Enkele oude wijsheden

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 4

22 januari 1956

Wij zullen proberen om deze morgen weer enkele oude wijsheden te beschouwen en ik wil daarvoor ver in de tijd teruggaan. Ik moet mij echter verontschuldigen, dat ik niet mijn bronnen vermeld, waar deze bronnen voor een groot gedeelte op het ogenblik nog niet bekend of ontsloten zijn, en enkele daarvan eerst in de komende 25 jaren aan de mensheid worden teruggegeven. Het probleem, waarmee wij ons zullen bezighouden, wordt al direct geformuleerd door het eerste citaat:

“De levende mens denkt het leven beperkt te zien. Hij spreekt over zijn rechten, over zijn oordeel, over zijn toekomst. Doch deze dingen zijn niet, en de ingewijde overziet alle leven, kent alle rechters en weet, dat het oordeel slechts de Waarheid is.

Wanneer wij leven op aarde of in een sfeer, dan is onze wereld vaak zo klein, zo beperkt en zo bekrompen. Maar de werkelijkheid is anders. Wij zien grenzen, waar die niet bestaan. Wij beleven tijd, waar deze geen werkelijkheid is. Wij zien beperking van leven, omdat wij menen, dat de beperking van vorm identiek is met de stilstand van het leven. Wij geloven in rechters en een eeuwige rechterstoel. Of dit nu het oordeel der Goden is, ofwel het Hof met de 42 rechters, of misschien de Heer Die oordeelt over goed en kwaad, wij geloven in een recht, omdat wij ons niet kunnen voorstellen, dat anders een evenwicht in het Al wordt geschapen. Maar de werkelijkheid moet daarvan verwijderd zijn. Want een oordeel, een recht geeft aan, dat er twee mogelijkheden en twee waarheden zouden kunnen bestaan binnen het Al. Er is een Waarheid; niet meer. Zo zal de mens altijd weer met de Waarheid zelve worden geconfronteerd; en niemand zal over hem ten oordeel zitten. De Waarheid zelve is voldoende”.

Hieruit vloeien een aantal problemen voort, die gedurende de inwijding o.a. van groot belang worden. Enkele daarvan handelend ook over deze vraagstukken leg ik U voor:

“Wanneer ik spreek, is mijn spreken een leugen, zelfs wanneer ik de waarheid zeg. Want in mij wordt de waarheid tot leugen, doordat zij beperkt wordt. En een waarheid, die ten dele wordt gezegd, ten dele wordt gezien, is ernstiger misleiding dan een leugen, waarvan men de onwaarheid kan erkennen”.

Dit moest de ingewijde goed onthouden, Je kunt niet spreken ever de dingen, die het meest waar en het meest heilig zijn. Want terwijl in je misschien een begrip bestaat, dat deze waarheid benadert of zelfs bereikt, kun je noch in geest, noch in stof een weergave hiervoor vinden, die deze waarheid volledig uit. En juist datgene, wat wegvalt, maakt deze waarheid tot leugen.

Wanneer je dus beweert wetende voor jezelf, dat je de waarheid gevonden hebt dat dit waar is en niets anders, bega je de grote fout anderen te dwingen jouw waarheid, die zij slechts gedeeltelijk kunnen aanvaarden, zien en begrijpen, te zetten als richtsnoer voor hun leven. Maar dat, wat zij niet weten, maakt voor hen het onmogelijk deze waarheid werkelijk te beleven.

Een ingewijde overziet de waarheid, overziet het leven. Dit is ook het doel der inwijding.

“Want”, zo staat er elders geschreven “de slang is het symbool der eeuwigheid, het symbool van de wijsheid, het symbool der genezing, maar ook het symbool des kwaads. Want ziet, in de eeuwige cirkelgang, waarin wij allen gaan tot het bewustzijn in ons ontwaakt is, vinden wij waarheid en leugen tezamen, goed en kwaad; vinden wij genezing en ziekte. De slang is het symbool van onszelf, zoals wij rond waarheid gaande, de waarheid zelve niet willen of kunnen. Maar indien wij weten, dat er een waarheid bestaat. kunnen wij ontkomen aan de voortdurende cirkelgang, die ons wezen tot op dit ogenblik heeft gebonden”.

