Eenheid tussen geest en stof en haar gevolgen

uit de cursus ‘De menselijke psyche’ 1956

Op het ogenblik dat stof en geest als eenheid handelend kunnen optreden in de wereld, daarbij elk een deel van hun vermogen prijsgevend, maar in de plaats daarvan samen tot een op de stoffelijke wereld werkende eenheid worden, verkrijgt de mens daarmee door deze harmonie een groot gedeelte van de eigenschappen van de geest. Omgekeerd kan de geest om datgene te verwerkelijken wat zij wenst volledig beschikken over al hetgeen er in de stof bestaat. De weg daartoe, die normalerwijs wordt bewandeld, gaat via het onderbewustzijn. Maar op het ogenblik dat de geest een direct en intens deel wordt van het stofleven, dringt zij ook door tot het directe bewustzijn. Dan kan dus elke waarneming van de geest, ook in haar eigen geestelijke wereld of in overeenstemming met haar geestelijk waarnemingsvermogen, onmiddellijk als directe werkelijkheid aan de stof worden doorgegeven.

Een mens die deze eenheid heeft bereikt, zal dus in de eerste plaats leven in twee werelden tegelijk, waarbij echter in elk van die werelden zijn uitingsmogelijkheid wordt gelimiteerd door de tweede wereld, die hij gelijktijdig beleeft. Hij vindt allereerst de helderziendheid geperfectioneerd en volledig beheerst. Er is geen vraag meer: zie ik iets? Er is de wil: ik zie en ik neem waar alles wat er op geestelijk of stoffelijk gebied bestaat. Door mijn volledig bewustzijn van de geest, overgedragen op het stoffelijk denkvermogen, zou ik op zo’n ogenblik dus in staat zijn om,    zoals een helderziende, de twee beelden (werkelijkheid en schijn) door elkaar te zien. Werkelijkheid, schijn en geest zo te zien als een samengesteld geheel en kunnen komen tot een direct en absoluut onderscheiden van de geestelijke werkelijkheid, de stoffelijke werkelijkheid en de schijnvormen door gedachten geboren, die daartussen staan.

Helderhorendheid is de illusie van horen, waarbij de mens een geheel van de geestelijk ontvangen indrukken ‑ over het algemeen en via het onderbewustzijn gekomen ‑ interpreteert in woorden. Als de geest echter volledig vrij is om op haar eigen vlak te ontvangen, zal er geen helderhorendheid meer optreden, maar een begrijpen van de geestelijke waarden, waardoor de weergave, ook voor het stoffelijk bewustzijn veel vollediger is dan anders zou kunnen geschieden.

Verder bezit het lichaam een kernstof, een levensstof, die o.a. voor de spierweefsels noodzakelijk is. Deze stof is het nl. die afge­scheiden via prikkels van het zenuwstelsel en opgenomen in het lichaam de samentrekking en strekking van de op zichzelf betrekkelijke slappe spiermassa tot stand brengt. Deze stof nu kan door de geest gedeelte­lijk worden ontleed en na ontleding worden uitgestraald. De geest kan de spiermassa dus a.h.w. beroven van zekere activerende stoffen en deze projecteren in alle leven. Hierdoor kan ze praktisch alle dierlijk leven en een groot gedeelte van het plantaardig leven onmiddellijk stimuleren tot groei en beroeren zoals zij wil.

Verder schuilt er in het menselijk lichaam een zgn. fluïde. Dit is wel materie, maar van een zodanig fijn gehalte, dat zij – hoofdzakelijk energie‑dragend ‑ door de geest gemakkelijk gevormd, gericht en gebruikt kan worden. Het telekinetisch verschijnsel dat normalerwijze onbewust optreedt, kan nu optreden in volledige overeenstemming met de bewuste uiting en is niet meer gelimiteerd door afstand noch door bepaalde krachtvermogens. Alles kan worden bereikt op elke afstand, mits de geest daar waarneemt en gelijktijdig kan beschikken over deze in het lichaam aanwezige plasmakrachten.

