Erkennen van de God in ons

7 september 1958

Om te komen tot een waar begrip van alle esoterische krachten, die in de mens, dus ook in de kosmos schuilen, moeten wij komen tot een erkennen van de God in ons. Er zijn zeer vele geheimscholen, die steeds weer ditzelfde verkondigen en ik wil U niet vermoeien met een overvloed van citaten. Het zij U genoeg te weten, dat praktisch allen, die een goede leer op aarde hebben gebracht, gewezen hebben op de noodzaak God binnen het “ik” te beleven.

Hoe wij dit kunnen doen is geheel afhankelijk van onze eigen toestand, van ons eigen wezen. Hen verkeert vaak in de waan, dat men God alleen beleven kan in de afzondering, in een kluizenaarschap. Dit is zeker niet waar. Kosmisch gezien zijn alle dingen gelijkelijk met God verbonden. Er is geen enkel onderscheid tussen stilte en geluid, tussen handeling en rust, tussen denken en daad, indien wij God zoeken. Er bestaat geen goed en ook geen kwaad. God in Zichzelf is in alle dingen. De intentie, waarmede wij leven, waarmede wij handelen, is bepalend.

De Schepper toont Zich op vele verschillende wijzen aan ons. Wij kunnen niet zeggen, dat God gelijk is voor alle mensen. Integendeel, voor ieder krijgt Hij een afzonderlijk aangezicht en aan een ieder toont Hij Zich in een bepaalde gedaante, een bepaalde gestalte. Indien wij God werkelijk willen beleven; indien wij in overpeinzing, in een samenkomst of op andere wijze, willen doordringen achter de sluier der uiterlijkheid, dan zullen wij onze persoonlijke instelling dus wel zeer sterk moeten gebruiken om juist God voor ons tot werkelijkheid te maken. De werkelijkheid, die wij zo kunnen beleven, zal ik trachten voor U te omschrijven.

In de eerste plaats; Zolang wij ons van onszelf volledig en sterk bewust zijn, kunnen wij ons niet bewust zijn van God. Zodra het totaal van ons streven en denken is gericht op een andere persoonlijkheid, op een ander wezen, op een gemeenschap i.p.v. op onszelf, dan zal – onverschillig op welke wijze wij handelen of denken – dit ons onmiddellijk in verband brengen met grotere eenheden van kracht. Deze grotere eenheden van kracht liggen voor ons bewustzijn al zeer dicht bij het Goddelijke. Op de duur leren wij ook dit langzaam maar zeker nog te verwaarlozen. Wij denken niet meer aan de mens of aan de mensheid, wij denken aan het leven.

De meest juiste omschrijving, die er van God is gegeven, is kort en schijnbaar simpel; God is leven. Al wat leeft, al wat bestaat is God. Want Hij is de kracht, die het samenhoudt, die het bundelt en die het bindt. U zult begrijpen, dat wij, wanneer wij in deze kleine kring willen trachten de wijding te vinden maar ook de wijsheid, die voor ons een onmiddellijk bereiken van God mogelijk maakt, steeds weer zullen moeten teruggrijpen naar het grote geheel. Boven het kleine, boven de menigte zelfs.

Ik stel mij daarom voor het Godsbeleven vandaag in enkele voorbeelden te schetsen. Ik wil daarmee niet zeggen, dat U ze juist op deze wijze in de praktijk moet brengen. Het zijn voorbeelden. Maar U hebt Uw eigen leven, Uw eigen denken; U kent waarschijnlijk wel iets van Uzelf, Tracht Uw eigen weg te vinden om op gelijke wijze te komen tot een eenheid met het Grote.

