geheel blijkt nu, volgens deze spreker althans (ik durf het zelf nog niet te beweren, al heb ik veel beweerd in mijn tijd, maar dat durf ik toch niet), eigenlijk het besef te zijn. Dat is eigenlijk wel leuk.

Ik heb altijd hele families aan laten rukken om problemen te verklaren; en als u weet hoeveel ooms, neven en ,die ik ooit gehad heb, door mij misbruikt zijn om gelijkenissen te verkondigen die onjuist waren, dan zou u begrijpen waar ik op zinspeel.

Wij hebben een gemeenschappelijk besef en de kern van deze gemeenschappelijkheid kan een groot aantal mensen, of moet ik zeggen ‘zielen’, omvatten. Maar binnen dat geheel wisselen zij voortdurend hun functie. Steeds weer op een andere plaats verbeelden zij hetzelfde aandeel in de symmetrie totdat het geheel is afgerond en het geheel beseft wordt als eenheid.

Nu ben ik altijd erg tegen eenheidspartijen geweest. (Ik heb me laten vertellen dat er vroeger ook eenheidsworst was en die heette zeer voedzaam te zijn, al was ze natuurlijk voor consumptie verder volledig ongeschikt.) In ieder geval, dit begrip van eenheid stoorde mij wat en u weet hoe dat gaat als je met hogere standen omgaat: je zit zo weer in de keuken. Ik ben toen, zonder dat er voor mij gebeld was, nog een keer teruggegaan om te weten waar ik aan toe was. ‘Hom of kuit’ durf ik niet meer te zeggen in dit verband, want dat zou binnen het patroon van het leven onderling verwisselbaar zijn.

Toen ik iets begon te begrijpen, vroeg ik:

“Maar één kristal is toch maar klein?”

Antwoord: “Dat is waar. Eén zo’n sneeuwkristal is klein, maar erg complex. Maar elk kristal lijkt weer in zijn symmetrie op bepaalde andere kristallen. Niet alle kristallen hebben dezelfde roosterstructuur.”

Er zijn, zo dacht ik, een beperkt aantal mogelijkheden om een sneeuwkristal te vormen. Laten we zeggen, dat die mogelijkheden tienduizend zijn en dat betekent dat op elke elfduizend sneeuwkristallen er tenminste duizend zijn die elkaar spiegelen. Die spiegeling is weer de sfeer of de wereld waarvan je deel bent. Toen was ik zelf zozeer in de sneeuw blijven steken, dat ik heb gevraagd om verdere verduidelijking en die kwam dan ook. Het komt hier op neer.

Een aantal zielen, de basiswaarde van alle leven, zijn van het begin af aan op één of andere wonderlijke manier met elkaar gerelateerd. Zij vormen een eenheid, die zich in het geheel van de schepping voortdurend weer manifesteert. Niet volkomen gelijk. Niet in gelijke verhoudingen, betekenissen of waarden, maar wanneer je tot die groep behoort, kun je er donder op zeggen dat wanneer je op aarde terugkomt, je een aantal daarvan in de stof ontmoet en de anderen zijn geestelijke invloeden waarmee je toch,  of je wilt of niet,  te maken krijgt.

Er zijn dus anderen die vergelijkbaar zijn. Je kunt nooit zeggen: ik ga van de ene groep naar de andere groep. Maar je kunt wel gaan begrijpen hoe de ene groep gelijk is aan de andere. Dat wil zeggen dat iemand die zijn eigen patroon kent, dus gelijktijdig het beleven, de mogelijkheden maar ook de geestelijke waarde en kwaliteiten van al die spiegelende kristallen,  de vergelijkbare kristalvorm  in zich kan ervaren.

Wat ik probeer duidelijk te maken, is eigenlijk dit. Wij behoren tot een bepaald patroon en aan dat patroon kunnen wij ons niet onttrekken. Wij kunnen wel binnen het geheel, maar altijd met het geheel, evolueren. Dat wil zeggen dat wij het besef krijgen van andere vergelijkbare en in structuur gelijke geestelijke waarden of groepen. Dat is natuurlijk een zeer interessant geheel maar daar rijst de vraag: Wat moet je nu doen? Als je zegt dat er tienduizend verschillende vormen zijn, blijf ik dan toch altijd met één soort opgescheept?

Mijn vraag in die richting hoefde ik niet te formuleren want ik kreeg al direct een soort combinatie van hoon en glimlach naar het geestelijk hoofd geworpen.

“Nu moet je goed begrijpen, dat de oervorm waaruit elk kristal is opgebouwd, gelijk is.” Begrijpelijk. “Wanneer je in de eigen combinatie terugkeert tot de oervorm ‘ik ken mijzelf en ik begrijp het geheel waartoe ik behoor’, dan weet ik in welke vorm ik actief ben in de kosmos. Maar zodra ik met een andere vorm te maken krijg, keer ik terug tot mijzelf en in mijzelf vind ik de reflectie van de ander.”

Wanneer je eigen besef groter wordt door een grotere erkenning en beheersing van je eigen persoonlijkheid zul je dus ook anders dan je eigen soort groepen kunnen leren kennen en begrijpen. Je kunt er zelfs precies van aanvoelen wat zij in hun geheel betekenen. Het enige is dat je het niet kunt reproduceren. Je zit aan je eigen structuurvorm vast.

