Engelen, duivelen en nog zo wat.

uit de cursus ‘Menselijke krachten’ (hoofdstuk 5) – februari 1979

Als wij bepaalde overleveringen nagaan, dan treffen wij o.a. mooie zinsneden aan zoals dat “de zonen des hemels ingingen tot de dochteren der mensen”. Eenrichtingsverkeer kennelijk. Realiseren wij ons wat er wordt gezegd, dan staan wij toch wel wat vreemd te kijken. Hier wordt een direct contact verondersteld tussen de zonen des hemels, wat ze dan ook mogen zijn en de mensen. Als dat nu alleen in bijbelse kringen zou worden verteld, zou men zeggen: dat is een specifiek bijgeloof. Maar wij komen het overal tegen.

Wij horen van goden die mens worden. De verhalen uit India bijvoorbeeld of de verhalen van de goden die op aarde komen uit China. De manitou’s, die in allerlei gedaanten met de mensen verkeren in de vele indianenverhalen. Zo kunnen we nog even doorgaan. Over de gehele wereld bestaan er overleveringen dat er ergens uit de hemel – hoe dan ook – mensen of wezens zijn gekomen die tot de genetische reserves van de mensheid hebben bijgedragen.

Als wij daarbij blijven stilstaan, dan moet daarvoor natuurlijk een verklaring worden gevonden. Want van zoiets kun je niet zeggen: het zijn geesten die even stof zijn geworden. Het zijn wezens geweest die kennelijk stoffelijke voertuigen hadden en zich als mensen of zo goed als mensen konden gedragen.

Nu is er een heel, heel lange tijd geleden in dit zonnestelsel een planeet geëxplodeerd. Op die planeet woonden mensen die het geestelijk en ook technisch heel ver hadden gebracht. De geestelijken zijn overgegaan en de technici zijn geëxplodeerd. Daar begint eigenlijk de incarnatiegeschiedenis die erg interessant wordt, als we kijken naar de ontwikkelingen op aarde.

Er zijn kennelijk een aantal van deze wezens stoffelijk op aarde geweest en heel waarschijnlijk zijn zij de directe oorzaak voor de verhalen over enge­len en goden in het allereerste begin van de menselijke geschiedenis. Daarna zijn er nog velen geïncarneerd op aarde. Ook dat is te begrijpen. De omstandigheden op aarde waren weliswaar primitief, maar de levensvorm was vergelijkbaar met hun eigen levensvorm. Degenen, die geestelijk ver waren gekomen, zullen ongetwijfeld hebben geprobeerd om op hun manier bij te dragen tot een verdere ontwikkeling van die mensheid en dus ook tot de incarnatiemogelijkheid voor al degenen die op hun eigen planeet waren mislukt.

Dat is al heel lang geleden. Wij vinden er soms sporen van terug in legenden, overleveringen. Er zijn zelfs sprookjes waarin wij soortgelijke zaken nog te­gen komen.

Als ik die incarnatiemogelijkheden echter nader ga beschouwen, dan rijst in mij nog een andere vraag. Een geest kan incarneren, ook een zeer bewuste geest kan dat. Juist nu wij weten dat deze entiteiten op aarde zijn geïncarneerd en dat anderen als beschermgeesten op aarde zijn gaan optreden, wordt het ook mogelijk dat sommige van hen met hun bereikte geestelijke inzichten, hun invloed en mogelijk ook hun technische kennis zijn afgedaald op aarde, een stoffelijke vorm hebben aangenomen en zijn geïncarneerd. Dat zou misschien een verklaring zijn voor de overlevering dat zoveel vorstengeslachten van goden afstammen of ergens zelfs goden zijn. Ik heb getracht om in dit ver­band de zaak eens na te gaan. Ik kom dan tot een wonderlijke conclusie:

Zowel de z.g. engelen als de duivelen, waarvan wij op aarde zoveel ho­ren, zijn wezens die op aarde geïncarneerd hebben geleefd. Ze zijn niet allen maar onlichamelijke geesten die ergens in een verre ruimte zwerven. Ze zijn wel degelijk persoonlijkheden, die vanuit de geest op aarde stoffe­lijke lichamen hebben gekozen. Wat meer is, elk van hen heeft een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de wereld. Elk van hen heeft daardoor be­paalde vormen van bewustwording in omloop gebracht.

Wij kunnen hier denken aan die legendarische koning van Egypte, de priesterkoning Esir, die o.m. aansprakelijk wordt gesteld voor de grote graanculturen welke in die tijd in Egypte zijn ontstaan. Van deze Esir (la­ter Osiris) wordt verteld dat hij twee raadslieden had. De één dacht tech­nisch, de ander dacht agrarisch, om het in moderne termen te zeggen. Door dit verschil zijn er eigenlijk een aantal moeilijkheden ontstaan. Het lijkt wel of de technici (eveneens in een incarnatievorm) soms hebben geprobeerd een deel van hun verwezenlijkingen aan de mensheid over te dragen. Als dit denkbaar is, dan is het ook aan te nemen dat er onder de mensheid incarnatiecycli zijn die in het bijzonder georiënteerd zijn op één van beide groepen, dus met beschermgeesten, met incarnaties op aarde. En wie zegt ons dat in deze tijd ook niet geesten, die al op die andere planeet hebben geleefd, weer op aarde zijn geïncarneerd?

Ik hoop, dat ik tot zover een aannemelijk verhaal heb verteld. Ik ben mij ervan bewust dat zeer veel hiervan door deskundigen zal worden betwijfeld. Waar het mij echter om gaat, is de achtergrond te vinden van bepaalde bewust­wordingsrichtingen en ook van de namen die daar vaak in worden gebruikt.

Denk bv. aan de mensen die, behorend tot een esoterisch geestelijk systeem, zich de zonen van de Weduwe noemen of in andere groeperingen de zonen en de dochters van de Weduwe. Nu vraagt u zich af: wie is die Weduwe? Als we dat gaan napluizen, komen wij terecht bij de Lilith verhalen.

