Esoterie en magie praktisch bezien

image_pdf

8 januari 1963

Wij zullen deze maal proberen om bepaalde aspecten zowel van esoterie als magie van een meer praktische kant te bezien, waarbij ik dan tevens enkele punten van de oude magie ter sprake wil brengen.

Tijdens het tweede gedeelte krijgt u weer een daarvoor in net bijzonder voor eenmaal aanwezige spreker, die zal trachten u zijn inzicht te geven in de oneindigheidsverhoudingen, zoals deze dus erkend worden in bepaalde sferen en zoals misschien in de overlevering van sommige landen bestaat. Ik wil nu beginnen met de les.

In alle esoterie, zowel als in alle magie, zijn wij grotendeels afhankelijk van z. g. trillingen. Trilling is hier misschien niet het meest juiste woord. Wij zouden eerder kunnen spreken over frequentie, omdat wij eerder met een straling, dan met een trillingsverschijnsel te doen hebben. De frequenties, voor degenen die dat interesseert; lopen in Ångström van 10 tot de 18e tot ongeveer 10 tot de 16e. In deze frequenties vindt dus een groot gedeelte van het z.g. geestelijk verkeer, de magische bezwering, maar ook van de ervaring van hogere krachten plaats.

Dit gebied door mij uitgedrukt in stralingseenheden (trilling eenheden) kan worden verdeeld aan de hand van sferen; het kan ook worden verdeeld aan de hand van z.g. weerkaatsings- of resonantiemogelijkheden.

In de esoterie is de kwestie van onze persoonlijke afstemming er een, die vergeleken kan worden met een kleur, die men aanneemt. Wanneer ik nl. in mijn gedachten een stemming tot stand breng, vergelijkbaar met een bepaalde kleur, bv. groen, dan zal het mogelijk zijn, wanneer ik een harmonische trilling of een harmonische frequentie kan aantrekken van een ander gehalte, dat ik kom tot een verandering in mijn innerlijke gesteldheid. Er is een tweede factor bijgekomen zoals dat ook in een kleurenpalet kan gebeuren en er is bv. een vorm van geel of heel licht groen geboren.

Ik begrijp dat dit voorbeeld voor velen van u weinig zeggend is maar het is noodzakelijk om de verschijnselen te kunnen begrijpen, wanneer men de begrenzing dier verschijnselen meer redelijk wil beschouwen. Eenvoudig gezegd; op het ogenblik dat ik in mijzelf een bepaalde instelling heb, onverschillig welke, is deze vergelijkbaar met een kleur. Op het ogenblik dat een hogere of een lagere kracht ingrijpt, werken er op mijn bewustzijn  2 kleuren in. De eerste, die ik zelf heb gewekt en geschapen, de tweede die door de factor van buiten ontstaat. Datgene wat in mij opleeft is altijd de resultante van die twee.

Het is dus het product van twee verschillende inwerkingen. In de esoterie kan ik niet alleen hoger gaan, ik kan niet alleen tot een grotere innerlijke erkenning komen; ik heb altijd een tweede factor nodig. Een tweede kracht, wier inwerking op mijn wezen en bewustzijn tijdelijk verandert.

Uitgaande van dit standpunt moeten wij verder stellen; elke wijziging die ik in mijn denkvermogen en mijn gevoel onderga, zal een weerslag hebben op mijn eigen lichaam.

Als zodanig zullen daardoor o.m. mijn eigen levenskracht, en ook bepaalde bewustzijnsmogelijkheden, tijdelijk veranderen. In sommige gevallen worden verder lichamelijke verschijnselen geboren, die soms drangverschijnselen zijn, soms een zekere apathie, of een overgrote activiteit.

Esoterisch gezien is het voor mij dus uitermate belangrijk dat ik leer mijzelf juist af stellen. Dit is belangrijker dan een bepaalde gedachte te volgen. In vele gevallen neemt men aan, dat we in de esoterie gemakkelijk klaar zijn wanneer wij maar de juiste gedachte hebben en wij daarover voldoende mediteren. Ik moet er echter op wijzen, dat het overwegen van een gedachte altijd in zekere zin redelijk is. Het is een proces waarin het menselijk denkvermogen een hoofdrol speelt en waarbij vele menselijk meestal niet zo gemakkelijk te aanvaarden factoren buiten beschouwing blijven.

Op het ogenblik echter dat ik zelf sensitief ben, of mijzelf sensitief maak door mijn concentratie in de eerste plaats op een gemoedsstemming te baseren zal elk beeld dat ik daarin projecteer (dus ook elke gedachte, elke bespiegeling en overweging) niet alleen meer zijn mijn overweging. Ze wordt onmiddellijk aangevuld door een soortgelijke overweging uit een ander licht; uit een andere wereld of sfeer.

Deze harmonische verschijnselen geven dus de mogelijkheid om eigen denken opnieuw te oriënteren. Wat het redelijk proces betreft mag hierbij worden gezegd dat de esoterische bewustwording verstandelijk nimmer is een aanvullen het bestaan. Het is een hergroepering.

Vergelijk een caleidoscoop, waarin vele op zich gevormde delen voortdurend verschillende patronen kunnen vormen. Er zou een ogenblik kunnen zijn dat ze zodanig vallen dat zij tezamen een cirkel vormen, althans voor het oog. Op dezelfde wijze kunnen de delen die ons bewustzijn uitmaken, langzaam maar zeker gehergroepeerd worden. Eerst in vele verschillende en meestal symmetrische patronen, tot er een ogenblik komt waarop alle delen in elkaar sluitend, een cirkel vormen. Wij hebben daarmede dan de directe redelijke basis voor een verdere esoterische bewustwording bereikt, Elke verdere poging om met denken meer te bereiken, kan alleen maar leiden tot een verstoring van een bereikt evenwicht.

Het is voor ons dus belangrijk dat wij in ons denken geen losse draden hebben, geen losse vragen. Op het ogenblik dat ik in mijzelf zoek naar waarheid en steeds nieuwe vragen poneer zonder antwoorden te vinden, vergroot ik de onevenwichtigheid. De figuur waarmede ik mijn redelijk denken zou kunnen uitdrukken is een klein middelpunt. Ik (met daaruit vele lijnen, die zich naar het oneindige bewegen) de vragen. Maar dan blijf ik in het vlak van mijn eigen leven en bestaan en dientengevolge kan ik niets bereiken.

Want de oplossing van een vraag brengt in de eerste plaats vele vragen met zich en in de tweede plaats zal het oplossen van een vraag een onevenwichtigheid veroorzaken in mijn denken. Ik kan niet alle vragen gelijktijdig oplossen of zelfs maar ten dele oplossen. En daarom wil ik de esotericus de volgende raad geven: In uw zoeken naar innerlijke erkenning, zult u in de eerste plaats moeten zoeken naar de juiste stemming, naar de juiste innerlijke harmonie. Ge zult problemen en het daaruit redelijk voortkomende alleen moeten beschouwen als een bijproduct, niet als de hoofdzaak.

