Empirische Godsbenadering

image_pdf

8 juli 1960

Aan het begin van deze bijeenkomst wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp heb ik getiteld: Empirische Godsbenadering.

Voor u schrikt van het woord “empirisch”, dit betekent: Door ervaring, dus door eigen ondervinding. Op aarde hebben wij te maken met vele geheimscholen, esoterische richtingen en godsdiensten, die allen uitgaan van een dogma. De leerstelling is onbewijsbaar, maar men stelt: “Dit is zo en moet zo worden aanvaard”. Soms geeft men een in eigen ogen overtuigend bewijs, maar deze bewijzen zijn voor een buitenstaander niet zonder meer acceptabel. Indien wij zelfstandig nadenken over God en al wat daarmede samenhangt, brengen dergelijke dogma’s, ook indien wij geloven, ons veelal in moeilijkheden.

Een voorbeeld van de gebruikelijke bewijsvoering kan ik u hier wel geven: “Dit of dat staat in de Bijbel, dus is het waar, want de Bijbel is letterlijk het woord Gods, en dit is onomstotelijk waar, want dit staat immers in de Bijbel.” Ik heb de bewijsvoering hier zoveel mogelijk vereenvoudigd.

Het komt er dus op neer, dat het bewijs voor de Goddelijkheid van de Bijbel geput wordt uit de Bijbel zelf. Dit is als bewijs absurd. Ik kan met evenveel reden zeggen: “Ik ben de koning van Frankrijk, dus moeten mijn bevelen gehoorzaamd worden, want de koning van Frankrijk heeft wetten gesteld, waaruit blijkt, dat ik de koning van Frankrijk ben. Daar ikzelf dit verklaar en dit in mijn functie als koning van Frankrijk herhaal, staat dit geheel vast… “. Een dergelijke redenering lijkt verdacht veel op een drogreden. Ik haal dit beeld nu aan in verband met de Bijbel. Hetzelfde kan men doen met vele andere heilige boeken, terwijl een soortgelijke bewijsvoering ook gevonden wordt bij de rechtvaardiging van de dogmata van bepaalde esoterische en mysteriescholen. Ook daar gaat men van de stelling uit: Het is geopenbaard en is waar, want in de openbaring staat immers, dat het waar is.

Indien wij God reëel willen benaderen, indien wij God werkelijk willen beleven, dan kunnen wij dit naar mijn inzien nooit doen door een denken, dat in cirkels gaat. Ik blijf dan immers altijd vast hangen aan oneindige argumenten, die in wezen uiterlijk zijn, ongeacht hun schijnbare of werkelijke geestelijke inhoud. Voor ons is een rechtlijnig innerlijk streven noodzakelijk, waarbij wij niet belemmerd door het dogma, doch zelf en door eigen ervaring, steeds weer met de Goddelijke wetten worden geconfronteerd. Deze wetten zullen wij steeds weer beleven, waardoor zij voor ons tevens empirisch bewijsbaar zijn. Daarnaast zullen wij in onszelf door het wegvallen van beperkende voorstellingen, God kunnen ondergaan, zodat voor ons het Godsbeleven tevens een bevestiging is van onze waarheid. Dit is dan de basis van mijn onderwerp. Overigens volgt op het persoonlijke beleven van God voor vele mensen helaas onmiddellijk: Ik heb God zo gevonden, dit is dus voor mij waar… . Dan is het wáár. Het woord “mij” wordt dan weggelaten en het beleefde wordt de wereld voorgelegd als een nieuw dogma.

Op het ogenblik, dat ik mijn Godsbeleving, mijn dienen van God en mijn Godsaanvaarding niet enkel van mijn eigen beleven afhankelijk stel, maar tevens een aanvaarden van deze waarden voor geheel de wereld tracht af te dwingen, stel ik voor die wereld God buiten het “ik”. Ik vraag de mensen immers niet God zelf te benaderen en eis van hen, dat zij God – zoals Deze in mij is erkend en beleefd – zullen aanvaarden. Hoe kosmisch en alomvattend de God, die ik in mijzelf vind, mag zijn, Hij zal toch nooit identiek zijn met de Godheid, die voor een ander geheel aanvaardbaar en beleefbaar is. Wij stellen in de plaats van het zelf beleven en benaderen van God dus beelden, die uit ons ervaren of denken zijn voortgekomen voor het aangezicht Gods.

In de 10 Geboden staat reeds het antwoord op een dergelijke wijze van handelen: “Gij zult geen vreemde Goden voor Mijn aangezicht stellen….” Dit betekent ook: Je zult het beeld, dat een ander van God heeft, of zegt te hebben, niet stellen voor het werkelijke beeld van God, zoals dit in jezelf bestaat. Hieruit volgt de stelling: Elk dogma, dat van buitenaf opgelegd wordt, is voor een geestelijk strevende reeds in wezen onaanvaardbaar. Waar het buiten ons bestaat, zal het ons verwijderd houden van de God, Die in ons bestaat en in ons leeft.

Dientengevolge kunnen wel voor ons bepaalde dogma’s bestaan, onbewijsbare stellingen, die wij toch onomstotelijk waar achten. Betekenis hebben deze dogma’s alleen in en voor ons eigen wezen. Alleen daarin kunnen zij bijdragen tot een Godsbenadering en Godserkenning. Het lijkt mij zeer belangrijk, dat allen dit goed beseffen. Op het ogenblik, dat wij gaan zoeken naar het hogere beleven, naar het geheim, dat in ons sluimert, moeten wij van de wereld afgaan en niet ons juist tot de wereld wenden. Hiermede wil ik niet zeggen, dat men het stoffelijke dient te verwerpen. Deze speelt in de bewustwording naar mijn ervaren een te grote rol. Het heeft weinig zin de wereld in onze benadering van het Goddelijke te betrekken, vóór wij in staat zijn God ook in alle dingen bewust te vinden.

Eenvoudige volksstammen, bv. op Oost-Java, in Z. Afrika en Z. Amerika, zien God ook nu nog in alle dingen. Zij spreken met de geesten van de bomen, de geesten van hun voorouders, zij wenden zich evengoed tot geheimzinnige krachten, die klaarblijkelijk een soort natuurgeesten zijn, als tot de Allerhoogste. Dit heeft de Christenen vaak moeilijkheden bezorgd. Ook heeft men aan deze vormen van geloof veel onderzoekingen gewijd. Het vreemde is namelijk, dat het zedelijk gedrag van deze stammen ver boven het gemiddelde ligt. Onderzoek naar de redenen voor hun eerlijkheid, hun strenge zedelijkheid, bracht het inzicht, dat dit klaarblijkelijk alles voortkomt uit een nuchter aanvaarden van een grote Godheid, die niet nader omschreven wordt. Deze grote Godheid openbaart Zich door middel van de geesten en kleine Godheden, waarmede men in deze stammen zegt een voortdurend contact te bezitten. Verwarrend was daarbij bovendien, dat zelfs de priesters van deze stammen geen gelijke voorstelling van God blijken te hebben. Hier is m.i. sprake van een empirische benadering van de Godheid. De beleving van de Godheid is geheel persoonlijk. Wanneer men een probleem heeft, zijn daar de geesten van bomen, bossen, aarde en rivieren, zijn daar de voorvaderen en onbekende krachten die antwoord geven en hulp verlenen.

Op het antwoord van de Godheid berust hier het geheel van de leer en de beleving. Het lijkt mij onmogelijk werkelijk en geheel in een God te geloven, die nooit antwoord geeft op je smeken en vragen. Wij kunnen niet eeuwig als jakhalzen naar de hemel blijven huilen en zeggen, dat wij God zo beleven, erkennen en juist leren dienen. Dat heeft m.i. geen zin. Wanneer God een antwoord geeft op ons zoeken, wanneer God ons een persoonlijk antwoord geeft op ons gebed en onze vragen, zullen wij het contact met God steeds weer beleven. God wordt ons werkelijk en toont ons Zijn wil en eigenschappen. In deze werkelijkheid zullen wij God geheel erkennen, ons wezen geheel op deze werkelijkheid durven richten. Wij kennen Hem dan, zoals Hij is en steeds weer kenbaar rond ons bestaat. Hij is geen theorie meer, geen mooie, maar onbewijsbare voorstelling, die voor ons door anderen is opgebouwd, een voorstelling, waar wij ons gemakshalve dan maar bij neerleggen, omdat deze voorstelling nu eenmaal aan bepaalde sentimentele behoeften in ons wezen tegemoet komt.

Hieruit volgt een tweede stelling: Wij kunnen alleen die God werkelijk dienen, die Zich aan ons werkelijk kenbaar maakt. De wijze, waarop Hij voor ons kenbaar is, hoeft dan niet gelijk te zijn aan de kenbare uitingen van Zijn wezen, die anderen ondergaan of zien. Het persoonlijk contact met de Godheid, ook indien dit in feite een contact middels geesten of krachten inhoudt, is voor ons het directe bewijs van Zijn bestaan, maakt ons een innerlijk aanvaarden van Zijn wezen mogelijk en brengt ons daarnaast ook ongetwijfeld tot een innerlijk beleven van Zijn krachten.

