Eigenaardige wezens

5 februari 1961

Ik zou eigenlijk vandaag maar gewoon zo een eindje weg willen praten over de mensen. Ja, mensen zijn n.l. eigenaardige wezens. Hoe moet je dat nu zeggen? De mens heeft de eigenaardige eigenschap om uit al het licht het  duister te puren. Dat is niet van mij, dat heeft eens iemand gezegd en wanneer je zo de geschiedenis van de mensheid beziet, dan zit daar wel wat in.

Het is lang geleden, heel lang geleden, dat men ergens in Indië een godin vereerde. Het was een godin met een glimlachend aangezicht, ze bracht overal licht, ze bracht vruchtbaarheid en vrede, ze nam de plaag van ziekte van de mens weg en je zoudt zeggen, dat de mensen gelukkig moeten zijn, wanneer er zo’n lichtende kracht op aarde is. Maar de tijd ging verder en de tempels, die men eens had gebouwd voor die godin, werden meer en meer terug getrokken gebouwd, zo in het oerwoud. En waar in het begin eigenlijk de klank van de neusfluit, een snaarinstrument had geklonken, waar elegante priesteressen hadden gedanst, kwam een meer sinister ritme. In plaats van de lichte, de dansende klanken van het geluk, kwam de zware, dreigende roffel van trommen, het storend pijnlijk bonzen van een gong en in de plaats van het offer van bloesem en bloemen, van rijp graan en rijpe vruchten, kwam er de kreet in doodsnood van mensen en dieren, die moesten sterven.

Die godin was Kali. Kali was een godin die de wereld vreugde bracht, maar de mens perverteerde haar, hij maakte van haar Kali Durgei, de verschrikkelijke, Kali, die drinkt menselijk bloed uit schedels. Kali, die oorlog zaait over de wereld en de mensen, die eens in haar naam uitgingen om geluk te brengen, zieken te troosten, te genezen, werden de geheimzinnige wurgersekte en kenden de rite van het Tucky, de moord ter ere van een godin, die eens licht was.

En zo maakte de mens uit een godheid, of moet ik zeggen een erkenning van een facet van het goddelijke, dat vreugde was, een duister en dreigend geheim, dat op het land kwam te liggen als een vloek, als een pestwalm en zelfs nog in de tijden, dat Engeland daar heerste, mensen in horden deed opstaan om te moorden en eigenlijk niets anders dan ellende heeft gebracht. Dat zijn de mensen geweest, die dat deden. Natuurlijk, de mensen hebben altijd gezegd: dat is de godin die het van ons eist, maar ze hadden een demon gemaakt in plaats van een god en je zoudt dit verhaal in elke tijd weer kunnen vertellen.

Er was een mens geboren, die Jezus heette, een wijs mens, een machtig mens, een ingewijde. En waar hij over de wereld ging, daar sprak hij woorden die vreugde brachten, die de harten licht maakten en de geest vrij maakten. Hij sprak over de vreugde van het bezitloos leven voor God. Hij sprak over de vreugde van mensen, die elkaar erkennen, die elkaar beminnen. Hij sprak over de vreugde van de geweldloosheid. Hij bracht de zachtheid van de goddelijke Vader in kenbare vorm door gelijkenissen en door vele lessen. Die Jezus leerde de mens, dat een ieder, die werkelijk goed is voor anderen, God kent. Hij leerde die mens, dat in hemzelf een geheimzinnige vonk, een geheimzinnige kracht is en Hij leerde die mens hoe al die krachten en vonken kunnen samen vloeien tot één lichtend laaiend vuur van vreugdig erkennen en Hij noemde dat het Koninkrijk Gods.

En toen kwam de mens en de mens kon deze meester niet verdragen als mens en daarom maakten ze een god van hem en ze hebben hem op altaren gezet en ze konden zijn zachtheid niet verdragen en zijn armoede en zo begonnen ze rijke tempels te stichten en het bezit heilig te heten. Ze konden zijn gedachte aan geweldloosheid niet verdragen en zo zonden ze legers uit om de ketters te onderdrukken, om de heidenen te bekeren. Ze maakten van zijn wezen en zijn leven de aanleiding voor de z.g. rechtvaardige strijd, voor de onderdrukking van de armen, voor het verdwazen van de menigte.

En misschien dan dat er geen dreigende trommen dreunen ergens in de verte, het zijn traag getrokken psalmen geworden of plechtige liederen in een taal die lang is gestorven. Maar wat is er overgebleven van deze drager van de fakkel der wijsheid? Wat is er overgebleven van deze zoon van licht, die op aarde is neergedaald voor de mensen? Een vreemde, wrede verwrongen godheid, die alleen zijn recht en zijn eer waard acht. Eén die de mensen uit zendt om te leren en te helpen, maar altijd met een bijbedoeling, de bedoeling van heerschappij. Eén die armoede predikt en misschien zelfs zijn volgelingen in armoede doet leven, maar in zijn dode handen een zwaar bezit hanteert. En zo maakten de mensen van een lichtdrager, een brenger van duisternis.

Ja, mensen zijn vreemde wezens, uit het  licht puren zij het duister. En toch verlangen zij naar licht. Elke mens voor zich zoekt ergens naar licht, naar vreugde, naar vrijheid. Maar zodra hem licht en vreugde en vrijheid wordt gegeven, dan legt hij het aan banden, dan vervormt hij en verwringt hij het, tot vrijheid gevangenschap is geworden, tot blijheid een droefheid is geworden, balanceren over een smalle brug, boven een hel van onvergeten eeuwigheid vol vlammen en vuur. Waarom?

