Eenheid van het heelal

8 februari 1982

Inleiding

De gastspreker van hedenavond is van oosterse origine. Hij was een vorst en dichter, wijsgeer en krijgsheer.

Zijn visie is er vooral een van: de eenheid van het heelal, de krachten die inwerken op de wereld en op aarde enz.. Wanneer ik daar wat over moet zeggen kan ik misschien het best beginnen met het plegen van een klein stukje plagiaat.

“Een zon, een ster heeft een eigen persoonlijkheid. Dat wil zeggen dat ze een eigen uitstraling heeft. Datzelfde geldt voor een planeet. Wanneer je op een planeet woont woon je in de uitstraling van de persoonlijkheid die die planeet bezielt.”

Tot zover zal het allemaal wel duidelijk zijn, al zal niet iedereen het willen geloven. Maar dan komen de moeilijkheden, want wat is er namelijk aan de hand?

Wanneer wij reageren binnen de uitstraling van de aarde veroorzaken wij kleine en minieme veranderingen. De aarde zal daarop in zekere mate reageren, al is het maar om zijn eigen uitstraling weer tot normaal terug te brengen. Aan de andere kant is er natuurlijk ook een kwestie van de aarde zelf, want haar uitstraling is altijd sterker dan onze eigen uitstraling. Al bezitten we veel geestelijke elementen die niet zozeer binnen de uitstraling vallen die zo een planeet afgeeft, er blijft toch genoeg over om te zeggen: wij worden ook door de wereld beïnvloed.

Einde plagiaat. Ja, je moet het altijd netjes zeggen.

Wanneer ik van het voorgaande uitga wordt dat hele idee van alle kosmische relaties misschien toch een beetje eenvoudiger. Het is een stelling. Je kunt het aannemen of verwerpen. Dat weet ik. Maar als het waar is – en ik meen dat het waar is – dan betekent dit, dat bv. ook de zon een uitstraling heeft die weer de planeten omvat. En dat houdt weer in, dat de uitstraling van de zon ook geestelijk en niet alleen door emissie van partikels enz. invloed uitoefent op wat er op een planeet gebeurt die rond haar zwerft.

Wanneer we datzelfde ook nog eens zeggen van de sterren, dan moeten wij aannemen dat er enorm veel persoonlijke uitstralingen van hele grote dichtheid in de kosmos aanwezig zijn, dat voor iemand die daar geen weg in weet een soort doolhof wordt.

Stel dat je zelf op één planeet goed bent afgestemd. Je zult je dan altijd op die planeet – en indirect op de zon die daartoe behoort – kunnen oriënteren. Je zult daardoor de krachten van die planeet en de krachten van die zon a.h.w. gemakkelijker voelen en misschien kun je ze zelfs tijdelijk tot een deel van jezelf maken. Punt één: dan ben je niet meer stuurloos, want je hebt een oriëntatiepunt. Punt twee: wanneer je goed bent afgestemd op een planeet betekent dat, dat je afgestemd bent op alle vergelijkbare invloeden die in die kosmos aanwezig zijn. Je kunt a.h.w. geestelijk en later misschien ook stoffelijk overstappen van de ene planeet naar de andere.

Als je het zuiver stoffelijk bekijkt kun je zeggen: er zijn planeten waarop een mens kan leven ondanks het feit dat de uitstraling daar totaal anders is. Daarin heb je volkomen gelijk. Maar wanneer de uitstraling anders is, dan is het de vraag of de mens daar nog geestelijk gezond bij blijft. Want het zal duidelijk zijn, dat het geheel van de psyche wordt beïnvloed door de omgeving. En wanneer die omgeving – vooral wat betreft de onbewuste impulsen en gevoelswereld, die er ook heel sterk onder valt – beïnvloed wordt door iets wat helemaal afwijkt van de norm, dan vraag ik me af of je als mens dan nog rationeel en volledig gezond kunt blijven reageren.

Ik heb zo het idee dat, wanneer je de ritmen verstoort waaraan je gewend bent, het helemaal geen wonder is dat wanneer je op een gegeven ogenblik naar de deurknop kijkt je een roos ziet bloeien. Of je kijkt naar je buurman en je ziet ineens de draak die hij in werkelijkheid is. Dat is ook mogelijk. Niet omdat ze veranderen, maar omdat je eenvoudig gaat hallucineren op grond van feiten die je verstandelijk kent, maar die je emotioneel – en wat dat betreft ook qua waarneming – niet helemaal meer kunt thuisbrengen. Dat geldt dan voor een gewoon mens.

Maar als je een geest bent wordt je wereld helemaal bepaald door alles wat er om je heen is. Laten we nu eens aannemen, dat er op zo’n planeet een expeditie is geland en iedereen zo langzamerhand weet dat wanneer ik een roos zie, moet ik er aan draaien en dan gaat er een deur open. Of als die draak er aankomt dan zeg ik: “hallo Tom” en dan zegt de draak wel wat terug. Daar kan je eventueel nog aan wennen. Je hebt een reële wereld die achter die illusies ligt.

Geestelijk zullen die illusies echt worden. Dat wordt je eigenlijke wereld. En daar schuilt nou het gevaar in. Want die draak heet dan geen Tom meer, maar is een draak. En de roos kun je niet omdraaien, je kunt hem hoogstens afbreken. Je raakt dan gevangen in een denkwereld, die helemaal niet meer behoort bij wat jij bent. Daardoor zou je in een voortdurende nachtmerrie terecht komen

Nu ben ik natuurlijk niet zo poëtisch als onze gast. Ik heb ook niet zo veel oorlog gevoerd, al heb ik wel eens een paar blauwe ogen uitgedeeld. Alles bij elkaar kun je dus zeggen: Wij behoren, of we het willen of niet, juist door het geheel van onze persoonlijke inhouden bij de wereld waarop wij leven. Dan is een overgaan naar andere werelden ergens in de ruimte, zelfs wanneer het een kwestie is van hergeboorte, lang zo gemakkelijk niet.