Wanneer ge ontdekt dat uw innerlijk denken evenwichtig is en dat daarin dus alle dingen een afgerond beeld geven, zoudt ge u niet moeten concentreren – voorzover dit het innerlijk bewustzijn betreft – op wat er in de wereld bestaat, maar alleen op wat er in uzelf bestaat. Een erkenning van de krachten in uzelve is nl., een aanvulling: uit de cirkel wordt. De kegel.

  • Waarom rijst de kegel op uit het platte vlak?

Hij rijst op uit de cirkel, een plat vlak inderdaad.

Omdat wij ons concentreren op het middelpunt van ons eigen wezen, het Goddelijke. Dat ligt buiten de cirkel. Maar niet buiten onze persoonlijkheid. Want de cirkel is het redelijk vlak. Wij hebben dus de methode gevonden, waarbij een esoterische bewustwording plaats kan vinden, zonder dat wij daarbij eisen gaan stellen aan kennis, in de redelijke zin van het woord. Wat wel noodzakelijk is, is ervaring. De ervaring wordt geboren uit de uitdrukking van onze evenwichtige persoonlijkheid, plus de erkenning van het Goddelijke in deze persoonlijkheid. En op deze manier vormen wij dus vanzelf een kegel; een naar boven toe zich verlengende: cirkel, waarbij vreemd genoeg, als wij de lijnen trekken, de doorsnee – de redelijke kennis – steeds kleiner wordt, naarmate wij dichter bij de bron van ons bestaan komen.

Op het ogenblik dat wij het Goddelijke bereiken, is er geen redelijkheid meer. Dientengevolge mag worden gesteld: rede, redelijke kermis, menselijk denken zijn de hulpmiddelen waarmee wij komen tot de erkenning van de Allerhoogste; maar nimmer de middelen waarmee wij de Allerhoogste kunnen begrenzen of omschrijven.

In de tweede plaats: In de esoterie zijn wij gewend veel aandacht aan onszelf te besteden. Elk beeld dat wij van onszelf ontwerpen is echter een beeld, dat waan is. D.w.z. het is nooit volledig juist. Een poging om dit beeld zo volledig mogelijk te maken zal eerder het aantal onjuistheden in deze voorstelling vergroten dan een beter beeld van het werkelijk “ik” geven.

Elke poging tot zelfanalyse geeft de mogelijkheid tot het maken van fouten. Indien 1/10 van de mogelijke fouten bij zelfontleding en zelfonderzoek gemaakt wordt, zal het totaal van het “ik” op den duur slechts voor 30% echt zijn. Want naarmate de kennis omtrent het “ik” vergroot wordt, zullen de problemen groter worden en daarmee de mogelijkheid tot het maken van fouten.

Het is dus niet redelijk uit te gaan van een direct zelfonderzoek, waarmee het “ik” geheel gekend zou moeten worden. De erkenning van het. ”ik” is alleen innerlijk mogelijk. En niet aan de hand van verschijnselen, maar slechts aan de hand van een harmonie die tussen het “ik” en een hogere kracht bestaat. Toch zullen wij tot op zekere hoogte onszelf moeten leren kennen. Daarom is het voor de esotericus goed het volgende te overwegen:  Op het ogenblik dat ik mijn persoonlijkheid zover heb erkend, dat ik kan zeggen; dit is voor mijn bewustzijn redelijk mijn wezen. En ik daarbij de nadruk heb gelegd op goede elementen in dit “ik”, zal ik in staat zijn met een afgerond beeld van mijn eigen wezen metterdaad dit wezen in de wereld tot uitdrukking te brengen. Mijn persoonlijkheid zal op den duur voor mij worden althans redelijk en materieel datgene wat ik uit, en niet datgene wat ik feitelijk ben. Ik heb een ontmoetingsveld geschapen in het “ik” voor hogere krachten, gebaseerd op een kennis omtrent dit “ik”, zij het in meer uiterlijke zin. Is er eenmaal deze eerste harmonie, dan volgt daar weer uit de erkenning van het “ik” in het innerlijk. Deze erkenning kan niet redelijk worden uitgedrukt, zij kan alleen worden ervaren.

De bewustwording van de esotericus kunnen wij aan de hand van deze twee punten dus kort samenvatten met de volgende woorden; de innerlijke bewustwording is een niet redelijk proces, waarbij de rede en het bewustzijn als werktuig dienen, om het innerlijk erkennen mogelijk te maken. De innerlijke erkenning alleen niet de gehanteerde werktuigen zal beslissend zijn voor het resultaat.

De praktische magie – want wat ik u heb gezegd over de esoterie is volledig praktisch – u kunt er nl. vele lessen uit trekken die u zelf kunt toepassen is:

1e. Alle magie is gebaseerd op een relatie tussen het “ik” en andere krachten in het Al.

2e. De relatie die ik schep tussen mijzelf en krachten in het Al, wordt steeds veroorzaakt door een uiting een handeling plus een instelling, uitgaande van mijzelf.

3e. Ik kan datgene beheersen in de magie, dat valt binnen de door mij aanvaarde waarderingen zonder dat angst mij daarbij belet mijzelf te vervullen of mijn taak voort te zetten. Bewustzijn is bij de magie slechts in zoverre nodig als de erkenning van de krachten waarmee ik werk, eist. Feitelijke kennis van deze krachten is dus niet een vooropgezet vereiste. Maar een aanvaarden en een niet vrezen daarvan.

En nu wij dit hebben gesteld, wil ik trachten u iets te vertellen uit de praktijk. Wij kunnen alle magie natuurlijk baseren op het gebruik van bepaalde beelden, afbeeldingen. Wij kunnen werken met machtswoorden, met diagrammen. Wij kunnen ook werken met incantaties, met bezweringsformules en met rituelen.

In al deze factoren blijkt dat de eigen persoonlijkheid slechts dient als een brandpunt, waarin de invloeden die ik rond mij schep, samenkomen. Daaruit kan worden afgeleid, dat zover dit het materiele betreft, de beïnvloeding van mijn eigen persoonlijkheid noodzakelijk is om de noodzakelijke frequentie te bereiken, waarop ik de door mij gezochte krachten kan beroeren.

De middelen die de mens hiervoor gebruikt, behoeven niet te behoren tot elke willekeurige klasse van werkingen of invloeden die het menselijk lichaam, de menselijke rede en het menselijk gevoelsleven beroeren en daarin tijdelijke of blijvende wijzigingen tot stand brengen. Wij moeten daarbij stellen; volksgeloof, persoonlijk denken, en wat dies meer zij, zijn van groot belang voor alles wat ritueel wordt volbracht. Bepaalde tekenen, bepaalde letters hebben een grote beduiding gekregen in het menselijk bewustzijn. Zij behoeven dit niet in het persoonlijke bewustzijn van de magiër te hebben, mits hij zich bewust is van het feit, dat er een betekenis aan gehecht wordt.