Zoals u weet, zou het dierlijke wezen Lilith de eerste vrouw van Adam zijn geweest. Eva zou de eerste menselijk vrouw zijn geweest. Daar is nog van alles omheen gevlochten. Nu ben ik ervan overtuigd dat deze legende, net zo goed als de Adam en Eva legende, inderdaad niet meer is dan een gelijkenis, maar als wij aannemen dat er op aarde twee verschillende takken van leiden­de incarnaties zijn, dan krijgt die gelijkenis toch wel een zeer bijzondere betekenis.

De Eva incarnatie zouden we dan kunnen zien als de toch wat technische incarnaties met de nadruk op stoffelijke ontwikkeling. Daarentegen zouden wij de z.g. dierlijke Lilith incarnaties eerder als een introverte reeks incarna­ties kunnen zien waarbij de innerlijke factoren de voornaamste rol spelen. Het zou ook verklaren waarom in een tijd als deze er een aantal mensen zijn die eigenlijk met deze technisch materialistische beschaving geen raad weten. Hun zoeken naar de innerlijk geestelijke betekenis, hun poging om zich opnieuw te ontplooien, maakt hen a.h.w. tot de kinderen van de Weduwe, van die andere kant.

Ik heb dit willen ontwikkelen om duidelijk te maken dat niet alle mensen tot éénzelfde bewustwordingscyclus behoren, en dat er gezien de voorgeschie­denis dus mensen zullen zijn, die a.h.w. veroordeeld zijn tot technisch materialistisch denken, terwijl er anderen zullen zijn die eigenlijk moeten kiezen tussen een bijna dierlijk bestaan of een in zichzelf keren en innerlijk een gro­te geestelijke hoogte bereiken.

De zeven stralen, die van invloed zijn voor elke incarnatiegang (zij be­palen immers tot welke Heren, dus tot welke leerschool u in uw incarnaties behoort) hebben hierop geen invloed. Je zou kunnen zeggen dat ze – of­schoon de aanduiding niet juist is – in hun straal een positieve en een negatieve ontwikkeling hebben. En dan is positief of negatief natuurlijk een beoordeling die afhankelijk is van de richting waartoe je zelf behoort, dat is duidelijk. Want kosmisch gezien is het niet positief of negatief, maar zijn beide krachten complementair, ze vullen elkaar aan.

Als u nu behoort tot degenen die in zichzelf zoeken, dan zal het op­vallen dat al deze incarnatiereeksen ook een bijna primitieve stoffelijke vrijheid nastreven. Zij zullen geneigd zijn zich te verzetten tegen bv. al te hechte banden. Ze proberen zichzelf waar te maken, zowel stoffelijk als anderszins, door gewoon zichzelf te zijn. Zij proberen steeds weer te ontko­men aan de hun opgelegde regels en wetten. Onder deze mensen zullen wij veel magiërs en leermeesters vinden, maar ook gewone mensen.

Als we dan de technische kant bekijken, dan zien wij dat hier de methodiek van het leven veel belangrijker is dan het “ik”. Het is een poging om direct aan wetten te gehoorzamen. En als ze er niet zijn, dan schep je ze. Het is een zoeken naar regels waardoor je de wereld kunt beheersen, maar waarbij je jezelf ook aan die regels onderwerpt. Het is duidelijk dat je beide groepen ook als de vrije en innerlijke en als de gebonden en uiterlijke kunt aanspreken.

Nu zullen heel veel mensen willen zeggen dat degenen die zich aan de regels houden, de engelen zijn. Ik ben geneigd dat te ontkennen. Ik zie daar meer de duiveltjes in. Een engel is een kracht, die uit het goddelijk Licht volgens zijn geaardheid het Goddelijke waarmaakt. Een duivel is juist iemand, die het innerlijk alleen gebruikt om het uiter­lijk vorm te geven, waarvoor hij het innerlijk misschien imiteert, maar zeker altijd weer zichzelf gebonden acht aan zijn eigen creatie. Dan wordt het voor mij ook heel duidelijk waarom de mensen zo in moeilijkheden komen over engelen en duivelen.

In de tijd dat het christendom nog in het beginstadium was, gingen de mensen de bossen in en eerden daar de nimfen en de saters. Nu zijn nimfen en saters langzaam maar zeker demonen geworden en voorbeelden van duivels ingrijpen. De engelen die Israël verdedigen kunnen we misschien beschouwen als engelen. Maar ze werken dan wel volgens vaste regels. Hun poging tot ingrijpen gaat voortdurend gepaard met technische gegevens, bv. het opstellen van schilden, zodat ze de zon weerkaatsen. Iets wat Salomo een paar keer heeft uitgehaald om de vijand te verblinden. Al die dingen doen mij vermoeden dat veel van die z.g. engelen eigenlijk duivels zouden moeten heten en omge­keerd.

Dat is erg verwarrend. Daarom heb ik ook mijn onderwerp engeltjes, dui­veltjes enz. willen noemen. Want u kunt een engel of een duivel zijn. Wie van ons kan zeggen tot welke ontwikkelingsgang u behoort. Dat is moeilijk te zeg­gen. En als je teruggaat in het verleden en je probeert je ontwikkelingen na te gaan, dan zul je vaak dingen ontmoeten waarvan je zegt: dat schijnt toch wel erg veel in mij te zijn voorgekomen. En misschien dat je op grond daarvan toch wel kunt zeggen tot welke richting je behoort. Ik zal daarvan ter verduidelijking enige voorbeelden geven.

Iemand gaat terug in zijn verleden en heeft daarin o.m. de volgende in­carnatie: zeekapitein, priesteres, prediker, zwerver, niet gebonden dame in de tijd der grote hoven. Iemand, die al deze incarnaties heeft gehad, die heeft in zijn banier “vrijheid” geschreven. Zo iemand kan ook roofridder zijn geweest. Dat wil dus niet zeggen, dat alles wat is gedaan goed is, maar het wil zeggen dat in elke incarnatie, dit zoeken naar de grote vrijheid, het leven vanuit jezelf, de hoofdrol heeft gespeeld. Zo iemand behoort dus tot de esoterische gerichtheid.

