Esoterie van de Upanishads

14 oktober 1957

Ik ben geen deskundige op dat terrein. Ik kan u het een en ander vertellen over de Upanishads, maar in hun wezen doordringen ligt buiten mijn vermogen. Nu hebben wij getracht ‑ en zijn er ook in geslaagd ‑ om assistentie te verkrijgen. Een spreker zal deze avond mij goedwillend terzijde staan. Het is Sri Bhaganawata, een leraar op geestelijk terrein, Brahmaan van afstamming, die hier dan gebruik zal maken van het medium met de hulp van ondergetekende.

Voordat we daartoe overgaan, moeten we toch wel even trachten een paar punten vast te stellen. Het eerste punt is dit: Wanneer wij al deze oosterse geschriften en gedichten bekijken, denken we heel vaak dat alles op hetzelfde plan staat. Er zijn dan ook velen, die onbewust bv. de Mahabharata en de Bhagavad Gita onderbrengen in dezelfde klasse als de Upanishads. Maar dat is niet waar. De Upanishads zijn Shruti, d.w.z. openbaring. Al het andere Shraddha oftewel verklaring aan de hand van heiligen, heldenlegenden e.d. Er is hier dus een systeem gevolgd. Een systeem dat een gehele godenleer, een scheppings‑chronologie en dergelijke bevat.

De exoterische uitleg daarvan is een onderverdeling van het hele Al in een reeks van afzonderlijke functies en het stellen van gedragslijnen ook voor de mens. Er wordt hier de wenselijkheid van sociale indelingen, maar ook van handelingen naar voren gebracht. Achter al deze lessen echter schuilt de esoterische uitleg, die het innerlijke wezen behelst van de Upanishads. Natuurlijk bestaat een dergelijke esoterische uitleg ook voor al die andere geschriften. Maar wanneer we bij de andere geschriften teruggaan tot de kern, dan komen we eigenaardig genoeg weer op de Upanishads terecht.

Wanneer u zo dadelijk te maken krijgt met onze gast, zou ik u willen verzoeken om een paar punten even te onthouden. Een spreken over voorschriften e.d. op een redelijke, westers redelijke  manier is natuurlijk daar niet mogelijk. Het gaat om de lering, die hijzelf in vele jaren van zoeken, leven en werken heeft gevonden en die ook terug te voeren is op deze Upanishads.

Dan wil ik nu dus aan de heer leraar zijn functie overgeven, de functie van spreker.

De grote waarheden zijn verborgen voor hen, die niet weten. Al gaat men tot de hoogste wereld en de hoogste hemel, dan nog kan men daar slechts vinden, wat men zelf bezit. Dit zullen wij altijd moeten onthouden, indien wij willen streven naar het juiste pad, naar de juiste weg.

Men zoekt een goeroe, een meester. En men zal die meester vinden, wanneer de tijd is voorbestemd, niet eerder. Want eenieder zal de weg moeten gaan, die door zijn karma wordt bepaald. De grote wetten van oorzaak en gevolg regeren de wereld maar ook het leven van de mens. Wie het noodlot heeft gebracht tot een krijgsman‑bestaan, zal eerst dit bloedig leven moeten afwerken, voordat misschien het licht wordt gegeven voor een grotere en betere weg.

Wie aan de wetenschap verknocht is, zal in de uiterlijke wereld en begooche­ling ondergaan tot het ogenblik, dat hij bevrijd voor het eerst de nieuwe kracht, de nieuwe lering in zich mag ontvangen. Wanneer echter karma toelaat dat men bewustzijn zoekt, kan men doordringen in de innerlijke betekenis van de grote leerstellingen, de grote waarden.

De grote koningin, de begoocheling, regeert de wereld. Die wereld bestaat uit vele voorstellingen die alle voor zich waan zijn. Boven dit alles ligt God of een goddelijke uiting. Brahma. Maar ook Deze is deel van de begoocheling, is deel van de waan. Slechts het leven, het leven zelf zonder verschijnsel, is werkelijkheid.

Wie naar werkelijkheid zoekt, tracht te ontvluchten aan een wereld, die onbegrijpelijk en zwaar is. Toch zal hem geleerd worden dat het lot niet te ontgaan is. Slechts wie in zich weten bezit, kan ontvluchten aan het gekende. Wie uiteindelijk alle wereld kan ontvluchten en opstijgen in zalige verrukking naar vormloze wereld en intens bestaan, heeft eigenlijk slechts één sluier verscheurd. En er zijn er zeven.

De leer is de leer van het bewustzijn; het bewustzijn dat gelijktijdig begoocheling is en werkelijkheid. In de waan vertonen zich de machten die ons lot regeren in vele verschillende vormen. Wij kennen de Schepper naast de Vernietiger. Het aspect van de Vernietiger is tevens de vruchtbaarheid. Men vergeet dit vaak. Men begrijpt niet, hoe alle dingen in wezen één zijn en slechts uiting van één en hetzelfde: het levende, de wereld‑adem, die de enige werkelijkheid is.

Wanneer gij voor een korte tijd misschien mijn leringen wilt toehoren, zal ik trachten duidelijk te maken, wat in onze leer ‑ maar ook in ons geloof ‑ de werkelijkheid betekent. Werkelijk zijt niet gij. Gij zijt gebonden door uw begeerten en uw gedachten. Gij zijt beperkt. Wanneer het oor slechts één taal verstaat en er zijn er duizend op een wereld, hoe arm zijt ge dan. Wanneer de mond niet spreekt, kunnen anderen niet begrijpen. De waarheid kan niet in deze dingen zijn. Zij zijn geen werkelijkheid. De werkelijkheid is in alle dingen gelijk.

Men zegt: Er bestaat liefde. Ook liefde, die geen hartstocht is. Men meent dat deze werkelijk bestaat. Maar ik zeg u: Geen werkelijkheid is dit. Werkelijk is alleen het leven. Niet de liefde, niet de haat. Wanneer het rad der wereld wentelt, zoevend als een mes-schijf, die een vijand zoekt, dan meent ge, dat deze wereld werkelijk bestaat. Maar werkelijkheid is onveranderlijk. De werkelijkheid toont zich aan ons niet; ze is niet voorstelbaar en niet kenbaar. Daarom zoek niet naar de eerste oorzaak. Want de eerste oorzaak kunt ge niet kennen in werkelijkheid; als waan echter beheerst zij u op onvoorstelbare wijze.

Neem dan het “woord‑symbool.” Het symbool van de krachten, die gij kent. Noem ze goden, noem ze krachten. Kracht met kracht huwt zich en baart gevolg En ziet, het gevolg wordt volwassen en is oorzaak. Zo worden de goden geboren. Maar zij zijn uiting van levende krachten, zichzelf gelijk tot het ogenblik dat wij aan hen ontvluchten.

Goden blijven wat zij zijn. En kinderen blijven wat zij zijn: jong, schoon, onverantwoordelijk. Demonische, spelende krachten, die de mens verklaren moeten waarom hij leeft, waarom zijn leven een inhoud heeft. Maar achter deze krachten schuilt erkenning der waarheid.

Wanneer ik zeg: Shiva ‑ en ik bedoel: Vernietiger ‑ dan bedoel ik ook: Brahma, Schepper. Want vernietiging en schepping zijn hetzelfde. Het scheppen is de uiting van het weten; het scheppen is de uiting van het gevoel van de Meesterlijke Schepper. Maar het is ook de weergave van de werkelijkheid des levens in de vorm, die voor ons slechts een luchtspiegeling is.

Men heeft mij gevraagd u te spreken over de zeer heilige geschriften. Maar wat kan ik u van geschriften zeggen, die zelf deel zijn van de waan? Indien de mens immers één wereld verlaat en een tweede wereld betreedt, zo vindt hij niet werkelijkheid, maar slechts een andere waan. Alle openbaring wordt in de mens tot waan. Alle waan wordt in het leven zelf werkelijkheid.

Gij zult u afvragen: Wat is de weg om deze werkelijkheid te ontmoeten? Ik kan u slechts zeggen: Hij ligt in u. Een inkeer tot het leven in uzelf, dat is de enige weg. Goden zijn niet, demonen zijn niet, aarde is niet, onderwereld bestaat niet, hemel is een zoete droom. Werkelijk is alleen het leven en niets dan het leven.

Het leven ligt in ons. In onszelf kunnen wij het kennen. Wanneer wij een weg zoeken, is dat nooit een weg naar de werkelijkheid. Het is slechts een poging om het voor onszelf mogelijk te maken die werkelijkheid beter te aanvaarden en te begrijpen.

Men begint met het lichaam. Men traint de geest. Maar ach, er zijn andere wegen. De weg van de zoete vlucht uit de werkelijkheid leidt tot hetzelfde doel. Al wat gij bestreeft in geestelijk opzicht, wat gij zoekt in stoffelijk opzicht, kan alleen betekenis gewinnen, indien men begrijpt dat zelfs boven de wereldziel ‑ de kracht der eeuwen ‑ één leven en één werkelijkheid bestaat.