Het is natuurlijk wel denkbaar, maar dan moet het toch altijd een wereld zijn die in zijn eigen ritme, zijn eigen uitstraling vergelijkbaar is met tenminste de wereld waar je vandaan komt.

Het wordt een kwestie van beperktheid voor onszelf op die manier. Er is wel een kosmos die vanuit het menselijk standpunt oneindig genoemd mag worden, maar we kunnen maar een betrekkelijk klein deel daarvan wezenlijk betreden en beleven. Al het andere is vijandig, daar kunnen we niet terecht. Dan kun je misschien zeggen vanuit een menselijk standpunt of uit die van een geest die als mens geleefd heeft: de kosmos valt voor mij uiteen in harmonische, niet harmonische en volledig disharmonische factoren.

Elke disharmonische factor zal mij vernietigen. Elke niet harmonische factor maakt het mij onmogelijk normaal te beseffen. Alleen waar een harmonische factor is kan ik mijzelf ontwikkelen.

Zet dat dan nog even verder door en vraag je af of er misschien allerlei geestelijke werelden zijn waarvoor hetzelfde zal gelden. Ik heb zo het gevoel, dat iemand die in zo’n wereld, die zijn psyche a.h.w. overspoelt met vreemde signalen, moet leven, het gevoel heeft dat hij in de hel leeft. Toch kan ik mij voorstellen dat iemand, die daaraan gewend is, eigenlijk meer de hemel ervaart. Dan is de hemel en hel of een geestelijke wereld en de betekenis daarvan eigenlijk niet zozeer meer afhankelijk van de krachten die alleen in onszelf schuilen. Ze zijn ook afhankelijk van alle verschijnselen, alle belevingen en krachten die behoren tot die sfeer. En sferen zullen tot op zekere hoogte kunnen behoren tot hetzelfde rijk als een bepaalde planeet.

Nu klinkt dat natuurlijk weer alsof je krankzinnige conclusies trekt, maar ik probeer aan te tonen dat het niet zo is. Wanneer ik zeg: een persoonlijkheid, een geestelijke uitstraling, dan moet ik aannemen dat zo een enorme geestelijke uitstraling ook werkzaam is in de vele sferen zoals wij dat noemen. In vele vlakken van bewustzijn op geestelijk gebied. Dan kan ik ook daar terecht komen. En als ik daar terechtkom zal ik de gevolgen ondergaan van mijn eigen bewustzijn in verhouding tot deze projectie, tot deze uitstraling waarbinnen ik terecht kom.

Het is dus helemaal niet zo gek om aan te nemen dat een heel groot aantal werelden van de geest, die misschien heel erg duister of disharmonisch lijken, helemaal niet zo zijn, maar dat ze alleen een totaal andere inhoud hebben dan wijzelf.

Er zit nog een ander aspect aan, dat vele vrome mensen waarschijnlijk met ontzetting zal vervullen. Wanneer je heilig bent op aarde en je komt in die verkeerde uitstraling terecht, zit je net zo goed in de hel. En dat is natuurlijk erg vervelend.

Maar waarom zou het alleen maar aan onszelf moeten liggen? Waarom zouden wij die hele kosmos precies over een kam moeten scheren? Dat is toch eigenlijk dwaas? Als het nog gaat om alle geestelijke werelden alle geestelijke persoonlijkheden, dan kunnen we wel doen of ze behoren tot een vaste volgorde; maar wie zal zeggen wat hun wezen feitelijk is?

Zo wordt een filosofie over de kosmische eenheid en kosmische verbindingen voor mij in de eerste plaats een vraag van: hoe oriënteer ik mij? Hoe kom ik er achter?

We kunnen wel beginnen in de stijl van “het wiel des levens” en zeggen, dat je eerst door de hellewerelden moet en dat je daarna in de hemelwerelden terecht komt. Dat kan waar zijn zolang het om jezelf gaat. Maar je kunt net zo goed terechtkomen in een wereld waar de enige dingen die voor jou nog een beetje plezierig kunnen zijn, de fouten zijn waar je normalerwijze onder zou lijden. Een omkering van waarden.

Dan is de grote vraag volgens mij – ik bekijk het natuurlijk ook een beetje vanuit mijn gebied – hoe komt het dat wij meestal juist in de sfeer blijven, die behoort bij de planeet waarop wij geleefd hebben of dat wij op z’n minst genomen in een sfeer komen die harmonisch is. Ik heb op mijn manier daar even over nagedacht en heb mij dat zo voorgesteld:

Het is een beetje als de polariteit bij een magneet. Wanneer wij normaal zijn worden we aangetrokken door de dingen die ons aanvullen. En wanneer we negatief zijn worden we aangetrokken tot de dingen, die ons in wezen juist afstoten. Dat is magnetisch gezien natuurlijk een beetje dwaas. Maar u kent allemaal dat voorbeeld van twee polen die elkaar afstoten. Gelijknamige polen stoten elkaar af.

Laten we dat geestelijk een beetje omdraaien en zeggen: ongelijknamige polen kunnen elkaar aantrekken. Dan zal ik overal terecht kunnen komen waar mijn eigen wezen harmonisch een verdere ontplooiing kan ondergaan. Zolang ik als geest maar een beetje vrede heb met mijzelf en vanuit mijzelf natuurlijk, normaal reageer, kom ik terecht in werelden die mij allerlei nieuwe mogelijkheden aan ervaringen bieden aan de ene kant, maar die aan de andere kant gelijktijdig bevestigen wat ik ben.

