Enkele spreuken beschouwen

 28 augustus 1955

Op deze bijeenkomst zullen wij enkele kleine spreuken beschouwen, hopende hierin iets te vinden van wijsheid en wijding, zoals wij allen dit nu eenmaal verlangen. De wereld heeft zeer vele wijzen en wijsgeren gekend. Al deze mensen hebben op enigerlei wijze hun gedachten geprojecteerd in de oneindigheid. Wanneer wij een keus moeten doen, is het vaak moeilijk om te bepalen, bij wie wij zullen beginnen en wat wij zullen zoeken te bereiken via de wijsheid, die deze anderen reeds voor ons vergaarden.

Voor deze morgen zou ik graag mijn citaten spreuken zoeken in het meer magisch karakter.

De zon is de meester van de aarde; de mens is de meester van de zon, want de mens, die bewust is, overwint de hitte der zon en haar geweld en dwingt haar te schijnen of onder te gaan. De dwaas zegt: Deze mens wordt God. De wijze zegt: Deze mens heeft zijn erfdeel verworven.

Een Egyptische, magische spreuk van ongeveer een 2900 jaar geleden.

De zon is vuur. Wij weten, hoe het onstabiel atoom, werkend in enorme massa’s, een voortdurende gloed in de zon tot stand brengt zo groot, dat zij de gehele aarde zou doen ontvlammen, wanneer zij slechts een korte afstand dichterbij zou komen.

De mensen hebben gehoord, hoe enorme explosies, miljoenen kilometers ver weg, lange tongen vuur het Al inslingeren, het licht van de zon verwarmt en bevrucht de aarde.

Wanneer wij dan horen, dat een mens de zon beheerst, zoals de zon de aarde, dan komt in ons een ogenblik de vraag op: Is dat niet te stout gezegd? Heeft men daar niet te ver gezocht? Is men niet te ver doorgegaan?

Hoe kan een eenvoudig mens, sterfelijk in zijn lichaam, zwak, meester zijn van een dergelijke geweldige vuurzee, van een der gelijke kracht, die zoals wij later leren toch altijd ook een persoonlijkheid heeft, waarin een lichtende geest regeert, die krachtens zijn eigenschappen medewerkt om het gehele zonnestelsel in stand te houden. Dan is het antwoord een simpel en haast teleurstellend iets, een anti climax, die wij een ogenblik moeten verwerken, voor wij de betekenis begrijpen.

De mens is meester van de ruimte en van het atoom. Niet op zijn technische wijze, waar hij vernietiging zaait en tracht krachten te krijgen; die alleen door hun afval, hun producten reeds een ondergang dreigen te geven. Neen, door zijn gedachtekracht! Door de concentratie van vermogens, die sterker is dan materie en elke binding, die in materie optreedt.

Een mens, die sterk genoeg denkt, zou in staat zijn om die zon eenvoudig terug te brengen van een onstabiel tot een stabiel materiaal. Daarmede zou zij als zon hebben uitgediend.

Een mens kan ook een aarde, alleen door zijn wil, doen ontbranden in vuur. Wij denken altijd, zolang wij op aarde leven, aan het totaal van het geschapene als enorm, reusachtig, overweldigend en groot.

Maar wij begrijpen niet – en ook de geest begrijpt vaak nog niet – dat de werkelijke macht van het Al, de macht van de grote Bouwmeester niet gebaseerd is op het grootse en het enorme. Het is gebaseerd op het kleine. Wie het atoom beheerst, is meester van de zon.

Dat een mens een atoom beheerst, kunt gij u voorstellen. Gij zijt geen God, verre van daar, Gij kunt geen atoom creëren, maar gij kunt het beheersen. Gij kunt de eigenschappen ervan veranderen. Kortom, gij kunt bepalen, hoe het zich uit in het Al.

2900 jaar geleden, 1000 jaren ruim voor Christus geboorte, hield men zich met dergelijke problemen en vragen reeds bezig.

Het is dan ook niet te verwonderen, dat een volgend citaat uit dezelfde periode ontstellend modern aandoet, evenals het eerste.

De mens, die de kracht van zijn geest leert kennen en beheerst, is meester van geesten en demonen, maar is ook meester van zichzelf en daardoor de kracht en meester der Schepping.

Wie zichzelf leert kennen, zijn eigen geest leert kennen, daar gaat het om in dit geval.

Wij zitten hier bij elkaar, een aantal mensen en – geloof mij – een groot aantal toehoorders uit andere sferen. Maar wat weten wij eigenlijk van ons eigen wezen af? Hoe kennen wij deze geest met al haar capaciteiten? Zelfs wij geest zijnde moeten toe geven, dat er ergens in ons wezen nog diepe, verborgen gebieden zijn, bronnen, die nog niet zijn aangeboord. Zo is het met u, mensen, al evenzeer. Gij hebt velerlei vermogens en krachten.

