Enkele oudere wijsheden

1 juni 1958

In de oude godsdiensten heeft de mens heel vaak getracht zijn eigen verhouding t.o.v. het Goddelijke en het leven te definiëren. En daarbij valt ons o.m. een volgende spreuk bijzonder op:

“Ongelukkig de mens, die lacht, wanneer de zon schijnt, doch weent, wanneer de hemel weent. Want ziet, hij is gebonden aan het kleine en kan het grote niet bevatten.”

En onmiddellijk daarachter vinden wij een andere spreuk;

“Hij, die kent het licht, dat heerst alomme, leeft in de gouden band der Oneindigheid,”

Ziende naar Uw wereld van vandaag valt het mij op, hoe velen met een bijzondere vreugde de eerste tekenen van een komende zomer begroeten. En ik kan mij deze vreugde wel indenken, Maar is deze vreugde nu ook werkelijk alles, wat een mens nodig heeft? Blijft dit niet zeer oppervlakkig? Want zo dadelijk stapelen de wolken zich op en komt het onweer en de vreugde is voorbij. Men voelt zich misschien krachtig en meent te kunnen zeggen; “Sterk ben ik, want de zomer komt en de zon schijnt.” Maar wanneer zo dadelijk de zwakheid wederom komt bij een kleine wijziging van omstandigheden, hoe kan een dergelijk mens dan nog zeggen, dat hij waarlijk gelukkig leeft?

De kracht der Oneindigheid is te allen tijde rond ons. Wij mogen haar niet alleen maar zien als een hypothese, als iets, wat…nu ja, wordt aangenomen en dan verder terzijde gelegd. Het is een levende werkelijkheid, die ons altijd weer kan blijven beroeren. De vraag is slechts; Zijn wij in staat om deze krachten rond ons ook voor onszelf werkelijk actief te maken en ons daarin te versterken, zodat wij onafhankelijk worden van alles, wat de wereld ons brengt? Om dit voor onszelf te bereiken moeten wij natuurlijk wel aan een aantal regelen kunnen beantwoorden. En die regelen, zo eenvoudig als ze zijn en zo oud als ze zijn, blijken ook voor een modern mens nog vaak heel zwaar te volbrengen. Zij luiden  omgezet in de termen van Uw eigen tijd:

Weet altijd, dat het licht er is. Wanneer gij meent, dat de wereld droef is en Uw wezen zwak, denk aan dit licht en denk niet aan Uw zwakheid. Denk niet aan Uw onvolkomenheden, maar aan hetgeen gij bezit. Vraag niet naar de lasten van het leven, doch sterk U aan de genietingen daarvan. Breng U zo – zonder U te hechten – tot een grotere eenheid met de volmaaktheid der wereld, waarin God Zijn wezen heeft uitgedrukt en waardoor Hij ons de volmaaktheid doet proeven, waar wij ook bestaan.

Ik kan mij voorstellen, dat U zegt; “Ja, maar dit is toch eigenlijk zo normaal. Wij kunnen toch altijd een beroep doen op God.” Maar om dit te kunnen doen, moeten wij onszelf vrijmaken van de twijfel. Dit kan voor ons het struikelblok zijn, niet alleen wanneer wij in de stof bestaan maar ook in de lagere lichte werelden.

Want wij menen, dat de wereld moet lopen volgens het plan, dat wij ons hebben uitgedacht. Wij menen te mogen heersen over onze kleine wereld en de verantwoording daarvoor ten volle te moeten dragen. Maar is dit waar? Kunnen wij een verantwoording dragen voor onze wereld? Wij zijn geen meester van onze wereld. Al wat geschiedt, geschiedt ten slotte buiten ons om. De enige verantwoordelijkheid, die wij bezitten, is voor ons eigen gedrag in die wereld; voor de wijze, waarop wijzelf zullen reageren, voor de manier, waarop wij het leven aanvaarden. Verder kan onze verantwoording niet reiken.

Uit de zee der gebeurtenissen spoelt telkenmale weer het beleven aan tot aan het strand der ziel. En het beziende vragen wij ons af; “Vanwaar is het gekomen?” De golven der Oneindigheid keren terug en ons strand is ledig en zonder beleven. En wij dromen van een tijd, dat het vol was met gebeuren en weten niet, dat het niet het gebeuren zelve is, dat aanspoelt, maar dat het de Oneindigheid Zelve is, Die ons wezen beroert.

