En de zesde dag schiep God de mens

5 oktober 1956

In de eerste plaats natuurlijk het gebruikelijke. U weet, wij zijn niet onfeilbaar, noch alwetend en wij hopen, dat u daarmede rekening houdt.

U zult zich herinneren, dat wij de vorige maal hebben gesproken over hetgeen: In den beginne geweest moet zijn. Het tweede onderwerp. betekent ongetwijfeld een zekere sprong. Want de kosmische ontwikkeling verder volgen zou ons moeten voeren tot technische beschouwingen, die naar ik meen op een bijeenkomst als deze, eigenlijk minder op hun plaats zijn. Daarom zou ik als hoofd deze keer voor mijn lezing willen nemen: en de zesde dag schiep God de mens.

Vóór de mens is het Al geschapen. Het Al bestaat dus volledig met al zijn vormen. Een ontwikkeling van een ongekend aantal jaren. Een ontwikkeling, waarin reeds werelden zijn opgekomen en ondergegaan. Voor de aarde tellen dezen niet mee. Er zijn perioden geweest van reptielen met hun eigenaardige grote rugvliezen, die leefden – niet alleen door voedsel – maar ook door bepaalde krachten, die zij via dit rugvlies, deze grote vin, onttrokken aan de omgeving. Daarna zien wij de ontwikkeling van allerhande dieren, naast de grote sauriërs zien wij de vreemde sabeltandtijger en evenzeer zijn kleinere collega, de kat. Wij zien de voorvader van het paard opdoemen en vervormen. Wij zien de eerste honden, jakhalsachtig, rond jakkeren in gebieden, die gedeeltelijk grote poesta, gedeeltelijk nog wouden met zeer veel primitieve vormen van bomen en varenbomen zijn.

Rond deze tijd. gaat dan de ontwikkeling verder, de ontwikkeling, die voor ons belangrijk is: de ontwikkeling van de mens.

In één wezen ontwaakt een bewustzijn. Niet een bewustzijn van de omgeving, of van de natuur. Dat hebben alle dieren. Niet alleen een bewustzijn van eigen noden en behoeften, van eigen verlangens, maar van de mogelijkheid om gebruik te maken van de natuur.

Voor het eerst staat een wezen op, dat zich gaat bewegen langs lijnen van overdacht beleid. Ach, het is misschien een heel klein begin. Een mens werpt een steen. Of moet ik zeggen: een dier? Want tussen mens en dier is de scheidslijn nog niet scherpt. Maar het bewustzijn, dat hieruit voortvloeit zal het zijn, dat zo dadelijk de mens maakt tot de koning der Schepping. Andere bewustere vormen zijn allang van de aarde verdwenen. de mens heeft het rijk alleen. Kan die mens op dat ogenblik reeds werkelijk al mens zijn? Dus zelfstandig zijn? Neen! Het dierlijk instinkt, dat hen geleid, is nog zo sterk, dat hij onderdanig is aan wat wij noemen ras- of groepsgeest. U zoudt het ongetwijfeld moderner uitdrukken door te zeggen: dat het Groepsbewustzijn, het individuele bewustzijn, bij deze wezens nog geheel overheersen. Dat komt op hetzelfde neer.

Deze wezens moeten dus zoeken naar een contact met het Eeuwige. Dat contact wordt geboren uit een steeds scherper omschreven besef van leidende invloeden uit een onzichtbare wereld. Ergens op een open plek in een bos komen primitieve wezens samen. Wanneer de zon een ogenblik piekt door het zware wolkendek, dan. vallen zij in aanbidding neer. In de nacht produceren zij de eigenaardige holle geluiden van hun ritmische zangen en onder gestamp gaan zij rond een heuveltje. In deze eigenaardige bezetenheid ontstaat een lichtschijnsel, naar zij menen, dat het tot hen spreekt. Er komen priesters. Het vreemde, van dit beginnend menselijk ras is, dat het reeds onmiddellijk gezocht heeft naar iemand, die contact kan leggen tussen het ik en het onverstane geweld der natuur.

Hoe leven deze geesten? Zij kunnen nog niet tot de volle ontplooiing komen van een geestelijk bewustzijn bv. in een Zomerland. Daarvoor is hun bewustzijn niet groot genoeg. Zij kunnen een tijdlang ronddwalen in een astrale wereld, maar zij zijn nog lang niet in staat om zichzelf geheel als meester van het eigen voorstellingsvermogen te bewegen in nieuwe werelden en daaraan een zelfstandige waardering te geven. Hun wereld is nog niet in staat om een bewustzijn in een nieuwe wereld op te bouwen met onderlinge contacten in een vaste vorm en harmonie. Zo is het hier een voortdurend wisselen van de geest. Nauwelijks is zij van de wereld verdwenen, of zij vervaagt in een slaaptoestand om ontwakend onmiddellijk tot de stof terug te keren. Steeds sterker komt een bewustzijn: Er is een ander leven. Vreemde, vage herinneringen blijven voortbestaan. Er moet ergens een astraal leven zijn geweest en een duisternis. Er moet ergens een beschutting zijn geweest, waarin men, geborgen, kon insluipen.

De eerste priesters vertellen hun sagen en legenden. Primitief, eerder voorgesteld in een soort dansvorm, dan zo verteld in de zin van woorden, want veel woorden kent men nog niet. Het gebaar wordt uit drukking en als een van de eerste instrumenten ontwikkelt de mens een primitieve trom een stuk schors, een platte steen, een blokje slaat op een andere steen, of een stuk hout. Waanzinnige dansen, trommelritmen, stemmen, die spreken uit geheimzinnige vuren, priesters, die neervallen, verkrampt en verstijfd, zoals thans de Voodoopriesters nog doen. Vreemde, behaarde gestalten, die nog niet geleerd hebben zich te kleden, of te beschermen. Maar geesten, die zich steeds scherper bewust worden van de mogelijkheid tot leven. De menselijke geest, die zich steeds menselijker gaat gevoelen, niet als onderdanig deel van zijn omgeving, maar als een macht buiten die omgeving. Een macht, die zich verzetten kan. De eerste wapens worden geboren. De eerste beschutting wordt gezocht tegen de elementen. Nu niet alleen maar in natuurlijke holen, die toevallig aanwezig zijn. De mens zoekt zichzelf woningen en richt ze zelf primitief in. Het tijdperk is dat der Hyperboreeën geworden. Primitieve volkeren, vreemde mensvormen. Grote mensen, ontzaggelijk groot en sterk, die de maan aanbidden, die slavenvolkeren voor zich uit jagen. Veroveraars. Jagers. Menselijke slaven, die de banden der slavernij weten te verbreken, wegvluchtend, maar het geleerde omtrent bouwen, omtrent zich beschermen en verdedigen gebruiken, nu misschien wel voor het eerst. Zij weten menselijke stammen te vormen, die een defensieve gemeenschap zijn. Voor het eerst zien wij het collectief jagen optreden.

Het collectief optreden van deze groepen, het nu overlegd in kudde verband optreden, is belangrijker, dan gij misschien wel denkt. Voor deze tijd waren enkele behoefteklanken voldoende; was een zeer primitieve vocabulaire meer dan men eigenlijk verlangde. Maar nu begint men langzaam naar zeker toch ingewikkelder werkzaamheden. Gezamenlijk valt men reuzen aan, die hij elk voor zich nooit zou kunnen overwinnen. De grote monsters van de oertijd, die langzaam reeds beginnen uit te sterven, vallen als slachtoffers van deze primitieve nietige mensen. Drijfjachten weten zij te houden, hinderlagen leggen zij gezamenlijk en gezamenlijk bouwen zij grote steenlawines op, waaronder het begeerde vlees bedolven zal worden, opdat het sterft. Daarvoor is het nodig, dat men elkaar leert aanvoelen en begrijpen. De voorstellingswereld moet verder gaan dan alleen naar de omgeving en de natuurlijke reactie. Men moet weten, wat een ander zal doen. Men moet op hen kunnen vertrouwen. De menselijke geest groeit op tot een gemeenschapszin. Het is het begin van het ontwaken van het menselijk bewustzijn. Verder en verder gaat de tijd. De jagers gebruiken nu reeds primitieve lansen. Knuppels. Ja, de eerste werktuigen van steen, beginnen nu reeds de eerste, houten werktuigen te vervangen. Dan wordt er een nieuwe ras geboren. Er zijn vreemde dingen gebeurd op deze wereld. Men spreekt van lichtende gedaanten, die over die wereld zijn gegaan, die hen het gebruik van vuur hebben geleerd, van wezens, die vertelden, hoe je moet jagen. Priesters zingen in een geheimzinnige taal, die zij zelf niet begrijpen. De hele wereld met al zijn kleine, ver van elkaar gescheiden stammen, vol van geruchten. Is er iets gebeurd? Er is een vuur over de wereld gegaan, dat is zeker. De zon is doorgebroken en langzaam naar zeker zijn de wolken niet meer een vaag gordijn, dat voortdurend alle licht wegfiltert tot een grauwe schemering.