Ik geloof dat de mensen bang zijn voor de vreugde, dat ze bang zijn voor de vrijheid, dat ze boven alles bang zijn voor een verantwoordelijkheid, die hun niet toestaat hun wil en hun denken aan anderen op te leggen. Ik vrees dat het hun gaat als die mens in het sprookje.

Er was eens, zo vertelt men, een draak. Deze draak woonde in een vesting, een zeer belangrijke en schone vesting. Wie zijn paleis binnen ging, werd overweldigd door de lichtende zalen, werd overweldigd door de pronk en de praal en de lichtende vreugde, de luxe die als levend daar bestaat. En wie binnen wilde gaan, moest gaan over een smalle brug, maar er waren vele bruggen, Er waren 22 bruggen en slechts één brug voerde in het slot zelve en alle andere kwamen uit in een kerker.

Nu waren er mensen, die zochten naar deze lichtende draak, naar deze brenger van wijsheid, deze, die de sleutels bewaarde, zo zegde men, tot de bronnen der eeuwigheid. En een ieder ging over een brug, maar ze streden er over, welke brug en wanneer ze waren binnengegaan, dan wilden ze niet toe geven, dat het een kerker en een gevangenis was en zo dromden ze dan samen voor de getraliede vensters en stelden zich voor gekanteelde torens en ze riepen iedere voorbijganger toe: Dit is de weg naar het licht, maar wie binnenkwam, kende alleen duisternis.

Het verhaal gaat, dat er een dwaas kwam. Hij kwam bij het slot, hij werd binnengelokt, maar toen de poort openging en hij duisternis zag, zei hij: “Neen”, en hij keerde om en men riep hem eerst toe: “Ongelukkige dwaas”. Daarna riep men hem toe, dat hij eeuwig verdoemd zou zijn, dat hij altijd rond zou dolen en nooit zou kunnen doordringen tot de bronnen van licht en vreugde. En de dwaas ging verder, brug na brug en steeds keerde hij terug tot hij een brug trof, waar niemand hem lokte, waar niemand zei: “Hier vind je eeuwige zaligheid en hier vind je geluk.”En degene, die de mensen dwaas noemde, zegde: “Waar men mij niet behoeft te roepen, zal de waarheid zijn” en  hij ging binnen en ziet, toen de poorten opengingen, lag voor hem een lange gouden weg, die voerde door een hof met bomen vol van bloesems, uit edelstenen gevormd, en hij trad binnen in een paleis en zag vele kamers vol van luxe, uitnodigende bedden, volgeladen tafels ook, waar onzichtbare handen maaltijden hadden opgestapeld.

De dwaas ging voorbij, hij zocht immers alleen het  geluk en het leven. Toen kwam hij bij de draak en de draak zei hem, dat er een raadsel is, dat de mens moet oplossen, vóór hij de toekomst kan vinden, vóór hij alle tijd kan doen samensmelten tot één moment en hij alle vreugde der wereld kan dragen in zichzelf als een licht in een kristallen bokaal.

En velen, zeer velen stonden rond de draak, maar ze zagen er niet uit of ze eeuwig, of wijs en gelukkig waren. Maar de dwaas luisterde goed naar de woorden, die de draak zei, want deze sprak n.l.:”Eeuwigheid is mijn leven, licht is mijn kracht en werkelijkheid mijn weg. Zo ge dit verstaat, zult ge de bronnen der eeuwigheid vinden.” Toen trok de dwaas een klein en onbetekenend zwaard en doodde de draak, en ziet, waar eens het monster had gelegen met zijn groene schubben en een edele en vriendelijke glans in de grote en soms ook met bloed doorlopen ogen, daar was een kleine poort en achter die poort lagen de bronnen der eeuwigheid. Maar slechts hij kon er binnengaan en toen hij de poort doorschreed en de anderen samendromden, stond er voor hen wéér de draak herrezen. En ze zeiden: “Dit monster is te sterk en te groot, wij kunnen het niet verslaan.”

En zo zijn er 22 groepen van mensen, 22 wegen. Sommigen zijn verder gekomen dan anderen, maar slechts een enkele dwaas vond de bronnen van eeuwigheid.

Hier heeft u de geschiedenis van de mensheid. Ik wil u niet bezig houden met allerhande droefgeestige beschouwingen, ik wil u alleen maar wijzen op de gelijkenis, die m.i. verklaart waarom de mensen zo vaak het goede perverteren tot het slechte, waarom zij het edele maken tot modder, waarom ze vrijheid maken tot gevangenschap. De mensen zijn bang, bang om hun ongelijk toe te geven, dat in de eerste plaats, en daarom zijn er die vele kerkers rond het slot, of moet ik zeggen: daarom zijn er die vele vreemde verwarringen en verwikkelingen van mensen, die ongelukkig zijn en toch steeds nog zeggen, dat de enige werkelijke vreugde is om je op te werken tot rijkdom, of dat de enige vreugde is je eer onbevlekt te handhaven als een banier door een ieder te doden, die hen aantast, enz.

Daarom zijn er mensen, die uitroepen, dat lijden geluk is en beginnen anderen onmiddellijk aan dat geluk deelachtig te maken. Ze weten de waarheid niet. Ja, en zelfs degenen, die die weg vinden, die innerlijke weg, die ware weg, de weg waar Jezus over heeft gesproken, maar die ook al lang vóór hem de wereld werd onderwezen en die zolang er mensen zullen bestaan, onderwezen zal worden aan mensen, komen op een gegeven moment te staan voor het raadsel, laten we het de draak noemen, de gevleugelde draak en ze vrezen die draak, want ze moeten ergens een monsterlijke macht boven zich weten, anders zijn ze niet gelukkig.

