Eeuwigheid

28 april 1969

Ik wilde vanavond spreken over bepaalde verbindingen door de tijd heen. U kent allemaal karma. Karma is het menselijk noodlot, de voortdurende hergeboorte en alles wat daaruit voortvloeit. Maar er zijn natuurlijk toch wel bepaalde regels en wetten aan verbonden en al kun je die niet zo eenvoudig formuleren ‑ dan wordt het zeer ingewikkeld ‑ lijkt het mij toch wel mogelijk om een klein beetje inzicht te geven aan de mens t.a.v. de geschiedenis van het leven door die tijd heen met de verschillende incarnaties en al wat erbij behoort.

Voor elk wezen komt er een ogenblik dat hij zich voor het eerst zelf ziet ‑ een klein beetje althans ‑ zoals een ander hem ziet. D.w.z. dat hij – met een minimum aan objectiviteit overigens ‑ een andere plaats gaat innemen in de totaliteit van het leven. Hij ontworstelt zich daardoor aan wat je de natuurlijke ritmen zou kunnen noemen, waarbij geboorte en hergeboorte ‑ ja alle fasen van het leven ‑ gedicteerd worden door bepaalde instinctieve waarden, wetten van de natuur, kortom de drangverschijnselen, waarvan men zich moeilijk kan losmaken. Zodra je begint jezelf los te zien van deze kwesties van gedwongen zijn, ga je ook een beeld vormen van jezelf en het beeld is niet altijd precies wat je bent. Op het ogenblik dat ik een ideaalbeeld ga scheppen ‑ want zo zou ik het toch willen noemen ‑ ontvlucht ik dus enerzijds aan wat ik ben, maar anderzijds ga ik eisen stellen aan de wereld en aan mijzelf, die ook niet meer stroken met mijn huidige mogelijkheden.

Daardoor ontstaat eigenlijk voor het eerst een geschil tussen mens en werkelijkheid. Wanneer dat geschil eenmaal ontstaan is, dan wordt dat na de dood gecontinueerd. Het is allemaal heel eenvoudig. Wanneer je overgaat, dan kom je in een andere wereld. De één loopt over grazige weiden, de ander in mooie tuinen en de derde zit misschien in zijn eentje in het donker. Maar die ontevredenheid en dat ideaalbeeld heb ik meegenomen. En het vervelende is dat wij ons over het algemeen identificeren met een ideaalfiguur. Dus niet met onze werkelijkheid. Ook al zullen wij die beseffen.

Dan krijgen wij in het hiernamaals een afwijking tussen wat wij willen zijn en dat, wat wij werkelijk zijn. En daar het hier geen kwestie meer is van een wereld die ons kan domineren, iets waar wij de schuld op kunnen afschuiven, gaan wij hier dus tekortschieten t.a.v. hetgeen wij voor willen stellen. En onze objectiviteit, hoe klein die ook is, laat ons ook erkennen dat wij tekortschieten.

Dit tekortschieten is een confrontatie van het ik in zijn meer werkelijke gedaante met de geestelijke wereld, met al die anderen die zien hoe je bent. U zult begrijpen dat je daar geen vrede mee hebt. Je probeert dus alles om a.h.w. een stap verder te komen. Dat verder komen is geestelijk meestal niet helemaal te bereiken. Maar wij verlangen ernaar die ideale figuur, zoals wij ons die voorstellen, uit te beelden. En daarom incarneren wij dan weer en bij die incarnatie trachten wij dan dichter te komen bij het beeld, dat wij ideëel van ons zelf hebben gemaakt, maar worden dan weer in de objectiviteit t.a.v. onszelf geconfronteerd met andere tekortkomingen.

Dat is dus het continu proces, waaruit incarnatiedwang en incarnatienoodzaken e.d. voortkomen. Ik weet wel dat men zegt: incarneren doe je pas weer, wanneer je eigenlijk genoeg krijgt, wanneer je niets nieuws meer kunt vinden in de geestelijke wereld, maar aan de andere kant moet u toch wel begrijpen dat een reïncarnatie een kwestie van zelfvervulling is, althans een poging daartoe.

De grote vraag is natuurlijk voor de mens: wat is het ritme? Een ritme van incarnatie en reïncarnatie kan natuurlijk niet in jaren en dagen precies voor iedereen worden uitgespeld, maar de algemene regel kun je ongeveer als volgt formuleren: “Naarmate het verschil tussen mijn ideaalbeeld en mijn objectief beeld van mijzelf groter is, zal het tempo van reïncarnatie toenemen.” Ik ga dus sneller tot een reïncarnatie over en zal veelal ook meerdere incarnaties achter elkaar zoeken.

Een tweede factor die hierbij van belang kan zijn, is wat men noemt de groepshorigheid. U moet zich wel realiseren dat wanneer u iets wil zijn in uw leven, iets pretendeert te zijn, u dat in het bijzonder doet tegenover een bepaalde groep, een bepaalde gemeenschap, een bepaald gezelschap. Denkt u maar aan de Hollander, die een vrome en gedegen figuur is in zijn eigen dorp en een bananenschillensmijter en hela‑holafiguur, zodra hij over de grens komt. Dan is het milieu anders, dan is er niet meer de behoefte om zich in een bepaalde, als ideaal gestelde figuur, te handhaven.

Het is dus duidelijk dat de groep ergens deel uitmaakt van het ideaalbeeld dat wij ons stellen. En daardoor is voor ons eigenlijk in de reïncarnatie ook de behoefte geschapen, om te bewijzen dat onze pretenties juist zijn tegenover de groep of de leden van de groep.

Hier is dan de grote moeilijkheid. Je komt dus voortdurend terug ‑ als het even mogelijk is ‑ bij juist die figuren, voor wie je wilt bewijzen wat je bent. En daar speelt dat karma natuurlijk een noodlottige rol ergens, omdat ook die anderen een ideaal‑figuur hebben en ook die ideaal figuur trachten te verwezenlijken. Wanneer een reïncarnatie gelijktijdig of bijna gelijktijdig gebeurt, zal het wel duidelijk zijn dat we niet gerekend hebben op de verandering in de ander. Wij meenden met onze ideaalfiguur dichter bij de ander te komen, maar in feite ontstaat weer door de verandering, die in het ideaalbeeld van die ander is gelegen, een nieuwe discrepantie. Zo is het mogelijk, dat bepaalde figuren en entiteiten een grote reeks van incarnaties gezamenlijk doormaken. En wij zeggen dan over het algemeen: naarmate in een bepaalde figuur of een groep de zelfbevestigingsfactor groter wordt, zal het aantal incarnaties met die groep toenemen.

De karmische omstandigheden wil ik hier ook even bij noemen. Karma is natuurlijk niet het willekeurig noodlot. Het is dat wat ik ben eigenlijk en wat ik wil zijn ook in de wereld, die ik niet zonder meer kan beïnvloeden of veranderen. Het conflict is er altijd één van mijn innerlijk beeld en mijn uiterlijke mogelijkheid. Dat dit karma natuurlijk een reeks reacties, handelingen met zich meebrengt en ook een reeks conflicten en problemen, is wel duidelijk. Maar een karma kan dus ook een groepskarma worden. En daar ziet u een heel eigenaardig verschijnsel. Wanneer wij met zeer verschillende figuren te maken hebben, die voortdurend als groep bij elkaar plegen te incarneren, dan ontstaat voor die groep gezamenlijk weer een waardering van deze groep, bewust of onbewust, t.a.v. de omgeving. En daarmede is dan weer een nieuw conflict geschapen en dat nieuwe conflict brengt met zich mee dat deze groep bepaalde belevingen gelijk zoekt t.a.v. de buitenwereld, ofschoon de lotsverhoudingen binnen de groep voortdurend kunnen veranderen.