Dat wordt natuurlijk moeilijk, want dan lijkt het een beetje op de aarde. Laten we de aarde maar als voorbeeld nemen en er vanuit gaan, dat de aarde je God is. Tot op zekere hoogte zou dat waar kunnen zijn.

Of je kunt zeggen: de zon is mijn God. Dat is voor veel mensen een beetje meer aanvaardbaar. Daar is de sfeer, de aura, waarin ik geleefd heb, dus de wereld waarin ik mijzelf normaal verder kan ontwikkelen.

Zolang ik te klein ben om een eigen, zeer persoonlijke harmonie te ontwikkelen die tenminste even sterk is, zit ik er aan vaste Dit betekent, dat ik voor mijn ervaren inderdaad aan dit grotere wezen horig ben. Niet doordat dat wezen mij wil beheersen of regeren, maar omdat ik het net zo hard nodig heb als lucht om adem te halen. Pas wanneer ik voor mijzelf de mogelijkheid heb ontwikkeld om anders te zijn, kan ik verdergaan

Voor mij maakt het ook beter verklaarbaar waarom wij het altijd weer hebben over bepaalde grenzen. De poorten die we door moeten gaan. Dat is altijd zo  mooi verhaal. Wat dat betreft heb ik wel eens het gevoel dat voor sommige mensen het geheel van de sferen zoiets is als 5 poortjes. Een automatiek waar je kunt kiezen uit hetgeen er in de rekken ligt, maar wel aan de hand van de poort waar je doorheen bent gegaan.

Neen, ik denk dat die grens samenhangt met ons bewustzijn. Op het ogenblik dat een dier dat in zee leeft een verandering ondergaat aan zijn kieuwen, zodat het ook lucht kan ademen, kan het uit het water komen. Het is misschien niet erg flatteus als ik u omschrijf als geestelijke kikkervisjes – ook mijzelf trouwens nog hoor – maar het lijkt daar een beetje op.

Ik geloof dat we eerst moeten leven in het milieu dat ons eigen is voordat wij eraan kunnen ontgroeien. Daarna komen we in een groter milieu terecht, waaraan we ook weer moeten ontgroeien; d.w.z. de middelen ontwikkelen waardoor wij normaal kunnen leven en reageren binnen omstandigheden en uitstralingen, die eerst voor ons niet te verdragen waren.

De hele kosmische kwestie zou je kunnen zien als een soort indeling. Een indeling in zee, land en lucht en misschien ruimte en lichtsterkte en wat al nog meer. Zoals je op aarde zonlicht nodig hebt, ook wanneer in het water zit, zo is het omgekeerd ook waar; dat een wezen, dat in het water woont en altijd een betrekkelijk halfduister kent, verblind zal worden en misschien zelfs ziek van teveel zonlicht. Het is ook duidelijk, dat iemand die uit het water komt niet alleen maar lucht moet kunnen ademen, maar dat hij ook een beetje tegen de uitstraling van de zon moet kunnen. Het ontwikkelen is dus niet zo simpel als het wel lijkt.

Bij ons is die ontwikkeling geloof ik zodanig, dat we nooit ons eerste, ons oudste element helemaal kunnen verloochenen. Ik denk dat, wanneer je de kern van je wezen bekijkt, je terug kunt kijken tot de chaos waaruit je bent voortgekomen. Maar ik denk ook dat, wanneer je bewust bent in jezelf, je al die sferen en werelden kunt omvatten. Dan kan nooit meer één ster voor jou je God zijn.

Zolang je alleen maar leven kunt binnen die sfeer is dit bepalend voor alles. Het is dan het scheppende element voor jou. Het omvat alles wat je denken en leven kunt. Dan is het je God. Maar je kunt boven je God uitgroeien. Je kunt langzaam maar zeker verdergaan en een nieuwe reeks indrukken opdoen.

In het begin heb ik al gezegd, dat wanneer je gaat dwalen je natuurlijk een aantal harmonische, niet harmonische en een aantal disharmonische krachten zult ontdekken. Nu denk ik dat zolang wij alleen aan harmonische krachten gebonden zijn, wij eigenlijk nog maar een heel klein stukje op weg zijn bij onze bewustwording.

Wanneer wij in een niet harmonische kracht onszelf kunnen blijven en toch gelijktijdig die niet harmonische werkingen leren begrijpen en verstaan, dan zijn wij eigenlijk al een beetje ingewijd. Op het ogenblik, dat wij ons in de disharmonische – voor ons disharmonische – oorspronkelijke werelden en sferen kunnen gaan bewegen, komt het ogenblik, dat wij een werkelijke verlichting hebben ondergaan.

Wanneer men zegt: “De verlichting van de Boeddha” dan stelt men zich dat voor als een ontruktheid alleen. Ik geloof, dat het ook een enorme verbondenheid is. Ik denk dat het Boeddha‑zijn, als je dat zoudt willen vertalen, in kosmische zin betekent dat je alle werelden, alle mogelijkheden voor jezelf aanvaardbaar kunt beleven zonder er door aangetast of beheerst te worden. Dus ook de disharmonische. Je kent ze. Je kunt er deel van zijn. Maar ze zijn geen baas over je. Dan is de oplossing, dacht ik, van die kosmische harmonieën en disharmonieën gelegen in de bijzondere geaardheid die wij moeten bezitten.

Zo’n planeet of ster leeft onmetelijk veel langer in de stof dan een mens ooit zal doen. Wat dat betreft is een ééndagsvlieg vergeleken bij de mens een bejaarde, als je de mens vergelijkt met een ster of een planeet. Dus wat dat betreft zijn ze anders dan wij, laat ik het zo zeggen.