De situatie zoals ik ze zie, en nu even buiten deze gastspreker van zo dadelijk om, is deze: Onze functie in de kosmos is een bepaalde. Ons besef van de kosmos moet worden opgebouwd uit het geheel waarbinnen wij functioneren. Zodra wij dat besef bezitten zijn wij ook in staat om terug te keren naar wat je zou kunnen noemen ‘de essentie van het eigen bestaan’. Vanaf dat ogenblik kun je steeds meer dingen begrijpen die je nooit kunt zijn. Zo kun je een besef bereiken dat de hele kosmos omspant ofschoon je eigen mogelijkheid tot werken, tot daadwerkelijk je uiten, altijd beperkt zal blijven.

Mijn visie is dan ook nog deze: Wanneer ik eenmaal leef, waar ook, in welke wereld of sfeer dan ook, zal ik moeten erkennen dat ik tot één bepaalde groep behoor. Het is niet alleen: wij ontmoeten elkaar in vele werelden en incarnaties, maar het is ook zo: tussen ons bestaan spanningen. Tussen ons bestaan overeenkomsten of contacten die altijd, al kunnen ze verwisselen, zullen blijven bestaan. Ze zijn de grondwaarden van de totale groep waarbij we horen.

Elke groep kent in zichzelf die spanningen en dat zijn dan de negatieve aspecten vanuit ons beperkt standpunt. Maar als ze er niet zouden zijn, zou onze groep zijn samenhang ontberen en het is die samenhang waardoor de groep juist weer haar functie in de kosmos kan vervullen.

Toen ik dat allemaal had uitgeplust, ben ik eens gaan praten met een paar oudere collega’s die misschien niet geheel maar iets meer van mijn stand waren. Ik heb hen gevraagd: “Wat hebben jullie daarop te zeggen?” Eén zei: “Nu begrijp ik eindelijk waarom ik al zolang ik besta, voortdurend datzelfde groepje ellendelingen ontmoet.” Ik reageerde: “Dat is eigenaardig (ik was al bang dat er zoiets zou komen). En ben je er tevreden mee?” Toen zei hij: “Wanneer ik ze zie, kan ik ze soms niet luchten. Maar als ik ze niet zou zien, zou ik mijzelf niet kunnen luchten.” Hij bedoelde: hoe het ook gaat, ergens hoor ik erbij, en pas wanneer wij elkaar allemaal kunnen aanvaarden en allemaal de juiste verhoudingen tot stand hebben gebracht, zullen we allemaal zeggen: hé, ik ben blij dat ik erbij hoor. “Maar ik heb het gevoel dat ik voorlopig nog wel in protest zal leven.”

Ik zei: “Jongen, dan moet je gauw incarneren. In Nederland heb je de grootste kans om te protesteren op het ogenblik.” (Je mag iemand toch een tip geven, nietwaar?)

Toen ben ik naar een ander toegegaan en vroeg hem: “Wat denk jij ervan?” Hij zei: “Ik heb één liefde en die heb ik nou al zolang ik weet dat ik besta.”

Dat is er ook al één die wat incarnatietjes kent, dus sprak hij kennelijk uit ervaring. Ik vroeg: “Heb je die nou altijd op dezelfde manier?”

Reactie: “Dat zou vervelend worden. Neen. Ik ben al eens de vader ervan geweest, ik ben al eens de moeder ervan geweest, ik ben het kind ervan geweest. Ik heb alle relaties zo ongeveer gehad. Maar één ding is mij opgevallen: Wanneer wij bijvoorbeeld één incarnatie zeer intens verbonden waren, dan kregen wij de tweede incarnatie contacten die net niet klopten. En dan had ik altijd het gevoel: er is iets mis gegaan. Maar wanneer het niet mis zou gaan, dan zou in een nieuwe relatie waarbij dus weer diezelfde intensiteiten aanwezig zijn (hij sprak over versmolten licht) die versmelting van licht niet kunnen realiseren. Er moet een ogenblik zijn, dat het niet realiseerbaar is, waardoor je gaat beseffen, wat er ergens zou kunnen zijn en in een volgende incarnatie maak jij het dan weer waar. Dat is zo’n beetje om en om.”

Ik dacht: nu, dan ga ik het nog aan nummer drie vragen en als die het ook niet weet, stop ik ermee. Nummer drie had dit antwoord voor mij: “In het begin zal de groep wel een eenheid geweest zijn. Eén ziel, maar ja, het is in stukjes en beetjes uit elkaar gevallen en het is duidelijk dat wij dan niet ergens anders bij kunnen passen. Eerst wanneer wij weer een geheel zijn geworden kunnen wij verdergaan om het contact verder te herstellen met andere groepen waar wij misschien ook nog bij horen. Voor mij kan ik alleen maar zeggen: elke incarnatie heeft mij ervaringen gebracht en geestelijke belevingen waardoor ik geesten ontmoet heb, die ik altijd ook weer in de sferen heb ontmoet.”