Wanneer je jezelf beziet en je beziet de mensen rond je, dan leg je niet meer de nadruk op de verschillen, die je maken tot de persoonlijkheid”. Je ziet de overeenkomst. Je ziet, hoe je leven en streven, je werken, je figuur, je persoonlijkheid, alles, duizenden, ja, ongetelde malen misschien herhaald is rond je. Je zegt tot jezelf: “Ik ben maar één gezicht, één gestalte van een wezen, dat vele gezichten en vele gestalten heeft.” Je zegt niet meer; “Ik “ben aansprakelijk of verantwoordelijk in dit ogenblik.” Je zegt tot jezelf slechts; “Ik tracht te vervullen, wat in het geheel rust, niet mijn persoonlijk denken of leven.” Dan wordt langzaam maar zeker je wereld een andere.

O, denk niet, dat plotseling de zon gaat schijnen of dat plotseling alle dingen er anders uitzien, een ander licht uitstralen. Maar Uw relatie met Uw wereld wordt een andere, U bent niet meer een wezen, dat voortdurend kritisch heeft te staan tegenover al, wat er gebeurt, U hebt niet meer te oordelen, U hebt niet eens meer te denken over goed of over kwaad of over wat anders. U hebt alleen nog maar te beleven.

En wanneer je dat ogenblik bereikt hebt, begin je voor jezelf te zeggen; “Buiten dit, waarmee ik geheel verbonden ben thans, is er meer. En in elk punt, ja, in elke straal van licht, die mij bereiken kan, is altijd weer deze zelfde kracht volledig aanwezig.” Ge stelt U open om die kracht te ontvangen. Dan zijn er geen gedachten meer. Het is vreemd. Misschien dat er wat beelden voorbij trekken. Hebt ge de ogen gesloten, dan komt soms een reeks van vreemde voorstellingen, soms dromerige landschappen, soms eenvoudig een reproductie van hetgeen ge hebt beleefd en gezien. “En al deze dingen,” zegt ge tot Uzelf, “zijn één met het zijnde, dit is het leven, dit is God.”

Op deze manier verbleekt alles. Er is wel een veelheid van indrukken, maar ge kunt ze niet meer opnemen. Er is een veelheid van mogelijkheden, maar ge kunt geen keuze doen. Er is alleen nog maar een gevoel van uitgewist worden, dat steeds groter wordt. En daarin komt dan aanzwellend de emotie. Want ook het beleven is verbonden met het Goddelijke en we zullen een ogenblik doormaken van verrukking misschien of van afgronddiepe wanhoop. Maar ook dit gaat voorbij. En dan wordt het stil. Wanneer het stil is in jezelf, dan eerst is het mogelijk om een eenheid met God te beleven.

Natuurlijk is het moeilijk om zover te komen. Maar Godsbeleven is ook op een andere wijze mogelijk. Want dit zijn alleen maar voorbeelden, een enkele greep uit de oneindige reeks. Ge loopt buiten, gewoon door de straten; U ziet het, het licht de namiddag schetst of nog de gloed van de komende middag toont in de vroege morgen. Ge ziet, hoe de ijlheid van kleuren langzaam maar zeker zich verzadigt of verbleekt misschien in de schemering van de avond. Ge ziet bloemen en planten, mensen, dieren en huizen. En ge zegt tot Uzelf; “Dit alles is onwerkelijk. Want ik oordeel. En oordelen mag ik niet.” Zeg tot Uzelf; “Ik ervaar alle schoons, dat er is, alle vreugde, die er bestaat, alle leven, dat mogelijk is, wil ik op dit ogenblik in mijzelf voelen.”

Dan moet je heel veel vergeten. Er zijn dingen, die lelijk lijken in je ogen. Je moet ze vergeten. Er zijn misschien gedachten, die je voor jezelf zou verwerpen. Je moet ze terzijde schuiven. Niet meer vragen; Is het goed of is het kwaad? Je moet alleen maar absorberen al, wat rond je is. En in dit absorberen van het leven, niet meer op kritische manier maar in een ademhalen in de kosmos, vinden we wederom iets van die eenheid, waardoor de stilte in ons komt.