Dan moeten wij daarnaast een ander nemen. Deze persoon is geweest: hogepriester, ambtenaar, hij heeft in de handel gezeten, hij is een hooggeplaatst maar toch ondergeschikt militair geweest, hij is hoveling of hofdame geweest en in de laatste incarnatie geëindigd als koopman of pastoor. In al deze gevallen hebben wij te maken met iemand, die zoekt naar een ge­borgenheid, naar regels waaraan hij gebonden is. Die regels zijn voor hem het belangrijkst. Hij zoekt met die regels naar een maximale stoffelijke ont­wikkeling. Deze mens behoort dan tot de extroverte richting of wat men ook kan zeggen, tot de demonische richting.

Belangrijk is natuurlijk ook tot wat voor straal u behoort. Stel dat u behoort tot de z.g. blauwe straal. Dan wil dat zeggen, dat uw ontwikke­ling er één is waarin techniek en wijsheid een rol spelen. Dan kunnen wij te maken hebben met de technicus filosoof, die zijn denkbeelden wel een technische structuur probeert te geven, maar die in de eerste plaats zoekt naar het onbekende (de introverte zijde).

Dan hebben wij aan de andere kant (de extroverte zijde) iemand die, uit­gaande van de bestaande kennis, zoekt daaruit zoveel mogelijk machtsmiddelen te ontwikkelen. Dus de man, die à la Einstein zoekt naar het onbekende, moe­ten wij dan rangschikken onder de engelen en de man, die een atoombom maakt omdat de wetenschap hem daartoe nu eenmaal in staat stelt, moeten we tot de duivelen rekenen. Zo precies verdeeld zal het in de mens zelf natuurlijk niet zijn. Ik denk aan een mens als Oppenheimer, die op een gegeven ogenblik zegt: wij hebben het wel gedaan, maar het is niet aanvaardbaar. Vergeet niet, dat die onaanvaardbaarheid dan niet voortkomt uit hetgeen men maakt, dus dat men de verantwoordelijkheid daarvan erkent, maar dat men zegt: voor de gevolgen kan ik geen verantwoordelijkheid aanvaarden. Dat is heel iets anders dan iemand die zegt: ik heb de mogelijkheid om een reputatie te krijgen en misschien rijk te worden, maar ik kan dit eenvoudig niet tegenover mijzelf verantwoorden, omdat ik daarin gevaren zie die ik innerlijk nog niet kan over­winnen. Ik kan dus ook niet aannemen dat een ander dat doet.

Neem nu bv. de rode straal. In de rode straal zijn moed, maar ook harts­tochten vaak erg belangrijke ervaringswegen. Positief is iemand die zegt: voor mij is de liefde en de vriendschap het enig belangrijke. Of ik daarvoor nu oorlog moet voeren en mijn leven daarvoor in de weegschaal stel of dat ik mij moet opofferen, dat komt voor mij voort uit die liefde. Ik maak mijzelf waar en alles wat ik naar buiten toe doe, is eigenlijk niets anders dan de uiting van iets wat in mij bestaat. Dat is de ene kant. Aan de andere kant is er iemand die zegt: ik wil graag dit of dat hebben. Een vrouw bv. zoekt naar een rijke man om mee te huwen. Een man, die zeer berekend de dochter van zijn baas trouwt. De man, die onmiddellijk bereid is om leiding te geven bij een oorlog, maar die wel in het hoofdkwartier wil zitten waar het redelijk veilig is. Dat soort mensen.

Met die indeling – ik heb maar een paar voorbeelden gegeven – krijg je langzamerhand begrip voor een spel van evenwichten dat zich afspeelt.

Op aarde zullen er in ongeveer gelijke verhoudingen entiteiten incarneren, die de z.g. positieve en de negatieve ontwikkeling hebben. Dus van de twee kanten zijn er evenveel. Nu blijkt, dat zij oude krachten zijn en gebon­den aan de beschermgeesten, die behoren tot hun eigen ras. Al wat genetisch daaruit is voortgekomen, hoe vervaagd het misschien in de loop der tijden is, staat nog in meer of mindere mate in verbinding met deze beschermgeesten. Hierdoor zullen er op aarde altijd bepaalde groepen zijn die in wezen door hun onderlinge strijd (het geestelijke of het uiterlijke) het lot van de aarde en daarmede de condities voor incarnaties van anderen, die daar niet bij betrok­ken zijn, mede bepalen

Als u nu incarneert, is het mogelijk dat u behoort tot de ene of tot de andere kant. Maar erg waarschijnlijk is dat niet, denk ik. Als wij die twee bij­zondere richtingen van incarnaties bezien, dan zullen ze tezamen ongeveer 3/10 % uitmaken van de wereldbevolking. Dat is nog heel wat, maar het is in verhouding zo weinig dat we kunnen zeggen: u bent waarschijnlijk iemand die behoort tot de aardcyclus en met de incarnatiereeks op deze wereld is begon­nen.

Dan vraag je je af: hoe oriënteer je je? Het blijkt dan, dat je als mens, dus als aardwezen, eigenlijk door beide richtingen wordt aangetrok­ken. Je voelt je zowel aangetrokken tot de esoterische geneigdheid als tot de exoterische. Tussen beide is het heel erg moeilijk te kiezen. Aan de ene kant zul je als mens de ontwikkelingen van de aarde erg moei­lijk vinden, maar toch daaraan deel willen hebben en ook je portie ervan willen krijgen. Aan de andere kant wil je ook die innerlijke vrijheid bele­ven en daardoor de ongebondenheid vinden die voortkomt uit het ware besef van de werkelijkheid.

Dan kan een normaal mens een soort gespletenheid ervaren. Als u dat niet begrijpt, zegt u: ik wil altijd het goede en ik doe altijd het kwade. Maar is dat wel zo? In deze incarnatie heeft u een eigen bewustwording­scyclus. U bent bezig door te dringen tot een hoger besef van het licht, u vrij te maken van de noodzaak om in de materie te leven. Wat u nu wilt, is vaak datgene wat innerlijk belangrijk is. Het is het esoterische gedeel­te van uw belangstelling. Maar u wordt mede gedomineerd door de wereld waartoe u behoort.