Uw geest kan meester zijn, niet alleen van uw lichaam, maar van de wereld. Uw geest kan, wanneer zij zich op de juiste wijze weet in te passen in het scheppingsschema, alles, maar dan ook alles bereiken. En toch, zoveel lichamen maken kunstmatig hun geest, doof en blind. Men durft de geest niet aanvaarden, omdat men haar niet begrijpt, vreest men haar, zolang men in de stof is.

Omdat men haar niet begrijpt, tracht men haar tot stoffelijke vormen terug te dwingen, wanneer men eenmaal in het rijk komt, waar de geest tot lichaam wordt. Wij kennen onszelf niet. En dit niet kennen is de grote moeilijkheid, die ons niet alleen magisch, maar ook kosmisch bewust voortdurend remt. Ons kosmisch bewustzijn is het aanvaarden van de juiste waarden van ons eigen wezen temidden van het zijnde. Zolang , wij onszelf niet kennen, zolang wij niet weten, wie en wat wij zijn, wat kunnen wij dan doen? Zelfs indien wij dit weten, indien wij kunnen omschrijven: Ziet, hier ben ik; dat zijn mijn eigenschappen, dat zijn mijn kwaliteiten, dit is mijn plaats, en wij beheersen onszelf niet, dan worden wij heen en weer geslingerd door invloeden buiten ons. Wat zijn wij dan nog?

Mijne vrienden, het gaat om het kennen van het “ik”, niet van dat gecompliceerde ego.

Het zijn een groot aantal lagen, waarvan wij alleen al in het stoffelijke bewustzijn een tiental kunnen aan wijzen. Het gaat om de kennis van onze wezens geaardheid en de bronnen die er in schuilen.

Gij mensen, gij kunt telepathisch u ontwikkelen, gij kunt spreken zonder de tong van mens tot mens en misschien van geest tot geest. Uw ogen kunnen een rijker, grootser scala van trillingen omvatten, dan het vaak schamele en verwrongen beeld, dat zij u thans van uw wereld geven. Stoffelijk reeds. Uw geest kan nog rijkere gebieden zien, horen en begrijpen. Maar aarzelend dringt men het terug. In onbewust cynisme belet men zichzelf, door wantrouwen aan het eigen “ik”, te komen tot de ontplooiing van de gaven, die er in leven. Is het een wonder, dat wij onze wereld niet regeren kunnen en vaak de slaven zijn van onszelf?

Een wijsgeer uit een latere periode zeide eens:

Ziet, wanneer ik mij vrijmaak van alle dingen, vrijmaak van vorst en land, van God en hemel en hel, dan zal ik nog geketend zijn, een slaaf van mijn eigen denken.

Hij drukte hiermede uit hetgeen ik u trachtte duidelijk te maken.

Slaaf van het eigen denken. Het kleine, bekrompen bewust zijn, dat eenvoudig de ketenen aanlegt aan het groot vermogen van het eigen wezen. Gij zijt a.h.w. als krachtige mensen, die honderden kilo’s kunnen verzetten met één enkele greep. En die uit wantrouwen tegen het eigen “ik” nog geen pond van de grond durven opheffen.

Ik zeg het tegen u. Maar ik mag het tegen onszelf ook zeggen, tegen onze wereld, want ook wij falen, omdat wij geen vertrouwen genoeg hebben in onze kracht. Omdat wij de moed niet hebben om te proberen, wat de grens is, die ons is gesteld, waar wij niet bovenuit kunnen gaan. Wij willen altijd machtig en groot en sterk zijn. Wij willen werelden beheersen. Wij willen, goed gunstig onze gaven uitdelend, werelden aan ons verplichten.

Maar wij durven niet de consequenties van deze wensen te aanvaarden.

Vandaar, dat in één van de leerboeken der Middeleeuwen over de magie het volgende te vinden is, dat zeer juist m.i. omschrijft, wat een magiër, d.w.z. degene, die de werkelijke natuurwetten gebruikt eerder dan de afschaduwing daarvan, die op aarde bekend is, wat de werkelijke magiër is en moet zijn:

De magiër, zwart of wit, werkend met demonen of zoekend de lichtende krachten des Hemels, zal meester moeten zijn van zichzelf. Want meester van zichzelf zijnde, zich beheersend in alles, en volgens de wetten, die hij in zijn eigen wezen erkent, is hij eerst in staat om te roepen, zodat zijn roep klinkt in alle sferen, om de bezwering uit te spreken, de staf te wijden en uit te zenden een geest, naar hij wenst.

Het gaat er niet om, of gij goed wilt zijn of kwaad zijn; het gaat er om, dat wilt gij werkelijk iets zij, een persoonlijk wezen, iemand, die zelve strijdt en vecht en werkt en niet alleen gedreven wordt door omstandigheden en instincten dat gij eerst uzelf zult moeten leren accepteren, aanvaarden en beheersen. Dat gij uw eigen weg in het leven moet vinden en uw eigen kracht. Zo leert ons de Oudheid, hoe bitter moeilijk het is om jezelf te zijn.