Om een voorbeeld te geven: Bij bepaalde bezweringen wordt gebruik gemaakt van een ringensysteem. Dit systeem, meestal een drie ringen systeem, bevat een ring waarop de letters 1+ Ht S worden ingeschreven, gescheiden door een kort plustoken, Daarnaast is de tweedes daar worden C, P en ?. ! op ingeschreven. Eveneens letters die geen enkele vaste betekenis hebben, tenzij wij bv. willen gaan bezien bij de driekoningen of elders in de bijbel. De derde Wordt ingeschreven met bepaalde godsnamen waarbij men bij voorkeur Joods schrift gebruikt. De drie. worden samen verenigd en vormen, zoals men dat noemt, een onbreekbare vete De magiër stelt zich meestal in de cirkel waar de I + H + S op is geschreven en heeft nu nog twee gebieden van hogere bescherming achter zich, zodat geen enkele demon hem zal kunnen beroeren.

Nu is de vraag: wat hebben die letters te betekenen? Wanneer ik zo’n letter zie, dan zegt ze niets. Slechts in combinatie met andere letters heeft ze zin. Maar wanneer ik als magiër dergelijke letters hanteer, dan weet ik dat zij een magische kracht zijn. Het feit, dat ik ze neerschrijf bij voorkeur met gewijd krijt brengt dan verder met zich, dat ik het gevoel heb een zekerheid, een afscherming, te bouwen. Ik schakel nu alles wat in het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid daaromtrent bestaat, in. Onderbewust heb ik daaraan deel. Ik zal mij deze dingen niet alle redelijk en bewust realiseren, maar voor zover zij voor mij noodzakelijk zijn als gebruikswaarde, bestaan ze. Dientengevolge zal de kracht, die ik oproep (zo zij in het totaal menselijk denken bestaat of bestaan heeft), blijven bestaan, ook voor mij.

De mensheid gelooft dat bloed een zeer bijzonder vocht is. Zij gelooft dat zich daarin een gedeelte van de levenskracht van de mens bevindt en daarmee de meest persoonlijke binding, die er kan bestaan. Dit komt o. m, tot uiting in gebruiken als bloedbroederschap, bloedoffers e. d. Voorts zal menig magiër gebruikmaken van een z.g. bezweringsstaf en daarvoor neemt hij wederom iets wat in het volksgeloof met de magie verknoopt is; het hout van de hazelaar. Hij zoekt een vork; die vork laat hij aan de steel de bast behouden, maar de twee takken van de vork schilt hij ten dele af. Hij maakt ze enigszins plat en daarop schrijft hij met zijn bloed bepaalde demonennamen, of Godsnamen. Die namen kunnen verschillen, naargelang de magiër en zijn opleiding.

Door dit bloed nu heeft hij gezag gekregen. Hij heeft niet alleen maar de eenvoudige staf, neen, hij heeft een wapen, een wapen dat geassocieerd is met bijzondere geestelijke krachten ( denk aan de wachters en demonenbeelden, die u bij menig heidense tempel vindt op oude stadsmuren ook wel) en hij heeft verder zijn bloed.

Dit bloed is de band met zijn wezen en zijn wezen is gebonden met de Eeuwige. Zo kan hij dus tot een bepaalde geest of demon zeggen: Ik bezweer U, (dan vult u maar in) In de naam van de Allerhoogste, Hij, Die is (en dan volgen de Godsnamen die hij dus aanvaardt) bv. : Gij die zijt Ré, Die zijt Horus, Gij Die zijt Osiris; maar hij kan net zo goed zeggen: Gij, Die zijt Jahwe, Adonai, El, Elohim. En in de naam van mijn bloed (en dan, strekt hij die vork uit) verschijn……

Nu heeft hij verder het idee dat een geest iets almachtigs is, en daarom maakt hij gebruik van een rook, een wierook pot. Hij verbrandt daarin bepaalde aromatische stoffen. Deze hebben natuurlijk vluchtige bestanddelen, die zich gemakkelijk verspreiden, maar die ook weer gemakkelijk tot een vorm te brengen zijn. Het is duidelijk dat hij dus hiermee een soort grondslag vormt, waaruit zich de gestalte zou kunnen vormen. Dit gebeurt inderdaad vaak. Niet alleen omdat die aromatische stoffen een redelijke mogelijkheid geven er zijn andere maar omdat die verwacht wordt.

En wanneer hij dus die vork uitstrekt, zal hij dit dus doen in de rook, want die rook moet vorm aannemen. Op deze manier dwingt hij de beelden van een demon te verschijnen. Hierbij moeten we rekening houden met een ander verschijnsel.

Het is volledig redelijk dat een geest of een demon kan verschijnen op die manier; vanuit de geestenwereld. Voor de mens klinkt dit een beetje fantastisch. Maar deze mens heeft een denkbeeld; en wanneer hij een demon aanroept, die hij werkelijk vreest, dan zal hij datgene wat hij in zijn hart het meeste vreest de vorm zijn, waarin die demon kenbaar wordt. De gestalte die wordt gevormd is niet alleen de uitdrukking van het wezen, van de persoonlijkheid van de demon, maar ook van de angsten, de verwachtingen van degene die hem oproept.

Misschien lijkt dit alles u een beetje onpraktisch en ik heb u toch beloofd iets te vertellen over de praktische magie. Maar wij hebben met deze voorbeelden iets duidelijk gemaakt, nl. dat de middelen die ik gebruik, voor een groot gedeelte afhankelijk zijn van mijn persoonlijk denken en leven. Dat ik alle middelen kan gebruiken die voor mijn bewustzijn, of voor het algemeen bewustzijn van de mensheid waarde en betekenis bezitten. Dat ik alle emoties die in mij bestaan, zowel verwachtingen als spanningen en angsten tot uitdrukking kan zien komen in datgene wat ik bezweer of oproep.

Is het redelijk om te bezweren en op te roepen? De experimenten die ik beschreef, zijn deel van de magie, die dicht ligt bij de necromantie of zwarte magie. Maar ook hier geldt: Het doel, waarvoor ik werk mijn persoonlijke instelling bepaalt goed of duister. Dus de manier waarop is allesbepalend. Zo zal een ieder die wil werken met magie, moeten uitgaan van zichzelf. Ga niet uit van iets wat je hebt of wat je bezit alleen. Ga uit van datgene wat in de wereld ergens bestaat. Hen zal misschien betere resultaten krijgen.

Wanneer men de primitiefste cultgebruiken nabootst (die dus voor moderne beschaafde mensen zinloos zijn, maar in een groot gedeelte van de wereld nog bestaan), dan wanneer men de meest redelijke en overlegde experimenten uithaalt.

