Enkele punten uit de geheimleer

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 70

16 juni 1957

Wanneer wij ons bezighouden met de leer, die Jezus heeft verkondigd, dan valt het vaak op, dat die leer eigenlijk een klein beetje een pessimistische leer is. Tenminste wat de mensen ervan gemaakt hebben. Men zegt: Je mag geen goederen bezitten, je mag niets doen, waarin je plezier hebt. Je mag alleen maar met een somber gezicht de Heer loven. Begrijpelijkerwijze is dit een vertekening van de werkelijke leer, die Jezus geeft.

Ik zou Jezus opvatting van waar geluk op deze bijeenkomst nog uiteen willen zetten. Ik citeer hier voor het grootste gedeelte woordelijk, wat Jezus heeft gezegd, hier en daar aanvullende met citaten uit de z.g. Griekse groep van Johannes (dat is de groep, die hij na het z.g. Pinksterfeest een tijdlang gevormd heeft en waarin ook deze punten vaak werden besproken).

Waar geluk is niet bezitten maar ondervinden. Hoe kan men beter, gelukkiger één zijn met de wereld, met God en met de mensen dan zonder bezit? Wie mij volgt moet zijn bezittingen achter zich laten, want alle bezit is een rem, wanneer men wil komen tot de Vader. De Vader alleen is de werkelijkheid, het ware geluk. Het Koninkrijk Gods benaderen, terwijl je beladen bent met bezit, is moeilijk; want het Koninkrijk Gods, dat in U woont, vraagt Uw hele wezen. Ge kunt niet een deel van Uw wezen achterlaten om stoffelijke zaken te regelen en stoffelijke bezittingen te behoeden. Ge moet geheel en al één zijn met de Vader, zoals Hij Zich in U openbaart.

Indien gij echter het geluk kunt vinden, bedenk dan wel: De Vader ontzegt U niets. Hij gebiedt U niet de vreugde te verwerpen, die Hij voor U geschapen heeft. Slechts zegt Hij U: Bedenk, dat gij Uw naaste lief hebt gelik Uzelf. Zo doe niet aan de naaste en neem niet van de naaste, zo gijzelf dit niet zoudt willen geven, zelve niet zoudt willen missen. Ware naastenliefde is de enige wet. Ik ben het Nieuwe Verbond. Het Oude Verbond is vervallen. De oude wet is teniet gegaan. Want ik verkondig U de wet van de ware liefde. De ware liefde eist niet en vraagt niet, maar geeft aan allen. De ware liefde is niet persoonlijk. Want de persoonlijke liefde is te beperkt voor de volheid van liefde, die de Vader openbaart in al Zijn schepping.

Het is begrijpelijk, dat hier commentaren uit moesten voortvloeien. En het eigenaardige is, dat van alle leerlingen alleen Johannes, van wie wij betrekkelijk weinig horen, in staat is geweest om de ware interpretatie te bewaren. Johannes, die in tegenstelling tot de andere leerlingen zich niet gebonden achtte aan de wet, omdat zijn Meester hem van de wet bevrijd had. Bij alle andere leerlingen vinden wij de Joodse wetten de Tien Geboden als hoofdpunt, als kern van het christendom.

Dit is echter niet waar. Johannes zegt erover tot zijn leerlingen, kort voordat de andere leerlingen hem zullen verloochenen en ontkennen, dat hij de ware leer van Jezus verkondigt: Onze Meester kwam om de vreugde te brengen, die niet slechts bestaat in deze wereld maar te allen tijde. Het Koninkrijk Gods is van deze wereld zowel als van alle wereld. De Vader heeft geen wet geschreven, noch heeft de Meester een wet gesteld. De enige wet, die hij geeft is: Heb Uw naasten lief gelijk Uzelf. De enige raad, die hij geeft is: Doe wel aan een ander, omdat ook gijzelf gaarne welgedaan wordt.

Dit nu is de waarheid en de werkelijkheid. Wie een ander mint, zal hem niets nemen, zal hem niets ontstelen. Hoe zal dan Jezus nog verkondigen: Gij zult niet begeren? Hoe kunt gij een ander doden, doden op een niet aanvaardbare wijze, wanneer gij die ander liefhebt, alsof hij deel van Uzelf ware? Deze wet is overbodig. Hoe zoudt gij Uw ouders niet eren, wanneer zij deel van Uzelf zijn en zij geëerd willen worden? Maar gij kent slechts één ware bron en één ware oorsprong: de Vader uit Wie we zijn voortgekomen. Onze Meester heeft ons geleerd al te verwerpen, alle wet, alle bezit en slechts te aanvaarden, wat de Vader ons geeft. En in deze aanvaarding één te zijn met al, wat de Vader geschapen heeft.