Wanneer je dit stelt, vraag je je al ras af: Maar wanneer is hier nu sprake van fantasie, wanneer is er sprake van werkelijkheid? Wanneer ik bid en er gebeurt inderdaad iets, is dit dan een toeval, of moet ik hier gaan spreken van gebedsverhoring? Wanneer men om kracht vraagt en deze kracht blijkt werkelijk aanwezig, is er dan sprake van suggestie, van een natuurlijk verschijnsel, dan wel van een Goddelijk ingrijpen? Hieruit volgt zelfs voor de begaafde de vraag: Zelfs indien ik zieken kan genezen, duivelen uitdrijven en in de toekomst zien, is dit dan wel Goddelijk, of een verschijnsel, dat uit mijn eigen wezen, of natuurlijke oorzaken voortkomt?

Toch zouden wij dergelijke verschijnselen moeten herleiden tot het Goddelijke, voor zij werkelijk betekenis kunnen krijgen. Daarom geldt voor een ieder, die vanuit zich God wil benaderen en beleven: God heeft eeuwige wetten. Ook wanneer deze wetten niet in de Openbaringen van een bepaald geloof zijn uitgedrukt, zullen zij ons een regelmatig ervaren afdwingen. Het eist, dat wij deze wetten in ons eigen leven onmiddellijk zullen kunnen kennen, maakt het ons mogelijk ze toe te passen op elk contact, dat wij hebben met de wereld, zowel als het Goddelijke. Hieruit zullen wij kunnen leren verstaan, hoe God ons benadert.

Daarnaast vinden wij steeds meer, aan eigen ondervindingen getoetst, het besef, hoe God ons door Zijn wetten steeds weer helpt, maar ook gelijktijdig regeert. De wetten, die voor de mens het eenvoudigst kenbaar zijn, blijken te zijn de wet van causaliteit – ook wel oorzaak en gevolg genoemd – met daarnaast de wetten van harmonie, of harmonische waarden en evenwicht. Wat deze laatste betreft: Iedereen weet, dat, wanneer wij in de muziek twee tonen, die niet bij elkaar passen, tezamen brengen, wij iets horen, dat meer aan maart dan aan muziek doet denken.

Zoals bepaalde moderne componisten deze regel schijnen te verwaarlozen, blijkt toch ook uit hun werken, dat het werkelijk disharmonische voor de mens onaanvaardbaar blijft. Niet bij elkaar passende mensen geven steeds weer een soortgelijke afwijking van het aanvaardbare te zien. Een kenbare demonstratie van de wet in het dagelijks leven dus. Wat oorzaak en gevolg betreft, u weet werkelijk wel, dat u, wanneer u hier blijft zitten bv., nooit op tijd thuis zult zijn. Dit is oorzaak en gevolg.

De wetten van het Goddelijke, die voor ons begrijpbaar zijn, blijken zich in ons dagelijks leven steeds weer te openbaren. Deze wetten blijken ook te gelden, wanneer wij te maken krijgen met bovennatuurlijke verschijnselen, het paranormale verschijnsel, het ingrijpen van hogere machten zelfs. Indien ik God bid om genezing voor een ander en dit geschiedt eens een enkele keer, dan kunnen wij nog spreken van toeval. Indien ik tien maal hierom bid en zes maal blijkt genezing te volgen, dan kan dit voor mij al geen zuiver toeval meer zijn. Er is dan al iets meer.

Wanneer ik steeds weer bv. negen van de tien keer een positief of geheel negatief resultaat zie, kan ik aan de hand van de wetten rond mij met grote stelligheid beweren: “Hier is sprake van een ingrijpen”, ook al weten wij dan niet, hoe God, of de hogere kracht ingrijpt. Wij weten, dat er is ingegrepen en voor onszelf een verband vastgesteld: bv. bidden en de verhoring van het gebed.

Aangenomen, dat ik mij op een hogere kracht instel. Indien nu blijkt, dat als ik dit doe, ik bv. in staat ben helderder, zuiverder en wijzer te spreken dan anders, dat ik zieken kan genezen, of troosten, of inzicht verwerf in dingen, die gemeenlijk verborgen blijven, kan ik hier bij een herhaling van het verschijnsel een oorzakelijk verband vaststellen. Mijn persoonlijk instellen en de wijze, waarop dit geschiedt is dan aansprakelijk voor het resultaat. Wanneer ik in mijn leven steeds tracht te vinden, wie en wat bij mij past, wie en wat niet bij mij past, zodat ik hierdoor een innerlijke vrede verkrijg, dan toon ik daarmede wederom aan, dat zelfs bij de wetten van harmonie het causaal verband is blijven bestaan. Wanneer ik het harmonische zoek, zal ik een verinniging van het eigen wezen ondergaan met daarnaast een intenser contact met de eigen wereld. Op het ogenblik, dat men de dissonanten in het eigen leven toelaat, blijkt ook, dat men daardoor zelf evenzeer wordt aangetast als de wereld.

Het is dus redelijk als derde stelling voor deze empirische benadering van het Goddelijke te stellen: Het is noodzakelijk eenvoudige wetten te leren kennen, die het leven regeren. Uit het kennen van deze wetten zal dan duidelijk worden, in hoeverre het zogenaamde bovennatuurlijke een rol speelt in eigen bestaan en leven. Hoe intenser men het bovennatuurlijke kent en nastreeft, terwijl men toch de resultaten redelijk na blijft gaan, hoe duidelijker en zuiverder de banden, die tussen het ik en het bovennatuurlijke worden erkend. Dit laatst is weer noodzakelijk voor een waarlijk benaderen van de Goddelijke krachten.

Wij hebben niets aan reeksen van stellingen zonder meer. Ook wanneer u in vele graden wordt ingewijd, blijft de vraag, of dit een werkelijke en kenbare invloed heeft op het kennen van God en het innerlijk beleven van zijn werken. Is dit niet het geval, dan blijkt de gehele gewichtige inwijding voor u waardeloos en heeft zij voor u geen zin. Indien men ook maar één enkele graad van inwijding ergens heeft ondergaan en daardoor een beter begrip voor de wereld gevoelt, een intenser beleven van de krachten, die daarin werkzaam zijn en een groter vertrouwen op God, dan blijkt hieruit, dat u op de goede weg bent. Dan kunt u zeggen: ik ben in mijn pogen God te benaderen volgens eigen ervaren een stap verder gekomen.

Voor godsdienstige benadering van God geldt precies hetzelfde. Ook al woont u elke zondag een misoffer bij, of u luistert elke zondag weer naar de vaak iets te lange predicaties van een dominee, zo is hiermede nog niet gezegd dat u daardoor ook maar iets dichter bij de werkelijkheid komt. Bovenal dient men te beseffen, dat het nadenken over de uitslag van de voetbaltoto, of het zachtjes snurken tijdens een predicatie niets, maar dan ook niets te maken kunnen hebben met een mogelijke Godsbeleving. Slechts wat ons innerlijk beroert, kan ons verder helpen op de juiste weg, kan ons verder voeren tot een intense beleving van God. Het is niet gemakkelijk regels op te stellen aan de hand waarvan elke mens voor zich ervaringen met het Goddelijke op kan doen. Dit is zeer moeilijk, omdat God Zich aan elke mens weer in een enigszins ander aspect vertoont, want wij reageren op Gods oneindigheid, maar zien in de oneindigheid van Zijn wezen alleen dat, wat voor ons nog aanvaardbaar is en nog bevattelijk is, al het andere binnen het Goddelijke ontgaat ons.

Buiten de drie genoemde regels vond ik nog enkele aanwijzingen, die wel universeel blijken te zijn voor de mensheid. Het zoeken naar God heeft alleen dan zin, wanneer God Zelf tot kernpunt van alle handelingen en bestrevingen wordt gemaakt. Daar, waar men God uitsluit in handelen en denken, of daarin niet betrekt, is een leren kennen van God, of een kenbaar ontmoeten van Zijn kracht en werken, onwaarschijnlijk. Of die benadering uit menselijk of kosmisch standpunt geschiedt, of de wijze van benadering positief dan wel negatief is, maakt voor het erkennen van God weinig uit. De openbaringen van het Goddelijk wezen binnen ons “Ik” zal gelijkelijk plaats kunnen vinden, wanneer wij intens streven naar het vernietigen van iets, wat wij kwaad achten, en op het ogenblik, dat wij iets trachten te bereiken, dat wij van onvergelijkelijk grote waarde achten.

Ik denk hierbij aan Paulus, die als Saulus door het Goddelijke Licht werd getroffen tijdens een missie, die vanuit het menselijke standpunt en het Christelijke standpunt volgens huidige waarderingen onaanvaardbaar is. Hij ging namelijk om Christenen te vervolgen. Hierbij trachtte hij mensen, die op hun eigen wijze God trachtten te vinden en daarbij een nieuwe leer volgden, te doden, alleen omdat hij het met hun leer niet eens kon zijn. Uiterlijk is dit in ieder geval negatief. Daarbij wordt duidelijk gemaakt in Handelingen, dat Saulus de Christenen haatte. Een innerlijke negativiteit. Toch bleek een overweldigende openbaring van het Goddelijke mogelijk.