Wij zijn afhankelijk van het totaalbewustzijn van de mensheid waaruit wij putten, en niet alleen van ons eigen denken. Verder moeten wij de conclusie trekken: wij zijn het die bepalen welke riten wij volgen. Wijzelf zijn het die de symbolen bepalen, waarmee wij zullen werken. Wijzelf zijn het die willekeurig kunnen grijpen naar machtsmiddelen, waarin men ergens ter wereld gelooft.

Wij zijn niet afhankelijk van een vaste rite, wij zijn niet afhankelijk van vaste voorstellingen en beelden. Wij zijn slechts afhankelijk van één ding; ons eigen bewustzijn van licht.

Naarmate wij minder van licht en de zekerheid die licht voor ons betekenen kan bewust zijn, zal het gevaar van een magisch experiment groter worden.

Deze dagen zijn die experimenten mogelijk en kunnen ze soms met goede resultaten bekroond worden. Dit is de reden waarom ik dit onderwerp aansnijd. Op het ogenblik dat ge innerlijke krachten projecteert, zult u dit moeten doen volgens een rite waar u volledig zelf bij betrokken bent. Het is niet mogelijk alleen maar met het lezen van bepaalde dingen of het eenvoudig declameren van iets zonder meer resultaat te krijgen.

De totale voorbereiding is in feite een je concentreren en instellen. Zoals wij in het eerste gedeelte, over de esoterie, spraken over frequentie, zo geldt ook hier hetzelfde. Door de voorbereiding, door de maatregelen die wij treffen, door de wijze waarop wij dit alles a.h.w. gaan beleven, stellen wij onszelf af. Wij proberen onszelf. zodanig te richten dat ons 56 magisch doel, plus de instelling van onze persoonlijkheid, identiek zijn. En dan gaan wij (de instelling bereikt hebbende), daarin de kracht van onze wil leggen, uitgedrukt door het ceremonieel, door de handeling, door de tekening, etc.

Hieruit volgt dat werkelijke magie, onredelijk als zij is, altijd krachten in beroering brengt. In de eerste plaats krachten in mijzelf; in de tweede plaats beroert zij de krachten van de mensheid.

En in de derde plaats: krachten die met die mensheid verwant of verbonden kunnen zijn.

Willen wij ons afvragen in hoeverre er gebruik gemaakt kan worden van deze kennis bij een persoonlijk streven, dan stel ik u drie mogelijkheden voor. Omschrijven doe ik ze niet, aangezien dit als een voorschrift zou kunnen worden beschouwd.

In de eerste plaats: De persoonlijke bestreving. Zij moet gebaseerd zijn op een plaats die voor ons gewijd, of met magie verbonden is. Zij moet verder worden ondersteund door alle invloeden die voor ons belangrijk zijn. (Hierbij te letten op de invloeden van maan en sterren zou gunstig zijn. )

In de tweede plaats: Wij moeten tevoren weten welke krachten, welke namen of welke tekeningen, welke symbolen of stoffen wij gebruiken. Wij moeten er zeker van zijn dat deze bij de hand zijn.

In de derde plaats: Wij moeten zonder enige angst en daarom zo mogelijk ook met een onzelfzuchtig doel het ceremonieel, zoals wij dit voor onszelf hebben opgebouwd, voltrekken, in volledige afzondering en zonder storing: Op het ogenblik dat een storing optreedt, moeten wij onmiddellijk vanuit ons beste weten trachten de opgeroepen krachten weg te zenden. D. w. z. dat wij in de meeste gevallen een z.g. ontslagformule gebruiken; bv. gij krachten, die ik heb opgeroepen, gij die tot mij zijt gekomen, in de naam van de Allerhoogste (hebt ge bij uw bloed opgeroepen, dan) en in de naam van mijn bloed zeg ik u; gaat heen daar vanwaar ge gekomen zijt en weest daar gebonden. Dat is dus een bekende ontslagformule.

Daarna zal ik moeten wachten tot weer alle rust bestaat, tot ik weer alles bijeen heb, om geheel opnieuw te beginnen, en dan hetzelfde ceremonieel weer opnieuw te voltrekken.

Daarbij wil ik u de raad geven u niet te richten op het oproepen van geesten of demonen.

Wanneer ge deze roept; dwing ze niet zich in kenbare vorm te manifesteren. Ze zijn voor de ongeschoolde gevaarlijk, al is het alleen maar door de verwondering, de angst of de afleiding, die daardoor ontstaat.

In de tweede plaats: wanneer u bezig bent met een magische bezwering en u doet dat alleen: houdt u nimmer bezig met een bepreken van uw doel met de kracht die u oproept.

Stel uw doel uit de naam van God. Wijzig daaraan niets. Elke poging met een opgeroepen kracht daarover te discussiëren of deze kracht nu lichtend of duister is heeft het gevaar dat het eigenlijke doel uit het oog wordt verloren, terwijl bij duistere krachten bovendien degene die de. magische rituelen voltrekt, gevaar loopt.

Ten laatste wil ik er u op wijzen, dat wij, wanneer wij alleen werken, er steeds voor moeten zorgen dat alles wat wij gebruiken, af is. Teken ik een pentagram, dan moet ik zeker zijn dat dat pentagram symmetrisch en gesloten is getekend.

Schrijf ik namen, dan moet ik a.h.w. een voorbeeld bij mij hebben dat ik precies kan natekenen, zodat ik zeker ben dat geen vergissing wordt begaan. Moet ik een lamp of een kaars oriënteren op een van de windstreken, dan doe ik dit met een kompas, opdat ik zeker ben dat dit punt juist geschiedt.

Een zo juist mogelijke uitvoering geeft een gevoel van zekerheid; het versterkt eigen overtuiging en heeft daarnaast in de opgeroepen krachten plus het bewustzijn van de mensheid, de dwingende werking, die het slordige en het onvolmaakte nu eenmaal ontbeert.

De tweede methode is de z.g. groepsmethode.

Bij deze groepsmethode kan het magisch doel worden bereikt door een gezamenlijk ritueel, waarbij een voorgaat. Over het algemeen wordt hierbij gebruik gemaakt van een symbool. Dit symbool zou kunnen zijn een kruis een kruis met een cirkel die dus het snijpunt van de vier takken a.h.w. omschrijft; wij kunnen ook het ankh-kruis gebruiken.

Voor degenen die met deze krachten willen werken zou ik ten sterkste ontraden gebruik te maken van bv. een driehoek met de punt naar beneden op een kruis. Dit is nl. het symbool, waarin het volksbewustzijn met bepaalde duivelse krachten gebonden is.

Mijn voorkeur gaat uit naar het z. g. christelijke kruis of ankh-kruis. Verder moet er een brandpunt of middelpunt zijn. Dit middelpunt kan worden aangeduid door een sterkere lichtvalling in een overigens minder verlicht vertrek. Zij kan bepaald worden door een altaar of een tafel; zij kan zelfs bepaald worden door het daar opstellen van bv. heilige schrift of gewijde symbolen.