Jezus voegt daar in de kleine kring commentaren aan toe, die zeer belangrijk kunnen zijn. Hij zegt hier nadrukkelijk: Zo zeg ik U, al wat geschapen is, is geschapen ook voor U. De Vader heeft U het recht gegeven de wereld te beschouwen, te beleven en te genieten. Hij heeft U het recht gegeven al Zijn gaven op te eisen als de Uwe. Ja, wat meer is, door U het leven te geven heeft Hij U het recht gegeven te allen tijde een beroep op Hem te doen. Want, uit Hem voortgekomen zijt ge deel van Hem. Zo zal Hij U nooit verloochenen. Wanneer er iets is, wat ge begeert, ga tot de Vader in vol geloof en Hij zal het U geven. Wanneer er iets is, wat U hindert, ga tot de Vader en klaag Hem en het zal U genomen worden. Niets is onmogelijk. Niets wordt U onthouden. Niets kan U als leed benaderen in deze wereld. Zolang gij de wereld aanhangt en niet de Vader, zal Uw leven er een zijn van smarten. Zodra gij echter Uzelf verwint en één zijt met de Vader in Uzelf, zal slechts vreugde Uw deel zijn. Want ziet, het paradijs is niet teloor gegaan, maar de mens heeft het paradijs verlaten. Niet de vreugde is teloor gegaan, maar de mens heeft de vreugde verworpen. Niet God is teloor gegaan voor de mens, maar de mens heeft God verworpen. De Vader is rond ons en leeft in ons zoals in alle dingen. Wie Hem aanvaardt is één met al; en zo vrij en vol van de werkelijke vreugde. Slechts wanneer wij denken als mensen, kunnen wij lijden. Indien wij denken als delen van God, zullen wij bevrijd zijn niet slechts van lijden, maar zelfs van al, wat het leven biedt, omdat de vreugde Gods groter is, dan al wat in het leven bestaan kan.

Jezus predikt geen stoffelijke vreugde. Hij predikt ook geen droefzinnige onthouding. Hij is niet droefgeestig. Johannes heeft dat als volgt weergegeven: Wanneer een lied U vreugde is en anderen vreugde geeft, zo zing, De Meester heeft ons vreugde gepredikt. Nooit heeft hij ontzegd een beker wijn, het voedsel, de vreugde van een volle dag, van een rustige avond. Altijd weer heeft hij ons gegeven de volheid van zijn persoonlijkheid, de volheid van het bestaan. Hij kon dit doen, want hij kende de vreugde. Maar hij was dan ook niet mens. Slechts in zijn lijden was hij een korte wijle mens; en ziet, Hij werd verheven boven zichzelve, zodat zelfs het menselijke hem niet meer kon beroeren.

Johannes gelooft in de vreugde als een erkenning van God. Het is geen wonder, dat hij dat geloof in zich draagt. Want heeft Jezus zelve niet gezegd: Wie weent om zichzelf, weent verkeerdelijk. Zijn tranen zijn een zonde tegenover de Vader. Wie weent om anderen, dat hij wene om hun onbegrip, niet om hun werkelijkheid. Want zie, de Vader leeft in hen en zo zijn zij één met Hem, onverbrekelijk verbonden met de Volmaaktheid, die de werkelijke en grote vreugde is. Doch zo gij ziet, dat zij niet bevatten en begrijpen, ween met hen, opdat Uw tranen hun tot troost zijn, waar Uw kracht dit nog niet kan worden.

Jezus geloofde in een ontkenning van het leed, Geen daadloze of onpraktische ontkenning van het leed. Hij geloofde in een ontkenning, die daadwerkelijk was, Zelve zegde hij hierover: Zo ik genees, genees ik de ziel. En waar de ziel genezen is, daar is al genezen en is er werkelijke vreugde. Want niet zij, die zonder gebreken zijn, maar zij die gebreken overwinnen, zijn de bron van werkelijke jubel. Zij immers vinden het licht terug en geven zo rijker licht aan allen, Slechts dat, wat nog niet erkend was, is een verblindende onthulling. Slechts dat, wat nog niet ervaren werd, kan een grotere vreugde betekenen, zelfs in volmaaktheid.