En nu een klein stukje, dat U misschien dichterlijk klinkt, omdat het ook inderdaad stamt uit een dichtwerk;

“Hij strijdt en zijn ogen schieten duizenden pijlen. De wolk zijner toorn verdonkert de aard. Zijn stampende voetstappen doen de bergen beven. Hij aarzelt niet en gaat voort en rond hem sneven legers, vol van strijders. De dieren des velds ontvluchten hem. De vogelen des hemels zoeken hun heul in verre tocht en een nederig klagen. Want hij gaat rond door de wereld, die ontwaakte en het wapen van zijn eigenwezen leerde kennen. De mens – niet een God.”

Het klinkt U misschien vreemd, dat aan een mens een dergelijke werking wordt toegeschreven. En toch weet de ingewijde, dat dit waar is. Want de mens, die zich bewust is, is meer door zijn bewustzijn dan alle mensheid, die niet bewust is, dan alle wereld en alle aarde. Waar hij gaat is geen vijandschap mogelijk. Wie hem aanvalt wordt gedood. Niet door een wapen, maar door de pijlen van zijn blik. Het bewustzijn, dat uit zijn wezen spreekt, slaat zijn vijanden neer. Zijn schreden gaan over de aarde en hij begrijpt de aarde en is met haar in harmonie. En daarom siddert de aarde. Daarom beven de bergen.

Het is het ideaal van de bewuste mens, de grote waarheid, die elke ingewijde zal leren. Simpel onder woorden gebracht en onvolledig, maar toch reeds voor U begrijpelijk uitgedrukt is deze:

“Geen, wezen, dat zich bewust is kan zich verzetten tegen het Grote Bewustzijn, dat de sublimatie betekent van eigen leven, streven en doel. De bewuste is een met de natuur, met de goddelijke Kracht, met alle wijsheid en alle weten. Men kan zich daartegen niet verzetten. En zo men zich daar tegen verzet, verzet men zich tegen zichzelf. Men kan de wijze doden; maar zijn dood is niets dan één kort ogenblik van begoocheling der mensheid. De mensheid zelve lijdt er onder. Er is geen ondergang voor hem, die bewustzijn bezit”.

Al deze wijsheden zijn een inleiding voor een spreker, die ik met grote vreugde heb durven benaderen, vooral toen hij toezegde, dat hij zijn woord tot U zou brengen, zoals hij dat eens bracht tot degenen, die hij schoolde. De inwijding geschiedde door een mens, door een geestelijke meester.

Ik voel mij vreugdig ontroerd, dat ik U een dergelijke meester – zij het dan via een tussenschakel – persoonlijk kan laten horen. Maar ik waarschuw U, zijn woorden en taal mogen U misschien vreemd klinken en bloemrijk, maar wat hij zegt, heeft zijn betekenis, En de waarheid kent slechts één betekenis, en niet meerdere. In zijn woorden was altijd dé waarheid verborgen, de grote waarheid. Verborgen door de mens, die haar niet wilde begrijpen; niet door hem.

Wanneer hij tot U spreekt, zal hij U een waarheid zeggen. Het is aan U deze waarheid te begrijpen door niet te interpreteren, om te zetten, te vereenvoudigen; maar door de kern van hetgeen hij brengt, te begrijpen en aan te voelen. Het betekent een experiment, dat voor mij o.a. een grote verantwoording met zich mee brengt, toch hebben wij dit willen wagen, ofschoon ik het niet aandurfde U dit aan te kondigen, voor ik overtuigd was dat de sfeer voldoende was in homogeniteit en harmonie om juist dit experiment toe te laten.

Wanneer het U onmogelijk blijkt inzicht te verkrijgen in hetgeen hij brengt, dan willen wij U helpen de volgende bijeenkomst na de pauze, waar U dan kort en na onderlinge bespreking, u overlegde onduidelijke punten, de grote vragen naar voren kunt brengen. We zullen trachten daarop een antwoord te geven, dat U toont, hoe verder te denken,de oplossing kunnen wij U toch niet geven.