De achtergrond wordt steeds gevormd door het teken, waaronder men werkt. De aanwezigen zullen zich niet in rijen, maar in een ring zetten, zodat er een gesloten geheel bestaat, waarbinnen zich de eventuele voorganger, voorgangster, celebrant, priesteres bevindt en het altaar aansluit op de twee vleugels van de rijen.

De processen, die hier de meest eenvoudigste zijn, zijn van enigszins meditatieve geaardheid. Er wordt in ernstige concentratie en stilte innerlijk overwogen wat men wil volbrengen. Vervolgens wordt door degene die leiding geeft het doel gesteld. Kort en duidelijk. De aanwezigen herhalen dit, dus een soort koorzang.

Daarna gaat men over tot een plechtigheid waarbij deze kracht verzameld wordt. Meestal bestaat dit uit een meditatie of gebed, waarbij men aan het einde zich tot het altaar, beeld van God en de oneindige krachten, richt en, zich richtend tot dit altaar, een zegenformule, een smeekformule uitspreekt, meestal gevormd dooreen zekere incantatie.

Wanneer het doel duidelijk is gesteld, zijn op deze wijze grote resultaten te bereiken. Wil men meer bijzondere resultaten bereiken, dan dient eerst een studie te worden gemaakt, omdat dan binnen de kring – bij voorkeur met krijt – bepaalde figuren worden getekend.

Eventueel kan de opstelling van de personen zelf in overeenstemming met een dergelijke figuur gewijzigd worden. Verdere inlichtingen wil ik u hier voorlopig niet over geven. De derde is de z.g. speldienst of wel verbeeldingsmagie. Ook deze kan alleen in een groepsgemeenschap plaats vinden; zij bestaat in zekere zin uit een spel, een soort toneelspel dat men opvoert. Hierbij worden de krachten verbeeld; d.w.z. dat als iemand de kracht van het licht aanroept, dat hij dit licht a. h. w. met zich draagt. Dat hij dit symboliseert en zich gedraagt alsof hij dit licht is, dat desnoods van de een tot de ander gaat.

In de tweede plaats; de figuren van krachten, die men dwingen moet, worden eveneens uitgebeeld. Een van de aanwezigen zou dus bv. een demon of een hogere geest, die men wil dwingen, of verzoeken uitbeelden en zal dan ook antwoord geven, alsof hij deze was.

Hierbij ontstaat dus een soort dramatisering. In dit spel wanneer men zich daaraan volledig kan overgeven ontstaan alle innerlijke spanningen en emoties, die nodig zijn om ditzelfde op hoger vlak te reproduceren.

De voornemens, beneden gemaakt, de handelingen beneden volvoerd, de incantaties, beneden gesproken, worden dus daarboven weerkaatst. Wanneer het spel beëindigd is, volgt een stilte. Na deze stilte zal over het algemeen een, soms ook meerderen van de aanwezigen, weer spreken. Hun spreken is dan echter inspiratief, zij geven hun indrukken weer. Aan de hand van deze indrukken wordt door degene die de leiding heeft bij ten dergelijke groep besloten, wederom met een dwingende bede of incantatie.

In al deze vormen is het mogelijk, om de bovennatuurlijke krachten, die bestaan, de krachten uit de sferen van licht en ook de sferen van duister, de krachten van hen, die mens zijn geweest en de krachten van hen, die geen menselijke vorm hebben gekend, te beroeren en, voor zover zij niet lichter zijn dan de groep zelf (en de invloed waaruit zij haar kracht put) te dwingen.

In andere gevallen kan daarmee een harmonie verkregen worden. Een groepsmagie is steeds een samenstelling van zeer verschillende stralingen, die gezamenlijk op de juiste wijze geconcentreerd, de emotionele beelden geven de frequentie dus waarmee een zo hoog mogelijke kracht wordt bereikt. Vanuit deze kracht wordt al het verdere volbracht.

Ik heb u hier beelden gegeven van drie methoden. Wanneer u werkt en u wel eens zich bezig houdt met magie of pogingen daartoe doet, dan moet u goed begrijpen, dat een magie zonder gebruik van impedimenta mogelijk is, maar zeer moeilijk.

De door mij beschreven eerste methode, die immers is aangepast aan uw persoonlijkheid en aan de eigen mogelijkheden, geeft de grootste kansen tot resultaat en succes.

De tweede methode is het best geschikt voor hen, die gebruik maken van zg. meditatiegroepen en gezamenlijke Werkgroepen.

De derde methode is alleen geschikt voor hen, die door een zeer sterk onderling rapport, plus een absoluut terzijde zetten van werkelijkheid, bedremmeldheid e.d., een uitbeelding kunnen geven.

Zij kunnen eventueel dan daarbij de representanten zijn van een grotere groep; maar ook deze grotere groep moet hierin volledig mee kunnen leven. Dit laatste komt dus zelden voor en zal eerder thuishoren in inwijdingsscholen en tempelgroepen dan in de normale magie. De twee andere methoden zullen voor u bruikbaar zijn.

En dan het laatste van mijn lezing van vandaag. Houd er rekening mee, dat wij ons doel altijd juist moeten stellen. Hoe beperkter het doel dat wij kiezen, hoe nauwkeuriger het omschreven moet worden, hoe juister het moet worden aangeduid, hoe scherper wij zullen moeten overwegen, welke krachten hiervoor dienstig zijn.

Hoe algemener het doel, waarop wij ons richten, hoe vager en hoe algemener ook onze incantatie kan zijn, hoe vager onze instelling, hoe minder specifieke middelen wij nodig hebben om dit doel tot uitdrukking te brengen. Verder dit: Wanneer wij een doel kiezen, dat goed is, mogen wij dit doel nimmer kiezen naar onze eigen definitie. Wat wij als vrede zien, zou de kosmos kunnen interpreteren als dood. Wat wij zien als liefde, zou de kosmos kunnen zien als een wegvallen van redelijke beperkingen, enz. Wij moeten dus proberen een doel te kiezen dat wordt overgelaten aan de Hoge Kracht, waarmee wij werken, zolang dit vaag is en algemeen. Het Heer Uw Wil geschiede dat wij uit de bijbel kennen, mag hier zeker gebruikt worden.

Wanneer wij overgaan tot een specifiek doel, dan moet ieder van de aanwezigen daarvan weten. Het is niet mogelijk te werken voor een doel, dat slechts aan een der aanwezigen bekend is. Zou in de door mij als nr. 2 beschreven procedure dus een bepaald doel bekend zijn aan degene die leiding geeft, zo zal deze eerst in een exposé zo nauwkeurig mogelijk duidelijk moeten maken, wat eigenlijk verlangd wordt, waarvoor men samen is gekomen, voor de samenkomst werkelijk begint. Het deelhebben van allen is noodzakelijk.