Johannes amendeert dit mijns inziens a.h.w. volledig in de zijn van zijn Meester, wanneer hij zegt: Onze Meester genas de zieken. Maar zijn genezen was niet een ingrijpen in het leven van mensen, doch slechts het hen bewust maken van de kracht des Vaders, die in henzelf woonde. Wanneer onze Meester met de bedroefden weende, zo weende hij, omdat zijn tranen hun troost zouden zijn. Indien hij lachte met hen, die lachten, zo was zijn lach beperkt, opdat niemand zou menen, dat zijn vreugde uit andere bron stamde dan de hunne. Maar de ware vreugde leefde in hem, omdat hij de Vader kende. Wie met hem is geschreden langs de wegen, wie met hem heeft gerust aan de bronnen weet, dat er geen was, in wie de vreugde zo intens brandde als juist in Jezus van Nazareth.

Dit is een heel andere visie van Jezus, dan de meesten van U zullen hebben gehoord tot nog toe. Toch is ze waar. Zij is zo waar, dat Jezus zelve na zijn herrijzenis – dus kort voor zijn daadwerkelijk afscheid van deze wereld – aan zijn leerlingen enkele regelen geeft. Regelen, die o.a. door Petrus en Andreas samen met Simon (Simon II) volkomen foutief worden uitgelegd en leiden tot de stichting van de eerste commune Christengemeenschap in Jeruzalem. Gelukkig echter zijn er anderen, die deze interpretatie beter hebben begrepen en is ondanks alles zijn woord niet geheel voor de wereld teloor gegaan. Hij leerde hun toen:

Tot U ben ik gekomen uit het Oneindige en van U keer ik terug tot het Oneindige. Want ziet, ik ben één met de Vader en één met de Vader kan ik niet één zijn met U alleen. Maar vóór ik ga, wil ik U leren, wat de kracht des Vaders is en het Koninkrijk Gods, zoals het in werkelijkheid bestaat. Ween niet. Zij, die wenen; beklagen zichzelf. Wie zichzelf beklaagt, vervreemdt zich van de wereld. Ween niet om anderen. En zo ge al met anderen weent, ween slechts om de vreugde te vergroten. Als ik ben heengegaan, deel wat gij bezit met anderen. Zeg nimmer: “Dit is mijn,” of “dat is het Uwe.” Want al wat gij bezit, hebt gij gekregen van de Vader. Al wat gij van de Vader gekregen hebt is niet slechts van U, maar van al, wat uit de Vader is voortgekomen. Zo aarzel niet, indien een ander U iets reikt. Want ook wat hij bezit is uit de Vader, en zo neemt gij niets dan Uw rechtmatig deel. Wanneer ik zal zijn heengegaan, zo leg ik U dit op: Wees vreugdig, treur niet, noch om mij, noch om wat ge verder in de wereld schijnt te verliezen. Treur niet om hetgeen men U zal aandoen en treur niet om hetgeen gij niet kunt volbrengen. Doch verheug U, omdat in U woont de machtige God, Die in U en rond U werkt door alle eeuwen. Uit Hem zijn Uw daden; uit Hem dat, wat gij verlies noemt zowel als wat gij gewin noemt. Zo wees Uzelf gelijk te allen tijde; Uzelf gelijk als een deel van Hem, Die ons heeft voortgebracht. Slechts zo zult gij de werkelijkheid ervaren en weten, wat de waarheid van het leven is.

Niet treuren en niet je verheugen, dat is een vreemde opdracht, die aan een mens wordt gegeven. Toch wordt het duidelijk, wanneer wij Johannes leringen hier weer als commentaar gebruiken. Wie zegt zich te verheugen, kent niet de werkelijkheid. Wie zegt te treuren, kent niet de werkelijkheid. Want zo ge mij vraagt, “wat is waar?” zo zeg ik U; niet datgene, waarover gij U verheugt. Want Uw verheugen stelt het als persoonlijk, als behorende tot Uzelf. Maar niet gij, doch de aarde is de drager van hetgeen, waarover gij U verheugt. En zo gij treurt, treurt gij verkeerdelijk. Want Uw leed is niet een persoonlijk verlies, maar het verlies van de aarde. En wat kan de aarde treuren, indien zij gewint of verliest, waar haar baan in de eeuwigheid bepaald is? Wij weten niet, hoe de Vader deze wereld zal voeren. Wij weten niet, of Hij de pilaren onder haar zal breken, zodat zij ineenstort, of haar zal verheffen boven zichzelf en plaatsen temidden van Zijn hemelen. Maar wel weten we, dat God in ons kenbaar is, en dat dit het enig belangrijke is: God kennen zonder een verheuging, zonder een droefenis. Want vreugde noch leed zijn in de Vader, doch vrede. Vrede, die is de ware vreugde,

Dit heeft Jezus U gepredikt en dit herhaal ik U: Wees zonder schulden. Niet ommentwille van de Vader maar ommentwille van Uzelf. Opdat gij zonder beklag of bewustzijn van schuld zult kunnen gaan tot Hem en aanvaarden de kracht, die in U woont. Verheug U niet dan over de Vader; opdat ge niet door de vreugden verleid Hem vergete. Doch verheug U om de Vader, Die in U is, om het Koninkrijk Gods, dat U geopenbaard wordt. Want ziet, hierin zijn alle dingen vervuld, hierin wordt al beëindigd en is de eenheid met God, de eenheid met onze Meester en do voleinding van de weg.