Er komt licht en daarmede voor het eerst: de nieuwe mens. De nieuwe mens, die in zijn gemeenschap tot leider wordt, omdat hij snel denkt. Vanuit de geest gezien zouden wij kunnen zeggen: het bewustzijn, dat verworven werd in een premenselijk bestaan eist nu een uiting, waarbij men heersen kan. De nieuwe vorm is homo sapiens. De vele tussenvormen verbleken al heel gauw. Zij vervagen. De homo sapiens betreedt de wereld méér dan 100.000 jaren vóór deze tijd. 80.000 jaren is het geleden, dat de eerste jagers net hun wapenen uittrokken. Langere tijd dan de geest nodig heeft om zich een beeld te vormen van een wereld, waarin je zelf deel bent, waarin je meester kunt zijn en toch afhankelijk. Zo wordt dan in homo sapiens de geest geboren, die het gedachteproces voor de daad stelt. Die de bewuste reactie in de plaats gaat stellen van het instinctief reageren en achteraf pogen een rationele uitleg te geven. Zeer belangrijk in de ontwikkeling van de geest. Want waren er eens de groepsgeesten, waren zij eens de meesters, word alles, wat die mens deed uiteindelijk bepaald door het gemeenschappelijk bewustzijn. Nu in deze eerste vonk van werkelijk menselijk ontwaken, maakt de mens zich vrij van de gemeenschap. Vrij, omdat hij zelfstandig kan zijn. Hij vraagt niet meer: Is het tijd om te jagen, of: Is het tijd om te paren? Hij zegt; Dit is mijn wens, dit is mijn mogelijkheid, dit is mijn handeling.

Van nu af aan kan de mens leven in eeuwige jachtvelden. Ook nog een primitief beeld. Geen hemel, maar een wereld op de wereld, die de mens reeds kent. Een wereld, waarin je strijden kunt en jagen, waarin altijd jachtbuit is en waarin je nooit sterft. Een primitieve wereld. Het begin van een wereldbeschouwing, die uiteindelijk het beeld op zal bouwen van Chronos, de Eeuwige, die uit zich de goden baart. Het verhaal van de alverslinder, die alle licht eens in zich hoeft genomen en stuk voor stuk de sterren uit moet braken. Uit deze tijd stamt het. Wanneer de mens zich buiten de gemeenschap stelt, dan heeft hij een verklaring nodig voor zijn eigen daden. Hij moet niet slechts voor zichzelf, maar ook voor anderen, zijn handelen aannemelijk maken. Dat hij dit doet op echt menselijke manier met grof geweld, is begrijpelijk. Uiteindelijk is het geweld thans nog het machtsmiddel, zij het, dat met meer finesses wordt toegepast dan vroeger. Die mens leert geheimen ontcijferen. De natuur openbaart zich meer en meer. Deze primitieve mens leert wat geluidsgolven doen. Hij leert het supersonisch geluid op te wekken net een primitieve slinger. Later met steeds ingewikkelder apparaten. Hij leert ook reeds in deze tijd het geheim van de magneetsteen kennen en de eigenschappen van houtsoorten, die licht zijn en waaruit je boten en vlotten kunt maken. Zo dadelijk zullen degenen onder hen, die het verst zijn gevorderd met deze ontwikkeling, het eerste ras van Atlantis vormen. Er liggen tussenfasen. Terwijl gelijk nog de laatste slavenvolkeren wegtrekken rond de Grote Oceaan, begint het eerste bewuste leven, begint de eerste bewuste beschaving zich te ontplooien, wat u noemt: Atlantis.

Een legende? Neen! Een toestand van de mensheid. Vergeet niet: deze mens is nog zo dicht bij het groepsbewustzijn. Hij is nog zo ingesteld op het ontvangen van geestelijke impulsen van buiten af. De natuur spreekt tot hen. En in de natuur spreken tot hen geestelijke krachten, die sedertdien voor de mensheid hun stemmen hebben verloren, zodat de mensen hen niet meer hoorden. Zo is het mogelijk, dat zij verder en verder komen. De oude legenden vertellen ons, hoe telkenmale weer lichtende figuren komen, hoe telkens weer lichtende krachten zich vertonen op deze wereld in menselijke vormen en weg te varen in een voertuig van vuur, of plotseling te verdwijnen, zonder dat men weet waarheen, of om misschien langzaam te sterven in eenzaamheid. Prometheus heeft het vuur gebracht, Osiris het licht en de wet. Ach, grote figuren, mensen, of vorsten der mensen. Maar de mens heeft meer geleerd van hen. Hij weet, hoe hij terug kan keren tot de oerschoot der natuur, waarin de stemmen van alle sferen spreken. Hij heeft geleerd zich open te stellen voor de symbolen, die de kosmos afdrukt van al, wat er in leeft en zo de harmonische verhoudingen in eigen omgeving te doorzien. Is het een wonder, dat in de plaats van de woest trommelende primitieve priester, die niets meer is dan een verscheurend dier, dat in een roes een ogenblik de geest over zich voelt komen, komt de eerste denker, de eerste filosoof? Er wordt een rijk opgebouwd, een machtig rijk. De kleine nederzettingen en rotsholen zijn nog lang, nog zeer lang, gewichtig voor de eigen bewoners, wanneer reeds huizen rijzen op een eilandenrijk. Tekeningen in de rotsholen zijn nog primitieve lijnen, wanneer de eerste smeden kunstzinnig filigrainwerk maken, een geheimzinnige koper-goudlegering gebruiken en het eerste brons. De mens zoekt verder, verder, verder, naar een ik-heid, naar een persoonlijkheid. Maar in dit zoeken naar zichzelf vergeet hij de wereld. Toch is alles één. De mens kan niet leven, zonder de aarde, die hen draagt, zonder de lucht, die rond hen is. De bomen helpen hen om een woning te vinden en voedsel. Zij dragen hen over de wateren. De mens beseft het niet meer. Groot en machtig ben ik, zegt hij. Wie is er, die mij zal verderven? Wanneer het ongeluk hem dan grijpt, dan fluistert hij niet meer: Ik heb de harmonie der natuur verstoord, dan zegt hij: De goden en demonen en valt neer voor een beeld en hij bidt, omdat hij niet beter meer weet. Er zijn er in die tijd, die het ware bewustzijn behouden hebben. Zoals er voor die tijd volkeren waren, die grote wijsheid bereikten en uitgingen door de wereld. Niet – let wel – om te heersen, of te regeren; om het bewustzijn, dat zij hadden verworven te zien voortleven, omdat hun eigen geestelijke bereiking niet uit zou sterven in een Al, dat ledig leek te worden.