Het exoterische bepaalt de mogelijkheid tot verwerkelijking van het esoterische, en dat gaat heel erg ver. Want zolang uw innerlijk wezen niet zodanig bewust is van zichzelf, van zijn eigen krachten en mogelijkheden, dat het daardoor naar buiten toe de feiten kan beïnvloeden, is het slacht­offer van de feiten buiten het “ik”. En als die strijdigheid in u bestaat, dan is het dus niet waar dat u het goede wilt en het kwade doet. Het is zo, dat u niet de innerlijke kracht heeft om het ideale, dat u innerlijk erkent, waar te maken en daardoor machteloos bent t.a.v. de invloeden die u van buitenaf manipuleren. U bent het slachtoffer van de regels omdat u de in­nerlijke vrijheid en kracht nog niet heeft gevonden.

Dan moeten wij daar natuurlijk uitvluchten voor vinden. Ik wil het goede en ik doe het kwade, dus de duivel zit achter mij aan. Ik denk dat menige duivel, als hij zo naar de aarde kijkt, denkt: ik ga maar in mijn leunstoel zitten, want ze doen het zelf wel. Ongetwijfeld zal ook menige engel denken: ach mensen, wat doen die uiterlijkheden ertoe, als het innerlijk nu maar het licht vindt en je de bereidheid hebt om met dat licht te werken. En daar ligt nu net het criterium.

Engelen en duivelen zijn er plenty vanuit ons standpunt. Elke geest die ons aan regels bindt, die ons wil vastbinden aan materie, aan materiële waarden, aan veruiterlijking, is voor ons een duivel. En iedere kracht, die ons die innerlijke vrijheid wil geven, die ons door het licht onafhankelijk wil maken van alles buiten de Godheid waarin wij bestaan, is voor ons een engel. Van beide soorten zijn er als geleide- en beschermgeesten zeer velen te vinden.

Maar zijn die engelen en duivels dan wezens die ons op de een of andere manier dirigeren? Ik meen van niet. Ik denk dat het voornamelijk aan ons­zelf zal liggen.

Incarnatie na incarnatie bouwen wij voor onszelf een gerichtheid op. Als u uitgaat van het heden, dan zult u ontdekken dat het innerlijk niet altijd, maar wel in bepaalde gevallen, u toch de mogelijkheid geeft de uiter­lijke omstandigheden aan te passen of te veranderen. U heeft er later mis­schien spijt van, dat gebeurt nogal eens, maar als u heel diep in uzelf kijkt, dan zegt u: ik had het niet anders kunnen en mogen beleven, niet anders mogen doen. Dat is een heel belangrijk punt. U heeft dus een mate van vrijheid, maar die wordt nog voortdurend belemmerd.

Wanneer u weer incarneert, zal de mate van vrijheid, die u innerlijk heeft gevonden, gepaard gaand met zelfkennis en al die mooie dingen meer, groter worden. Dit is uw streven. U streven bepaalt de waarde van het eso­terisch of exoterisch element in de volgende incarnatie. De tussenliggen­de geestelijke beleving kan dit streven intensifiëren en dus de waarde die u nastreeft vergroten. Maar bij die incarnatie zult u weer in diezelfde richting gebonden zijn.

Ik stel op grond van dit alles:

Engelen en duivelen en vele andere soorten onbegrepen waarden zijn voortdurend in uw wezen te vinden. Het zijn contacten ontstaan door uw eigen harmonie. Maar uw harmonie is bepaald door de richting van uw incarnatie.

Het kan voor u zonder meer noodzakelijk zijn om wat ik noem stoffelijk­ technisch te leven en te denken, want u heeft geen andere uitweg. Dit is uw enige mogelijkheid om u verder te ontwikkelen. Een ander kan alleen maar vanuit de esoterische weg verder gaan en voor deze is de gehele stoffelijke gang van zaken eerder een belemmering, tenzij het voert tot verrijking van zelfkennis en van het innerlijk weten. Dat is heel belang­rijk, want bij elke volgende incarnatie zult u dus zuiverder het type wor­den waarvoor u heeft gekozen; waartoe u behoort.

Dit betekent ook dat in de mensheid die ontwikkelingen zo ver van elkaar af komen te staan dat we op een gegeven ogenblik de oude situatie zien herontstaan. Waar aan de ene kant de kaste is die zich bezighoudt met de materie en aan de andere kant de kaste staat van de bewust weder­geborenen, van de priesters, de sjamanen, de heiligen, van degenen die met de geesten leven en werken en misschien soms in verschijning treden als een soort halfgoden.

Dit is niet erg democratisch, vind ik. In een democratie probeer je alles te nivelleren. Maar ik heb soms het gevoel dat iemand die nivelleert, probeert ijskasten, eieren en peren bij elkaar op te tellen alsof ze gelijke eenheden zouden zijn. In de werkelijkheid ben je gebonden aan je incarnatiecyclus.

Nu zult u zeggen: hoe weet ik nu waartoe ik behoor? Lieve mensen, als u even nadenkt, wordt u dat wel duidelijk. Wat regeert er in uw leven?

Gaat het u om status, om inkomen, om erkenning? Bent u steeds bezig er een beetje beter voor te staan dan uw buren? Dan zult u zeer waarschijnlijk be­horen tot de technisch- materiële ontwikkelingstak. Dat is helemaal niet erg zolang u het erkent.

Als u in uw leven steeds weer merkt dat u door allerlei innerlijke im­pulsen wordt beroerd, dat u afwijkt van de norm, dat u voorschriften eerder beschouwt als een soort startplaats voor het leven dan als de bepaling er­van, als u in uzelf voortdurend weer probeert krachten aan te boren, ook al weet u daarmee geen raad, dan behoort u tot de esoterische ontwikkeling. Ik meen dat dat belangrijk genoeg is. Wij hebben al het een en ander gezegd over ontwikkelingen waartoe u kunt behoren. Dat kunt u dan vergelijken met hetgeen nu is gezegd.