Ik dacht: nou heb ik wat en vroeg: “En altijd in het licht?” “Nee,” zei hij, “Ze hebben mij al eens uit het duister gehaald en ik heb hun al eens uit het duister gehaald. Want in elke incarnatie reageer je anders. Maar voortdurend heffen wij elkaars nadelen en een deel van elkaars voordeel op. Als u het mij vraagt: wanneer ik kijk zoals het nu is in de sferen, dan is er ergens een kosmisch evenwicht en zolang wij dat zelf niet vinden, wordt ons dat eigenlijk opgelegd en zullen wij dat allemaal door eigen streven en eigen denken moeten waarmaken.” Hierna heb ik mij teruggetrokken. U denkt waarschijnlijk: waarom heb je niet doorgepraat? Maar je moet die dingen ook een keer verteren. (ik moet in een vroegere incarnatie ongetwijfeld een rund zijn geweest, want dingen die mij treffen moet ik altijd enige tijd herkauwen voor ze verteerbaar worden.)

Ik ben dus gaan nadenken en toen kwam ik tot deze conclusie: De gastspreker had gelijk toen hij zei: “Wij spreken over alles en heb niets te zeggen.” Want de werkelijkheid kun je niet zeggen. De werkelijkheid bestaat en die kun je beleven of niet beleven.

En alles willen zeggen! Wij willen uiten wat onze werkelijkheid is. Wanneer wij onze begrenzingen een beetje verliezen, kunnen wij dat wel doen met een uitstraling en dat wat wij naar buiten toe als het ware weergeven, maar wij kunnen dat natuurlijk niet in woorden omzetten. Kom ik nog tot de conclusie dat ons bekvechten veel meer waarheid had bevat dan ik op het eerste moment had gedacht

De details zijn zo belangrijk. Dat is eigenlijk wel zo. Want als je in dat kristal de details niet kent, als je alleen maar kijkt: dit is een vlokje sneeuw, dan weet je niet wat het is.

Als je zegt: ik ben alleen een ijsnaaldje, dan weet je ook niet wat al die andere dingen doen. Het is die wonderlijke samenvoeging van het schijnbaar onbelangrijke waaruit die hele werkelijkheid is opgebouwd, waar je bij hoort. Het is eigenlijk spreken over het detail waarin het grote kenbaar is. Dat moet waar zijn. Niet dat ik zover ben. Per slot van rekening ben ik nooit zo’n bijzonder haastige figuur geweest. Driftig wel, maar haastig niet. En ik kan vanuit mijzelf geen oordeel spreken, maar ik ben altijd toch wel enigszins pienter geweest, al had ik geen bolhoed om mee te toveren. Ergens moet deze gast met mij in contact staan en misschien dat het een weerkaatsend kristal is of een deel van mijn eigen kristal, dat weet ik nog niet. Maar er moet ergens een contact bestaan. Want anders zou ik nooit zoveel hebben kunnen begrijpen,  al heeft het moeite gekost  van hetgeen hij naar mij probeerde over te brengen. En als u daar nou ook nog allemaal bij zou horen, wordt het wel een ingewikkeld kristal, om maar niet te spreken van de rest.

Misschien neem ik het te letterlijk maar ergens moet iets zijn wat ons verwant maakt, want zonder deze verwantschap zijn wij niet in staat om te begrijpen.

Ik heb altijd het gevoel gehad dat wanneer je geconfronteerd werd met Jezus van Nazareth, je ergens in jezelf toch ook wel iets moest hebben van wat in hem bestond, hoe dan ook, omdat je anders die Jezus nooit zou kunnen aanvoelen. Je kunt voor het wonder stilstaan. Natuurlijk. Dat kan iedereen. Maar het gevoel hebben van een verwantschap, dat je denkt: was ik nou maar zo wijs geweest, dan had ik het precies zo gezegd. Verwaand, maar je hebt dat dan wel eens. Ik denk, dan moet ik daar toch ook bij horen. Ik geloof dat die verwantschap van ons veel verder gaat dan wij zelf beseffen en dat deze verwantschap, deze verbondenheden eigenlijk pas beleefbaar worden op het ogenblik, dat wij de kleine dingen van het bestaan zozeer begrijpen dat wij daaruit een begrip, een beeld, om niet te zeggen een harmonie kunnen krijgen met dat geheel waar wij bij horen.

Wij zijn op weg, niet alleen naar de verwezenlijking van ons eigen wezen, maar naar de verwezenlijking van een geheel waar ons wezen deel van is. Hoe het verder gaat met het verhaal, kan ik u misschien in een volgende aflevering vertellen, maar dat zal nog even duren.

Ik heb geprobeerd u iets weer te geven van de gedachtegangen en de uitwisselingen die ik met deze toch hoog geplaatste geest heb gehad. Een zeer geestige geest ook, trouwens. Wonderlijk, de meeste hooggeplaatsten zijn niet geestig, dus als je er eens één treft is dat iets bijzonders.

Ik heb hem eigenlijk ingeleid door iets te vertellen van wat hij bij mij teweeg heeft gebracht. Ik kan natuurlijk hopen dat hij dadelijk bij u hetzelfde doet, maar dat weet ik gewoon niet. Als wij bij dezelfde familie horen is er een kans. Dat hij dit denken erg uit zal dragen daar ben ik van overtuigd. Dat moet haast wel. Of hij het zal doen in termen zoals ik dat heb gedaan, betwijfel ik.

Je kan wel trots zijn op je vermogen de taal te hanteren zonder gelijktijdig aan te nemen dat iedereen het zo moet doen. Dat is trouwens altijd erg moeilijk. Stel je nu eens voor dat Scott, Shakespeare en Dickens in dezelfde woorden en woordkeus hadden geschreven. Dan was er niet eens een Engelse literatuur geweest, alleen een Engelse verveling. Die hebben ze nog wel op zondag, maar dat is dan meer voor het gemene volk dat geen club heeft.