De witte magiër treedt op. Meer dan alle anderen leert hij zijn persoonlijkheid te onderwerpen aan de krachten der natuur. Meer dan alle anderen leert hij zichzelf te beheersen, opdat hij geen slachtoffer wordt van de natuur. Door hen spreken nu de stemmen, uit hen voltrekken zich nu de wonderen. Zich hoog oprichtend weet hij door geluid, door kracht, door plaatsing in de omgeving zich de volheid van kosmische stralen te nemen en zich op te laden, tot hij in staat is de wolken te verdrijven met een enkel gebaar tot zijn hand voldoende is om een wond te helen, tot zijn ogen ver doordringen buiten hetgeen het normaal menselijk oog ziet. Wanneer er behoefte is aan metaal, dan ziet men het metaal. De ogen dringen door de korst der aarde heen en zeggen: Ziet, graaft hier. Dan komt het metaal. Wanneer er een ziekte komt en men kent ze niet, sluiten zich de ogen. Het geestelijk vermogen, harmonisch met de patiënt, tast af, spier na spier, weefsel na weefsel, ader na ader. Hij zegt: “Hier is een fout”. Hij is misschien niet in staat om het geneesmiddel stoffelijk te vinden, grijpt uit naar de uitende kracht en vernietigt de kwaal en redt de patiënt. Men heeft hier wel eens gedacht, dat Egypte groot was, omdat de priesters daar een trepanatie dorsten uit te voeren, ook al was dit dan vaak fataal. Ik zeg u: voor die tijd hebben er mensen geleefd, die het niet nodig hadden hun schedelpan van de hersens te rukken om daarin in te grijpen, die hadden het niet nodig met een knarsende boor een bot te verwijderen. Een geest greep uit met volle kracht, tot zij geladen waren met het kosmisch vermogen. Dezen waren de eersten, die betraden, wat thans heet, het hoge Zomerland. Voor hen bleef de wereld voortbestaan, want de stemmen, die zij in zichzelf hadden gevoed en die wereld, klonken door tot na de dood. De beelden, die zij zich hadden gevormd in overeenstemming met indrukken, die van buiten op hen afkwamen, wekken in hen diezelfde voorstelling. Geen jachtgebied meer. Geen eentonigheid van wereld, naar een harmonie opgebouwd uit het wereldbeeld. Een voleinding, van wat bij de mensen een grove ontwikkeling is, omdat de gedachten vooruit zijn gesneld, een perfecte invloed uit het licht een nieuw beeld werd, beter en schoner dan ooit tevoren, aanschouwd of gedaan.

De menselijke geest verbreekt in de witmagiër zijn duistere kluisters. Vrij is de mens. Hij leert van zijn gedachten een wapen te maken, een wapen om op te gaan naar hogere sferen, maar ook om zich af te sluiten van de hele wereld en meester te worden over stof, die teloor gaat. Atlantis tweede ras toont ons, hoe de mensheid een geestelijk duister leert begrijpen en wat erger is: ondergaat. Er zijn vele rassen geweest in Atlantis, Zeven cycli van ontwikkeling zijn er weggespoeld over dit land. Zeven keer veranderde het volk zijn aard. Zeven keer kwam er nieuw licht. Zeven keer kwam er duisternis. Zo is het altijd in het leven. Wat zal ik nog veel spreken over dit volk? Is het niet voldoende, dat zij de krachten der natuur ontketenden, dat zij de vulkanen vuur deden braken, dat zij verterende vlammen wierpen en een vijand ten onder te brengen en zelf ten ondergingen. Dat zij de atmosfeer aantastten, de vreemde werkingen en velden, dat zij demonische beelden uitzonden over de wereld en magische kristallen en hun geconcentreerde gedachten. Toen verdween die beschaving. Wat overbleef? De wilde volkeren, die ternauwernood de holentijd ontwassen waren. De natuur is verstoord. De mens vlucht terug in de holen. De Heer der Wereld verdwijnt. Dat is een oude legende. De vorst, die in deze dagen met alle wijsheid der witmagiërs zich terugtrekt in onderaardse holen en nooit meer tevoorschijn komt met zijn volk. En volgens de legende wegbleef.

Er zit een basis van werkelijkheid in. Het is niet zo maar een verhaal. Er zijn er gevlucht in de diepste duisternis. Maar alleen enkelen van de slaven kwamen weer te voorschijn. Het begin van uw eigen wereld. Het begin van de menselijke geest, die thans voor zichzelf verantwoordelijk is en de leiding ontbeert van hen, die één waren met de kosmos. Langzaam verliest de mens al wat zijn gedachten veredelde. De tekeningen in de holen worden grover van lijnen, armer van kleur. Onregelmatiger wordt de jacht. Bijgeloviger de praktijk van degenen, die ongeziene machten willen dwingen. Maar geen ondergang van de menselijke geest. Juist in deze teruggang in deze reeks van rampen, die de wereld treft, in dit kantelen van de aardas, daarin ligt het begin, van wat gij thans “mensheid” noemt. Dit is dan zo de geschiedenis, die ik u zo vandaag vertellen moet. Een geschiedenis misschien, die velen uwer te schetsmatig is en anderen te melodramatisch, te weinig op feiten gebaseerd. Maar de werkelijkheid is vaak melodramatisch. De feiten, waarop gij u zoudt willen baseren, liggen gedeeltelijk op de bodem van de oceaan, zijn gedeeltelijk onder het ijs verdwenen met de laatste kudden der reuzendieren in het noorden, liggen gedeeltelijk verborgen onder een eeuwige ijslaag in het zuiden. Lang geleden is dat alles gebeurd. Zo lang, dat er weinig is over gebleven. Maar bestaan heeft het. Het is voor ons een les: Wanneer de mens de eenheid met de mens, de eenheid met de natuur, de krachten der geest verwerpt, dan brengt de mens het eeuwige conflict tussen ik en wereld teweeg.

Atlantis ging niet onder, omdat men de magische krachten kende, maar omdat men ze tegen de wereld voor zichzelf wilde gebruiken. De mensheid had op dit ogenblik zijn weg naar de sterren allang gevonden kunnen hebben. De mensheid zou thans, reeds voleind kunnen zijn wanneer de mens de eenheid niet verworpen had. Maar de mens heeft die eenheid verworpen. Hij heeft gezegd: Dit is van mij. Dat gaat jou niets aan. Hij heeft 1000 keren geroepen, tegen ieder, die het horen wilde: ik en nooit er meer bij gedacht aan alle anderen. Het is een les, die bitter is geweest voor de mensheid. Een les, die nu nog geschreven staat in het kosmisch geheugen, zo scherp, dat niemand tot bewustzijn kan komen zonder ook deze les te moeten ondergaan, zonder ook deze in felheid, als een plotselinge verrassing, als een golf van haat en ontsteltenis over de verte te doen spoelen. Een miljoen jaren van de geschiedenis dezer wereld. Een miljoen jaren van ontwikkeling, van terugval. Een deel ervan heb ik u geschetst. En waarom? Omdat de grote geestelijke krachten, die alles regeren, de grote vermogens, die hun invloed doen gelden, ook op deze wereld, wel samen met de mens willen gaan, maar wanneer de mens zegt: Zonder u, hen terugdringen naar de ondergang en de vernietiging. Dit zijn de feiten. Eén dienen wij te zijn volgens ons eigen bewustzijn. Er is geen grens. Gij kunt niet zeggen: Tot zover ben ik gerechtvaardigd onzelfzuchtig te zijn, tot zover ben ik gerechtvaardigd om mijzelf te roemen en daar moet ik anderen erkennen. Die grens wordt altijd door de mens zelf gesteld. Wanneer hij dit doet, dan schuift hij hen steeds een eindje op, steeds meer ik, hoe minder wereld. Dat moet omgekeerd zijn. Steeds meer wereld en steeds minder ik. Wanneer deze wereld verder gaat, zoals zij thans gaat, dan zal de mensheid weer het vernietigende vuur wekken. Op het ogenblik zijn er weer verschillende laboratoria, die aan de opheffing der graviditeit werken. Men neemt proeven met wapens, die gevaarlijker zijn en ook demonischer dan ooit een H-bom zou kunnen zijn.

Het is alles nog in het begin stadium. Maar als de mens, met deze machtsmiddelen in handen blijft zeggen ik, i.p.v. te zeggen: mensheid, dan gebeurt weer precies hetzelfde. Dan zullen misschien uw nakomelingen in een verre toekomst weer roffelend op primitieve trommels omhoog kijken naar de maan. Zij spreken van demonen, die wonen in het hout, die baden in de rivier, die drijven in de nevels van de avond. Denk niet, dat ik pessimistisch ben. Het is meermalen gebeurd in de geschiedenis van deze wereld, dat een bewustzijn zo onderging. Wat is de oorzaak geweest? Een weigerende eenheid met het Grote te aanvaarden, een weigerende kracht te gebruiken, die gegeven worden ten goede en een pogen om datgene, wat men bereikt heeft voor vernietiging te gebruiken.

Dit is mijn lezing. Niet veel misschien. Maar ik geloof toch tot overpeinzing stemt. Eenheid ontstaan in de kosmos, eeuwige gebondenheid tussen het lichtend bewustzijn, dat in de sterren woont en de primitieve mens, die op aarde leeft. Eenheid tussen alle sferen. Dat is de werkelijkheid. Voor degene, die die werkelijkheid verwerpt: ondergang en eenzaamheid.