Het is moeilijk om hier een waarheid te spreken, die voor eenieder aanvaardbaar is. Want een waarheid kan niet verworpen of aanvaard worden. Maar slechts gevonden in het eigen hart. Begrijp dit wel: de kern van de openbaring, de leer van het geloof is niet de weg tot de werkelijkheid maar de weg tot uzelf.

Zo vrienden. Dit is dan de inhoud van een leer. Een beetje anders misschien dan u het zich heeft voorgesteld. De uitdrukking is sterk Oosters. Het is een werkelijkheidsontkenning. En ik geloof dan ook, dat dit wel het kernpunt zal worden van onze discussie van deze avond, van onze besprekin­gen, van onze pogingen om een verklaring te krijgen.

Kan echter een leer, die zo uitnemend zuiver een beeld ontwerpt tot zelfs van de geboorte der werelden toe, een leer, die berust op openbaring, op goddelijke waarheid, gelijktijdig in zich dragen de absolute ontkenning van al die dingen? Het lijkt voor ons ‑ met onze meer westerse gedachtegang een klein beetje overdreven, een klein beetje dwaas. En je moet er heel lang over nadenken, voor je erachter kunt komen, wat hier nu eigenlijk de bedoeling is. Waarom, zo vraag je je af, zo’n uitgebreide openbaring, zo’n complete stamlijst a.h.w. van alle dingen met hun oorsprong, hun wijze van geboorte en de krachten, die erin hebben samengewerkt? Ik meen ‑ en‑ nu spreek ik dus een mening uit, die ik eigenlijk, terwijl ik spreek, moet toetsen aan onze Geachte gast van vanavond ‑ ik meen dat het een poging is geweest om een uiterlijke verklaring te geven voor de feiten, die we nodig hebben.

Een mens heeft een houvast nodig. En of dat houvast nu is uitgedrukt in een reeks van goden, in een reeks van verhalen en leringen, of dat het vaag blijft, dat is voor de waarheid misschien gelijk, maar voor de mens niet. De mens moet trachten om een volledige inhoud te krijgen van zijn eigen wezen. En die vindt hij, wanneer hij houvast heeft aan de dingen; wanneer hij iets heeft, waarheen hij zich richten kan.

Het is erg goed te spreken over de godin van al het geborene en wat dies meer zij, maar wij zitten met een toestand, die waan mag zijn ‑ dat geloven we graag ‑ maar die voor ons toch ‑ op zijn minst genomen ‑ voelbaar reëel is. Het is waarschijnlijk daarom dat de essence, die de oosterling puurt uit deze geschriften, voor ons een klein beetje duister, vaag of zelfs onaanvaardbaar kan blijven.

Wij hebben natuurlijk maar één doel en dat moeten we goed voor ogen hou­den: te leren ‑ niet zozeer wat de oorsprong en de inhoud van de Upanishads is ‑ maar wat de achtergrond is van het denken. Dat is het doel van onze avond. Waarom schijnt deze esoterie, deze verborgen leer eigenlijk a.h.w. op het niets uit te lopen?

Ik meen dat ik hier mag zeggen: De oosterling is in staat om alle dingen achter zich te laten. Hij kan vluchten in een beschouwing, waarbij hij volledig van de wereld is afgezonderd; een trancetoestand, die alle werkelijkheid verwerpt. Daar ruilt hij dan zijn denken a.h.w. in voor zijn gevoelen, voor zijn ervaren. En dit gevoelen, dit ervaren ‑ mits op de juiste wijze opgewekt en geleid ‑ kan op de duur een veel grotere hoeveelheid van bewustwording tot stand brengen dan zonder dat mogelijk zou zijn.

Om nu deze innerlijke vlucht naar het hogere, deze gevoelsbeleving van het hogere mogelijk te maken, moet het noodzakelijk geweest zijn om alles zijn plaats te geven; om het stoffelijk leven enerzijds vrij te laten, anderzijds, echter ook weer een buitengewoon scherpe begrenzing te geven. Die begrenzing heeft men gevonden in een sociaal stelsel, de kastenmaatschappij; daarnaast in een stellen van grondvoorwaarden voor het leven met allerhande uitwijkmogelijkheden.

Wanneer wij die godenverhalen nagaan, wanneer wij de lessen nagaan, die in sommige van die geschriften zijn vastgelegd, dan stuiten we op het voor de westerling misschien wat vreemde denken, dat zegt dat de functie waarvoor je geboren bent, in de eerste plaats moet worden volbracht ‑ ongeacht de wijze waarop.

Het klinkt haast een beetje jezuïtisch. Ik hoop, dat ik niemand beledig daarmee, maar er zit iets in van een redenering: het doel heiligt de midde­len te allen tijde. Voor ons misschien zeer vreemd. Maar we moeten goed be­grijpen dat deze hele leer probeert om de mens een stoffelijk verzadigings­punt te geven, waardoor het hem mogelijk wordt zich evenzeer stoffelijk te onttrekken aan wat men begoocheling noemt. En heeft men die begoocheling dan eenmaal verlaten, dan komt men tot het gevoelen van een werkelijkheid, die niet uitspreekbaar is. Dit is het onuitspreekbare van de werkelijkheid, die achter deze dingen ligt, die hem zo vaag doet blijven.

De verhalen, de leerstellingen, die soms zo fraai dichterlijk zelfs zijn weergegeven, betekenen voor ons eigenlijk niets anders dan een begrenzen van een vlak. Je zou het zo kunnen zeggen: Wanneer wij voor de noodzaak staan om Niets uit te drukken, een stuk Niets, dan kunnen we dat niet in de ruimte zien. We kunnen wel een hokje trekken, waar niets in staat; dan wordt ons het idee “niets” duidelijk door de begrenzing. Zo zien de Upanishads in de eerste plaats een begrenzing van het stoffelijk bestaan van het geloofs‑ en voorstellingsleven van de mens. Dus een poging om hem uit een wereld van fantasie terug te trekken tot een aanvoelen van de dingen. En daar is het ook niet meer belangrijk op welke wijze en welke goden je dient. Het is alleen belangrijk, dat je in die dienst voor jezelf dit contact, deze eenheid bereikt, die noodzakelijk schijnt te zijn voor het beleven van die grote werkelijkheid volgens deze leer.

Ik kan er verder op het ogenblik niet erg veel meer over zeggen. Wanneer u de lessen van mijn voorganger werkelijk in u hebt kunnen opnemen, misschien zelfs iets hebt kunnen voelen, dan geloof ik toch, dat u deze avond het volle pond hebt gekregen, zij het misschien een beetje anders dan u denkt.

Ik zou zeggen: laat ons nu pauzeren. En daarna zou ik het prettig vinden, wanneer u vragen wilt stellen dan mag u die natuurlijk stellen over citaten van de Upanishads, u mag ze stellen over de oorsprong e.d. Maar ik geloof dat de belangrijkste vragen niet liggen in die richting. Ik geloof dat de belangrijkste vragen zullen liggen in de richting van overeenkomst, gelijke grondwaarde met andere geloofsvormen. En gelijktijdig ook misschien in een begrip omtrent de functie van de godsvoorstelling, de reeks van goden (zelfs van halfgoden en helden), die als voorbeeld dienen, als voorgevel, als begrenzing van een werkelijkheidsbegrip, dat m.i. het westerse vaak te boven gaat.

Vragen

  • Hoe verklaart U de indeling in “kasten”? Is dat geen ontkenning van Uw ontkennen, daar wij toch allen kinderen van dezelfde Vader zijn?

Ja. De kasten‑indeling is natuurlijk gebaseerd op een geloof in karmische werking. De Brahmaan is de “tweemaal geborene.” Dat wil zeggen, degene, die wijsheid heeft opgedaan in vorige bestaansvormen en zo behoren kan tot de elite, de geestelijke upper ten van zijn huidig bestaan. De daaronder liggende kaste, de soldaat, de handelsman en de boer, zijn eigenlijk elkaar aanvullende kasten, waarbij zelfs in enkele gevallen – niet in alle ‑ een overgang van de ene naar de andere kaste mogelijk is. Dat zijn overigens uitzonderingsgevallen en bij het straffer worden van deze sociale indeling is dat meestal achterwege gebleven.

De stellingen gaan niet direct tegen de onze in, maar ze berusten toch wel op een heel andere interpretatie, dan wij kennen. Zoals u weet, is ons eigen standpunt in de eerste plaats: een bewust werken op aarde. Wij gaan daarbij uit van de individuele bewustwording, die op de duur een kosmische bewustwording mogelijk maakt en in zich begrijpt. Wij menen dat de geest in de stof zijn ervaringen moet opdoen en dat deze ervaringen door het individu zelf geleid kunnen worden; dus in hun waarde en betekenis binnen hun leven bepaald worden.

Dit ligt niet in het geloof dat wij besproken hebben vanavond. Integendeel. Hier gelooft men, dat geestelijke factoren geheel en al bepalend zullen zijn voor het stoffelijk leven dat men doormaakte. Daarom is er helemaal geen strijdigheid tussen “allen kinderen van één Vader” en kasten‑systeem. Wij zijn natuurlijk allen kinderen van één Vader, zo zal men daar redeneren; maar aangezien die Vader de kasten heeft geschapen, opdat door het werk der lagere kasten de hogere kasten een snellere bewustwording kunnen doormaken, meent men daarmee volkomen de vraag te hebben beantwoord.