Laten wij dan daar het tegenwicht tegenover stellen. Wanneer ikzelf niet kan bereiken, is er Een, die mij heeft voortgebracht. En voor Hem is, wat ik te bereiken wens, reeds lang volbracht, reeds lang bereikt. God!

Hoe die God er uitziet, wat die God is, dat weten wij niet. Maar zolang als wij niet in staat zijn – om zelf kennend en beheersend – de juiste plaats in te nemen temidden van het kosmisch bestel, moeten wij toch een kracht zoeken, die ons steunt en helpt. Dan moeten wij iets hebben, waarin wij wel kunnen geloven, wanneer wij dan onszelf niet vertrouwen en niet geloven en niet menen, dat wijzelf in staat zijn om de prestaties te volbrengen, die wij van onszelf zouden willen verlangen. En God is dat. Een grote Kracht, de Al Schepper, het Al Scheppend vermogen, de Al Vader: het eerste Begin en het Eeuwige. Daarin zijn alle dingen vervat, daaruit zijn alle dingen voortgekomen en daardoor worden alle dingen beheerst.

Deze Kracht leeft in ons. Wij zijn deel ervan, wij zijn eruit geschapen en voortgebracht.

Wat wij niet kunnen volgens eigen besef dat kunnen wij volbrengen uit de Vader. Men noemt dit waarschijnlijk geen magie.

Wanneer gij bidt tot God en God verhoort uw gebed, dan zegt men; “Dat is geen magie”.

Maar ik zeg u; het is meer magisch dan menig gebruik, dat magie heet en uiteindelijk berust op kennis van chemicaliën en van het menselijk lichaam.

De Goddelijke Kracht volbrengt vele dingen, vele wonderen soms. Het roepen tot God is het projecteren van je eigen wezen in de kern van al het geschapene. En vandaar uit a.h.w, dit geprojecteerde beeld van jezelf smekend te volbrengen, zelf volbrengend binnen de kosmische kracht, die alleen je in stand houdt.

Ik hoop, dat deze opvattingen voor deze kring niet te duister en te zwaar zijn. Denk niet, dat ik God loochen, of mens en geest tot een Goddelijk peil tracht te verheffen. Ik tracht u alleen de waarheid te tonen. Al wat er in onze wereld gebeurt, wordt uit onszelf geboren.

Ook dat blinde toeval, waaraan gij eigenlijk niets zoudt kunnen doe, zegt gij. Ook deze massa-beweging der aarde, die u meesleurt, of gij wilt of niet. Zij zijn producten van uw wezen en van niets anders. Al wat er is, al wat er gebeurt en wat met u in relatie staat, leeft in u en niet alleen buiten u. Ja, in u leeft het intenser krachtiger, vernietigender of scheppender, dan al wat gij buiten u ziet en kunt waarnemen daarvan. Dit is uw wereld, waarin de wonderen gebeuren. Dit is de wereld, waarin de magie met sterke hand tracht in te grijpen om waarden te veranderen, uw wereld, niet Gods wereld. En daarmede is de God van die wereld slechts het volledige wezen, dat gijzelf zijt.

Er bestaan miljoenen van die werelden, ongetelde miljoenen. Ik zou het niet in getallen kunnen uitdrukken, hoeveel er van die werelden bestaan, want ik weet het niet. Maar ik weet wel, dat al die werelden tezamen één grote wereld vormen. En dat is de wereld van God.

De God, tot Wie wij roepen, maar die wij niet kunnen benaderen door de waan, die ons wezen zelf nog beheerst. Een laatste spreuk, mijne vrienden:

Van alle magie is er slechts één bezwering, die zelden of nooit wordt volbracht, zelfs niet door de grote ingewijden. Dat is de bezwering, die Vrede geeft en Vrede laat...”.

Vrede. Dat is de absolute tevredenheid, d.w.z. de innerlijke volmaaktheid bereikt hebbende. Uw wereld zien als een weerspiegeling van iets, dat volmaakt is. Erkennende de onvolmaaktheid, die voor anderen nog bestaat, zijt gij voor uzelf een geheel en vervuld.

Dat is de werkelijke Vrede. Werkelijke Vrede is het verliezen van het “ik” in de wereld, het terugvinden van het eigen wezen, als representant dier wereld in een groter bestaan.

Wie de werkelijke Vrede heeft, ach, dat is zo vaak gezegd en besproken, ook op bijeenkomsten in deze Zondagochtenden die ademt met de wind, die ruist met de bomen en lacht met de zon, die in het water schijnt. Die is één met alle dingen. Die voelt aan, hoe zij in een voortdurend evenwicht elkaar in stand houden en besnoeien, opdat het juiste en het schone geboren wordt. Die heeft vrede, omdat de schoonheid het doel is en niet slechts het zijnde in een bepaalde vorm.

