Erkenning van het eigen wezen

uit de cursus ‘Inzicht 1’ – (hoofdstuk 2) – november 1962

Erkenning van het eigen wezen

Elke mens heeft zijn eigen persoonlijkheid. Deze persoonlijkheid kan het kader worden genoemd, waarbinnen zijn leven zich afspeelt. Zij bestaat voor een deel uit denkbeelden, voor een ander deel uit erfelijke waarden en weer voor een ander deel uit omstandigheden, die uit de omgeving voortkomen. Onze eigen persoonlijkheid, zoals wijzelf die zien, is nimmer reëel. Tenminste 1/3 daarvan is imaginair en geboren uit ons eigen denken.

Dit geldt zowel in de geest als in de stof. De erkenning van onze persoon­lijke werkelijkheid zal dan ook nimmer volledig kunnen zijn, zelfs niet als wij de redelijke beperkingen van de mens zouden kunnen overwinnen. Eerst wan­neer wij in het Goddelijke de volledigheid van ons eigen wezen ervaren, de aanvulling van het “ik” tot de goddelijke volmaaktheid hebben doorgemaakt, zullen wij in staat zijn te weten wie en wat wij werkelijk zijn. Zelfkennis is daarom altijd een beperkt streven; en in dit streven dient de persoonlijk­heid de hoofdrol te spelen.

Het is niet redelijk eigen persoonlijkheid te beperken, alleen omdat uiterlijke omstandigheden dit minder aanvaardbaar maken. Men moet zichzelf leven; d.w.z. dat eigen karakter zowel als de inspiratieve werkingen voort­durend tot uiting moeten komen. Zodra een vooropgezet beeld een rol gaat meespelen, ontstaan de volgende afwijkingen van het meest ideale:

  1. Onderdrukking van een deel van het wezen. Hierbij treedt vaak het onderdrukte deel als een tweede persoonlijkheid op, die meestal net onder de oppervlakte blijft.
  2. Een weigering het “ik” volledig te ontwikkelen. Hierdoor worden bepaalde facetten van het “ik” eenvoudig niet ontwikkeld, omdat men vreest dat daaruit conflicten zouden kunnen ontstaan.
  3. Men zal over het algemeen binnen zijn persoonlijkheid weigeren de beperkingen van eigen wezen te aanvaarden en zal voortdurend trach­ten het beeld van een andere persoonlijkheid volledig na te volgen. Juist doordat men hierbij enerzijds zijn eigen begrenzingen overschrijdt, anderzijds zijn capaciteiten niet tot uiting brengt, zal men ook hier­door onevenwichtig zijn.

De vastgestelde punten zeggen echter weinig omtrent hetgeen u met uw eigen persoonlijkheid kunt doen. Wanneer u nu de persoonlijkheid (het karak­ter dus en de uiterlijke vorm] beziet als werktuig, dan kan dit werktuig worden ontwikkeld door training. Indien u uitgaat van datgene wat u ont­breekt, zult u nooit verder komen. Indien u uitgaat van datgene, wat u be­geert en gelijktijdig zegt dat u het ofwel ten koste van anderen moet berei­ken, dan wel niet mag bereiken, omdat het niet aanvaardbaar is, dan zult u de werkelijke erkenning van het “ik” maar ook de uiting van de persoonlijk­heid en de geestelijke bewustwording aanmerkelijk schaden.

De kern van het “ik” wordt gezien als een continue persoonlijkheid. Uw karakter en al wat eruit voortkomt, is in het verleden ontstaan. De ontwikkeling daarvan gaat niet parallel met de ontwikkeling van uw eigen geest; in sommige gevallen is ze zelfs daaraan tegengesteld. Wanneer u nu gebruikmaakt van de positieve capaciteiten die u in uzelf ontdekt, wanneer u bepaalde behoeften en mogelijkheden bij uzelf ontdekt en deze probeert door oefening of op andere wijze om te zetten in een positieve waarde in het leven, zal uw zelfkennis worden vergroot, maar ook zult u beter de samenhang tussen uw persoonlijkheid en het Al, de kosmos, begrijpen. Een groot gedeelte van de zelfkennis is niets anders dan het definiëren van eigen plaats in het Al.

Wanneer wij nu uitgaan van de stoffelijke achtergrond, dan moet worden gesteld: de zorgen van ouders en voorouders, hun voeding, hun leefwijze, hun begeerten en angsten hebben gezamenlijk een stempel gedrukt op het voertuig dat u thans bezit. Gedurende de prenatale periode bent u verder beïnvloed door emoties van uw moeder, door afwijkingen bv. in voeding of anderszins, die bij de moeder zijn opgetreden en deze hebben mede uw karakter bevestigd.

Gaat u uit van het standpunt, dat dit karakter op zichzelf moet worden gewijzigd, dan zult u te maken krijgen met onoverkomelijke weerstanden in uzelf. De activiteit die dan wordt ontplooid, is betrekkelijk nutteloos en brengt u niet veel verder. Maar indien u in staat bent gebruik te maken van de capaciteiten die u wel bezit en die u ‑ gezien het karakter ‑ wel kunt uiten, dan blijkt het volgende: door middel van scholing en voortdurende oefening is het mogelijk bepaalde zuiver menselijke capaciteiten, zoals bv. hersenactiviteiten, te ontwikkelen en te richten. Hierbij behoren o.m.: voorstellingsvermogen, waarnemingsvermogen en herinneringsvermogen. Ter verduidelijking een voorbeeld:

Wanneer u voor de eerste maal tracht een toneelrol of een gedicht uit het hoofd te leren, zal dit zeer moeilijk zijn. Wanneer u dit regelmatig doet, dan zult u op den duur in zeer korte tijd dezelfde prestatie verrichten. Wanneer u gewend bent om onopmerkzaam door het leven te gaan, dan zal het u zeer moeilijk zijn ’s avonds te zeggen wat u ’s morgens hebt gegeten. Wanneer u zich echter aanwendt om alles (dus ook impressies van reuk en smaak, visuele en auditieve prikkels, gevoelsprikkels a.h.w.) steeds terug te roepen, dan zal u blijken dat u in staat bent u de gehele dag en al wat daarin optrad te herinneren. U zult zelfs zover kunnen gaan, dat u een deel van uw wezen kunt terugprojecteren. Want een ontwikkeld menselijk voorstellingsvermogen geeft de mens de gelegenheid om bv. een dag nogmaals te beleven en wel vooral die punten, welke verwarrend waren en men dus niet zeker van zichzelf was. Het resultaat hiervan is dat men nu, als een meer objectief beschouwer, de toestanden en mogelijkheden kan overzien welke men eerst zeer subjectief onderging. De juiste positie van het “ik”, het wel of niet juist handelen volgens eigen karakter, zowel als door geestelijke inwerking, wordt duidelijk. Op deze wijze wordt niet alleen een kennis van het “ik” bereikt, die ver uitgaat boven alles wat de mens normalerwijze in dit opzicht kan bereiken door analyse e.d., maar bovendien komt men ‑ en dit is toch wel zeer belangrijk ‑ tot de mogelijkheid om elke in het heden geschapen factor hernieuwd af te wegen en ‑ dat is in de meeste gevallen mogelijk ‑ zover te corrigeren dat zij behoort tot de gewenste en aanvaardbare werkingen.