Ik ben nu gekomen aan een reeks van stellingen, die zich bezighouden met de karmische invloeden.

  1. Karma is uit te drukken als het conflict met, of het verschil tussen buitenwereld en mijzelf.
  2. Karma kan zijn een groepskarma, waarbij een gemeenschapsbinding optreedt. De groepen zullen dan voortdurend van plaats, van maatschappelijke vorm veranderen, gezien het totaalbeeld dat de groep beheerst. De conflicten binnen de groep blijven gelijk.
  3. Wanneer er een voldoende groepsbinding ontstaat zal de incarnatie van een groot deel van de groep een incarnatiedwang gaan betekenen voor de anderen, die zich met de groep gebonden voelen.
  4. De z.g. noodlotsbestemming van de eenling en van de groep zijn alleen het voortvloeisel uit de verkeerde ideële voorstelling die men tracht te verwezenlijken.
  5. Er bestaat geen dwingend noodlot, buiten het noodlot dat ik mijzelf creëer.
  6. Ik ben zelf voortdurend oorzakelijk voor alle conflicten die ik doormaak. Ik ben zelf mede oorzakelijk voor alle mogelijkheden die mij geboden worden.
  7. Ik ben altijd zelf bepalend voor de invloed die het gebeuren heeft voor mijn eigen wezen, innerlijk. Dus niet naar buiten toe.

Hierdoor kun je dus de incarnatietendens snel een beetje gaan bepalen. En dus stellen wij:

Ogenblikkelijke reïncarnatie is alleen dan mogelijk, wanneer het huidige milieu een taak plus ideaal omvat, die in dit milieu verwezenlijkbaar zijn of schijnen te zijn.

Reïncarnatie over langere termijnen zal over het algemeen bepaald worden door het optreden van veranderde mogelijkheden. Ik zal dus nooit incarneren onder dezelfde mogelijkheden, waaronder ik een vorige maal geïncarneerd ben. Ik zoek steeds een variatie. En bij deze varianten geldt dan verder de hoofdtendens van mijn streven. De hoofdtendens van streven kan worden uitgedrukt in menselijke waarden zodat sommigen bv. graag geleerd, anderen machtig, anderen rijk, anderen bewust willen zijn. (Nu weet ik wel dat u allemaal zult kiezen voor dat laatste, dat doet men over het algemeen, want de eerste drie geef je jezelf niet graag toe).

Deze factoren bepalen niet alleen de incarnatiemogelijkheid, maar ook wel degelijk de duur van de incarnatiecyclus. Machtstendensen zullen over het algemeen een zeer grote vat op de mensen hebben, en dat betekent dat incarnaties, die op macht gebaseerd zijn, over het algemeen plaats kunnen vinden met 2 à 300 jaar. Incarnaties die op milieu, bv. cultuur of menselijke verhoudingen zijn gebaseerd, kunnen veel sneller plaatsvinden. Vaak reeds met een tussenruimte van 30 jaar tussen verscheiden en nieuwe incarnatie. Ze komen niet zo veel voor in maatschappijen, waar geen sterke groepsbindingen bestaan. Waar die wel bestaan ‑ familiebindingen bv. of religieuze bindingen ‑ zullen ze meer voorkomen.

De tijd die wij leven is eigenlijk alleen aan de hand van de menselijke berekening ongeveer te duiden. En ik zou dan willen stellen: de doorsneemens leeft ongeveer 1/15 tot 1/12 deel van zijn totale levensduur tot nu toe, rekenend vanaf de eerste menswording, in stoffelijke vorm. De tussenvormen zijn van geestelijke aard. Het gehele lot is voor het geestelijk bewustzijn een continuïteit. Deze continuïteit wordt voor de mens echter over het algemeen gebroken door een onvolledig besef.

Standsveranderingen zijn één van de meest voorkomende factoren vooral bij groepsincarnaties. D.w.z. dat de boer van incarnatie 1 de handelsman van incarnatie 2 is, de soldaat van incarnatie 3 en de machthebber of priesterlijke figuur van incarnatie 4. Etc. Er ontstaat dus een soort kringloop, die ons doet denken aan de indeling van standen, zoals wij die bij de Hindoe vinden. Hierdoor wisselt men binnen de groep voortdurend van verhouding. En ik mag erbij zeggen dat men onder omstandigheden dus ook een wisseling van sekse kent, zodat ook de positie binnen de groep eigenlijk voortdurend de mogelijkheden van de ander geeft.

De verklaring hiervoor is eenvoudig. Wanneer ik in een bepaalde vorm of een bepaald geslacht voor mijn eigen denkbeeld heb gefaald, zo heb ik mij dan veelal gericht op mijn illusies omtrent het bestaan van een ander. Ik heb bij deze een zekere stand menen te erkennen, een zekere wijsheid of iets anders en ik zal proberen om een volgend maal met die eigenschappen geboren te worden. De mens is nl. nooit tevreden met de middelen die hijzelf heeft ter bewustwording. Hij meent altijd dat hij met de middelen van een ander verder kan komen. En daardoor wordt het heel erg moeilijk wanneer je buiten een groep staat. Want als je buiten een groep staat, heb je wel idealen, maar dat zijn veel vager idealen en doordat ze vager zijn, staan ze ook verder van de werkelijkheid af. Iemand die zich als ideaal een heilige kiest of een grote geleerde uit het verleden, heeft een veel minder concreet beeld van het wezen van die persoon en zal daardoor vaak langer moeten zoeken, voordat hij de gewenste incarnatievorm kan vinden.

Wij zeggen daarom: in groepsincarnaties zal het gemiddelde incarnatietempo zijn eens per 300 of eens per 700 jaar. Bij sterk gebonden groepen of families kan daartussen nog vaak een beperkte groepsincarnatie liggen. Het kan dus zijn dat je zegt, algemene groepsincarnaties het jaar 1, beperkte groepsincarnatie bv. in het jaar 110, dan nog eens een beperkte groepsincarnatie in het jaar 190, maar dan weer ineens samen met de groep in het jaar 320. En zo ver­der. De hoofdgroep incarnaties zijn dan bepalend voor de totale ten­dens.

De eenling echter zal over het algemeen langere tussentijd kennen en zal dus gemiddeld ongeveer 4 tot 800 jaren ruimte tussen de verschillende incarnaties zien. Rekenen wij met volledig bewuste figuren, die echter toch nog een incarnatienoodzaak hebben, dan zal de gemiddelde tussenruimte zelfs liggen tussen de 2000 en 10.000 jaar. Dit laatste is overigens niet volledig bewijsbaar. Wij kennen daarvan maar enkele gevallen.

Ik hoop dat u het interesseert, want ik moet u een voorbereiding geven voor de gastspreker, die het gaat hebben over de eeuwigheid en wanneer je niet weet hoe je voortdurend door die tijd heen en weer geboren wordt, steeds weer geboren en hoe je daartussen leeft, dan wordt het heel erg moeilijk om het begrip eeuwigheid te verwerken. Want eeuwigheid kun je dus zien als een groeiproces, ongeveer als de ontplooiing van een bloem, maar dan waargenomen door een z.g. tijdlens. U weet wel 1 x per uur knippen. De tussenruimte zie je niet. Die tussenruimte: geeft wel een groei, maar die wordt niet geconstateerd.