  • Ik wilde u iets vragen over het hyperboreesche ras. Stonden dezen al onder leiding van een groepsgeest?(Ja). Is de homo sapiens identiek net de Lemuren?

U kunt de homo sapiens gelijk stellen met het Lemurisch tijdperk.

  • U had het over de mens, die van de eeuwige jachtvelden droomde en later over het Zomerland. Waar zijn de Scheppers van dat Zomerland? Zou de toekomstige mens met zijn veel grotere technische ontwikkeling ook een veel technischer Zomerland scheppen?

Tegenwoordig is er in het Zomerland ook al treinverkeer, automobielen, en zelfs luchtvaart. Kijk eens. Ik zal proberen het u duidelijk te maken in een paar woorden. In de kosmos is alles harmonisch. Maar ons eigen begripsvermogen kan het harmonische slechts in overeenstemming brengen met de beelden, die wij kennen en ons dragen. Zo zal onze reactie op het harmonisch bewustzijn, dat een bepaalde sfeer in ons wekt, verbonden zijn aan onze eigen voorstelling, van wereld. Dat houdt dus in, dat men op het ogenblik in Zomerland sigaretten rookt, gekleed kan gaan in New Look enz.. Het is een voorstelling, die men zelf heeft van krachten, die men in zijn volheid en werkelijke waarde niet beseft, want een Zomerland betekent: lichtend, vreugdig land. Men moest eerst de vreugde van de harmonie bewust leren ervaren, voordat er een Zomerland mogelijk werd. Vandaar het verschil, dat ik maak tussen de jachtvelden, die slechts een voorstelling van het leven in niet-stoffelijke vorm betekenen en het werkelijk gelukkige, volmaaktheid brengende steeds sterker harmonie tonen in Zomerland,

  • Wat zijn het voor krachten, die op deze manier op de mensen inwerken, zodat zij op deze wijze gaan handelen?

Over het algemeen zullen wij zeggen, dat het onbegrip is. Onbegrip voor de toestand, onbegrip voor anderen ook. Nu is het zo: wij kunnen tot op zekere hoogte deze dingen tolereren en aanvaarden, want zij zijn niet volmaakt en de mens is zelf ook niet volmaakt. Maar er kan een ogenblik komen, dat ons werk, zoals wij dit belangrijk zien, bedreigd gaat worden schijnt door dergelijke handelswijzen. Dan moeten wij natuurlijk op kunnen treden. En dat doen wij dan ook.

  • Is dat niet een enkeling, of zijn het er een paar, die naar hun inzicht de zaak trachten te beïnvloeden?

Het is mogelijk. Maar met dergelijke veronderstellingen zullen wij ons niet bezig houden, tenzij het noodzakelijk wordt. Wij moeten één ding goed begrijpen,wij weten beter, dan wie dan ook, welk spel er gespeeld wordt, op welke wijzen deze dingen tot stand komen, waar de oorzaken liggen. Wij weten, dat voor het huidig conflict tenminste vijf gescheiden oorzaken zijn aan te wijzen. Wij weten ook, hoe het stond met vroegere conflicten, maar wij achten de oorzaak van het conflict minder belangrijk. Wij weten slechts, dat wij een conflict dat ons werk bedreigt, moeten voorkomen. Dat trachten wij steeds te doen.

  • Wanneer er een conflict is, kan dit toch tot een redelijke oplossing komen?

Neen, dat is onze hele stelling en ons hele werk. Wij prediken ook de verdraagzaamheid. Juist: begrijp elkaar, ook wanneer de ander eens fouten maakt, ook wanneer jezelf fouten maakt en in dit begrijpen trachten te komen tot een onderling aanvaarden. Ik geloof, dat wij dat uitdrukkelijk genoeg prediken. Maar wij moeten altijd rekening houden met het feit, dat waar de theorie door zeer velen wordt aangehaald in de praktijk op sommige punten zwaar valt. Dan is het niet meer dan verdraagzaam in de zelfde zin, waarin u dat zo-even uitdrukte, Wanneer wij dergelijke dingen dan door de vingers zien.

  • In het laatste was u nogal pessimistisch, hoe het in de toekomst met de mensheid zal vergaan, wanneer zij de denkrichting blijven volgen, die zij nu hebben. 

Ik heb gezegd: het is een mogelijkheid en een feitelijke verklaring. Dat moet toch wel verschil maken.

  • Ik heb kort geleden een lezing meegemaakt over ruimtevaart en daar word gezegd dat er planeten bezig moeten zijn, die wij als broeders moeten zien en die om te voorkomen dat de mensen met zijn technische proeven een algemene ondergang tegemoet gaat en die een versterkte toevoeging willen geven aan onze dampkring, die wij door inademing zo ten nutte zullen maken, dat wij in ons denkvermogen zo ver verdiept worden, dat wij in gaan zien, welke fouten wij onbewust dragen. Kan dit u door bevestigd worden, of is dit iets, wat dubieus is?

Ik zou zeggen: het is enigszins dubieus. Wat het betreft van het bestaan van hoger beschaafde rassen en anders ontwikkelde rassen dan de mens, zult u ongetwijfeld ook in vorige lezingen uitdrukkelijk vastgesteld vinden, dat wij dezen kennen en als realiteit aanvaarden. Maar het lijkt mij een te ver gaan betekenen, wanneer men nu plotseling wezens van een andere planeet gaat voorstellen als laten wij zeggen adepten, die dan i.p.v. op de aarde te wonen, ergens in de sterren wonen. Ik weet wel degelijk, waardoor dit in de hand wordt gewerkt, ik kende verschillende manifesten, die door gegeven zijn enz. Desondanks moet ik zeggen, dat de voorstelling, die de mens zich hiervan maakt, evenals gedeeltelijk de vertaling van hetgeen doorkwam, toch niet berust op volledig juiste gegevens. Ik hoop, dat u het mij niet kwalijk neemt, dat ik dit hier er uitdrukkelijk bij zeg. Ik zou dus t.a.v. die lezing kunnen zeggen: veel is waar, maar in de waarheid heeft de onwaarheid zich verscholen.

  • Wanneer de ziel zijn ondergang bewerkstelligt, hoe gaat het dan met de reïncarnatie van degene, die op een primitieve wereld moet reïncarneren?

Hoe gaat het u, wanneer u geen huis hebt? Dan bent u blij met een onderdak en u knapt het op, totdat het weer een huis geworden is.

  • Ik bedoel: de geestelijke woningen.

Natuurlijk. De geest woont toch op deze wereld. Dat is reïncarnatie. En wanneer de aarde zou vernietigd worden, dan zou de geest dus moeten verhuizen met alle last, die daaraan vast zit en alle verliezen, en alle nieuwe kosten. Kosten om eerst een ontwikkeling te bereiken enz. Maar je hebt er ook, die het niet nodig hebben om terug te gaan tot het primitieve peil, zij zoeken zich dan een wereld, waarin zij dan wel passen. Er zijn zoveel verschillende mogelijkheden in geestelijke en stoffelijke werelden te vinden, dat ik niet geloof, dat iemand werkelijk bekocht uit komt. D.w.z.: genoegen moogt nemen met minder dan hijzelf waard is. Iets anders is de vraag, of men bij reïncarnatie op aarde niet vaak meer krijgt dan men geestelijk eigenlijk waard is. Ik zou mij over die ondergangstheorie voorlopig maar geen zorgen maken.

  • Als de mensheid zou ondergaan en de geest nog behoefte zou hebben aan de stof, zal dan de wereld voortbestaan op primitief peil, of zullen zij op een andere wereld van voren af aan zich moeten ontwikkelen?

Als ik mij aan de feiten zou moeten houden, dan zou ik zeggen dat de ontwikkeling tot een bepaald technisch peil over het algemeen iets sneller gaat, naar dat de geestelijke ontwikkeling iets trager gaat.

  • Als ik u dus goed begrijp, is een dergelijke omwenteling iets, dat voor een enkele geest wel prettig is, maar de wereld gaat achteruit. 

Het is ons steeds gebleken, dat voor een dergelijk crisispunt degenen, die naar bewustzijn streven, zozeer zich op zullen offeren om het ergste te voorkomen, dat zij hierdoor zichzelf bevrijden van de noodzaak terug te keren in de chaos, die door die vernietiging tot stand kwam.