Alle neutraliteit belet ons een werkelijk contact met God op te nemen of te ondergaan. Neutraliteit is een stabiliseren van bestaande toestanden, een pogen een eigen evenwicht te handhaven. Dit evenwicht kan ons nooit tot God voeren, omdat in het behouden van de gelijkblijvende toestand een onverschilligheid optreedt, die ons een doordringen tot de hogere delen van ons eigen wezen en de God, Die daarin voor ons beleefbaar en kenbaar is, belet.

Een volgende regel is nog eenvoudiger. Een mens, die zich waarlijk schuldig gevoelt, zal niet in staat zijn zonder verdere actie zijn God te benaderen. Slechts de mens, die tracht zijn schuld af te lossen, zal door de actie wederom een contact met God kunnen vinden. Alle schuldgevoelens op zich zijn een remming van bewustwording en vooruitgang in geestelijk opzicht. Slechts het pogen eigen fouten te herstellen, maakt het ons mogelijk steeds sterker onze God te vinden.

Een laatste regel nog. Om God te vinden, moet je uitgaan van wat je bent, niet van wat je hoopt te zijn, vreest te zijn, of zou willen zijn. Slechts in de huidige werkelijkheid ligt voor ons een weg naar de God in ons. Slechts indien wij ons baseren op onze huidige positie, onze huidige mogelijkheden en toestanden, zullen wij in onszelf contact met hogere krachten op kunnen nemen.

Nu hebben wij hier veel gezegd over de methode, maar weinig over het benaderen en beleven van het Goddelijke Zelf. Waar ons onderwerp zich richt op het proefondervindelijke beleven en beseffen van God, zullen wij ook hieraan nog een ogenblik onze aandacht moeten wijden.

Als eerste punt wil ik nogmaals opmerken, dat God voor ons niet te bevatten is, dat het Goddelijke geheel voor ons niet begrijpelijk kan zijn. Maar delen van God en delen van de Goddelijke kracht zullen voor ons wel degelijk aanvaardbaar, begrijpbaar, hanteerbaar en bruikbaar zijn. Wanneer je als mens tracht alles, wat boven je ligt, te omschrijven, loop je vast.

Dit vastlopen is te wijten aan het feit, dat men teveel tegelijk wil beseffen en vastleggen. Je wilt volgens menselijk en verstandelijk denken je God vastleggen en als een gelijkblijvende waarde fixeren. Wanneer ik de verkondiging van het wezen Gods hoor, heb ik de indruk, dat sommigen hun onvolkomen begrip hebben willen gebruiken als een soort geestelijke Kodak. De mislukte afdruk wordt ons dan aanbevolen als het ware beeld Gods. Voor een beleven is dit uit den boze. God beleven wil niet zeggen: God vangen in woorden, maar God ondergaan. Het is niet noodzakelijk te weten, hoe de kracht Gods tot u komt, wel is het noodzakelijk in uzelf te weten, dat dit Werkelijke de Kracht Gods is. Het is niet belangrijk, dat men precies begrijpt, wat zich hier afspeelt, wanneer de geest Gods u opvoert en meeneemt naar hoger werelden, of hoger weten en begrijpen. De methoden en het verschijnsel op zich doen hier weinig of niets ter zake.

Wel het feit, dat wij God daarin erkennen en aanvaarden. Slechts in de aanvaarding is een waar Godsbeleven mogelijk. Indien wij ons actief tegen God verzetten, maar daarbij tevens tegenover onszelf eerlijk blijven – dit is zeer belangrijk – kunnen wij God ondergaan en ervaren. In alle verzet tegen God komt een ogenblik van stilstand, omdat wij niet verder kunnen. Op dit ogenblik openbaart God Zich in onze hulpeloosheid. Door de hulpeloosheid ontstaat dan veelal opnieuw een aanvaarding.

Een van de grootste, zo niet de grootste, rem op het beleven van God is onze eigenwaan. Mens en geest zijn geneigd zich voortdurend op de rug te kloppen met de opmerking: je bent zo kwaad nog niet, want je weet het dan toch wel. Wij zijn geneigd onszelf voortdurend te overschatten, omdat wij in de wereld een gevoel van superioriteit nodig hebben. De doorsnee mens heeft een gevoel van superioriteit nodig in de wereld, omdat het hem zonder dit zeer moeilijk wordt in de maatschappij gelukkig te leven. De geest heeft zich in de stof aan deze houding gewend en behoudt haar, omdat dit hem de indruk geeft “hoog” te zijn, wat zijn genieten van Lichte wereld en ook geestelijke werelden intenser kan maken. De eigenwaan dwingt ons steeds weer om God voorwaarden te stellen.

Onthoudt dit: U kunt God in elk ogenblik van uw leven steeds weer ontmoeten, niet alleen in, maar ook buiten het “ik”, want God is in de regen en de zon, in het licht en in het duister, in de bliksem en in de stilte van de middag, maar men mag nooit trachten vast te stellen, hoe God Zich aan u moet openbaren. Op het ogenblik, dat men dit tracht te doen, verbreekt men de band met het Goddelijke en gaat men in eigenwaan ten onder. Uzelf schept u op deze wijze valse Goden – in de oude zin van het woord – die u tot demonen worden. Dus geen duivelen, maar wezens van een op zich misschien zelfs betekenende geestelijke inhoud, kracht en vermogen, die met de waarheid van het Goddelijk wezen weinig of niets gemeen hebben.

Op het ogenblik, dat ik mijn God zoek, kan ik Hem zoeken in de stilte. Dit is het systeem, dat berust op meditatie, concentratie en overwegingen. Indien ik hier mijzelf tot een stilstand kan brengen, zodat de redeneerlust vergaat en alleen een verwonderd beschouwen van een probleem overblijft, kan God Zich plotseling aan mij openbaren. Dan kan men bijvoorbeeld zien, hoe een onzichtbare hand plotseling een probleem, waarmee men heeft geworsteld, in zijn bestanddelen uiteenrafelt en de delen hergroepeert met een mathematische juistheid, die onovertroffen is. Het nieuw ontstane beeld is het antwoord. Dan heeft men een Godsbeleving. Ook kan men zich opgenomen gevoelen in een zee van Licht, die vrede en kracht wordt voor het ik. Maar men kan evengoed tot een benaderen en beleven van God komen in de daden. Voor de doorsnee mens is de beleving van God in de daad gemakkelijker en belangrijker dan het zoeken van God in de stilte. De ware meditatie, die voert tot een innerlijke verzinking in het Licht, blijkt immers aan weinigen voorbehouden. Dit vraagt een grote scholing, een getraind zijn. Verder bevordert het een leven, dat vol is van ervaringen, zodat men niet in verblinding door simpele vroomheid zichzelf misleidt.

In de daad kunnen wij God altijd weer vinden. Ik kan u hier een voorbeeld van geven, maar ieder van u zal dit op eigen wijze moeten interpreteren en toepassen. Je wilt een mens helpen, je beschikt niet over de middelen of de kracht daartoe. Op dit ogenblik realiseer je je: Ik help niet, omdat ik wil helpen, maar ik help in de naam Gods, zelf voor een ogenblik zijnde een deel van de Goddelijke kracht a.h.w. Dan verschijnt opeens in de daad een kracht, waarover wij normaal niet beschikken. Wij zien opeens de enige mogelijkheid tot helpen, waaraan niemand anders ooit gedacht zou hebben enz. Wij beschikken plotseling over middelen, waarvan wij meenden dat zij ver buiten ons bereik lagen. U kunt deze dingen in de levens van heiligen terugvinden. Overigens mag ik hier als terzijde opmerken, dat menige heilige eigenlijk een revolutionair binnen de kerk was, die ter voorkoming van onheil in een klooster werd ondergebracht. Onder dit gestrenge regime kwam hij dan tot een verinnerlijking van zijn strijd en revolutie, waardoor hij werd tot een innerlijk belever van zijn God. Voorbeeld: Don Bosco, die niets heeft, maar in zijn vertrouwen handelt, alsof hij zal hebben. Hij verkrijgt daardoor ook.

Indien u dit teveel katholiek, of te ver buiten eigen kerk schijnt te liggen: Denk eens na over de wondergenezingen, die u wel eens hebt gezien. Er is daar dan toch maar een kracht, die de mens beroert. Wij mogen dan over deze wijze van genezen verder denken zoals wij willen, maar er is dan toch maar zo nu en dan een kennelijke kracht aanwezig. Er is een beleving, die God zeer dicht bij de mens brengt. Het blijkt steeds weer, dat dit contact met God niet het gevolg is van een lijdzaam wachten tot God iets doet, maar door een positief aanvaarden van God door een daad, die het wezen Gods en de hulp Gods als een vanzelfsprekende invloed stelt.