Wij hebben het grote voordeel dat wij de materie kunnen loslaten. Zeker, wij zullen nog wel eens een aantal keren terugkomen en dat noemt men dan reïncarnatie. Bij een reïncarnatie gaat het er gewoon om zo ver te komen, dat we ons beter kunnen aanpassen in de harmonieën van de kosmos. Dat we kunnen ontkomen aan de beperktheid, waarbij we een wereld nodig hebben om te begrijpen. Waarbij we de zogenaamde vaste normen van de materie nodig hebben om geestelijk iets te leren.

Ik denk dat we misschien juist daardoor in de tijd, die een planeet nodig heeft om oud te worden, wel eens zo ver zouden kunnen komen, dat er in de kosmos niets meer is wat voor ons disharmonisch, wat voor ons gevaarlijk is. Dat er in de stoffelijke kosmos en in al de geestelijke sferen niets is, waar ons wezen door geregeerd kan worden.

U denkt nu waarschijnlijk, hoe komt hij daarbij? Zonder woordelijk in de Bijbel te geloven valt het me toch op, dat er werd gezegd, dat de engelen jaloers waren toen God de mens wilde scheppen. En dan vraag je je toch wel een beetje af waarom. Ik bedoel, als je een engel bent mag zo’n mensje daar toch wel een beetje rond krioelen. En dan mag hij desnoods nog leven en wandelen, dat doe je zelf ook, dat is helemaal niet zo belangrijk.

Er moet dus naar mijn idee iets zijn, waardoor je vrijer kunt worden dan zelfs een engel. Toen ik daarover nadacht werd dit mijn oplossing voor het probleem.

Ik denk dat een engel gebonden kan zijn aan een planeetgeest of aan een sterrengeest. Hij behoort tot een wereld en hij kan die wereld niet ontgroeien. Hij is deel van die wereld. De mens echter, al is hij dan veel nietiger en veel kleiner, kan die wereld wel ontgroeien.

Als er ooit een engel boos is geworden en jaloers, of hij nu Lucifer heet of wat anders, dan kan dat alleen gebeurd zijn dacht ik vanwege dit potentieel in de mens. Het vermogen om zonder binding aan een bepaald deel van de kosmos te leven. Het vermogen op te gaan niet in een deel van de kosmos, maar om deel te hebben aan het geheel ervan.

Wat je zo in geestelijke werelden hoort wijst allemaal wel in die richting. Wanneer men zegt: “Je komt tot aan het verblindende licht. Wanneer je er doorheen gaat ontmoet je jezelf.” Dan denk je ook bij je zelf: dat kan ik in een spiegel ook hebben. Dat is voordeliger. Maar als dat zoiets bijzonders is, is het dan misschien dat ik ontkom aan mijn beperkingen door juist mijn eigen beperktheden te erkennen. Mij lijkt dat wel een oplossing hiervoor.

Dan hoor je verder dat er entiteiten zijn, die soms in verschijning treden; vaak heel erg verschillend en die altijd behoren tot het hoogste niveau. En dan denk ik maar weer aan de plattelandtheorie, u weet wel, die man die zijn bierfles aan het koelen was en dat men zei: wat gebeurt er nu voor eigenaardigs, met die wezens aan het wateroppervlak? Eerst worden ze groot en dan weer wat kleiner. Dan worden ze weer wat groter en daarna ineens heel erg klein. De kleur verandert ook elke keer en verdwijnt ineens weer. Misschien behoren zij tot een andere dimensie; een ander kosmisch bestaan dan wij kunnen beseffen.

Maar wanneer ze er zijn – en dat is het typerende – blijken ze volledig in staat ons deel van de kosmos te begrijpen. Onze sfeer, onze werelden. Wanneer ik dan hoor, dat dat niet alleen maar gebeurt met hogere entiteiten die eens een keer naar beneden komen zoals de lichtende zuilen in Zomerland bv., waar we soms zo lekker omheen kunnen zitten zingen soms, maar werkelijk tot in de hoogste wereld toe, dan zeg ik: dat kan alleen maar wanneer wat wij van de kosmos zien maar een beperkt deel is van de werkelijkheid.

Wanneer wij tot die werkelijkheid behoren zal er misschien een ogenblik komen dat wij ook door dat oppervlak heen breken en ons bewust worden van onze wezenlijke vorm, onze wezenlijke kwaliteit of onze uitstraling, die dan heel anders is dan wij tot nu toe hebben geweten. Maar dan zijn we gelijktijdig vrij van de beperkingen die op dat lagere niveau bestaan.

Het is natuurlijk allemaal theorie, ik weet het wel. Maar waarom zien wij dat wezens, die naar een duistere wereld gaan om iemand vrij te maken of te helpen of die een proef moeten afleggen, doen alsof? Het gebeurt ook, dat zij zich veelal zuiver menselijke beelden aanmeten.

Je ziet werkelijk mensen die naar een duistere sfeer gaan om iemand te helpen en te bevrijden, soms uitgerust als kruisridder kompleet met zwaard en het kruis in de hand, met een maliënkolder aan, wat natuurlijk kolder is vanuit een geestelijk standpunt. Maar waarom?

Volgens mij omdat ze zozeer gebonden zijn aan hun eigen denkwereld, dat ze alleen door zichzelf aan te kleden in overeenstemming a.h.w. met wat zij verwachten, die andere wereld kunnen betreden. Ze weten niet wat die wereld is, maar ze beleven die wereld wel. Door hun gevoelens, hun emoties, wordt het geheel vertaald in een soort beleving, een soort afdaling in het duister b.v.: dan is het ook helemaal geen wonder meer dat voor sommige mensen de hel een beetje lijkt op een vlakte, die ergens heel diep in de Hardangerfjord ligt met grote wanden rondom, waar je naar boven moet klauteren over de meest moeizame paden tot je boven in een beetje groen in een sfeer komt, waar je kunt rusten. Het is allemaal leuk en het kan waar zijn, maar het is een persoonlijke en beperkte waarheid.