  • Ja, maar alleen gezien vanuit individueel standpunt.

Ik geloof dat wij vast mogen stellen, dat zolang wij niet uit het Goddelijk standpunt zien, onze hele wereld ten allen tijde individueel zal blijven. Het lijkt mij dus te boud spreken, wanneer wij een groep zouden willen noemen i.p.v. een individu. Er kunnen vele individuen zijn met dezelfde ontwikkeling. Maar de ontwikkeling zelf ligt binnen het individu en niet binnen de groep besloten.

Dan wil ik nu het woord overgeven aan een andere spreker, die kort voor u nog in zal gaan op de esoterische verhandeling van de vorige keer.

————————————-

Een vorige maal hebben wij tezamen gesproken over het onderwerp: Dit zijt gij. Ik heb deze stelling zo sterk mogelijk samengevat, zo scherp mogelijk uitgedrukt.

De levensboon, beeld van eenheid, waarbij hemel en aarde worden verenigd door de levensboom zelf, die uit de wortel ontspruitend, als stam zich vertakt in het rijk der hemelen. Een zijn al deze dingen. De wortel voedt ook het loof en de kruin. Er is dus een absolute eenheid tussen alle levensverschijnselen, die door de levensboon worden weergegeven. Maar daarnaast staat het afzonderlijk bewustzijn, dat elk deel hiervan voor zichzelf bezit. Wanneer wij nu zeggen: “Dit zijt gij”, is het ons praktisch onmogelijk om ons een andere levensontwikkeling voor te stellen dan de ontwikkeling, waartoe wij zelf behoren. Het “Dit zijt gij” ontwikkelde volgens menselijk en beperkt geestelijk standpunt houdt in: een erkennen van volledige eenheid met de totale levensontwikkeling, waarvan men doel uitmaakt. Dit houdt in: dat in elk leven alle elementen vertegenwoordigd zijn. Want de boom trekt haar sappen uit de aarde. Uit het diepst der materie wordt de impuls geput, die via het grote bewustzijn, de mensheidsgroep, wordt toegevoerd aan de individuen, de volkeren en de individuen, waaruit zij weer bestaan. Die zich hoog in de top kunnen bevinden. Hoe hoger men komt, hoe groter het gevaar, dat de toevoer van sappen wordt onderbroken. Een onderbreking van voeding betekent: sterven. Niet de boom sterft, maar haar delen gaan ten onder, doordat zij worden afgesneden van het geheel. Dit kunnen wij voor onszelf simpel vertalen. Alle bewustwording, die wij via de stoffelijke ontwikkeling ontvangen geestelijk zouden interpreteren en gebruiken om onze geestelijke realisatie van de kosmos uiteindelijk te maken tot een eenheid met God, wordt geboren uit de materie, waardoor wij ervaren. Een verbreking van de banden met de materie, zelfs voor de geest, die niet gebonden is, betekent dus in alle gevallen een afsnijding van de voedingsbron, waardoor het bewustzijn tot stand kwam. Wij weten echter ook, dat wanneer een boom zich voedt, deze boom verschillende zouten gebruikt, dat een bepaalde draagkracht aanwezig is, water, waarin dezen zijn opgelost en zo worden toegevoerd aan de delen, die daaraan behoefte hebben. Zou ik zo mogen vergelijken? De stroom, die ons uit de materie zelf toevloeit en die voor ons steeds belangrijk blijft, is de vitaliteit, waardoor voor ons uiting mogelijk wordt. Bewustzijn bezitten wij zonder de noodzaak tot uiting. Maar een bewustzijn, dat geen uiting meer kent, raakt in zichzelf besloten en sterft. D.w.z: het is onuitbaar geworden. Het verstart.

De vitaliteit brengt verschillende voeding. Er zijn verschillende krachten, die voor verschillende persoonlijkheden, karakteristieken en sferen, speciale voeding betekenen. Men zou dus kunnen zeggen: velden van verschillende grootte en frequentie voeden elk voor zich de vitaliteit van een bepaalde groep wezens en dezen zijn voor hun ontwikkeling van deze krachten afhankelijk. Indien zij echter in staat zijn, dat gene wat in deze vitaliteit, in deze kracht, besloten ligt voor zichzelf te verwerken, bereiken zij juist hierdoor het punt van hoog geestelijk bewustzijn, waarbij zijzelf kunnen veranderen,waarbij zij a.h.w. vrucht kunnen dragen. De boom des levens is het symbool van de Goddelijke levenskracht in alle fasen, staande tussen materie en geest. Wijzelf zijn deel van de levensboon en gaande tot geest, komende uit materie. Maar zonder materie kunnen wij geen geest bereiken. Zonder geest kunnen wij aan de materie niet ontkomen. Wanneer wij dus zeggen tegen ons zelf: Dit zijt gij, laat ons dan niet trachten te selecteren. Niet trachten te zeggen: Dit ben ik, zeker niet. Want alles, wat bestaat, is bewustwording. Alles, wat bewustwording is, maakt deel uit van deze levensboom en wijzelf leven evenzeer daarin. Zo wordt de eenheid in dit symbool uitgedrukt en zou ik dus u allen willen raden: voortdurend te trachten andere wezens te zien als uzelf, andere wezens te bewerken en te beïnvloeden, zoals je dit ook jezelf zoudt doen. Ook te straffen, zoals je jezelf zoudt bestraffen. Te belonen, zoals je jezelf zoudt belonen. Hierdoor komt niet alleen de perfecte naastenliefde tot stand, of grote verdraagzaamheid, maar meer bewuste eenheid binnen de schepping, harmonie met die grote gebieden van kracht, die het mogelijk maken in het ik een volledige bewustwording en een volledige uiting te scheppen, die een uiteindelijk opgaan in het totaal der levensboon mogelijk maken, scheppende voor het wezen, het begrip, dat Nirwana inhoudt onvolledig kennende en daardoor daadloze voert tot de volledige aanvaarding van het Goddelijk werk, en oplossing van elke persoonlijkheidsgedachte in de ervaring van het Al.

Veel meer kan ik u heden niet zeggen.

  • Vivekananda heeft toch in hoge mate van de materie afstand gedaan?

Men zegt dit, omdat men hen niet begrijpt. Zullen wij niet eerder kunnen zeggen, dat hij zich tot meester der materie makende en bewust haar ervarende, uit haar de krachten putte voor zijn grote geestelijke bereiking? Elke geestelijke vrucht is gebaseerd op een materieel ervaren. Geef u de moeite zijn leven na te gaan en u zult zien, dat ook hij op stoffelijke basis zijn geestelijke bereiking heeft gebaseerd, dat de wereld meent, dat een ontkennen van de beheersing door de materie een algehele verloochening der materie betekent, komt voor rekening van die wereld. De materie is ons geen noodzaak in de zin, dat zij ons voortdurend moet blijven beheersen. Zij is voor ons slechts in zoverre noodzaak, als op het beleven en ervaren daarvan onze bewustwording kan worden gebaseerd.

  • Waarmee u dus aangeeft, dat de geest gelijk is aan de stof. 

Inderdaad. Hier kunt u Yokanda aanhalen, die zegt: “De materie is mijn wapen, mijn kracht en mijn bewustzijn, vooral, waar zij in mijn hand de vorm aanneemt, waarin ik haar dwing”. Maar dit geldt slechts voor de zeer bewusten.

  • Sprekende over de levensboon maakt u de opmerking, dat vooral de top gevaar loopt af te sterven, of te verwelken. Maar bij een gewone boom zal men in de top meestal de sappigste en de mooiste bladeren vinden.