En toch is het slechts degene, die zelfs de waan van een monsterlijke macht kan verslaan, die verder kan gaan, die het doel kan bereiken. Ik denk zo dat de mens bang is van zichzelf en omdat hij zichzelf vreest en zijn eigen neigingen en zijn eigen gedachten, schijnt hij anderen geen leven zonder vrees te gunnen. En ik heb zo het idee dat de mensen daardoor eigenlijk altijd tegen hun eigen aard in handelen. O, ik kan ongelijk hebben, maar ik heb zo het idee, dat ze altijd tegen hun eigen aard, hun eigen denken ingaan; want vertel nu eens, nou, ja, u hoeft niets te zeggen, denk maar na, wat is nu eigenlijk de grootste waarheid in uw leven? Het feit, dat u gelukkig wilt zijn, nietwaar? Maar waar op baseert u uw geluk? Vertel me dat nu eens?

Baseert u uw geluk op het volbrengen van uw verplichtingen tegenover anderen? O, dat is nog een hele mooie vorm van geluk. Of in het zorgen, en het wijsheid en licht en kracht brengen aan anderen? Dat is nog veel mooier. Of misschien in de strikte rechtvaardigheid en het een ieder dwingen zelve te werken? Dat is al wat lelijker. Misschien bent u wel een van degenen, die anderen probeert, dwingt om in te gaan, op te jagen naar een imaginaire zaligheid.

Wat is nu eigenlijk geluk? Wat zou het  moeten zijn? Ik zou zo zeggen: het werkelijk geluk van een mens zou gelegen moeten zijn in een bestaan waarin je rond je vreugde brengt en vreugde aanvaardt, maar waarin je ook het onvermijdelijke kunt aanvaarden, waarin je niet probeert tegen alle machten en werkingen in iets tot stand te brengen, maar waarin je a.h.w, probeert te leven met de wet van de natuur, te leven met je eigen persoonlijkheid en je eigen wezen. Ja, maar dat is nog niet genoeg.

Ik denk zo aan het geluk, als een leven dat zich zonder hunkerende verwachting, maar ook zonder enige angst of afkeer, voortspoedt naar de overgang, naar de dood. Een innerlijk stabiel weten, dat het verder zal gaan en een je niet afvragen hoe of waarom. Gelukkig zijn, gelukkig maken, dat lijkt mij het ideaal voor het menselijk leven. Dat is eenvoudig, het lijkt een beetje moeiteloos. Het is een kwestie van denken en een kwestie van leven. Waarom zou je je bekommeren als mens om de vreugde, die anderen vinden? Wanneer je zelf vreugde bent en vreugde geeft, dan is dat toch genoeg? En waarom zou je je afvragen of anderen nu wel de goede weg gaan? Wanneer je zeker weet, dat jij de goede weg gaat en je kunt die weg gaande, anderen iets van geluk en vreugde, van blijheid, van licht, van waarde in hun leven geven, dan is dat toch voldoende?

Ja, en waarom zou je je eigenlijk afvragen hoe het staat met alle verbindingen in de wereld en alle verplichtingen en zo, wanneer je het beste doet wat je kunt om eenieder zijn recht te geven, zijn geluk bedoel ik daarmee, en zijn vreugde. O, niet zoals hij het zelf verlangt, maar zoals jij het geven kunt, maar dan ook zo goed als je kunt. Is dat eigenlijk niet genoeg? Het leven is niet geschapen voor het duister en de mens is niet geschapen om in het duister te leven. Geloof me toch, er is altijd licht op de wereld geweest en dat paradijs, waar sommige mensen met enige hunkering naar terug treuren, Adam verwijtend dat hij een dwaasheid heeft uitgehaald en niet tellende de duizenden dwaasheden, die zij zelf elke dag weer begaan, ja, dat paradijs bestaat toch nog, dat is er toch, maar dacht u nu werkelijk, dat het paradijs een soort door God speciaal met landscape gardening ontworpen tuintje is geweest?

Het paradijs ligt in elk mens. Het paradijs is een wereld, die je in je draagt. Een wereld met alle soorten bomen en alle soorten vruchten, omdat alle gebeurtenissen en alle daden, alle gedachten zelfs van het leven bloeien in jezelf. En zoals er in het paradijs vier stromen waren, zo zijn er de vier hoofdperioden van je ontwikkeling, vier stromen van gedachten en belevingen, elk anders en toch gelijk, samenvloeiend ergens in het middelpunt. En er zijn bomen in van leven en de boom met de kennis van goed en kwaad erop geschreven, natuurlijk, maar die bomen zien er toch wel wat anders uit, dunkt me, dan de orthodoxe leraar ze meestal beschrijft. In u is een boom van leven, natuurlijk, je bent zelf toch eigenlijk een boom van leven, geworteld in het eerste onbewustzijn heb je je uitgebreid, steeds meer ervaringen vindend, eerst jezelf kennende, de rechte stam, dan zoekend in plant en in dier en in alle elementen, de brede onderste takken van de boom. Daarna ben je gaan definiëren en steeds kleiner heb je je wereld gemaakt, omdat steeds meer wat boven je ligt, het goddelijke, het eeuwige, ging tellen en je hebt er leven na leven bijgevoegd, zoals de jaarringen van een boom en uiteindelijk draag je in jezelf een verwachting, de verwachting van groeien, van ontwikkeling. Me dunkt, dat de bomen in het paradijs die ook gekend moeten hebben. De boom van eeuwig leven, dat is niets anders dan de kern van je wezen. De kern van je wezen,waar door je eens bewust zult reiken van aarde tot hemel,