Dit is echter nog niet voldoende. Er is nog veel meer. De geest heeft haar vermogen tot vibratie dat zij kan variëren op betrekkelijk hoog gebied. Zij kan echter samen met de stof, die ook haar eigen trilling heeft, nu bepaalde resonans‑effecten doen ontstaan, waardoor de trilling tot één gesloten geheel wordt. Het lichaam kan worden afgesloten voor zwaartekracht. Het lichaam kan worden gedreven langs elke krachtlijn die er in het Al bestaat. Elke levensfunctie kan tijdelijk worden onderbroken op zodanige wijze dat de geest slechts door één enkele krachtimpuls dit leven opnieuw kan wekken. Ik noem nu enkele gaven die kunnen voortvloeien uit de eenheid tussen de geest en de stof. Echter zullen wij steeds weer stuiten op eigenschappen van de menselijke psyche, indien wij deze dingen willen verwerkelijken.

We krijgen dan allereerst te maken met het bewustzijn zelf. Het directe bewustzijn of waakbewustzijn limiteert door het slechts aanvaarden van gekende waarden, over het algemeen elke uitingsmogelijkheid van de geest. Niet voor niets heb ik ook in vorige lezingen de nadruk gelegd op het voorstellingsvermogen als een zeer belangrijke factor. Want eerst indien het stoffelijk denken zich een toestand kan voorstellen, of althans bij benadering kan voorstellen, zal het voor de geest mogelijk zijn in dit stoffelijk denken haar bewustwording in die richting enigszins duidelijker uit te drukken. Hoe meer gevormd de mens is in zijn denken, hoe meer hij afgesloten is van de openbaring van geestelijke factoren.

Dan vrienden, moeten we ons een ogenblik afvragen: op welk ogenblik begint waarheid, waar begint schijn? Want zodra het voorstellingsvermogen van de mens wordt overprikkeld, stelt het zich toestanden en situaties voor, die niet meer in overeenstemming zijn met de stoffelijke werkelijkheid, zonder ‑ gezien de stoffelijke interpretatie ‑ ooit ook een directe uiting te kunnen zijn van een geestelijke realiteit, die in de mens bestaat. Hierdoor wordt het noodzakelijk dat je als bewuste mens leert onderscheiden tussen realiteit en schijn.

Is er een absolute eenheid, dan wordt dit weer mogelijk. Want op het ogenblik dat de geest haar impuls (direct van de geest komend) kan neerleggen in het waakbewustzijn, valt de onderbewuste interpretatie uit, en wordt het verschil tussen stof en geest telkenmale duidelijk gerealiseerd. Elke fantasievoorstelling wordt geëlimineerd, omdat men die erkent als niet behorend tot het gezonde denken, ofwel de gezonden geestelijke impuls wordt in het denken geuit.

Op het ogenblik echter dat de mens of zelfs de geest via het onderbewustzijn tussen niet direct gerealiseerde waarden moet komen tot een contact met een ander, staan wij voor de grote moeilijkheid dat het ontvangend gedeelte (in casu het redelijk bewustzijn) niet in staat is een onderscheid te maken tussen de impulsen die direct uit het onderbewustzijn komen en die via geestelijke inspiratie in het onderbewustzijn werden gewekt. Het verschil in begrip doet de waanvoorstelling ontstaan. Ik zal u een paar voorbeelden geven van situaties die kunnen rijzen uit het misverstaan van de geestelijke werkelijkheid.

In de geest bestaat er een schuldbewustzijn. Zij heeft haar taak niet volbracht en voelt zich als zodanig belaagd door haar eigen onvermogen. Zij tracht aan de stof duidelijk te maken dat de huidige vorm van leven en handelen niet goed is. Dit komt in het onderbewustzijn. Hieruit komt een onrust naar voren. Deze onrust geeft de impressie: er is iets dat dwang op mij uitoefent. Het menselijk voorstellingsvermogen, gewend om alle impulsen niet als uit de geest komend, maar als uit de buitenwereld komend te zien, interpreteert deze kracht als een aanvoelen van de geheimzinnige gaven van anderen, die bv. u achtervolgen. Vervolgingswaanzin wordt uit een dergelijk conflict vaak geboren.

Een ander voorbeeld: Een mens voelt aan dat hij geestelijk een hoge waarde kan bereiken. Hij is echter niet in staat dit gevoel van hoogwaardigheid dat de geest bezit, juist te interpreteren. Hij meent dat hij nu ook stoffelijk deze zelfde hoogheid zonder meer in zich draagt en verwacht dat de wereld buiten hem dit zal erkennen. Het begin is een zekere hoogmoed, die gerationaliseerd moet worden door een beeld ervoor in de plaats te stellen. Het voorstellingsvermogen plaatst daarom de persoonlijkheid zelf in een ander milieu of een andere toestand. En men ziet zichzelf als meerwaardige, desnoods als God de Vader of Napoleon.