Dit is afhankelijk van de omstandigheden. Elke tak kan natuurlijk verdorren. In de praktijk sterft regelmatig en dat zult u waarschijnlijk bedoelen het laagst gelegene af, wanneer de hoger gelegen deel zich versterken en uitbreiden. Wanneer wij dit toepassen op de levensboon, kunnen wij zeggen, dat bij het wegvallen van een lager bewustzijn de totale uitingsmogelijkheid verstarren zal. Wie van het bewustzijn deel uitmaakt, zal dus een nieuwe ontwikkeling moeten aanvaarden. Kan hij niet met deze stijging van bewustzijn mee, dan zal hij ook geestelijk verstarren, terwijl voor hen, die wel meekunnen, boven deze vorm zich een nieuw stratum van bewustzijn zal vormen. Wat dat betreft, heeft u volkomen gelijk. Maar ik zou u gaarne raden: zie niet naar de bomen in de lente, maar in de herfst. Zie niet slechts naar het woud, kort na de regentijd, maar ook wanneer de droogte het land heeft geteisterd. Schouw dan naar de toppen der bomen en u zult zien, dat de invloeden, die werken op het totaal van de boom vaak juist bij de top de grootste schade aanrichten. Dit, omdat de top vaak niet in staat is zich voldoende aan te passen bij de veranderingen uit de omgeving komende. Geestelijk dit beschouwende kunnen wij dus zeggen, degenen die geestelijk zo hoog denken te staan, dat zij de wetten der materie, het zijn der materie en de kracht der materie van zich af kunnen werpen, zijn dwazen. Waar zij in zichzelf een zwakt veroorzaken, die bij de eerste geestelijke storm hen tot breken, of tot afzondering zal nopen. Zij zullen dan ook verdorren, zodra er in hun omgeving een vermindering van geestelijke krachten merkbaar is. Ik zou hier ook een van de gezegden van Anakananda aan kunnen halen: “Wie zich alleen tot de geest bekent en niet weet mens te zijn, zoekend naar de weg, is een verslinder u zoudt zeggen: vampier, die slechts leeft door het roven der krachten van het bewustzijn van zijn omgeving. Groter is de verdienste van hen, die hen geven, dan deze, die zegt het grote te overwegen, doch slechts eigen grootheid beschouwt.

  • U spreekt over vitaliteit als levensbeginsel. Maar hoe was het dan toen wij allen nog in de bron waren, want toen was er noch niets geuit?

Er was geen uiting. Toen de eerste openbaring plaats vond, bestond deze uit een splitsing in tegendelen, waarbij geest en materie ontstonden. Hun wisselwerking was de geboorte der vitaliteit.

  • Bestaat er geen gevaar bij het steeds aan jezelf werken om egocentrisch te worden? Zo ja, waar ligt dan de grens?

De mens is in wezen altijd egocentrisch, gezien het feit, dat hij zich de wereld niet voor kan stellen zonder zichzelf. Hij ziet dus de wereld steeds vanuit eigen standpunt en bij een voortduring aan jezelf werken, zul je hoogstens dat ego wat sterker omschreven uitdrukken. Of je daardoor meer egocentrisch wordt, ligt aan de wijze, waarop je jezelf geestelijk ontwikkelt. Een ware geestelijke ontwikkeling brengt m.i. mee een grotere aandacht voor de reële waarde van al hetgeen in de wereld rond je ligt. Dat zou m.i. weer wijzen op het feit, dat een voortdurend aan jezelf werken in geestelijke zin betekent een vermindering van egocentrisch zijn door het meer als deel van jezelf opnemen van hetgeen je omringt en zo dus het ego te vergroten t. o. v. de omgeving. Maar ik geloof niet, dat iemand het zonder ego stellen kan.

  • Hoe komt het, dat van edelstenen boze invloeden uit kunnen gaan?

Dat ligt weer aan het feit, dat edelstenen kristallen zijn. Een kristal is n.l. van moleculaire structuur, waarbinnen bepaalde vaste spanningen ontstaan. Als je een slap touw hebt, dan kun je dat niet lang in trilling houden. Een sterk gespannen snaar wel. Menselijke emoties bv., evenals geestelijke invloeden van lagere aard, die kunnen aan moleculaire verbanden een zekere trilling geven, die dan op zijn beurt weer de omgeving kan beïnvloeden. Een edelsteen kent deze betrekkelijk vaste structuur, waardoor zij in staat is een dergelijke spanning veel langer in zichzelf te bewaren, dan voor een normaal stukje materie nodig is. Het resultaat is, dat alle invloeden in edelstenen langer vastgelegd kunnen worden dan in andere materie. Dit houdt ook in, dat boze invloeden, waar de mens de edelsteen kostbaar vindt en begeert, in edelstenen sneller worden vastgelegd dan goede invloeden. Want iemand, die werkelijk het goede wil, zal over het algemeen geen edelsteen begeren en dus ook daarop geen sterkere invloed uitoefenen. Tenzij misschien een enkele keer bewust. Daar staat tegenover, dat de onbeteugelde begeerte, die bij veel mensen, gezien de rijkdom in de edelsteen verborgen, naar voren komen, natuurlijk allen hun stempel in dergelijke stenen kunnen laten. Het resultaat is, dat sommige, maar niet alle, edelstenen dragers kunnen zijn van een invloed, die in de omgeving slechte eigenschappen kan wekken en versterken, mits zij daar reeds aanwezig zijn.

  • Het tegenovergestelde is dus ook waar?

Zeker, maar dat is met alle dingen zo. Wanneer ik zeg, dat er zwart is, dan moet er ook wit bestaan. Als ik zeg, dat er wit is, dan houdt dit ook in, dat er niet wit moet zijn, dus zwart. Dat geldt voor alle dingen.

  • Brengen parels ook wel eens ongeluk?

Parels zijn ook wel eens ongelukkig. Het is zelfs zo, dat er bepaalde juwelen bestaan en parels……. Parels bv. van Dubarry bv., de courtisane. Dat heeft ook ongeluk gebracht. Men beweert zelfs, dat een van de latere bezitters daardoor tot zelfmoord en dood werd gebracht. Dezelfde verhalen gaan omtrent een diadeem met parelen bezet, dat uit de Tsarenfamilie zou stammen en, naar men zegt, aanleiding is geweest tot veel ellende, echtscheidingen, ongelukken in een miljonairsfamilie, die dat had aangekocht. Dus parels kunnen ook daarvan wel degelijk dragers zijn. Maar men vertelt het natuurlijk bij voorkeur over de spectaculaire edelstenen, dat zijn bv., de grote diamanten en robijnen, die door hun grote waarde, in het middelpunt aller belangstelling staan. Dat is zo, dat kun je nalezen.

  • De diamant Hope?

Zo zijn er meer. O.a. de Gullinair. De Hope heeft veel onheil gebracht. Daardoor zijn veel mensen geheimzinnig gestorven, omdat zij er vatbaar voor waren.

  • Komt het, omdat die edelstenen ongeluk dragen?

Ik zou zeggen, dat het komt door de drager van de steen. Wanneer degene, die zo’n steen draagt, in zich eigenschappen heeft, die verwant zijn aan de gedachtesfeer, die de steen uitstraalt, dan kan deze hieraan onder hevig zijn. Maar als iemand zich geen nijd voor kan stellen, of geen doodsgedachte, dan kun je 100 vervloekte edelstenen rond hen leggen, dan doen zij zo iemand niets. De fout schuilt dus niet in de edelsteen, maar in de mens, die op de edelsteen reageert.

  • Dus dat ligt aan de spanning, die in de steen zit?

Ja, het zit zo: Ik heb wel eens iemand radiosprekers horen verwensen. Zij ergerden zich erover, maar dachten er toch niet aan de radio af te zetten, ofschoon zij dat zeker konden doen. Iets dergelijks is er met zulke invloeden. de mens is wel degelijk in staat de kwade invloeden te overwinnen door zekere eigenschappen in zichzelf te leren beheersen. Maar over het algemeen verwenst men wel de invloed, maar doet er niets tegen. Men blijft a.h.w. luisteren, dan wordt men natuurlijk het slachtoffer. De zender is hier de edelsteen, de ontvanger is de mens, die met de edelsteen in aanraking komt. Zijn reactie op de zender bepaalt uiteindelijk dan, wat er werkelijk gebeurt.

  • Kunt u een verklaring geven van het feit, dat men gewend zijnde aan bepaalde geluiden voor of gedurende de slaap te horen, bij afwezigheid van deze geluiden tot slapeloosheid vervalt?