Voor uzelf zult u in het dagelijkse leven ook deze ervaringen op kunnen doen. Wanneer u handelt ter wille van kosmische, het grote, of ter wille van God, zult u plotseling ontdekken, dat u veel meer doen kunt, dat u veel grotere capaciteiten hebt, dat de gehele wereld u a.h.w. helpt, zonder dat het duidelijk is waarom. Sluit u echter af in zelfbeklag en egoïsme, en u zult zien, hoe voortdurend alles tegen zal vallen. Wanneer je bv. de straat opgaat om een ander hulp te gaan brengen, dan is daar onmiddellijk de tram, de bus, iemand, die u een lift wil geven. Dan zijn juist die mensen thuis, die je werkelijk nodig hebt. Al deze dingen moet je je gaan realiseren. Dan krijg je vanzelf het gevoel: ik sta toch eigenlijk zeer dicht bij mijn Schepper… . Je voelt dan a.h.w. Zijn hand in je leven ingrijpen. Dan kunnen wij wel stellen, dat Hij niet onmiddellijk Zelf dit is, doch dat dit geschiedt door de krachten, die Hij daartoe zendt. Maar of het nu de kleinste geest is, die u helpt, of God Zelf, in beide gevallen is het toch God, die de Kracht geeft. Op deze wijze kun je meer vertrouwd geraken met je God.

De mensen spreken over God als de Vader, maar je moet niet alleen de naam geven, doch als met een vader vertrouwd zijn met God, wil je werkelijk de openbaring van Zijn kracht steeds weer kunnen ervaren. Het is noodzakelijk, dat men zelf met de daad begint. Hierin vindt men dan – door het streven – vanzelf de binding met God. De daadwerkelijke, de demonstrabele beleving, die het mogelijk maakt niet slechts te voelen, maar te weten: dit is de kracht van de Vader, het is God Zelf, Die deze dingen door mij doet…. . Dan heb je voor jezelf een bewijs van de eenheid, die tussen mens en God bestaan. Wanneer u met de daad begint, desnoods in onwetendheid, zo zal het u verwonderen, hoe snel het voor u noodzakelijke weten en begrijpen u gegeven zal worden. Ook hier zult u zelf werkzaam moeten zijn. Maar alles, wat u werkelijk nodig hebt, zal u worden gegeven. Elke les, die u nodig hebt, vanaf het woord, dat u beroert tot de verhandeling, die u een nieuw inzicht geeft, is er. Mensen en gebeurtenissen, die u een nieuwe beleving Gods mogelijk maken, zijn er al evenzeer. Want in de benadering van het Goddelijke, wordt u alles gegeven, wat noodzakelijk is om innerlijk weten, zowel als meer materieel weten, aanmerkelijk te vergroten.

In dit tweede deel van mijn betoog hoop ik aannemelijk gemaakt te hebben dat God steeds weer dicht bij u is, zodat het beleven van Zijn wezen en het benaderen van Zijn waarheid steeds voor ons mogelijk is. Het derde deel van mijn betoog is eigenlijk voor de meer gevorderden bestemd.

Sprekende over het Godsbeleven moeten wij ook spreken over de openbaring van het Goddelijke in het ik. Dit kan nooit op één enkel vlak plaats vinden. Wanneer God ons wezen beroert, beroert Hij het geheel van ons wezen. Het is onredelijk aan te nemen, dat in een grote kosmos de mens slechts met één enkel voertuig, en zonder verdere mogelijkheden, op aarde zou zijn gesteld. Het is dwaas aan te nemen, dat hij niet meerdere voertuigen heeft.

Ik spreek hier nu even vanuit geestelijk standpunt en weten. Elke openbaring van het Goddelijke wezen in ons, elke benadering van het Goddelijke, beroert ons in elk voertuig van ons wezen afzonderlijk, terwijl het daarnaast een invloed heeft op het geheel. Wij worden hierdoor tot het ontvangende deel van de dubbele driehoek, of Davidsster, de zespuntige ster.

In dit symbool zien wij twee driehoeken, die elk voor zich uitdrukking geven aan een bepaalde verhouding van elementen. De laagste driehoek noemen wij de vrouwelijke, de bovenste de mannelijke. Beiden vullen elkaar aan tot een de kosmos omvattend geheel, vanuit menselijk standpunt. In ons wezen is er sprake van een deel van de oneindigheid, het wordt voor de mens in het laagste punt uitgedrukt als stof en gaat vandaar in een steeds groeiend vermogen tot ontvangen van Goddelijke krachten verder tot het hoogste punt, dat vanuit een stoffelijke ontwikkeling bereikbaar is. Het is duidelijk, dat wij alleen niet het geheel van het Goddelijke zullen kunnen bereiken of ontvangen. Zoals in het symbool de driehoeken dooreen gestrengeld zijn, zo is ons wezen – dank zij het bestaan in hogere voertuigen en sferen – verstrengeld met het wezen van een hogere entiteit. Men kan desnoods hier stellen, dat de bovenste driehoek voor alle mensen door dezelfde entiteit wordt vertegenwoordigd, een Elohim bijvoorbeeld.

Zeker is, dat de bevruchtende kracht van het geestelijk weten, het geestelijk vermogen, een voortdurende aanvulling op ons beperkt vermogen tot benadering en beleving van het Goddelijke tot stand brengt. In de wisselwerking van beide driehoeken wordt de mens herboren.

De herborene – of herrezen – is tevens de verloste. De mens is verlost, doordat hij in zijn ontvangen van de kracht en het beleven van de Godheid enerzijds, in zijn volledig en intens samengaan met de voor hem nu positieve en leidende kracht vanuit het Goddelijke, komt tot een verliezen van de beperkingen, die het kenteken waren van zijn oude persoonlijkheid.

Tevens vindt hij een alomvattend begrip, een beheersing over alle voertuigen, ook die van de hoogste geest, een beheersen van de sferen en een alomvattend begrip daarvan. Zo zal hij, in zich gaande tot het hoogste Licht, dit hoogste in zijn wezen voor alle werelden openbaren door elk deel van zijn wezen en op elk vlak, dat omschrijfbaar is, als deel van een der beide driehoeken.

Dit laatste is in feite nog duisterder: Uit drie vuren, drie wateren en drie winden, die elk in zich verschillen, werd, volgens de oude overleveringen der esoterie, het heelal geboren. Drie verschillende waarden van het uiterlijk gelijke, in het totaal 9 waarden. Elk van deze groepen van waarden kan worden voorgesteld door een gelijkzijdige driehoek. De krachten zijn in eigenschappen geheel aan elkaar gelijk en aangepast. De verschillende waarden kwamen tezamen en creëerden door hun verbondenheid het kenbare Al, het niet kenbare Al en het omvattende Weten, die gezamenlijk de uitdrukking van Zijn van het alscheppend Vermogen zijn. Voor hen, die deze dingen niet kennen, zal de samenhang niet duidelijk zijn. Voor hen, die willen trachten toch iets te begrijpen, wijs ik op de Drie-eenheid, die als een driehoek voorgesteld wordt. Dit symbool wordt bij menige inwijding gebruikt. Hierin wordt aangeduid, dat er drie fasen of factoren zijn, die onze wereld begrenzen en vormen tegelijk. Zoals er bv. drie dimensies zijn.

Er bestaan meer grondwaarden van het bestaan, dan de mens kan beseffen of kennen. Desondanks is hij met al deze waarden verbonden. In elk van die waarden liggen het vuur, of de bezieling, de wateren als vervloeiend lichaam, waarin de bezieling gevangen wordt, vaak ook de geest. De lucht of wind is het steeds veranderende element der tijd, u kenbaar als materie, dat in elke tijdsverandering en elke sfeerverandering een ander voertuig inhoudt, die op zich geen betekenis heeft. Deze beelden trachten dan weer te geven, dat wij op elke geestelijke weg drie werelden zullen ontmoeten, die ons gescheiden lijken. Drie verschillende waarden van weten, leven en lichaam, drie verschillende wereldwaarden. Eerst indien wij beseffen, dat deze dingen allen samen moeten vloeien tot één Godsbeleving zonder grenzen, zullen wij ook de waarheid van het Goddelijke kunnen benaderen en God kunnen kennen.

Zonder een Godsbeleven zullen wij nooit in staat zijn ook maar het kleinste tipje van de sluier op te lichten en in het geheim van het ware bestaan niet door kunnen dringen. Vóór het weten komt steeds het aanvaarden. Gezien het beperkte bestaan van de mens zullen wij deze aanvaarding weer redelijk moeten maken door haar te beleggen met bewijzen, ook al gelden die bewijzen misschien alleen voor onszelf. Gezien de eigenaardigheden van de menselijke geest en de voorkeur voor zelfbedrog, die menigeen schijnt aangeboren, zou ik u dan ook willen aanbevelen, uw benadering en beleving van het Goddelijke op empirische wijze te benaderen.

Bedenk, dat slechts wie de God in zich heeft aanvaard en erkend, verder kan gaan en de openbaring aanvaarden van de Goddelijke grootheid in alle voertuigen. Wanneer in alle voertuigen en sferen gelijkelijk de openbaring leeft van de eenheid tussen werkende kracht en besturende kracht, is de mens geworden tot de herboren Adam, die in zich draagt het kennen van het Goddelijke en de Godheid Zelf, de ervaring en kracht, die het voertuig en het werken van zijn God is, en toch gelijktijdig dit alles beleeft.