Op deze manier kunt u dus niet alleen uw eigen wezen leren kennen, maar u kunt gelijktijdig gebruikmaken van alle mogelijkheden die daarbuiten voor u bestaan.

De realisatie van een persoonlijkheid (het uiterlijk wezen, het beeld van het “ik”, zoals dit op aarde bestaat) is ‑ zoals ik reeds opmerkte – voor ten hoogste 2/3 op aarde te verwezenlijken. De gedachtefactor blijft bestaan. Maar als wij de factor “denken omtrent onszelf” positief stellen, daarbij voortdurend het gestelde toetsend aan de werkelijkheid, dan zal toch het denkbeeld, dat wij omtrent onszelf koesteren, dichter liggen bij de kosmische waarheid en bij de mogelijkheid van eigen karakter en wezen ‑ zowel in deze tijd als in een groter geheel ‑ dan anders bereikbaar is.

Ga uit van de gedachte dat u veel waard bent. U kunt alles. U bent in staat om snel een juist besluit te nemen. U bent in staat om alles te overzien. Wanneer u dit hebt gedaan, vraag u dan af waar de fout ligt. Vraag u af, waarom uw denkbeeld van het “ik” en zijn mogelijkheden faalde. Aan de hand van de ervaring zult u zien, dat u enerzijds een training van bepaalde onderontwikkelde capaciteiten van uw wezen, anderzijds door het afstand doen van bepaalde illusies omtrent uzelf, een redelijk persoonlijke harmonie kunt verwerven.

Het is noodzakelijk dat de mens van deze mogelijkheden gebruikmaakt, wil hij in de huidige tijd en in de tijden die komen gaan tot een juiste aanpassing kunnen komen ‑ geestelijk zowel als stoffelijk ‑ aan de krachten, die van uit het Al optreden.

Tot mijn spijt ben ik hier genoopt te eindigen, daar de gastspreker voor hedenavond aanwezig is en ‑ naar wij menen ‑ zijn woorden en lessen belangrijker zijn dan wat ik u op het ogenblik nog verder zou kunnen zeggen. Ik hoop, dat u deze punten zult willen overwegen en vraag nu uw bijzondere aandacht voor onze gast.

Gastspreker

Het probleem van het zelfonderzoek, het bereiken van het juiste inzicht in eigen persoonlijkheid, is reeds ongetelde jaren een van de belangrijkste werkingen geweest in de scholen van magie, esoterie en ook van yoga, zoals deze bestaan in Azië en zelfs in andere delen van de wereld.

In deze scholen worden bepaalde werkingen gebruikt, die niet algemeen zijn. Zij behoren niet tot de zelfanalyse en evenmin tot de normale regels waarmee de mens zichzelf tracht te omschrijven en te kennen. Op verzoek van uw leraren wil ik trachten u hiervan een zo kort en bondig mogelijk overzicht te verschaffen.

Wanneer ik een punt overweeg, wanneer ik mediteer, dan zal in deze meditatie mijn eigen wezen spreken. Ik moet mijzelf uiten; want elke redelijke gedachtegang, elk beeld dat in het “ik” ontstaat, kan alleen zijn opgebouwd uit die waarden, welke met het “ik” werkelijk verwant zijn. Het meditatief proces schakelt immers de buiten het “ik” liggende beïnvloedingen en de werkelijkheid uit.

Zo begint men te mediteren. Maar de meditatie heeft altijd de tendens naar bepaalde ideeën af te drijven. Wij vinden daarbij bv. soms de neiging om vrede, om lering te brengen, om mensen te genezen, om geluk te brengen aan anderen, ofwel om persoonlijke wijsheid te bereiken. Wanneer zo’n aspect optreedt, dan dient men zich ervan bewust te zijn, dat dit altijd de idealisatie van de werkelijkheid is. Wanneer gij zegt: “Ik wil alle zieken genezen,” zo zegt u in feite niet alleen dat u anderen wilt helpen, maar u zegt dat voor u de dienst aan de naaste en gelijktijdig een zekere dominantie van de naaste noodzakelijk zijn voor uw wezen en uw denken.

Zegt u: “Ik wil geestelijke wijsheid bereiken” en tracht u u daarvoor van uw wereld af te zonderen, dan geeft u duidelijk te kennen ‑ zelfs in de meditatie ‑ dat u niet zoekt naar een werkelijke harmonie met het Al. Gij zijt afgezonderd van het Al en tracht uzelf buiten dit Al om te verwerkelijken. Dit wijst op een disharmonie. Wanneer wij zien, dat een leerling in zijn meditatieve oefeningen een dergelijke afwijking vertoont, dan zeggen wij hem dat het noodzakelijk is eerst te leren anderen te dienen en te begrijpen. Eerst dan kan hij verdergaan.

De zelfkennis die zo ontstaat, vrienden, is zeker geen alomvattende. Maar zij wijst op die punten, welke ons met de wereld, waarin wij leven, verenigen. En zij wijst ons op die delen van de wereld of op die krachten in de wereld, die wij trachten te ontwijken.

Nu kunnen wij nooit iets ontwijken dat wij niet kennen. De mens, die demonen vreest, draagt demonen in zijn ziel. De mens, die hongert naar engelen, is zich van zijn eigen onvolkomenheid bewust. Deze gedachtegang ‑ ook al lijkt deze voor een westerling wat vreemd ‑ is uitermate nuttig om de juiste inschakeling van uw wezen in de harmonische krachten van de natuur en van het leven, maar ook van de hogere geestelijke werkingen, te bereiken.

Indien u van uit uw standpunt het “ik” onderzoekt, dan zult u geneigd zijn om dit “ik” als een groot aantal verschillende waarden te zien; en dit is onjuist. U moet uw wezen begrijpen voor wat het is. Elk menselijk wezen kan worden beschouwd als een samenwerking van drie stoffelijke krachten, uitgedrukt in het stoffelijk voertuig, het as­traal voertuig en wat u noemt het levenslichaam. Daartegenover staan drie krachten van het geestelijk voertuig (het geestelijke wezen), die be­palend zijn voor de huidige geestelijke status. Waar deze elkander ontmoe­ten, ontstaat een Niemandsland. Het Niemandsland, dat het 7e terrein is waarin men leeft. En dit 7e terrein nu is het terrein van onze gedachte. Niet van de bewuste gedachte, die ontstaat wanneer wij in de wereld waar­nemen, maar de gedachte die in ons ontstaat, wanneer wij trachten met alle dingen gelijktijdig één te zijn.

De krachten van de stof zelf (3 in getal) zult u nooit in hun vol­ledige betekenis kennen. De 3 krachten van de geest onttrekken zich zelfs aan het redelijk kenvermogen. Maar het Niemandsland, waarin beide elkander ontmoeten, kunt u kennen. En dit is de vorm van uw beleven, uw denken, uw meditatie. Onthoudt nu de volgende vereenvoudigde stellingen, die wij bij scholing op aarde plachten te gebruiken.