O, u zult zeggen en de kennis van die boom van goed en kwaad? Hoe het daarmee staat? In uzelf heeft u een soort geweten. Ik wil niet zeggen, dat het een buitengewoon nauwkeurig geweten is, of dat het een geweten is, dat precies de waarheid weet omtrent goed en kwaad, want die weet niemand. Maar je hebt in jezelf toch wel zoiets wat met je meegegroeid is, net als die levensboom, het bewustzijn: dit hoort bij mijn plaats in het Al, dat past voor mij niet.

Het vreemde is, dat ze in dat paradijs hebben gezegd: “Ja, maar die vruchten zijn verboden.” maar u leeft van die vrucht, dat is uw oordeel, dat is uw denken, dat is uw hele bestaan.

O, mensen zijn zo vreemd. Ze zouden de vrucht van de boom niet willen eten. Ze zouden de kennis van goed en kwaad willen verwerpen, maar dat is niet voor niets in hun wezen gebracht, het is alleen één vrucht ervan, die je niet mocht eten, de vrucht des oordeels. Op het ogenblik, dat je gaat oordelen, dat je niet alleen leeft volgens de wetten van het innerlijk parades, maar dat je gaat oordelen over de mensen en over de wereld en over wat jou gebeurt en wat anderen gebeurt, over wat God heeft gedaan of wat de duivel misschien wel doet. Ja, dan, dan is je innerlijk paradijs gesloten door het vlammende zwaard van onbegrip,

Maar als je niet oordeelt, wanneer je alleen maar in jezelf leeft, zo goed je kunt, naar buiten toe de vreugde geeft die je geven kunt en licht geeft zover het je mogelijk is, vrienden, wie zal ons dan de toegang tot het paradijs beletten? O ja, er staat natuurlijk meer in het verhaal. Die goede Adam hield van wandelen en om niet alleen te wandelen, wandelde hij met God. Nu ja, het is een verhaal, maar wandelen wij dan niet met God? Dacht u, dat er één mens zou kunnen leven zonder God? Zonder dat God steeds met hem gaat? Altijd? Gods kracht en Gods licht en Gods weten, het is altijd in je, maar ja, je moet het natuurlijk erkennen. Degene, die oordeelt, zet het zwaard van het oordeel ook tussen zichzelf en God.

Er zijn mensen die verwarren zoveel dingen, wijsheid en weten bv. Ze menen te weten wat wijsheid is, maar ze verliezen hun wijsheid in hun weten. O ja, de mens is een vreemd wezen, weet u. Als ik zeg mens, dan bedoel ik helemaal niet alleen u op uw wereld, dan bedoel ik eigenlijk ons allemaal, die mens geweest zijn of mens zullen worden. Wij zijn vreemd. We zijn vreemd, omdat we altijd alleen grijpen naar het duister. Ja, het is een praatje, ik heb het gezegd, het is geen predicatie of zoiets, maar laten we nu de dingen eens precies na gaan. Zo heel gewoon, zo onder elkaar.

U zoekt naar het pad van bewustwording, het innerlijk licht. Waarom zoekt u daarnaar? Draagt u het niet in u? Is dat pad niet in u? Ja, waar moet het dan zijn? Dacht u dat zoiets werd aangelegd door een of andere gemeentelijke plantsoenendienst van een hemels Jeruzalem? U heeft het in u, het pad, dat u zoekt bestaat in u. U hoeft het alleen maar te gaan. Maar ja, u wilt natuurlijk precies weten hoe het in mekaar zit, hoeveel kiezelsteentjes erop liggen, of dat het misschien schelpjes zijn, U wilt precies weten, wat er in de borders is geplant en hoeveel en wat voor bomen het zijn, die schaduw geven. Ja, zo komt u er nooit.

Waarom zou je nu zo erg willen weten? Och, kennis kan heel nuttig zijn, ik geef het toe, maar dat innerlijke pad, dat je nu wilt gaan, dat pad dat er is, waarom ga je dat niet? Waarom zeg je niet eens een keer tegen jezelf: Nu gooi ik gewoon al die dingen terzijde, al die voorstellingen en al die symbolen, daar kan ik later wel weer mee werken. Dat is de buitenkant. Dat is maar de begrenzing. Laat ik nu alleen maar eens proberen om blij te zijn, zo zonder reden, blij zijn, gewoon maar. Zo in mezelf blij, totdat ik het eigenlijk voel tintelen van het topje van m’n kruin tot aan m’n tenen toe, bij wijze van spreken. Alleen zo maar eens blij zijn, waar je kunt en zeg dan eens een keer zo tegen jezelf: Zo, nou, of ik het nu ben of niet ben, dat weet ik niet meer, en dat wil ik niet weten. Vooruit maar, laat mijn wezen maar gaan, gewoon volgers de natuur en denkt u dan dat u het innerlijk pad niet volgt? Ik verzeker u, dan gaat u uw bestemde weg, dan vindt u God, dan wandelt u met God en dan vindt u het paradijs en dan leeft u in dat paradijs. En wanneer u terugkomt en u vergeet te oordelen, dan blijft dat bij u, dan blijft u vreugde en dat licht, dat wordt u tot een kracht, van een sterkte, o, niet iets waar je anderen kwaad mee kunt doen, nee, maar je voelt je dan als een soort Atlas. Je voelt je in staat om een wereld te dragen en je kunt die wereld dragen, want je hebt het innerlijke licht, het innerlijke pad, je hebt de directe toegang tot het goddelijke en is het dan belangrijk, dat je dat niet in mensenwoorden kunt uitdrukken?