Ge kunt het doen door buiten in de natuur te rusten, door adem te halen in de stilte van de bossen, te luisteren naar de vogels, ge kunt het evengoed doen in de onvoorstelbaar razende drukte van een metropolis met haar door benzinegeur vergiftigde lucht. Al deze dingen, die door de mens zijn gemaakt, door de natuur, behoren bij God. Kunt ge dit accepteren; ge hebt een Godsbeleven bereikt.

Niet voor niets leg ik daarop zozeer de nadruk. Want, mijne vrienden, wanneer wij hier tezamen zijn, dan is dat met een bepaald doel. Het gaat er nu om iets te bereiken van een innerlijke verstilling, van een groter begrip voor de wereld, nietwaar? Laat ons dan niet vergeten, dat het uiteindelijke doel van elke bijeenkomst, het uiteindelijke doel van Uw leven zelve, van Uw hele bestaan is? een Godsbeleven, een Godservaren. Het is een noodzaak. Slechts zo kun je vrede vinden en rust en vreugde. Slechts zo kun je die innerlijke onrust, die spanningen, die onvrede, dat verzet tegen al, wat onvolmaakt schijnt, voorbijgaan. Wie God kent, kent geen grenzen. Wie God kent, kent slechts de vervulling van de goddelijke wet en meer niet. En dit te kennen is het meest belangrijke en het meest juiste. Dit is het doel van het stoffelijk leven en de voleinding van een geestelijk bestaan.

Nu zullen wij ons ongetwijfeld ook afvragen; Kan God dan in ons Zijn krachten openbaren, wanneer wij één met Hem zijn, wanneer wij Hem beleven? Want menigeen verwacht wonderen. Laat mij U dan zeggen, dat het wonder niet onmogelijk is. Het wonder kan gebeuren. Maar het zal nooit gebeuren, wanneer wij het voor ons persoonlijk in een volledige intensiteit zoeken. Het werkelijke wonder, dat in het Gods beleven geboren wordt, is een kracht; niet onze kracht maar Godskracht in ons. En uit deze kracht kunnen wij beleven en kunnen wij verdergaan. Uit deze kracht kunnen wij volbrengen ook datgene, wat onmogelijk lijkt. En nu ik dus zo kort en kernachtig mogelijk heb omschreven, waar het om gaat, wil ik U gaarne een paar lessen weergeven, die zeer belangrijk zijn in verband hiermede. En onwillekeurig grijp je dan in een christelijke maatschappij allereerst naar Jezus zelve en hetgeen hij heeft geleerd. Ik haal hier dan enkele van zijn spreuken tezamen er zorg voor dragende, dat ik hun werkelijke betekenis niet door de samenhang verander.

“Om tot het Koninkrijk Gods te komen moet men zijn als een kind. Een kind aanvaardt het leven zonder vragen; het verzet zich volgens zijn eigen wil, maar aanvaardt de overmacht. Het eist nooit het onmogelijke, maar tracht het onmogelijke te doen. Een kind gelooft in een vol vertrouwen en vraagt zich niet af, of dit geloof gerechtvaardigd zal worden of niet. Het gelooft en vertrouwt. En zelfs wanneer het beschaamd is in zijn vertrouwen, kan men dit nog herwinnen.” Zo moeten wij zijn t.o.v. de Vader. Indien wij Hem kunnen ervaren zoals een kind zijn moeder, zijn vader, ons geheel één voelend met Hem, uit eigen wezen voortdurend aanspraak makend op Hem, dan zijn wij dicht bij het Koninkrijk Gods.” Het Koninkrijk Gods ligt in ons. Het is de stille kracht van de Vader, die het ons niet slechts mogelijk maakt te scheppen en te herscheppen volgens Zijn wil, het is de kracht, die het ons mogelijk maakt, Gods wil en het geschapene, voor onszelf te aanvaarden en te dragen.”