En dan het laatste woord. Deze magie lijkt u op het ogenblik misschien nog onnut. U vraagt u af wat u ermee kunt doen. Laat mij u zeggen dat, gedragen door uw eigen levenshouding, uw eigen begrip t.o.v. het Goddelijke, u in staat bent om met krachten te werken, die ver buiten de normale wetenschappelijke paden liggen, maar die bestaan. Dat u daarmee resultaten kunt bereiken, die voor een gedeelte zelfs uniek zijn. U kunt daarmee dingen bereiken die voor uw persoonlijk bestaan en voor anderen van het grootste belang zijn. Overweeg of, en in hoeverre, u deze mogelijkheden wilt gebruiken. Voor degenen die zich alleen tot de esoterie richten geldt ook weer; houd rekening met hetgeen ik u in het eerste deel verteld heb. Voor u is het belangrijker dat u de juiste instelling vindt dan dat u de juiste kennis bezit.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Godsbegrip

Ik wil heden met u spreken over Godsbegrip. Een onderwerp dat over het algemeen zeer abstract behandeld dient te worden, maar waar wij m. i. toch ook zuiver persoonlijk over kunnen spreken. Een Godsbegrip kan niet alleen gebaseerd zijn op een persoonlijkheid, althans niet voor mij.

Ik geloof in een God. Maar deze is een complex geheel. Hij is de kosmos, al het zijnde, alle sferen en buitendien waarschijnlijk meer. Ik kan mij deze God dus niet voorstellen als een persoon en ik kan de eigenschappen ervan moeilijk definiëren.

Een Godsbegrip kan dus ook niet zijn een begrijpen van God, maar is slechts een persoonlijke benadering van God. Ik hoop dat u mijn overwegingen, mijn uitspraken,  dan ook wilt zien vanuit dit persoonlijk vlak, omdat ik mij geheel wens te baseren op de wijze, waarop ik erken en beleef.

Wanneer ik het Al bezie vanuit die wereld, vrij van tijd, waarin ik mag leven, doet het mij denken aan een kloppend hart. Langzaam zet het zich uit, langzaam krimpt het terug en wanneer aan de ene kant in het Al een vermindering kenbaar is, zo zwelt de andere zijde.

Maar er is altijd ergens een evenwicht. De massa van het heelal is gelijkblijvend. De kracht, daarin behouden, altijd dezelfde.

Daarom kan ik mij mijn God niet voorstellen als een wezen, dat binnen dit Al gedacht of gesteld kan worden. Het Al is voor mij het levende, het kloppende, het eeuwige en God is de kracht, die o. m. dit bezielt. Mijn persoonlijke verhouding tot dien God kan ik dan ook niet uitdrukken in termen als: O, ik aanvaard mijn God, of, ik dring door tot mijn God.

God is. En wanneer wij spreken over die dingen dan heb ik het idee, dat ik eigenlijk overbodige dingen zeg. Als niet zovelen dit onderwerp anders zouden zien en aanvaarden, zou het ook geen zin hebben om deze avond aan de uitnodiging gehoor te geven.

Wanneer ik mijzelf erken en ik kijk naar mijzelf, dan zie ik ook God. Niet dat ik God ben.

Maar wanneer ik naar mijzelf zie, dan is er in mij datgene wat ik erken als God. En wanneer ik mijn herinneringen zie van ongetelde levens, wanneer ik die vele sferen en werelden zie, die ik betreden heb, waarmee ik contact heb gehad, dan vormt dit alles zich tezamen tot een beeld en dat beeld is God.

De oneindigheid spreekt tot mij, alleen is de eindigheid die ik ken. Omdat ik weet dat het een deel is en niet het geheel, weet ik ook dat ik verder moet groeien, verder moet leven en mij verder moet ontwikkelen. Ik moet leren mij vollediger te uiten en te erkennen.

Maar ik kan moeilijk zeggen, dat mijn Gods-erkenning gebaseerd is op wat ik niet ben, wat ik niet ervaren heb en wat ik niet ken.

God is voor mij het geheel van mijn mogelijkheden, de kracht die mij beweegt; mijn beleving, mijn hunkering. Hij is mijn werken, mijn leven, mijn denken. Hij is mijn zelfonderzoek en mijn veroordeling, maar Hij is ook gelijktijdig mijn ontwikkeling. Dat is misschien moeilijk voor u om dat te beseffen. Maar je kunt de dingen nu eenmaal niet anders uiten dan zoals je ze beleeft, en om wat je beleeft goed te uiten, moet je de dingen niet alleen zien, je moet ze doorleven. En doorleven wil zeggen; een achtergrond scheppen van gevoel.

Misschien kan ik u het beeld geven, dat het dichtst ligt bij de werkelijkheid. Ik heb altijd geleerd, in vele verschillende vormen, dat God datgeen is dat licht geeft. Soms in een incarnatie aanbid je het vuur of de zon, in andere gevallen een onbekende vaagheid, waaruit licht of bewustzijn neerdaalt.

Wanneer ik vanuit mijn huidig standpunt zoek naar het werkelijke godsbegrip, naar de werkelijke inhoud van mijn wezen, dan kom ik tot de conclusie, dat ik ben als een lamp.

De vlam in mij is het licht, dat naar de wereld straalt. Maar datgeen waaruit de vlam ontstaat, datgene wat ik niet ken, is.

Er zijn beelden, waarbij je probeert om af te wijken van het normale, waarbij je probeert om God a.h.w. onder te brengen in een menselijk of geestelijk beeld. Wie kan een zonnestraal omschrijven? Niemand. Zo kan niemand God omschrijven. Ik heb echter dit ontdekt en het lijkt mij voor u, juist omdat u op aarde leeft ook wel zeer belangrijk: Alle dingen die ik erken als licht, die ik erken als een geven, die ik erken als een verbondenheid, zijn uit God. Ze zijn Goddelijk. Ze moeten onzelfzuchtig uit mij voortkomen weliswaar, maar wanneer zij deel zijn van de vlam, die in mij brandt, zijn ze uit God en Goddelijk.

Dan zijn ze een vervulling van God en dan zullen zij als zodanig voor mij de weerkaatsing van God kenbaar maken in zijn omgeving, in de schepping, die Hij evenzeer is.

Men heeft u misschien wel geleerd dat ge God moet zien in alle dingen. Een vogel die zingt, een boom die eeuwen lang ergens aan de rand van een weg staat, of middenin een veld. Mij heeft men dat ook wel gezegd, maar kan ik God zien in een boom? Ik kan misschien voor een ogenblik zijn trage bestaan delen of voor een ogenblik de noodzaak tot roepen en tot zingen en tot zoeken van de vogel ondergaan. Maar kan ik leven in de boom? Kan ik leven in de vogel? Ik kan hoogstens mijn persoonlijkheid daar tijdelijk in leggen. Ik zal mijn andere gestalte vergeten, maar ik blijf mijzelf. Daarom zeg ik: God vind ik alleen in mijzelf. En wanneer ik alle macht zoek, alle kracht zoek en alle mogelijkheid zoek van het heelal, dan moet ik mij beperken tot mijzelf.