Nu ja, maar mensen zijn vreemd. Wanneer ze het niet in woorden kunnen uitdrukken, dan zeggen ze: het deugt ergens niet. Ik moet het kunnen vastleggen, ik meet het  kunnen opschrijven, ik moet het in een formule neerleggen met cijfertjes en getallen en met geheime namen en al wat erbij hoort. Al die dingen zullen er wel zijn, maar waar heb je ze voor nodig?Als een kind over de straat loopt te hollen, zeg je dan: “Jongetje, kom eens hier, je moet op krukken lopen, dat spaart je beentjes.” Dat vindt u dwaas, nietwaar, maar wanneer uw ziel eens een ogenblik uit wil gaan in het licht, wanneer ze een ogenblik in dat paradijs, dat toch deel is van haar, wil ingaan en dolen, dan zegt u: Ja, maar wacht eens eventjes, denk erom hoor, je hebt de krukken nodig van kennis, anders deugt het niet, wat je doet.”

Rare wezens zijn mensen, vindt u niet? En dwaas eigenlijk, hé, ja, ik ook, net als u hoor. Ik heb het heus niet alleen over u. We zouden kunnen wandelen met God, we zouden de voltooiing van het leven in onszelf kunnen kennen in elke fase, of we nu mens zijn of wat anders. Je zoudt door duizenden incarnaties heen steeds hetzelfde zijn, kennen, maar we vertikken het gewoonweg.

We moeten registreren, noteren, indelen en onderverdelen; we moeten de hemel in artikelen met sub a, sub b, aanvulling en commissie onderzoek vastleggen, want anders deugt het niet. Weet u, de dwaasheid van een mens komt misschien wel het beste naar buiten, wanneer je zo eens gaat kijken naar zijn geloof.

Een mens gelooft in God, dat kan niet anders. Hoe hij God ziet, nou ja, dat is weer wat anders, dat is verschillend. Hij gelooft misschien niet eens in zijn eigen voortbestaan, maar ergens gelooft hij altijd in een grotere macht. Daar kan hij niet onder niet. Wat doet die mens? Omdat hij daarin gelooft en om dat hij die God gaat dienen, gaat hij een hele wetenschap opbouwen om te bewijzen,dat die God bestaat. Ja, maar als ik het nu al eenmaal van binnen weet, waarom moet ik het dan bewijzen? Als een ander het niet in zich voelt, kan ik hem met al die bewijzen niet tot die God brengen. Als hij het wel in zich voelt, heeft hij die bewijzen niet nodig.

Waarom theologie? Vertel me dat nu eens? En precies hetzelfde, waarom nu economie en sociologie? Als een mens goed is tegenover zijn medemens, dan is dat voldoende. Dan heb je al die dingen niet nodig. En de wereld zou een paradijs kunnen zijn. Iedereen verlangt naar rust en vrede, iedereen zou eigenlijk wel goed voor zijn medemensen willen zijn en iedereen zou graag aanvaard worden door iedereen. Iedereen zou graag het lijden van anderen wegnemen en zijn eigen lijden weggenomen zien.

Er is helemaal geen reden eigenlijk om zo’n verwarde wereld te maken, maar de mens maakt het ervan, want hij vindt: het moet redelijk verantwoord zijn en het moet ingedeeld zijn. Ik vind de mens soms dwaas, ook die geest die mens is geweest en ook mezelf.

En vooral vind ik de mens dwaas en mezelf vaak erbij, omdat je altijd zo vasthoudt aan een bepaald iets. Je kunt het altijd merken. Je hebt een heel leven gehad van laat ons zeggen: gezondheid bv. van kracht, van werken en nu ben je niet gezond meer of je hebt geen kracht meer, of je hebt geen werk. En in plaats dat je dan zegt: Hoe goed is het om eens te rusten, hoe goed is het om de andere kant van de medaille eens te leren kennen, enz., kom je in opstand. Wij moeten doorgaan zoals we waren. Als je het de mensen zou vragen, allemaal, weet u, ze zouden het liefst weer 18 of 19 jaar zijn, met alle dwaasheid van dien desnoods. Ja, dat is toch zo. O, ze zullen het niet zeggen, hoor. Ze zeggen: “Ik ben blij, dat ik zo oud ben geworden, ik zou het nooit meer over willen doen, nou ja, weten wat ik nu weet.” Maar in hun hart zouden ze zeggen: “O, als ik de kans maar had, als er maar een middel was om me weer zo jong te maken.” O, ja, dat is de waarheid. En eigenlijk, wat zou je ermee winnen? Wat win je ermee om steeds weer hetzelfde te doen? Het wordt vervelend, maar ja, zo zijn mensen.