Want belangrijker is het Gods wil te dragen, dan een wereld te veranderen. “Wie vraagt naar loon voor zijn arbeid, wordt beschaamd. Want ziet, indien wij eisen of verwachten, onze eisen en verwachtingen worden beschaamd, omdat de Vader rechtvaardig is.” Wij echter in onze eisen zijn dit niet. Doch wie al, wat gegeven wordt in het leven, aanvaardt als een geschenk, niet vragend, maar aanvaardend met vreugde, belevende ter ere Gods, die kent de Vader in zich en in hem wordt de volheid van Zijn vaderlijke liefde uitgestort. Zeg niet; ik wil of ik zal. Zeg niet; Mijn wil of de wil des Vaders. Zeg; Zijn liefde in mij. Want de liefde des Vaders, die al in stand houdt, voltooit alle dingen in de grote volmaaktheid, die Hij slechts kent. Ons gevende in die volmaaktheid aan die volmaaktheid, verliezen wij het persoonlijk handelen misschien, maar daarvoor vinden wij terug de vrede van Zijn rijk, de glorie van de woning, die Hij ons heeft bereid.

Dit zijn alleen maar enkele citaten. Ik zou nog lang kunnen voortgaan. Maar in deze enkele spreuken komt duidelijk naar voren, hoe Jezus het ziet. Je moet a.h.w. God aanvaarden en God je leven laten bepalen.

Wanneer je dat kunt, zul je altijd weer het goede, het sterke in jezelf vinden en – onverschillig voor de uiterlijke omstandigheden – de innerlijke vrede kennen, de eenheid met God, het Gods beleven, dat Jezus het koninkrijk Gods noemt. Hij heeft dit op zijn wijze gezegd en van uit zijn voorstellingswereld. Er zijn natuurlijk anderen.

De Gautama Boeddha heeft ook eens getracht de mensen duidelijk te maken wat eigenlijk dit geheimzinnig Nirwana, dit rijk van bestaan zonder bestaan betekent. En ook hij vond het noodzakelijk erop te wijzen, dat dit bestaat te allen tijde en niet slechts nadat een mens de wereld heeft verlaten. Zo sprak hij op de weg naar Basheri; “Wie droomt van de volmaking, kan niet bereiken. Want droom is begeren en begeren betekent onvolmaaktheid, onevenwichtigheid. Zeg niet; Ik verlang de vreugde der eeuwigen. Zeg niet; Ik vrees de afgrond van de duisternis.” Doch zeg; Ziet, ik ben. En gaande door het zijn, door de wereld zal ik niet vrezen of begeren, doch slechts zijn dat, waartoe de scheppende Kracht mij heeft gemaakt.”

Hier valt het idee van de liefde weg. Daarvoor in de plaats komt de nuchtere aanvaarding; Je bent iets en je moet het blijven. Een aardige gelijkenis vinden we ook weer in dezelfde richting in een van de meer openlijke preken van de Boeddha; “Indien gij loopt langs een afgrond, terwijl boven U de rotsen dreigen (hij meent hier dus kennelijk een steenval), dan zult ge niet verder kunnen gaan, want wie schouwt in de diepte, voelt zich verlamd. Wie schouwt omhoog, voelt zich gedreven tot een panische vlucht en kan niet meer zien waar hij de voeten zal zetten. Doch wie noch neer noch opschouwt, doch zijne weg gaat, gaat deze in vrede zonder andere gevaren, dan die de weg met zich meebrengt. En aan de weg kunnen wij niet ontkomen, wij kunnen hem slechts afleggen. Het is ook weer heel begrijpelijk.

Op het ogenblik, dat wij bang zijn voor een buitenste duisternis bv., zal ons dit terughouden. Wij vragen ons voortdurend af; “Is het nu wel goed, wat ik doe en ben ik nu wel een goed mens? En zal het mij later wel goed gaan?” Dat is al een negativisme. Want wij durven niet te zijn. Aan de andere kant kun je ook gaan vragen; “Is dat nu wel edel genoeg; is dit nu wel goed genoeg; kan dit niet beter?” Zolang je over die dingen bezig bent, kun je niet handelen. Kun je niet leven. Je staat dan voortdurend op de grens van; Ik zou wel willen, maar kan het wel? Dit is niet aanvaardbaar.