Tot welke straal u behoort? Ach, er zijn zoveel methoden om daarachter te komen. Zelfs uw voorkeur voor kleuren kan daarbij een rol spelen. In de praktijk kunt u wel zeggen: wat is het dat voor mij de meest intense, de be­langrijkste beleving geeft? Waardoor voel ik mij emotioneel het meest beroerd?­ Als u dat weet en het is bv. mystiek, dan behoort u tot een bepaald deel van de blauwe ontwikkeling. Is dat vaak de hartstocht van het leven, het uzelf op de proef stellen, het avontuur a.h.w., dan behoort u tot de rode ontwikkeling. Bent u een gelijkmatig mens en bent u alleen gelukkig als u rond u steeds een sfeer van gezelligheid, van licht heeft, dan behoort u waarschijn­lijk tot de gele straal. Bent u iemand, die naar buiten toe een beheersing zoekt doordat hij in zich regels stelt (geloof dus) of bent u iemand, die in zich een kracht zoekt op grond van onredelijke normen en vormen, maar wel probeert daarmee te werken, dan behoort u tot de groene straal. Op die manier kunt u zelf wel een beetje uitmaken waar u bij hoort. Later, wanneer u weer bevrijd bent van deze stoffelijke ankers, dan zult u dat waarschijnlijk nog in­tenser ervaren. Nu moet u nog dit beseffen.

Wanneer u verder komt in dit leven en wel in het kader van uw eigen gerichtheid, plus de straal waartoe u behoort, dan zal elke volgende incarnatie een vermeerdering kunnen betekenen en heel waarschijnlijk in een verbluffend snel tempo. Als u daarentegen, in uw huidige incarnatie tekortschiet omdat u geen vrede kunt vinden met uzelf of op de een of andere manier geïsoleerd raakt van uw wereld, het ligt er maar aan hoe u georiënteerd bent, dan kunt u er zeker van zijn dat uw volgende incarnatie alleen een herhalingsoefening is. Dan doet u alleen die dingen die u nu al heeft gedaan, in de hoop dat u er dan wel meer bewust door kunt worden.

Al uw vorige incarnaties samen hebben u gevoerd tot hetgeen u nu bent. Uit al die vorige incarnaties is ook een verdere definitie gekomen van de voor u juiste richting, of u het nu naar buiten toe zoekt of naar binnen toe. Aanvaard dit. Het is dwaas te denken dat u innerlijke krach­ten kunt ontwikkelen door alle uiterlijkheden te onderdrukken, tenzij u iemand bent die inderdaad de esoterische richting reeds gekozen heeft als basis.

De ene mens zal het buiten zich moeten zoeken, een ander in zich.

De één zal het moeten zoeken via wetten in vaststaande technieken, de ander zal het intuïtief moeten zoeken. Als u dit beseft, dan heeft u een kleine handleiding tot het juister ontwikkelen van de krachten die in u leven.

Ik beëindig dit onderwerp met een paar kleine voorbeelden om u dui­delijk te maken waar het verschil ligt. Dan nemen we iets wat heel veel mensen willen: iemand genezen. Zij behoren tot de esoterische groepering. Dan ga ik mij niet afvragen hoe ik moet genezen, welke regels er zijn. Ik zal waarschijnlijk niet eens een diagnose stellen. Ik zal gewoon zeggen: ik wil genezen. Ik laat het van binnenuit komen.

Behoor ik nu tot die andere, de exoterisch gerichte groep, dan kan ik dat niet doen. Ik heb dan voorschriften nodig, handleidingen, regeltjes. Dan moet ik een systeem hebben, een soort ritueel. Ik zal dan met dat ri­tueel die kracht kunnen aanboren. Zonder dat ritueel lukt het mij niet. Dit is een verschil dat u allemaal kunt begrijpen, neem ik aan.

Vrij, esoterisch, vanuit jezelf werken. Bepalen is niet nodig. Gebonden, materieel, technisch, exoterisch betekent: ik moet van buiten mij de kennis, de regels en de methodiek hebben waardoor ik mijn innerlijke krachten kan activeren. Probeer niet dit te veranderen. Dat is doelloos en brengt u alleen maar allerlei conflicten. Probeer eerder te werken op de manier waarop voor u de meest juiste werkwijze is te bereiken. En als dat is met regels, wees dan niet bang die regels te volgen. Als het is vanuit de innerlijke vrijheid zonder nadenken, werk dan zonder dat naden­ken en u zult de beste resultaten hebben. U zult daardoor tevens een scala van ervaringen en emoties opbouwen die precies passen bij uw behoefte tot verdere bewustwording.

Zo ziet u, engelen en duivelen hebben veel te maken met uw incarna­tie. Maar wat een engel is voor de één, kan een duivel zijn voor een ander en omgekeerd.

Wij moeten de harmonie vinden voor onze eigen ontwikkeling. De harmo­nie die is opgebouwd in vele incarnaties en vandaaruit verder leren gaan. Dat impliceert, dat wij in deze incarnatie moeten aanvaarden zo goed wij kunnen wie en wat wij zijn en werken met de middelen, die voor ons de beste en de juist geldende zijn.

Vragen

  • Zijn er geen mensen die de gulden middenweg bewandelen?

Er zijn overal wel hybriden te vinden. Het bewandelen van de gulden middenweg is in feite voor de mens niet mogelijk. De gulden middenweg kun­nen wij voor de wereld gebruiken, maar niet voor onszelf. Wij kunnen eenvou­dig het bewustzijn en de bewustwording die achter ons ligt niet ten dele uitschakelen, omdat dat beter uitkomt t.a.v. het evenwicht dat er nu in de wereld bestaat. Daarom zijn er maar heel weinig wezens die beide kanten in zich kunnen verenigen en uit zich kunnen manifesteren zonder daardoor hun verdere bewustwording in gevaar te brengen of om het heel eenvoudig te zeggen: je kunt kiezen voor God of voor de duivel, maar je kunt moeilijk een handeltje drijven waarbij je naar beiden exporteert en importeert, want dan ga je zelf daaraan failliet

  • U had het over de 3/10 % van de wereldbevolking die door incarnaties van een andere planeet zijn beïnvloed. Loopt de aardse stroming daaraan parallel?