Er is eigenlijk geen enkele reden voor ons, om ons te binden aan alles, wat met de materie samenhangt. Wijzelf staan in verband met de Oneindigheid, Wij kunnen daaraan niet ontkomen. Zelfs indien wij zouden willen, zouden wij ons leven niet kunnen uitblussen en terugbrengen tot een nietigheid in een ware doodsslaap, die slechts duisternis kent. De intensiteit van het bestaan is in en rond ons en dwingt ons voortdurend te gaan van wereld tot wereld en te beleven of wij dit wensen of niet. Het enig bepaalbare zijn wijzelf. Hoe kunnen wij ons dan beroepen op noodzaken? Hoe kunnen wij ons beroepen op verplichtingen, indien deze noodzaken en verplichtingen niet in onszelf liggen?

De oude wijzen hebben het geleerd; “Onthechting is het beste middel tot bezit, wie niet begeert zonder einde, doch accepteert wat hem gegeven wordt, niet vragende om wat heengaat, niet hongerende naar wat eens was, die vindt de volle vrijheid van het leven.” Hoe groter de band, die je knoopt, hoe sterker de gevangenschap, waarin je verkeert, en hoe moeilijker het wordt om te leven en vooral ook om de kracht der Oneindigheid actief te maken in jezelf. Want er staat immers geschreven:

“Het licht, dat buiten de mens is, leeft in hem, omdat zijn ziel deel is van het zijnde. Maar zo hij deze eenheid niet erkent, blijft zijn kracht beperkt en dooft zijn licht, flakkerend in een laatste wanhoop, omdat hij niet weet omtrent de werkelijkheid.”

Zolang wij ons door ons denken, door ons begeren, door onze gebondenheid aan aanzien, aan positie, aan al wat de wereld ons aan bezit en mogelijkheden biedt, afsluiten van een grotere werkelijkheid, zijn wij niet in staat daaruit te putten. Toch is dat het enige doel van ons bestaan. Hoe kunnen wij tot een bereiking komen, wanneer wij niet de kracht van de Oneindigheid actief kunnen maken in ons eigen wezen, zodat het ons gaat als de zoutpannen, waarin de zee binnenstroomt? En wanneer de zee zich terugtrekt, blijft haar rijkdom daarin achter. Telkenmale echter vult zij de pannen weer, zodat de rijkdom een hele wereld tot vreugde kan zijn.

Hierover schreef een denker in de tijden der oude Grieken:

“Wanneer de zee het zout brengt en de zon het water doet heengaan, dan is er vreugde. Want alle spijzen winnen nieuwe smaak door het zout, dat de zee ons achterlaat. Zou ze slechts eenmaal komen, wij zouden het zout niet durven gebruiken. Maar haar voortdurende gang, die binnendringt, zodra wij de sluizen openen, stelt ons in staat die rijkdom uit te delen, zodat de karavanen over de wereld trekken, dragende de gave van de zee.”

Wij zouden dit op de Oneindigheid eveneens kunnen toepassen. Het is voor ons praktisch onmogelijk om te allen tijde alleen maar die Oneindigheid te gevoelen, alleen in die Oneindigheid te leven. Maar wij kunnen steeds proberen om voor een ogenblik die eenheid met het Oneindige te bereiken. Hebben wij die bereikt, dan zal zeker langzaam dat gevoel van kracht en verheven zijn in ons verklinken, maar er blijven residuen achter.

Er blijft in de eerste plaats in ons een groter weten, een groter begrijpen van onze wereld en onszelf. In de tweede plaats gevoelen wij een rijkdom van weten en vermogen; Wij kunnen onze harmonie met de Oneindigheid a.h.w. doorgeven aan anderen; wij kunnen hen daarin juist versterken tot een nieuw bewustzijn. Ook de vrede, die de Oneindigheid ons geeft, zal soms weer wegtrekken en verklinken, maar nooit geheel. Want het weten van de vrede blijft achter. En zo zullen wij dit weten van de vrede kunnen uitdragen in onze wereld, totdat zij rijk wordt door ons eigen ervaren in de kosmos.