Voor degenen, die het laatste een beetje zwaar vonden, verzoek ik, dit verder gaan mij niet al te zeer kwalijk te nemen. Laat desnoods het derde deel terzijde en houdt u bezig met de eerste twee delen, die voor allen toch wel begrijpelijk zullen zijn.

Vragen.

  • U stelt, wanneer je uitgaat om anderen in Gods naam te helpen, zal alles lukken: Tram, etc. Iemand krijgt een ongeluk op straat. Een ander helpt tot de eerste hulp komt. Dan blijkt, dat ondertussen zijn fiets is gestolen.

De fiets was niet nodig voor de hulp en stond daarmede niet in verband. Toch moet het gebeurde een les inhouden. Vul daarom eerst het voorbeeld aan: de mens vindt de diefstal van zijn fiets misschien wel erg, maar legt zich er bij neer en stelt: “God, wanneer ik een fiets nodig heb, zorg dan, dat ik er een krijg.” Dan krijgt die mens een fiets, of zal het eigen vehikel de volgende dag op het politiebureau af kunnen halen. In uw voorbeeld verwart u een menselijk aspect – bezit – en de door mij gestelde aanvulling van vermogen en krachten – ook stoffelijk – i.v.m. de noodzaak. Het geven van de noodzakelijke hulp ter wille Gods mag geen afwijking van het normale inhouden, of een beloning. Het mag slechts een erkenning inhouden en bewustwording brengen. Gezien uw voorbeeld stel ik: Het gebeuren moet zijn nut hebben, ook wanneer dit niet onmiddellijk voor allen kenbaar is. Reden: In de wereld geschiedt niets, dat geheel zinloos en nutteloos is, ondanks de schijn van het tegengestelde.

Ten tweede: de mens, die werkelijk van God vervuld is in het volbrengen van zijn taak, zal zelfs niet boos zijn op de dief, doch stellen: Indien hij het voertuig nodig heeft, zo zij hem dit gegund.

Ten derde zal hij stellen: Wat ik nodig heb om de taak Gods te vervullen, zal mij worden gegeven, of zal ik kunnen verwerven. In plaats van disharmonie stelt de mens een harmonische waarde. Daardoor zal het geheel, waarmede hij harmonisch is, zijn behoeften vervullen, zolang deze in verband staat met een kosmische noodzaak, of ook maar met een werkelijke persoonlijke behoefte.

Ten laatste: Indien wij willen oordelen aan de hand van menselijke reacties, zullen wij nooit tot een waar Godsbeleven kunnen komen. Elke mens zal over ons lachen en met ons spotten, zodra wij iets doen, denken, of zeggen, dat in strijd schijnt te zijn met zijn besef van redelijkheid.

Wanneer men zich richt op de handelwijze der mensen, dient men ook aan te nemen, dat de wereld één zinloze anarchie is, vol van leugen, bedrog en zelfverheerlijking. Daarin is geen God meer te vinden. Zodra wij ons richten op het beleven van God, zullen wij zien dat God Zich openbaart, zodra een noodzaak daartoe bestaat. Wij hebben ons daarbij dan niet te storen aan hetgeen de wereld zegt of doet, maar zullen – om ten volle dit te ondervinden – voldoende innerlijke zekerheid en vertrouwen moeten bezitten om te aanvaarden, dat God ons helpt, waar noodzaak bestaat. In dit vertrouwen zal dan de empirische God Zich aan ons onmiddellijk openbaren in de vervulling van onze behoeften en het schenken van alles, wat wij nodig hebben voor het volbrengen van werken in Zijn naam. Verlang van God niet, dat Hij u ter wille van één enkele daad in Zijn naam gesteld, zal vrijwaren voor alle menselijke belevingen en alle mensen tot uw dienaren zullen maken. Overigens is hier indirect sprake van een fout, die menige mens in zijn zoeken naar God maakt, namelijk, “Ik offer mij op voor God. God dient mij dus te belonen naar mijn eisen en inzichten voor hetgeen ik in Zijn naam heb gedaan”. Dergelijke mensen zouden er m.i. beter aan doen een “Vakbond van Volbrengers van Goede Werken” te vormen en God een C.A.O. voor te leggen.

  • Kan de diefstal niet een beproeving zijn, waarbij de reactie bepalend is?

Indien wij de gehele gebeurtenis willen zien als deel van een inwijdingsproces, is het door u gestelde niet onaanvaardbaar. In de praktijk zouden wij kunnen stellen, dat de doorsnee mens niet ingewijd wordt, maar zichzelf inwijdt, daar hij zowel de lering, de beleving, als de toegang van de gekende trede naar een volgende trap zelf tot stand moet brengen. Daaruit volgt dan ook, dat de diefstal misschien wel een beproeving is, maar alleen betekenis heeft, indien zij gepaard gaat met de realisatie, hoe onbelangrijk sommige dingen zijn. Hierbij is de gebeurtenis incidenteel, maar kan zij tot een inwijding worden, wanneer de mens zonder haat en verwijt, de toestand leert aanvaarden en ondanks alles voort blijft gaan in het verwerkelijken van de Goddelijke wil, zoals hij die ziet.

  • Ik weet, hoe in het Salomonszegel de driehoeken door elkaar zijn verstrengeld. Hoe nu met een voorstelling van de door u genoemde driehoeken?

Indien u zich een Salomonszegel voor kunt stellen in een 3-dimensionale uitdrukking en verrijkt met een derde driehoek, hebt u ongeveer het symbool dat bedoeld wordt. De derde driehoek zal dan in de kruising beide andere driehoeken omsluiten. Hiermede komen wij tot de zegelsymboliek, die in vele gevallen alleen redelijk aan de hand van mathematische formules kan worden opgelost. Voor het bedoelde beeld dient de uitkomst van de formule te worden omgezet. Wij verkrijgen dan het heilige vierkant van het getal 10. Dit kan dan weer worden herleid tot een reeks van perioden en lijnen, waardoor wij een statistische uitdrukking vinden voor de scheppende werkingen Gods. Een andere mogelijkheid is het omzetten van het vierkant door het juist gebruik van de oorspronkelijke formule in een melodie. Verder dan dit durf ik hier helaas niet te gaan.

  • U stelt: hulp zal aanwezig zijn op het ogenblik dat iemand een ongeluk krijgt. Kan nu niet worden gesteld, dat iemand pas een ongeluk krijgt, wanneer de hulp passeert?

Het geciteerde heb ik niet gezegd. Uw stelling is onaanvaardbaar, daar hulp eerst mogelijk wordt door het ongeluk. In de kosmos bestaat de wet van causaliteit nu eenmaal. Uw beeld stelt, dat God het ongeluk geregeld heeft, opdat de hulp zou kunnen komen. Dit is niet aanvaardbaar. God heeft zijn wetten gesteld. Deze wetten stellen eerst het ongeluk en als gevolg daarvan de mogelijkheid, maar niet de zekerheid, van hulp. De oorzaak van het ongeluk ligt in het eindige, niet in het eeuwige.

  • U stelt: om God te vinden moet je uitgaan van hetgeen je bent, niet van hetgeen je meent te moeten zijn. U stelt ook dat schuldbewustzijn het contact met God verstoort.

Ik stelde, dat het schuldbewustzijn het contact met God verstoort, tenzij het gepaard gaat, met een pogen de fout te herstellen en de gevolgen op te heffen.

  • Maar wanneer het zijn, zoals je bent, nu juist het schuldbewustzijn veroorzaakt?

Schuldbewustzijn door het “zijn, zoals je bent” kan alleen blijvend worden veroorzaakt door een niet erkennen van de mogelijkheid tot beheersing en herstel. M.a.w.: op het ogenblik, dat men in zich de mogelijkheid tot herstellen van begane fouten en het verbeteren van bepaalde factoren in het ik verwerpt, zal het schuldbewustzijn blijvend worden en een contact met God verhinderen. Bij vele mensen, die menen hiertegen op te kunnen komen, bestaat de feitelijke oorzaak van hun niet slagen erin, de fout zozeer lief te hebben, dat men innerlijk deze niet wil verbeteren.

  • Missie of zending bedrijven, hoe is dat in verband met het door u gezegde?

Indien dit inderdaad in de naam Gods geschiedt zonder een gevoel van meerwaardigheid, of zelfs zelfverheerlijking, zal ook hierdoor veel goeds kunnen worden gedaan. Ik herinner hier aan de uiting van een Chinees staatsman rond 1860. Deze deed veel voor de christenen, die in deze tijd nogal vervolgd werden in China. Men meende, dat deze mens christen zou worden. Zijn antwoord was: “Neen, dit zal ik nooit worden, want deze leer blijft mij vreemd. Maar ik heb de edelheid van de wet erkend in hem, die ons de leer wilde brengen”. De missionaris bereikte hier niet zijn doel anderen tot zijn geloof te bekeren. Hij bereikte een erkennen van gelijkwaardigheid en daarmede een geestelijk contact en een gemeenschappelijke aanvaarding van Goddelijke wetten, die door een overdonderen van eenvoudige zielen en een bekoren van onwetenden zeker nooit tot stand is gekomen. Het blijkt ons dan ook, dat juist de beste missionarissen niet de meeste bekeringen binnen brengen, maar wel de meeste verbeteringen voor de mensheid bereiken. Dat dit geschiedt op grond van een dogma, dat men heeft aanvaard, maakt het streven niet minder goed. Wij mogen niet vergeten, dat velen zich in de missie bewogen met de waan: Ik ben beter dan gij en bevoorrecht, want ik ken de waarheid en ik heb de macht. Het zijn zulken die aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de conflicten, die onder meer in Afrika rijzen en voordien ook in sommige delen van Azië waren gerezen. Deze zendelingen komen tot een vereenzelvigen van hun ik met de God, Die zij prediken. De God is voor hen niet meer of minder dan een weerkaatsing van eigen wezen en geloof. Zij kunnen hierdoor niet tot een werkelijke Godsbeleving komen. Door dit gebrek zijn zij niet in staat harmonische waarden bij anderen te wekken en zo een aanvaarding van de Goddelijke wil, of een uitbreiding van de Godsaanvaarding op aarde tot stand te brengen.