Ik ben voor mijzelf de enige weg tot God. Dit is heidens in de ogen van velen. Wanneer ik tot de Christen zeg; dat de weg en de waarheid in uzelf liggen, dan zeggen ze, dat ik een godloochenaar ben. En wanneer ik de mensen in Indië vertel dat de ene ervaring van een kracht in mijzelf belangrijker is dan alle goden, en dat een beeld, een voorstelling in mijzelf van iets wat goed is, een herinnering, een vreugde, die in mij blijft voortbestaan beter is dan alle grote Boeddhabeelden en alle pagoden, en tempels, dan noemen ze mij ook een Godslasteraar. Toch is dat voor mij waar.

Het vreemde is, dat wanneer ik die God in mijzelf erken, wanneer ik weet dat ik datgene ben, de lamp, waarin de vlam brandt, gevoed door het Goddelijke, dat ik met mijn stralen alles kan doen, dan ben ik machtig. en groot. Niet uit mijzelf, Zoals de lamp niet branden kan, wanneer er niet de kracht is, die haar doet gloeien, wanneer er niet de olie is, waaruit ze haar vlam put.

Maar het licht komt uit de lamp. Ik ben het die God kenbaar maakt. Ik ben het die openbaart. Niet omdat ik wil, maar omdat mijn leven alleen kan bestaan, indien ik openbaar. En zo is, alles wat ik prijsgeef aan het Al, alles wat ik tracht te volbrengen, een deel Gods.

Zeker zolang ik daarbij mijzelf vergeet. En niet zoek het licht in mijzelf besloten, te ontvangen. Maar het licht vrijelijk van mij uit doe gaan.

Ge zult in deze reeks van lezingen veel gehoord hebben over alles wat samenhangt met magie, met innerlijke beschouwingen en wat erbij hoort. Ik weet dat die dingen noodzakelijk zijn. Ze zijn een middel voor de mens om te komen tot de erkenning, die ik met u bespreek. En die erkenning op zichzelf is de enige belangrijke.

Wanneer ik macht heb en God in mij leeft, dan is het voldoende dat ik dat licht van mij doe uitgaan, dan ben ik licht, dan ben ik voor een wijle God. Want openbaring van Zijn Wezen gaat door mij. En wanneer ik roepen wil tot Al, dat het licht nog niet in zichzelf erkend heeft, dan zullen ze zeggen; daar is een stralende ster, een hoge geest. Maar als ze zich bewust worden van hetzelfde wat in hen leeft, dan kunnen ze ook zeggen; daar gaat mijn beeld, want zo ben ik.

Het is moeilijk om u dit alles duidelijk te maken op een manier die niet blijft stilstaan bij de woorden en de begrippen. Maar wanneer gij voor uzelf bidt of zoekt, of een probleem hebt, wat doet ge dan? Erkent gij God zoals Hij is? De Kracht die in u leeft, die u beroert, die u zal vervullen, zoals het noodzakelijk is? Of stelt ge de beperking van uw rede? Want de rede, die ge dan gebruikt is als een spiegelend vlak, dat de vlam die in u brandt, omhult; binnen een fel licht scheppend weliswaar, maar voor de buitenwereld duisternis.

Mijn begrip van God en het Goddelijke houdt ook in, dat ik alleen leef, wanneer God vanuit mij werkt. Wanneer Hij door mij kenbaar wordt. Ik kan die God nooit door mijzelf kenbaar maken, wanneer ik anders wil zijn dan ik ben. Misschien klinkt u ook dit vreemd.

Maar stel dat God leeft in alle dingen, omdat Hij is de volmaaktheid, zoals men ons leert. Dat Hij in dit krimpend en dijend Al in aeonen van jaren datgene oreert, voortdurend herscheppend misschien zelfs wie zal het zeggen wat Zijn Wezen is. Nu ben ik een deel daarin. Ik ben dat deel, omdat ik nodig ben, zoals ik ben. Wanneer ik nodig ben als een geest van licht, dan zal ik een geest van licht zijn. En wanneer ik nodig ben als een werktuig in een lagere sfeer, dan zal ik in een lagere sfeer zijn.

Er is slechts een verschil. Ik kan de kracht erkennen die in mij werkt óf ik kan die kracht ontkennen. Want dart schijnt ons eigen lot te bepalen en onze persoonlijke vrijheid te zijn.

Maar ik kan niet voorkomen dat datgeen wat ik moet zijn, inderdaad in de schepping wordt geuit. Wanneer ik dus mijzelf probeer te vervalsen, anders te zijn dan ik ben, dan zal ik in feite weigeren om God te uiten door mijzelf.

In de kosmos maakt dat geen verschil. Maar voor mij wordt de wereld duister, voor mij is de bewustwording stilgezet. Wat er roept en wat er leeft in je wezen, wat je trekt naar een bepaalde sfeer, naar een bepaalde beleving, naar een bepaalde wijze van God ondergaan, is deel van de noodzaak die in je bestaat. Dat is God zelf, die in je werkt.

Erken je dat God in je werkt? Erken je dit onontkoombare? Slechts wanneer ik in mij schouw erken ik het licht, waardoor God zich uit. Dan zul je ook erkennen: ik moet mij zelf zijn, ik moet mijn wezen uiten volgens de taak mij gesteld. En die taak kan ik alleen vinden door mijzelf te zijn, door het beeld, waarvoor ik geschapen ben, het deel van het geheel, dat ik vandaag vorm en niet gisteren of morgen te vervullen.

Zo rijen zich de ogenblikken van zijn en beleving aaneen. En aan het einde daarvan staat de eeuwigheid. De eeuwigheid waarin ik gelukkig mag leven, waaruit het soms wat moeilijk is om het juiste punt in de tijd te vinden. Het had niet veel gescheeld of ik was in gesprek geweest met Maarten Harmens in Tromp i.p.v. met u. En dat is niet alleen scherts.

Die eeuwigheid is alleen maar het samenvloeien van verleden en heden. De mens denkt eraan als een onbeperkte tijd. Maar het is eerder een niet bestaan van tijd; de afmeting tijd valt weg. Er is geen gisteren en er is geen morgen. Er is alleen een ontzettend rijk vandaag, waarin je gelijktijdig vele vormen hebt, vele functies en vele werkingen.

Eeuwigheid is de verveelvuldiging van je wezen en van je taak en van de mogelijkheden.

En juist daarin erken ik God op zijn grootst en z’n scherpst. Te weten dat ik gelijktijdig kan bestaan, in vele werelden en vele wezens en toch zijn wie ik ben; te weten dat ik tot u spreek en dat mijn stem ook elders klinkt, en dat ik toch ook rust, omdat dit alles gelijktijdig is. Te weten dat ik altijd tot u zal spreken, ook wanneer volgens u die tijd voorbij is. Dat is een wonderlijke vreugde. De woorden die ik nu tot u spreek zijn voor mijn gevoel aan het begin van de schepping gesproken. Ze blijven doorklinken totdat ergens misschien het einde van de tijd begint; het ogenblik dat uw en mijn heelal sterft; dat het hart niet meer klopt en er een nieuw leven, elders geboren wordt.