We kunnen dus zeggen; de gefotografeerde momenten, die in zichzelf erg stabiel zijn en heel weinig verandering bieden in zichzelf, zijn de stoffelijke incarnaties; de tussenliggende perioden zijn de geestelijke vormen van bestaan, die de incarnaties met elkaar verbinden. De lange duur van de eenling kan in vele gevallen dus voeren tot extreme veranderingen. Het extreme is dan vooral gelegen in het projecteren van een mentaliteit uit een ver verleden in een maatschappij, die misschien al een geleidelijke groei heeft doorgemaakt. Een wereld, die dus qua vorm en structuur zodanig veranderd is, dat de betekenis van een oud ideaal een geheel andere is geworden. En de ervaringen die je daarmee opdoet, zijn vaak uitermate verwarrend, zodat de eenling die nog niet bewust genoeg is om te weten wat hij doet met een incarnatie, over het algemeen, juist door zijn alleen staan zeer grote incarnatiemoeilijkheden heeft. Daar staat dan wel tegenover dat hij met die ene incarnatie vaak bereid is om geestelijk veel grotere sprongen te maken.

Heb ik nu de periodiciteit zo’n beetje uitgedrukt, dan moet ik proberen de tussenfasen duidelijk te maken. Overgang, dus dood, betekent in de eerste plaats leven in een voorstelling, die mede ontleend is aan je laatste bestaan. Als je dus prins bent geweest, bv. dan voel je je als prins misschien wat beledigd dat je geen hofhouding hebt, maar je voelt als prins. Ben je slaaf geweest, dan voel je je als slaaf. Wat verbaasd over je grotere vrijheid misschien, maar in de eerste plaats als slaaf. De eerste fase na een incarnatie is dus altijd een soort recapitulatie en heroriëntatie.

Doordat je niet meer gebonden bent aan de uiterlijkheden, gaat je ideaalbeeld een veel grotere rol spelen. De prins wil misschien een wijsgeer en priester zijn en hij zal dus, nu er geen belemmeringen zijn, voor zichzelf trachten dit wijsgeer‑zijn, dit priester-zijn beter uit te beelden. Het resultaat is, dat hij contact krijgt met entiteiten, die meer in die richting georiënteerd zijn en ook, dat hij ontdekt, dat hij veel minder kan op dat terrein dan hij zelf wel zou willen. De slaaf heeft zich misschien voorgesteld, dat het beste wat je kunt doen is: niet werken. En hij komt terecht in een soort luiaardsparadijs ‑ ik wil niet zeggen luilekkerland – maar in dat luiaardsparadijs gaat hij dan ontdekken, dat het nietsdoen alleen maar zin heeft wanneer er een contrast is, nl. het wel iets doen. En zo ontstaat langzaam maar zeker een vervreemding van het oorspronkelijke wereldbeeld, maar gelijktijdig een vervorming van het ideaalbeeld.

En nu is het typerende daarbij, dat de emotionele associatie met het ideaalbeeld veel sterker verandert dan het ideaalbeeld zelf. Je voorstelling die je hebt blijft gelijk, maar je meent, dat het een andere betekenis heeft. Dit speelt dan een rol in een verder vaak voorkomende fase. Men spreekt dan over het hogere Zomerland, waarin men dus voorbereidingen gaat maken voor een eventuele incarnatie of het verdergaan naar een sfeer, waarin dus vormen en menselijke reminiscenties van minder belang zijn. Nu kan ik zeggen: dat leersysteem wordt dus gedragen door een menselijke figuur, een menselijke voorstelling, waarvan je de inhoud verandert. Wanneer ik eens meende, dat een wijsgeer iemand was die magiër was en kon genezen, ga ik langzaam begrijpen dat het iemand is die samenhangen kan bestuderen. Maar als ik mij als beeld een druïde heb gemaakt, dan wordt dat dus een druïde. En het gedragspatroon van die druïde blijft in mijn denken ongeveer hetzelfde naar buiten toe. Alleen de motivering verandert.

Dit heeft ten gevolge dat bij incarnaties, die uit dergelijke toestanden voortkomen, over het algemeen de strijdigheid tussen de gezochte uiting en de feitelijke inhoud groter is dan noodzakelijk. Kan men echter het ideaalbeeld helemaal losmaken van wat men zelf is geweest, dus beschouwen als een soort rol die men gaat spelen, dan valt langzaam die aardse voorstelling weg, want die past er niet helemaal bij.

Wij komen dan in wat men noemt een vormloze wereld, waarin dus de voorstelling zodanig vaag is dat het om de eigenschappen gaat.

Eigenschappen kun je niet meer uitbeelden als lijnen, bij ons zeggen ze dan maar: licht, kleur en klank. Maar je kunt er elke andere voorstelling ook voor gebruiken. Kom ik vanuit deze toestand tot incarnatie, dan heb ik een groot voordeel. Ik ben nl. niet meer geneigd een zekere vorm te zoeken. Uiterlijk dus, milieu spreken veel minder mee als, wat ik zou kunnen noemen, de emotionele sfeer, de harmonische sfeer. Bij die incarnatie vergis je je nogal eens. Dat is logisch, je let op de sfeer, maar je bent niet meer gewend je te oriënteren t.a.v. omstandigheden. Die omstandigheden vormen dan vanzelf een nieuw ideaalbeeld, dat in dit geval heel ver van het vorige verschilt en op een gegeven ogenblik heb je dus ook al je mogelijkheden, je levenskracht uitgeput en je gaat over.

Dan blijkt dat nieuwe beeld veel minder houdbaar te zijn dan de eerste keer. U moet u dat zo voorstellen. De eerste keer geloofde je in de uiterlijke voorstelling. De tweede keer is de uiterlijke voorstelling eigenlijk de verpakking geworden van een veel vager ideaal. D.w.z. dat de progressie van het ik door de zomerlandsferen veel sneller gebeurt, maar het betekent ook, dat de aanpassing van die gevoelswaarde veel sterker afhankelijk zal zijn van wat je bv. aan genegenheden aan haat, aan erger en aan genoegdoening op aarde hebt gekend. De emotionele inhoud gaat dus een veel sterkere rol spelen bij een volgende incarnatie. Zo ontstaat een langzame groei, waarbij op den duur materiële vorm steeds onbelangrijker wordt, maar aan de andere kant de uitbeelding van de ideale figuur, die ik nu zie als eigenschappen, steeds belangrijker.

Het streven verplaatst zich dus door de tijd van incarnatie tot incarnatie van een ‑ zullen wij zeggen ‑ lichamelijke beleving tot eigenlijk alleen maar het eventueel ook lichamelijk waarmaken van een bepaald ideaal.