Ik heb getracht duidelijk te maken dat de mens deze innerlijke waar­den en daarmee de scherp gedefinieerde noodzaak tot leven op een bepaalde manier niet in die sterke mate aanwezig is, maar dat er wel een verwant­schap met die gerichtheid bestaat. Dat betekent dus, dat de mens minder ge­dreven is tot deze schijnbare eenzijdigheid dan degenen die tot de 3/10 %. behoren. Aan de andere kant betekent het ook, dat u zelf behoort tot een bepaalde straal. In die straal vindt u de beste ontwikkeling langs die zij­de die u via vele incarnaties waarschijnlijk langzamerhand eigen is geworden.

Het verschil tussen degenen die van de andere planeet komen en u is in feite dat degenen, die op de planeet zitten, gefixeerd zijn in die richting en niet anders meer kunnen. Zij hebben geen uitwijkmogelijkheid meer, terwijl u die uitwijkmogelijkheid in zekere mate bezit. Maar als u die teveel gebruikt, dan brengt u daarmee uw bewustwording schade toe.

De betekenis van literatuur.

Literatuur is een uiting van de mens. Daarin beschrijft hij datgene wat er in hem leeft. Een goed schrijver lijkt zich te identificeren met degene die hij beschrijft. In de loop der tijden veranderen de zaken natuurlijk.

Er is een tijd geweest dat er barden waren. Barden die rondtrokken en de verhalen vertelden voor het volk en daarnaast deftige complimenten wisten te maken aan de edelen en hooggeplaatsten. In hun tijd was het ver­haal, vooral het heldenverhaal, het wonder. Dan zijn daar de ridderverhalen, waarin je wordt geconfronteerd met zwaardgevechten, wonderlijke transformaties, met tovenaars en helderzienden, met heksen en demonen. In die wereld wordt het duidelijk hoe de mens eigenlijk denkt en leeft.

In de mens is een behoefte om in de eerste plaats trouw te zijn aan zichzelf. In de praktijk is hij dat niet. Hij wil een held zijn. Niet zozeer om bewonderd te worden als held, maar om voor zichzelf te weten dat hij niet heeft gefaald. In die verhalen komt naar voren hoe de mens innerlijk leeft. Alle wonderen waarover wordt geschreven, hangen direct samen met zijn innerlijk geloof aan de onbekende krachten van de natuur, de invloed van de goden, de werking misschien van demonen in de wereld rond hem. Hij beschrijft a.h.w. een wereldbeeld.

Een wereldbeeld vind je eigenlijk overal terug. Lees wat mij betreft de bijbel en kijk in de verschillende delen daarvan hoe de wereld eruit ziet. Je ontdekt mensen, die daar in wanhoop neerzitten en eigenlijk alleen nog maar geloven in een bovennatuurlijke kracht die hen kan helpen. Maar er zijn ook mensen, die door hun geloof komen tot prestaties, die anders onvoorstelbaar zijn. Wij zien mensen, die van een slinkse streek een heldendaad maken, omdat het door hun eigen partij wordt gedaan en die dat wat ze anderen aan­doen niet rekenen, omdat die immers “niet bij ons horen”. Je ziet de dichterlijkheid van een Hooglied van Salomo, een van de mooiste liefdesliederen die ooit geschreven zijn. Er zijn er wel nog een paar meer, maar dit is toch wel een van de bekendste.

Even later krijg je te maken met mensen, die je onwillekeurig herinneren aan figuren, die je in deze tijd nog steeds tegen het lijf kunt lopen. Er zijn er bij die redeneren vanuit de rechtlijnigheid van de wet en het gezag dat zij bezitten. Er zijn er bij die als aarzelende zielen zoeken naar een compromis met de werkelijkheid en het niet kunnen vinden omdat ze zichzelf niet vertrouwen. Je vindt er degenen die doem en vernietiging prediken, terecht of ten onrechte, alsof ze daardoor zichzelf buiten de ramp willen plaatsen.

Kijk naar de verschillende verhalen van de oude Indiërs. Kijk hoe ze hun helden en hun goden creëren. Hoe ze eigenlijk hun levensstijl, hun hele levensbeschrijving daarin onderbrengen. Kijk naar de verhalen van China. De verhalen over rovers die helden zijn en over ambtenaren die het niet zijn of omgekeerd.

De literatuur is de weerspiegeling van een beeld van de wereld, zoals de mens die in zich draagt met al zijn angsten en al zijn conflicten. Daarom ben ik ook niet geneigd, zoals vele mensen doen, om bepaalde vormen van literatuur terzijde te schuiven. Men zegt dan: Dat is een keukenmeidenroman. Zij, het kleine werkstertje, ziet hem, de directeur van een Internatio­nal. Zij droomt van hem. Hij ontmoet haar nog een keer en hij droomt ook van haar. Ze blijven dromen en ze krijgen elkaar bijna, maar er komt weer wat tus­sen. Nu kunnen we zeggen : Dat is onzin. Maar is het niet de droom van een mens, die zich hulpeloos voelt en hoopt op het wonder dat in dit geval dan liefde heet? Het wonder waardoor hij ontrukt wordt aan zijn eigen beperkingen. Zo bekijken de meeste mensen het niet, maar toch is dat waar.

De moderne roman moet een beetje progressief zijn om niet te zeggen een beetje wonderlijk. Zo in de stijl van de pastoor en de lichtekooi. De pastoor ging door de straten en zag haar, de lichtekooi. O, wat was ze fraai. Gebouwd was zij als uit stainless steel en in haar haar zat een kleine vogel. Ja, absurd. Maar in dat absurdisme, in die wonderlijke mengeling van filoso­fie, angstdromen en poging tot choqueren, eigen aan deze tijd, zit toch ook weer het hele verzet van de mens. Het is zijn innerlijk wezen.