Dus ergens zal hij proberen u iets duidelijk te maken van die verwantschap, van die eenheid. En ik heb zo het gevoel dat hij het op zijn manier heel netjes zal doen. Beter dan ik het gedaan heb.

Ik heb met veel moeite en nood overigens mijn verplichting tot het geven van een serieuze inleiding naar mijn eigen gevoel redelijk goed volbracht. Uw ontevredenheden daarmee vullen dan het kristal misschien in vorm nader aan en als u er erg tevreden mee bent, zal ik wel ergens gefaald hebben.

Ik heb gezegd wat ik gepuurd heb uit de gast en het lijkt mij beter om hem zo dadelijk aan het woord te laten. Ik heb het genoegen gesmaakt met u in contact te treden, waar ik mij zeer verheugd over voel. Ik hoop dat mijn inleiding niet al te zeer de sfeer heeft verstoord die de gastspreker zo dadelijk ongetwijfeld bij u zal kunnen oproepen.

En wat moet ik nu zeggen? Goedenavond dames en heren? Hartelijk bedankt voor uw aandacht, of zoiets? Laat ik het maar zo zeggen: Totdat wij elkaar weer eens ontmoeten, wens ik u veel licht, veel vreugde en als u dan niet helemaal netjes kunt, zijn wees in ieder geval gelukkig. Tot ziens.

Gastspreker:  Eenheid in verscheidenheid

 

Ik zal zo vrij zijn om mijn persoonlijkheid niet volledig te uiten want, ofschoon ik geen schuld heb gehad aan hetgeen de Germaanse invloeden tot stand hebben gebracht in de laatste tijd, moet ik wel zeggen, dat de ressentimenten bij sommigen hoog lopen wanneer zij een accent menen te ontdekken.

Dat bewijst ook alweer dat het voor mensen erg moeilijk is om samenhangen te overzien. Want ze vergeten één ding: Wat gebeurd is, was een deel van een totale ontwikkeling; dat was gewoon niet weg te denken.

In de wereld sluit alles ergens op elkaar aan en wij, in de werelden van de geest, doen ons best om te zorgen dat de stukjes die niet passen, tijdig verdwijnen of op een andere wijze in verschijning treden.

Een mens denkt altijd dat hij het leven moet beoordelen in tegenstellingen. Maar zijn er eigenlijk wel tegenstellingen die niet gelijktijdig een invloed vormen op al wat gebeurt? Een situatie die voor sommigen misschien moeilijk voorstelbaar is. Om u een voorbeeld te geven: Israël van nu zou niet bestaan zonder Hitler-Duitsland.

Een ander voorbeeld: de sociale ontwikkeling van deze tijd zou onmogelijk zijn zonder de crisis van 1928, zonder de grote oorlogen, want alleen daaruit is een zekere emancipatie voortgekomen. Als je het zo beziet ga je ook begrijpen dat het weinig zin heeft om te beoordelen of te veroordelen. Je moet gewoon beseffen wat de werking van de dingen in jou zelf is.

U denkt nu waarschijnlijk: een geest heeft makkelijk praten. Ik heb bovendien gehoord dat ik werd aangekondigd als iemand van de hogere standen, zeer waarschijnlijk omdat ik mij in het verleden een “vow” heb toegekend die niet geheel terecht was. Maar voor mij is het eigenlijk precies hetzelfde als voor u. Want alles wat ik geweest ben, alles wat ik gedaan heb, dat stelt mij in verbinding met uw wereld van vandaag.

Er zijn mensen die ik misschien zes incarnaties geleden heel goed gekend heb en sedertdien alleen of vluchtig heb ontmoet of misschien zelfs alleen in een relatie tussen geest en stof of omgekeerd. Toch leven zij nu op aarde en dat betekent voor mij dat ik met uw wereld verbonden ben.

Het lijkt allemaal zo eenvoudig. Je leeft op aarde. Je bent lief, braaf en goed. Je verdraagt alles en daarna kom je terecht bij een heer met een baard, die een sleutel omdraait en hupsakee: eeuwige zaligheid!

Nu moet ik zeggen, baarden zijn er bij ons vele. Denkbeelden met baarden. Moppen met baarden. Geesten die van hun baard nog geen afstand kunnen doen. Maar de werkelijkheid is dat het uiterlijk en het uiterlijk vertoon geen rol speelt. Ook niet een koninkrijk der hemelen in een gespecialiseerde en afgesloten vorm.

Het koninkrijk der hemelen is er eenvoudig. Dat is er altijd en overal, en een mens die behoort tot een bepaald deel van dat koninkrijk heeft een bepaalde taak, en die taak zal hij moeten vervullen of hij wil of niet. Hij kan niet anders. Hij zal zeggen: Ik leef op deze of gene wijze. Maar in feite zit hij vast aan het geheel waar hij bij hoort, zo goed als ik verbonden ben met al diegenen, die in al die incarnaties voortdurend weer op de één of andere manier mijn gezellen zijn geweest.

Zo bent u verbonden met mensen die u misschien nooit eerder ontmoet hebt in dit leven, maar die als geest een rol spelen voor u; met mensen waarvan u nu een bepaalde visie hebt maar die vroeger heel anders zijn geweest tegenover u, waarmee de relatie een andere is geweest.