Ik geloof, vrienden, dat na al deze leringen, U één ding is duidelijk geworden. Jezus leer is anders; anders dan men ze predikt. Het is geen leer van onverschilligheid. Het is ook geen leer van een voortdurend streven naar hier nog niet bestaande dingen. Jezus leer is een simpele leer: De aanvaarding van het leven zonder beklag, zonder vreugde, als een uiting van God; en het beleven van die God in vreugde. Dat is de waarheid. En wanneer Jezus dit uitdrukt door ons te zeggen, dat alle dingen één zijn met de Vader en dus één met ons, zo wijst hij er te sterker op hoe groot deze eenheid in werkelijkheid moet zijn.

Er zijn zeer veel geheimen, die wij in deze kring nog niet hebben besproken. Maar toch meen ik, dat deze reeks van lezingen, U iets heeft kunnen zeggen. Dat ze U heeft gezegd: Wij zijn ten slotte vrijer dan wij denken. Maar het enig nut, dat wij van onze vrijheid kunnen hebben, is niet het aanvaarden van wetten of van plichten, maar het is het aanvaarden van God Zelf, de Vader, zoals Jezus zegt. En de eenheid met Hem, die hij noemt: Het Koninkrijk Gods. Er is geen ogenblik, dat wij verlaten of eenzaam zijn. Er is geen ogenblik, dat ons bestaan doelloos of nutteloos is, ook al schijnt het ons zo toe. Er is geen ogenblik, dat wij rijker zijn dan anderen of armer. Zo is de werkelijkheid. Wij zijn niet hoger of lager dan anderen, geestelijk noch stoffelijk. Wij zijn allen één. Een in de Schepper, Die ons voortbrengt.

Dat is Jezus leer. En zijn leer voegt daaraan toe: Wees bewust hiervan. Wees U ervan bewust, dat gij één zijt met de schepping; en door de schepping met de Schepper. Wees U ervan bewust, dat alles, wat gij niet beoordelen kunt in die schepping, zijn doel en zijn reden heeft. Wees U ervan bewust, dat zolang ge U gedraagt als een werkelijk deel van deze grote eenheid, deze eenheid U te allen tijde zal helpen, steunen, troosten en in stand houden. En onverschillig wat voor offers ge zult brengen aan die eenheid, ge zult niet werkelijk kunnen lijden van af het ogenblik, dat ge U die eenheid bewust zijt.

Dit is het criterium van Jezus leer. Hierin ligt alles opgesloten, hierin is alles bijeengebracht. Hoe ge U ook denkt, hoe ge wilt streven, hoe ge wilt leven, het is onbelangrijk, zoals Uw handelingen en daden op zichzelf onbelangrijk zijn. Er is maar één waarlijk belangrijk ding in die hele wereld, in het hele zijn en het hele Al: Eén zijn met God. En hoe meer je je dat realiseert, hoe vrijer je zult worden van werelden en sferen; hoe intenser je je één zult voelen met de werkelijke, levende Kracht.

Laten we niet vergeten, dat Jezus zegde: Wie het Koninkrijk Gods vindt in zich, die heeft de waarheid gevonden. En voor deze is er geen leed, geen vreugd. geen bestaan dan in God. Slechts indien de Vader ons oplegt Zijn wil te volbrengen, kunnen wij soms aarzelen; maar indien wij durven aanvaarden, zo zal wat ons leed schijnt, onze vreugde en verheerlijking betekenen.