Die vrede te vinden vraagt meer dan de dwingende macht van de magiër. Zij vraagt het hoogste, wat er gegeven wordt, het hoogste, wat er te bereiken is: Jezelf verliezen. En jezelf verliezende jezelf te vinden in de Goddelijke Wereld. Zo eenheid brengend in de wereld, die leeft in jezelf en door jezelf rond je wezen wordt geprojecteerd. Die vrede kunnen wij vinden, wanneer wij leren, zonder denken en zonder redeneren de grote, de ware wereld Gods in onszelf te aanvaarden. En eerst terugkerend uit deze vrede en rust, trachten het ervaren evenwicht te reproduceren in ons eigen wezen en zijn, in de wereld rond ons, in alle bestaan. Dat is de grootste magie. Dat is de grootste waarden dat is de volste uitdrukking van menselijke en Goddelijke Liefde. Het geven van vrede, het geven van éénheid. Eenheid, die niet redelijk is en die niet in woorden wordt uitgedrukt. Eenheid, die Goddelijk en onbegrijpelijk is en toch ons aller verlangen en begeren altijd gewenst is.

Met deze overpeinzing, geef ik nu het medium vrij en kunt gij trachten, ofwel mijn woorden duidelijk te maken aan uw eigen wezen en dat van anderen, ofwel om een ogenblik ademhalen, na het misschien te zware gewicht van sommige woorden, mens te worden en zo een vrede te vinden, die het onbegrepen woord kan verstoren, het begrepen woord zelf geeft altijd vrede, zolang als het waar is.

o-o-o-o-o

De weemoed van het afscheid

Ik zou vandaag graag weer een klein beetje met u filosoferen. Wat lichtere materie misschien. Ik zou graag willen spreken over: De weemoed van het afscheid, en de achtergronden.

Per slot van rekening kijken wij altijd graag terug. Dat doet de mens en dat doet de geest precies hetzelfde.Wij hebben zo het gevoel, dat, wanneer de zomer gaat, dat er iets achterblijft. En al kijk je aan de andere kant wel weer met een zekere verwachting de huiselijke feesten van december tegemoet tenminste, zo was het in mijn tijd dan voel je je aan de andere kant toch, ja, een klein beetje troosteloos. Een echte herfststemming. En datzelfde zien wij altijd weer. Wanneer je van een mens afscheid neemt, wanneer je weggaat uit een woonplaats, waarin je lange tijd verbleven hebt, altijd weer, wanneer er een afscheid is, dan is er dat weemoedige, dat: het is voorbij. Maar is het wel voorbij?

Wanneer je de mensen ziet, die in herinneringen teruggrijpen, bv. in Indië naar Nederland, of in Nederland naar Indië, dan tekenen zij de omgeving zoveel mooier, zoveel fantastischer dan zij werkelijk ooit kan zijn. Dan zien wij bv. de regenstormen plotseling weggebleekt en daarvoor in de plaats het zonnige, het prettige het aangename. Al wat ellende was, wat diepe afgronden van gevoelens heeft opgewekt, dat zie je zo langzamerhand verdwijnen, dat wordt uiteindelijk maar een heel klein hitte krinkeltje in de golf van het verleden. De grond is allemaal zo egaal, zo mooi, zo effen. Het is een tuin om in te wandelen. En men vergeet, wat er altijd geweest is. Dan heeft men eigenlijk pas werkelijk het verleden. Dan heeft men pas werkelijk in zijn bezit, wat men eens heeft beleefd.

Waarom zou je je dus zo druk maken over het heden? Waarom zou je zo pijnlijk afscheid nemen van iets, dat in de herinneringen veredeld, zuiverder en mooier achterblijft, dan het ooit in werkelijkheid kan zijn? Dat zijn zo van die punten waar je werkelijk wel eens een keer over mag nadenken. De mens met zij weemoedige afscheidsstemmingen begrijpt waarschijnlijk niet, wat hij doet. Hij is bang voor de verandering. De vakanties zijn zo langzamerhand voorbij. Er zijn heel wat mensen, die met een zekere weemoed terugkijken op het moment, dat zij die vakantie konden beginnen. Want toen hadden zij nog alle mogelijkheden en nu is het afgelopen. Neen, helemaal niet. Nu begint het pas. De werkelijkheid, die in je leeft, dat is niet de werkelijkheid van; nu woon ik hier, of; nu leef ik daar, of; nu is die bij mij. De werkelijkheid, die ín je leeft, is die van herinnering. Zij is van alles, wat je bewust in je meedraagt. Zo hoor je altijd weer de oude mensen terug verlangen naar de goede, oude tijd. Waarom? Omdat in hen die goede, oude tijd leeft en behalve oud ook goed geworden is. In hun tijd was zij noch goed, noch oud.

Je ziet de mensen altijd grijpen naar de sterren. Maar wie één keer een sterrenhemel gezien heeft, kan zich die voorstellen en kan altijd weer die sterrenhemel in zichzelf openbaren. Die is niet verloren. Integendeel, dat is een rijkdom. Een rijkdom, die steeds groter wordt, naarmate je meer ervaart. Een mens, die leeft in een treurige herinnering, omdat hij een werkelijkheid terug verlangt, vergeet, dat hij de werkelijkheid allang vergeten heeft en in de plaats daarvoor een droom heeft gekregen.