U denkt misschien, ik kom misschien voor de tweede of de derde keer hier op aarde (nou er zal een enkeling bij zijn, maar de meesten hebben volgens mij toch al meerdere herhalingsoefeningen achter de rug). Het wezen waarmee wij verbonden zijn, of wij dat nu God moeten noemen of niet, ik weet het eigenlijk niet,  is een gestalte, een wezen dat wij uitbeelden.

Ik heb mij laten vertellen door iemand met wie ik nu verbonden ben, dat het gebruikelijk is om in een stadion met heel veel mensen tezamen,  in verschillende klederdracht neem ik aan, bepaalde figuren, vlaggen, letters en zelfs portretten te vormen. Het zal wel niet bij u zijn, maar goed. Dan kun je zeggen: het beeld wat daar ontstaat, ontstaat alleen omdat ieder van die velen die meewerken, op zijn plaats staat. Ik heb zo het gevoel dat de God die wij tezamen uitbeelden, het portret dat wij vormen; heel sterk afhankelijk is van de manier waarop wij het geheel als het ware weergeven. We vormen samen ook iets.

En dan kun je zeggen: Waar ik nu sta in dat geheel, is onbelangrijk. Wacht even! U hebt een bepaalde kleur. U hebt een bepaalde klederdracht waarschijnlijk. U hoort bij een bepaald groepje en dat groepje kan net zo goed een rode ster zijn, een witte hangsnor of iets anders. Maar u zit er mee opgescheept.

Je kunt in die groep van plaats verwisselen. Maar wil het groepsbeeld blijven bestaan, dan ben je nog altijd verbonden met dat groepje waar je bij hoort en daar kom je niet vanaf. Dat is de ellende misschien en misschien ook wel de zegen van het bestaan.

Wanneer je met elkaar verbonden bent, is dat niet alleen de directe verbinding van die gelijkheid. Wij hebben ook altijd degenen die bij ons in de buurt horen. Ik weet niet of u zich voor kunt stellen wat ik heb gezegd over dat vormen van een portret door mensen. Wanneer u zich dit kunt voorstellen kunt u zich ook indenken dat u naast een bepaalde kleur behoort te staan. Of tussen bepaalde uitlopers van een bepaalde kleur. Daar bent u dan mee verbonden.

Wanneer ik mijn eigen groepje bekijk, dan hoor ik met dat groepje weer naast een aantal andere groepjes, waarmee een wisselwerking is. Want ik zal mijn betekenis nooit krijgen als die anderen er niet zijn. Maar die anderen ontlenen ook gelijktijdig hun betekenis in het geheel aan wat ik ben en met mij natuurlijk de groep. Als ik ‘ik’ zeg, dan spreek ik over een groter aantal.

De essentie van God kunnen wij misschien niet doorgronden, maar wij beelden hem tezamen toch wel heel aardig uit. En die uitbeelding is het meest belangrijke wat er bestaat, want alles heeft zijn eigen relatie. Zijn eigen magische samenhang.

Ik zoek naar de woorden om het in goed Nederlands te zeggen. Door alle tijden heen ben ik één en dezelfde. Verbonden met dezelfde kracht. Deel van dit Goddelijk geheel. Hoe ik ook optreed en waar ik ook verschijn, altijd weer zal ik mijn eigen deel van de totaliteit uitbeelden en altijd weer zal ik daarbij een vergelijkbare functie hebben. Zodra ik ga begrijpen wat wij tezamen uitbeelden, is de plaats die ik inneem voor mij belangrijker geworden.

U zult zeggen: Wanneer wij in de kosmos opgaan, is het kleine onbelangrijk. Maar dat is niet waar.

Wanneer je niet weet waarom je op een bepaalde plaats moet staan, denk je: ach, wat geeft het. Een stap links of een stap rechts maakt ook niets uit. Maar wanneer je weet wat je uitbeeldt, begrijp je hoe belangrijk het is dat juist elk kleinste stukje precies op zijn plaats staat. Dat de perfectie op de meest perfecte wijze wordt uitgebeeld. De plaats waarop wij staan, wordt natuurlijk niet door een stukje grond bepaald, maar door de wijze waarop wijzelf existeren.

Wij hebben allemaal een eigen functie en die functie ligt binnen de groep. Tevens de kleur waartoe wij behoren natuurlijk. Maar onze functie is gelijktijdig ook om, waar wij ons ook bevinden, in relatie tot de anderen die tot onze groep behoren, precies die ene juiste plaats te vinden in de kosmos en die plaats wordt niet bepaald door één enkele wereld.

Iedereen leeft eigenlijk in een heel groot aantal werelden. In een wereld met vele etages misschien. Je kunt geestelijk bestaan, zuiver geestelijk. Je kunt bestaan met voertuigen die tussen geest en stof in liggen. De Egyptenaren wisten dat zo mooi: Ba, Ka en al wat ze erbij hadden.

Wij hebben allerlei voertuigen en samen vormen die als het ware de plaats die wij innemen. Je kunt dus niet zeggen: Ik ben alleen stoffelijk hier en dat is genoeg. Neen, ik moet ook geestelijk  en liefst zo bewust mogelijk  eveneens die functie vervullen en dat moet ik eigenlijk doen tot op het hoogste niveau van het bestaan toe. Ik moet alles samenvatten opdat de gestalte ontstaat, die als een enkel punt in een totaal beeld nadruk kan geven aan een goddelijke werkelijkheid. Dat alles is toch, dacht ik voor u begrijpelijk.