In de groei kennen wij dan verder de inwijdingstrappen en ik mag daar misschien ook wat over zeggen. Het is ook door de tijd heen, dat dit een rol speelt. Want je kunt natuurlijk proberen een absolute reeks van inwijdingstrappen te constateren. Maar de hoogst ingewijde van de eerste incarnatiecyclus zal misschien nog niet tippen aan de laagstingewijde van een volgende incarnatiecyclus. Het is dus niet mogelijk die inwijding te zien als een vast punt, het is een relatieve wijsheidsbepaling. En omdat ze zo relatief is kun je van een inwijdingsgraad alleen spreken wanneer je t.a.v. het milieu, een grotere en meer integere binding hebt met de essentiële waarden van je eigen bestaan. Dat laatste vergeten de mensen. Ze denken: het is kosmisch bestaan. Neen, het is meer een begrip voor de essentie van wat je zou willen zijn, wat je zou moeten zijn en wat je kunt zijn. En die inwijding openbaart zich dan daardoor in een benadering, meestal meer harmonische, van je eigen wereld en ook van geestelijke waarden. De groei gaat dan verder tot het ogenblik, dat de materie geen aanvulling meer kan geven. Het ideaal dat ik van mijzelf nu heb gebouwd, kan materieel niet meer waargemaakt worden en ik weet het. Ik ben objectief genoeg om te beseffen: dat gaat niet meer. Dan zal door deze objectivering dus mijn belangstelling vanzelf naar een ander terrein uitgaan. En daar in een dergelijke periode van bewustwording vorm onbelangrijk is, kan dan een incarnatie plaatsvinden, eventueel op andere werelden, maar kan de incarnatie ook worden verplaatst naar taakvervulling vanuit geestelijke werelden.

Op die manier reis je door de tijd heen en heb je het idee dat je steeds groeit of steeds verandert. Maar eigenlijk blijf je een beetje jezelf. Wat ik potentieel was in de eerste incarnatie als mens, zal ik misschien meer reëel zijn in mijn laatste incarnatie als mens. Maar ik kan nooit meer doen dan de potentie van besef, van erkennen, van voelen, die in mij ligt, waar maken. Mijn ideaal kan nooit uitgaan boven het voor mij voorstelbare.

En zo is het bestaan in de eeuwigheid eigenlijk veel meer een kwestie geworden van de onbelangrijkheid van de tussenliggende factoren. En de belangrijkheid alleen maar van het waarmaken van mijzelf ‑ een term, die wij heel vaak horen gebruiken ‑ dan dat het een kwestie is geworden van een bepaald gedrag of een bepaalde graadbereiking of zelfs een bepaalde relatie met het Hogere. Nu maak je als mens wel een paar fouten. Ik denk dat de gastspreker daar dadelijk niet op in zal gaan, daarom doe ik dat.

De eerste is deze: Ik ben uniek. Ik ben ongetwijfeld uniek voor zover het de verwezenlijking van mijn eigen idealen betreft. Dat kan niemand anders voor mij waarmaken. Maar ik ben nimmer uniek zolang het mijn relatie met de rest betreft. De noodzaak om een bepaalde taak te vervullen, kan voortvloeien uit de voor mijn wezen uniek ideaal. Het behoeft nergens anders ook zo te bestaan. Maar de feitelijke vervulling van die taak is dus niet van mij alleen afhankelijk. Die kan door eenieder vervuld worden. Dus onthoudt: in een incarnatiecyclus ben je voor jezelf onmisbaar in de verwezenlijking van je ideaal, maar nimmer voor de rest van de wereld.

Het mededelen van eigen innerlijk besef en innerlijk bewustzijn aan een ander is heel wat moeilijker dan men denkt. De ander luistert niet naar u, zoals hij werkelijk is, maar zoals hij graag zou willen zijn. Hij selecteert dus en hij maakt uit hetgeen u werkelijk bent en werkelijk wilt zeggen en mededelen, datgene wat past voor zijn ideaalwereldje en wijst zoveel mogelijk af, wat voor zijn meer objectief zelfbesef kwetsend zou zijn. Je kunt een ander dus nooit helemaal vertellen wat u weet. Je kunt hem alleen helpen om voor zichzelf een nieuwe visie te krijgen op hetgeen hijzelf al weet. Zo kan de bewustwordingstaak dus nooit gelegen zijn in het brengen van bewustwording aan anderen. Het is een realisatie van je eigen bewustzijn en door het delen van dit bewustzijn met anderen, zo goed je kunt, waarmaken, dat je in de wereld dit bewustzijn bezit en niet alleen maar voor jezelf.

In heel veel incarnaties valt mij ook steeds op, dat het voor de mens eerder een behoefte is om aan anderen te tonen, wat hij bereikt heeft, dan de behoefte om te bereiken op zichzelf. “There is no business like showbusiness” en dat schijnt ook geestelijk voor een deel waar te zijn. Zeker bij incarnaties. Wij hebben de neiging om anderen te confronteren met onze idealen, maar ook met hetgeen wij zelf allemaal wel zijn en kunnen. Wij kunnen meestal niet volstaan met het innerlijk te verwerkelijken. Daaruit vloeit weer voort, dat wij een bevestiging nodig hebben uit de buitenwereld. Maar bevestiging uit de buitenwereld kan alleen maar een conditionele zijn. Want ook wij interpreteren alles, wat die buitenwereld zegt, volgens ons eigen denken, ons eigen ideaal. Iemand vindt zichzelf mooi. Hij is nogal lelijk, haalt een rotstreek uit en iemand zegt tegen hem: “Je bent een mooie jongen”. Hij zegt dan: “Eindelijk iemand die mij waardeert.”

Dat zijn van die eigenaardigheden en als ik daaruit een paar conclusies mag trekken voor het dagelijks bestaan:

Het is niet zo belangrijk wat anderen denken wat je bent. Het is wel heel erg belangrijk, wat je van jezelf denkt dat je bent. Wat je denkt te zijn, moet je waarmaken, omdat je anders niet met jezelf in vrede leeft. Wat anderen denken dat je bent, is onbelangrijk omdat je toch niet waar kunt maken wat anderen denken. Want die zoeken in jou alleen de bevestiging van zichzelf.

Je kunt anderen alleen helpen door zelf zoveel verder te zijn dan de ander, dat je het onvermogen van de ander om jou te begrijpen, gaat begrijpen. Je moet dus nooit verwachten dat een ander jou begrijpt, maar je moet alleen proberen de ander te begrijpen.

Materiële zaken zijn eigenlijk onbelangrijk, maar ze zijn voor ons belangrijk zolang wij in de materie leven. Dat weet ik uit vroegere ervaringen. Laten we het dan zo zeggen: De materiële zaken zijn voor ons belangrijker, naarmate wij daaraan meer blijvend belang toekennen. Daar materiële zaken echter nimmer blijvend zijn, zullen wij verstandig doen ze als tijdelijk verschijnsel te beschouwen zoveel wij kunnen. Hierdoor zullen wij de geestelijke waarden, die op de achtergrond liggen, beter kunnen beseffen en zullen wij ons eigen ideaalbeeld gemakkelijker waar kunnen maken.

Wijsheid is eigenlijk het doorzien van de grondslagen der dingen. De grondslagen van ons eigen wezen doorzien is voor ons bijna onmogelijk, maar wij kunnen althans zover komen dat wij iets begrijpen van hetgeen erin onszelf beweegt. Het is belangrijker om iets te begrijpen van de dingen die ons bewegen, dan om te beantwoorden aan alle mooie voorstelling, die wij tegenover de buitenwereld zouden willen opbouwen.