Wij weten wat goed en kwaad is. Dat is ons ingelegd. Wij hebben dit gekregen uit de maatschappij, uit vorige levens; wij hebben dit zelfs uit de adem van God Zelve, Die Zich in Zijn wetten voortdurend aan ons openbaart. Wij hebben alleen de weg van nu te gaan, zo zegt de Boeddha, om God te erkennen. Juist op het ogenblik dat wij trachten te hoog te gaan of te diep te dalen, is er gevaar. Dan zijn wij gebonden aan het rad van een noodlot. Dan is er een karma, dat ons voortjaagt van het ene leven naar het andere, van het ene lijden naar het andere. Dan voert onze weg ons nu door de hemel, dan door de hel; steeds weer afwisselend, steeds weer voortgaand. Maar op het ogenblik dat wij leren onze weg te gaan zonder te vragen naar het hoogste of te vragen naar de mogelijkheid van een val, vervullen wij wat wij zijn. En in deze vervulling kunnen wij de werkelijke vrede vinden, beleven wij God in werkelijkheid. Niet slechts in opgejaagde dromen.

Er bestaan ook nog andere spreuken en uitspraken, waarvan ik er een paar wil uitkiezen, o.a. van Rama Krishna, Shri Adisprata en enkele anderen. “Wie droomt van de goden, kent de goden niet. Wie gejaagd wordt door duistere geesten, wordt gejaagd door zichzelf. Wie werkelijkheid zoekt, zal begoocheling moeten aanvaarden. Wie in vele goden de oneindigheid getekend ziet, kent geen oneindigheid. Wanneer de goden U sterven, wordt het leven pas werkelijkheid.”

In deze paar spreuken ligt wederom een filosofie, die ons het Godsbeleven voorstelt op een zeer bijzondere wijze. Die spreuken zijn geboren uit een wereld, die vele goden kent. Een wereld, waarin hele hiërarchieën van geesten de mens beheersen. En juist de grote denkers uit deze richting zeggen U, dat de goden alleen maar een vermomming zijn van de werkelijkheid. Maar ze zeggen erbij; “Je moet die vermomming eerst aanvaarden, voordat je tot de werkelijkheid kunt komen.

Het is niet mogelijk eenvoudig de werkelijkheid zo te vatten en in de handen te dragen. Je moet haar bereiken door de waan, dus het niet-ware eerst ervarende, in het niet-ware de waarheid vinden. Misschien had Augustinus wel gelijk, toen hij zegde, dat het verborgene is geopenbaard in de verborgenheden, die wijzelf behoeden. Hij wilde daarmede zeggen, dat de mens in zichzelf geheimen maakt. Dat hij in zich voorstellingen draagt, die absoluut onwaar zijn. Maar dat juist in hetgeen hij in zich verbergt deze vreemde gedachten van haat, van vreugde, van liefde, van afkeer zich het goddelijk geheim zelve heeft verborgen.