Ik had met uw inleider enige kleine moeilijkheden. Ik dacht dat hij veel begreep en dat duurde totdat ik begreep dat hij niet begreep wat ik begreep. Een begripsverwarring. Deze verwarring komt overigens ook voort,  onder ons gezegd en gezwegen,  uit een zekere verwantschap. Hij heeft op zijn manier fabels verteld. Ik heb het in een ver verleden ook gedaan, alleen was ik toen slaaf met een goede reputatie en hij was een redelijk welgesteld en vrij man met een redelijke reputatie. Dat is het verschil tussen ons beiden. Maar het is alsof wij eigenlijk de functie verwisseld hadden. Daarom dacht ik ook onmiddellijk aan dat begrip.

Ik moest hem duidelijk maken dat wij eigenlijk in het geheel bestaan en in het gehele bestaan voortdurend nadruk geven. Misschien kan ik mijn beeld van daarnet nog even gebruiken.

Als al die jongens en meisjes die daar staan, een hand opsteken en één steekt een verkeerde hand op, wat gebeurt er dan? Dan is er een onvolmaaktheid in geslopen. Of ze verzetten een been of moeten hun gezicht naar één kant wenden en niet naar de andere. Op die manier werkt het.

Nu is het bij ons natuurlijk niet zo dat je een bepaalde kant uit moet kijken met je gezicht. Maar je moet geestelijk een bepaalde kant uit kijken. Heel vaak is het zelfs zo dat we bij elkaar horen maar dat we ieder een andere kant uit moeten kijken. We zien de kosmos verschillend maar daardoor juist geven we nadruk aan de werkelijkheid van het goddelijke, die daarin is uitgedrukt.

De werkelijkheid die ons bindt, zou je dan ook,  denk ik,  meer als een kracht, een sfeer moeten omschrijven dan als een feit.

Wanneer ik weet tot welke groep u behoort, weet ik ook op welke manier mijn kracht voor u noodzakelijk is. Het is de nadruk die ik vanuit mijn wezen aan het uwe geef en dat zal altijd gelden. Zelfs wanneer u nog niet beseft wat u voor mij betekent.

Het is dan ook begrijpelijk dat ik moet spreken in termen van een kracht of van een sfeer en dat ik niet kan volstaan met een eenvoudig betoog over de manier waarop wij samen het beeld Gods vormen.

Mijn eigen wereld is er één waarin licht en duister altijd weer met elkaar verknoopt raken. Ik leef in het licht, zeker. Maar dat licht kan, geloof ik, niet eens beleefd worden of bestaan wanneer er niet altijd delen zijn, die of in uw wereld leven of in een sfeer die duister is, of tenminste werken in een sfeer die duister is. Wij zijn tezamen licht en duister. Niet alleen maar licht. Niet alleen maar duister.

Er zijn er bij ons in de groep waartoe ik behoor, die zich zeer sterk naar buiten toe uiten. Er zijn er ook die schijnbaar in zichzelf besloten blijven. Maar degenen die in zichzelf besloten blijven, zijn de bron van de kracht voor hen die nu de functie van het uiten hebben. We zijn en blijven eenvoudig met elkaar verweven en verbonden.

Wanneer je het gevoel hebt: wij horen allemaal bij elkaar, het is allemaal precies hetzelfde, dan is het fout. Neen, het moet een voortdurende worsteling zijn, een wisselwerking waarin wij door elkaar zoekend en vechtend,  want het is een soort strijd, ondanks onszelf een harmonie vinden met het geheel.

Voor een mens moeilijk te begrijpen dat je pas gelukkig kunt zijn ondanks jezelf. En toch is dat een kosmische waarheid. Want geluk is een eenzijdigheid en die eenzijdigheid vloeit voort uit de eenheid met het geheel. Maar wij kunnen deze eenzijdige werkelijkheid pas beseffen wanneer wij de andere kant,  het ik,  eveneens beseffen.

Wanneer u alleen leeft op aarde, wanneer u alleen werkt met de stoffelijke mogelijkheden, de stoffelijke filosofieën en denkwijzen die voor u bestaan, dan bent u heel lieve en goede mensen, maar er ontbreekt iets.

Wanneer u in uzelf nog eens uitstijgt naar een andere wereld, wanneer u misschien leert leven en werken op verschillende niveaus, op al die etages van dat gebouw dat ‘ik’ heet, dan ontstaat er een strijd. Dan zeg je: Nu zit ik hier met dit probleem. Waarom zit ik niet daar? Maar je bent er tegelijk en pas wanneer je begrijpt dat wat je dáár bent, alleen mogelijk is door wat je hier bent en omgekeerd, ga je iets beseffen van de werkelijkheid van je bestaan. De sfeer is er een waarin de schijnbare tegenstrijdigheden tezamen de betekenis, de uiting, de mogelijkheid van actief deelhebben aan de schepping, bevestigen.

De moeilijkheid is altijd weer dat je denkt: het zou anders moeten zijn. Laat mij u een leuk eenvoudig voorbeeld geven. Ik spreek hier. U bent het allemaal met mij eens. Wat hebben wij dan bereikt?

“Niets”.

Zeer juist. Heel goed geleerd die les.