  1. Er is geen scheiding tussen het leven van stof en geest, maar de beleving ontstaat uit de ontmoeting van beide gebieden. De bele­ving en de gedachte behoren in feite noch tot de geest noch tot de stof.
  2. Het denken, zoals het in de mens leeft, is de kracht, waarmee hij zijn stoffelijk zowel als zijn geestelijk wezen de gelegenheid tot uiting, maar ook tot ontwikkeling geeft. Waar het denken zelf de harmonische factor in het “ik” vergroot, zal een grotere waarheid ontstaan. Naarmate de 6 genoemde waarden hun eigen aspect juister kunnen uiten in de mens, zal deze mens in zijn denken een zuiverder beeld krijgen; een beeld dat nimmer is zijn werkelijk “ik” of zijn ver­lost “ik”, maar dat zijn huidige mogelijkheid, zijn ontwikkeling blijft.
  3. Mediteren is geen noodzaak, maar het vloeit voort uit het men­selijk denken zelf. Elke overpeinzing ‑ ook van stoffelijke waarden en belangen – krijgt, zolang zij vrij staat van nieuwe indrukken van buitenaf, dezelfde waarden als een meditatie; en wat daaruit voort­vloeit is even waardevol voor de zelfkennis. Dan verzoek ik u, vrienden, mij te vergeven, als ik enkele punten niet nader uitwerk, maar ze u alleen geef als een aanvulling van alles wat voor u belangrijk kan zijn.
    1. Ik ben een deel van eeuwigheid. Ik ga door de tijd; de tijd ver­andert, niet ik.
    2. Mijn banden met de wereld rond mij wijzigen zich met het vergaan van de tijd. Maar een juiste instelling van mijn wezen kan de juiste harmonie met die wereld voortdurend in stand houden.
    3. Al mijn overwegingen en gedachten, mijn angsten en verlangens, mijn bidden en mijn verwensingen vormen tezamen het hiaat in het leven dat ik in feite ben. Alles rond mij kan ik volgens mijn stoffe­lijk besef redelijk erkennen, mijzelf niet. Door uit te gaan van de we­reld en zo tot mijzelf te gaan, zal ik althans de begrenzing van mijn wezen leren kennen. In mijzelf vind ik de harmonische band met de we­reld op een bepaald ogenblik uitgedrukt in een daad, in een medita­tie, in een gedachte. Deze banden nu – ongeacht het feit dat zij van dag tot dag kunnen wis­selen – zijn de uitdrukking van mijn wezen. Ken ik de grenzen plus de banden die daarin bestaan, dan erken ik de hoofdzaken van mijn wezen in geest zowel als in stof.
    4. Elk wezen, dat op aarde leeft, is verbonden met de levenskracht. De levenskracht wordt verbruikt door het leven, maar zij kan ook door het leven zelf worden voortgebracht. Zolang ik de juiste vorm van harmonie met mijn omgeving ken, zal mij kracht toe­ vloeien, terwijl ik kracht verbruik. Voel ik mij afgemat na een me­ditatie of na een aantal handelingen, waardoor onvrede in het “ik” ontstaat, zo kan worden geconcludeerd dat deze handelingen niet aan het ware “ik” hebben beantwoord. Waar opgewektheid, geluk, voldoening en daarbij een gevoel van vitaliteit ontstaat, kan ik zeggen dat met de stoffelijke factoren een volledige harmonie be­stond. Het is goed te overwegen in welke omgeving men het meest har­monisch leeft, met welke mensen men de sterkste harmonische banden ervaart, met welke bloemen en dieren men zich verwant kan voelen, want deze verwantschappen geven aan welke delen van de levende kracht het “ik” voeden en daarmede ook wat de mens in zijn stoffe­lijke vorm in wezen is. Indien mij tijd overblijft, zou ik dit zo dade­lijk willen verduidelijken.
    5. De geest van de mens is weliswaar vrij om uit te gaan, maar in haar vrijheid tot stijgen en tot onderzoeken wordt zij belemmerd door haar ontkenning van mogelijkheden of door het aannemen van zekerheden omtrent een andere wereld in een geestelijk bestaan. Hoe minder gevormd uw voorstellingen van de geestelijke wereld zijn en hoe meer gij tracht de gevoelens, die ook nu in u kunnen bestaan, te zien als een deel van de geestelijke wereld of een voortzetting daarvan in de stof, hoe zuiverder gij geestelijk kunt ervaren en erkennen. En dan zal het eigen denken zowel als het beleven tot zelfs de kracht toe, gezamenlijk bevestigen: zo ben ik.

Hier mag ik mijn verduidelijking misschien tussen voegen. Wanneer u zich in het bijzonder voelt aangetrokken tot een bepaalde kleur, dan betekent dit dat uw wezen voor die kleur gevoelig is. Maar die kleur is niet slechts een weerkaatste trilling, zij is ook een aanduiding van krachten die bestaan, zelfs op geestelijke gebieden, omdat elke tril­ling zijn harmonische medetrillingen heeft in andere gebieden.

Wanneer u bv. wel houdt van honden maar niet van katten, dan wil dat iets zeggen omtrent uw wezen. Want dieren zijn de uitdrukking van een bepaalde ontwikkeling. Hun groepsgeest drukt een bepaalde invloed uit. Kunt u met beide omgaan en ook nog met paarden en misschien zelfs nog met slangen, dan is uw leven dus meeromvattend, uw wezen staat dichter bij de natuur. Uw voorkeur van smaak, zo vreemd als het klinkt, zal – ofschoon ze zich vaak wijzigt – op dat ogenblik lichamelijk maar ook geestelijke be­hoeften aangeven.

Wanneer u gedurende een bepaalde periode veel houdt van bv. rood vlees, dan betekent dit dat u in die periode sterk het dierlijk element in uzelf zoekt of u daarmede verwant voelt. Voelt u zich aangetrokken tot vruch­ten, die de glans en de gloed van de zon in zich dragen, die het zoetzure hebben van een abrikoos, een perzik, een druif, dan kunt u daaruit opma­ken, dat uw verwantschap met de zonnekracht groot is. Zoekt ge daarentegen blekere vruchten, wier rinsheid niet meer wordt onderstreept door het zoet van suiker, dan staat gij hoofdzakelijk in verband met een maaninvloed, zoals men zegt. U bent dus niet aan de zon gebonden maar aan een mystieker element.

Deze aanduidingen zijn voorbeelden en onvolledig. Maar ik wilde u duidelijk maken, dat elke levensgewoonte haar zin heeft, vooral de gewoonte die niet slechts berust op een sleur, op een regelmatige herhaling zonder meer, maar die aan een behoefte tegemoet komt. Men meent vaak dat de yogi alleen maar behoeft te mediteren en li­chaamsoefeningen te doen. Maar in de werkelijke scholen wordt hem bovenal geleerd te denken; en wel om dit denken zo te richten, dat hij zichzelf beter omschrijft, niet kent. Het kennen van het “ik” is zeer moeilijk, het omschrijven van het “ik” is bereikbaar. Daardoor wordt het hem mogelijk voor zich de juiste krachten aan te trekken, de juiste banden met de medemensen te erkennen en de juiste verwantschap met landschappen, met bergen, met dieren. Hij kiest dus datgene, wat volgens zijn stoffelijk en geestelijk weten voor hem het meest juiste is. Want slechts de mens die leert, om de juiste plaats in te nemen in de wereld, zonder daarbij zich te beklagen of zich te beroemen op hetgeen hij presteert, maar dit ziende als een levensvervulling, als een deel van het “ik”, leeft waarlijk harmonisch. En wie waarlijk harmonisch leeft, moge dan misschien niet het “ik” in al zijn eigenschappen kunnen definiëren, maar hij leeft dit “ik”, zoals het in de kosmos, in de oneindigheid bestaat. Want de mens is een deel van een kracht die door de tijd reist.