Je leeft, je bestaat. En in dat leven en dat bestaan, zou je eigenlijk altijd vooruit moeten kijken. Vooruitstrevende, altijd weer nieuwe dingen in je opslaan, totdat je van binnen een schatkamer hebt, waarin je in een stil moment kunt zoeken naar het schoonste, naar het edelste, dat is de werkelijke schatkamer van alle leven. Er bestaat daarover een aardig verhaaltje, dat ik u graag even wil vertellen. Het is niet zo lang, dus u hoeft niet bang te zijn dat ik u met allerhande dichterlijkheden ga vervelen.

Er was een Maharadja in Indië, die een zeer grote schatkamer had. Wanneer hij afdaalde via zwaar bewaakte trappen en portalen naar de schemerige diepte onder het paleis, dan lagen daar uitgestrekte kelders en kamers, volgeladen met alle schatten. Edelstenen lagen daar uitgespreid als een tapijt over de grond, vielen als een waterval neer uit bekers en zakken. Gouden tronen, kronen uit een ver verleden, boeken, kostbare reukstoffen en tapijten, kleding, alles was er te vinden. Als men boven kwam, dan was dat paleis comfortabel, het was mooi. Maar elk jaar liet die Maharadja het hele paleis opnieuw inrichten, Een paar kostbare dingen verdwenen naar de kelder. De rest werd eenvoudig uitgedeeld. Dat werd verkocht en het geld werd aan de armen geschonken.

Toen kwam er een op een keer een expeditie van Duitsers. Een daarvan, in gesprek met de Maharadja, vroeg hem: “U moet mij toch eens vertellen, Vorst, waarom laat u altijd;weer het kostbaarste wat u hebt, wegsluiten in uw kelder? Waarom? Ik heb gehoord, dat over enkele weken al dat kostbare hier het paleis weer uit gaat en dat u alles weer opnieuw gaat inrichten. Waarom?”

Toen zei die Maharadja: “Kijk eens, ik kan dat doen, want ik ben rijk genoeg om elk jaar weer opnieuw mijn paleis een ander aanzien te geven. Daarom doe ik dat. Dan heb ik steeds weer een andere wereld om in te leven, ik heb steeds nieuwe vreugden. Ik kan dan steeds weer stilstaan in bewondering, terwijl anders de schoonheid van het paleis een sleur voor mij zou worden.” Ja, dat is goed” zei toen de Duitser. “Maar dan moet u mij toch eens vertellen, waarom dan al dat schoons onder de grond wordt opgeslagen in een stelletje kelders”.

Toen antwoordde de vorst: “Misschien dat ik één of twee keer per jaar afdaal. Dat is voor u misschien niet veel. Maar wanneer ik daar kom, dan zie ik de kronen van mijn voorvaderen en ik denk aan de oude tijd. Dan zie ik daar schatten, die lang geleden eens veroverd zijn en ik zie oude kruistochten voor mijn ogen. Ik zie de oude gevechten van vorst tegen vorst. Ik zie de handelaren uittrekken over de gehele wereld. Dan droom ik soms een hele dag in die kelders. Mijn handen nemen de fonkelende edelstenen op en baden ze in het licht van de lampen, totdat het lijkt, of ik vuur in mijn handen draag. Ik geniet ervan. Maar wanneer ik dat alles gezien heb, dan ga ik weer heen en dan kom ik in lang niet meer terug. Want in mijn gedachten is, wat in mijn kelder ligt, mooier, dan het ooit in werkelijkheid kan zijn. Zou ik het rond mij uitstallen, ik zou er geen vreugde meer aan hebben. De pracht zou mij tot een gewoonte worden. Ik zou de waarheid niet meer zien. Ik zou het edele van de vorm niet meer begrijpen, het kunstvaardige van het filigrainwerk, de edele gloed van de edel steen zou mij niets meer zeggen. Daarom leef ik zo”.

Men vertelt er achter aan, dat die Duitser toen in stilte zijn hoofd heeft geschud en te beleefd is geweest om tegen die Maharadja te zeggen, dat hij waarschijnlijk gek was.

Maar ik vind die man zo gek nog niet. U misschien ook niet. Hij ontdeed zich van de weemoed, van het afstand doen van het gekende. Wanneer men jaren en jaren steeds leeft in dezelfde omgeving, en er breekt een vaasje, een pulletje, dan is het een leegte.

Dan vergeet je alle schoonheid rond je om dat ene kleine ding, dat gebroken is. Je leed gaat a.h.w. vooraan en de vreugde wordt vergeten. Je kijkt steeds met weemoed terug op de tijd, dat het pulletje daar nog stond, edel en mooi en je vergeet, wat je allemaal nog hebt. Je kunt beter de herinnering in de schatkamers opsluiten, die ergens diep in je wezen gelegen zijn. De goede herinnering, de schoonheid en al, wat je niet bevalt, terzijde werpen, Zoals de oude mensen immers toch ook het onaangename maar al te vaak vergeten, de werkelijkheid vergeten, Dat kunt u ook doen.