Wanneer ik zie dat een werkelijk lichtende geest, die naar het duister gaat, zich punt 1 geen beeld maakt van het duister en punt 2 gewoon zichzelf blijft, maar door dit zichzelf blijven eigenlijk in onze ogen omgeven wordt door een soort stralenkrans van licht, dan zeg ik: hier is iemand wiens eigen harmonie sterker is dan de subharmonische werkingen waar anderen nog de slaven van zijn.

Ik kan begrijpen dat iemand zegt: ”De ingewijde ging door de duistere wereld en hij nam vele zielen uit het duister mee naar het licht.” Als deze zielen de ingewijde kunnen verdragen met zijn uitstraling en zij komen daarin terecht dan wordt de beleving van de ingewijde de beleving van degenen die meegaan. Daardoor zijn ze niet meer onderdanig aan de schrikbeelden, die oorspronkelijk hun hellewerelden hebben uitgemaakt.

U ziet, ik heb op mijn manier een beetje zitten filosoferen. Nogmaals, ik ben geen groot filosoof. Er moet een reden zijn voor alle harmonische en disharmonische kwesties.

Veel mensen zullen zeggen: wat heb je eraan. Dat hoort er ook bij. Ik wil erop wijzen, dat je als mens heel sterk door allerlei ritmen beheerst wordt. En dat, wanneer zo’n ritme verstoord wordt, je ineens je eigen visie op de wereld ziet veranderen.

U hebt zelf het bekende 28‑daagse ritme, het maanritme. Daar dobbert u in. Maar in die tijd maakt u wel twee toppen en twee dieptepunten door. Waarom? Dat wordt door de maan bepaald. Hoe is het mogelijk, dat de maan u beïnvloedt als er niet iets in u is, dat daarop reageert. Want er blijken ook mensen te zijn, die datzelfde ritme gewoon negeren, maar die wel weer heel sterk vatbaar zijn voor een 7‑, 9‑, of 11‑jaars zonneritme.

Kijk naar het leven van een mens. Het leven van een mens kun je altijd in een aantal fasen indelen. Dat zijn geen afgesloten tijdperken. Je kunt heel rustig zeggen: Kijk, die heeft op zijn 13e jaar bepaalde belevingen gehad. Zijn leven werd anders voor hem en op zijn 26e daar gebeurt het weer. Dan kun je zeggen: als je weer zoveel jaar verder bent, b.v. op je 39e zal er weer zoiets gebeuren. Maar dan moet er op zijn 52e jaar ook nog weer zoiets mogelijk zijn.

Als je goed kijkt zie je, dat bij elke mens die tijdsindeling een beetje anders ligt, maar dat meestal de tijdsafstand gelijk of tenminste vergelijkbaar is. Het kan eens een maand of 3 schelen, natuurlijk, maar het is vergelijkbaar. En het kan toch geen toeval zijn dat het bij zo veel mensen klopt. De mensen hebben dus kennelijk een bepaald ritme.

Wanneer je verder rondkijkt op de wereld zie je dat bepaalde verschijnselen – niet de vormen, maar de verschijnselen zelf – zich ook met een zekere regelmaat herhalen. Als die regelmaat op de wereld geldt moet ze ook ergens vandaan komen. Het kan toch geen toeval zijn dat bepaalde soorten van geloofsbeleving en daarna weer geloofsontwaarding zich steeds achter elkaar afwisselen en met bijna vergelijkbare tijden. Dat de tijd van een bepaalde macht komt en dat je dan ineens die macht ziet vallen. Of, zoals ze in de hindoe wereld zeggen, dat er een vaste tijd is waarin een kaste heerst, waarna zij valt en een andere kaste haar plaats inneemt. Dat kan toch geen toeval zijn?

Als je in die ritmen gelooft moet je volgens mij ook geloven in die harmonische aspecten. Als je gelooft in de harmonische aspecten, dan is al hetgeen ik gezegd heb niet zo dwaas. Dan is kosmische harmonie voor ons niet een kwestie van het beleven maar van het worden. We moeten gewoon groeien tot we in staat zijn die harmonie te winchen.

Wanneer we tijdelijk rust vinden en we hebben die harmonie, dan moeten wij er wel mee rekenen dat, zolang die harmonie niet alles in het hele Al kan omvatten, die altijd weer verstoord wordt. Want we moeten verder.

Voordat u nu zegt: “Tjonge, wat heb ik nog een weg voor me”, moet u er eens over nadenken hoeveel u al afgelegd moet hebben om mee te kunnen denken met dat wat ik zeg. Als u denkt: er zit wel wat in, dan moet u al een hele weg gegaan zijn. Dat kan niet anders. En als u dan nagaat dat we allemaal uit de chaos, uit de absolute verwarring, uit de niet identificatie stammen en u kijkt dan hoever u op het ogenblik bent….. wel, de heren kloppen op hun borst. De dames wat minder hard. Zij doen het meestal alleen verbaal.

Het is alsof de mensheid zo langzamerhand in een stadium komen waarbij het dierlijke begint te verdwijnen. We beginnen in kosmische taal te praten, maar we beseffen het zelf nog niet. We denken nog in de wetten die wij van de apen hebben geleerd, die ons vertellen wat wij moeten doen en zijn. We begrijpen nog niet dat wij door het beheersen van die taal, door het nieuwe niveau van besef er voor ons andere wetten moeten komen. Ik denk dat daar de grote moeilijkheid zit. Aangezien dat geestelijk zowel als stoffelijk bestaat moet u het heus niet alleen op de huidige periode toepassen.

Natuurlijk, ook nu zit men in een periode waarbij de mens verder is gekomen in zijn mogelijkheden en in zijn besef. Daardoor zal hij genoopt worden om dat wat hij zijn moraal noemt, zijn geweten, zijn sociale inzichten enz. aan te passen, wil hij tenminste verder kunnen gaan. Logisch. Maar het gaat toch wel een beetje verder dan dat.