De feestdagen zijn voorbij en de gedachten van de mensen worden weer gericht op andere dingen. Zo dadelijk lokt misschien de verkoelende zee, of zijn het de blauwe meren, waarop de zeilschepen scheren als vogels. Misschien is het de koelte van het bos, waar de zon vreemde lichtvlekken in de schaduw kan tekenen en men zich een ogenblik bevrijd kan wanen van alles, wat beschaving en cultuur heet. Natuurlijk, het denken gaat verder, zoals het leven verder gaat. Er is geen voortdurend blijvende toestand van wonderlijke openbaring en ook geen blijvende toestand van eenmalig beleven.

Maar wat ons wel blijft is de Kracht, die in al deze dingen leeft. De zon, die in de winter schittert in de ijskristallen, is dezelfde, die licht geeft, wanneer de aarde warm openligt en trilt onder de belofte van komende oogst. Het licht, dat doordringt in de nacht, weerkaatst door de maan, is hetzelfde licht als dat van de zon. Het licht is niet verschillend; alleen de wijze, waarop de aarde het ontvangt, is anders.

Willen wij ons nu vastklampen aan de verschijnselen, dan openbaart zich aan ons een wereld met vele vreemde en wraakzuchtige goden. Onze wereld wordt er een van voortdurende nood en angst, van voortdurende beklemming en vrees, een wegvluchten voor de consequentie van het bestaan. Maar kunnen wij de essence van het leven begrijpen, kunnen wij zien, dat de lichtende Kracht Zelve de basis is van elk verschijnsel, wat kan ons dan nog deren? Wij puren ons zonlicht uit het schijnsel der maan; wij vinden onze zomer in de schittering van een ijskristal, dat de zon even weerkaatst. Het weten en het aanvaarden tezamen zijn het krachtige middel, dat ons tot een voortdurende beleving van de eeuwigheid brengt.

Er was – nog niet eens zo lang geleden – een man, die alle godsdienst wilde veroordelen. Met de spitsheid van zijn schone taal probeerde hij aannemelijk te maken, dat de hele wereld een samenhang van bedrog was. Arme, bittere mens, die voor zichzelf slechts de hoon over had, doch geen leven. Toen echter zijn stervensuur was gekomen, hoonde hij niet meer. En de priester, die tot hem kwam, accepteerde hij in een wanhoop te willen geloven. Hij kon niet geloven. Het was voorbij.

Toen kwam er een heel eenvoudige oude vrouw, zoals ze in die dorpen vaak voorkomen, half toverkol, half peettante van al wat daar in zo’n dorp leeft. En zij zegde tot deze man; “Ach, Anatol, wat maak jij je druk. Dit is het leven, komen en gaan. Maar kun jij het leven veranderen? Heb je met al je hoon één ding veranderd in het leven en in de werkelijkheid? Kom, mijn jongen, wees rustig, aanvaard het bestaan. Vraag je niet af; Wat zal morgen komen? Vraag je niet af; Wat is gister geweest? Je hebt gedaan wat je dacht, dat goed was. Wees er gelukkig mee. Je moet ondergaan wat het leven je heeft voorbestemd; Aanvaard het. Want weet je, Anatol, in al deze dingen leeft een werkelijkheid, die je alleen maar van binnen voelt. Je bent niet bang voor de dood, mijn jongen; je bent alleen bang, omdat je iets moet aanvaarden, wat je verworpen hebt. Omdat je moet geloven, waar je eigenlijk geweigerd hebt te geloven, omdat niet jouw wil maar de wil van een scheppende Kracht zich openbaart.” Het vreemde is, dat deze oude vrouw heeft gedaan, wat een hele wereld niet kon en wat geen priester kon. Zij heeft een mens vrede gegeven, omdat zij hem een ogenblik liet zien, hoe de samenhang tussen alle dingen voor ons belangrijk is.