Dergelijke ervaringen zijn treurig.

Als wij streven naar de eenheid tussen geest en stof, komen er ogen­blikken dat wij zoekend naar het geestelijke, maar in de stofwereld nog steeds levend naar buiten toe en menend van buitenaf onze invloeden en indrukken te ontvangen, komen tot een transponeren van de zuiver geestelijke ervaring, die wij trachten te realiseren in de wereld buiten ons. Hierdoor ontstaat de schijn. De schijn die in zich een kern van waarheid draagt, maar die door haar zuiver stoffelijke interpretatie volledig verkeerde werkingen vertoont en schijnbeelden schept die niet meer kunnen worden gerijmd met enigerlei redelijk of geestelijk denken.

Het is dus noodzakelijk dat de menselijke psyche, wanneer zij de gave verlangt die uit een volledige eenheid voortkomt en haar tracht te verwerven, zij zich de moeite getroost om elke waanvoorstelling, die niet verstandelijk kan worden verklaard, terzijde te schuiven en nooit en te nimmer te beschouwen als een mogelijke werkelijkheid. Hierbij gaan in het begin vooral in het stoffelijk denkvermogen vaak geestelijke impul­sen en waarden verloren. Inderdaad. Maar desondanks is het beter dat en­kele waarden verloren gaan, dan dat men omwille van een grein geestelijke waarheid verward raakt in een stoffelijk waanbeeld dat niet meer kan wor­den gecorrigeerd, nadat men het eenmaal als werkelijkheid heeft aanvaard.

Al het voorgaande in aanmerking nemend, wordt het voor ons pas noodzakelijk eerst nog terug te keren naar de zuiver stoffelijke reacties in het denkvermogen. En dan komen wij tot de conclusie dat bij het stoffelijk denkvermogen bepaalde factoren een zeer grote rol kunnen spelen, hierbij o.a. de stoffen die in het lichaam terecht komen. Want dit stoffelijk denken is in zekere zin een product van een biologische machine. Een zeer gevoelige, bijzonder wonderlijke machine, maar iets dat afhankelijk is van de ontvangen impulsen voor de te leveren resultaten, zonder de mogelijkheid om – buiten geestelijke werking en onderbewustzijn om ‑ te komen tot resultaten die niet meer in overeenstemming zijn metet de ontvangen prikkel of zelfs verder gaan dan de ontvangen prikkel.

Als nu in deze kleine machine bv. een grote dosis ozon komt (een bijzondere vorm van zuurstof), dan zien wij dat hierdoor een soort vergiftigingsverschijnsel optreedt. Eigenaardig genoeg heeft deze onmiddellijk betrekking op het denkvermogen, want bepaalde zenuwreacties worden sterk vergroot.

We zien in de eerste plaats een overgevoeligheid voor onder‑ en boventonen bij het auditief ontvangen van klanken. Dat wil zeggen dat men meer dan anders wordt geïrriteerd, geprikkeld of geleid door het­ geen men hoort. Het visuele beeld daarentegen is onzuiverder en on­juister. De traagheid van de retina bezorgt een verschuiving in het beeld t.a.v. de werkelijkheid, waardoor men ‑ a.h.w. twee beelden com­binerend in de gedachten ‑ komt tot conclusies, die irreëel zijn en niet helemaal waar.

Het ervaren dat men juist waarneemt – en het wijten daarvan aan anderen, zoals gebruikelijk‑ geeft aanleiding tot grote prikkelbaar­heid. Deze prikkelbaarheid leidt weer tot afscheidingen in het lichaam.