Je moet ook innerlijk aan land komen. Zo zie ik dat. Je moet innerlijk eindelijk eens uit de geborgenheid, de embryonale geborgenheid van een alles‑omgevende‑godheid, van een voortdurend voorzorgend heiligenleger komen in een wereld, waarin je moet leren om de heiligen te begrijpen. Om met ze als een soort langzaam wordende gelijke te kunnen converseren, waarbij God niet meer zonder meer je milieu is, maar waarbij God een begrip is. Een begrip waardoor de grenzen verdwijnen maar ook de gebondenheden die je tot nu toe gekend hebt.

Voor de wereld zie ik dat op het ogenblik absoluut wel zitten. Daarom vond ik ook de gastspreker wel interessant. En heb ik op mijn manier een beetje met u zitten nadenken over het een en ander. Want je kunt erg poëtisch praten over kosmische harmonieën, maar je komt er geen steek verder mee, tenzij je weet wat je er onder kunt voorstellen. Dat heb ik geprobeerd te doen.

Ik heb u iets laten horen over mijn voorstelling van een kosmische harmonie en alles wat er mee verbonden is. Misschien dat daardoor de wereld van de goden benaderbaar wordt. De goden zijn geen hógere wezens. Ze zijn een ándere vorm van bewustzijn. Ze zijn minder dan wij gebonden aan het ritme van de wereld die ons draagt en ons voortbrengt. Misschien kan je dan ook boven de goden uitkomen.

Wanneer alle dingen voorbij zijn gegaan blijft er altijd nog die ene vreemde God of kloof, die tijd heet. Zolang ons besef aan tijd gebonden is zullen wij nog slaven van de tijd blijven, hoe dan ook. Maar wanneer ons besef niet meer in tijd behoeft te worden uitgedrukt, maar zonder tijd kan bestaan, denk ik dat wij voor de eerste keer de werkelijke Schepping kunnen overzien en misschien de werkelijke Schepper in de ogen schouwen.

Dat was de inleiding. Degenen, die denken dat zij er iets van begrepen hebben kunnen zich misschien eens afvragen of dat niet van betekenis kan zijn bij wat de gastspreker van vanavond zal zeggen, maar ook bij veel andere sprekers.

Ik heb het gevoel, dat wij in die communicaties heel vaak te maken hebben met een dubbele bodem. Het lijkt of ze weinig zeggen tot je begrijpt, wat het ritme is waarin ze het zeggen. Wat de frequentie is die de hoofdrol speelt. Dan zie je ineens dat alle eenvoud toch veelomvattend is. Hier laat ik u rustig mee achter. Voor degenen, die er wel iets van gevolgd en begrepen hebben, hartelijk dank voor uw begrip en uw kritiek, al hebt u ze niet uitgesproken. Want misschien dat wij elkaar dan beter begrijpen dan u nu denkt.

De Gastspreker

Wie de rivier van de goden kent, proeft het gebeuren van de tijd.

Wie de stroom van de goden kent, weet dat de bergen en de zee één worden door haar.

Wie de wereld kent ziet verschillen.

Wie de werkelijkheid kent ziet de eenheid.

Leven is reizen met de stroom.

Beseffen is je spiegelen in de stroom.

Weten is het vinden van vaste punten op de oevers van de stroom.

Wij leven. Wij gaan door het gebeuren. En omdat wij de eenheid niet beseffen zeggen we: hoeveel verandert er! Maar wanneer wij beseffen dat wíj het zijn die bewegen, leren wij misschien zeggen: hoe snel ga ík.

Alles in de kosmos, alles van de verste sterren en de meest verborgen werelden tot de wereld, die wij kennen wanneer wij op aarde leven, zijn niets anders dan punten langs de stroom. Het is de stroom zelf, niet het water dat werkelijkheid is.

Het zijn de bergen en de oceaan, die samenvloeien tot één geheel waar de waarheid in schuilt. Maar wie zal zeggen wat werkelijk is zolang we nog kijken naar de oevers.

Hier is een stad. Daar draagt de stroom de as van doden. Hier is een dorp en daar is alleen de dichte wand van de bomen of de ijlheid van akkers met rijpend gewas.

Omdat wij niet weten dat wij reizen, omdat alles is, zijn wij voortdurend in harmonie met sommige dingen, bang voor andere dingen en misschien zelfs niet in staat sommige punten in waarheid te beseffen. Maar wat is de zin van vluchten? Je kunt niet ontvluchten aan de stroom die je meesleurt.

Wat is de betekenis van één punt op de oever dat je kent? Want morgen zal er een ander punt zijn.

Mensen binden zich aan het gebeuren. Mensen bouwen hun wetten op, ze openbaren goddelijke werkelijkheden en vergeten, dat de waarheid van vandaag, morgen een schim is, die verbleekt aan de horizon.

Mensen roepen tot goden. Ze zeggen: goden zijn machtig. Is een berg machtig als je hem lang kunt zien terwijl je verdergaat? Het is de kennis van de weg en het besef van het voortgaan, waardoor we langzaam maar zeker de eenheid kunnen vinden met alle dingen.

U leeft in een tijd en die tijd is moeilijk. U zegt dat het leven steeds zwaarder wordt. Maar morgen is de tijd niet moeilijk en morgen is dat, wat vandaag een ramp leek, al lang weer voorbij.

Licht en duister zijn in de tijd als de wisseling van dag en nacht. Geniet de dag. Geniet ook de rust van de nacht. Vreest niet de kreten die in het duister klinken. Soms zijn er kleine boden die door de straten gaan en langs de daken klauteren. Ze brengen een geschenk en misschien een woord: ik heb je lief. Laten we elkaar ontmoeten. In de geuren van de stad en in de koelte van de avond bloeit er dan soms iets op of er vergaat iets.