Wij kunnen ons verzetten tegen de grootheid van de schepping en de wetten, die daarin vastliggen. Wij kunnen zeggen; “Ja, maar dat heb ik niet verdiend. En waarom nemen zij dat van mij niet weg?” Wij kunnen zeggen; “Dit is niet mijn schuld. Dit is niet mijn verplichting. Waarom word ik in deze situatie geplaatst? (Dat gebeurt zo vaak bij ons allen.) Waarom ben ik ziek? Waarom heb ik dit probleem? Waarom ben ik niet gelukkig? Waarom ben ik niet rijk? Waarom heb ik geen vrede? Waarom moet ik hier leven en niet daar?” En zo gaat het verder. Maar met deze waaromvragen sluiten wij onszelf voortdurend af van de kosmos, van de Oneindigheid. Het gaat er niet om, hoe wij leven of waar wij leven. Het gaat erom, of wij intens leven, werkelijk leven. Het gaat er niet om, of wij op aarde kunnen verwerkelijken, wat wij belangrijk achten. Het gaat erom, of wij een werkelijkheid kunnen aanvoelen, die voor ons uiteindelijk alle verwerkelijking betekent.

Ziet ge, daarin ligt het probleem van feestdagen, die voorbij zijn en van een mens, die verder moet leven. Zolang je meent, dat je alles op een punt kunt concentreren, gaat het verkeerd. Dan kun je nooit komen tot een werkelijk esoterische beleving. Esoterie is het beleven van de goddelijke Kracht in je, maar gelijktijdig het aanvaarden van de goddelijke Kracht, die buiten je ligt en die je voortdurend omhult als een beschuttende mantel. Het is een aanvaarding, die de kern is van alle esoterie,

Gelooft U mij, rond ons zijn ongekende bronnen van kracht. Rond ons zijn een licht en een vreugde en een vrede, die in onze beperking voor ons onvoorstelbaar blijven. Maar indien wij bewust trachten ons te bepalen tot onze eigen kleinheid, dan kunnen wij nooit verder komen. Daarom moet je je geest a.h.w. durven uitzenden in deze hogere wereld. Je moet a.h.w. je bede om kracht uitslingeren tot de Allerhoogste en dan wachten op antwoord. Met krampachtig doorgaan met te zeggen, wat je hebben wilt, maar wachten tot je de kracht gevoelt en de aanvaarding, die voor jou noodzakelijk zijn. Zo kun je komen tot het belangrijkste van het hele leven; De innerlijke rust van een steeds weerkerend contact met de Oneindigheid, die een innerlijke rijkdom geeft, waardoor je schenken kunt aan heel de wereld zonder zelve ooit te verarmen.

Dan is dat volgens mij belangrijker dan een Kerstfeest, een Paasfeest of een Pinksterfeest. Het is belangrijker dan alle dingen, die er bestaan. Hoe losser wij zijn van al dit normale en dit aardgebondene, hoe groter onze kracht. En hoe groter onze kracht, hoe nader wij zijn tot God en hoe meer wij weten, wat de werkelijkheid van het leven ook voor ons betekent.

Met deze kleine  misschien voor U te oppervlakkige  beschouwing neem ik af scheid van U en wens U een genoeglijke en zonnige dag. Een dag van vreugde, die misschien een afschaduwing mag zijn van de vreugde, die U innerlijk zult vinden.

o-o-o-o-o

Dan mag ik voor het tweede onderwerp gaan zorgen en gebruikelijker wijze heet dat eigenlijks commentaar. Maar ik vind het moeilijk om commentaar te geven op iets, wat eigenlijk bekend zou moeten zijn. Daarom zult U het mij niet kwalijk nemen, dat ik dit gedeelte van de zondag dan toch ga wijden aan wat andere onderwerpen.

Ik wil n.l. eens met U spreken over verschillende sferen. Want als je zo over die Oneindigheid hoort, dan denk je aan dat Ene, Dat niet meer gedeeld kan worden. Maar ons bewustzijn is niet in staat om Het in zijn geheel te omvamen, te omvatten. Dus, vrienden, zullen wij sfeer na sfeer moeten accepteren en aanvaarden. En dat kunnen wij dan eigenlijk heel eenvoudig in een paar simpele woorden omschrijven. In de eerste plaats Uw eigen wereld.