Het is misschien ook goed te zeggen: Door mijn relatie met de totaliteit, die door vele incarnaties is opgebouwd, bent u gekomen tot een zekere objectiviteit t.a.v. uzelf. Maar u bent gelijktijdig ook gekomen aan een meer abstract maken van uw ideaal. Uw ideaal past eigenlijk niet meer in de menselijke wereld. Dit te begrijpen, dat het ideaal niet meer menselijk is en alleen dus op een niet menselijk vlak kan worden aangevuld is, naar ik meen, heel erg belangrijk. Want daardoor heb je niet meer zo het gevoel dat je tekortschiet. Je hebt anders het gevoel dat je enorm tekortschiet en dat je allerhande dingen materieel moet doen, die eigenlijk niet belangrijk zijn. Aan de andere kant ga je dan ook veel beter zien op welke manier je, desnoods incident na incident, iets van die innerlijke waarheid kunt manifesteren. Het is niet belangrijk voortdurend het ideaalbeeld waar te maken en waarneembaar te maken voor anderen in de materiële wereld, maar wel om keer na keer uiting te geven aan een bepaald facet van die totale ideaalfiguur die wij in ons dragen tijdens ons stoffelijk bestaan.

Geestelijke krachten en geestelijke macht zijn natuurlijk gebaseerd op die hele groei. Alles wat ik aan geestelijke bindingen ken, stamt vanaf de eerste incarnatie in menselijke vorm. Voor die tijd waren er wel bindingen, maar die werden door mij niet erkend en zijn daarom door mij niet helemaal beheersbaar. Dat wat ik erken, wordt voor mij ten dele beheersbaar. Ook wanneer ik materieel niet een volle formulering kan geven aan al die contacten. De basis, waarop alle geestelijke kracht gebaseerd is, ligt in het totaal van contacten, van verbindingen, harmonische verbindingen zou ik haast willen zeggen, die wij hebben gemaakt tijdens alle vergane, voorbijgegane incarnaties, en tussenliggende geestelijke factoren.

Voor de stoffelijke resultaten zijn daarbij het meest belangrijk, de sterke bindingen die wij tijdens de stoffelijke incarnatie hebben gehad of gemaakt. Deze vormen voor ons het direct contact met geestelijke sferen, voorzover althans die personen niet in dezelfde groepsincarnatie geïncarneerd zijn.

Dat, wat abstracter en meer geestelijk is, zal over het algemeen ons voeren tot een contact met diegenen, waarvan wij het meeste geleerd hebben. Dus die ons geholpen hebben ons ideaalbeeld af te ronden op de één of andere manier tijdens ons vertoeven in de sferen. En daarbij zijn voor de mensen op aarde de meest belangrijke, de contacten die men in het z.g. hogere zomerland heeft gemaakt. Van daaruit kan hij dus geestelijke krachten ontvangen, die niet direct gericht zijn. Zuiver materieel gerichte magie dus zal altijd voortkomen uit incarnatiecontacten in de materie en alle geestelijke waarden daaraan eens verbonden. Terwijl de witte magie, die veel vager is in haar doelstellingen over het algemeen, dus veel meer gebruik maakt van het hogere zomerland, dus van de geestelijke leringen en de daardoor ontstane harmonieën.

En dan hebben wij nog de esoterische werkingen, die ook enigszins magisch zijn. Die zijn eigenlijk helemaal niet gericht. Zij zijn eerder een soort zelferkenning, een soort licht waarin wij onszelf kunnen zien. En die liggen dus altijd in het vormloze vlak. De daar ontstane verbindingen ‑ en die zijn altijd van zuiver geestelijke aard ‑ die zullen wij kunnen terugvinden in een esoterische erkenning en ook in een poging om een esoterisch resultaat te bereiken. Op die manier is er een samenhang, waarbij al die werelden, waarin wij eens vertoefd hebben, al die sferen, die wij hebben gekend en misschien ook weer zullen kennen, gezamenlijk in elk leven een invloed hebben. Daarom mag men terecht stellen dat elk leven het eindproduct is van alle voorgaande momenten en alle mogelijkheden en capaciteiten omvat van de voorgaande momenten, of ze gerealiseerd worden of niet. Maar dan kunnen wij daaruit ook concluderen ‑ en dat is misschien ook wel belangrijk – dat elke poging om het voorgaande ongedaan te maken of niet te erkennen, voor ons een scheiding tussen geestelijke mogelijkheden en materiële mogelijkheden tot stand brengt en daarmee een strijdigheid, die zich op den duur zelfs op mentaal vlak kan doorzetten. Dan krijgen wij dus allerhand geestelijke problemen en kwalen en mentale kwalen en problemen, op den duur psychosomatische problemen en kwalen, die wij eigenlijk niet aankunnen. Het is verstandig geen scheiding te maken tussen ons geestelijk ideaal en ons materieel bestaan en beiden te beschouwen als het eindproduct van wat wij zijn. Door voortdurend te bouwen op de basis van het totale verleden zullen wij voortdurend kunnen beantwoorden aan onze grootste mogelijkheden in de nabije toekomst. Het groeiproces is de meest belangrijke.

Zo heb ik u iets verteld over het leven door de tijd heen. Het is niet natuurlijk niet historisch te zeggen, dat begrijpt u. Ik weet wel, sommigen van u dromen weleens van het verleden en dan weten ze er iets van terug te vinden. Een ander haalt het uit een horoscoop of misschien een visioen. Maar die dingen zijn onbelangrijk. Belangrijk is dat wat je nu bent, omdat al het andere er eigenlijk direct bij behoort. Het is niet belangrijk of u een Romein bent geweest, een oosterse prinses, de een af andere kalmuk of zo, dat maakt geen verschil uit. Het enige wat van belang is: ik heb een ideaalfiguur. Die ideaalfiguur is gegroeid met de tijd. Ze is daardoor het doel, waarnaar ik streef. Laat mij die niet projecteren naar iets anders, laat mij die rustig beschouwen als iets, waaraan ik zelf probeer ‑te beantwoorden.

Laten wij verder beseffen dat de mogelijkheden die ik heb, eveneens het product zijn van alle voorgaande contacten. En d.w.z. niet alleen de mogelijkheden die ik vind, maar ook de onmogelijkheden, want die komen er ook uit voort. En wanneer ik die nu maar eenvoudig accepteer als een punt van uitgang, dan kan ik op grond daarvan toch wel een groot gedeelte van mijn ideaal waarmaken. En dan groei je vanzelf geestelijk en dan kun je op een gegeven moment de tijdsfactor overwinnen. Dan kan het besef dus eindelijk, al die in mootjes gehakte stukjes tijd zien als één geheel. En op die manier het vinden van de totale vorm. De totale essentie is tenslotte het doel van ons bestaan.

Wanneer u zo dadelijk een gastspreker krijgt, die u bezig gaat houden met eeuwigheid en tijdloosheid, dan hoop ik dat u hieraan zult willen denken.

Ik heb geprobeerd u een klein beetje een visie te geven in wat het betekent: incarnatie, karma. Dat loopt allemaal ineen. En als u het hebt over tijdloos bestaan, dan heb je het over niets anders dan de samenvoeging van incarnaties en karma tot één totaliteit. En dan kun je vanuit die totaliteit, naar ik meen, komen naar een beter begrip voor jezelf. En als je dat hebt, dan vind je vanzelf, geloof ik wel, begrip voor het tijdloze, voor de eeuwigheid

De gastspreker is een eigenaardige filosoof, uit het Kaukasisch gebied van ongeveer 1300 jaar geleden, half monnik, half heiden. (De meeste filosofen zijn half heiden, half heilig). Ik denk dat hij voor u een interessante figuur zal zijn. Maar laat u niet misleiden door het schijnbaar eenvoudige en schijnbaar gemakkelijke van wat hij meestal beweert. Want zoals ik hem heb gehoord moet ik zeggen: je zegt het fantastisch, maar wat je zegt, is pas waar te maken, wanneer wij onszelf vereenvoudigd hebben en dat valt niet mee.

de gastspreker

Toen men mij verzocht om een kort ogenblik met u te spreken over de verschillende waarheden, meende ik dat het juist zou zijn om voor een kort ogenblik aandacht te schenken aan de eeuwigheid waarin wij leven.