  • Zij kunnen zich hiertoe dan toch geroepen gevoelen?

Inderdaad, die roeping komt voort uit eigen Gods-erkennen, of de behoefte uitverkorene te zijn. Daarbij is men over het algemeen geneigd zo disciplinair te denken – een menselijke fout – dat men het eigen Gods-erkennen ondergeschikt maakt aan de dogmata van anderen, ofschoon zij voor het Ik geen, of slechts zeer beperkte betekenis hebben. Overigens heeft niet een ieder in de missie “roeping”. Bekend is bijvoorbeeld dat onder bepaalde omstandigheden priesters bij wijze van straf naar de missiegebieden werden verzet.

  • Wat verstaat u onder “God aanvaarden”?

Je niet verzetten tegen de Goddelijke wil. Waar de eigen vermogens te kort schieten, weet men, dat een hogere wil aanwezig is. Deze wil dient men te allen tijde te accepteren.

Verder versta ik onder God aanvaarden in meer geestelijke zin. “Niet ik, o Heer, doch Gij; en indien dit Uw wil is, door mij.” Ik hoop dat u deze inzichten niet zult beschouwen als een vaststaande leer, maar zult willen zien als iets wat een innerlijke overweging waard is, zodat u misschien ook hierdoor geleid kunt worden tot een juister omschrijving van uw God en een juister erkennen van de voor u juiste weg om die God te benaderen.

Esoterie.

Op deze bijeenkomst wil ik trachten de esoterie een weinig te illustreren. Wanneer wij zoeken naar innerlijke kennis en geestelijke waarheid, ontmoeten wij vaak vreemde problemen. Een van de belangrijkste daarvan vinden wij terug in oen oud-Indisch verhaal.

Er was eens een held. Waarom hij een held was, weet ik niet, misschien wel, omdat hij gehuwd was. In ieder geval was hij een held en trok uit om draken te verslaan, monsters te doden en jonkvrouwen te bevrijden. Al snel werd hij zeer beroemd en hij was trots op de reputatie, die hij had verworven. Zelfs toen hij huiswaarts was gekeerd en weer in rust leefde, kwam men tot hem wanneer een monster of tijger de mensen lastig viel. Vaak trok hij dan met een eenvoudige bamboelans de rimboe in om later terug te keren met de huid van de gedode menseneter. Zo trots was de held, dat hij beweerde voor niets bevreesd te zijn.

Een bekend wijsgeer hoorde hiervan en besloot hem op de proef te stellen. Dus zond hij hem een uitnodiging om in een rotstempel een monster te verslaan, dat zich daar reeds lang verborgen hield. De held ging gewapend met een kort zwaard, pijlen en korte boog, en hij sloop de duistere tempel binnen. Voorzichtig verschool hij zich achter stenen, bewoog zich van beeld tot beeld; een schemer van licht trof zijn oog. Zijn zwaard bereid houdende, trok hij het kleine gangetje binnen en zag voor zich een verschrikkelijk monster, dat een zwaard in de hand droeg, een boog over de schouder en op de rug een koker met pijlen. De ogen fonkelden moorddadig. Vreemd vertrok zich de grote mond. Toen vluchtte de held voor het monster, dat een spiegel was.

De symboliek van het verhaal zal u wel duidelijk zijn. Wanneer wij in de esoterie binnen dringen, zijn wij al snel bevrijd van onze angsten. Dood en duivel bergen voor ons geen vrees meer. Wij geloven in een voortbestaan, in een eeuwig leven. Zelfs een duivel zal – zo hij al bestaat – zeker de klauwen van ons aflaten, wanneer wij maar steeds het goede doen. Dan wordt ons leven gemakkelijker, wij erkennen een taak. Ons bestaan heeft zin, men vraagt ons om raad. Wij zijn a.h.w. ook helden. Maar wanneer wij dan in de geheime tempel van ons eigen wezen binnen dringen en daar opeens geconfronteerd worden met de werkelijkheid van ons wezen, vluchten wij ook meestal. Een mens is altijd weer bang zichzelf te zien, zoals hij is. Per slot van rekening: zolang het uiterlijk getoond wordt, zolang je alleen het beeld hoeft te zien, dat je andere mensen voor goochelt, ben je nog wel aanvaardbaar, maar als alle verborgen gedachten opeens naar voren treden en de wijze, waarop je de wereld in feite beleeft, wordt geopenbaard, schrik je voor jezelf. Dan erken je, dat de wapenen, die je zogenaamd alleen voor het goede gebruikt, meestal in hoofdzaak gebruikt worden om je eigen geestelijke zekerheid te handhaven. Het beeld, wat je ziet, is waarlijk een monster. Toch zullen wij dit monsterlijke beeld van ons ik moeten aanvaarden, anders zullen wij niets van ons leven en wezen kunnen verbeteren. Het is zo gemakkelijk je eigen fouten over het hoofd te zien, of goed te praten. Toch weet de esotericus in zijn hart heel goed, dat degene, die daaraan eenmaal begint, nooit verder komt, want dan lijkt het onwaarschijnlijke en het onware waar.

Men vertelt, dat de duivel eens in debat met een heilige bewees, dat hij niet alleen beter was dan deze, maar eigenlijk zelfs beter dan God. Ik zal een deel van zijn betoog weergeven, omdat de wijze van betogen veel heeft van de wijze, waarop de mens zijn eigen fouten in deugden weet te veranderen.

De heilige beval de duivel, die ijverig bezig was hem te verleiden: “Jij, vader van de leugen, bron van duister en kwaad, wijk van mij”.

De duivel sprak: “Niet zo haastig, vader. Niet schelden. Ik ben de vader van de leugen niet en ik ben zelfs niet het kwaad. Dat zal ik u bewijzen.”

De heilige liet dit toe, waarop de duivel als volgt sprak: “God is goed. God heeft mij geschapen.

Waar een goede God zeker het kwade niet scheppen kan, moet ik goed zijn. Ik doe natuurlijk wel dingen, die jullie, mensen, niet goed vinden, maar dit is de wil Gods en volgens Gods wil doe ik dus goed. Wat meer is: Waar het de wil Gods is, dat ik de mensen bekoor, zo breng ik hen zeker niet ten verderve, maar voor hen juist tot het goede. En wat die leugens betreft: Ik lieg nooit. Ik zeg de mens alleen, wat zij van mij willen horen om hen zo te confronteren met de waarheid omtrent hun eigen wezen. Kan ik het helpen, dat zij mij daar later voor verantwoordelijk willen maken? Indien ik een ander zijn vrijheid en zijn waarheid laat, lieg ik dan, verleid ik dan? U stelt, dat ik op de wereld gesteld ben om de mensen te verleiden. Indien ik dit niet doe, ben ik door mijn weigeren de wil Gods te volbrengen, kwaad. Als ik de mensen wel verleid, zal ik goed zijn, omdat ik immers getrouwelijk de wil des Vaders volbreng. Wanneer ik de waarheid spreek omtrent de mensen, zijn zij kwaad. Indien ik de waarheid spreek over hun innerlijke wereld en mogelijkheden, noemt men mij een leugenaar en verleider. Is dit niet dwaas? Ik ben goed. Wat meer is: Waar ik de wil Gods geheel volbreng, ben ik beter dan gij”.

Klinkt dit niet bedenkelijk naar de drogredenen, die de mens pleegt te gebruiken, wanneer hij met zijn werkelijke ik wordt geconfronteerd? Men weet heus wel, dat men teveel hecht aan dingen, die onbelangrijk zijn. Maar, zo zegt men onmiddellijk, het is mijn taak te liegen. Zonder deze dingen zou ik niet kunnen leven, dus is het mijn plicht mij daaraan te hechten en er voor te zorgen, dat ik deze dingen nooit verlies. Het is toch dwaas afval te eten, wanneer er ook een goed diner op tafel kan komen. Over de prijs wordt dan maar niet gesproken. De mens spreekt als de duivel in het verhaal en staat onmiddellijk klaar zijn fouten, zijn gebrek aan naastenliefde, goed te praten met een: “Maar God laat toch toe, dat ik het doe, dus is het Gods wil”. Of hij roept uit: “Wanneer ik dit niet doe, doen anderen het. Ik zal het fatsoenlijker doen dan anderen, dus is dit mijn taak in het leven”.