Hetzelfde geldt voor noodlot en voorbeschikking. Ze maken soms deel uit van uw lot, omdat u zelf deze krachten aanvaardt. Maar ze zijn niet onontkoombaar. Uw band met verleden en met toekomst, in het heden aangeduid, is een band, die afhangt van uw besef van het verleden, zoals dat geestelijk of stoffelijk bestaat. Hier zult u misschien aarzelen om dit als een juiste lering te beschouwen. Maar laat mij u dan dit zeggen:

Al wat u uiterlijk bent, is te vervangen. Terwijl u uzelf blijft, kunnen wij heel uw wezen veranderen, maar het “ik” zelf, de verhouding geest – stof, is niet te wijzigen. De kern van uw bewustzijn kan veranderen, maar nimmer de grondwaarde waaruit het voortkomt. Zo leren wij onze leerlingen, dat het niet goed is om een vast geloof te kennen. Want, zo zeggen wij hun: u verandert immers zelf steeds naarmate de tijd verdergaat. Dan moeten ook uw denken en uw wezen verdergaan; dan moet uw geloof zich kunnen veranderen, uw denken moet zo kunnen leven en stromen als de tijd zelf en daarbij in die tijd uitdrukking geven aan de kern van de drie geestelijke voertuigen, die voor de stofmens gefixeerd zijn plus de werking van de drie in de stof werkende voertuigen, die t.o.v. elkaar en in zichzelf aan tijd en dus aan verandering onderhevig zijn.

Zelfkennis, mijne vrienden, vergt ook het erkennen der dingen. Wanneer iemand tot ons komt en zegt: “Ik heb alle wereld afgezworen,” dan zeggen wij: “Dwaas, ga terug naar uw wereld.” Want u kunt niet uzelf afzweren of verwerpen. Maar u kunt wél, indien u de wereld kent en aanvaardt, meester zijn over datgene wat u in die wereld wilt zijn. Het is niet goed terug te keren tot de eenzaamheid van een kluizenaar, wanneer men de wereld niet kan aanvaarden en verdragen. En het is niet goed alleen te vluchten in de drukte van een overbevolkt land, wanneer u niet in uzelf de eenzaamheid kunt dragen. Geluid kan een zegen zijn, wanneer u in staat bent de stilte te verdragen. En wanneer u de stilte kunt verdragen, wordt het geluid iets dat spreekt, omdat het dan een antwoord kan zijn op uw eigen wezen.

Uit alles rond u wordt steeds weergegeven wát u bent, wát u kunt. Sluit daarom nimmer een deel van uw wezen af. Zeg niet: Deze zijn de duistere geheimen van mijn ziel, waarover ik niemand zal spreken en die ik voor mijzelf niet wil kennen. Zeg niet: Dit is mijn zondig “ik” en tracht het niet te knevelen en te onderdrukken. Erken wat u bent. En erkennend wat u bent, zoek naar de kracht die uw denken regeert. Uit de samenwerking van geest en stof, die uw gedachte vormt en die u mediterend, werkend en zoekend voortdurend scherper omschrijft wat de wereld is en wat u zelf bent, uit dit begrip plus de harmonie met de wereld die u zoekt, zult u uzelf hervinden.

Ik vrees dat ik toch onduidelijk ben. Het is echter moeilijk om exacte termen te vinden voor begrippen, die althans voor de westerling niet exact zijn. Wanneer ik moest spreken, zoals vroeger tot mijn leerlingen, ik zou u zeggen: Mensen, zelfkennis is slechts het besef van wat u kunt zijn en wat in u leeft voor zover u het beseft. Tracht nimmer de volmaaktheid van zelfkennis te verwerven, indien dit ten koste van uw leven en uw uiting moet gaan, want in het gehele leven is er slechts één ding, dat slecht is: stoffelijke en geestelijke stilstand. Zolang u nog stoffelijk iets kunt zijn, iets kunt doen, iets kunt beleven, zolang er in uw geest nog krachten werkzaam zijn, is het goed. Maar wie zich in zichzelf terugtrekt, zijn wereld van geest en stof verloochenend, hij kent misschien zijn huidig “ik” beter dan een ander, maar hij vindt de werkelijkheid niet terug.

En zo zou ik tot die leerlingen ongetwijfeld ook steeds weer herhalen: Begrijp wel, dat u niet alle dingen waarlijk kunt liefhebben. U kunt met alle dingen in harmonie zijn; maar harmonie kan ook betekenen: een tegenstelling. Voor de God, waarmee gij harmonisch zijt, moet de demon staan, waarmee u voor uw eigen gevoel niet harmonisch zijt. Maar slechts als deze beiden werkzaam zijn in u, vormen zij harmonie.

U kunt niet harmonisch zijn met het licht en gelijktijdig disharmonisch met het duister. Alle bewustzijn en alle kennis komen voort uit de veelzijdigheid en de veelheid. Niet hij die wentelt met het rad, geketend aan de ring daarvan, maar hij die de spaken van het rad ziet van uit de kern, vindt harmonie en bewustzijn in de ware zin.

En zo zou ik kunnen doorgaan. Steeds herhalend wat oud is en toch nieuw. Maar ik moet eindigen. Ik heb vele taken op deze wereld en in mijn eigen wereld. Maar uw gast zijnde, zou ik u gaarne een kleine gastgave willen bieden, voor een kort ogenblik misschien.

Weet dan, dat een ieder, die zichzelf zoekt, zichzelf kan verliezen. En weet, dat de werkelijke kracht van uw wezen en uw denken u de wereld scheppen waarin u leeft. Niet de werkelijkheid, maar uw denken bepaalt wat u nu denkt te zijn. Wijzig uw denken, zo u kunt, in harmonie met uw wezen natuurlijk. Maar wijzig uw denken, als uw wereld u te zwaar belast of u te grote problemen opgeeft en u zult erkennen, dat alleen de wijziging van het denken al voldoende is om uw wereld tot een bron van vreugde en kracht te maken. Want slechts hij, die de vreugde van de oneindigheid erkent in de eindigheid, heeft de ware band met zijn “ik” en de ware erkenning van zijn taak in zich.

Ik moet helaas gaan, vrienden, maar ik ben dankbaar een ogenblik tot u te hebben mogen spreken. Moge de krachten van het Licht het u geven, om in uw denken mijn woorden te maken tot één band van harmonie meer met de werkelijkheid van uw wezen en de kracht, die erin ligt.

Commentaar

De beschouwingen van onze vriend zijn voor een groot gedeelte Aziatisch. In zijn poging om veel te zeggen in weinig tijd is hij hier en daar, naar ik aanneem, enigszins verwarrend. Ik wil daarom trachten kort nog even de punten te formuleren, die vanuit ons standpunt van het grootste belang zijn.