Wij als Orde, als groep dus ‑ dat mag ik hier dan met nadruk zeggen ‑ ontkennen elke volledige lotsgebondenheid. Wij erkennen echter een lotsbeperking binnen welke wij onze ervaringen opdoen.

Dan is er nog een punt dat voor het kasten‑systeem wel heel erg bevorderlijk is geweest. Een groot gedeelte van het volk be­staat uit analfabeten. Er zijn dus mensen nodig, die kunnen schrijven, die kunnen verklaren, die kunnen studeren. Die dus schrift beheersen, kunnen lezen, etc. De hogere stand heeft oorspronkelijk alleen deze be­stemming vervuld. Later hebben de veranderingen, o.a. door de herhaal­de veroveringen van Azië, op de duur een wijziging daarin gebracht. Ook de Brahmaan had zijn taak in de normale samenleving; en hij begon soms zelfs op te treden als partner van anderen van een hogere kaste. In de vier grondkasten, die ik heb aangestipt, bestaan nl. nog weer onderverdelingen.

Degenen, die zich niet houden aan de kaste‑wet, worden uitge­stoten uit de kasten en komen daarbij bij diegenen, van wie men aanneemt, dat zij pas uit dieren tot mens zijn geworden, die evenzeer kasteloos zijn.

Op hetzelfde systeem van denken berust ook de heiligheid van sommige dieren, Een aap kan heilig zijn; een koe kan heilig zijn, enz. enz. Dit ligt ook in verband met dit geloof dus aan reïncarnatie en het geloof aan een goddelijke wil, die een lot bepaalt en een bepaalde functie oplegt. Ik geloof, dat ik hiermee dus het verschil tussen ons standpunt en hetgeen hier naar voren werd gebracht, duidelijk heb gemaakt.

Kunt U aan deze kaste-inde­ling ook koppelen de beginselen van veroveraar en veroverde?

Historisch zou het misschien wel mogelijk zijn, maar religieus lijkt me dat niet erg aanvaardbaar. Want in de kaste‑bepaling volgens het ge­loof is de verdienste bepalend voor de wijze, waarop men in een kaste leeft, in welke kaste men leeft en welke taak men binnen die kaste toe­bedeeld krijgt plus het verdere lot. Dit is dus religieus. Wij kunnen daarbij zeggen, dat de scherpere scheiding van de kasten o.a. mee sterk beïnvloed werd door het spel van kleine vorsten met hun herhaalde oorlogen.

Dat speelt zich dan ongeveer af van ‑ schattingsgewijs ‑ 4 à 500 v. Chr­. tot ongeveer 1000 na Christus’ geboorte. In deze periode zijn die oorlo­gen sterk bepalend geweest voor de vorm, die het sociaal leven heeft aan­genomen. Maar dit had m.i. nooit zo kunnen groeien, als er niet reeds een religieuze achtergrond geweest was, waartegen dit en deze scherpe kas­te‑scheiding ook kon worden opgebouwd.

  • Gaat men op het ogenblik in India niet tegen het kastesysteem in?

Ja. Men gaat daartegen in, maar slechts in beperkte mate. De westerling zal het niet begrijpen. Het kaste‑systeem was buitengewoon hinderlijk voor de ontwikkeling van volk en land door de vele taboes, die eraan vastza­ten. Voorbeeld: Een Brahmaan eet. Er komt iemand van een lagere kaste voorbij, diens schaduw, valt op het voedsel, het is niet bruikbaar meer, enz. Deze vooroordelen ‑ want dat zijn zo natuurlijk ‑ dit heilig‑zijn in je kaste, dat probeert men te ver te drijven. Maar men moet niet denken dat men ooit in staat zal zijn in India of waar dan ook een bestaand kas­te‑systeem geheel teniet te doen, Want de religieuze achtergrond, waaraan we niet kunnen ontkomen, stelt nu eenmaal dat je kaste een bepaling is van je lot, van je karma. Dat je dit op de een of andere manier zelf verdiend hebt en als zodanig dus dit lot moet volbrengen. Ik geloof dat men er nooit toe zal kunnen komen om dus de kaste‑onderscheidingen ge­heel af te werpen. Ook meen ik dat zelfs onder de huidige condities meer dan de westerling zich voorstelt, rekening wordt gehouden met de kaste van iemand die men een bepaalde functie of taak opdringt.

  • Heb ik het goed begrepen, dat het zo is dat die lagere kaste ‑ dus niet de in het leven tweemaal‑geborene, de Brahmaan ‑ dat die dus nooit, tot een bewustzijnsontwikkeling kan komen waardoor hij gelijk staat aan die van de Brahmanen; m.a.w. dat ze gepredisponeerd zijn om tot een zekere hoogte of een zekere bewustzijnsverdieping te komen maar niet verder, zodat ze ook nooit in die zin de tweemaal‑geborene in de geest kunnen worden. Is dat juist?

Ja, dat is juist volgens de volksopvatting. Volgens de geloofsopvatting niet, waar het mogelijk is bv. door heldendaden, buitengewone opoffering of geestelijke bereiking ‑ dus overpeinzingen, geestelijk werk e.d. ‑ van kaste te veranderen. Maar zoals reeds gezegd, dat is een theoretische mogelijkheid, die hoofdzakelijk is vastgelopen in de tijden toen al die vorsten met elkaar oorlogen voerden; en… ja dat eigenlijk de positie van de kasten zozeer ook bepalend was voor de sociale verplichtingen dat men een overgang van de ene kaste naar de andere praktisch niet erkende. Dat is wel het geval bij sommigen heiligen, de zgn. heilige mannen, dus de grote leermeesters, die ook, wanneer ze uit een lagere kaste voortkwamen, mits ‑ en daar krijgen we weer het eigenaardige ‑ mits door een meester van hogere kaste voorgesteld, gerechtigd waren, indien ze dit wensten, een hoger kaste‑merk aan te brengen en zich te gedragen als lid van die kaste. Dus het is niet een volledige afzondering in het geloof. Wel in het sociaal gebruik.

  • Maar ik wou nog even dit punt belicht zien: is het volgens die opvatting niet mogelijk, dat bv. een shudra (een landbouwer), tot het bewustzijnspeil van een kshatriya (het krijgsvolk) rijst?

Ja. Dat heb ik juist geprobeerd duidelijk te maken. Kijkt u eens, wanneer de boer dus, goed boer zijnde ‑ dat is een eerste vereiste ‑ door de omstandigheden van zijn karma leert een even goed krijgsman te zijn, dan kan hij volgens de theorie in de krijgsmansstand, aanvaard worden, hierbin­nen huwen, kortom alle rechten van de krijgsmans‑kaste genieten. Hij kan ook in de koopmansstand terecht komen. Maar dit wordt over het algemeen niet zo snel mogelijk gemaakt. De kaste zelf is, en was er zeer op bedacht haar exclusiviteit zoveel mogelijk te bewaren. En dat heeft natuurlijk die tegenstelling verscherpt en verdiept en heeft een afwijzende houding ver­oorzaakt bij praktisch allen ‑ enkelen van de besten uitgesloten ‑ wanneer er iemand uit een lagere kaste dus een hogere kaste wilde binnendringen. Het is ook opvallend dat zelfs de grote leraren bv. uit de laat­ste tijd, zoals de hervormer Gandhi, altijd toch hun eigen kaste hebben. Ze gaan wel met andere kasten als gelijken om, maar vanuit hun hoog kaste bewustzijn kunnen zij dit doen. Ze kunnen wel naar beneden gaan, wanneer zij dat willen en toch zichzelf blijven. Maar dat het ook omgekeerd kan zijn wordt door veel van zijn volgelingen nog verworpen. Dat is zeer opvallend

  • Maar het is toch in werkelijkheid ‑ laten we nu eens even los zijn van het kastestelsel‑begrip van de Hindoes – laten we nu aannemen een shudra, die werkelijk een man is met zo’n buitengewoon geestelijke aanleg, dat hij inderdaad laten we zeggen van Uw standpunt uit gezien, een hoog­ geestelijk standpunt aanneemt. Wordt die mogelijkheid erkend bij de Hindoes?

Zoals ik heb geprobeerd u reeds tweemaal duidelijk te maken: theore­tisch wordt deze mogelijkheid erkend, praktisch niet. Wat ons eigen stand­punt betreft: wij stellen dat eenieder, die in zijn leven zo intens kan leven en denken en zoeken, dat zijn bewustzijn verhoogd wordt, binnen dit leven geldt als een wedergeborene. Want het leven, de totale tendens van leven, de mogelijkheden van dit leven ‑ geestelijk en stoffelijk ‑ verande­ren dan, evenals de uitingen. Praktisch nemen wij aan dat dit in één, twee, ten hoogste driemaal gebeurt; in  theorie is deze mogelijk­heid onbeperkt. Deze mogelijkheid is echter in het Hindoe‑geloof niet zo vastgelegd, ofschoon deze mogelijkheid wel vaag wordt aangeduid. U ziet, met een beetje geduld komt u toch alles te weten wat u weten wilt.