Dergelijke redeneringen zijn grote fouten. Wij zullen er op den duur zelf in gaan geloven en zo het ons zelf onmogelijk maken ooit tot een redelijke zelfkennis te komen. In de esoterie is zelfkennis een zeer belangrijk punt. Een mens die niet in staat is zichzelf te leren kennen, zal geestelijk niet verder kunnen komen. De reden? Wij hebben allen een eigen plaats in de kosmos. Die plaats is van het begin af bepaald. Wij maken deel uit van een groots harmonisch geheel. Dichterlijk gezegd: wij alleen zijn slechts een steentje in het Goddelijk Scheppingsmozaïek. Zolang wij die plaats niet erkend hebben, bevinden wij ons in dezelfde situatie als de dronken man, die zijn naam vergeten was en dus in een telefoonboek ging zoeken om uit te vinden, waar hij eigenlijk woonde. Wij moeten eerst onszelf leren kennen, dan eerst kan ons duidelijk worden, hoe wij op de meest juiste wijze en zo harmonisch mogelijk in het kosmische geheel in kunnen passen. Het kennen van het ik kan nooit alleen worden bepaald door een weten wat je op deze wereld eigenlijk bent. Je bent immers meer dan je anderen kunt, moogt, durft te tonen. De mens is meer dan hij zelfs verstandelijk kan begrijpen of beredeneren.

Een mens is als het geschenk, dat een mandarijn eens schonk aan een zeeman, die hem het leven had gered. De zeeman was eigenlijk verontwaardigd, want de gave scheen alleen te bestaan uit een mooi rood gelakt blokje hout met enkele tekens op de zijkanten. Eerst veel later ontdekte hij, dat het geopend kon worden. In het blokje bevond zich een kleiner blokje, daarin nog een kleiner blokje enz. In het laatste blokje bevond zich een diamant. De zeeman sprak: Welk een vorstelijk geschenk. Hij paste de doosjes weer ineen en bewaarde deze vele jaren.

Toen hij oud was, vertelde hij, zoals zo vaak, het verhaal aan iemand en toonde hem de doosjes. De toehoorder kon de Chinese taal lezen. Hij zette de doosjes in volgorde aaneen, las van het kleinste naar het grootste en sprak: “De mandarijn heeft je meer dan een diamant willen schenken. Deze tekens tezamen betekenen, dat hij je een landgoed heeft geschonken”.

Maar de zeeman was te oud om zijn bezit na die vele jaren nog op te gaan eisen. Zo gaat het ons vaak, wanneer wij tot een geestelijk besef komen. Wij leren onszelf kennen. Op een gegeven ogenblik hebben wij onszelf zover ontleed, dat wij het Goddelijke Licht in ons kunnen beleven. Dan zeggen wij: “Hoe goed heeft God ons bedacht”, maar wij vergeten daarbij, dat elk van onze levens, elk van onze voertuigen, nog een eigen stempel draagt. Dit stempel is als het Chinese letterteken: Een woord. Wanneer wij alle lettertekens, die God in ons heeft vastgelegd, kunnen lezen, dan zien wij, waar wij eigenlijk thuis zijn, welke villa in het vaderhuis ons is toegewezen a.h.w., want niet alleen dit leven op aarde kan bepalen, wat u zijn zult in een hemelrijk, in een eeuwigheid. Uw leven in alle sferen, alle levens tezamen bepalen, wat u bent, wat u in kosmische zin eens bewust zult zijn. Alles tezamen eerst onthult u het werkelijke geheim van uw eigen wezen.

Hieruit volgt, dat je in het begin van je zoeken naar zelfkennis wel eens in de war zult raken. Je gaat meestal allereerst af op hetgeen je stoffelijk van jezelf weet en tracht jezelf stoffelijk zo goed mogelijk te kennen. Indien je daarbij geheel eerlijk bent, vind je misschien reeds het fonkelende juweel van Goddelijk Licht, dat in je verscholen ligt, maar de zin van het leven heb je nog niet verstaan. Dit kun je pas, wanneer de zin en het wezen van elk afzonderlijk voertuig geheel door je begrepen is. De voertuigen, die in de mens verborgen zijn, blijken op elkaar geheel afgestemd te zijn. Zij zijn harmonisch, maar verschillen op een bepaalde manier van elkaar. Over het algemeen geldt voor de voertuigen ongeveer een onderling verschil van trilling van 55,5 . De verschillen zijn nogal groot. Als esotericus leer je soms om bepaald voertuig te activeren, naast het stoffelijk voertuig en de stoffelijke rede krijg je dan te maken met een geest. Dat dit je eigen geest is, besef je nog niet.

Vaak noemt men dit wezen dan ook “meester”, of je denkt, dat het een spook is, dat achter je aanjaagt. Men is er misschien bang voor of ziet het als iets van weinig betekenis. Dit deel van je eigen wezen gaat zich steeds sterker demonstreren. Langzaam maar zeker ontdekt men bij het onderzoek in het Ik, dat men het probleem van deze gemanifesteerde geestelijke kracht heeft gevonden i.p.v. een probleem, dat men volgens stoffelijke rede als een eigen probleem beschouwt. Daar heeft men dan een steeds verder gaande benadering gevonden naar het geestelijke voertuig, dat hierdoor hanteerbaar wordt. Door dit geestelijke voertuig te benaderen, leert men ook, wat men i.v.m. dat voertuig, daarmede moet doen en laten. Dit is niet voldoende. Voor men verder door kan dringen in eigen voertuigen, zal men nog moeten leren beseffen, wat dit voertuig in feite voor eigen leven betekent. Men voegt dan hetgeen omtrent het geestelijk voertuig is gevonden samen met hetgeen stoffelijk reeds omtrent het Ik erkend werd en doet zo een stap verder in de richting van een algehele zelfkennis. Meestal komt een mens op aarde niet verder dan twee, ten hoogste drie voertuigen. Het aantal voertuigen, dat deel uitmaakt van het ik, is veel hoger. Dit is van minder belang, omdat onze innerlijke bewustwording niet afhankelijk is van tijd. Wij hoeven dus niet overmatig haast te hebben. In bepaalde religies hoort men dat wel anders: “Come on, come on, hurry, hurry, the last train is coming, the last train is coming. This little train is going to heaven and there stands the big express to hell”. Dit is een woordelijke herhaling van een stukje preek van een negerpredikant. Het beeld van deze kleine imitatie is veel te simpel gezien. Natuurlijk, er is een smal pad, dat tot het ware innerlijk voert en er is een heel grote weg, die de mens steeds weer tot een meer uiterlijk zoeken en beleven voert.

Het exoterische brengt ons uiteindelijk tot de hel, want de hel, waarover men in vele kerken zo rijkelijk preekt, is niets anders dan de wereld, de vormen, de begeerten die niet esoterisch zijn en geheel onbegrepen blijven. Het ik wordt daardoor gefascineerd en blijft in de uiterlijke beelden gevangen. Het blijft gevangen ook in een voortdurende onbevredigdheid, in een voortdurende strijd, die nutteloos lijkt. Exoterisch is er geen begrip te verkrijgen, dat een werkelijke verklaring van de levensproblemen mogelijk maakt. Alleen esoterisch is de oplossing van alle vragen mogelijk. Ook wanneer wij slechts langzaam en stap voor stap verder gaan op het innerlijke pad, vind je toch steeds weer een ietwat verder gaande verklaring voor de feiten van het bestaan. Hierdoor ben je niet zonder hoop in de strijd gevangen, maar zul je steeds weer verder kunnen gaan. Je hebt de hoop van een verder vrij worden en een steeds verder gaand begrip van de werkelijke betekenis van alle strijd, vorm en begeerte. Het wordt je duidelijk, dat je een kosmisch wezen bent en niet alleen maar een verschijnsel in de tijd, dat zonder meer voorbij zal zijn.

Het is vaak belangrijker de juiste instelling in het leven te bewaren, dan je voort te haasten op het pad der bereiking.

Het was mooi weer buiten de hemelpoort. Petrus had net zijn bloemen begoten, toen hij beneden een man aan zag komen, die telkens, wanneer hij een paar passen had gedaan, bleef staan. Dan haalde hij iets uit zijn zak, duwde dit langs de weg in de grond en bleef zo nu en dan eenvoudig een uurtje rusten.

Petrus mompelde: “Die neemt er ook zijn tijd voor om hier te komen”, zette een stoeltje klaar, nam zijn sleutel en wachtte de vreemde gast op.

Maar de man nam zijn rust, telkens weer. Petrus wond zich steeds meer op en deed zijn beklag bij een paar engelen: “Moet je die eens zien. Dat rust maar, dat prutst maar. Hij denkt zeker, dat ik de hele eeuwigheid heb om op hem te blijven wachten”.