  1. Hij heeft gesteld dat de mens zichzelf niet kan kennen, althans niet volledig kan kennen. Wij zijn ervan overtuigd, dat de doorsnee-­mens echter ook weigert datgene van zichzelf te kennen, wat hij eigen­lijk wel van zichzelf zou kunnen kennen. En daarom zou ik graag willen, dat u daaruit niet de conclusie trekt dat het nu mogelijk is om oneerlijk tegenover uzelf te zijn.
  2. De gedachtegang, dat het “ik” voor de mens is als een niets in een wereld vol beleving, is typisch oosters. Maar zij is in zoverre juist, dat het totaal van het beleven van de mens toch eigenlijk voort­komt uit alles, wat hem van buitenaf bereikt en zijn interpretatie daarvan. De gedachtegang dat alles, waarmee wij harmonie ervaren en sympathie voor hebben, een antwoord vindt in ons eigen wezen en dus ook onze kwaliteit bepaalt, is m.i. wel degelijk aanvaardbaar en geeft vaak een inzicht in de minder redelijke aspecten van het eigen wezen.
  3. Dan zou ik willen opmerken, dat al wat is gezegd omtrent yoga‑training niet moet worden gezien als een deel van de Hata‑yoga­training. Een deel daarvan behoort tot het Raya‑yoga en een ander deel weer tot Karma‑yoga. Ik meen daartussen zelfs nog andere aspecten te hebben ontdekt.

Hetgeen werd gezegd is voor u natuurlijk van belang en wij hopen dan ook dat u er aandacht aan zult schenken. Het betekent niet, dat dit zonder meer de weg is die u kunt gaan. Wanneer u deze gastspreker hebt bestudeerd, is het daarom goed dat u nog eens teruggrijpt naar de eerste les over zelfkennis, zoals deze door ons werd gegeven. Wij hopen, dat u dan hieruit een inzicht kunt krijgen omtrent de opvattingen, zoals deze elders in meer esoterisch en minder materialistisch ingestelde scholen bestaat.

Banden met verleden en toekomst

Het feit dat de mens die leeft in zich een geest draagt, welke vele vroegere levens achter zich heeft en in zich reeds een zekere definitie heeft van volgende levens ‑ hetzij op aarde, hetzij in een andere sfeer – bepaalt voor een groot gedeelte de banden die hij zal erkennen met de wereld rond hem. Zonder nu aan te nemen, dat het karma een onontkoombaar noodlot is of zelfs maar dat er een onontkoombaar noodlot, een fatum, een voorbeschikking bestaat, zullen wij toch moeten toegeven, dat elke mens toch in een zeer grote mate is gepreconditioneerd van uit een geestelijk standpunt.

Deze preconditionering is natuurlijk af te leiden uit de ontwikkeling die men heeft doorgemaakt. Hierbij spelen vreemd genoeg vooral de emotionele werkingen en verhoudingen een zeer grote rol. De feiten van het verleden hebben betrekkelijk weinig te zeggen; het is eerder de emotionele verbondenheid met mensen, met leringen, met omstandigheden, die bepalend zullen zijn voor uw eigen voorkeur in dit leven.

Nu ontdekken wij dat mensen onder omstandigheden incarneren in groepen. De z.g. ”groepsincarnatie” werd reeds eerder besproken, zij het niet in deze cursus. Bij een groepsincarnatie gaat het dus om een gelijk peil van bewustzijn plus een ongeveer gelijktijdige terugkeer naar de wereld. Maar de groepsincarnatie bevat verder ook een zeer sterke continuering van banden, die in het verleden hebben bestaan. Al deze banden zijn dus in zekere mate emotioneel geweest; er is sprake geweest van een gevoelsverbondenheid, een innerlijke verbondenheid met al diegenen die men weer treft. Deze kan zowel afkeer als sympathie betekenen. En wij vinden daarbij, als een zeer eigenaardig en voor de mens soms verbluffend aspect, de factoren: genegenheid, bevooroordeeldheid en t.o.v. leringen ook onverwacht scherp inzicht. Het zal u duidelijk zijn dat alles, wat in het verleden aan lering, aan inwijding e.d. heeft bestaan, in uw eigen tijd is overgeleverd, ofschoon voortdurend gewijzigd.

Wanneer u in contact komt met een godsdienst of een leerstelling, waarvan een gedeelte vroeger voor u het leven, het beleven van goden bv. uw eigen band met het AL is geweest, dan zult u zich die banden zeer snel herinneren. Er ontstaat een beeld. U kunt daarvan zeer veel accepteren en u zult ongetwijfeld de oorspronkelijke leer, zoals u die nu op aarde vindt, trachten te hervormen of aan te passen aan hetgeen van vroeger in u voortbestaat.

Wanneer we dus mensen ontmoeten, waarmee die geestelijke band bestaat, dan krijgen we dus ongeveer hetzelfde aspect. De mens ziet een ander en er is sprake van een plotselinge sympathie, een plotselinge genegenheid, die niets te maken heeft met de chemische reacties in het lichaam, die men hartstocht of liefde pleegt te noemen, toch is ze aanwezig. Men vraagt zich wel eens af: Is dit een zielsverwantschap of is dit een noodlot, een voorbestemming? En het antwoord moet weer zijn: Neen.

Maar wanneer iemand vroeger voor mij betekenis heeft gehad, dan zal ik die betekenis ergens – want ik ben ook als wezen ten dele tijdloos – erkennen; en die erkenning wordt omgezet in een stoffelijke benadering. Die stoffelijke benadering zal dus in heel veel gevallen een vorm krijgen van bv. vriendschap. Wij vinden elders de drang naar seksuele gemeenschap. Het wil niet zeggen dat dit vroeger heeft bestaan. De mens rationaliseert deze dingen, hij probeert ze om te zetten in een voor hem verstaanbare taal. Wanneer u vroeger elkaar hebt ontmoet, dan kan dit zeer goed een band zijn geweest van medestrijders, van vrienden, van ingewijden in een zelfde groepering. Nu echter kunt u dat niet terugvinden. Maar u weet dat er een zeer intiem contact is geweest; dat dit intieme contact geestelijk was, daar denkt u dan verder niet over na.

De mens gaat dit dan in stoffelijke termen vertalen en hij zegt: “Ik heb een tweelingziel gevonden en daarmede moet ik stoffelijk één worden.” Op zichzelf kolder, maar verklaarbaar. En juist het feit, dat dit verklaarbaar is, maakt het noodzakelijk om nog een stap verder te gaan.

Ik kan dus in dit leven bepaalde banden leggen – stoffelijk of anderszins – die ook in de toekomst invloed hebben; en dan wordt daarmede niet een karma of een noodlot voor de toekomst bepaalde maar a.h.w. een mogelijkheid geschapen. Wanneer wij deze totale reeks ontwikkelingen zouden willen bezien vanuit het meest redelijke standpunt, dan moeten wij allereerst stellen dat de tijd voor het wezen (het “ik”] zelf eigenlijk niet bestaat. Er is alleen een aantal belevingen, maar die belevingen zijn eigenlijk in dat “ik” vastgelegd. Het zijn mogelijkheden, die al dan niet later als ervaring worden gerealiseerd, maar ze zijn er.