Nu denkt U, dat die wereld één sfeer is, maar dat is helemaal niet waar. In die wereld van de stof, waarin U op het ogenblik bestaat, leeft  U in verschillende sferen. Er zijn er, die de innerlijke vrede al kennen. Voor sommigen openbaart zich in de natuur de schoonheid, die identiek is aan een Zomerland. Anderen kennen de lichtende dromen van klanken, die behoren tot sferen, waar klank en kleur al de enige uitdrukking zijn geworden. En – wie weet – kennen sommigen reeds de oneindige vloed van genegenheid voor al het bestaande, die de werkelijke uitdrukking is van sferen, waar alleen, het witte licht nog regeert en waar alle kleingeestigheid en alle kleinzieligheid, alle vorming en beperking al gebannen zijn.

Wanneer je leeft op aarde, kies je jezelf ook een sfeer. Een sfeer, waarin je leeft. En dan kunnen we dat het best zo vergelijken: Onze geest heeft natuurlijk haar kantoor. Dat is ons lichaam. Daar komt ze regelmatig naar toe en soms heeft ze daar betreurenswaardig zware arbeid te verrichten. Maar zodra het ogenblik komt, dat het lichaam sluimert, dat de wereld een ogenblik vervaagt, dan snelt die geest naar huis. Want ze heeft ergens in de één of andere sfeer of wereld zich een tuin gebouwd, waar de vogels zingen. Daar schouwt ze naar bloemen van geestelijk weten, daar rust ze in de beschutting van een levende pergola, gevormd uit het eeuwige blad, dat weergeeft de schoonheid, de eeuwigheid van de Schepper. Onze geest lééft al in een sfeer, in een wereld.

Nu zult U zeggen; “Ach, wij op aarde merken er weinig van.” Maar vergeet een ding niet. Wanneer de tijd komt, dat de dood een einde maakt aan Uw stoffelijk bestaan, dan kan de geest werkelijk naar huis gaan. Dan gaat ze daar vrolijk, haast dansend heen als iemand, die met pensioen is gegaan en toch nog jong is en vol van krachten. Iemand die zegt; “Zie, nu ligt de wereld voor mij open, nu ga ik het leven genieten!” U kunt zich dat misschien moeilijk voorstellen, zoals het moeilijk is om van een kantoor of van een taak afscheid te nemen. Toch is het wel te doen. U hebt het misschien wel meegemaakt. Degenen, die het leven kunnen aanvaarden, vinden de vreugde juist in de gedachte, dat de arbeid voorbij is en dat ze nu hun eigen werk mogen doen naar hun eigen zin en lusten.

Zo gaat die geest dus,regelmatig naar een sfeer toe en in die sfeer bouwt ze zich a.h.w. haar woning. In haar vrije tijd kan ze – heel rustig – net als sommige mensen op aarde daar een beetje tuinieren. Of misschien vervaardigt ze verschillende dingen voor haar eigen gemak. Misschien ook probeert ze alweer relaties aan te knopen, opdat ze zo dadelijk geheel opgenomen zal zijn in dat andere bestaan.

Wanneer je dan op aarde zit, vraag je je natuurlijk af; “In welke sfeer, in welke wereld hoort mijn geest nu eigenlijk thuis? Want de kantooruren, die ken ik wel en die vallen soms zwaar. Maar hoe staat het met die  vrije tijd van mijn geest?” Nu wil ik vanmorgen proberen om dat een beetje duidelijk te maken. En dan meet ik natuurlijk allereerst trachten een parallel te trekken tussen de manier, waarop je op kantoor leeft en de buurt, waarin je a.h.w. geestelijk woont.

Wanneer je op aarde leeft en je bent alleen maar in een voortdurend verweer tegen alles, wat er gebeurt, dan woon je in een slechte buurt. Dan woon je in een buurt vol vervallen huizen en dan zal op zijn gunstigst de werkelijkheid van je geestelijk bestaan een soort van Schaduwland zijn.

Maar op het ogenblik, dat je al begint te aanvaarden en toch nog de belangrijkheid van het stoffelijke teveel gevoelt. U kunt zich dat misschien wel voorstellen: “Ik wil dit leven wel accepteren, maar het is zo moeilijk!”  dan behoort U eigenlijk tot die kleine middenstanders of die gegoede arbeiders, die ergens in een buitenwijk een klein huisje hebben, wellicht al met enige schoonheid, met wat meer vrijheid en wat meer lucht, dan je in de beperking van zo’n stad zonder meer verlangen of verwachten kunt. Dat zijn degenen, die – wanneer ze ooit ontwaken uit hun stoffelijk bestaan – zullen opgaan naar het lage Zomerland, daar waar de vormen zijn, waar schoonheid regeert, maar ook nog de beperkingen van de mensen.