Mensen denken dit is leven, dit is eeuwigheid. Maar morgen is er weer de stralende zon. De geheimen in de bazaar zijn niet meer. De kleine boden zijn bedelaars geworden of sjouwen hun lasten voor de kooplieden van de stad. De wereld is anders en toch hetzelfde.

Wie de waarheid van “zijn” wil leren begrijpen moet weten, dat het leven steeds anders is en toch steeds hetzelfde. Pas wanneer je dit diep in jezelf ervaart begrijp je iets van de vreemde melodie die de kosmos speelt.

Ergens speelt een artiest. Ergens beroert een onbekende de handciter. Ergens klinkt een lied van liefde en krijg, van dreigende storm, van verlossende regen. En het lied weerklinkt. Je hoort het, maar wie weet waarom het gespeeld wordt en door wie? Dat zijn de raadselen die wij moeten oplossen in ons leven terwijl wij worden voortgesleurd door de stroom, terwijl wij steeds weer menen een nieuwe waarheid, een openbaring gevonden te hebben. Maar al wat buiten de stroom staat kan ons niet helpen. Het kan ons niet beroeren. Slechts wanneer wijzelf meester worden over onszelf kunnen wij de stroom verlaten. Dan kunnen wij een ogenblik een tempel beleven of rusten in de tuinen van een paleis. Of misschien dwalen als onbekende goden, onzichtbaar tussen de menigte die nog niet weet wat leven is.

Vrij zijn is meester zijn van jezelf. Maar vrij zijn betekent ook weten wat leven betekent. Wie de vrijheid zoekt is niet meer gebonden aan de vloed van de stroom. Hij kan de rivier opgaan of afgaan zoals zijn wezen begeert. Hij kan gestalten aannemen en spreken in de markt. Hij kan onzichtbaar de geheimen afluisteren en begrijpen waarom mensen zo vaak blind zijn voor de werkelijkheid. Wanneer de legers optrekken, de kleur, het rumoer, het stof, dan denkt eenieder aan krijg en heldendaden. Velen sterven en worden herboren en ze weten niet meer wat ze waren. Anderen overleven en betreuren hun nederlaag of herdenken tot aan hun laatste dagen de overwinning waarvan ze deel waren, niet wetend dat het weggevaagd wordt. Dat ze morgen een ander zijn en dat hun wereld een andere lijkt.

Hoe dwaas is het te hangen aan de grootheid van een wereld die vergaat. Hoe dwaas is het je zegeningen te tellen aan de hand van de zaken die je al verliest terwijl je ze pas verkrijgt. Hoe dwaas is het je leven te tellen in uren en dagen en niet in beleven, in de vreugde van het “zijn” zelf. Ongetelde sterren dromen. Degenen die rond die sterren wonen dromen de droom en spreken van werkelijkheid. Planeten wervelen als schijnbare heersers banen rond een stip licht in de ruimte en ze denken dat ze hun eigen zang zingen. Maar het is de staf van de ster, die bepaalt wát ze zingen en wanneer. Wie denkt zelf te zijn in de tijd is een dwaas. Of hij nu een ster is, een planeet of een mens. Maar wie beseft, dat alle dingen voorbij gaan en dat alleen de dingen die in jezelf bestaan je vrij kunnen maken, zoekt niet naar het begrip dat het andere brengt. Hij zoekt naar het “zijn” dat vrij maakt.

Vrij zijn is je ontdoen van de keten van je illusie. Dat wat je bent betekent:

Vrij zijn wil zeggen in het leven die kracht vinden, die klank, waardoor je je wereld verstaat, waardoor de sterren verstaanbare taal spreken. Waardoor het duister zelf waarheden fluistert, die een mens bijna niet durft verstaan.

Vrij zijn heeft niets te maken met je wil. Want de wil is niets anders dan het begeren. Het begeren wordt gewekt door de wereld waarin je leeft en de angst. Ze is de angst voor jezelf, voor je begeren en de verwerping van wat je bent en niet durft zijn.

Vele malen heb ik naar de sterren gekeken. Gemeten heb ik hun stand en gaande door de tuinen heb ik gedacht, dat mijn lot door de sterren werd bepaald.

Ik heb in de tempels de goden geëerd en soms gedacht, dat achter de beelden een werkelijkheid was die mij bepaalde. Dan weer zag ik alleen de ledigheid van hun ogen.

Nu ben ik geen god, maar ik ben zonder goden. Nu zie ik nog steeds de sterren, maar ik weet dat ze mijn lot niet bepalen tenzij ik mijzelf een slaaf maak. Dat is vrijheid: zorgen dat je niet de slaaf bent. De wereld maakt een slaaf van je als je haar volgt. Als je strijdt tegen de wereld maak je jezelf de slaaf van die strijd. Het is de innerlijke vrijheid, waardoor je niet strijdt voor of tegen, maar bent. “Zijn” is de sleutel.

Vier gezichten heeft de god, al noemt men hem in drie gestalten. Drie gezichten kan de mens aanschouwen, maar het vierde gezicht is het ware en dit ontgaat hem. Zo is het in uw leven. Zo was het in het mijne.

Ik zei u: gebonden ben je aan elke wereld zolang je die wereld niet kunt zien voor wat zij is. Slaaf ben je van de sterren als de pop, die de spelers op straat laten dansen om een paar penningen. Maar versta de sterren. Versta de wereld. Versta vooral jezelf.

Opeens ben je vrij van de stroom die je voortjaagt. Vrij van noodlot, van karma, van gebondenheden. Machtig en onmachtig tegelijk. Want je kunt geen ander bevrijden van zijn lot. Je kunt hem slechts toefluisteren, dat zijn lot niet onherroepbaar is.