Ja, dat kan ik mij voorstellen. Ik zou dat zelfs uit eigen ervaring kunnen bevestigen. Ik had vroeger een vriend en die handelde in vis en hij had een vrouw, die snurkte. Als hij ergens in een logement moest slapen, en er was niemand in zijn omgeving, die snurkte, dan sliep hij niet. Ja, u lacht om het voorbeeld. Maar laten wij even nagaan, waar het uit voortkomt. Het is natuurlijk niet het feitelijke geluid, dat hier de slaap vordert, of wegneemt. Maar het is een psychische toestand, dus een innerlijke toestand. Wanneer je thuis gewend om kikkers te horen kwaken, of, zoals ik zei, je vrouw te horen snurken, dan heb je hierdoor het idee van thuis, veiligheid, geborgenheid enz.. Nu blijven die geluiden weg: er is dus iets ongewoons, iets, wat niet zeker is. Deze onzekerheid brengt net zich mee een voortdurend weer wakker schrikken net als je tegen het inslapen aan bent. Waar ben ik nu ook weer? Waar ben ik? Wat is er? Deze voortdurende realisatie, dat je niet thuis bent, is dan eigenlijk hetgeen, wat je wakker houdt. Maar wen je aan die gedachte, dan zal je op de duur net zo gezond slapen zonder die geluiden als met die geluiden. Het geldt dus in hoofdzaak degenen, die gewend zijn in een bepaalde omgeving regelmatig te vertoeven en te slapen net alle geluiden, die erbij horen en die een korte tijd uit die omgeving weg zijn.

  • Is dat zoiets als wakker worden, wanneer de klok stil staat?

Realisatie: er is iets niet in orde. Je hebt mensen, die slapen door het grootste lawaai heen. Maar o wee, als de kinderen stil zijn en zij knappen een uiltje, dan zijn zij meteen wakker, want, denken zij, als die kinderen stil zijn, dan is er iets niet in orde.

  • In het eerste onderwerp van verleden week werd er gezegd: Nog geen levende cellen, maar cellen, die het leven reeds benaderen. Wilt u hier over iets uitleggen?

Er bestaan vele vormen, die in zichzelf niet leven zijn. Denk eens aan proteïne e.d., maar die toch reeds een bepaalde celvorm hebben en als zodanig reeds zeer dicht staan bij het leven. Wij kennen bepaalde soorten viri, die zich onder omstandigheden als dode stof kunnen gedragen, maar onder gunstige levenscondities zich ontwikkelen en zich zelfs kunnen delen. Iets dergelijks kunnen wij dan zien bij proteïnen, dus cellen, die dus geen zelfstandige levende wezens zijn, zich ook niet voeden door het opnemen van andere levende wezens, maar wel door het opnemen van stoffen uit de omgeving, die in hun toestand van niet leven, een tijdlang kunnen blijven voortbestaan en onder omstandigheden ontwakende verder weer kunnen gaan. Dus dat werd er waarschijnlijk mee bedoeld.

  • Indien ik nog een vraag mag stellen, kunnen wij dan potentie beschouwen als het niet-openbaarde?

Ja, zo kunnen wij alle dingen beschouwen. De potentie van alle dingen is de niet geopenbaarde kracht. In uw lichaam bv. zit energie genoeg om alle grote steden van deze aarde gedurende enkele uren van de benodigde elektrische energie te voorzien. Als u op de juiste manier uit elkaar valt tenminste. Het is natuurlijk een potentie. Ik hoop voor u, dat het niet gebeurt. U bent dus in deze zin een potentie en dat geldt ongetwijfeld voor alle soorten materie.

  • Is het mogelijk, dat men in de slaap uittreedt?

Het is bij de meeste mensen gedurende hun leven een feit. Want uittreden wil in feite zeggen, dat het stoffelijk bewustzijn zozeer verzwakt is, en de in de stof levende prikkels ook zo weinig invloed hebben op het werkelijk geestelijk bewustzijn, dat de geest zich van haar eigen sfeer, wereld en mogelijkheden weer bewust is. Dat noemen wij uittreding. Het geestelijk bewustzijn gaat zich dan in eigen wereld bewegen. Bij de meeste mensen gebeurt dat onbewust. Een enkeling weet daarvan, degenen, die leren om het te beheersen, kunnen op elke willekeurige plaats in elke willekeurige sfeer, die binnen hun geestelijk bevattingsvermogen ligt, zich openbaren, waarnemen en in sommige gevallen, niet in alle, zelfs deelnemen aan handelingen, gebeurtenissen in die werelden. U ziet dus, dat uittreding wel degelijk mogelijk is. Het moeilijke voor de meeste mensen is, of zij nu uitgetreden zijn, of dat zij alleen maar gefantaseerd hebben. Dat is ook begrijpelijk. Uittreding behoort over het algemeen te veel gebieden, waarop geen controle mogelijk is. Maar degenen, die naar bewuste uittreding streven, die zullen dan ook wel degelijk bepaalde uittredingen doen met controlemogelijkheid Bv. dus stoffelijke waarnemer en op afstand e.d. Aan de hand van deze ervaringen kan hij voor zichzelf dan wel bepalen in hoeverre zijn geestelijke uittredingsverschijnselen op waarheid, op gedeeltelijke waarheid, of alleen maar op fantasie berusten.

  • Kunt u iets zeggen over de gevaren van het mediumschap?

 Ja, dat kunnen wij wel kort zeggen: Het grote gevaar van het mediumschap is, dat je begint als medium in trance te gaan, en dat je ophoudt zonder uit trance te gaan, maar in een toestand, die zeker geen mediumschap meer is. Het mediumschap betekent in de meest simpele vorm: prijsgeven van een gedeeltelijke beheersing van een of meer lichaamsdelen, het kan bv. zijn dat het inspiratief gebeurt, waarbij het denken dus gedeeltelijk wordt geleid door anderen. Het kan zijn schrijven, tekenen, schilderen, waarbij dus een deel van het lichaam door anderen wordt bestuurd, en gericht. Het kan zijn halftrance, waarbij een overschaduwing plaats vindt, het eigen bewustzijn wordt teruggedrongen, zonder geheel te verdwijnen. Het kan zijn voltrance, waarbij op een gegeven ogenblik dus het eigen bewustzijn geheel terzijde kan worden gesteld, een ervaren op ander geestelijk gebied mogelijk wordt en gelijktijdig een andere persoonlijkheid de hele verantwoording, het hele bestuur van je lichaam op zich neemt. Dan gaat het net, als met een kop en schotel. Zij zeggen wel eens: een vergelijking, maar het is waar, Als je een kopje hebt en er zit gewoon water in, je giet het eruit, dan is dat water voorlopig weg, je kunt het er dadelijk weer in doen. Maar als u het nu vult met kwik, is het de vraag, of het oortje het houdt. Houdt het oortje niet, dan valt het kwik op de grond, maar het kopje in stukken. Wanneer het medium, geestelijke krachten te verdragen krijgt, waar voor hij lichamelijk niet geschikt is, wat gebeurt er dan? Dan breekt er iets in het lichaam. Dan wordt wat men noemt het gouden, of zilveren koord gebroken. Dus dan sterft zo iemand.

Andere gevaren. Plotselinge prikkels, of schokken in de toestand van in trance gaan, dus waar nog geen volledige trance aanwezig is, het bij komen en uit trance komen. Dit kan soms geestelijk een zodanige zenuwschok betekenen door het vereenzelvigen bv. van het geluid met pas beleefde voorstellingen op astraal gebied of zo, dat hierdoor geheel of tijdelijk abnormaliteit kan ontstaan. Het kan zijn, dat een bezit nemende geest te veel zenuwkracht en vitaliteit uit het medium trekt, terwijl gelijktijdig de opname van die zelfde kracht uit de omgeving verminderd wordt. Wanneer je dat te veel hebt, dan is het resultaat een uitputtingstoestand. Neem bv. een psychisch medium. Waarbij een groot gedeelte van de in de persoon aanwezige kracht plus een fijne materie, astrale materie, wordt gebruikt om bv polen te vormen, waarmee handelingen worden verricht. Donkere kamerseance. Zou je zo iemand nu toevallig precies in die kracht grijpen, dan is er grote kans, dat bij het terugvloeien van die stof een deel van deze materie, fijne materie, niet meer aanwezig is. Dat betekent dan, dat op de plaats, waar deze in het lichaam behoort te zitten, een trauma op gaat treden. Een wond, of een kwetsuur. Dat kan soms ook gevaarlijk zijn; hoeft niet, maar het kan. De gevaren van het mediumschap zijn dus in de eerste plaats gelegen in het onbeheerst mediumschap. Hoe onbeheerster het medium is, hoe groter het gevaar is, dat hij in een trancetoestand zal komen op een ogenblik, dat dit niet gewenst is. Daar zitten risico’s aan vast.