Het komt niet aan op Uw stoffelijke wereld. Het komt er helemaal niet op aan, wie of wat U bent; of U rijk bent of arm; of men U goed of niet goed heet op deze wereld. Het gaat er alleen maar om: Kunt U van uit Uzelf de waarheid accepteren, die God in U legt. Dat is het punt, waar het om gaat. Ik hoop, dat U tenminste dit zult onthouden. Het zal het U gemakkelijker maken Uw hele leven te richten op deze grote werkelijkheid: het erkennen van God; en het uitschakelen van die vele bijkomstigheden, die soms zo’n droom, zo’n onwerkelijkheid zijn, dat niemand de realiteit meer kan benaderen, wanneer hij in die droom verzonken is.

o-o-o-o-o

Een dichter zegde eens; “Wanneer een vogel zingt in een kooi, wie zal zeggen of zijn lied vreugde uitdrukt of smart?” Wanneer ik hoor, hoe er wordt gesproken over de vreugde, die Jezus predikt, dan komt mij dit beeld weer onmiddellijk voor ogen. Want zijn wij niet allen eigenlijk gevangen vogels? In de vrijheid van een oneindig bestaan zijn wij tezamen gedrongen hier in deze kleine wereld, deze kleine ruimte, in de beperking van onze wereld, onze sfeer. En veel van hetgeen wij uitstoten als een jubelklank, is eigenlijk een beklag, een klagen, omdat deze dingen slechts zelden komen.

Er werd ook eens gezegd: “De arme verheugt zich over een rijstkorrel. De rijke treurt nog bij een volledig maal.” En ook hierin ligt weer dezelfde gelijkenis. Hoe arm moeten wij zijn, wanneer de beperkingen van onze sfeer en wereld ons zo grote vreugde kunnen geven. Maar hoe goed is het arm te zijn. Want de vreugde van de rijkdom kunnen wij nog niet ondergaan. Zo wij de rijkdom bezitten, is onze vreugde weg. En de vreugde is de kracht des levens.

Ik kan voor een groot gedeelte de stellingen van de christelijke leer volgen en ik kan mij er grotendeels mee verenigen. Toch verstout ik mij in mijn onwetendheid naar voren te brengen, dat er ook andere dingen zijn, die belangrijk zijn. Er is eens gezegd: “Wie weet, hoe de weg der ouden de weg is, die werkelijkheid betekent en wie zich houdt aan de leer van gedrag en de volledige werkelijkheid en ook het geluk vindt voor zichzelf en dit vormt voor de gemeenschap, die zal zich niet vervreemden van het oude. Want alle dingen zijn geleid en alle dingen zijn wetten. En wie de wetten volgt en zich laat geleiden door de wetten, vindt een geluk, dat voor hem werkelijk is en voor de gemeenschap betekent de bevestiging en het blijvend bestaan van de gelukzalige toestand van evenwicht.”

Nu ben ik losgekomen van deze principes. Ik geloof, dat er een ogenblik komt, dat de wetten der ouden onvolledig zijn. Ik geloof, dat er een ogenblik komt, dat onze eigen gedragslijnen de werkelijke grondslag zijn van de maatschappij en niet de gebruiken of wetten, die door overlevering zijn gehandhaafd. Maar toch meen ik, mijne vrienden, dat een vast getreden weg beter is dan een bergspoor. Toch meen ik, dat het beter is rustig en waardig te schrijden dan zich te vermoeien en halverwege neer te storten. Dus daarom wil ik de volgende gelijkenis onder Uw aandacht brengen:

Er was eens een pelgrim, die zocht naar de plaats, waar Boeddha’s voetstap drie heilige bronnen had doen ontstaan. Hij trad door het hele land en hij nam al de moeilijkste wegen. Want hij wist, dat niemand de bronnen had ontdekt; en zo schuwde hij elke grote weg. Zijn bestaan was er een van armoede. De wind en de koude plaagden hem in de bergen, de natte moesson en de warmte, zij waren zijn kwellingen in de vlakte. Toen hij nu echter oud was geworden zonder zijn doel te bereiken, keerde hij terug langs de grote weg. “Want,” zo zegde hij, “ik wil sterven daar, waar de bodem mij gebaard heeft.” En ziet, op zijn weg vond hij drie kleine bronnen, waaraan een ieder in het voorgaan zich laafde. Toen hij zich wilde verfrissen, kwam er een wonderbaarlijk gevoel over hem; en hij wist: dit zijn de bronnen, die ik gezocht heb. Zo keerde hij huiswaarts en leraarde aan allen van zijn gezindte, van zijn familie:

“Indien gij ooit uitgaat om te zoeken naar de waarheid en werkelijkheid, treedt niet de onbegane paden. De onbegane paden bergen soms geheimen, maar zelden wat gij zoekt. Want Uw doel is bepaald door het weten der mensen. Het weten der mensen echter verwaarloost de werkelijkheid. Zo zie langs de wegen, die de mensheid heeft getreden en vindt daar de nieuwe kracht, die gij elders niet vinden kunt.”