Eeuwigheid is het meest omvattende en gelijktijdig ook het meest ledige begrip dat de mens op aarde hanteert. Wan­neer wij de wereld zien, de gang van de jaargetijden, de stormen, het breken van de rivieren, het verpulveren van de rots, dan heeft tijd voor ons betekenis. In de eeuwigheid echter zijn die dingen onbelangrijk gewor­den en daarmee on­voorstelbaar. Wij hebben altijd weer het gevoel, wanneer wij menselijk denken dat eeuwigheid iets is wat morgen begint. Maar de eeuwigheid is nu eenmaal iets waarmee wij ook vandaag geconfronteerd zijn.

Wanneer je terugdenkt naar de tijden waarin de mensen nog dichter leefden bij de natuur, vind je het contact tussen wat men noemt: mensen en goden. Mensen en de hoge natuurgeesten, die vreemde bezielde machten, die onzichtbaar zijn en die zich toch voortdurend weer aan de mens openbaren. En dan vraag je je weleens af of deze totaliteit van natuurgeesten nu plotse­ling verdwenen is in uw dagen. Of dat misschien de mens van vandaag niet meer begrijpt hoezeer hij deel is van een veel groter en veel omvattender geheel.

Het is niet mijn bedoeling om voor u te prediken, of­schoon ik in mijn tijd dit ongetwijfeld en vele malen heb gedaan. Maar ik zou u willen confronteren met deze eeuwigheid, die de hoge natuurgeest, de godheid uit het verleden, maakt tot iets dat in wezen met ons verwant en gelijkwaardig is.

De mens van vandaag is misschien de godheid van morgen. Wat eens de “Raad der Goden” heette, heet mis­schien in deze dagen “De Witte Broe­derschap”, maar in wezen is het niet veranderd. De dingen veranderen niet werkelijk. De manier waarop wij ze zien verandert misschien.

Gevangen in het kleine is de winterstorm, is de droogte die aan de lente voorafgaat: het is voor ons iets dat ons persoon­lijk beroert, waarin wij gevangen zijn. Maar zodra wij afstand kunnen nemen van deze tijdsduur, blijkt het dat alles tezamen wordt tot één geheel, een samenvloeien van vruchtbaar­heid en onvruchtbaarheid, een soort eeuwige gelijkblijvendheid. En zo gaat het ook met ons.

Wij menen misschien, dat wij mensen zijn met 1000 en meer gezichten. Dat elk van die gezichten iets bijzonders is, iets specifieks is. Maar wanneer wij – en nu leen ik iets uit uw eigen tijd – foto’s kunnen maken van al die gezichten, we zouden ze allemaal op elkaar kunnen stapelen, dan zou het eindproduct een heel gewoon gezicht zijn. Een gemiddeld ge­zicht, het aangezicht dat schuilt in alle kleine varianten van een mens. En wanneer wij al onze geestelijke fasen, met ons dolen door het duister, met al ons leven in lichte sferen en al ons opwieken naar het hogere zouden kunnen samenvatten op dezelfde manier, dan zouden wij iets overhou­den wat het gemid­delde gezicht is van “leven”.

Het lijkt alles zo verwarrend, omdat wij de details zien. Details kunnen belangrijk zijn voor een kort ogenblik. Maar wanneer u geleefd hebt en de tijd gaat verder: wat blijft erover van dat, wat u belangrijk leek? Dat kleine verwaaiende detail, dat eigenlijk al vergeten is, voordat uw beenderen verteerd zijn. Er blijft nog wat herinnering, er blijft wat sentiment. Langzaam verlaat ook dat de mensheid en er is niets meer over. Zeker, u bent een van de korrels zand, waaruit het strand van de eeuwigheid is opgebouwd. Maar wie ziet de kor­rels zand? Zo onbelangrijk zijn ze.

We zouden ons graag willen verheffen tot grote wereldom­vattende geesten, we zouden werelden willen overschaduwen als een nieuwe godheid. We zouden misschien de natuur willen beheersen en dansen als een nieuwe Pan door de wouden. We zouden misschien onszelf willen maken tot een geest uit het verleden, een Dzjengis Khan, die steeds weer ontwakend opnieuw herhaalt de noodzaken van het leven, de overweldiging van een wereld die o.i. voortdurend overmeesterd moet worden.

Maar wat zijn die dingen? Niets. Zelfs wanneer wij een hele aarde kunnen bezien. Want dan komt er een tijd, dat die aarde vergaan is, terwijl de andere sterren blijven voortbestaan. En niemand zal meer weten dat er op dat kleine vlekje ergens in de ruimte leven is geweest dat we gecreëerd hebben.

Eeuwigheid betekent onbelangrijkheid. En onbelangrijkheid is ons deel, zolang wij willen denken in tijd. Maar aan de andere kant heb ik in mijn dagen teruggezocht naar een oud en waardig denken – oud zelfs in mijn dagen – dat al duizen­den jaren in het verleden had plaatsgevonden. En die gedachten overleefden de tijd. De denkers en de mensen waren vergeten, zijn namen geworden, namen van filoso­fen, namen van denkers, die vaag alleen nog een soort aanduiding zijn geworden voor een bepaalde denkmethode. Maar de methode van denken overleef­de.

Het is alsof tussen de veelheid van feiten, waarin wij voortdu­rend gevangen zijn, alleen de gedachte onaangetast kan blijven. Omdat de gedachte niet gebonden is aan een tijd of aan een vorm. En wanneer de wereld ooit verbleekt, dan zullen er gedachten zijn geweest op deze wereld, die in de eeuwigheid blijven voortbestaan, omdat zij deel zijn van die eeuwigheid.

Het leven is belangrijk voor ons. Laten wij het ten volle proeven. Waarom zouden wij verwerpen wat het moment ons biedt? Maar wij moeten begrijpen, dat het niet van belang is. Het is van voor­bijgaande aard. Maar een enkele gedachte, die wij hebben gekregen, kan misschien in de eeuwigheid bestaan en daar zijn wij één mee, voor altijd.

Spreken over Jezus, zoals in mijn tijd gebeurde, is eigenlijk belachelijk. Hij is één van de vele goden die ver­eerd worden en later vergeten worden. En de plechtigheden van de priesters met hun verschillende relikwieën en heiligenbeel­den, hun tochten langs de bergachtige paden en het zegenen van de vlakte voor het verkrijgen van vruchtbaarheid, waren ten­slotte niet veel meer dan de tochten van degenen die geloofden aan de goden die verborgen zijn in de bergen, die vreesden voor de demonen die schuilden in de grotten, die met hun eigen symbolen rondtrokken en dansten en feestten en misschien ook baden en smeekten vol angst.

Jezus was een godheid geworden en als een godheid had hij geen betekenis. Want goden zijn even vaag en voorbijgaand als alles in de tijd. Maar de leer die hij had gebracht is een andere. Het was een gedachte, een symbool misschien van iets eeuwigs, iets wat weer­kaatst wordt, ook buiten de tijd.