Je kunt tegen de geest zeggen: Ach, geest, God heeft het allemaal goed bepaald, uiteindelijk iedereen komt tot “God, waar maak je je druk over? “Nee”, zegt de geest, “ik wil leren, ik ga een meester zoeken, want ik moet ingaan in dat goddelijke.” Hij zegt niet: ik moet er deel van zijn, nee, ik moet ingaan, hé, zelf weten en ik ga naar de wereld toe, ik ga die mensen leren, ik ga ze helpen. Nu ja, dan voel je je ook wel eens dwaas. Je spreekt honderdduizend woorden en je vraagt je af of er wel één woord is, dat iets tot stand brengt, dat zonder je ingrijpen ook niet tot stand zou komen, dat weet ik. O, niet dat ik m’n werk bv. zoals ik tot u spreek bv. onaangenaam vind, helemaal niet, nee, daarom ben ik juist een mens, ik wil graag goed doen op mijn manier en ik heb net zo min als u het vertrouwen om het over te laten aan de grote baas. En ik wil net zo goed als u mijn eigen wereld zien op mijn manier en ik vertik het om te zeggen: “In God en in God alleen en laat die wereld maar zijn.”

En ik ben net zo dwaas als u; ik stel ook regeltjes en wetten en ik probeer ook de zaak in te delen in woorden en begrippen en uiteindelijk, vrienden, neem ik daardoor misschien veel niet aan wat voor mij ook goed zou zijn. Zo als u veel in uw leven wat waardevol zou zijn vaak verwerpt of achterlaat, ja, zeg door angst of door voorbehoud of door gedachten, hoe u ook wilt, maar eigenlijk alleen omdat u ook met regels wilt leven. En ik weet niet of u dit een prettig betoog vindt voor een zondag, het is n.l. niet erg vriendelijk eigenlijk, nu ja, ik sluit mezelf dan wel niet uit, maar ik zit toch eigenlijk te vertellen, dat we op de keper beschouwd eigenlijk een stel idioten zijn.

Maar ja, als we dat nu tenminste weten, dan heb ik zo het idee, dat het verstand toch ergens begint te dagen. En dan wil ik teruggrijpen op die misverstane figuur, die op het ogenblik op zoveel altaren als de Zoon van God wordt aanbeden, op Jezus. Want weet u, die heeft ergens op de een of andere manier de oplossing voor ons allemaal, niet omdat hij Jezus is of de Zoon van God is, maar omdat in en door hem wijsheid en liefde van meer dan menselijke geaardheid tot uitdrukking kwamen.

Ik zal er niet over vechten wie of wat Hij is, ik zal alleen een paar woorden citeren van Hem, geen evangelische, geen kerkelijk goedgekeurde woorden met bisschoppelijke imprimator, enz. Heel gewoon woorden, die Hij zo tegen mensen heeft gezegd en tegen leerlingen: “Is niet de vreugde van de bloemen gelijk aan de vreugde der mensen? Is niet de zang van de vogel als de mens, die roept om zijn God? Gij zijt (Hij had het tegen zijn leerlingen) kinderen Gods, zo gij uw Vader aanvaardt. Doch zo ge uw eigen wegen gaat, de Vader is met u, maar ge zult Hem niet kennen. Leer de Vader kennen. Hij gaf u de wereld en al wat van die wereld is. Hij bereidde u Zijn huis met woningen, waarin een elk zijn vreugde en zijn volmaking kan vinden. Ja, Hij bereidde u een deel van Zijn wezen, op dat uw vreugde zonder einde zou zijn.”

O ja, Jezus was ook een mens, want Hij zegt dat dan zo mooi en dan gaat Hij meteen door: “Gij veroordeelt mij, omdat ik sprak met de Samaritaanse en zij reeds vele mannen bekend had, zo vraag ik u, wat recht hebt gij om te oordelen, waar de Vader dit al heeft gegeven? De Vader is in haar leven en zo ze zich wenden wil tot de Vader door mij of door een andere kracht, hoe wilt gij oordelen? Gij zegt mij: “Meester, onze kas is leeg,” maar ik zeg u, wat kan geld voor verschil maken, wanneer de Vader met mij is?” Hij geeft mij niet geld, Hij geeft mij de wereld, Zijn licht, Zijn wijsheid. Hij geeft mij een taak en een vreugde. Gij zegt tot mij “Meester, laat ons ginds gaan, want daar hoort men uw woorden” in ik zeg: “laat ons verder gaan door dit land” (het is nog steeds Samaria, daar gebeurde dit) ik zeg u: “laat ons gaan door dit land, want niet zij die mijn woord horen, maar zij die in mijn woorden den Vader erkennen en in zich den Vader horen, vinden de waarheid, want ik ben u slechts de weg.”

O ja, de mensen hebben er wat anders van gemaakt, ik weet het wel, maar dat was Jezus . Niet vragen. God beweegt mij om dit te doen. Ik doe. God brengt mij in contact met de dingen van de wereld en ik moet mijzelf blijven en ik blijf mijzelf, want ik kan niet anders, want God is in mij, maar in die andere zal God ook zijn. Ik zoek niet in anderen de mens of de wereld, ik zoek in anderen God. Wat geeft mij een stoffelijk succes? Wat heb ik aan stoffelijk gewin, wanneer ik God met mij heb? God is mijn wezen, mijn taak, mijn leven, in die God vind ik geluk. Dat zegt Jezus eigenlijk. Als wij dat zo zouden kunnen verstaan, vrienden, in stof en geest en niet alleen verstaan, maar zouden kunnen leven, denkt u niet, dat we gelukkige mensen zouden zijn? En gelukkige geesten? Dan zouden we niet naar geweld of naar dood of naar duisternis behoeven te zoeken en dan zouden we het lijden zelf misschien – Jezus heeft ook geleden – tot een vreugde kunnen maken, de vermoeidheid tot een verkwikking. We zouden alles kunnen maken tot licht en tot vreugde, we zouden kunnen wandelen in het paradijs. We zouden in kunnen gaan tot de burcht der waarheid en de bron van de eeuwigheid vinden, als we dat ene maar zouden kunnen doden, die draak van erkennen en weten en daarvoor in de plaats zouden kunnen aanvaarden uiteindelijk het innig en volledig ondergaan van de hoogste kracht zonder verder na te praten.