Dit, mijne zeer geëerde vrienden, is geloof ik, de raad die ik van uit mijn standpunt zou moeten geven aan een ieder, die het christendom navolgt in zijn ware betekenis. Zoek toch niet naar Uw licht, naar Uw kracht, buiten de begane paden. Zoek niet naar iets, wat in het onkenbare ligt. Zo menige filosoof spreekt over het leven als een moeizaam pad, waar men de steile berg omhoog klautert onder gevaar neer te storten. Waar men alles offert, tot men onder pijnen eindelijk de top bereikt. Sta mij toe een vergelijking te maken;

De enige maal van mijn leven, dat ik in Europa was, bezocht ik een berg, die een zeer moeilijk pad omhoog toonde. Er waren nu mensen, die besloten hadden te voet deze berg te bestijgen. Doch mijn aarzelende, misschien niet sportieve ziel weigerde dit moeilijke pad te beschouwen als een redelijke weg voor de tere voeten, die ik in het mij ongewone leren schoeisel had geperst. En zo besloot ik te wachten tot de anderen weerkeerden. Toen kwam er iemand tot mij met een kleine ezel en zeide mij: “Heer, wilt gij naar boven ‘fahren’, dat kost U ….. ik meen 20 Pfennig, 2 Gröschen.” Zo steeg ik op het zadel van deze kleine vierbenige en langs een gladde, langzaam stijgende weg ging ik op vier benen, terwijl de anderen met handen en voeten zich vastklampten aan de ruwe rotsen. En toen zij boven kwamen, zo was ik daar gezeten naast mijn grauwtje en dronk de glorierijke wijn, die mijn gids mij had verschaft.

Zo gaat het menigeen, die meent, dat juist de harde, de onbegaanbare paden de werkelijke weg zijn, vrienden. De verstandige mens ziet eerst, of er geen andere mogelijkheid is. Dan overweegt hij of het doel de moeite waard is. Gaat hij dan, zo zal hij niet aarzelen. Maar veelal blijkt, dat er twee wegen zijn. Een die licht is en gemakkelijk te gaan. Een die moeizaam en moeilijk te gaan is.

Nu heeft men U geleerd: De brede en gemakkelijke weg leidt naar de hel. Hoe dom en dwaas. Degene, die de goede weg gaat met een goede wil, kan niet in een hel terecht komen. Wie zich richt tot God kan niet bij de duivel te land komen. De brede weg leidt evenzeer naar hetzelfde doel. Zeker, het duurt wat langer misschien, maar het spaart Uw krachten. De smalle weg is korter, maar zij vraagt veel groter kracht en groter offers. Ik kan Jezus eerbiedigen, wanneer hij spreekt over het smalle pad en de brede weg, die tot verderf voert. Want de brede weg doet ons vaak denken, dat wij kunnen verpozen. Zo vergeten wij ons doel te bereiken. Maar het smalle pad vraagt krachten, die niet allen bezitten. Daarom wil ik aan deze Zondagmorgen toevoegen en zo gij misschien meent, dat dit onjuist zou zijn, vergeef mijn onwetendheid maar sta mij dan toch toe mijn dwaasheid te voegen bij de wijsheid, die U allen bezit:

Wanneer gij een doel nastreeft, overweeg. Zie hoeveel wegen naar dit doel voeren en kies de weg, die voor U het best te begaan is. Vergeet niet, dat ge U vaak kunt laten dragen een korte wijle des weegs voor enige kosten maar zó in staat zijnde de werkelijkheid te genieten van de verdere weg. Bedenk steeds, dat het doel de moeite waard moet zijn; anders is het dwaas de moeite te doen. En bedenk verder: Alles wat de ouden hebben gedaan, is niet alleen uit dwaasheid geboren. Nieuwe wegen zijn niet noodzakelijkerwijze goede wegen. De beste weg echter is de weg, die de ouden gegaan hebben, verbeterd en verkort door hen, die de weg hebben leren overzien en zo het doel sneller bereiken met gebruikmaking van alle oude mogelijkheden.

o-o-o-o-o

Denk je nu eens in, wat betekent het eigenlijk voor een verandering in je leven. Zolang als het weer maar ligt tussen grenzen, waarin je leven kunt, dan leef je. En als je niet leeft, dan kun je helemaal geen vreugde hebben. Dus de vreugde schuilt in het leven en niet in het weer. Het is niet een kwestie van: Bestaat het Al en hoe bestaat het Al? Neen, het is een kwestie van: Besta ik en hoe bestaat het Al voor mij. En daar ligt nu zo’n heerlijk punt, (ik bedoel…..mijn voorgangers hebben zich er ook al mee bezig gehouden, waarom zou ik het niet doen) daar ligt nu zo’n heerlijk punt om eens eventjes jezelf stevig in vast te bijten. Om te zeggen: Kijk, zolang als ik besta, bestaat de wereld. Voor mij bestaat de wereld, zoals ik ze zie.