Je kunt de nacht niet verdrijven wanneer zij heerst. Je kunt alleen zelf licht zijn in de nacht. Een vuurvlieg die het mogelijk maakt een paar letters te lezen. En toch ben je vrij.

Wij maken geen werelden nieuw. Maar wij moeten voorkomen dat werelden ons maken tot wat wij niet zijn, opdat ons leven niet teloor gaat door de dwang die de wereld ons oplegt.

Soms is het onze roeping om een held te zijn. Maar een held die niet vreest is geen held. Wie meester is van zichzelf is een held.

De waarheid is: leven ondanks de lasten van het leven. De waarheid is: vrezen misschien voor wat je niet beheerst en toch strijden tot je meester wordt van jezelf. Vergeet uw dwaasheden, ze zijn niet belangrijk. Een rimpeling in het water, geblazen door de wind, sterft al uit voor de rivier beseft dat ze bestaat. Uw onvolkomenheden zijn rimpelingen in de stroom van de goden. Gladgestreken, uitgeblust en vervangen door rimpelingen van andere aard. Daarom moet je jezelf daaraan niet binden.

Jezelf worden is niet jezelf ontdoen van rimpeling en fout. Het is jezelf ontdoen van de illusies waardoor je meent te heersen, terwijl je slaaf bent. Het is je ontdoen van de illusie waardoor je slaaf meent te zijn van onbekende heersers. Mens‑zijn is één kleine lijn op de landkaart van de werkelijkheid. Eén stip van kleur in het veelvoudige mozaïek, dat de wanden van het paleis der werkelijkheid bekleedt. Wanneer het duister valt, besef dat het licht weerkeert. En wanneer het licht je overspoelt, weet dat het duister weerkeert. Door dit weten maak je je vrij van de krachten die je dwingen in het licht en de krachten die je dwingen in het duister.

Om jezelf te kunnen zijn is er maar één ding noodzakelijk: het “zijn” liefhebben. Niet wat je bereikt of niet bereikt, maar het “zijn”. Om deel te zijn van je wereld en meer dan die wereld, is het belangrijk, dat je lief kunt hebben wat die wereld is. Niet wat je betekent voor die wereld, alleen wat je besef van die wereld voor jóu betekent.

Ik zeg u, dat de aarde haar lied zingt, de mensen dansen. Zodadelijk zal zij een nieuwe maat zingen. De mensen zullen sidderen en wenen. Ze zullen juichen en lachen. Zij beseffen niet, dat het het lied is dat dit alles maakt en niet wat zijzelf zijn. Je kunt mensen niet veranderen. Het leven is geen abstractie. Het is een blijvende werkelijkheid. Je kunt mensen misschien, heel misschien, liefhebben omdat ze deel zijn van het zijnde. Dan gaat het er niet meer om wat zij zijn of doen, maar om wat jij bént door je liefde voor het andere, dat je deel bent van het andere.

Hoe somber dreigen de wolken op de dag van de eerste regen. Maar hoe dorstig opent zich de aarde wanneer in de eerste storm het eerste water valt. Het duister is leven en het licht is leven. Alleen duisternis dood en alleen licht is dood. Kies dan niet voor licht of duister maar voel diep in jezelf het ritme. Het ritme van het jaar, van de wind en de regens; de komst van de zon, die de wereld doet stomen en dampen als in een nieuwe geboorte.

Vrees niets. Begeer niets. Weet dat je ‘zijn’ onbeperkt is, al spoeden de verschijnselen zich voorbij als de onberoerbare landschappen op de oever van een rivier.

Leef jezelf en ken vrede, want er is vrede in het weten: ik ben. Wees jezelf en ken vreugde, want het is een vreugde te weten: wat in mij leeft vergaat niet. Vrees niet en begeer niet. En je zult in staat zijn te dansen en het wereldgif op te zuigen zonder zelf in wezen te veranderen, doch slechts in kleur en gestalte.

Het is mogelijk onsterfelijk te zijn wanneer je weet dat de dood een dwaasheid is die voorbij gaat. Het is mogelijk alle dingen te overzien, wanneer je niet begeert of vreest maar weet: ik ben deel van dit al.

Laat het eigen lied van leven in je geboren worden en zing het voor je heen tot je merkt hoe de wereld je begeleidt als een heel orkest. Dans je eigen dans. Laat wat je begeleidt zich voegen naar pas en gebaar, naar uitbeelding. En laat je niet dwingen door bekkens en trom, door fluit en snaar. Want u bent vrij, zoals ik vrij ben op het ogenblik, dat u het beseft.

De rivier der goden is een lint, gespannen tussen de bergen en de onpeilbare oceaan. Al wat wij zien langs de oevers gaat voorbij. Wat geboren is uit de krochten van de bergen gaat op in de oceaan. Zo zijn wij.

Geboren uit het onbekende zullen wij het leven omschrijven tot wij eens opgaan in de oceaan en zijnde zijn, één met de bron en één met de monding. Eén met het geheel van de rivier en één met de wolken die drijven om op de wind hun tranen uit te zaaien die een dorre aarde tot leven wekt.

Dit alles zijn wij wanneer wij beseffen. De kringloop voor hen die niet weten. De vreugdige eenheid van het bestaan van ‘zijn’ voor hen die beseffen.

Ik draag u geen sleutels aan voor koninkrijken of onsterfelijkheden waarin gij uw dromen kunt dromen. Ik spreek alleen van de waarheid. De waarheid die ik leef en die ik gevonden heb. De waarheid dat het ‘zijn’ zelf de zin is van het ‘zijn’. De waarheid dat het gebeuren de omschrijving is van het ‘zijn’.

Weet, dat gij nooit verloren zult gaan; maar reizende tussen licht en duister zult beleven tot ‘zijn’ uw werkelijk besef is geworden.