En ik denk dat we zo dan zouden ervaren, dat Gods liefde groot genoeg is om licht en vreugde te brengen in elke wereld, in elke mens zonder uitzondering. Ik denk dat we zouden ervaren hoe groot Gods liefde is, hoe groot Zijn wezen is en hoe wonderlijk en nou ja, het tijdloze vervullend. Zelfs onze taak is die we nu soms als zo gebrekkig en onbelangrijk zien.

Nu, ik zal niet langer praten, vrienden. Dit is een praatje geweest over de mens. De mens is een zonderling wezen en hij puurt uit het licht het duister, naar als hij zijn zonderling gedrag zou kunnen veranderen en uit wat hen duister lijkt zelfs nog het lichte zou kunnen puren, hoe gelukkig zouden mens en geest zijn. Hoe waar zou de wereld zijn en hoe kenbaar God in al zijn grootheid.

o-o-o-o-o

Ik heb niet veel tijd, maar per slot van rekening, als er nu alleen maar zo gepraat wordt, dan hoor ik er ook ergens bij. In de eerste plaats houd ik van praten, in de tweede plaats vind ik het prettig mezelf door middel van andere instrumentaria dan m’n eigene te horen praten en in de derde plaats heb ik het idee, dat ik met al dat praten toch iets meer ben dan ik soms zelf denk te zijn. Nou, laat ik dan ook eens een keer van wal steken.

Als ik zo hoor dat de mens een eigenaardig wezen is, dan zeg ik: Nou dat is wel de spijker op de kop getroffen, naar definieer nu eens een mens. Als je zegt mens, dan zeg je niets anders dan een bundel tegenstrijdigheden die hoopt zich eens in licht op te lossen en verder niets.

Spreek eens van paradijs. Wat is paradijs. Paradijs is de mens, die zijn tegenstrijdigheden opgelost heeft en licht is geworden. Het is allemaal koekoek een zang, als je het goed bekijkt. En daarom zou ik willen opmerken, dat onze vriend één ding buiten beschouwing heeft gelaten. Het feit, dat wij mens zijn, verklaart juist al die vreemde kwaliteiten en eigenschappen, waarover hij heeft zitten filosoferen en dat geldt voor ons of we in de stof zijn of in de geest. En dan ga ik nog een paar stappen verder.

Onze vriend doet het voorkomen of wij onafhankelijk zouden kunnen zijn van het hele Al buiten de God in ons. Maar heeft hij er wel eens over nagedacht wat we dan zouden zijn? Dan zouden we geen mens zijn en zeker niet meer een geest in een of andere sfeer. Kortom, gelijk heeft hij nog wanneer hij zegt; “Ik wou dat het zover was.” Daar ben ik het direct mee eens, naar ongelijk heeft hij, wanneer hij dan verder gaat en zegt: “De mens is een eigenaardig wezen”, hoe zei hij het ook weer? “Hij puurt duister uit licht”.

Nou, moet u eens luisteren; wat zijn wij anders dan een bundel tegenstrijdigheden? En degene, die zegt, dat hij het niet is, die mag het me rustig vertellen, dan zeg ik onmiddellijk terug, dat hij een betere leugenaar is dan ik ooit geweest ben. Tegenstrijdigheden houden licht en duister in. Je kunt alleen mens zijn, wanneer je met je denken en je wezen tussen licht en duister balanceert. En dan is het heel aardig om te spreken over al die inwijdingssagen en over alles wat de mens genaakt heeft van de hogere dingen, naar laten hogere dingen zich wel veranderen? Wanneer hij het heeft over die juffrouw Kali, en hij zegt dat de mensen er een demon van hebben gemaakt, dan zeg ik stop.

Je hebt, filosoferende, misschien een beetje gelijk, naar er mankeert iets. Je moet zeggen: “De mens zelve die het vol goede niet kan aanvaarden, omdat hij zichzelf onvolmaakt voelt, haalt het demonische in zijn gedachten naar voren.” En zo komt hij dan tot deze vreemde gedachtegang, dit dienen van de dood in plaats van het dienen van het leven. Dat kont omdat hij bang is voor de dood, want menigeen zoekt juist wat hij vreest, nietwaar? En wanneer hij het heeft over die draak en alles wat erbij hoort, dan zeg ik, dat er draken op de wereld zijn, dat geloof ik graag. Ik heb mezelf ook gekend in mijn tijd, maar wat je vertelt over die draak, dat is alleen maar symbool. Dat is alleen maar het verhaaltje van ons voortdurend vastlopen, juist op onze eigen weg, in ons eigen zoeken, in ons eigen denken, omdat we steeds weer een grens stellen. Het is niet de kwestie dat er een kerker zit in die slotwand, als je nu zo symbolisch wilt zijn, nee, het  is een feit, dat wij onszelf in de beperking van onze begrippen en opvattingen een gevangenis maken.