En dan steeds weer, elk jaar a.h.w. opnieuw je hele woning stofferen, je geestelijke woning, je lichaam. Niet vast blijven houden, krampachtig, aan bepaalde denkbeelden.

Want je zou ze gaan liefhebben en je zou daardoor juist lijden, wanneer de vooruitgang zo’n denkbeeld doet breken. Niet met een geloof, dat vast geroest zit aan een paar dogma’s. Want zo’n dogma zou eens wankel kunnen worden, of er zou een nieuw bijkomen. Dan zou het hele evenwicht van binnen verstoord zijn en je zou vol leedwezen terugzien op die oude tijd.

De dingen op zichzelf kunnen schoon zijn. Ook een dogma kan mooi zijn. Al die dingen hebben een zekere vreugdigheid, een zekere schoonheid in zich, wanneer je ze op de juiste wijze weet te beleven. Maar beleef ze niet te lang. Er zijn maar een paar waarden, die voor een mens eeuwig zijn. De waarde van liefde en haat. Dat, wat werkelijke liefde kent in je wezen, is altijd. in je wezen aanwezig, dat kan er nooit meer uitgaan, daar hoef je nooit weemoed over te hebben, dat blijft bestaan. De rest zijn maar zoete dromen, waar je met weemoed op terugziet, omdat je ze anders droomt, dan zij ooit geweest zijn.

Afscheid nemen is een kunst misschien. De kunst van het afscheid nemen ligt niet in het zuiver en formeel afscheid nemen. Het ligt ook niet in de manier waarop, maar het ligt in de tijd waarop. Afscheid nemen moet je van de dingen, wanneer zij schoon zijn. In hun schoonheid en kracht, zoals je ze innerlijk beleeft op hun hoogtepunt, dan moet je ze terzijde zetten. De herinnering in de schatkamer meedragen, opdat je hele leven lang de rijkdom van het volmaakte moment weer in je herinnering kan op rijzen en je kracht en sterkte geven.

Zonder weemoed afscheid nemen. Niet zeggen; “Ach, nu ga ik dit verliezen”. Neen. Zeggen: “Nu eerst, nu ik afscheid neem, heb ik het werkelijk gewonnen, want nu leeft het in mij. Uit mij zal het nooit meer kunnen verdwijnen, zal het nooit kunnen sterven”. De meeste mensen hebben een dergelijke schatkamer. Maar zij hangen voor een schatkamer als deze, zware sloten van hun eigen zinnigheid, hun waan, hun weemoed, over wat voorbij is, in de plaats van de vreugde over het hernieuwd beleven en aanschouwen in de gedachten. Daarin zit de fout.

De wereld is mooi en zij biedt duizenderlei mogelijkheden tot vreugde beleving en ervaring. Vreugde beleving en ervaring, die niet altijd misschien volgens de mensen even fraai en mooi zijn, maar die voor jou op dat moment een vreugde kunnen betekenen. Als u die vreugde hebt genoten, kijk dan later niet terug met verachting, omdat het toch eigenlijk maar slecht was. Kijk niet met verheerlijking, omdat je toen toch zo buiten gewoon edel en goed was. Onthoudt het moment van vreugde, dat het je heeft gegeven, de flonkering, de kostbaarheid van het moment. Laat die in je voortleven en gooi al dat andere opzij. Zo dadelijk moet u afscheid gaan nemen van dit leven ook. O ja, de mensen zeggen; dan ga je dood. Nu ja, over dat “dood en dood”, daar zouden wij over kunnen praten, want “dood en dood” zijn twee. Je gaat dood voor de mensen en je leeft intens er voor jezelf. Dus je zou ook kunnen zeggen; je gaat intenser leven. Dan kijkt men ook wel eens met weemoed naar die wereld terug.

Maar wat hoort u altijd over Zomerland? Uw eigen wereld, herschapen in volmaaktheid.

Herinneringen. Het edelste van het edele vergaard. De schat kamer van een vorst, waar je lange tijd in vreugde kunt dolen en dwalen. Het is begrijpelijk, dat je ook uit het Zomerland verder gaat, want wanneer het oude volledig doorleefd is, dan lokt ons het nieuwe, dan roept ons een nieuwe taak, een nieuwe wereld, een nieuw denken.