Leer je te vertrouwen op hogere krachten, voel je je a.h.w, gedragen door andere machten, dan wordt het al beter. Dan behoor je tot degenen, die – ofschoon nog afhankelijk van anderen – toch een zekere positie bereikt hebben. Ze zijn a.h.w. in het stoffelijk bedrijf de uitvoerende macht geworden van hogere krachten. En zo kennen ze dan hun herenhuisje (zoiets van twee onder een kap) ergens langs een buitenweg, waar rondom de bomen al bloeien en de vlakten liggen. Zo’n huis, waarin je een ogenblik kunt menen eenzaam te zijn in vrede, buiten, rustig. Het is een sfeer, waarin de vorm begint te vervagen en waarin de schoonheid van lichtende kracht en de zang van eeuwige muziek eigenlijk meer gaat betekenen dan het feit, dat je zit en dat je woont en dat je contact hebt met anderen.

Mooier nog wordt het, wanneer de mens geleerd heeft in een intens geloof normaal nederig zijn stoffelijke taak verder te vervullen. Om een misschien wat dwaze vergelijking te maken; Zo iemand is als de rijkaard, de miljonair, die – zich verplicht gevoelend voor zijn medemensen iets te doen – een taak heeft aanvaard, die hem niets meer oplevert, maar die hem toch regelmatig gebonden houdt. Wanneer hij thuiskomt, vallen de kleinheid van zijn kantoren en de drukke bezigheden met kleine dingen plotseling weg. Dan staat hij daar op zijn grootse landgoed met misschien een vijver, waarin een boot wacht op iemand, die een ogenblik over het water wil dwalen; met de rijkdom van een woud, waarin je kunt wandelen, en overal de verscholen hoeken, waarin je de weelde van het leven kunt genieten. Een sfeer, waarin klank en kleur zijn samengeweven tot een beeld van oneindige schoonheid en waarin je zelf meezingt en meeklinkt in een wereld, zo ver reeds verwijderd van wat je nu nog kent, dat het moeilijk is daarvan een beeld op te bouwen.

En nog gelukkiger mensen zijn er, nog rijker dan dezen. Er zijn er, die zich niet meer beroerd gevoelen door het leven, hun werk volbrengende ommentwille van de taak, die zij op zich genomen hebben, maar zelfs niet meer vragend naar bezit of naar kennis. Het zijn is hun voldoende. Het gaat hen misschien als een kluizenaar, die in de oneindigheid van de Himalaya’s een ogenblik uitschouwt en ziet, hoe de sneeuwpluimen boven op de berg wegstuiven, hoe de wolken komen, hoe de storm raast en toch in zijn eigen geborgenheid alleen de schoonheid nog ervaart, tot alles samenvloeit in één oneindig dankgebed om het leven en de schoonheid daarvan. Een wereld, waarin de klanken zijn verstorven voor de geest. Een wereld waarin het licht zelve wezen en adem is geworden, waarin de vreugde veranderd is in een intensiteit van voelen en denken, dat je reeds verknoopt met de Oneindigheid, Die je nog niet kent maar vaag aanvoelt.

Zo kan een mens op deze wereld reeds contact hebben met werelden en sferen, ver, ver boven zijn gedachten als stofmens. Maar voor ons allen liggen die banden klaar. Want ook wanneer wij zijn overgegaan, werken wij. En ons werk zal ons soms voeren naar de sombere gebieden, waarin kreunende geesten de spiegeling van zichzelf of van voortdurend ongeluk vinden. Maar ver, ver boven ons werkgebied, daar ligt een sfeer, waarin de gloed van een eeuwige liefde onze werkelijkheid is geworden. We komen tot de wereld en we spreken, we zijn een ogenblik weer in contact en gebonden, we zien Uw gedachten, we zien het lichtende spel van de aura met al zijn verschijnselen van ziekte en van nood, met al zijn verschijnselen van problemen, van denken, van wanhoop, van zoeken, kortom, van al wat menselijk is, Maar daarbuiten, ver boven Uw begrip en toch zo dicht bij ons, daar ligt ons thuis: Een vlakte van gouden licht, dat een trilling zelve is, waarin alles beleefd kan worden en waarin wij  komende uit de beperking  de oneindige harmonie en rechtvaardigheid van de Schepper telkenmale weer ondergaan.