Verder: hoe onbeheerster een medium is, hoe meer krachten daarvan bezit kunnen nemen, Naarmate die krachten zelfzuchtiger zijn, zal het medium hiervan het slachtoffer kunnen worden. Wanneer er geesten zijn, die zeggen: Ik heb nu een lichaam te pakken en ik houd het vast, ja, dan krijgen wij een soort bezetenheid, die over het algemeen wordt ingedeeld onder schizofrenie en met shockkuren e.d. worden behandeld maar die in feite toch een zeer grote geestelijke en stoffelijke schade voor de persoon in kwestie betekent. Naarmate het mediumschap meer beheerst en meer bewust wordt, kunnen wij zeggen, dat het beter is een werkelijk geheel beïnvloedend beheersend medium zal over het algemeen zich zo sterk af kunnen stellen op bepaalde sfeer, dat hij zeker is, dat daaruit geen kwaadwilligheid te verwachten is en dat is al veel. Verder zal iemand, die bewust is, wanneer hij in een astraal gebied terecht komt, een sfeer, zich niet zo snel laten vervagen, of laten afschrikken e.d., komt niet in een angstige paniekstemming en zal daardoor in staat zijn om te voorkomen, dat andere gebeurtenissen, dus buiten het lichaam, de geest voorgoed uit het lichaam verdrijft. De gevaren van het mediumschap zijn velen. Maar zij worden over het algemeen tot een minimum terug gebracht, wanneer er een perfecte samenwerking aanwezig is tussen geest en stof. D.w.z.: wanneer zowel de afstemming van medium als kring plus het bestreven van de geest, die werkt in overeenstemming zijn en beide partijen gelijkelijk respect hebben voor het medium en vooral voor het welzijn van het medium, dan kunnen wij zeggen, dat het gevaar betrekkelijk gering is en zou alleen overbelasting soms op kunnen treden. Heb je verstandige geesten, dan zeggen zij: Hoor eens, een instrument dat niet goed is, daar hebben wij niets aan. Dus laat het eerst maar een tijdje rusten, dan gaan wij weer verder. Zo is het dus kort, krachtig en duidelijk.

  • Hoe zit het nu met een medium, dat werkt op inspiratie, waarbij mogelijkerwijze een groot gedeelte uit het onderbewustzijn komt? Daardoor kunnen grote vergissingen ontstaan.

Ja, kijk eens, daar krijgen wij weer vooral te maken met personen, die zichzelf zeer belangrijk vinden. Hoe belangrijker zij zichzelf vinden, hoe minder aandacht zij besteden aan wat de geest zegt en hoe meer zij menen, dat wat zij zelf zeggen makkelijk op de rug van de geest kan worden geschoven. Dat weten zij zelf soms niet, maar het is inderdaad waar. In een dergelijk geval is het gevaar echter meestal niet zo groot, want al is hier geen reëel weergeven van hetgeen de geest wil doorgeven aan deze, zal het medium over het algemeen daarin geloven. Op het ogenblik, dat het niet meer gelooft in deze dingen, zal het over het algemeen tot een stopzetten komen van zijn inspiratieve werken en daardoor langzaam maar zeker zich voorbereiden op een zuiverder inspiratieve fase.

  • Wanneer zij van de waarheid van hetgeen zij zeggen overtuigd zijn en dit aan anderen opleggen, kan voor die anderen hieruit een groot gevaar ontstaan.

Er is een groot gevaar en dat bestaat altijd. Daar hoeft iemand niet eens een medium voor te zijn, want dat geldt voor alle mensen. Wie zijn leven door anderen laat leiden, lijdt in het leven meer dan hij zou moeten lijden. Dit geldt altijd, hoor. Ik bedoel, wanneer er een man komt met een grote snor, met een hangmok, of met klapperoren, wat mij betreft, en die zegt: Ik zal uw leven leiden en u draaft er achteraan zonder uw eigen verstand te gebruiken, zonder zelf te streven naar wat u goed vindt in de eerst plaats, nu ja, dan op een gegeven moment merkt u, dat u in het ootje bent genomen, want zelfs aangenomen, dat die man het goed bedoelt, dan kan datgene, wat voor die persoon goed is, voor u in uw eigen ontwikkeling wel averechts verkeerd zijn.

  • Wordt het medium beschermd?

Dat ligt er maar aan, wat voor medium het is. Degene, die gebruik maakt van een medium en dat regelmatig doet, zal over het algemeen wel proberen om dat medium te beschermen. Als een jongetje van 6 jaar een man van 20 wil gaan beschermen tegen een bootwerker, dan hoeft hij weinig kans. Vooral wanneer die man er dan simpeltjes bij blijft staan en tegen dat jochie zegt: Jij kunt hem toch wel aan, hé, doe jij het maar. Daar hebt u nu het beeld, dat zo vaak voorkomt. Er zijn geestelijke invloeden genoeg, die zouden willen beschermen, maar het niet kunnen. Hebben wij nu te maken met 20 jongetjes, dan maken zij tegen die bootwerker een kansje. Zijn het er 100 dan maakt die bootwerker geen kans meer. Op een dergelijke wijze moet er een balans zijn. Naarmate een groep zich voor die veiligheid aansprakelijk stelt, is de zekerheid, dat ongewenste stemming wordt voorkomen, groter. Maar zelfs dan zijn zij nog niet altijd te voorkomen.

  • Dat kleine jongetje van zes jaar kan toch wel een kansje maken?

Ik weet niet, of u wel eens een woedende bootwerker aan het werk hebt gezien. Een woedende bootwerker, die werkt zo vlug, dat hij iemand allang in de boot genomen heeft, voordat iemand er werk van heeft gemaakt om iemand te halen, die de bootwerker vertelt, dat hij ergens anders moet gaan werken en hier moet verdwijnen. M.a.w. een grote des kwaads kan in een kort ogenblik, wanneer weinig geestelijke krachten aanwezig zijn een zodanig geweld hebben, dat voordat hulp aanwezig is, het kwaad al is gebeurd. Dat is net als het overkoken van melk. Je kunt een kwartier kijken er naar en als je net een seconde weg kijkt, gaat de melk er over heen. Vraag het maar aan de dames. Er moet altijd iemand bij het kraantje staan om net gas dicht te doen. Wij doen dat nu bv.. Er zijn andere groepen, die dat minder doen. En er zijn er ook, die alleen maar proberen zichzelf te uiten, maar die in feite heel vaak verdreven worden door een ander en dan een geestelijke strijd beginnen om dat lichaam terug te winnen, maar gelijk bang zijn, dat de toehoorders merken, dat zij niet zeker zijn. Dan krijg je heel eigenaardige melanges. Er zijn zoveel mogelijkheden op dat gebied

  • Zijn er dan ook geesten, die misbruik maken?

Als je in de lagere sferen terecht komt: ja. U moet één ding niet vergeten: het kwaad kan net zo sterk zijn als het licht. Maar naarmate het licht sterker wordt, dus bewuster chaotisch zal het minder aandacht besteden aan een enkele mens. Wat dus tegenover elkaar komt te staan in een dergelijke strijd, zoals ik beschrijf, zijn meestal de lagere krachten des lichts en degenen, die net aan in het duister, of soms pas in de schemer vertoeven. Heel vaak zullen degenen, die die ongelukken aanrichten, nog niet eens weten, wat zij doen. Maar als er niemand is om hen dat te beletten, dan is de schade toch al toegebracht, nietwaar?

Daarom zijn wij met ons medium weer wat zekerder dan menig ander. En vooral wanneer men dan ook op aarde daarmee rekening houdt, dat er iets kan gebeuren, men zorgt, dat er dus deskundige assistentie aanwezig is, bv. een sterke magnetiseur of zo, dan kun je die gevarenfactor ook nog een heel eind terug brengen.

Maar hoeveel seanceren zo? Kom wij hebben het koppie op. Laten wij even kijken wat de geest zegt. Dan gaan wij zitten, nu, boem, kom maar. Maar wat komt er? Wat voor sfeer heeft u? U heeft net misschien nog een vriendin af zitten kraken. De heren hebben onder elkaar nog net een paar schuine bakken zitten tappen. Wat voor invloeden heb je aangetrokken?

Dan kun je wel zeggen: Ik heb een geleidegeest, maar goed. Maar is die wel sterk genoeg?