Mijne vrienden, ik vraag Uw aandacht voor deze verbinding, die op het ogenblik reeds gedeeltelijk is gelegd.

o-o-o-o-o

Men zegt, dat de zon leven geeft aan de aarde. Maar zou de zon doel, leven en nut hebben, wanneer niet door haar het leven werd gebaard? Leven is niet bestaan. Bestaan zonder meer is dood. Leven wil zeggen: leven wekken uit zichzelf een echo voortbrengen in de oneindigheid. En wij leven.

Uit onbekende krochten van bestaan klinkt ons de weergalm tegen van ons eigen zijn, van onze daden en ons streven. Wij moeten begrijpen, dat wij (juist omdat het onze stem is, ons zijn, dat terugklinkt uit de vreemde en ongekende wereld) nooit in staat zullen zijn vast te stellen, vanwaar vele dingen tot ons komen. Want zo onze weg ons een schrede verplaatst ziet de echo is een andere. De klank is vreemd, en het aantal der herhalingen groeit en neemt af, en wij weten niet waarom. Maar wie weet, dat de wereld een echo is van ons leven, van onze stem, die weet, dat de eigen stem bepalen van wat er terugklinkt. Ofschoon de veelheid der herhaling, de tijd van weer klank, niet ligt in ons, maar in de wereld waardoor wij gaan.

Men zegt, dat de arbeid noodzakelijk is. Men zegt, dat het streven naar eer en roem voor een mens belangrijk is, omdat hij zonder dat niet kan bestaan. Maar de bloemen zijn schoner getooid dan een mens zich tonen kan. En hun schoonheid is hun eigene en wordt niet ontleed aan vreemde stoffen en gebruiken en conventies. Zij gaan niet door het leven van plaats tot plaats in een jachtig streven. Zij wachten de vruchtbaarheid, die hen wordt gebracht.

En wijl zij onberoerd wiegen, zijn zij het beeld van de wijze. Want ziet, een leven is ons gegeven, en een wereld. Waarom zouden wij zoeken en gaan? Waarom zouden wij onze stem verheffen? Wij zijn. Indien wij ons in vertrouwen aan dit zijn overgeven niet vragende, hoe het anders of beter zou kunnen, maar aanvaardende dan vinden wij de wijsheid, die werkelijke pracht betekent, werkelijke grootheid.

Mens spreekt tot mens. Beperkt zijn hun woorden. Maar de bloem spreekt tot de wind, en de wind tot de bloem. De wind, die om de wereld gaat, voedt de bloem in haar wachtend bewustzijn met weten van de wereld, die zij beroerde. De bloem draagt vrucht … en vervalt. Maar haar grootheid ligt bewaard in het zaad, dat zij in zich draagt en de wortels, die nog schuilen onder de aarde.

De wijze puurt uit wat het leven hem geeft het zaad der wijsheid. Niet zelf gevend, niet gaande zaaiend met volle hand. Maar wachtend op de wind, wachtend op de Kracht, die hem roept en zegt:” Ziet, hier zult gij Uw wijsheid geven. Hier zult gij Uw kracht openbaren”. Hij weet, dat in deze openbaring de volheid van glorie en pracht, die hem thans omkleedt, verandert, te niet gaat. Maar wat deert het? Want het leven gaat verder. Het leven, dat niet gebonden is aan vorm, aan voorstelling of geloof, het leven, dat zelfs geen wijsheid vraagt. Het leven, dat werkelijkheid is ondanks onszelf. Dit is het kostbaarste goed en dit kunnen wij niet verliezen.

Maar leven doen wij eerst werkelijk, wanneer wij uit dit leven, dat in ons is, leven baren. Wanneer wij bewustzijn geven aan dat, wat onbewust is, opdat het zoals wij, bewust van zijn bestaan, zijn weg zal vervolgen.