  • Is het juist dat de Upanishads de basis zijn voor al het Indische denken? Zo ja, wat zijn de punten in de Upanishads, die tot afscheiding van het Boeddhisme aanleiding hebben gegeven?

Ja, een basis zijn ze ongetwijfeld. Welke punten aanleiding hebben gegeven tot de afscheiding? Dezelfde punten, waar wij zo-even over hebben zitten praten. Het feit dus dat men door verlichting, ontkenning a.h.w. van de begoocheling, kan komen tot een bewustzijn, dat volledig staat buiten het kaste‑stelsel en dat het mogelijk maakt onmiddellijk op te gaan in een speciale vorm van bestaan, die niet meer het noodlot kent, zoals dat zich op aarde uitwerkt. Waarbij karma dus niet meer bestaand is en het wezen als zodanig een eenheid vormt met de wereldziel. Het is dit punt geweest, dat de boeddhistische openbaring mogelijk maakte en voortzette.

Laten we echter niet vergeten, dat er Boeddha’s voorkwamen voor het Boeddhisme bestond en als zodanig de boeddhistische leerstelling moet worden gezien als een hernieuwde openbaring; vergelijkenderwijze sprekend als het Oude en het Nieuwe Testament. In het Nieuwe Testament wordt veel verworpen wat in het Oude Testament staat; d.w.z. het wordt vervangen door nieuwe waarden. Ook hier is dat gebeurd. De basis, de geloofsbasis, was dezelfde, maar de wijze van interpretatie verandert naarmate de be­wustzijnsmogelijkheden van de mens veranderen. Op deze wijze is het Boeddhisme a.h.w. een hernieuwing van een geloof dat in formalisme is vast­gelopen; en zelfs niet eenmaal, maar meermalen, want er zijn nl. drie soortgelijke revoluties en geloofsafscheidingen geweest in het Hindoeïsme. En het is dan misschien interessant hierbij aan te stippen, dat ook de Boeddha het kastensysteem als stoffelijke begrenzing verwierp, maar ge­lijktijdig dit geestelijk weer scherp vastlegde o.a. in zijn verklaring om­trent de verschillende mogelijkheden van het Pad.

  • Mag ik nog even iets vragen naar aanleiding van hetgeen gezegd is? U weet dat verhaal van Krishna, die danste met de Gopis. Hier hebben we dan toch een vereenzelviging van het allerhoogste, van het liefdesbeginsel met verschillende… ja, laten we zeggen, de meisjes van de landbouw. Hier is het idee van die eenwording wel degelijk niet tot een kaste beperkt. Met andere woorden; men zou het kunnen zien als een aantasting van het Brahmanen‑privilege.

Nu, dat is niet helemaal juist, zoals u het stelt. Laten we niet vergeten dat de handelingen der goden buiten de wet van de mensen staan. Wanneer u zich de moeite getroost ‑ en dat hoeft u niet alleen in het verhaal van Krishna na te gaan, maar u kunt daarvoor alle godengeschie­denissen nagaan ‑ dan zult u ontdekken, dat heel veel dingen daar ge­beuren, die bij de mensen ten sterkste verboden of afgekeurd zijn. Maar laat ons niet vergeten dat die godenwereld het symbool is. Het is erg jammer, dat onze deskundige niet aanwezig is, die had U dat waarschijn­lijk nog gemakkelijker duidelijk kunnen maken dan ik. Maar stelt u het eens zo: Krishna is het liefde‑beginsel; maar het liefde‑beginsel is in zijn uiting anders van geaardheid dan men zich dat in het Westen realiseert. De liefde is tevens een scheppingsbeginsel. Het fallisme dat we daar tegenkomen, is dan ook niet een uiting van zinnelijkheid of zoiets. Het is een uiting van een geloof in de vruchtbaarheid op zichzelf als een scheppende werking, Krishna, de dansende, de fluit spelende Krishna is als zodanig het vreugdige scheppingsprincipe. En dit zoekt natuurlijk zijn contacten zo dicht mogelijk bij de aarde; met andere woorden juist bij hen en onder de wezens die het dichtst in contact staan met het schep­pende werken der aarde zelf.

  • De Gopis.

Nu ja, goed, geeft u dat maar een naam. Het is nl. hetzelfde als bij de godin die gelijktijdig in zichzelf godin is godin van de dood én van de vruchtbaarheid ‑ maar bovendien weer het scheppend principe uit Shiva. Kali in haar twee vormen. Goed, wanneer u dit zo oppervlakkig beziet dan zegt u: Ja, het is eigenlijk wel erg vreemd. Gelijktijdig een vruchtbaarheidsdienst aan de ene kant en aan de andere kant een doodsdienst, een vernietigingsdienst. Schepping en vernietiging in één wezen. En wanneer we dat weer gaan bekijken, dan is dit weer een deel van de Vernietiger, die op zichzelf weer deel is van de Instandhouder.

Het wordt uitermate ingewikkeld wanneer je dat wilt gaan zien in praktische relaties. Mythologisch is dit absoluut dwaas. Maar bekeken vanuit het esoterisch standpunt ‑ en nu moet u me niet kwalijk nemen dat ik ondertussen even informatie heb gehaald, daarom praat ik er zo lang over ‑ vanuit het esoterisch standpunt ligt de zaak heel anders. Elke god en elke godin is een uiting van de grote God, van de scheppende Kracht. In elk ligt een functie. Die functie wordt verdeeld als een soort wortel – dus steeds zijtakken met andere functies ‑ waarbij, dan blijkt, dat de rondgebogen zijtak ‑twee functies heeft. Ofwel dat ‑ aannemende een cyclisch verschijnsel, dus eigenlijk een soort kringloop ‑ op dit punt dezelfde kracht scheppend en op dat punt vernietigend kan zijn. Dat houdt verder in, dat wat hier het hoogste is, daar tot het laagste wordt; dat wat hier hoog‑geestelijk is, gelijktijdig daar grof‑stoffelijk en dierlijk is. En deze tegenstelling komt u in de hele ontwikkeling van dit scheppings­verhaal met al zijn goden en hun relaties steeds weer tegen. Het is een voortdurende taakverdeling, waarbij de belangrijkheid aanmerkelijk verschilt. Krishna heeft hier de verlossersrol. Laten we dat niet vergeten. Hij is dus in zijn vreugdigheid gelijktijdig een bevrijding‑brengende kracht. En door deze bevrijding‑brengende kracht te zijn zal Krishna gelijktijdig de openbaring van het hoogste zijn ‑ maar niet in wijsheid die een afzonderlijke functie heeft, maar wel mede uit hem voortspruit ‑ terwijl hij aan de andere kant gelijktijdig de uitdrukking is van het laagste. Krishna is de uiting van de levenskracht, die in alle dingen gelijk is. Ik hoop dat ik het goed heb overgebracht.

  • Van de voortzetting, zouden we kunnen zeggen. Of is dit een verkeerde uitdrukking?

Nu, ik geloof, dat voortzetting hier verkeerdelijk is gebruikt, omdat er vanuit dit geloof ‑ dat moet u niet vergeten geen voortzetting is. Er is het zijn, dat in veel verschillende schijnvormen naar voren komt, die dan op zichzelf weer verschillende graden van kan uitmaken. Waarbij dan bovendien die eigenaardige uitspraak staat dat de kern van de waarheid gelijk is aan het uiterste van de waan. Met andere woorden, de waan ligt in zichzelf als waan onbegrepen, maar komt de waarheid (de kern van het bestaan) daarin tot uiting, dan is het waarheid. Dus door deze voortdurende uitspeling tegen elkaar van het volkomen onbegrip en het volkomen werkelijke (ook in de godenwereld) komen we vanzelf te staan op een punt, waar we zeggen: We kunnen hier niet spreken van een voortzet­ting. Er is sprake van een vermeerderde of verminderde realisatie van de werkelijkheid. En we kunnen dus geen enkele van de goden zien als een continuïteitsbegrip. Het is een eigenschapsvaststelling. Ik geloof dat we het zo toch beter kunnen zien.

  • Ik zou zeggen: Misschien is bij de goden alles mogelijk. We zien dat Zeus met zijn eigen dochter, met zijn eigen zuster trouwde. Dat is schering en inslag. Dat is daar heel gewoon en in het gewone leven wordt dat tot object van een drama, nietwaar.

Ja, goed. Maar nu moet u één ding niet vergeten. Men vindt het hier helemaal niet vreemd, als men in één apparatuur de werking van elektriciteit en van magnetisme samenbrengt. Wat zijn dat anders dan broer en zuster, of kinderen van één vader? Het zijn twee uitingsvormen van dezelf­de kracht. Maar gezamenlijk produceren ze iets dat weer anders is in ge­aardheid dan zij beide. Dus de verschijningsvorm van deze twee afgeleide­ krachten wordt een nieuwe kracht als uiting die wel te herleiden valt, maar in zich een zeer speciaal principe kan hebben. Ik geloof dat we daarmee altijd te veel vastlopen, wanneer we bezig zijn met mythologie. We denken dan aan goden als wezens, niet als symbolen van krachten. Daardoor zijn er zoveel dingen mogelijk in de godenwereld, die voor de mens niet mogelijk zijn en aanvaardbaar die voor de mens onaanvaardbaar zijn, enz.