Schoon zijn onze werelden, vrienden. Schoon is ook Uw wereld. Want wanneer wij zelfs uit de hoge klaarten van onze werelden terugkeren om te arbeiden, zult ge begrijpen, dat dat een noodzaak is. Wij moeten werken om overal ditzelfde licht, ditzelfde geluk kenbaar te maken. Anders heeft het leven geen zin. Dan heeft ons persoonlijk bestaan geen enkele inhoud meer. Zolang we dat niet kunnen prijsgeven, zullen we dus dalen en streven. Maar wat geeft het; het is goed om huiswaarts te keren. Want hoe groot is de vreugde niet, wanneer je weer in je eigen omgeving binnentreedt, in dat wat je kent, wat je lief is geworden, dat waarvan je deel uitmaakt. En het is goed om telkenmale weg te trekken. Het is goed zo elders iets te brengen van je eigen wezen en toch weer net geluk van de terugkeer, de intensifiëring van het beleven van je eigen sfeer, te mogen doormaken.

Zo is het voor U ook. Uw geest leeft met U mee, denkt met U en werkt met U, tracht U krachten te geven en tracht Uw lichaam te overtuigen van de belangen van de geestelijke taak. Maar wanneer het lichaam sluimert, wanneer langzaam maar zeker de aarde verbleekt voor Uw denken, dan keert ze thuis met een intense vreugde om de vrijheid, die ze daar ervaart. Want slechts de mens, die absoluut al het eeuwige tracht te verwerpen, die vindt in zijn dromen misschien een duisternis, nog niet levend tussen de spoken, die hij zo dadelijk in zijn denken zal projecteren, wanneer de band met de wereld voorbij is.

Maar de meeste mensen zoeken toch naar vrede en naar liefde. Zij zoeken naar geluk en eeuwigheid. Daarom zullen de meeste mensen ergens een veilig geestelijk thuis vinden in een van de sferen. En daar zullen ze hun woning bouwen, daar zullen ze de tuinen steeds schoner maken om te kunnen rusten, wanneer de laatste taak der stof voorbij is en het bewustzijn wederom tot zichzelf mag terugkeren.

In deze belofte – neen, het is geen belofte meer, het is een werkelijkheid – dus in deze realiteit leeft gij allen. Wanneer gij haar beseft, zal ze U een kracht zijn en een steun. En zo wordt het U dan misschien mogelijk om de eenvoudige regels van mijn voorganger gemakkelijker op te volgen. Want wat deert je eigenlijk: één steen, wanneer je een heel gebergte bezit? Wat deert je een ogenblik van schaduw, wanneer het levend licht zelve deel van je wezen is? Wanneer het U ooit zwaar wordt in de wereld, probeer dan na te denken over Uw thuis. Droom een ogenblik weg. Misschien zult ge iets weten van een wereld, die reeds de Uwe is. En zeker zult ge de troost vinden van een Oneindigheid, Die reeds nu werkelijk is.

Ach, vrienden, waarom zou ik lang spreken? Buiten zingen de vogels, buiten lokt nog een ogenblik de zon en drijft er weer een wolk aan, die het blauw van de hemel begint te bedreigen. Waarom zou ik langer spreken? Als gij weet, dat mijn woorden waar zijn, zult ge een vreugde kennen, die onafhankelijk is van deze kleine dingen. En zo ge dat weten nog niet bezit, ach, verheug U. Verheug U in alles, wat het leven U geeft aan licht, aan zorg, aan vrede, aan weten omtrent je eigen deel in het bestaan. Want voor geluk zijn we allemaal geschapen, niet voor zorg. Voor bewustzijn zijn we geschapen en niet voor de lompe dwaasheid van de wanhoop. Daarom laat ik U nu weer rustig over aan de laatste spreker, die de bijeenkomst voor U zal besluiten. Want ik weet, dat buiten de wereld roept. En als die wereld niet meer roept, dan wacht U nog Uw eigen thuis. Ik hoop, dat U daar veel kracht zult vinden om op aarde meer te betekenen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

THUISKOMST

Dat is een mooi onderwerp, want ons werkelijk thuis – dat hebt U van de vorige spreker kunnen horen – ligt ergens in het Licht zelve geborgen. Daarom kunnen wij wel een parallel gaan trekken; een parallel tussen de thuiskomst op aarde en de thuiskomst in de werelden van vrede. Misschien mogen wij het dan zo zeggen?