Want God is al deze dingen. En vinden we datgene, wat alle beleven in ons leven tot eenheid maakt, dan hebben wij God gevonden. Natuurlijk is dit maar een inleiding. Veel verder kunnen wij op deze eerste morgen niet gaan. Toch is het belangrijk. Want bij al hetgeen wij U, – hoofdzakelijk ook meer over de oosterse filosofie – zullen zeggen. In de komende tijd, zult U steeds ditzelfde terugvinden. Steeds weer zult U vinden, dat het Godsbeleven het enig belangrijke is. Want dat is de enige weg naar de waarheid. Zoek daarom in al datgene, wat wij U geven, wat wij U brengen, juist naar deze eenheid met God. En bedenk dan wel; het is niet belangrijk, hoe je dit bereikt, wanneer je het maar bereikt. Bedenk dan, dat het niet belangrijk is, of de wereld het erkent, wanneer je het in je draagt als een eigen erkennen. Bedenk dan, dat het niet afhankelijk is van leerstellingen, van sprekers, van citaten. Maar alleen van de wijze, waarop je jezelf openstelt voor meer dan in woorden kan worden gezegd. Meer dan de wereld in al haar vormen kan uitdrukken. Als ons dat in het komende jaar lukt, vrienden, dan hebben wij een stap gezet op een zeer belangrijke, misschien wel de belangrijkste weg, die wij kunnen vinden in het bestaan. En ik wil dan ook niet eindigen zonder U toe te wensen, dat U zult leren deze weg te gaan op Uw eigen wijze, volgens Uw eigen wetten en Uw eigen leven, maar – met de erkenning van volheid – vervuld zijnde van licht die in elk mens geboren wordt, die de weg der waarheid heeft gevonden.

o-o-o-o-o

Er wordt wel eens gezegd; “Wanneer de haan kraait op de mesthoop, denkt hij, dat hij de zon regeert.” En bij de mens vinden wij al precies hetzelfde. Hij staat daar in het totaal van kosmisch gebeuren, hij handelt en hij meent, dat hij het gebeuren schept. En toch is er een noodlot, een karma, dat buiten ons om het decor, waarin wij leven, voortdurend verandert. Men kan wel zeggen; “Ik ben het, die over de wereld gaat.” maar men kan niet zeggen; “Ik ben het, die de bergen en de dalen gemaakt heeft.” Men kan zeggen; “Ik ben het, die leeft, ik ben het, die jong was en die oud is geworden,” maar men kan niet zeggen, dat daardoor de wereld is veranderd.

Vandaar dat het misschien wel het verstandigst is om altijd jezelf dit kraaien op de mesthoop voor te houden. Ge kunt zeggen; “Ik heb volbracht, ik heb gedaan.” Buiten alle schone lessen en alle gebeurtenissen, buiten alle mogelijkheden van het leven om, ligt één ding wel vast: Buiten ons bestaat er een hiërarchieën een orde, die het heelal regeert; is er een opbouw, die voortdurend weer in de volheid van werking een geheel schept, waarbinnen wij staan, waarvan wij deal uitmaken.

Laat ons dan zeggen, dat de wetten en de orden zijn geschapen buiten ons en voor ons. Elk, van ons heeft voor zich een taak erkend. Elk van ons voelt in het leven een bepaalde verplichting. leder van ons voelt zich gebonden tot het volbrengen van een zekere taak. Niet altijd zijn wij geneigd het te volbrengen. Wij zeggen tot elkander; “Maar dit is toch een te zware opdracht en dat kan ik niet verdragen.” Zou ons iets gegeven worden, wanneer het te zwaar was of niet te dragen?

Alles, wat in het Al voortkomt uit deze hiërarchie, is volledig aangepast aan al, wat binnen die hiërarchie bestaat. Daarom is het goed ons voortdurend te herinneren, dat de juiste weg van leven bestaat in het juist aanvaarden van de omgeving. Gij kent bepaalde dingen, die eerbied vergen. Daar zijn degenen, uit wie ge geboren zijt. Uw voorouders. Daar zijn de kinderen, voor wie ge verantwoordelijk zijt. Daar zijn Uw vrienden en bekenden, die elk voor zich een zekere status hebben. Daar zijn degenen, die U helpen en bedienen, Uw bedienden, Uw personeel. Degenen, die U bijstaan in de handel of op andere wijze, voor wie gij wederom een verantwoordelijkheid hebt.