  • Het scheppende en het vernietigende; heeft wat vernietigd wordt niet weer de scheppende kracht in zich? Wordt dat hier eigenlijk niet ver­geten?

Ja. In de esoterische leringen ‑ dus de achtergrond hier van de Upanishads ‑ wordt het zo uitgedrukt, dat het vernietigen in feite een herscheppen is. Omdat wat vernietigd wordt niet absoluut te gronde gaat, maar onmiddellijk herboren wordt in een andere gestalte. Zo is het een her­haling van de scheppende werking,

Ja, het is voor mij een beetje een lastige avond, omdat ik gelijktijdig eigenlijk het standpunt van de Orde zou willen verdedigen en verplicht ben om in de eerste plaats toe te lichten, hoe anderen over deze onderwerpen denken. Daarom is er misschien soms een zekere tweestrijd in mij t.o.v. wat ik nu precies wil zeggen.

  • Is er ook contact met Ufonen en zo ja, worden door hen deze be­schouwingen bevestigd of zijn er daar, waar zij vandaan komen, bredere, voor ons wellicht onbegrijpelijke gegevens en inzichten?

Laten we het zo stellen: Wie spreekt tot een blinde, kan niet een werkelijkheid raken, die niet reeds in de blinde bestaat. Wanneer wij spre­ken, zijn wij beperkt in onze mogelijkheden, zodat die beperking in zich al­leen gecompenseerd zou kunnen worden door een geestelijk aanvoelen, dat dan een woordbetekenis ver overtreft. Tot zover is het duidelijk, ja? Dat houdt in dat in feite alle geest het eens is met wat wij hier zeggen. Alleen dat onze zegswijze ‑ aangepast aan deze omstandigheden ‑ slechts een zeer beperkte en onvolledige weergave kan zijn van de waarheid, zoals die op een ander vlak bestaat. Dat is de feitelijke toestand. Ik zeg het expres algemeen.

Ik doe natuurlijk erg mijn best om u hier de achtergronden en de inhoud te laten zien en niet alleen in die overwegende stijl, die filo­sofische stijl, maar ook eigenlijk een beetje praktischer. Het is nu eenmaal zo dat ‑ ik zou haast zeggen ‑ wij uit het Westen, wij die westers hebben leren denken, altijd onmiddellijk een achtergrond moeten zien, die praktisch is, die voor ons regel kan worden die voor ons bruikbaar en verwerkbaar is. En hoe verder wij komen ‑ juist in deze esoterie ‑ hoe meer die werkelijkheid je dreigt te ontglippen. Esoterie is feitelijk een beleving, die op een zo totaal ander plan ligt, dat het normaal beleven, dat elke uitdrukking van het esoterische op zichzelf reeds gebrekkig wordt.

  • De werkelijkheid moet eigenlijk helemaal wegvallen.

Ja. Dat wil zeggen, we moeten leren om onze eigen werkelijkheid tijdelijk te verwisselen met een andere. Dat is eigenlijk de goede uitdruk­king. En het is misschien voor u vreemd, wanneer u ziet hoe deze Hindoes nog heden ten dage een goden‑systeem hebben, dat niet ettelijke honderden, maar ettelijke duizenden goden en godinnen telt. Dan zegt u: Waar is dat voor nodig? Voor een westers denkend mens geldt dit verwarrend. Het komt omdat u denkt in details, en niet begrijpt hoe dit geheel der goden een geheel kan worden voor elke mens, die in aanvoelen van deze totaliteit van krachten zichzelf een ogenblik verliest. En dan is het mogelijk in de aanbidding van elk facet toch het geheel te erkennen. Dat is iets wat men in het Westen wel eens uit het oog verliest. Ja, dat is eigenlijk een typisch verschijnsel. Het grote verschil tussen Oost en West.

  • Maar daarom is het toch ook mogelijk dat ze stenen beelden aan­bidden en daardoor toch een hogere bewustwording krijgen, omdat ze door het stenen beeld de Algeest zien of vinden?

Ik zou niet graag beweren, dat ze stenen beelden aanbidden.

  • Ik zeg ook niet dat de Hindoes dat doen, maar ze hebben toch veel stenen afbeeldingen.

Ongetwijfeld. Die hebben de Katholieken ook in hun kerken en die hadden de Indianen ook, nietwaar. Die kunnen we overal vinden. Maar is het vereren van een stenen beeld als symbool gelijk aan het aanbidden daar­ van?

  • Ik geloof dat ze altijd het symbool aanbidden.

Ja. Wanneer we de inhoud van het symbool niet kennen, dan is het dwaasheid. Maar kennen we de inhoud van het symbool, dan is onze verering niets anders dan een uitdrukking van eerbied, maar tevens van vereenzelviging met het symbool.

  • Het leeft.

Neen, Niet “het leeft.” Dat kan een god voor ons ook doen in ons voorstellingsvermogen”.

  • In het beeld dat zij zich vormen, leeft de gedachte, die voor hen vorm aanneemt.

Ja. Het is een betrekken van het Goddelijke in het symbool en in je eigen leven. Ik zal een voorbeeld geven: Er was ergens een schrijn van Shiva of van Krishna (daar hebben we het net over gehad). Er speelt een kind op straat. Dat kind houdt zich helemaal niet bezig met goden op de manier waarop u dat doet. Op een gegeven ogenblik neemt het een stukje citroenschil of wat anders en gaat het aan de God brengen ‑ voor het geval de God dorst zou hebben. Dan zegt u: Dat is een soort primitieve afgoderij. Het kan zijn. Maar in de meeste gevallen is het dat niet. Want wat is Krishna? Krishna is het symbool van de levensvreugde, de levenskracht, de bevrijding a.h.w. in het leven. En door deze Krishna een offer te brengen zal dit knaapje niet die God of dat beeld willen spijzigen, maar a.h.w. een honger naar geluk, die het in zichzelf kent, willen vervullen. Hier komt dus een zuiver psychologische kwestie bij te pas. Nietwaar, de handeling, het kleine offer is niet het offer aan een afgod, maar een aanvulling van innerlijke kracht, waardoor a.h.w. het kind de vreugde verkrijgen die het tot op dat ogenblik slechts ten dele kende.

  • Door het weggeven van iets verhoogt het zichzelf.

Ja. Het offer krijgt een betekenis, die de westerling niet begrijpt.

  • Sommigen wel, Het komt in het Westen ook voor.

Sommigen, ja: Maar niet zozeer in deze zin.

  • Wat bedoelt U?

Ik bedoel: de vreugde van het geven, kent men wel; maar men kan zich niet voorstellen dat je dus iets geeft aan niets om door dit ver­armen van jezelf een verrijking voor jezelf en de wereld te bereiken. Dat is voor het Westen raadselachtig. Neem bv. de offers aan Kali en Shiva die meestal ‑ Kali in de vorm van Durga dan ‑ bestaan in de of­fers van een bok, een geit. Nu ja, die beesten wordt de hals afgeslagen. Dat is een bloederig, onplezierig schouwspel. En men kan niet be­grijpen waarom men die offers brengt wanneer men niet in die god gelooft als aan een soort demon. Toch zullen degenen, die de inhoud kennen van de leer, die offers ook kunnen brengen. Waarom doen ze dat? Omdat zij door te vernietigen de Vernietiger een nieuwe schepping mogelijk maken. Met andere woorden, hun offer is niet het vernietigen van een leven ten bate van een ander, maar het is het herscheppen. Daardoor zijn ook de wurgers‑sekten bv. nooit door de westerling helemaal begrepen. Ook niet waarom ze zelfs hun eigen indeling hadden. Je had de Wurgers, maar je had ook de lui die met gif werkten, je had de speciale grafdelvers, enz. Men kan zich dat niet indenken. Maar men begrijpt ook niet dat de achtergrond de volgende is: door aan Kali‑Durga ‑ degene dus die vernietigt ‑ een offer te brengen, wordt de scheppende Kali ‑ de vruchtbaarheid a.h.w. bevorderd, want zij krijgt bouwstof om edeler te bouwen dan er eerst was. Dat is de achtergrond. Het is daarom dat dergelijke gebruiken in een wereld, die heel wat minder over een mensenleven denkt dan de westerling, ook zo lang eigenlijk in stand konden blijven, ondanks het feit dat velen van de leden van de Orde ook tot de hoger bewusten hebben behoord. Maar die levensbeschouwing is geheel anders. En het verschil tussen dat oosters en dat wes­ters denken is alleen op een zeer hoog niveau uit te wissen. De methodiek van denken verschilt te veel.

  • Ik heb vroeger wel eens die Upanishads trachten te lezen. Ik ben meestal in het zand gelopen, doordat ze meditaties geven over het woord Om. En daar vullen ze hele bladzijden mee. Maar aan de andere kant ben ik wel eens heel mooie uitspraken tegengekomen, ook aan die verschillende Upanishads ontleend. En dan heb ik me er één kunnen her­inneren en heb die opgeschreven. Misschien is dat nog aanleiding voor U om daarop commentaar te geven? Het gaat over iemand, die zegt: ” know that perfect and infinite spirit who is like the sun after darkness; thus knowing him one overcomes death. There is no other road to liberation.”