Wanneer ik nu in een bepaald leven een contact maak met een mens, dan erkent dit “ik” – ook al is er geen vroegere ontmoeting geweest – dat die mens in een toekomst geestelijk (op een andere wereld of op uw eigen wereld) voor dat “ik” weer belangrijk zal zijn. Men weeft zo zekere banden van sympathie (ik geloof wel dat dit het juiste woord is), waardoor men eigenlijk het hele leven gaat aanvullen tot de eigen plaats in het heelal (dus buiten de tijd wordt bepaald door degenen waarmee men harmonisch is). Een ingewikkelde term, maar hoe kan men het eenvoudiger zeggen?

Alles, wat u nu omtrent zelfkennis en omtrent zelfontwikkeling hebt gehoord en zult horen, hangt ten nauwste samen met deze eigenaardige binding buiten de tijd. Want u kunt in uw normaal stoffelijk leven de gebeurtenissen nu wel afschuiven op iets van vroeger, maar het kan even goed zijn, dat het een voorbereiding is voor iets in de toekomst. U kunt zeggen dat het u slecht gaat, omdat u vroeger slecht bent geweest voor een ander, maar zeker is dat niet. Zeker is alleen dat op dit ogenblik een disharmonische situatie bestaat. Wanneer u die situatie kunt veranderen, wanneer u die tot een harmonische kunt brengen, dan hebt u daarmee iets bereikt, wat erg belangrijk voor u is: u hebt nl. een band bevestigd; u hebt weer uw plaats in het AL iets juister gedefinieerd.

De grondstelling, waarmee dit alles is verbonden, is de gedachte dat Gods schepping gelijk staat aan één goddelijke gedachte; en daarmede heeft ieder van ons ‑ geest of stof ‑ dus wel degelijk een eigen taak. Hij is in zichzelf niet volmaakt, maar hij moet een bepaalde plaats in die gedachte vervullen en wel volledig. Die plaats kan alleen op de juiste wijze worden vervuld, wanneer rondom de nodige contrastwerkingen aanwezig zijn, zoals dat in een schilderij kan gebeuren. Wanneer u een bepaald deel een lichte glans wilt geven, dan zullen er een paar donkere toetsen omheen nodig zijn enz.. Dus, ik moet de banden met de mensen die ik heb wel degelijk bezien; niet als iets voor mij alleen, maar als iets, dat voor mij kosmisch bepalend is.

Nu ik dit heb gezegd, geloof ik dat wij er goed aan doen ons even af te vragen of de mens zijn vroegere incarnatie kan terugvinden? Ja, ondanks alles wat u daaromtrent is gezegd, is er ergens de mogelijkheid om een incarnatie terug te vinden. In de geest is deze mogelijkheid zeer groot. Symbolisch spreekt men wel van “de rust onder de boom der herinnering”, nadat men het Zomerland verlaat. In feite betekent het alleen, dat er een ogenblik is, waarin het eigen bewustzijn zich het totaal van zijn banden met alle wezens realiseert en daarmede dus ook alle banden met bepaalde stoffelijke perioden en toestanden.

Een mens zal deze dingen altijd dramatiseren en aanpassen aan zijn eigen persoonlijkheid. Maar ook de mens kan in een periode van ontspanning weten, dat hij ergens bij behoort of dat hij iets heeft beleeft. Hij kan de verwantschap erkennen met een bepaald landschap, met een bepaalde denkwijze, met een bepaald volk. Toch is die band niet zo sterk dat u bv. met zekerheid kunt zeggen: Ik word aangetrokken door de Indiase architectuur of door de Egyptische architectuur, dus. heb ik daar vroeger geleefd. U kunt alleen stellen: Ik heb vroeger geleefd onder een invloed of bij een volk ‑ al of niet op deze aarde ‑ waar soortgelijke schoonheidsbegrippen en sfeer bestonden.

De grote moeilijkheid is altijd weer, dat de mens geen vrede vindt met het begrip: ik heb vroeger bestaan. Hij wil weten hoeveel keer hij heeft geleefd, ofschoon dit in het totaal van de bewustwording onbelangrijk is. Want één mensenleven kan soms worden gevolgd door 10 of 12 verschillende fasen van geestelijk bestaan, die elk eigenlijk ook als een leven moeten tellen. Zo kan iemand die bv. driemaal op aarde is teruggekeerd, misschien – gezien zijn geestelijke ontwikkeling ‑ eigenlijk meer levens achter de rug hebben dan iemand die 20 keer is teruggekeerd. Dat begrijpt de mens niet. Hij associeert het altijd met de wereld. Ouderdom – het aantal incarnaties – zijn stoffelijk van weinig of geen belang. Zij maken alleen deel uit van de groei van uw eigen persoonlijkheid.

U kunt zich soms iets herinneren van wat u bent geweest. Wij kunnen bv. zeggen: Er zitten hier in deze kamer een aantal personen van wie wij kunnen zeggen, dat zij eigenlijk behoren tot de Ptah‑groepering, ook wel met de hoofdrichting in die tijd: de Isis-groepering. De plaats is natuurlijk niet helemaal juist. Wij kunnen ook zeggen: Er zijn hier verscheidene mensen, die in een bepaalde tijd elkaar hebben ontmoet en wel – ongeveer van heden af gerekend – 6 tot 8000 jaar geleden. Maar wat zegt dit? Wanneer u elkaar nu ontmoet en u hebt elkaar niets te zeggen, dan is er geen band overgebleven. Die tijd heeft geen zin meer voor u. Daarom moet – en dat moeten wij elke keer met nadruk weer herhalen – nimmer aan het verleden een waarde worden gehecht, die niet in het heden ook bestaat.

De banden die tussen de mensen vandaag bestaan, zijn van groot belang. Zij kunnen dus ten dele worden verklaard uit banden van vroeger en eventueel de rationalisatie daarvan. Maar wat in het heden bestaat is belangrijk. Dit heden, dat dus ook de toekomstige banden en de vervollediging van uw eigen wezen eigenlijk weerspiegelt, is een toekomst, die niet is gefixeerd. U hebt uw toekomst in u; maar ze ligt niet vast, want u kunt er bepaalde fasen van overslaan. Het is dus niet zeker, dat u alleen bv. in het jaar 2100 weer eens gaat incarneren.

Anderen hier, die hoofdzakelijk uit de Indische beschaving stammen (eigenlijk uit de vroege Krishna‑periode), zijn pas ongeveer 3600 jaar geleden met elkaar in contact geweest. Ook daarvan zie ik er hier verscheidene onder. Al deze mensen hebben elkaar ergens ontmoet. Zij hebben een band; maar wat deze band is, kunnen zij niet beseffen. En in de toekomst zult u ongetwijfeld, wanneer er banden bestaan en een voortleven in de stof noodzakelijk is, elkaar wéér ontmoeten. Maar deze ontmoeting is nimmer gebonden, uitdrukkelijk nimmer gebonden dus, aan stoffelijke maatstaven.

Dergelijke contacten kunnen ook worden gelegd door geesten met bv. de mens. Een groot gedeelte van de sprekers, die in bepaalde groepen bij voorkeur spreken, hebben daar op de één of andere manier banden met de aanwezigen. Niet dat ze zonder dit hun lering niet zouden willen brengen, maar er is een zekere harmonie en aantrekking, waardoor juist zij in staat zijn om de goede invloed te wekken, de juiste kracht te wekken, kortom, op de juiste manier het oude en misschien ook het komende in die mensen tot een weten te maken.