Het oude blijft bestaan. O, ik weet het, er zijn geesten, die leven in een sfeer, die absoluut vormloos is en die toch somwijlen nog een keer terugkeren tot het Zomerland. Die daar weer gaan door de wouden en de bergen, door de steden en de dorpen, die spreken met de mensen en meezingen, wanneer een avondzang klinkt. Die weer in verwondering meestaren, wanneer de lichtende fakkel van een geest uit de hoge neerdaalt en wijsheid en kracht geeft aan degenen, die daar aanwezig zijn. Een ogenblik later gaan zij weer weg. Zij hebben hun schatkamer bezocht, hun herinnering. Niet met weemoed, helemaal niet. Wanneer zij afscheid nemen daarvan, dan doen zij dat met een vreugde. Vreugde, omdat dit goede ook hun deel is, wetend, dat er andere, nieuwere schatten zijn, die misschien grootser en schoner zijn. Maar zij keren elke keer weer terug om even te kijken, hoe het oude nog in elkaar zit.

Dat is geen vastzitten aan je herinnering, dat is niet een in het verleden leven. Maar dat is; jezelf zijn. Jezelf, zoals je werkelijk bent; een samenstel van heden, verleden en toekomst. Al deze dingen zijn uw wezen. Als je alleen maar de toekomst kijkt, met verlangen bv., dan beleef je maar één: kant van je eigen wezen. Je bent onvolledig, je: bent onevenwichtig. Ja, dan wordt je natuurlijk weemoedig. Want het gebrek dat je voelt, weet je niet meer aan te vullen. “Er is een mens van mij heen gegaan” zegt men dan. “Hoe moet ik dat nu ooit weer in orde krijgen? Ik voel mij zo alleen”. Ja, ik kan mij voorstellen, dat je dat voelt, lichamelijk, maar waarom dan alleen zo somber vergelijkend?

Leef een ogenblik in de droom van het verleden. Sta dan weer in het heden, strevend naar de toekomst. Want dat is je taak. O, ik zou nog heel wat kunnen zeggen over al die dingen. Maar ik mag nu eenmaal niet zo erg gewichtig worden. Ik heb zo de taak gekregen, om de waardige, licht predikende, interessante en toch vooral begrijpende tweede helft te vormen.

Ik zou haast zeggen ofschoon ik geen vrouw ben geweest in mijn laatste leven dat ik als het ware het wederpart of de wederhelft ben van de eerste spreker, die tot taak heeft vooral de diepzinnigheid tot uitdrukking te brengen. Daarom een kleine anekdote over die dingen.

Er was een man, die een oud horloge had. Een horloge, waar hij erg trots op was en wat hij heel erg op prijs stelde. Toen hij dat horloge verloren had, was hij zo ongelukkig, dat niets hem kon troosten. Hij was zijn erfstuk, hij was zijn horloge kwijt. Of men hem nu al een heel modern, mooi, plat, sierlijk uitgevoerd horloge gaf, dat veel beter liep en alles veel beter had, hij verlangde maar terug naar dat oude. Tot op een goede dag een klein jongetje naar hem toekwam en zei; “Meneer, ik heb een horloge gevonden en moeder is naar de politie gegaan en daar zei men, dat het van u was.” Nu, die man was zo blij, dat hij onmiddellijk in zijn zak greep, er een tientje uithaalde – komt misschien zelden voor op de wereld, maar zo staat het in het verhaal – en dat aan dat jongetje gaf. Hij zei; “Hier kerel, hier heb jij een tientje, ga jij nu maar eens lekker wat kopen.”

Hij had zijn horloge terug en hij was zo gelukkig. Die eerste dag zat hij werkelijk vol vreugde op die oude knol te kijken.Maar de tweede dag ontdekte hij, dat dat ding naliep en dan weer eens voorliep, Hij ging naar een horlogemaker. Die zei; “Ja meneer, daar kunnen wij niets aan doen. Dat ding is oud, het is versleten”. Ja, wat dan? Hij nam zijn nieuwe horloge.

Drie weken later komt hij een kennis tegen. Die zegt: “Hé, ik hoor, dat jij je horloge hebt teruggevonden”. “Ja”, zegt hij, “Dat heb ik ook”. “Nu”, zegt de vriend,” laat eens kijken. Ziet het er nog goed uit?” “O”, zegt hij, “Dat heb ik thuis in de kast liggen”. “Maar”, zegt de vriend weer, “Je “kon toch niet zonder dat horloge leven?” “Ja”, zegt hij, “Ik kan ook niet zonder dat horloge leven, maar ik heb een modern horloge in mijn zak, want ik moet weten, hoe laat het is”.

Kijk, zo doen een hoop mensen in hun leven. Zij verlangen naar iets, dat zij op dit moment niet meer zouden kunnen hebben of gebruiken. Wanneer zij het terug zouden krijgen, dan zouden zij heel blij zijn om het voorzichtig ergens in een laatje te leggen en met wat zij nu hebben verder gaan. Ik weet niet, of u voelt, wat er achter zit? Maar zo denken de mensen er meestal niet over. Zij zien die dingen als een afscheid in plaats als een verandering. “Het is voorbij” zeggen zij dan. En met grote tranen in hun ogen zitten zij dan terug te kijken naar het verleden.