Ja, kijk eens; bewustzijn, bewustwording betekent het wegvallen van de beperkingen van het leven. Maar in dit wegvallen van beperkingen moet je de kracht van het leven kunnen aanvaarden en accepteren. Dat is logisch. Deze kracht is oneindig. Dus dat is de potentie. Wanneer Brahman gaat slapen, wanneer de Schepper slaapt, blijft de kracht. Het erken­nen van deze kracht betekent een wegvallen van je eigen beperkingen. Eerst door die kracht te erkennen kun je komen tot een ‑ laten we zeggen ‑ universeel bewustzijn. Dat universeel bewustzijn gaat zo ver, dat je zelf scheppen kunt. Nu maakt men de vergelijking met de zon. Dus wanneer we in het duister verkeren en de zon gaat op, dan zien wij de wereld. Tot op dat ogenblik is zij vol met geheimen, dan openbaart zij haar geheimen. Deze gedachtegang ligt eraan ten grondslag. En wanneer je zo daarover praat, dan moet ik onwillekeurig denken aan een ander citaatje. Ik ben geen meester in die citaten, maar zoals er u één in de herinnering is gekomen, zo komt mij er één in de herinnering. Het is dit: “In zijn grootheid nietig werd hij zich de grootheid bewust.

En ziet, ofschoon zijn grootheid verviel, was hij één.” Dat één betekent dan: één met het zijnde. Hier wordt eigenlijk kunstmatig een tegenstelling gezet tussen grootheid, dus grootheid van stoffelijke uitdrukking en be­lang en grootheid van geestelijke uitdrukking en belang. Om de grootheid van het geestelijk, dus kosmisch bewustzijn te verwerven, moet je eerst de stoffelijke grootheid verwerpen. Maar aangezien het enigszins beschouwend is, wordt dezelfde persoon een ogenblik later als vorst weer naar voren gebracht. Met andere woorden: zijn verlies van grootheid ligt niet in een verlies van positie, maar in een verandering van zijn persoonlijke erva­ring van positie door een kosmisch bewustzijn. Daar krijg je werkelijk soms heel interessante dingen. Dingen die ook voor het Wester wel begrijpelijk zijn. Maar nu wil ik u alleen één vraag stellen. Tenminste als u vindt dat ik die vraag van u goed beantwoord heb.  Waarom kunt u die meditaties over het woord Ohm niet volgen?

  • Ja misschien ben ik nog te veel met mijn persoon in het dagelijks leven en ben ik daarvoor niet beschouwend genoeg. En ik ben een wester­ling.

Dat laatste is al wijzer. Laten we het zo zeggen: Niet dat u wes­terling bent, maar dat u het verliezen van de persoonlijkheid als onvoor­stelbaar gevoelt. Wat is Ohm? Nu ga ik doceren over iets waar ik toeval­lig wel wat van weet, want Ohm ligt nl. niet in de eerste plaats in de Upanishads, maar het is een beginselklank zoals u weet, een magische beginselklank. Wat betekent Aum of Ohm?

  • Ik dacht: het eeuwige wezen? De adem van de Godheid?

Zelfs dat niet. Een verklanking van het Alomvattende. Ja, ik zeg het makkelijker dan u. U weet dat misschien wel, maar u kunt het zo niet uitdrukken. Maar het woord Ohm moet in zich bevatten ‑ juist geïnterpre­teerd en uitgesproken ‑ het begrip van alle klanken. En de klanken zijn de symbolen van alle wezen, alle trilling. Wanneer ik dit woord dus uit­spreek dan heb ik hetzelfde dat de hogepriester had, wanneer hij de ware naam Gods uitsprak. Het Onnoembare, het Onomschrijfbare werd verklankt en daardoor een ogenblik als werkelijkheid geboren. Kunt U het vatten?

  • Alles omvattend, dus, alles doordringend?

Juist. Maar nu ligt er in die beschouwingen over dat woord één factor die een westerling vreemd zal zijn. Op het ogenblik dat ik over het woord ga mediteren, spreek ik het voor mezelf uit. Daar begin ik mee. En in deze meditatie zie ik het Al, het Al‑zijnde, of ik erbuiten sta. Ik sta a.h.w. van buiten naar God met Zijn hele schepping te kijken. Maar gelijktijdig ben ik deel van de schepping. In deze splitsing kom ik tot een vergelijk van mijn wezen als deel van de kracht “Om”, en mijn wezen als ik‑heid. Door te mediteren over het verschil a.h.w. van uitdrukking in mij, als ik en in mij, als deel van de grote Kracht, kom ik tot een ver­geten van het ik, zodat ik de grote Kracht beschouwende één ben met deze Kracht, daarmede verwerpende het ik‑zijn dat ik in mijn meditatie nog een tijd heb beleefd. Dan gaat mijn meditatie over in verrukking. Nu ja, u begrijpt wel dat dat voor een westerling neerkomt op een soort van gymnastiek. Het is in feite hetzelfde als een lotushouding. Probeert u maar eens een lotushouding aan te nemen. U weet wel, de benen dus zo kruisen, dat de voeten met de voetzolen naar boven ge­richt op de dijbenen rusten. Probeert u het maar. Als u het klaarspeelt, bent u vijf dagen erna nog niet in staat om normaal te lopen tenzij u veel training hebt gehad. Waarom? U bent niet op die manier van werken met uw lichaam gericht. U kent het niet. De yogi gaat rustig een paar dagen op zijn hoofd staan. Daar bevindt hij zich best bij. Als u het zou doen, zou u waarschijnlijk na een half uurtje last krijgen van bloedaandrang naar het hoofd. Alweer verschil van training, van opvatting.

  • Van ademhaling

Nu ja, de ademhaling is weer een kwestie, die er enigszins buiten blijft. Die speelt een rol mee in het systeem, maar in de training als zodanig niet. De training vereenzelvigt pas later ademhaling met zekere oefeningen. Het enige dat altijd noodzakelijk is, wanneer de ademoefening eraan te pas komt, is de purificatie, de reiniging. En juist daarom zal men heel vaak eerst de lichaamsoefeningen zo doen, voordat men het li­chaam van buiten en van binnen reinigt, wat een zekere zwakte met zich mee kan brengen, die dan pas door het opnemen van prana ‑ de levenskracht a.h.w. ‑ weer vergroot kan worden. Maar goed. Ik was ermee eigenlijk af­gedwaald. Ik wilde dus alleen maar opmerken: deze wijze van denken vraagt van u een te grote verloochening van uw normale denkmethode. U kunt het wel proberen, maar of, het wordt pijnlijk, lastig, of het wordt iets dat je in feite verzwakt. Deze meditatie‑vormen zijn dan ook voor de wester­ling niet geschikt, tenzij hij eerst een grote reeks van geestelijke voor­oefeningen heeft doorgemaakt. Dat was dan iets over het woordje Ohm.

  • Die Upanishads is toch een gemeengoed voor de Hindoes. Ik wil maar zeggen, er zal wel een zekere mate van opvoeding en cultuur voor nodig zijn om ze te lezen. Is het zoiets als onze Bijbel?

Ja, maar dan de Bijbel in de Middeleeuwen. Dus a.h.w. alleen door de priesters en alleen door de priesters te ver­klaren.

  • Maar dan hebben die overwegingen, die meditaties over het woord “Ohm” ook zin. De man in de straat, zou ik zeggen, die zal er toch niet toe komen om zulke diepgaande meditaties te houden.

Daar vergist u zich in. Kijk eens, het kan voorkomen dat een dood­gewoon meisje, een doodgewone jongen die misschien net even pakjes heeft weggebracht of misschien nog nederiger diensten heeft verricht een ogenblik gaat zitten en deze meditatie aanvaardt. En dan mediteren ze ook en gebruiken zo de meditatie‑wijzen, die hen ‑ indien ze belang stellen daarin ‑ worden geleerd door de geestelijke meesters, de voorgangers, de Brahmaan. Want deze dingen worden nog wel geleerd. Begrijpt U? En dat is ook heel begrijpelijk, want van hoog tot laag is de totale wijze van levensbeschouwing en levenshouding tussen Oost en West zeer verschillend.