Ik zeg maar: het ligt in de mens en zelfs wanneer hij het heeft over het doden van die draak om de bron van de eeuwigheid te vinden, dan zeg ik, ja, maar wat is die draak dan? Dat is in de mens zijn hoogheidsbegrip, zijn ik-begrip. Alleen de mens die z’n opgeblazen ik-begripje waarvoor hij zo vaak in aanbidding zit neergebogen, durft doden, vindt voor zich de gouden poort van de eeuwigheid. En als je het zo bekijkt, dan heb je gelijk, want dan pas heeft de mens tot zijn eigen volle leven de toegang en dan weet hij pas hoe eeuwig hij is. Och ja, ik ben niet erg geschikt als commentator. Ik bedoel het zo: Wanneer ik over die dingen moet gaan praten en ik moet het over al die esoterische gedachtegangen doen, dan voel ik me zo ongeveer als een dominee, die plotseling tot taak krijgt een radioverslag van de T.T.races te maken.

Ik ben me dus van m’n onvolkomenheden bewust, maar dat neemt niet weg, dat ik dan, al denk ik misschien net zo goed in vakjes als m’n vriend, tenminste weet wat voor mij telt en dat is dit: De mens met zijn eigen instelling, zijn eigen gedachten maakt voor negen/tiende zijn eigen leven. Dat heb ik u wel bewezen, want ik heb een hoop beroerdigheid gehad en als ik het achteraf bekijk, nou, dan was het allemaal eigen teelt. Tja, dus dat kan ik wel uit mijn eigen ervaring zeggen, ik weet dat de mens een hele hoop zorgen heeft, maar die zorgen maakt hij zelf en ik weet dat de mens een hele hoop ellende en lijden en pijn heeft, die hij in feite niet heeft, alleen omdat hij er zo sterk aan denkt, dat hij ze heeft. Ik weet dat er dingen zijn waaraan we niet kunnen ontkomen, dat zijn dingen, die horen in je leven, daar kom je nu eenmaal niet af.

Als je de dingen accepteert zoals ze zijn, dan kun je zelfs daarmee nog betrekkelijk gelukkig zijn, wat meer is: je kunt er uiteindelijk nog kracht, vrede en bewustzijn uit halen. Maar ja, zodra je begint, en dat doen we meestal, met een beetje medelijden met jezelf te krijgen, zodra we beginnen het te zien als een last, die op ons rust inplaats van een soort voorrecht waardoor we gezuiverd worden, zo moeilijk als het is, lopen we vast.

Wat dat betreft geloof ik, dat het gelukkig is, dat het beeld van het scheepje op de levenszee maar een symbool is, want anders dan weet ik wel, dat er tegen drie die vrij zeilen er een paar duizend steeds aan de grond zouden zitten.

Nee, laten we logisch zijn, mag ik dat ook wel een keer? Laat ik dan mijn conclusie trekken, vrienden, op mijn manier. Erger je eraan als je wilt. Per slot van rekening: ik erger me wel eens aan u ook en dan zeg ik later ook. Wat ben ik een stommeling geweest, want uiteindelijk is het nog zo gek niet. Wanneer je licht zoekt, wanneer je vreugde zoekt, wanneer je werkelijkheid zoekt, dan moet je eerst eens beginnen met na te denken. En dan zul je ontdekken, volgens mij, dat je geluk voor een groot deel is opgebouwd uit het geluk van anderen. Dus ons paradijs ontstaat eigenlijk doordat wij het delen kunnen. Punt 1. In de tweede plaats: Als mensen vinden we onze grootste vreugde en onze grootste vrede, wanneer we afstand kunnen doen van een voortdurende strijd tegen het onvermijdelijke. In de derde plaats: Wanneer we dat niet doen, dan zijn we nog steeds geneigd ons te plagen met onze eigen onvolkomenheden. Laten we nu maar beginnen met aan te nemen, dat we die hebben en er voorlopig vrede mee te hebben, dan zullen we er het eerst afkomen. Niet degene, die tegen zijn onvolkomenheden strijdt, maar degene, die voortdurend de gevolgen van zijn onvolkomenheden compenseert, verbetert zichzelf, rijpt geestelijk en stoffelijk.

En dan mijn laatste conclusie. Die is misschien de gekste van allemaal. Maar het is net een liedje, zoiets van: schep vreugde in het leven.” Ik zou zeggen: Alles in de schepping, wat het ook is en hoe het ook is, geeft een mogelijkheid tot vreugde. Wanneer je voor jezelf een mogelijkheid tot vreugde vinden kunt, een werkelijk bewonderen a.h.w., een ondergaan en aanschouwen, een beleven, neem het. Neem het altijd zodra je het als werkelijk licht ziet en kijk alleen maar uit als datgene wat je schoon vindt eerder lijkt op een dreigende donderwolk dan op een stralende hemel, want die donderwolken kunnen wel mooi zijn, maar die passen niet voor jou, als je daar je vingers naar uitsteekt, is het werkelijk donderen.

Leef vóór alles gelukkig, probeer vóór alles tevreden te zijn met wat je hebt, probeer vóór alles jezelf zeker te voelen, dat zolang als jij maar in jezelf vrede zoekt, anderen vrede en geluk geeft, de toekomst altijd beter zal blijken dan je nu durft rekenen of verwachten. Dat zal je in deze tijd wel eens moeite kosten om dat vol te houden, maar het is toch zo.

Laat ik u dan niet verder plagen. Ik heb mijn mening gelucht, bedankt voor de aandacht en het gehoor.  Nu, u weet het allemaal, ik wens u niet alleen een prettige zondag, maar een hele prettige week en als u kans ziet het zover te brengen: prettige jaren, prettige overgang en een heel prettig geestelijk leven met een zelfbewustwording en als u dan zover bent, denk dan ook eens aan die arme Henri, tot kijk.