Deze vergroten op hun beurt nogmaals de zenuwspanning en gelijktijdig bevorderen zij  ‑ vooral als men langere tijd in een zwaar met ozon geladen atmosfeer verkeert ‑ een voortdurend vergrote afgifte van zenuwkracht en een steeds groter verbruik daarvan. Lichamelijke uitputting kan daar­ het eindresultaat van zijn. Kleine hoeveelheden ozon zijn een stimulans. Deze kunnen het stoffelijk denken in zekere zin bevorderen. Ja, zelfs na een uitputtingstoestand, als bv. tijdens een te warme temperatuur, een opluchting betekenen en na zeer korte tijd de normale zenuwspanning en dus ook de reactiemogelijkheid weer tot stand brengen. Vergroot men dit echter onbeperkt, zonder daardoor onmiddellijk de dood te veroorzaken, en dan krijg ik een steeds irrationeler denken, gebaseerd op een volledig foutieve interpretatie van al hetgeen van buiten komt. Dit voorbeeld kan ik natuurlijk met andere stoffen, met voedingsbe­standdelen, met in de lucht aanwezige stoffen, enz. aanvullen en zo een heel boek schrijven over reacties van de mens. Echter gaat het mij op het ogenblik om de psyche en hetgeen daarin gebeurt. Op het ogenblik, dat de prikkels onjuist worden vertaald, ontstaat er een niet meer redelijk denken. Het bewustzijn voor het niet‑redelijke is over het algemeen zeer klein. Dit kan namelijk alleen stoffelijk ontstaan door vergelijking met in het onderbewustzijn aanwezige waarden.

Zijn daar niet voldoende herinneringspunten die wijzen op de normale toe­stand en die ons dus confronteren met het verschijnsel van de verschuiving, dan zal men automatisch dit als werkelijkheid zien, daarop reageren en daarmee heel vaak ongelukken veroorzaken.

Hieruit blijkt dat geen enkel mens met zijn redelijk denkvermogen volkomen toerekenbaar mag worden geacht. Want de buiten hem liggende om­standigheden zijn in staat zijn gedachten zodanig te beïnvloeden, terwijl ook de, in zijn lichaam plaatsvindende processen de rationaliteit van zijn denken zodanig kunnen verminderen, dat nooit kan worden gesproken van een werkelijk beleven van de wereld. Dit kan slechts in korte ogenblik­ken optreden. Normalerwijze leeft het menselijk bewustzijn dus altijd in een toestand van gedeeltelijke waan door een uit het eigen wezen gesproken onvolkomenheid, die wordt overgedragen naar de buiten het “ik” liggende wereld.

De geest is natuurlijk ook een op zichzelf staande persoonlijkheid. Deze leeft in haar eigen wereld en is daar ‑ evenals het lichaam in zijn toestand en wereld ‑ vatbaar voor beïnvloedingen van buitenaf. Nu is er voor de geest, indien zij tot een lichte sfeer behoort over het algemeen in haar wereld niet zoveel te vinden wat haar doet af­wijken van de werkelijkheid. Wel echter in het proces van haar uitingen op de wereld, dat sterk kan worden beïnvloed door krachten die ongeveer gelijkkomen aan de eigen krachten van de geest. Zo zal de geest meer wor­den beïnvloed en geschaad door storingen van electro‑magnetische geaardheid. Verder kan ze door bepaalde lichtwaarden, die doorgaans boven het visuele gebied liggen, ernstig worden gestoord. Zij zal, terwijl ze haar eigen wereld zuiver beleeft, dus een onzuivere impressie krijgen van al­ hetgeen zij tracht te uiten. Haar pogingen tot uiting berusten evenmin op een zeker, juist en volledig beeld. Zij berusten ook weer grotendeels op waan, daar ook zij niet in staat is zich de verschuiving van de werke­lijkheid t.o.v. de in haar levende waarden te realiseren.

Hieruit kunnen we de conclusie gaan trekken dat stof en geest beide onderhevig zijn aan zodanige uiterlijke beïnvloeding, dat zij niet kunnen komen tot een reëel beeld van de buitenwereld. Is het echter onmogelijk dit juiste beeld van de buitenwereld te verwerven, dan is ook de beheersing van die buitenwereld plus de kennis van het “ik” tot in de uiterste consequenties onmogelijk geworden.

Hoe kan de mens dit dan toch bereiken?