Als je het goed bekijkt, is het niet zo vreemd dat men aan bepaalde liede­ren in de oudheid een zeer grote kracht toekende. Dat er zelfs nu nog groe­pen zijn die in oude en lang vergeten talen allerlei aanroepingen opdreunen en met hun begrip van die aanroepingen verwachten dat het een wonder zal brengen. Want door wat er in ons leeft, maken we datgene wakker wat in ons bestaat. En daar kijken de mensen overheen. Zij denken: literatuur, kunst, dat is iets uiterlijks of hoogstens het onbegrepen zieleleven van de kunste­naar, dat hij zijns ondanks aan de massa moet verkopen om te eten. De goede kunstenaars eten er dan ook heel goed van.

De werkelijkheid is, dat de literatuur van elke tijd of u nu de victoriaanse roman neemt of u bezighoudt met ‘Het Stenen Bruidsbed’ een poging is om weer te geven hoe de mens in zijn wereld leeft. En dat wil ook zeggen welke krachten hij in zichzelf erkent en niet tot uiting kan brengen, in wel­ke machteloosheid hij zich gevangen waant. In de literatuur stelt de mens de grenzen van zijn aanvaarding en zijn kunnen.

Ik kan begrijpen dat u dit in deze cursus een vreemd onderwerp vindt. In u bestaan echter allerlei krachten, maar ook verbindingen met de onein­digheid. Er zijn perioden dat bepaalde aspecten daarvan bijzonder naar voren komen. U heeft steeds weer tijden dat de gruwelroman bijzonder veel aandacht krijgt. Dan duiken de Dracula’s weer overvloedig in series op. Overal spoken de demonen rond en overal is daar dan weer de wonderdoener met zijn zilveren kogel of zijn heilige amulet die alles weet te verslaan. Het is het symbool van een mensheid, die zich gevangen voelt in een demonische wereld, die werkelijk meent in een soort tussenrijk beland te zijn waarin alles alleen maar vaag, vies en vuil is en het gevoel heeft dat er toch een middel moet zijn om zich te bevrijden. Dat laatste is dan een positief iets.

Het gaat niet om de oplossing die wordt gevonden. Als u die romans leest, is het o zo kinderlijk. De een loopt met een stel staken vampiers te vernagelen. Een ander bevriest ze met heilig water, schiet ze dood met heilige olie of brandt ze met een beetje gewijde sulfer. De werkelijkheid is dat wij in onszelf de macht erkennen om dit demonische, dat wij rond ons zien, kwijt te raken. De literatuur is wat dat betreft voor het tijdsgewricht, maar ook voor de mogelijkheid van de mens, daarin vaak kentekenend.

U zou het niet vermoeden, als u al die dokters ziet die allemaal wonderlijke belevenissen hebben, al die rooie verpleegsters die dan toch de miljonair trouwen, dan heeft u het idee: daar is toch niets innerlijks bij. Maar het zijn de sprookjes van deze tijd. Het zijn de sagen en legenden die uit het menselijk bewustzijn worden geconstrueerd en die tevens gebaseerd zijn op het verlangen, de angst en de innerlijke waarden van de mens. En dan is alle literatuur ergens hoopgevend. Want altijd weer zit er achter het duister het licht.

O zeker, dan mag je de mensen ontredderen door van je God een ezeltje te maken, zoals een bekend bekeerd schrijver in Nederland heeft gedaan, maar aan de andere kant zeg je ook: Ik heb het gevoel dat ik tot God kan ingaan. Ik heb een verbondenheid met die kracht. En dat wordt over het hoofd gezien.

Je kunt lachen om mensen die met veel drieletterwoorden proberen het publiek te ontredderen, maar als je daarachter kijkt, dan is het de droom van een avontuur. Een “ik” dat wil uitwijken naar een nieuwe werkelijkheid. En als je dat erin kunt lezen, dan wordt duidelijk dat de literatuur heel vaak een aanwijzing is voor de begrenzing die je in jezelf erkent.

De boeken die u leest, ongeacht van welke klasse, dan moet u daarin eens kijken wat is de grens, wat is de beproeving welke in die literatuur speelt en wat is de oplossing die u schijnbaar zo aanspreekt? Dan zult u tot de conclusie moeten komen: het is iets wat ik in mijzelf erken. Dit zijn de grenzen waarbinnen ik meen te leven. In mijn boek is er altijd wel weer een oplossing. Dus is die er ook in mij.

Wij moeten door de grenzen van de gewoonte heen breken. En dat gebeurt ook elke keer. Het is als de man die op de verre expeditie op een gegeven ogenblik uit een schoenveter, een elastiekje en een stukje bamboe het vliegtuig maakt dat hij nodig heeft. Maar dat kunt u ook. Dat is niet alleen maar fantasie. Het betekent, dat erin u ergens een kracht en een vermogen zit waardoor u veel meer tot stand kunt brengen dan u eigenlijk gelooft. Dat u in u krachten en mogelijkheden bezit die veel verdergaan dan het publiek ooit zal veronderstellen. Het betekent, dat er voor u een uitweg uit uw situatie is, ook als u die op het ogenblik nog niet zo ziet. Dat er voor u een nieuwe weg is, een geestelijke weg, een krachtige weg, een lichtende weg, als u maar de moed heeft het lichtende zwaard in de hand te nemen en op te trekken tegen het duister rond u, uw geestelijke krachten uit te zenden om het demonische rond u te verslaan.

Niets is onoverwinnelijk. Geen licht en geen duister, geen mensen, geen door de mens te kennen godheid. Als u dit beseft, weet u ook: in mij heb ik krachten en bronnen, die ik kan aanboren waardoor ik verder kan gaan dan redelijk denkbaar is.

De literatuur schetst in elk tijdsbestek weer de grenzen, die de gemeenschap opbouwt. De grenzen die je voor jezelf onwillekeurig zou aanvaarden. De grenzen waardoor je niet verder kunt komen. En heel vaak is er een soort deus ex machina nodig, een god van de machine. Het mirakeltje dat is ingebouwd om de oplossing alsnog gunstig te laten verlopen. Maar die deus ex machine is datgene wat je in jezelf draagt, want in je heb je krachten en mogelijkheden die verdergaan dan voorstelbaar zijn. Je hebt een uithoudingsvermogen dat veel groter is dan je veronderstelt. Je hebt in je een vermogen om meer vrede te vinden dan je denkbaar acht. Je kunt in jezelf grotere kracht opwekken dan de wereld ooit wel zal geloven. Dat zegt u de literatuur.