In de eerste plaats denkt de oosterling lang niet zo individualistisch ‑ vooral in het geestelijke ‑ als de westerling dit doet. Hij is vager in het beschrijven van zijn persoonlijkheid. Vager ook in zijn omschrijving van toekomstige mogelijkheden e.d. En het is juist die vaagheid die het hem mogelijk maakt om dat “ik” gemakkelijker te verlaten, van buitenaf te beschouwen, dan u bijvoorbeeld. Daarnaast ligt ook nog dit;

Om met succes te mediteren is het niet nodig om de Upanishads te lezen. Het is voldoende, wanneer men de totale gedachtegang kan opnemen van een ander. En zo wordt het daar bv. mogelijk dat men gezamenlijk mediterende met een meester, met iemand die het dus wel weet, door een verliezen van de persoonlijkheid en door diens weten tot een geestelijke hoogte verheven te worden, die men zelf zonder dat niet zou bereiken. Een totaal verschil met de westerling. Die moet het zelf doen, of hij doet het niet. Maar om een aardige vergelijking te gebruiken; die geestelijk gevorderden ‑ en dat zijn soms weer de leerlingen, de chela’s van andere leermeesters ‑ werken voor de minder gevorderden als een soort luchtballon, waar ze in kunnen stappen door hun persoonlijk wezen een ogenblik vrij te geven, waarmee ze dan kunnen reizen tot het maximum dat die ballon bereiken kan, tot diens plafond. Hebben ze dat meermalen gedaan, dan leren ze zelf te stijgen. Daarvoor is geen uiterlijke kennis nodig.

Dan moet ik verder nog opmerken dat niet alle delen van de Upanishads voor iedereen toegankelijk zijn. Er bestaan nl. zogenaamde geheime delen, die soms beperkt blijven tot een zeer kleine kring van de hoogste kasten en die door dezen alleen worden uitgelegd met zekere geheimhoudings‑bevelen. Het is trouwens in de leerstelling, die men daar verkondigt, heel vaak zo, dat men zegt: “Hoor eens, hou jij nu je mond. Ik zal het je leren; maar vraag niets en kritiseer niets.” Vergeet u niet dat zo’n meester aan een sadhu bv. heel rustig zegt: “Hoor eens, ga jij nu maar met je hoofdhaar daar dat privaat reinigen.” En dan doet zo iemand dat. Het is niet om die persoonlijkheid te breken of zo. Neen, het is alleen om te leren jezelf te misachten, jezelf a.h.w. terzijde te stellen en de hogere wil in je te doen werken. Kun je dat aanvaarden van een meester, dan kun je ook een hogere kracht in je leren aanvaarden.

Een ander voorbeeld van iets dat u zich niet kunt voorstellen: Iemand wordt als leerling aangenomen door de één of andere meester. Die meester zegt: Hoor eens; ik zal je nu twee dingen leren en leer die nu eerst goed. Beleef die eerst eens. In de eerste plaats: was jezelf iedere dag helemaal. En in de tweede plaats: weet al je gedachten aan het einde van de dag terug te vinden en het kwaad daaruit te verwerpen, zo je het erkent. En nu mag je als mijn leerling geen geld van iemand aannemen. Bedel maar, mediteer maar, zie maar, dat je aan de kost komt. Je blijft hier voorlopig en als ik je nodig heb, dan laat ik je wel roepen. En dan gaat hij heel rustig weg. Dan laat hij hem zitten midden in de rommel. Na misschien een jaar komt hij opduiken en zegt dan: “Ken je het nu? Ja? Nu, dan moet je eens luisteren……” En dan geeft hij weer twee of drie regels. Dat gaat zo soms zes à zeven jaar. En dan komt er een ogenblik, dat zo’n leerling naar zijn meester wordt geroepen. Die meester gaat zitten mediteren en de leerling mag erbij zitten. En als hij dat een keer of vier, vijf heeft gedaan, gaat die meester rustig weg. Dan zendt deze een geestelijke roep uit en als die leerling het kan verstaan, kan hij komen en bij zijn meester blijven. Als hij het niet verstaat en niet weet, waarheen hij moet gaan, vindt hij op de duur die meester wel weer eens terug, die hem dan weer een lesje geeft, Zo gaat dat. Het is een heel andere houding; die kunt u zich niet voorstellen.

Stel u voor dat ik nu hier als geestelijke meester voor u ging optreden en ik zou zeggen: “Nu nemen jullie allemaal eens een bezem en gaan jullie dan de hele straat vegen.” Wat zou u zeggen? (De spre­ker tikt met z’n vinger tegen het voorhoofd.) Waar of niet? Dus het systeem, dat daar bestaat, kun je absoluut niet toepassen hier. Als men hier i.v.m. de Bijbel zou zeggen: “Je mag de Bijbel lezen, maar die stukken niet”, dan zouden er heel wat opstandelingen komen. Die zouden zeggen: “Waarom niet? En ik wil dat ook lezen.” Maar dat doen ze daar niet. Dat doen ze niet in het Oosten. Want alleen degene, die rijp is daarvoor, mag en kan die dingen hanteren. En je moet eerst zo­ ver geestelijk opgroeien dat je die dingen kunt begrijpen en bereiken. Vandaar ook ‑ wat voor sommigen misschien ook heel vreemd lijkt – dat de zgn. heilige mannen, dus de leermeesters, de sadhu’s, enz., feitelijk buiten het kastesysteem staan; en dat zij op een gegeven ogenblik in kennis, in weten en bewustzijn niet alleen de meerdere zijn van een Brahmaan, maar heel rustig hem ook kunnen behandelen als iemand van een lagere kaste. Ze zullen het meestal niet gauw doen, omdat ze niet wensen iemand te beledigen. Maar voorrechten heeft een Brahmaan dan niet meer. Dat zijn toestanden, die u zich misschien niet kunt voorstellen.

  • Uit al deze dingen blijkt mij ‑ en ook uit wat je zelf verzamelen kunt, ook al ga je net zo ver terug als je wilt ‑ dat de mens altijd maar blijft in zijn eigen belangrijkheid. Of je nu een systeem neemt uit dit land, uit dat land of één uit weer een ander land, het komt allemaal op het natuurlijke neer. Mijn vraag is nu: Als al die geschriften er nu eens niet waren, en de mens werd er eens voor gezet, zodat het niet anders kon, dan kwam hij ook tot zijn doel.

Inderdaad. Dat ben ik volledig met u eens.

  • Ja, en dan maakt de mens het met al die systemen nog belangrijker en moeilijker voor zichzelf.

Nu, dat ben ik niet met u eens. Kijkt u eens, u hebt misschien gemerkt, dat wij in deze Orde ‑ en nu mag ik dus eventjes dit onderwerp een klein beetje opzijschuiven ‑ proberen om elke zienswijze en elke be­nadering mogelijk te maken. Want weet u, wat het is? Het aantal openba­ringen dat er bestaat, is weinig belangrijk. Of er nu veel zijn of weinig en welke weg je volgt is onbelangrijk, want alle wegen leiden naar één doel. Maar één ding is noodzakelijk en dat is, dat het doel begeerd wordt. Het hoeft niet gekend te worden, het moet begeerd worden. En nu is een begeren iets dat in de mens leidt tot een zoeken naar het doel. En dan wordt dat doel beperkt omschreven. Nu moet u eens goed luisteren: Is dat nu de mens in zijn eigen be­langrijkheid? Neen. Het is de mens met het gevoel van eigen onbelangrijkheid, dat hij probeert aan te vullen door het doel, door de weg, nietwaar? Wanneer die mens dat doet, dan gaat hij zich verheffen op een bepaald systeem, dat ben ik direct met u eens. Met andere woorden, hij gebruikt zijn eigen waarheid, zolang hij zich onbewust is, om zich daarmee boven ande­ren te verheffen en te verhogen. Maar op het ogenblik dat hij tot de kern van de waarheid doordringt, blijken plotseling alle leerstellingen gelijk te zijn en alle gelijkelijk het “ik” terug te brengen tot zijn werkelijke func­tie: één klein deel van een groot Goddelijk Geheel. Nu zegt u, dat een mens het zich moeilijker maakt. Neen, dat ben ik niet met u eens. De mens maakt het zich door al die leringen niet moeilijker. Weet u wat hij doet? Hij bezorgt zichzelf een mogelijkheid om in een stoffelijk bestaan met zuiver stoffelijke impulsen en begeerten zijn doel, zijn voorstelling van het doel ‑ zoals het door zijn begeren is gevormd ‑ toch te blijven dienen. Je zou kunnen zeggen: Elke leerstelling is niet een belemmering voor de mens, maar is een staf, waarmee hij verder kan gaan tot het ogenblik dat hij geleerd heeft zich zo volledig in het Oneindige over te geven dat hij geen behoefte meer heeft aan de beperking van zijn stoffelijke wegen, aan een absoluut dogmatische leiding van zijn innerlijke toestand. Ik weet niet of  het met me eens bent, maar zo zie ik het.

  • Ik meende uit hetgeen zojuist gevraagd werd, dit te mogen concluderen, dat wanneer iemand tot de een­voud van het kind terugkomt, dus de onbevangenheid heeft, hij het makkelijker kan accepteren dan door zichzelf belangrijk te willen maken door het moeilijke te nemen, door allerlei systemen zich eigen te maken waar hij zichzelf eigenlijk in verwart.

Als een kind werkelijk zo eenvoudig was, als u zei, dan zou het waar zijn. De onbevangenheid van het kind, ja. Maar de onbevangenheid van het kind impliceert vaak een volledig onbewust zijn voor de rest van het Al. En onze onbevangenheid moet juist zijn een aanvaarding van God, dus van het Al.

  • Maar waarom zei Christus dan: “Laat de kinderen tot mij komen?”

Omdat de kinderen ‑ niet misvormd door vastgelegde denkbeelden ontvankelijker waren voor zijn kracht en zijn leer.