Wanneer wij menen, dat wij onze eigen weg kunnen gaan zonder meer, zondigen wij juist tegen de wet van harmonie en van samenhang, die voor het geheel zo buitengewoon belangrijk is. Wanneer ik kom in een winkel en het hoofd van deze winkel bedient mij, dan heb ik het recht om mijn eisen te stellen. Hij is mijn gelijke. Van mijn gelijken kan ik vorderen. Het kan ook zijn, dat het iemand is, die ver boven mij staat, een priester misschien, die zich verwaardigt een ogenblik te helpen of de directeur van een heel grote zaak met grote wijsheid, die voor een kort ogenblik zich in deze eenvoudige zaak wil binden. Dan past mij gelatenheid. Want hij, die hoger staat, maatschappelijk, sociaal of geestelijk dan ik, die heb ik met een zekere eerbied, een zekere – laat ons zeggen – vragende honger tegemoet te treden. Ik mag eisen, wanneer een priester, een hoger geplaatste mij helpt in een winkel, dat de prijs voordeliger is, dat de waar beter is.

Wanneer ik tegenover mijn gelijke sta, heb ik het recht om te handelen. Dan mag ik zien of ik verstandiger of slimmer ben dan die ander, die mij verkopen wil. Maar heb ik te maken met personeel, iemand, die in dienst is en die ook mij bedient, dan moet ik zeggen; die staat op dit ogenblik beneden mij. Ik als de klant bv. of ik als de huisvader heb het te zeggen, wat deze bedienden zullen doen. Ik heb invloed op hun lot. Dat wil zeggen, dat, waar ik van de hooggeplaatste de fout niet behoef te duiden, indien zij inderdaad is vast te stellen; waar ik mijn gelijke zijn fouten mag verwijten, ik ze van de lager geplaatsten moet duiden. Ik behoef geen onrecht te ondergaan, maar ik moet weten, dat juist degene, die beneden mij staat, degene, die van mij afhankelijk is – al is het maar voor een kort ogenblik – recht heeft op alle vriendelijkheid mijnerzijds. Natuurlijk, wanneer het goed is, zal hij mij erkenning, geven, zal hij mij een zekere, eerbied betuigen als zijn meerdere. Maar of dit gedaan wordt of niet, het is mijn taak tegen ieder, die mij dient of dienen moet, tegen ieder, die lager staat dan ik, altijd vriendelijk, altijd edelmoedig en begrijpend te zijn.

Er is een hiërarchie zowel van geestelijke waarden en rijkdom als van stoffelijke en beide gehoorzamen aan dezelfde wet. Wat boven mij staat, moet ik leren nederig te aanvaarden. Doch ik moet aan de ene kant de eis durven stellen dat, wat het hogere mij geeft, beter is dan wat ikzelf ken. Anderzijds moet ik durven aanvaarden, dat het hogergeplaatste mij beter geven zal dan ikzelf kan begrijpen of vragen kan. Wanneer men op deze manier werkt, op deze manier leeft, past men zich aan in het schema der dingen. En dit schema is belangrijk. Want de eigen gezindheid, de eigen gesteldheid van de mens binnen de wereld bepaalt in hoeverre hij als eenheid met die wereld bestaat of haar voortdurend zal moeten bestrijden.

Men zegt soms in het oude China, dat alle geslachten der voorvaderen, die geëerd worden, het nu levende geslacht zullen beschermen en verdedigen. Er is een relatie. Men zegt; “Wanneer de tafelen der voorouders verlaten staan, geen offer wordt gelegd en geen spreuk gezegd, dan sterven de voorvaderen, tot zij de paupers zijn van een geestelijke wereld.” Dat kan onzin zijn in de meer stoffelijke zin, waarin het vaak wordt uitgelegd. Maar is het niet zo, dat wij door onze manier van leven, van aanvaarden van het hogere, juist uit het hogere de hulp kunnen krijgen? Het is een tweeledige relatie, niet een eenzijdige.

Men zegt; “De ouders moeten het kind liefhebben.” Natuurlijk. Maar het kind zal zich die liefde waardig moeten tonen door hun liefde, genegenheid en eerbied daarvoor terug te schenken.