De rest weet U niet. U kunt van mij wel horen, hoe het er bij ons uitziet; en dan weet U nog niets. Dan weet U hoe voor mij mijn wereld er uit ziet; en dan weet U nog helemaal niet hoe Uw eigen wereld er daardoor uit ziet of hoe voor U later een soortgelijke wereld als de mijne er zal uitzien, nietwaar? Het gaat er om, dat je werkelijk bewust en redelijk kunt nagaan, waar nu eigenlijk de mogelijkheid ligt tot leven. Dat is het belangrijke: leven. En dan zou ik zeggen: Mogelijkheden tot leven heeft U te over. Zoveel mogelijkheden tot leven zelfs, dat je…

Nu ja, laten we eens eerlijk zijn. Elke ademhaling, die je doet, is onbetekenend. Maar als je eens een keer diep adem haalt, dan heb je in eens het gevoel, dat het wat betekent en dan zeg je: “He, ja.” Wanneer je gewoon loopt omdat je lopen moet, is er niets aan, dan verveel je je. Bah, moet ik nu al weer lopen. Maar op het ogenblik, dat je loopt om te lopen, dan is het een vreugde, dan is het een plezier. Op het ogenblik dat je kijkt omdat je moet, zeg je: “He, is het nu nog niet afgelopen” Maar op het ogenblik dat je je ogen zit te vermoeien misschien, alleen maar om eens zelf wat te bekijken, omdat jij dat wilt, omdat jij dat wenst, dan is het een vreugde. En hoe meer je je daar nu maar van bewust bent, hoe beter het is.

De hele wereld staat voor ons open, maar we moeten leren de dingen, die we doen, te doen met ons hele wezen. En dan kan het weer ook niets uitmaken. Of het nu een graad te warm of te koud is, of het nu droog is of dat het regent, dat maakt niets uit. Wanneer het regent en wij kunnen die regen zien als iets moois, als iets prettigs, we kunnen er desnoods in gaan en het ervaren als iets leuks, dan is het leuk. En wanneer de aarde half verschroeit en wij kunnen die warmte voor onszelf verwerken, we kunnen zeggen: “Dit is prettig, we accepteren dit,” dan is het mooi en dan is het leuk. Het gaat er maar om, hoe wij staan tegenover de dingen, die wij beleven, nietwaar? Dat maakt de werkelijkheid uit. Gebruik nou eens eventjes een beetje je verstand, en denk na. De hele wereld buiten is Uw wereld. Natuurlijk, een andere wereld is er niet dan Uw wereld; en als U dadelijk hier weg bent, dan is Uw wereld ook weg; die is dan ergens anders. Maar Uw wereld blijft bestaan.

Die wereld draag je in je. Het is je kostbaarste bezit. Het is je enige mogelijkheid om werkelijk te leven. Probeer nu jezelf zo in te stellen, dat je met die wereld in harmonie bent. Probeer het zo te doen, dat die wereld je zoveel mogelijk vreugde geeft, zoals jij ze verlangt en dat omgekeerd jij voor die wereld steeds een vergroting van mogelijkheden tot vreugde betekent. Het is eigenlijk heel simpel. Ze zeggen nu wel: “Ja, je moet rekening houden met je naaste, en je moet de buren niet boos maken. Je moet je houden aan de verkeersregels, en je moet je houden aan die reglementen. En denk er om, dat je je hondje uitlaat maar dat hij niet op het trottoir mag.”

Allemaal heel aardig, vrienden. Maar die regels….zijn het nu werkelijke regels? Of zijn het ook regels van onze wereld? Van onze wereld toch. Wij kennen ze toch? We houden ons er aan en wij werken er toch mee? Al die anderen, daar hebben we niets mee te maken. Wat Jansen en Pietersen en Klaassen doen, dat interesseert ons niet. Wij hebben alleen te maken met onszelf, met ons wereldje. En in ons wereldje zijn bepaalde dingen goed en bepaalde dingen fout. In ons wereld je is het mogelijk uit bepaalde dingen geluk te puren en andere dingen moet je voorzichtig terzijde laten liggen, omdat die te veel leed en te veel verwarring in zich bergen. Nu goed, dan doe je dat toch. Je hebt je eigen wereld, je hebt niets te maken met wat je buren doen. Je hebt niets te doen met de voorschriften van anderen. Je hebt alleen te maken met die wereld van jou. En weet U, daarom is het eigenlijk zo gemakkelijk om te leven en om prettig, plezierig en vrolijk te leven.