Beseft ge hoe moeilijk het is om het onderwerp juist te behandelen? Op aarde heeft men God gezocht en een ieder doet het op zijn wijze. Een ieder gebruikt zijn eigen kracht. Maar maakt het nu werkelijk zoveel verschil uit of ik roep tot Jezus of de grote Sjimbala? Of ik roep tot Isis of tot Jahwe, of ik roep tot Brahma of dat ik de voorkeur geef aan Shiwa, of dat ik misschien mijn aandacht wend tot het grote Niets, waarin de Boeddha’s leven? Die dingen zijn gelijk. Dit alles zijn de beelden, die wij ons scheppen. Godsbeelden. En elk Godsbeeld op zichzelf is onvolmaakt.

Men denkt eraan dat men bouwt; we bouwen, zo zegt men, een tempel. We bouwen een huis. Maar dat huis is gebouwd, de tempel is voltooid, voordat de eerste steen werd gelegd. Wanneer je wezen terugkeert uit de tijd, dan weet je, dat al die dingen gelijktijdig zijn. Dan weet je ook dat je zelf huis, of tempel bent, of licht. Dat je het altijd geweest bent.

Wanneer ik een vergelijking moet vinden voor God, dan zou ik zeggen; God is een stad waarin ik leef. En gelijktijdig is Hij het leven, dat de hele stad bezielt. Zo spreek ik niet tot u, maar ik spreek tot mijzelf. Ik weet niet over hoeveel menselijke tijd heen. Zo leef ik in een wereld als de uwe, die dreigend schijnt en onvolmaakt en waarin u worstelt met uw problemen. En de vraag of u iets wel of niet zult doen, of iets wel of niet geoorloofd is. Of u wel of niet gefaald hebt. Of ge wel of niet de kracht zult hebben om te volbrengen.

Maar het is alles al gebeurd. Niet dat het voorbestemd is. Wat gij er van beleefd, wat het voor u is, beslist ge zelf. Ge kunt kiezen, licht of donker. Maar dat wat voor de schepping bestaat is altijd. En dat is nu juist het begrip God.

Wat maakt het voor verschil uit of ge leeft in een hoge sfeer of op aarde? Voor u lijkt het misschien een groot, een onmetelijk groot verschil. Maar wanneer ge in die hoogste sferen zijt, dan leeft ge óók op aarde. Niet één leven, maar vele levens gelijktijdig.

Ge meent misschien dat er een groot verschil is tussen dwaasheid en wijsheid. Maar is de wijsheid niet slechts de aanvaarding van datgene wat de dwaasheid ondanks zichzelf volbrengt?

Ge droomt van magie; gij zijt instrumenten, werktuigen. Het is een deel van uw werkelijk wezen, dat hier op aarde op het ogenblik iets volbrengt. En als ge magisch moet werken, dan kunt ge het bewust doen. Dan kan het u een vreugde en een sterkte zijn. Ge kunt het ook onbewust doen en dan volbrengt ge het tegen beter weten in. Tegen eigen erkennen, tegen eigen persoonlijkheid; en ge zult er misschien ongelukkig door zijn.

Maar ge kunt niets volbrengen dat niet deel is van uw wezen. En ge kunt niets beleven dat niet werkelijk behoort bij uw “ik”, bij uw persoonlijkheid. U bent deel van God. God is het licht, dat in je brandt en daaraan kun je niets veranderen. De lamp is zinloos zonder de brandstof die haar tot bron van licht maakt. Wij zijn zinloos zonder de kracht, die ons beweegt. Vanuit het tijdloze, waarin ons werkelijk “ik” bestaat.

Ik vrees dat ik voor velen van u te abstract ben. Maar wat heeft het voor zin te spreken in mooie gebeden, welgevormde woorden. Kunt ge een antwoord in uzelf ervaren op wat ik zeg? Kunt ge aanvaarden dat wat u gebeurt, en wat er gaat gebeuren, en wat er is gebeurd, alles deel is van een groot geheel, van uw werkelijk wezen en dat door dat werkelijk wezen God zich openbaart?

Dan is een verder begrip overbodig. Dan zeg ik u, wanneer ge niet beseft, kan ik met alle woorden en alle dichterlijke beelden, met alle bezieling niets veranderen. Dat is het wonderbaarlijke, wanneer je denkt over God. Wanneer je denkt over God moet je denken over jezelf. Als je denkt over jezelf, dan moet je over jezelf denken in een aanvaarding van al wat je bent geweest en wat je zijn zult, tot de banden van alle tijd, de krachten van alle tijd en het licht van alle tijd samen die ene vlam zijn, de werkelijkheid, die ook vandaag door u schijnt.

Geloof mij, ik heb veel onderzocht. Ik heb goden gediend op planeten, waar het leven monsterlijk en onwaarschijnlijk lijkt. Ik heb goden gediend op aarde en – al is het volgens uw tijd nog niet voltooid – ik zal nog meegaan met een grootse leraar om een leer te brengen, die dicht voor de voltooiing van deze aarde, althans deze mensheid, staat. Ik weet veel. En ik kan het niet anders uitdrukken dan; wat is, is. Wat is, is uit God. Wat God is, en wat uit God is, moeten wij erkennen als Licht. Dit Licht moeten wij erkennen in aanvaarding. Wij moeten ons leven niet vormen volgens dat wat een wereld of een denkwijze buiten ons verlangt. Wij moeten antwoorden op dat wat wij zijn. Nu. Wij moeten de kracht erkennen die wij betekenen. Nu. Wij moeten zo bewust vervullen wat wij zijn. Nu.

Alleen dan hebben wij waarlijk en bewust deel aan de eeuwigheid. Ge kunt mij geloven en ge kunt het verwerpen, maar als het nutteloos is geweest en wanneer het doel dat God heeft met. deze bijeenkomst, die geheimzinnige lichtkracht, die ik ook niet verder ken, die mij beweegt en die de bron is van mijn wezen, in u een begrip van deze woorden vergt, en ge begrijpt ze niet, dan zal oneindig ditzelfde zich herhalen en zult ge in dromen en in sferen, misschien in een werkelijk leven terugkeren, totdat ge beantwoord hebt aan het beeld dat ge zijt, daar waar geen tijd is.

Daarom kan ik volstaan met dit alles. En is het niet nodig om meer te spreken. Licht zijt ge. Dat God in u is. Lamp zijt ge, opdat ge het middel zijt, waardoor het ongekende tot Licht worde. Eeuwig zijt ge, al leeft ge in de tijd, omdat uw wezen tijdloos is. En al deze dingen die nu tijd lijken, zullen eens gelijktijdig zijn, zonder herinnering of verwachting, maar in voile erkenning. En wanneer ge zover zijt, zult ge zeggen: Ziet, dit is God voor mij.

image_pdf