Wat het heden ook voor moois geeft, zij gebruiken het, zij nemen het, het is best maar “het is allemaal maar behelpen”, zeggen zij dan. “Want dat oude, dat had ik moeten hebben”. Zouden zij het terugkrijgen, nogmaals, zij zouden ontdekken, dat het niet meer bij hen paste. Kijk, dat is nu eigenlijk het hele raadsel van weemoed en afscheid.

Weemoed is in vele gevallen een soort zelfbeklag. Het klinkt misschien vreemd, maar toch is het zo. Jezelf beklagen, omdat jij verliest, omdat het voor nu voorbij is. Omdat je de dingen stabiel, permanent zou willen houden. Je zou één dag uit de zomer willen nemen, een heel mooie dag en die beleven van oneindigheid tot oneindigheid weer, niet wetende, dat het dan in plaats van een vreugde een straf zou worden. Een kleine anekdote weer om het te illustreren:  Er was eens een pastoor in gesprek met een boeddhistische monnik. Ik geloof zelfs, dat het een Panchen Lama was, maar daar zullen wij ons verder niet druk over maken. Ik weet wel, het was in de buurt van Goa, waar tegenwoordig ook zoveel drukte is vanwege andere, politieke aspecten. Die twee zaten met elkaar te praten en de geestelijke sprak over de hel. Hij had het over ondergang en dood, over vloek en verderf.

Toen hij klaar was, zei hij tegen de boeddhist: “Vertelt u mij nu eens, hoe stelt u zich die hel voor?” De boeddhist zei dit: “Ik stel mij de hel voor als een vreugde, die voortdurend gelijk blijft”. Toen begon de priester te lachen en zei; “Dat is geen hel, man, dat is een paradijs”. “Neen”, zei de boeddhist, “Het is anders. Kijk eens, wij drinken hier nu tezamen thee. Het doet ons veel genoegen om die thee te drinken. Maar als je nu je hele leven niets anders zoudt kunnen doen dan alleen maar thee, thee, thee drinken, zitten en praten met elkaar”. “Ja”, zei de priester, “dan zou ik gek worden”. “Juist”, zei de boeddhist, “dan is het een hel”. De hel is eigenlijk niets anders, dan een vreugde, die zichzelf volkomen gelijk blijft en geen verandering meer kent. Dat is stilstand.

“Ja”, zei de priester, “maar wat is dan de hemel? “Wel”, zei de boeddhist, “Uw hemel stel ik mij ook weer als iets sombers, als iets tragisch, zoals u dat ziet, Pater. Onze hemel is een hemel, waarin de eeuwige verandering van de Schepping samen wordt tot een gelijkblijvende vreugde. Omdat elke verandering opnieuw de vreugde brengt met een frisheid en een grootheid, die het innerlijk geluk op één peil houdt. Zodat je, ondergaande en levende vanuit het Nirwana, zonder te handelen, steeds weer de verandering kent en in de verandering jezelf gelijkblijvend ziet. Dat is voor ons vreugde”.

Ik geloof, dat er een hoop mensen zijn, die zich eerder de verandering als een soort onderdeel van de hel voorstellen. Zij denken, dat, wanneer de zomer weggaat en er voortdurend weer wat anders komt, net wanneer je er aan gewend bent, dat dit een vreugde vernietiging is. Zij hebben pas een prettige vriend of vriendin gevonden en bom, weer wat anders. Je bent net gezellig gaan zitten en je moet weer opstaan en verder gaan. Dan zeggen zij: “Ja, maar dat is toch iets verschrikkelijks”. Neen. Elk moment, elke vreugde proeven, haar als een edelsteen in je herinnering bewaren, een hoogtepunt, dan weer verder naar het nieuwe hoogtepunt, steeds, door. Zodat de schatten ín je wezen aangroeien tot een onvoorstelbaar grote schatkamer. Dat gelijktijdig je wezen zichzelf verantwoord weet, doordat het nooit heeft getracht de werkelijkheid te behouden, maar slechts in zich heeft genomen, wat de werkelijkheid heeft gegeven. Verantwoord voor jezelf. Nooit met een schuldgevoel tegenover jezelf staan. Steeds weer het nieuwe te vinden van eeuwigheid tot eeuwigheid. Dat is de grootste vreugde, die er bestaat. Dat vraagt geen weemoed, integendeel.

Het afscheid is het begin van vernieuwing. Alle vernieuwing is herboren worden. Herboren worden is opnieuw sterk, krachtig staan, weer voluit kunnen beleven.

Je kunt dat natuurlijk niet op alle dingen van toepassing verklaren, dat begrijpt u ook wel.

Want al zal het kosmisch wel zo zijn, ons wezen weigert om dat te accepteren. Op het ogenblik. Hoe het later zal zijn, weten wij niet. Maar ik weet wel één ding: de weemoed van een stervende zomer, de weemoed van een mist doortrokken herfst, vol rode en gele kleuren, ach, die dingen hebben eigenlijk niets te zeggen. Want zij brengen elk hun eigen schoonheid, die een vreugde kan zijn, wanneer je niet te veel terugdenkt aan hetgeen er achter ligt….