U weet, ik ben zo’n beetje de optimist van het gezelschap. Ik heb U al meermalen verteld: Vreugde, dat is nu eigenlijk hetgeen, waarvoor je bestaat. Ik heb U al meermalen verteld: Wees nu geen pessimist en zit er nu niet zo somber bij en doe niet zo plechtstatig. U mag heus wel eens een woord zeggen, dat een beetje verkeerd valt, ook op een bijeenkomst als deze. Je zit hier ten slotte niet alleen maar om met zalvende woorden langzaam maar zeker in te sluimeren. Neen, je zit hier om wakker te worden, hé. Om je ogen eens flink wijd open te doen, zodat je precies kunt zien wat er gaande is in jouw wereld. Ja, in Uw wereld. leder van U heeft zijn eigen wereld, zijn eigen opvatting, zijn eigen gedachte. Nu, dan is het logisch, wanneer we verdergaan, dat we zeggen: Ik wil in mijn wereld, in mijn persoonlijke wereld je, vreugde en licht hebben. Dus ik ga alles zo beleven, dat het voor mijn wereld goed is. Ik stoor me niet aan wat anderen doen, aan wat anderen denken en wat anderen zeggen. Dat gaat me niet aan. Ik heb te maken met mijn wereld als geheel. En zolang voor mij die wereld vreugdig wordt, doe ik dat. Dan mag ik dat doen. Zolang die wereld voor mij beter wordt door een bepaald streven, is dat streven goed. Zolang die wereld aanvaardbaar wordt voor mij, doordat ik bepaalde dingen vergeet of nalaat, is dat goed,

U zegt: Dat is gevaarlijk, hé. Een soort existentialisme, hé. Nu, daar zou ik me niet druk over maken, vrienden. Want per slot van rekening, je kunt een wereld nooit goed maken door iets te doen, waarvan je zélf voelt, dat het verkeerd is. Daarmee kun je jezelf nooit gelukkig maken. Weet U, er zijn natuurlijk mensen, die denken, dat je dat kunt doen. Dat je zelfs een ogenblikje eruit kunt breken en alles vergeten en alles kunt doen wat je wilt. Want het is toch immers goed, nietwaar? En dan doe je maar de grootste stommiteit, die je je kunt voorstellen en je bent er even gelukkig mee. Akkoord. Maar vergeet niet, dat er een kater achteraan komt. Dat weet U vóór U begint. En een. zuiver plezier heeft U er dan al niet van en de kater, die komt, is verschrikkelijk. Die maakt je wereld slechter. Dat kun je niet doen. Maar als je nu werkelijk zo zoekt naar alles wat vreugde geeft, als je je leven nu zo inricht, dat je zegt: “Ja, daar ben ik nu mee tevreden,” wat heeft het dan nog met het weer te maken? Maakt het wat uit of het regent of dat de zon schijnt? U denkt nu: “Ja,” hé? Neen, dat maakt niets meer uit. Want als je in jezelf die bepaalde gulden eenheid van een besloten, maar óók goede wereld draagt, kan er dan eens een buitje zijn, dat niet goed is? Zo als U bent, is de wereld. Niet: zoals de wereld is, bent U.

Zo moet het zijn. Wij vormen de wereld. Wij vormen onze sfeer, wij vormen ons bestaan, ons hele leven en al onze wijsheid, elk op eigen wijze, naar eigen ervaring, naar eigen inzicht. leder misschien wat anders dan een ander. Houden we ons daarbij en proberen we niet verder in te grijpen, zodra anderen daarbij te pas komen, proberen we alleen voor onszelf goed te zijn en te doen, wat wij vinden, dat noodzakelijk is, dat voor ons goed en aanvaardbaar is, dan zijn we klaar, vrienden. Niets geen haat. Geen last van de warmte, geen last van de kou. Geen last van de regen, geen last van de zon. Alleen maar geluk van binnen.

En nu lijkt het allemaal moeilijk, maar als U het probeert, zult U merken hoe gemakkelijk het eigenlijk is. Hoe gemakkelijk het is, wanneer je je eigen wereld vormt. Mens en geest, zijn we geschapen als scheppers en het is onze eigen stomme schuld, als we van die gave geen gebruik maken en zo in de ellende zitten, die volgens ons door anderen is geschapen, maar die in werkelijkheid uit onze eigen innerlijke laksheid voortkomt.