Onthoudt u dus dat werelden en sferen voor contacten geen belem­mering vormen; en dat het noodlot of het karma, dat een bepaalde heront­moeting in de toekomst stelt, evengoed kan betekenen: het optreden van een bepaalde persoonlijke beschermer voor een ander, het samenwerken vanuit de geest in een bepaalde periode, zowel als een gezamenlijk in de stof leven. Het is erg belangrijk dat u dit beseft. Want in het heden vormt u de toekomst. In het heden voltooit u wat achter u ligt. Die voltooiing is deel van uw persoon en uw wezen. En als u deze dingen gaat binden aan uw zuiver stoffelijke voorstelling, aan de nu voor u geldende taboes, aan uw godsdienstige opvattingen, dan zult u altijd ergens in een doolhof komen waar u niet uit komt. Dan gaat u de uitvlucht gebruiken van: ja maar God heeft dit gewild; of: dit is de wet van karma, daaraan kan ik niet ontkomen. Neen, u bepaalt wat u bent en wat u doet, ook vandaag. U bepaalt a.h.w. zelfs de geestelijke krachten, die u kunt aantrekken door wat u in het verleden bent geweest en door datgene, wat uw werkelijk “ik” reeds nu omtrent de toekomst weet en zegt. Er wordt bij ons heel vaak gesproken over “het innemen van je juiste plaats in het Al”. Er wordt gesproken over het beperkte doel dat de geest nastreeft, over de beperkte taak, die tot voleinding moet worden gebracht. Dat alles ligt in dit begrip opgesloten.

U bent hier op aarde, natuurlijk. Maar u maakt deel uit van een zeer apart facet of deel van de goddelijke schepping. Alle andere facetten van de goddelijke schepping hebben wel betekenis voor u, maar alleen van uit het Goddelijke en niet van uit uw leven. Dit uit te leggen als een voorbestemming lijkt mij wel een beetje ver gaan, omdat de vrijheid die u behoudt zo onnoemelijk groot is. Maar ons doel, onze bestemming, de realisatie die in ons moet bestaan, dient – onverschillig op welk vlak – de uitdrukking te zijn van wat wij erkennen uit het verleden én uit de toekomst. Om u te herinneren aan een bekende formulering:

“De tijd is de droom, die wij dromen, terwijl wij leven in het eeuwigdurend nu.”

Hier wordt dus al een aardig beeld gegeven omtrent karma en alles wat er­ mee samenhangt.

Is er echter voor ons, wanneer wij op aarde leven of in de geest zijn, misschien toch ergens een regel die wij kunnen gebruiken? Ik geloof dat er geen absolute regel of wet bestaat. Maar u kunt dus een gemiddelde nemen, iets waaraan bijna iedereen beantwoordt. En dan is, vreemd genoeg, de menselijke rationalisatie en alles wat erbij komt eigenlijk van geen belang. Die regel zou u het best als volgt kunnen formuleren:

  1. Daar, waar een innerlijke band bestaat, mag ik deze niet ontkennen. In de erkenning van deze band erken ik nl. mijn eigen bestemming en de bindingen die ik heb met de eeuwigheid. Maar de erken­ning dient in overeenstemming met mijn eigen wezen en het wezen van de anderen te geschieden.
  2. Mijn voorkeuren, voor zover die door een vroegere vorming wor­den bepaald of door een erkennen van een nog niet in het bewustzijn levende toekomstige mogelijkheid, dienen ook op aarde concreet te worden beleefd. Wij mogen niet vooruit lopen op de tijd door te zeggen, dat wij morgen iets zullen doen; en wij kunnen ook niet zeggen, dat het gisteren is geweest. Alles is vandaag en daarbij hebben uiterlijke omstandigheden, uiterlijke waarden niets te zeggen. Wanneer er een band bestaat tussen u en anderen, dan zult u die moeten bevestigen, onverschillig hoe. Onthoudt u verder dat in het leven van elke mens een aantal perioden optreden, die enigszins corresponderen met zijn vroegere levens, die hij heeft doorgemaakt. Laat ons zeggen, dat tot ongeveer het dertigste jaar de primitieve incarnaties van de mens overheersen. In de volgende periode wordt hoofdzakelijk de theoretische ontwikkeling van de mens bevestigd en daarná pas ‑ vreemd genoeg ‑ de gevoelsbanden; dus de niet meer redelijk uit te leggen bestaande banden. Dit is begrijpelijk, omdat de mens in zijn leven wordt bestuurd a.h.w. door de noodzaken van het bestaan. Tot uw dertigste jaar probeert u een vorm te vinden. U vormt uzelf. In het “ik” en in de strevingen van het “ik”, zoals die op aarde bestaan, zal dus bij voorkeur een meeklinken van de meer primitieve incarnaties voorkomen; de tijd, waarin de ziel zelf ook haar vorming zocht en de geest langzaam maar zeker naar het persoonlijk besef groeide.

Daarna krijgen wij de tijd van de theorie. Ook dit is logisch. Want wanneer eenmaal een vorm is ontstaan, dan moet ik met die vorm experimenteren; maar ik moet haar ook verklaren. In deze tijd van het leven (die voor de meeste mensen ligt tussen de 30 tot 45 à 50 jaren, voor sommigen iets ouder) zullen wij dus zien dat de mens vooral teruggrijpt naar theorieën. In deze tijd komt bv. de verwantschap met bepaalde godsdienstige en filosofische ontwikkelingen en inwijdingen zéér sterk op de voorgrond, voor zover deze in de vroegere incarnaties een redelijk element hadden; die dus uit een begrip groeiden en niet slechts uit een aanvaarden.

Daarna echter heeft de mens een peil bereikt, waarbij hij voor zichzelf weet, dat hij eigenlijk een beetje afzakt. Hij kan zich ten hoogste nog handhaven; hij is echter wel gevormd. In deze tijd heeft hij a.h.w. tijd voor denken, voor voelen en ervaren. Laat hij zich hierbij beheersen door zijn opinies over de wereld – iets, dat heel vaak voorkomt – dan bereikt hij natuurlijk weinig. Maar gaat hij op het gevoel af dat in hem leeft en laat hij dat sentiment meespreken, dan zullen juist de intense belevingen van een inwijding, die niet konden worden uitgedrukt in een verstandelijk begrip, omdat er voor de mens geen woorden of beelden te vinden zijn, in dat wezen spreken; en dan zoekt men in de wereld iets dat daaraan beantwoordt. Op deze manier zal dus een band met andere mensen heel vaak juist op latere leeftijd intens gaan spreken. Die band is dan ook niet meer zo gebonden aan de zuiver stoffelijke eenheid alleen, maar men voelt daarachter iets dat verder gaat; het oude herleeft.

De toekomst klinkt ook in het laatste deel van het leven het sterkst mee. En dat betekent dus, dat er mensen zijn, die vroeger van de wereld heengaan en welke die laatste periode niet eens in de stof doormaken. Zij vinden haar dan ongetwijfeld in de geest terug. Maar zou u dus op aarde leven en de leeftijd hebben bereikt van 45 tot 50 jaar of ouder, dan is het ook wel zeker dat de toekomst gaat meespreken. Die toekomst wordt dan beheerst door het stoffelijk aspect: de scheiding van het leven. De belangstelling voor de dood wordt sterker naarmate u ouder wordt en gelijktijdig ook de belangstelling voor het andere leven.