Te spreken over naastenliefde is een mooi woord. Maar het begrip van eenheid en saamhorigheid weer­klinkt waar alle verschillen al zijn vergeten. Gedachten aan wonde­ren die een mens doet, doen die mens verheffen. En ik heb wonderdoe­ners gekend in mijn tijd. Maar de wonderen vergaan. De genezen zieken sterven tenslotte en de doden, die wij hebben opgewekt, worden weer door de dood teruggevraagd. De regen, die uit een heldere hemel is gevallen, was een wonder. Maar de droogte keert terug. Het zijn maar tekenen in de tijd.

Maar de gedachte, waardoor je de dood ongedaan kan maken, de zieke genezen, het denkbeeld, het gevoel van verbondenheid, waarmee je de regen kunt dwingen te vallen op een plaats die verdord is, blijft voortbestaan.

Ik weet niet of mijn gedachten voor u duidelijk te volgen zijn, maar het leven is zo eenvoudig. Het leven is niets. Het product van het leven, de besefte gedachte, de verbondenheid is alles. Wij kunnen niet in een godsdienst, wij kunnen niet in een leer, onszelf verheffen. Maar wij kunnen wel gaan beant­woorden aan iets wat groter is dan wijzelf, aan een tijdloze waarheid.

Misschien kan ik mij de eeuwigheid voorstellen als een snaarin­strument. En wanneer wij beantwoorden aan de afstemming van de snaar, dan weerklinkt er een toon en die toon zal steeds herhaald worden, steeds opnieuw. Steeds weer zullen wij in die toon aanwezig zijn. Wij zijn de melodie, die de eeuwig­heid speelt op een onbekend instrument. Wij zijn niet in ons leven de entiteiten en de eenheden die wij willen zijn. Wij zijn alleen de weerkaatsing van een eeuwige waarheid. En dat wat in die eeuwigheid niet bestaat, zal nooit werkelijkheid zijn. Ook al menen wij voor een ogenblik, dat het waar kan worden. Wij zijn gebonden aan de eeuwigheid, aan dat tijdloze, dat ons weerkaatsen moet, willen wij de tijd overwinnen.

Het is wonderlijk dat wij door ons denken, alleen door ons besef, hoe onvolkomen en onvolledig het ook moge zijn, eeuwig zijn. En dat wij door alle grootheid die wij bezitten en alle verering die wij genoten hebben, niet méér zijn dan een stofje ergens in een berg van stof, deel van een totaliteit zonder werkelijke karakteris­tieke eigenschappen.

Het zou weinig zin hebben u dit alles voor te leggen, wanneer ik niet op mijn wijze – die niet noodzakelijk de uwe is – op mijn persoonlijke wijze, meende hieruit iets te kunnen leren. De gedach­ten die ik uitspreek, zullen niet allen volledig weerkaatst worden door de eeuwigheid. Anders zou ik eeuwig zijn en mij niet in een moment van tijd meer uitdruk­ken, maar hoogstens in het geheel. Maar soms heb ik het idee dat er iets van weerkaatst, dat er iets van blijven zal. Daarom tracht ik het weer te geven, die vreemde beper­king, die ons bevangt op het ogenblik dat wij beelden moeten vast­leggen en verankeren met woorden.

Wat u bent, nu, is onbelangrijk. Maar het besef dat u nu hebt, kan beantwoorden aan een grote waarheid. Dan is het beter in je leven één moment van waarheid te kennen, dan 1000 keer belangrijk te leven. Laten wij tevreden zijn met dat ene moment van waarheid, dat zal voortbestaan wanneer al het andere dat ons belangrijk lijkt, vergaan is.

Wij delen onze wereld in, in licht en duister. Wij verge­ten, dat het licht slechts een bliksemflits is die even de nacht verheldert, om daarna in het donker te verdrinken tot er geen duister en geen licht meer is. Maar het licht wekt in ons een besef. En het besef dat wij krijgen in een moment van verlichting, is de omschrijving van een wereld die nooit eindigt.

Wij leven uit alle kracht en wij streven op onze eigen wijze, en wij zullen vergaan. Maar wat ik met mijn streven heb willen vastleggen aan denken, aan innerlijk besef, zal ergens eeuwig zijn.   Het goede wat ik doe, omdat ik het besef, hoe vaag dan ook, deel te zijn van leven en mensheid, blijft voortbestaan. En al het verkeerde wat ik heb gedaan, omdat ik op dat moment mijzelf niet kon beseffen als deel van de eenheid, vergaat, wordt gedoofd, zolang ik het niet met geheel mijn wezen heb ondersteund.

Men zegt dat liefde de grootste kracht is. In de eeuwig­heid is liefde slechts aanvaarding. Want daar waar ik aan­vaard, daar weer­kaats ik eeuwigheid, daar weerkaats ik de grondwaarde van het Al. Hoe kan het Al bestaan, wanneer het niet aanvaardt de wijze waarop het zich uit.

Wanneer ik spreek over God, dan gaat het teloor. Maar wanneer ik ergens een duur en een eeuwigheid in mijzelf beleef en voor een moment kenbaar maak, zal het voortbestaan. De waarde van je stof­felijk bestaan, de waarde van je geestelijk leven en je geestelijke kracht komt voort uit die enkele ogenblikken.

Een ogenblik is vaak de eeuwigheid, waar een heel leven slechts verge­telheid is. Laten wij dat dan begrijpen. Leef de kostbare ogenblik­ken, de kostbare gedachten.

Probeer niet uw leven vast te maken aan een waarheid, want ge kunt het niet. Al wat gij nu waar noemt, zal morgen leugen zijn en al wat gij heden nog leugen en onwaarschijn­lijk noemt, zal morgen waarheid worden. Ge kunt de waarheid niet fixeren. Wat ge innerlijk hebt beleefd en voor een ogenblik waar hebt gemaakt of waar hebt gezien op uw wereld, dat is belangrijker, dat blijft bestaan.

In mijn dagen, waarschijnlijk ook in de uwe, werd gespro­ken over de wetten Gods, en de zondenlast der mensen. Ik ben begonnen met mijzelf een zondig mens te voelen. Het heeft mij niet beter en niet slechter gemaakt. Maar toen ik zei dat zondigheid waanzin is, dat deugd waanzin is, dat het er alleen op aankomt om eeuwig te zijn, vond ik in mijzelf krachten. Toen was ik eeuwig, voor een ogenblik soms. En uit die ogen­blikken van eeuwigheid putte ik dan al datgene wat nodig was om anderen voor een ogenblik werkelijk te maken in mijn ogen.

En vreemd, veel is vergaan van wat ik geleefd heb op de wereld, maar die ogenblikken van verhevenheid die ik gedeeld heb met ander­en, weerkaatsen nog steeds in mij en ik herken ze in vele andere dingen die ook de tijdloosheid benaderen.

Leven is kunst. Kunst is geen natuur. Leven is het samen­voegen van alle dingen totdat het een denkbeeld weergeeft. Natuur ligt in het denkbeeld. Niet in de vormen waarin het wordt uitgedrukt. Wanneer ik probeer om mijn waarheid aan u voor te leggen, dan is het deze:

Leef rustig vandaag en morgen en overmorgen, belangrijkheid zoekende in elke dag. Want daarvoor ben je mens. Maar besef, dat al die dingen sterven op het ogenblik dat ze gebeuren. Want alleen die dingen, waarin je verder grijpt, waarin je niet meer denkt aan jezelf of aan een mens, maar waarin je een ogenblik iets voelt of denkt wat geldt voor het geheel, die dingen zullen kunnen voortbe­staan. Zoek niet roem en eeuwig­heid in daden. Zoek eerder geluk voor jezelf, tevredenheid voor jezelf, maar dan zo, dat je je wereld kunt aan­vaar­den. Zo, dat je ergens denkend over jezelf en je wereld, soms het gevoel hebt: dit gaat verder dan alle dingen.