Door in de eerste plaats zich sterk te realiseren dat de wereld buiten hem waan is. Deze impuls zal door de geest tenslotte worden opgevangen. En als zodanig zal zij zich realiseren dat haar reacties niet gericht mogen zijn op hetgeen het lichaam als ervaring registreert. Zij zal zich dan blijven richten op de in haar liggende waarden van haar wereld en – rekening houdend met de fouten die in het lichaam en in de beleving schuilen – aan dit lichaam een grotere vrijheid geven dan normaal. Deze beide zijn dan nog gescheiden, maar de toegevendheid van beide partijen voor elkaar wordt groter. Want het begrip van de geestelijke impuls voor de stoffelijke onjuistheid doet haar ertoe komen vanuit háár standpunt corrigerend op te treden. De correctie die zij geeft, wordt in het onderbewustzijn aanvaard, omdat zij beter past ‑ ook in haar resultaten ‑ bij het leven van deze stof. Het betekent hier een stimulans van de ingeschapen drang tot zelfbehoud in de juiste richting.

Het aanvaarden van deze geestelijke werking schept tenslotte voor de stof een afhankelijkheid.

Het menselijk denken kan eraan worden gewend zich te richten tot bepaalde impulsen en andere te negeren. Door gewoontevorming kan een groot gedeelte van het bewustzijn worden uitgeschakeld en blijft alleen nog maar een denkvermogen over dat binnen de eigen wereld en de daar optredende handelingen nog rationeel denkt. Voorbeelden hiervan kunt u vinden bij soldaten, die zodanig worden afgericht en geconditioneerd, dat ze na een bepaalde tijd het doden van een ander als iets normaals ervaren, dat zij voor dood en ondergang geen enkel respect meer hebben, dat zij de kwelling van medemensen nuchter aanzien, zonder dat dit hen beroert. Zij zien deze dingen wel, maar ze beleven ze niet en registreren ze ook niet meer.

Dit kan vaak door menselijke suggestie gebeuren, door het stellen van denkbeelden in plaats van het reëel beleven en het medeleven in de wereld. Maar als de geest dat van haar kant doet, dan kan zij be­paalde factoren in het stoffelijke leven uitschakelen, die voor haar geestelijk streven absoluut hinderlijk zijn. Er is dan een toestand ge­schapen, waarin het lichaam ‑ psychisch gezien ‑ niet meer normaal functioneert ten aanzien van de wereld, maar eenzijdig is gericht.

Deze eenzijdige gerichtheid ‑ uit de geest voortkomend ‑ geeft deze geest een mogelijkheid tot uiting. Zij kan meer één worden met het lichaam en ‑ naarmate zij meer haar eigenschappen op deze wijze weet om te zetten in een werkelijkheid voor het stoffelijk denken ‑ zal zij ook meer direct dit denken kunnen benaderen.

Schijnbaar is dit in tegenspraak met hetgeen wij leren omtrent de noodzaak tot veelzijdigheid. Maar let wel, de eenzijdigheid, waarover ik hier spreek, wordt door de geest tot stand gebracht, er is geen realisatie meer van andere toestanden of mogelijkheden. De eenzijdigheid, die menselijk tot stand komt, betekent het bewust verwerpen van gekende waarden. En hier zien wij een geheel ander proces zich afspelen. Die eenzijdigheid is stoffelijk, niet stof‑geestelijk.

Consequent denkend ‑ zonder stoffelijke normen ‑ moeten wij tot de conclusie komen, dat het onmogelijk is een werkelijkheid vast te stellen, die voor meer mensen identiek is. Het geheel van de levensverschijnselen omvat meer dan door ons psychisch te verwerken is. Als zodanig zullen wij naarmate wij meer bewust worden, blind zijn voor meer dierlijke verschijnselen. Daardoor richten wij ons op die bereikingen, welke voor de geest belangrijk zijn.

Wij mogen dus nooit en te nimmer aannemen dat iemand niet normaal denkt, als hij blind blijft voor bepaalde begrippen en bepaalde toestanden. Wij moeten ons realiseren dat in dit geval ‑ hetzij door de geest, hetzij door andere factoren ‑ een conditioneren van het stoffelijk denken heeft plaatsgevonden,

Dit conditioneren nu treedt als normale stoffelijke waarde op in elke maatschappij.

De menselijke psyche bezit meer mogelijkheden dan zij ooit in een gemeenschap volledig zal uiten. Want waar de behoefte daartoe niet bestaat, ja meer nog, haar voortdurend wordt geleerd dat het verboden is bepaalde van deze verstandelijke, onderbewuste, kortom, psychische factoren te gebruiken, zal zij zich automatisch afsluiten van de aspecten van het leven en zich hierop beroemen, daar zij juist deze on­volledigheid ziet als kenteken van haar waarde en van beschaafd mens­ zijn.