Eens zal de zon doven. Maar wie zegt ons, dat de aarde zal sterven? Eens zal de wijze terugkeren in het leven, waaruit hij voortkwam. Maar wie zegt, dat zijn gedachten, zijn streven en zijn wijsheid niet zullen voortbestaan? Indien geen mens meer leeft op deze wereld en geen plant, wanneer de kilte van een eeuwige nacht de aarde omvangt, zelfs dan zal het leven van de zon in haar voortbestaan. Eens zal er weer leven komen. Vreemden uit ongekende verten zullen haar betreden, de geesten wekken in de lang dode steden, de wijsheid doen spreken uit de ruïnes.

Zo is het geweest toen de aarde begon. En de geesten op aarde zullen meegaan. Geesten, die niet meer zijn het leven, het werkelijke leven; maar het zaad, dat dit leven heeft achtergelaten, tot ander leven gewekt, tot nieuw bewustzijn en volle rijpheid.

Een wereld ging onder en zij gaf het zaad van haar wijsheid en bewustzijn aan Uwe wereld. Gij zult eens Uw erfdeel overdragen aan andere machten. En zolang iets leeft van Uw bewustzijn, van Uw streven en zoeken, zijt gij waarlijk onsterfelijk. Want gij zijt niet slechts in het grote bestaan, maar levend door Uw scheppende werking in de schepping, die nog zoekt en streeft.

Dit is dan de les. Oneindig lijkt ons het bestaan. Maar wijzelf bestemmen, of wij ondergaan en weer verklinken, of dat de weergalm van ons zijn van volk tot volk en van wereld tot wereld gaande, bewust zal zijn vervulling van de Wil, die aan al het zijnde de volmaakte bewustwording heeft opgelegd.

Einde van de les.

o-o-o-o-o

Ik mag dan voor U besluiten met een meditatie.

Het water

Het water, dat is eigenlijk het symbool van de eeuwigheid. Wanneer je het water ziet, steeds wisselend en zichzelf altijd gelijk, schijnbaar voortsnellend in een bepaalde richting en toch altijd weer terugkerend op zijn eigen schreden, gaande door vele vormen van vloeistof tot damp, van damp tot vloeistof dan voel je je mee opgenomen in de eeuwige levensgang. Dan zou je als een dichter willen zeggen;

Water, gij beeld van de eeuwigheid, gij voert met Uzelf voortdurende strijd.

Gij vliedt en gij vraagt, geeft Uw vijanden kracht, en wordt tot Uzelf terug weer gebracht als een mens in de eeuwigheid.

Want opgenomen door godd’lijke hand drijft g’als wolk over de vijand: het vaste land.

Ge daalt daar neer als zachte regen, brengt aan de aarde kracht en zegen en vruchtbaarheid.

Maar hebt g’Uw taak volbracht, beëindigt gij de Strijd…… een stroom, die draagt U zacht tot in d’ oneindigheid van d’eigen oceaan.

Water, gij zijt zinnebeeld van alle aards bestaan.

Water. Water, dat reinigt. Water, dat dorst lest. Water, dat het bestaan is van elke mens. Water, dat vernietigt, dat wredelijk slaat op de kusten. Water, dat zacht spiegelend de zon vangt en koelte geeft aan een zomerdoorwarmd land. Water, dat alles en niets tegelijk is.

Wanneer we gaan kijken in alles, wat er bestaat op de wereld, dan zien we in het water het beeld van het bestaande. En zoeken we het water in zijn kleinere vorm, dan zien we, dat al het bestaande water is met een paar kleine bestanddelen. Zouden we dat beeld dan, niet kunnen doortrokken voor onszelf?

Ons lichaam bestaat uit weinig vaste stof en water, altijd maar weer water. Wat moet ik er dan van zeggen? Moet ik soms zeggen, dat het is als met de geest? De geest, die de werkelijkheid is van ons wezen, met een heel klein kiezeltje stof er bij, niets anders, dan wat je nodig hebt om een vorm voor een tijdje te fixeren.