Ik moet toegeven dat, al heeft men mij wijs genoemd in mijn tijd, ik deze eeuwigheden nooit heb kunnen weergeven. Ik heb eruit geput, maar ik heb ze nooit waar kunnen maken voor anderen. Mis­schien zijn wij zo eeuwig dat wij in de tijdelijke verschijnselen onze werkelijkheid niet kunnen weergeven. Dat gevoel heb ik althans vaak gehad. En soms, zoals nu, besluipt mij weer hetzelfde: het denkbeeld dat ik het niet zeggen kan, omdat het eeuwig is, omdat het eeuwige onzegbaar is.

Maar je beleeft het. Ook u beleeft eeuwig­heid. Geen wezen dat bestaat, kan ontkomen aan die ogenblik­ken dat de eeuwigheid in je weerkaatst wordt. Die ogenblik­ken dat je, al weet je niet hoe en waarom, wijsheid vindt. Die ogenblikken dat je meent de problemen van je wereld opgelost te hebben en later alleen ziet dat het waanzin is, en toch ergens het gevoel hebben: het moet mogelijk zijn, het is mogelijk geweest, het was toch waar. Die ogenblikken zijn onze eeuwigheid.

Zodra wij eeuwigheid vangen in vormen, gaat ze teniet. Zodra wij trachten kosmische waarden in menselijk wezen en menselij­ke wetten onder te brengen, zijn wij blind en doof geworden voor de eeuwig­heid.

Maar als wij die vreemde vaagheid in onszelf weten te ervaren en te beleven, wanneer wij putten uit die zekerheid, – niet omdat ze feite­lijk is, maar omdat ze werkelijkheid is – dan ontstaan in ons toch die denkbeelden die ergens toch die oneindigheid weergeven.

Wat maakt het dan uit of wij niet kunnen tellen of schrijven, wat maakt het dan uit of de woorden niet aanwezig zijn. Want al hetgeen wij dan zeggen, schrijven, tellen – foutief misschien en dwaas als het is – geeft dan dat ene weer, wat in ons waar is.

En uit de veelheid van gedachten, uit onze filosofieën, uit onze gebeden, uit onze verwensingen en vloeken zelfs, destil­leert zich dan een denk­beeld dat blijft bestaan, de waarheid van je wezen, uitgedrukt in een paar waarheden of wijsheden, die eigenlijk voor allen gelden.

Wonderlijk, nietwaar?

Men heeft mij wel gezegd: “Is het goed om te dansen?” En ik heb tot hen gezegd: “Hij die niet danst en hij die niet weent, kan niet in zichzelf vinden, wat belangrijker is dan dansen en wenen”. Men heeft mij gevraagd: “Kunnen wij niet eren de heiligen en de ouden en kracht vinden die hoger is, waardoor wij kunnen afwijzen, wat ons bedreigt?” En ik heb hen gezegd: “Roep uw heiligen aan en uw Ouden. Ga in de wouden en de bergen en roep de goden en de demonen en weet, dat zij slechts uw dwaasheid kunnen verteren. Maar de waarheid, die over­blijft, is een verblindende macht”.

En, zoals bij mensen gebruikelijk is: daar waar zij mij niet verstonden, hebben zij mij wijs genoemd. En waar zij meenden mij te begrijpen, noemden ze mij een dwaas. Zo zijn de mensen. Maar zij, die mij dwaas noemden, hebben gedacht over hun eigen wijsheid en misschien toch een fragment gevonden, dat eeuwig kon zijn. En zij die mij wijs genoemd hebben, hebben misschien een ogenblik vergeten aan hun eigen beperkin­gen vast te houden en hebben daardoor iets van een eeuwige wijsheid gevonden. Dat is mijn boodschap voor u deze dag.

Dit korte, vergankelijke moment van tijd, dat al is weggevaagd voor het begonnen is. Het werkelijk belangrijke is altijd te vinden. In uzelf en vanuit uzelf. Er is geen wet die u daarvan kan weerhouden. Er is geen genade die u daar­toe brengen kan.

Want gij zijt niet slechts de akker, waarop gezaaid wordt. Gij zijt ook de zon die vruchtbaarheid geeft aan de akker. Gij zijt de regen die de groei mogelijk maakt. Gij zijt het geheel.

Besef dat gij uw eigen wereld zijt en vindt daarin die ene gedachte die altijd geldt. Dan zult ge eeuwigheid bezitten, zelfs in de tijd. Laat de vele levens langs u gaan. Laat het eeuwige stromende leven voorbijvlieden of laat u erdoor drijven. Het zal u niet veranderen. Maar besef iets van de kracht, die dit leven beweegt. Iets wat geldt voor al die levens, voor die hele stroom van levens. Ja, voor de verste­ning misschien, waarin ge het leven gadeslaat. En ik zeg u: ge hebt de eeuwigheid gevonden.

En eeuwigheid is een kracht. Want hij, die de tijdloosheid beseft, zal door de tijd niet beheerst en beroerd worden. Leer als ver­schijnsel uzelf als onbelangrijk zien, dan zult ge misschien leren, dat ge als besef eeuwigheid en daardoor belangrijkheid bezit. Dat is alles.

Ik zou u nog veel kunnen vertellen: van de geitenherders en van veel riten en hun dwaasheden. En ik zou u kunnen ver­tellen over de monniken, die vrome gebeden murmelden om zich te bezatten aan de offers van de pelgrims. Dwazen en mis­schien wijzen, wie zal het zeggen? Ze waren niet beter en slechter dan anderen. Ik kan u vertellen van mensen, die, om het gastrecht, hun vijand hebben geëerd en beschermd ten koste van hun leven. En ik kan u vertellen over hele families die zijn uitgetrokken en anderen hebben gedood in een roes van bloed en vuur over een vermeende belediging.

Wat is ervan over? Niets. Zelfs geen stuk verkoold hout is er meer over. Mis­schien alleen nog een enkele steen, waar eens mensen, trots als vorsten, elkaar uitroeiden.

In de kloosters hangt dezelfde verschaalde wierookgeur en is misschien nog een bijna opgevreten blad over dat eens als summum van wijsheid werd vereerd. Maar de essentie van eeuwig­heid, die erin lag, die bestaat voort. Dat is het enige be­langrijke.

Leef dan het belangrijke in uzelf. Beleef. Weet, dat daarin uw kracht ligt. Dat ge door dit eeuwige, dit zelfs niet te formuleren weten of denken, in uw wereld alles kunt vol­brengen en buiten uw wereld kunt volbrengen. Tot gij in uw besef vrij bent geworden van de onbelangrijkheid en de eeu­wigheid beseffende, als een vast levende waarde leeft. Zonder begrenzing. Ik hoop eens zover te komen dat ik mijn onbelang­rijkheid vergeten kan. Ik wens u toe, dat ook gij daarin zult slagen. Tot dien tijd, wees mens. Lach en speel en ween en vloek. Wees mensen zoals alle mensen zijn. Maar zoek naar dat ene dat u meer maakt dan een vergaand verschijnsel in een stortvloed van tijd.