Wat ben ik moe, geslagen, hoe lang viel mij de weg, hoe zwaar de last te dragen tot eindelijk nu aan ’t einde van mijn kracht een laatste schrede mij nabij mijn thuis weer heeft gebracht.

O, kleine haven van vrede, vol van licht en geborgenheid, hoe hunkeren mijn schreden naar U, hoe leidt mij elke weg tot U terug.

Wanneer ik weer de wereld mag verlaten om in te gaan tot U, en weer mijzelf mag te weten in dat, wat ik mijzelf heb gebouwd; wanneer mijn hand weer strelen mag al, wat mij zo vertrouwd werd; wanneer mijn gang weer wordt een, die behoort tot eigen huis en wezen, dan vallen weer van mij wel duizend sombere vrezen en ben ik eindelijk gerust, voel ik mij eindelijk vrij.

Mijn ziel, op lange tochten hebt gij veel “thuis” genoemd en hebt misschien de weelde van Uw bezit geroemd. Maar moeilijk zijt ge voortgeschreden, verlatend de woning weer op elke levensweg om verder nog te gaan.

Ge hebt getrokken Uwe baan door sferen van het licht. Gij zijt gegaan door duisternis en hebt U tot de stof gericht om haar weer te ontvluchten. En duizendmaal hebt gij gezegd; “Hier, bouw ik mij een huis.” Maar nergens, ziele mijn, waart gij of voelde gij U thuis.

Want het Thuis, waarvan gij zijt uitgegaan, is een koepel van lichtende krachten. Daarin woont een Vader, Die liefde is. Van uit Hem brachten eens de tijden U voort. En Uw verlangen bindt U nog aan ’t lichtende kristal van ’t zijn, als ware ’t een zilveren koord, dat U geen vrede geeft, zolang ge leven moet op andere plaats.

Zijt gij het leven moe, mijn ziel? Werd al te zwaar U al het lijden? Is in U als een laatste klacht nog ‘t stil verbreiden van de nacht, die alles blussen zal?

Mijn ziel, wat zijt gij dwaas. Ziet gij niet sterren zonder tal, die aan de hemel staan? Ziet gij niet, hoe een lichte streep een ogenblik een baan trekt langs de donkere hemel? Ziet geniet Uzelf gaan als licht, daar tussen het gewemel van de sterren door? Voelt gij niet nog in U klinken Uw eigen stem als deel van ’t koor, dat de Oneindigheid omzweeft?

Ach, ziele, zijt gij moe, het thuis is zo nabij. Nog enkele schreden slechts, dan zult ge weten weer en vrij kunnen gaan. Vrij in de haven, waar ’t bestaan geboren wordt en de werkelijkheid U leeft.

En komt gij eindelijk thuis, zie,het licht, dat is het leven, heeft een welkom U geschreven. En uit het paarlemoeren hemelrijk wordt voor U plots het weten weer geboren. Je voelt U rijk; en schoner dan te voren is ’t weten om de eeuwigheid.

Gij zijt thuisgekomen, mijn ziel, en moogt door het lichtend leven verdergaan. De sluiers zullen vallen, de laatste poorten opengaan. Gij zult aanschouwen, gij zult weten; Dit is de vreugde, dit is het eind van alle strijd, omdat ik – thuisgekomen – in mag treden in de ene grote Werkelijkheid.

Want, mijne vrienden, wij komen vaak thuis op de aarde en soms in de sferen. Maar er is maar één ware thuiskomst: op het ogenblik dat de levensweg vervuld is, het ogenblik dat wij de werkelijkheid kennen en aanvaarden. Tot die tijd mogen wij een wijle rusten op een plaats, die wij misschien “thuis” noemen. Maar er is slechts één werkelijke thuiskomst: wanneer wij kunnen terugkeren naar de liefdevolle kracht van Hem, Die ons heeft geschapen.