Nu is dit andere leven heel vaak in de gedachten van de mensen het directe voortbestaan: “Hoe zal het zijn, wanneer ik dood ben?” Maar in werkelijkheid voelen ze bv. aan dat ze in de toekomst behoefte zullen hebben aan een begrip voor een bepaalde leefwijze. Ze voelen aan dat reeds nu, in dit leven, banden zijn gelegd, die later zullen worden gekristalliseerd in stoffelijke contacten, deelname aan nieuwe theorieën, geestelijke werkzaamheden, inwijding enz.. En onbewust gaat de mens in dit laatste deel van zijn leven dus ook die toekomst mee verwerken.

Wanneer een mens dus een aantal incarnaties heeft gekend en een verdere ontwikkeling zelfs in de stof nog verwacht in die laatste levensperiode, nu een harmonie vindt tussen zijn eigen behoeften, zijn eigen gevoelens en de vreemde verwachtingen en sympathieën, die voor een gedeelte met een hemel en een hiernamaals worden verknoopt en dit in zichzelf tot een geheel kan maken, dat hij – al is het maar als geloof – intens beleeft, dan heeft deze mens reeds tijdens zijn stoffelijk bestaan een band gelegd met morgen. Hij heeft daarbij ook een grotere mogelijkheid tot het nemen van beslissingen gekregen en zijn vrijheid van streven zal in de toekomst – zelfs in de sferen – aanmerkelijk groter zijn dan voordien. De bestemmingen, het noodlot slaat natuurlijk toch toe.

Wanneer u op het ogenblik de wereld beziet, dan kunt u er wel op rekenen dat de komende maanden – gezien de gevoelens, die de laatste tijd weer ontketend zijn – ook meer stoffelijke omstandigheden (dus rampen] zullen vertonen; dat er op de beurs na een kleine koersstijging weer een sterke koersdaling komt; dat er economische moeilijkheden komen in menig systeem; en dit alles tezamen bepaalt dus zeer wel hoe men verder leeft. U kunt dat niet allemaal beheersen, maar u kunt het wel verwerken.

Een mens, die in deze dagen een harmonie heeft met het verleden en met de toekomst, die staat a.h.w. vast. De invloeden rond hem gaan langs hem heen als de stroom van de rivier langs de pijler van een brug. Hij blijft zichzelf. En dit ”uzelf blijven’’ is het belangrijkste dat u kunt bereiken. ”Uzelf blijven” aan de hand van de ontwikkelingen in het verleden en de aangevoelde ontwikkelingen van de toekomst, betekent eigenlijk: uw plaats buiten de tijd sneller, nauwkeuriger en juister bereiken.

Ik hoop dat deze punten als nadere toelichting op de kwestie van incarnatie enz. dus dienstig zullen zijn. Ik zou echter onvolledig zijn, als ik niet iets anders daarbij naar voren breng.

U weet allen, dat vooral de eerste lagere incarnaties van een geest worden bepaald door een z.g. groeps‑ of geleidegeest of zelfs door een kosmische Heerser. Daarom bestaat er een zekere band met een Heerser of een groepsgeest. Wanneer deze band een harmonische is, blijft zij het gehele verdere bestaan gehandhaafd. Een geest, die leeft in een willekeurig dier of in een plant en met die groepsgeest een intense binding heeft gehad, zal in de toekomst in alle levensfasen die band behouden; die blijft geestelijk bestaan.

Wanneer je een binding hebt gekregen (dat kan dus in een menselijke fase zijn maar ook in een geestelijk bestaan met een Heer van Licht, van Kracht of van Wijsheid], dan is die band ‑ mits eenmaal een sterke harmonie is ontstaan ‑ voor u blijvend. En dat betekent dat het noodlot, het karma, zoals men het noemt, ook nog vele hoge geestelijke factoren in zich bergt. Soms zijn deze geestelijke factoren zo hoog, dat de mens geneigd is te zeggen: Dat is een directe band met God. Want wanneer je in het verleden een bepaalde inwijding hebt doorgemaakt ‑ stoffelijk of geestelijk ‑ dan is het heel goed mogelijk, dat je met één van de grootste lichtende engelen, de grootste lichtende krachten, die de kosmos beheersen, in aanraking bent gekomen.

De mens weet dit meestal niet. Ten hoogste voelt hij in zich een neiging om een beroep te doen op die kracht of op iets dat daarmee overeenkomt. Het is jammer dat men daarover eigenlijk zo weinig nadenkt. Want wanneer er een harmonie bestaat, wanneer er een band bestaat uit een karma, een noodlot, een vorming, een wordingsgang, dan zal deze band – indien u zich daarop afstemt – aan u hernieuwd de leiding kunnen geven, die in het verleden is geweest. Geen begrip van de persoonlijke Meester; ten hoogste een verwantschap met een hogere geest, maar geen Meester. Maar een hogere geest, die ‑ als u daarmee harmonisch bent ‑ in uw eigen wezen bepaalde factoren losmaakt; die u dus in het heden, in uw eigen tijd helpt om uw persoonlijke beperkingen enigszins te overwinnen; die u helpt het juiste licht te werpen op de wereld om u heen en daardoor het u mogelijk maakt om uw eigen taak en uw wezen, voor zover het binnen deze tijd is uit te drukken, inderdaad perfect tot uiting te brengen.

Denk niet, dat dit een sprookje is. Het is een directe achtergrond van alles wat de mens maar reïncarnatie, noodlot enz. zal noemen.

U bent niet alleen maar gebonden aan sommige mensen of aan geesten, die nog bijna mens- gelijk zijn. U bent gebonden aan wat u zou kunnen noemen: Engelen, Aartsengelen, Tronen, Heerschappijen. Want dezen zijn allen deel van uw ontwikkeling en zij bepalen mede de plaats, die u ten slotte buiten de tijd in de goddelijke Gedachte zelf zult innemen. Zij zijn uw omgeving.

En nu zegt een heel bekende spreuk (het gaat overigens over dieren. Ik hoop, dat u de vergelijking niet pijnlijk vindt), dat degene, die zich het best aan zijn werkelijke omgeving aanpast, de beste kansen heeft te overleven.

Wij zouden kunnen zeggen: De mens, die zich het best aanpast aan het in hem bestaande geestelijke milieu (de geestelijke kracht plus de in hem bestaande stoffelijke en geestelijke harmonieën en banden uit het verleden en – voor zover ze gevoeld worden – van de toekomst), leidt het meest juiste leven en geniet daardoor de grootste geestelijke ontwikkelingsmogelijkheid. En deze is dus toch weer gelijk aan de kans om intenser bewust te leven gedurende langere tijd.

Er zijn met dit aspect natuurlijk nog heel veel meer details verknoopt. Het lijkt mij echter beter met deze lering te volstaan. Wanneer de gelegenheid zich voordoet, zullen wij later ‑ bv. wanneer inwijdingen ter sprake komen ‑ op sommige van deze punten nog eens nader ingaan.