Wanneer u dan in de geschriften van vele eeuwen duikt en u het ene ogenblik doolt in de wereld van Dickens, het volgende ogenblik u misschien bezighoudt met de oude schrijvers van Rome of de filosofen uit een ver verleden, als u zich verdiept in de Dodenboeken van Egypte of Tibet, besef dan: het zijn mensenwerken. In die tijd hebben mensen beschreven hoe ze de ontvluchting aan hun eigen beperking zagen. Begrijp dan dat u moet uitgaan van de normen van uw tijd. En of het dan begint met het Fregatschip Johanna of met Havank lost het op, dat maakt niet zoveel uit. Er zijn grenzen en beperkingen en u kunt daar doorheen komen. Juist het feit dat de grens door­broken kan worden, dat het schijnbaar onmogelijke toch mogelijk is, moet u zeg­gen dat dit ook voor u geldt, dat ook u in u de reserves, de mogelijkheden en vermogens bezit waardoor u verder kunt gaan dan de grenzen die de maatschap­pij u stelt. Daarom heb ik vandaag u iets willen zeggen over literatuur.

Literatuur die in feite een soort spiegel is. Een soort landkaart waar­in u duidelijk wordt gemaakt wat uw tijd, uw wereld of een vroegere tijd en een vroegere wereld heeft gedacht en wat ze desondanks mogelijk acht. Het is desondanks dat wat voor ons belangrijk is. Dat desondanks betekent het overschrij­den van grenzen en het bereiken van een zelfverwerkelijking die door het in­nerlijk licht van de mens tot stand is gekomen en hem de mogelijkheid geeft zichzelf in zijn volledigheid te kennen en te uiten.

  • Alle boeken van Agatha Christy zijn gebaseerd op gruwel of moordverha­len. Hoe komt het dat zij zoveel van dergelijke verhalen te boek kon stellen?

Ik zou zeggen: dat is de tegenstelling tussen haar eigen, over het al­gemeen nogal rechtlijnig bestaan, en de conflicten in de wereld. Zij construeert de gruwel niet omwille van de gruwel, maar omwille van de oplossing. Voor haar is het hele leven een puzzel. En zoals zij in de kleine dingen zelf voortdurend probeert die puzzels op te lossen, zo doet ze dat in haar boeken. Het zijn verbale rebussen waarin voortdurend tot uiting komt, dat degene die waarneemt en denkt, het raadsel kan oplossen en daarmee gelijktijdig de tegen­stander kan overwinnen. Als u de boeken op die manier leest, dan zult u mer­ken dat ook deze schrijfster, die overigens past in een tijdsbestek dat nu langzamerhand ten einde is gekomen, de oplossing geeft voor de wereld van haar tijd.

Kijk uit! zegt ze. Besef, dat alles verdacht kan zijn. Besef, dat alles een beetje anders kan liggen dan u denkt. Voeg het dan tezamen en u zult de op­lossing vinden van uw probleem en daarmee de schuldige, de misdaad, het on­aanvaardbare uit uw leven kunnen bannen. Iets waaraan vele “Agatha Christy­ schrijvers” niet aan zullen denken.

Het wonder.

Een wonder is een gebeuren dat de rede niet bevatten kan, dat verdergaat dan alle wet en boven het kunnen van de mens uitgaat. Het toont dat er meer bestaat dan dat wat het zintuig gadeslaat en er in de rede leeft.

Toch is het geen wonder dat u leeft, is het geen wonder dat de sterren gaan langs vastgelegde banen, is het geen wonder dat de wetten der natuur van uur tot uur in volle kracht hun machten tonen in het be­staan.

Een wonder is de kracht die in u leeft.

Een wonder is het witte licht dat plots u vleugels geeft en vliegen doet tot hoger bestaan en door de poorten gaan misschien van nieuwe werke­lijkheid.

Een wonder is een mens die levend in de tijd toch eeuwig is en zonder grens, die klein als mens toch deel is van de totaliteit.

Een wonder is de werkelijkheid, wanneer we haar een ogenblik beseffen. En leven wij die werkelijkheid, dan spreekt ze, ook door ons, dan maakt ze mogelijk een gebeuren, dat niet meer past in zin en rede van de beperktheid en de tijd. Dan openbaart zich voor een kort moment het flikkerend zwaard der eeuwigheid. En wat het beroert dat is niet meer. Het verandert zich of keert weer tot wat het eens geweest kon zijn.

Zo spreekt de werkelijkheid haar taal. En waar de mens die niet ver­staat, wordt het een onbegrijpelijk iets dat hij met zijn gevoelens ondergaat en “wonder” noemt, een werkelijkheid.

Een werkelijkheid die steeds bestaat, maar die in het onbegrip van het zijn verdrongen wordt of – dat is ook mogelijk – vaak onbegrepen sporen ach­terlaat, waardoor de mens van redelijkheid beroofd in zich niet meer beseft wat was en wat hij is, maar in een andere kracht gelooft dan die welke het wonder baart: de totaliteit.

Dan zegt hij: Zie hoe uitverkoren ben ik niet, dat de God in mij deze werkelijkheid gemanifesteerd zou hebben. En wie zich uitverkoren voelt en niet begrijpt hoe kracht bedoelt voortdurend kracht te zijn en wet een wet is door de tijd en buiten de tijd, de werkelijkheid omgrenzend en omschrijvend, ach, die verwondert zich over het wonder. Maar dat wonder is niet blijvend, omdat het niet begrepen wordt.

Zo wordt het een deel van een werkelijkheid, waarin het “ik” beseffen kan een zijn, dat verder voortgeleid het “ik” tot plaatsen waar geen wonder is, maar slechts het onbegrensd verstaan, bestaan en leven.

Is het geen wonder dat een stem, die woorden heeft gesproken zonder te beseffen wat ze sprak? Woorden, die straks neergeschreven, u zeggen wat een wonder is.