“Dat is toch ook zo”. “Ja, maar dat moet je ze daar beneden vooral niet vertellen, want dan schieten ze helemaal niet meer op.” Hij ergerde zich verder. Twee hemelse dagen duurde het voor de mens bij de hemelpoort was aangekomen. De hemelse dagen duren heel wat langer dan mensendagen. Petrus stond al klaar om eens een flinke strafpredicatie te gaan houden in oude stijl. Om te beginnen sprak hij zo snel mogelijk: “En ziel, wat kom je hier doen?” “Wacht eens even”, antwoordde de ziel rustig. Zij nam een kastanje uit haar zak, duwde hem in de grond en merkte op: “Nu, ik hoop maar, dat die groeit”. Petrus stotterde van woede, toen hij zijn vraag herhaalde. “Ik? Ik wilde graag weten, of ik de hemel binnen mag”.

Of hij wilde of niet Petrus moest zijn plicht doen. Hij zette zijn bril op, nam zijn perkamenten rol met mutaties en verklaarde na lange tijd: “U staat er op. u mag naar binnen, maar realiseert u zich wel, dat u twee hemelse dagen langer in de zaligheid had kunnen zijn?”

“Zeker, maar ik had geen haast.” Petrus was met stomheid geslagen, toen mompelde hij een paar haast vergeten visserstermen, die je alleen buiten de hemel kunt zeggen en gooide met een smak de deur open.

“Wat hebt u dan alzo gedaan die twee hemelse dagen?”

“Ik heb langs de kale en steile weg naar de hemel kastanjes geplant. Ik hoop, dat zij uitkomen.

Elke vier passen heb ik een kastanje geplant. Het nam wel tijd en maakte mij wat moe, maar daarvoor heb ik dan ook rijkelijk gerust. Per slot van rekening, waarom zich haasten? Wat is een dag, zelfs een hemelse dag, op de eeuwigheid. Wanneer er later dan een ziel de steile weg op komt, die zich bewust is van zijn schuld, bang is in het licht reeds een schaduw van de hel te vinden, dan zal deze hopelijk onder de bomen rust vinden, eens even gaan zitten en zo misschien toch nog het argument vinden, waardoor hij bij u, meneer Petrus, naar binnen mag.”

Petrus had eigenlijk de ziel wel naar binnen willen trappen, zo boos was hij over dergelijke – volgens hem – onzinnige praat. Maar gelukkig keek hij eerst eens achter zich. Toen schrok hij wel een beetje, want daar stond Jezus met Jozef en Maria en vele heiligen.

“Neem mij niet kwalijk, Heer”, stamelde Petrus, die wel begreep, dat zijn voornemen niet aan de Meester ontsnapt was.

“Ik kom deze ziel ontvangen”, sprak Jezus. Daarop – en dat gebeurt maar zelden – stapte Hij de hemelpoort uit, omhelsde de ziel en sprak: “Broeder, kom”.

Dat heeft Petrus dagen lang in de war gebracht.

Jozef had uiteindelijk medelijden met hem en is hem de zaak uit gaan leggen. “Want”, zo had Jezus gezegd over de ziel: “Deze ziel is waarlijk wijs. Hij zoekt niet naar de eeuwige zaligheid, maar naar het werkelijke geluk van allen, die hij ontmoet. Daarin vervult hij de wil des Vaders beter dan velen, die naar het hemelrijk snellen om onmiddellijk de Vader eer te mogen gaan bewijzen. Zalig zijn zij, die op al hun wegen schaduw laten voor de vermoeiden, troost voor de bedroefden, licht voor hen, die in het duister zijn.”

Pas dit eens op uzelf toe. Wij hoeven ons heus niet zo te haasten om opeens ingewijd te zijn en binnen te dringen tot in de hoogste sferen. Wij hoeven heus niet zo egoïstisch veel haast te hebben om het koninkrijk der hemelen onmiddellijk te kunnen betreden. Dat komt vanzelf wel. Terwijl wij als esoterici de innerlijke waarheid nastreven, moeten wij voor alles steeds weer blijven beseffen, dat wij één zijn met alle leven. Wij moeten altijd weer, ook wanneer misschien een bereiking ons lokt, de tijd hebben om anderen mede te laten delen van ons weten en de krachten in ons wezen. Anderen hebben ook recht op de vruchten van ons leven, streven en denken. Alleen in de uitdrukking van waarlijk kosmische broederschap kunnen wij de ware bewustwording vinden. Dan zal er misschien voor ons geen hekje zijn, waarachter de hemel ligt, zoals dit primitief in het verhaal werd voorgesteld. Wat er wel zal zijn: een contact met de grote Meester en meer nog, een erkennen van het kosmische scheppingsplan zelf, een erkennen van de Schepper en het met zekerheid weten: Zo is het goed te zijn….

Overigens moet ik wel eens lachen, wanneer ik de wereld zo druk bezig zie. Neem bv. het verhaal van Jezus bezoek bij Maria en Martha. Velen hebben daaruit onmiddellijk de conclusie getrokken, dat het zaliger is aan de voeten van een Meester te zitten dan te werken. Maar nergens staat geschreven, dat Martha de mindere was van Maria. Toch vinden vele mensen het gemakkelijker om maar te doen, alsof dit het geval was. Want zo kunnen de haastigen, die zo naar de hemel verlangen, tenminste zelf ook blijven zitten. Hoe ligt de ware verhouding? In dit geval was het de taak van Martha te dienen en het huis te verzorgen. Pas als zij daarmee klaar was, kon ook zij aan de voeten des Meesters zitten. Haar verwijten aan Maria komen dan ook voort uit het feit, dat zij haar taak sneller beëindigd wil zien, niet uit een plichtsverzaking of het nietsdoen, van Maria. Er zijn mensen, die steeds weer vechten over de noodzakelijke beleving, die voert naar de eeuwige zaligheid. Zonder enig weten pluizen zij op hun wijze de kosmische geheimen na en willen u voorlichten over alle dingen tot over het onbegrijpelijke toe. Indien u van hen om daden vraagt, zo heet het: Ik ben bezig naar hogere stemmen te luisteren… . Zo vermijden zij het te moeten handelen. Is het niet juist voor de mens, die een ware innerlijke bewustwording door wil maken, dat hij ook moet weten te handelen?

De mens heeft een taak, waar hij overigens wel eens bezwaren tegen maakt. Hij moet die taak toch vervullen. Daar vanaf komen kan hij niet. Vaak lijkt hem die taak minderwaardig, of meent, dat dit voor hem niet deugt. Hij verzet zich dan en droomt nu, in plaats van een innerlijk doordringen in zichzelf te bereiken, van een zich voortbewegen in allerlei mooie geestelijke gewaden, verheven liederen en witte hemden met goudboordsel. Overigens zijn er zelfs betere couturiers over gegaan naar betere sferen.

Ik begrijp niet goed, waarom zo velen zich steeds weer schijnen voor te stellen, dat allen, die in het eeuwige Licht vertoeven, met soephemden en gouden zomen rondlopen. De voorstelling is niet belangrijk. Belangrijker is het, dat de zaak van de eeuwigheid en de bewustwording redelijk wordt bezien. Meent u niet, dat wij door de ons opgelegde taak in de eerste plaats goed te vervullen, daar niet veel verder mee zullen komen dan door een daadloos voortdurend zoeken naar wijsheid? Het is goed te leren, maar alleen wanneer het daarvoor de tijd is. Het is goed je eens een ogenblik van de wereld af te sluiten en in jezelf naar Licht te zoeken. Maar als daarbuiten nu een mens verhongert, iemand verongelukt, of een mens troost nodig heeft, wanneer een wanhopige troost nodig heeft, hebben wij dan het recht ons van de wereld af te sluiten?

Ook dit moet de esotericus zich steeds weer afvragen: Is het tijd om in afgeslotenheid voor mijzelf te streven, of heeft de mensheid mij nodig? Het schijnt ons misschien vaak, dat de wereld wel even kan wachten, maar in de meeste gevallen is hier de wens de vader van de gedachte. De ware esoterie bestaat niet uit een zich afsluiten van de wereld, maar uit een leven met, in en door de wereld, terwijl je innerlijk durft te grijpen naar de God, Die je helpt. Je taak is, naast het vervullen van je stoffelijke taak, steeds meer geestelijk Licht te verwerven, steeds beter te begrijpen, waarom je in het leven staat en wat je in dat leven voor anderen kunt en moet doen.

In het vervullen van je plicht vind je Licht en kun je Licht voor anderen zijn, maar op geen enkele andere wijze. Toch moeten wij bij de plichtvervulling voorzichtig zijn. Want er zijn mensen, die zich een geestelijke plicht toe-eigenen, omdat zij zonder dit zo onbelangrijk zouden zijn, een zo leeg leven zouden hebben. Daarin schuilt vaak een groot gevaar.

Tracht de werkelijkheid te kennen en tracht in die werkelijkheid te leven, dan alleen zult gij waarlijk uw taak kennen en uw leven kunnen maken tot een Licht. Als afscheid enkele woorden van de negerprediker: “Be quick, be quick, get in, get in, this is the little train to heaven. Take with you verity, truth and hope, for this is the way to travel to heaven…”

Laat waarheid, eerlijkheid, hoop en vertrouwen u vergezellen in het leven en begin nu, want er is maar weinig tijd. Wie zijn taak vervult tot in het kleine, zal juist daardoor het innerlijk geloof, de grote waarheid en de heerlijkheid Gods in zich kennen.

image_pdf