U bent het ten dele wel eens en ten dele niet eens, maar u voelt aan dat er toch wel een betekenis achter moet zitten. Wat gebeurt er nu? Wisselwerking tussen uzelf. Uitwisseling van krachten, van invloeden van sfeer. Actie, die het geheel een soort motor geeft waardoor ze in beweging komt.

Nu zeggen de mensen: Dat is allemaal heel mooi, maar ik wil mij bewust zijn van al die hoge krachten.

Ach, hoge krachten! Ik zal u eens een verhaal vertellen. Er was eens een major domus, een butler, die zo overtuigd was dat hij het zelf alleen maar goed kon doen, dat hij niet alleen het hele huishouden regelde, maar hij wilde er ook voor zorgen dat de juiste inkopen werden gedaan. En hij wilde alle voorraden controleren. Hij wilde delen van het huis zelf schoonmaken en bovendien wilde hij ook nog op tijd zijn om zijn heer en familie te bedienen en de gasten. Het gevolg was dat die man voortdurend bezig was en toen gebeurde het een keer dat hij gewoon van de kook raakte. (Dit is historisch, ik was zelf daar toen een slaaf en ik mocht hem niet graag, dus ik heb een ontzettend plezier gehad. Toch behoorde ik tot dezelfde groep. Zo zie je hoe gek dat kan lopen). En wat gebeurde er? De man was in zijn gedachten bezig met het controleren van een voorraad, terwijl hij de heer en zijn gezelschap moest bedienen plus de bedienden moest dirigeren met het gevolg (hij kon schrijven, dat was in die tijd een heel bijzonder iets) dat hij een stylus nam en aantekeningen begon te maken over de inhoud van de gasten. Ik weet niet of hij ze allemaal als ‘zakken’ genoteerd heeft of als ’tonnen’. In ieder geval weet ik wel dat de heer dit zag en zo nijdig werd dat hij de man naar het platteland heeft verjaagd en daar mocht hij een ploeg trekken. De man was van topfiguur in de huishouding gedegradeerd tot ezel.

Nou is hij dat altijd geweest, maar hij heeft het nooit geweten. Hij wilde teveel tegelijk doen. Hij wilde alles zijn en als je alles wilt zijn, komt er een ogenblik dat je niets bent.

Wanneer je alles kunt beseffen, komt er een ogenblik dat je besef iets is, wat niet meer binnen het ik uitdrukbaar is. Dan besef je niets en alles tegelijk. Maar als je alles tegelijk wilt zijn en doen, dan moet je altijd ergens vastlopen, dat gaat niet anders.

Het is: ik heb mijn functie en die moet ik vervullen. Die moet ik vervullen met het geheel van mijn geestelijke kracht. Met het geheel van mijn stoffelijke kracht. Met het geheel van mijn kosmisch besef. Met het geheel van mijn uitstraling die mogelijk is. En als ik het zo doe: mijn functie, mijn taak… en ik laat aan de anderen hun eigen verantwoordelijkheden over, dan zullen wij zien dat wij elkaar nodig hebben.

Wij zullen elkaar steunen. Maar elk van ons kan zijn positie handhaven. Tot er misschien een keer komt dat we allemaal een andere positie krijgen. Maar dat is nog niet erg, want dan kan ieder van ons weer afzonderlijk functioneren en gelijktijdig daardoor de juiste samenwerking met de anderen vinden.

Dat is nu eigenlijk het gehele geheim van het kleine in de kosmos. Soms worden wij een beetje door elkaar gegooid. Dan zijn de incarnaties anders. Dan zijn de samenhangen een beetje anders. Maar nog steeds hebben wij ieder onze taak en die taak zal altijd afgeleid zijn van de taak, die wij hadden. Ze zal een vervolg daarop zijn zolang wijzelf maar harmonisch blijven. Het is duidelijk dat het helemaal niet belangrijk is dat wij meer zijn dan anderen of meer doen dan anderen. Maar het is erg belangrijk dat we beseffen wie wij zijn, wat wij kunnen en moeten doen. Dat is geestelijk en stoffelijk het meest belangrijke wat er maar is.

Nu zitten wij hier bij elkaar. U bent in uw reacties soms wat verdeeld. Samen vormt u een kracht. Wat gebeurt er door die kracht? Door die kracht wordt er iets uitgedragen. Wordt er iets gemanifesteerd, zoals ze het zeggen, en dat betekent dat de groep als geheel functioneert.

Wanneer wij afgesloten zijn voor de buitenwereld, zittend als een aantal rupsen ingesponnen in een cocon, van: ‘dit zijn wij’, dan kunnen wij nooit wat bereiken. Dan kunnen wij niets zijn. Pas als de cocon scheurt, wanneer wij beseffen dat wij één zijn, van hetzelfde soort, dat wij horen in diezelfde cocon, kan elk van ons uitwieken als een vlinder, als een mot of als wat u daarvoor maar wilt kiezen. Wij zullen dan, uitvliegende, toch een eenheid blijven en zal datgene wat wij in de wereld zijn herleid kunnen worden tot wat wij samen zijn. In dit samen zijn, dat is het belangrijke, wordt de veelheid van onze functie gelijktijdig één enkele aanduiding van de goddelijke werkelijkheid die eenieder beleeft.