Het is a.h.w. levende kracht. En de levende kracht wordt ons tot wapen. Maar het heeft geen nut, dat wij geestelijk zoals het water soms doet proberen om de kust te bestemmen en om haar te verslinden. Want je kunt het vaste land niet wegbannen. Als je in de stof leeft, dan kun je geestelijk de stof niet onderdrukken en wegbrengen. Je kunt er een deel van overmeesteren, zeker. Maar het water, dat de kust heeft beroofd van een stuk van zijn duinenrij, b.v. is vuil en troebel en modderig. De geest, die probeert om een deel van de rechten van de stof af te breken, vertroebelt, is modderig, is niet helder meer. Ze zal een hele tijd terug moeten gaan in de oceaan, voor zij weer zuiver en helder is.

Nee, wij mogen onszelf en ons geestelijk vermogen niet zien als een wapen tegen de stof. We mogen het leven in ons niet zien als iets, waar je wat mee moet doen, het is meer iets, wat je moet zijn. Je moet zoals het water de vruchtbaarheid geeft aan de aarde je levende kracht maken tot een deel van je wapenrusting, waardoor je jezelf kunt vinden en jezelf kunt verdedigen tegen alle valse voorstellingen. De geest moet vruchtbaarheid geven aan de stof, vreugde. Opdat zij haar vruchten draagt in haar wereld. Opdat zij wat zal betekenen in het stoffelijk bestaan.

Wanneer je dat kunt doen met de geest op de goede manier, langs de zachte weg van een verdraagzaam neersijpelende regen, i.p.v. met een stormachtig geweld eerst te vernietigen in de stof, voordat je wat opbouwt, dan hebben we de methode gevonden om van onszelf een hele wereld te maken. Een wereld, waarin alles gelijktijdig bestaat. Een wereld, die in zichzelf een beeld is van dat, wat onze Heer van den beginne af heeft gewild, dat wij zouden zijn: een beeld van Zijn volmaaktheid.

Een dichter heeft het eens een keer zo gezegd:

Gij Kracht, Gij Heer, ver boven mij, Gij zijt zozeer verheven, dat ik U niet meer ken.

Soms lijkt het mij of even Uw stem klinkt in mijn wezen. Dan voel ik mij verlaten en vol van duizend vrezen in de wereld, die ik ken en toch niet ken, toch hebt Gij door Uw stem aan mij de weg gewezen.

‘k Moet zijn dat, wat Gij mij geschapen hebt te zijn, klein, nietig, groot en machtig, maar een en heel met mijn bestaan.

Dan vind ik Uw krachten in mijn wezen weer.

Dan zijt Gij eeuwig met mij, Heer, en kan ik niet ondergaan.

En dat is de waarheid. Wij kunnen niet ondergaan, zolang wij begrijpen, dat ons hele bestaan moet zijn een zo goed mogelijk samenwerken tussen alle krachten, die in ons leven. Een zo zuiver mogelijk “onszelf” zijn. Onszelf zijn, opdat de goddelijke Schepper, Die ons heeft gewekt ook tot dit bestaan, in de eenheid van ons wezen het stempel van Zijn eigen volmaaktheid kan leggen. En wij eens Hem gelijk kunnen zijn in deze volmaaktheid, die Hij ons geeft als geschenk en erfdeel. Wetend, dat wij (uit Hem voortgekomen) de weerspiegeling, zijn van Zijn wezen. Dat de taak, die wij volbrengen, gelijk is aan Zijn scheppingswerk, zodra wij in het volbrengen volmaakt zijn.

En dat is het lesje, dat ik dan voor vandaag aan U te geven heb. Ik ben misschien geen goed dichter. En misschien zeg ik de woorden niet zo mooi en indrukwekkend, als het hoort. Maar ze zijn waar. Waar, omdat er eens een ogenblik komt – en dat weten wij – dat ons leven, onze geest gaande door zoveel vormen, leert zich te beheersen en samen te gaan met alles, waar ze bij hoort. Alles, waarin ze wordt geplaatst. Harmonie te vinden. En hebben we die gevonden, dan komt de volmaaktheid van God in onze geest evenzeer tot uiting als de volmaaktheid in de stof. Dan is er geen goed en geen kwaad meer. Dan is er alleen nog bestaan, vrede en geluk.

Moge de machtige ons eens geven de bereiking van deze volmaaktheid in ons eigen wezen. Opdat wij Hem mogen kennen in het bewustzijn van onszelf.