Er is een vaste regel, waaraan wij niet kunnen ontkomen; er is een wetmatigheid in de wereld, waaraan wij ons moeten houden. En dit geldt niet alleen voor een stoffelijk bestaan maar voor elke wereld, die wij ons kunnen voorstellen. Er is een regel en een wet. Wanneer wij ons aan die regel houden, wanneer wij deze wet tot deel van ons wezen maken, draagt de wereld ons. Dan draagt het leven ons, stuwt het ons voort naar steeds weer gelukkiger ogenblikken. Steeds weer groter een groter bereiking, en ten slotte in steeds weer nieuwe en steeds weer schonere wereld, wanneer wij de andere moeten verlaten.

Maar indien wij niet de eenheid zoeken met de wereld rond ons, wanneer wij die wetten niet erkennen, wanneer wij de verhoudingen verbreken, wanneer wij menen slechts voor onszelf te leven, dan hebben wij de wereld te dragen, dan bezwijken wij onder de last.

En, vrienden, onze wereld heeft haar wetten. De Uwe ook. Laat ons die wetten goed beschouwen. Wanneer er staat; Verboden toegang en het is de enige weg om een belangrijk doel te bereiken, dan mag men een dergelijk verbod negeren. Maar wanneer er staat: Eert Uw vader en Uw moeder, dan zult ge hun deze eerbied niet onthouden. Want deze eerbied kan U nooit belemmeren Uw eigen doel te bereiken.

Kijk, wanneer gij zo de wetmatigheden van de wereld voor Uzelf beseft en verwerkt, wanneer gij leeft met die wereld. U laat dragen door die wereld, dan zult gij vanzelf komen tot het bereiken, waarbij geen vormgeving meer nodig is. Dan zult ge leren een wereld binnen te gaan, waarin geen sferen en geen werkingen meer zijn, die ons misschien een ogenblik boeien, maar die ons toch steeds weer misleiden en terughouden van het Allerhoogste, het Grootste. Er is één wet. Een wet, die is vastgelegd in de schepping, maar die voor ons betekent, dat wij ons op een bepaalde wijze hebben te gedragen. Die voor ons betekent, dat wij op een zekere manier in het leven verplichtingen hebben tegenover alles rond ons. Een wet, die zegt, dat eerst wanneer wij onze eigen verplichtingen volledig vervullen, volledig daaraan tegemoetkomen, wij kunnen verwachten, dat de wereld ons iets geeft. Maar wat zij ons dan geeft is meer, dan in een ogenblik van bevrediging of in een gedachte van grootheid ligt. Het is de stille kracht van het leven zelf. Het is het weten omtrent een voleinding, die niet bereikt kan worden in een kleine stoffelijke omgeving. Het is iets, wat je stelt boven alle teleurstelling. Want uit de wet wordt de kracht geboren en de kracht draagt in zich het ervaren en het kennen van het leven zelve. Met mijn voorganger durf ik zeggen; Het leven zelve is God in Zijn geopenbaarde vorm.

Daarmee neem ook ik voor vandaag afscheid. Onbelangrijke korte woorden voor een enkel ogenblik. Meer een mij voorstellen, meer een even een enkele gedachte aanstippen dan onmiddellijk reeds doordringen in de grote diepten van de oosterse filosofie. Maar dit begin, vrienden, is ook een belofte. Want aanvaard hebbende deze taak, neem ik de plicht op mij met geduld en waardigheid, met al mijn kracht en besef steeds weer te geven datgene, wat ik erken als waarheid. En indien wij vormelijk onze relatie stellen, zal het Uw taak hierin zijn toe te horen en voor Uzelf al hetgeen waardevol is te puren uit datgene, wat ik meende te moeten geven. Ik hoop dat deze samenwerking de komende tijd voor ons beiden heilzaam zal zijn. Opdat wij beiden gedragen zullen worden door de wereld, waarin wij leven tot een grotere rijping, een grotere voldoening, een groter begrip.