Ik meet voorzichtig zijn, merk ik, maar ik kan toch, dacht ik, nog wel het één en ander zeggen om dit geheel af te ronden. Iedereen in deze groep is op één of andere manier verbonden, daarom bestaat die groep zo. Er zijn bindingen met deze groep die verdergaan, natuurlijk. Ook ik ben er ergens mee verbonden. Wat betekent dat?

Een gedachte is het juiste antwoord hier. Het betekent dat wij tezamen op een wonderbaarlijke manier in geest en stof iets van het koninkrijk Gods waarmaken. Dat wij als het ware uit de veelheid het éne zo kenbaar maken, dat het beleefbaar wordt voor eenieder die er mee werkt. Alle werk bestaat uit twee delen. Er bestaat het werk van de geest en het werk van de stof. Er is de filosofie en er is de actie.

Nu lijkt het misschien of dat alleen stoffelijk bestaat. Maar wanneer je in de stof en op een geestelijk niveau actie voortbrengt, dan is er altijd als compensatie een wereld waarin je geestelijk filosofeert, als het ware, waarin besef en denken zich in een eigen proces uitbreiden. Dat betekent dat alles voor ons ergens evenwicht is.

Wij zijn evenwicht, omdat het ons onmogelijk is te dromen zonder de weerkaatsing van de droom in de werkelijkheid te stellen. In één leven kun je dat vermijden, niet in vele levens. In één wereld zou je het kunnen vermijden, maar niet in vele werelden. Zo is uw wereld van dromen en van leven een voortdurende aanvulling. Een evenwicht.

Alle richtingen van het zijn worden gelijktijdig beleefd. Het is,  om het zo eens te zeggen,  de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte. Het is een extra afmeting. Die afmeting voel je soms. Wanneer je die afmeting voelt, weet je niet precies waar je aan toe bent, want je kent jezelf nog niet eens. Maar hierdoor moet je jezelf beter leren kennen.

Ik zou het zo willen stellen: Juist dat onbekende wat je innerlijk beleeft en dat schijnbaar geen samenhang vertoont met je gedachten of met je daden, juist dit wonderlijke is de openbaring van het werkelijk ik dat samengevat wordt in de goddelijke werkelijkheid tot één manifestatie, deel van één groep, één kleur, één werkelijkheid. Door dit gevoel nu kunnen wij leren niet alleen onszelf te zien, maar om boven het geheel uit te komen. Wanneer wij los komen van de uiterlijkheden en dit innerlijke uit laten gaan boven de werkelijkheid van daad en van denken, dan zien wij het koninkrijk Gods. Dan zien wij de werkelijkheid die we tezamen uitbeelden. Daarom moet elke mens en elke geest aanvaarden wat is. Niet in een daadloos verzet, dat is dwaasheid. Niet in een aanvaarding zonder redelijkheid, ook dat is dwaasheid. Maar hij moet aanvaarden wat er is. Hij moet de sfeer beleven die in het eigen ik bestaat ten aanzien van de uiting. Hij moet het conflict of de harmonie van zijn eigen gedachten aanvaarden zoals ze nu is. Want in de aanvaarding van onszelf, van de wereld waarin we leven en de werkelijkheid waarin wij bestaan, komt voor het eerst dit koninkrijk Gods, dit geopenbaarde licht. Treden wij door de veelkleurigheid tot de enige harmonie waarin alles één is en toch in zijn verscheidenheid kan blijven bestaan.

Daarom moet u nooit bang zijn voor wat u vandaag bent. Daarom moet u nooit worstelen met de geschillen die geestelijk en daadwerkelijk voor u bestaan. U moet ze aanvaarden en in uzelf zoeken naar die kracht en dat gevoel, waardoor u uzelf wat beter ziet en misschien begrijpen gaat, wat u in een groter geheel bent, al is het maar uw eigen groep.

Op die manier vindt u de innerlijke harmonie, de werkelijke kracht, de lichtende conversatie van goddelijke waarden in het tijdbeperkte, waardoor u kunt overwinnen wat u bent. Niet door anders te worden, maar door anders te beseffen. Niet door opeens de wereld anders te zien, maar door al wat van de wereld is en wat van de geest is, anders te beleven.

Wanneer uw beleven in u verandert en uw harmonie in u verandert, wordt de eenheid kenbaar. In die verandering vindt u de kracht, de waarde en de eenheid waardoor u de totaliteit, dit koninkrijk Gods waarlijk beleeft, erkent als deel van uzelf en uzelf als deel daarvan, zo levende de totaliteit binnen de beperktheid van uw eigen bestaan.

Dit had ik mij ongeveer voorgenomen om te zeggen. Niets is zinloos of nutteloos. Alles is verbonden. In de verbondenheid en de eenheid leeft God. Beleef God en de verbondenheid. Dat is hetgeen ik wilde zeggen. Nu weet ik dat ik eigenlijk niets gezegd heb, want je kunt niet de waarheid in een woord vangen. Toch heb ik alles gezegd wat voor mij belangrijk is. Ik heb mijn wezen, mijn gestalte, mijn beleven versmolten met de eenheid willen weergeven. Juist daarom hoop ik dat u in uzelf iets verstaat, iets begrijpt, ook al zijn er geen woorden voor, want dan zult u meer en beter en bewuster uzelf zijn.

Om nog even terug te grijpen naar een ver verleden: Pax tibi, oftewel: moge de vrede u vergezellen op uw wegen en heersen binnen de muren van uw huis.

image_pdf