  • Nu, dat is juist precies hetzelfde, wat ik bedoel, dus de onbe­vangenheid van het kind.

Ja, maar u vergeet één ding: dat de onbevangenheid op zichzelf niet voldoende was. Want anders had Jezus hen niet tot zich laten komen. De onbevangenheid maakt het alleen mogelijk om Jezus’ weg aan hen te ver­klaren op een wijze, die voor hen begrijpelijk en aanvaardbaar was.

  • En daardoor meestal de meest simpele weg is.

Inderdaad.

  • En niet de weg, die door allerlei geheime Orden wordt gevolgd, wanneer men eigenlijk de sensatiezucht van de mens prikkelt en allerlei geheimzinnigheid gebruikt om het innerlijk verlangen van de mens op het hogere te richten, wat hij zonder die geheimzinnigheid meent niet te kunnen opbrengen. Dit geheimzinnige waas zit toch in de meeste Orden.

Ik geloof dat u in Uw stelling één ding vergeet: De waarheid is eenvoudig. Ze is zo eenvoudig, dat wanneer ze volledig wordt uitgespro­ken, u niet in staat bent haar te accepteren of ‑ zou u haar accepteren ‑ uw leven te gronde zou gaan. Die geheimzinnigheid waarover u spreekt, kan bij velen inderdaad een zekere sensatie‑belustheid wekken, maar ze zullen daarmee nooit tot de werkelijke kern van zo’n orde doordringen. Maar degenen, die zoeken naar de waarheid, zullen door de schijnbare in­gewikkeldheid, door de vaak uitgebreide symboliek enz., langzaam maar zeker worden geleid tot een punt, waarbij het aanvaarden van de waar­heid voor hen gemakkelijker valt. Waarbij ze afstand kunnen doen van vele te per­soonlijke inzichten e.d.

U kent misschien de bekende omschrijving van de geheimschool in een verhaal neergelegd? Er was eens een Griek en die verlangde om een geheimschool door te maken. Hij vond een leraar en die stuurde hem een moeilijke weg op door de bergen heen. Eindelijk vond hij daar een kluizenaar, die hem erg ruw bejegende. Hij had er een hoop ontberingen en ja, eindelijk mocht hij dan daar verdergaan. Hij kwam toen in een woud te­ recht; hij moest daar gewoon in een boom slapen. En toen bleek dat zijn leraar er wel was, naar het niet de moeite waard vond om naar hem te komen kijken. Hij bleef geduldig wachten, totdat hij eindelijk zijn les had. Toen kon hij weer verder. Zo maakte hij een reis, die bijna een jaar duurde. En toen hij terugkwam, zei men: “Kijk, achter die berg daar is de tem­pel van de inwijding.” Hij klauterde een heel moeilijke berg op, viel een paar keer bijna in een afgrond, kwam uitgeput, ternauwernood nog in staat zich voort te bewegen in het tempeltje aan, werd ingewijd en was heel erg gelukkig. Toen hij uit de tempel kwam ‑ aan de andere kant, de voorkant ‑ zag hij dat het een tempel was, die hij dagelijks bezocht had en die nog geen vijfhonderd schreden van zijn huis was gelegen op een heuveltje. Toen vroeg hij aan degenen, die hem hadden ingewijd: “Waarom?” Ze zei­den: “Kijk, je hebt nu elke les hard geleerd en moeilijk geleerd. Je hebt geleerd te aanvaarden; je hebt geleerd te verdragen; je hebt geleerd ondanks alles voort te gaan. Wanneer wij je de geestelijke geheimen der inwijding zo maar hadden gegeven, onmiddellijk, zonder al die moeite, dan zou je niet dat doorzettingsvermogen, dat inzicht en die overgave hebben gehad die nodig zijn om werkelijk wat te bereiken. Want vergeet niet, een geestelijk geheim, dat onthuld wordt, is een vereenvoudiging van eigen leven, van inzicht van het leven, maar het betekent gelijktijdig een noodzaak tot veel grotere volharding, tot aanvaarden, tot verdragen, dan een normaal mens heeft. Want men moet met deze nieuwe waarheid toch tussen anderen kunnen leven alsof men niet meer ware dan zij.” Dat was de bedoeling. Daarom bestaan er geheimscholen. Daarom zijn er zoveel geheimzinnigheden, die al die dingen omgeven. Nu wil ik graag geloven, dat u zegt: “Ja, maar ik ben in staat de waarheid te verdragen.” Gelooft u mij, dat kan niemand zeggen voor hij de waarheid heeft gezien. En die waarheid zien ‑ al is het zelfs maar voor één ogenblik, dat kan ik u uit ervaring vertellen ‑ is één van de meest inspannende dingen die er bestaan. Als je dan niet een heel grote moed hebt, als je dan niet kunt aanvaarden praktisch grenze­loos, dan word je waanzinnig, dan breek je. Dan moet je helemaal opnieuw beginnen. Vandaar die geheimzinnigheid, die u vaak veroordeelt. Vandaar de schijnbaar willekeurige beperkingen, die u worden opgelegd e.d. Van­daar ook de grote schare, die nooit verder komt, omdat ze niet zoekt de waarheid, die de school heeft, te brengen, maar alleen de bevrediging van het “ik” in de geheimzinnigheid die de, school omringt. Ik hoop, dat u het me niet kwalijk neemt. Maar dat is een aspect dat men werkelijk niet uit het oog mag verliezen.

  • De gastspreker had het niet alleen over de stoffelijke wereld maar o.a. ook over uw wereld, die hij als waan kwalificeerde.

Nu, dat is niet helemaal juist, Hij sprak over het breken van één sluier; en dat er dan nog zes over waren. Daar bedoelde hij niet mee “Werelden.” Maar hij bedoelde alleen dit: Wanneer je hier een werkelijk­heid ziet, ligt er een andere werkelijkheid achter verborgen. U kunt in deze wereld, waarin u leeft, op een gegeven ogenblik tot een bewustzijn komen dat u die hele wereld anders doet zien. Wanneer dat op waarheid gebaseerd is, dan heeft u daarmee tevens dus bereikt dat de sluier a.h.w. voor u verbroken is, dat u één stap verder bent. Maar achter de waarheid die u heeft leren kennen, schuilt weer een nieuwe waarheid. enz. enz. Elke waarheid wordt in zichzelf eenvoudiger, maar gelijktijdig onbeperkter. Dat bedoelde hij te zeggen. Is het duidelijk geworden?

  • Eenvoudiger en toch onbeperkter. Dat is toch eigenlijk een tegen­stelling?

Nu, dat geloof ik niet. Wat is eenvoudiger dan het getal 1? Als ik zeg één.

  • Dat hangt ervan af welke waarde het symbool heeft.

Gewoon het getal. Eén vinger, één duim, één lamp, één tafel, enz. Dus in die zin. Wat is er eenvoudiger dan dat. Toch is dit “één” een be­paling van eigenlijk al het zijnde, want het drukt uit, de individualiteit die in elk verschijnsel tot uiting komt. Dus het is onbeperkt want het geldt overal in het hele Al. Gelijktijdig is het simpelste dat er be­staat. U zult zien dat het dus een schijnbare tegenspraak is en geen werkelijke. Integendeel. Hoe ingewikkelder een definitie, hoe ingewikkel­der een leerstelling wordt, hoe beperkter ze moet zijn. Want ingewikkeldheid betekent een vergroting van de begrenzing van mogelijkheden. Hoe meer je de mogelijkheden begrenst, hoe kleiner de werkelijke betekenis. Hoe een­voudiger ik het stel, hoe algemener het wordt. Maar ik moet eerst de be­grenzende kleine mogelijkheden hebben leren kennen om op de duur in het eenvoudige begrip zijn inhoud te leren erkennen. Dat was in het eerste gedeelte; maar hij had het ook over bewust­wording. Welke bewustwording? De menselijke bewustwording of de werke­lijke bewustwording voor de geest? Voor hem bestaat er geen menselijke bewustwording. Voor hem be­staat zelfs niet ‑ wat u noemt ‑ een bewustwording van de geest. Bewustwording is vanuit zijn gezichtspunt: eenwording met het leven of met het Al, met de kosmos, met God.

  • Een samensmelting.

Ja, dus bewustwording is vanuit zijn standpunt een versmeltings­proces, inderdaad.

  • Dus dat is meteen het summum. Er bestaat dan voor hem niets an­ders dan het ene.

Ja, er bestaat niets dan het ene.

  • Het leven, zonder beperking?

Zonder beperking. En doordat het ene onbeperkt is, blijft het on­bepaald. Dat is juist.

  • Is voor de mens heel moeilijk om daar zo ineens toe over te gaan.

Nu ja, dat is natuurlijk niet iets waartoe je kunt overgaan. Maar we hebben juist deze spreker verzocht en ook bereid gevonden om u hiervoor te spreken, omdat wij u een inzicht wilden geven in de gedachten, de esoterie, de achtergronden dus, de inhoud, die verborgen ligt achter de Upanishads. Het was de bedoeling niet hier de geschiedenis van de go­den weer te geven, hun ontstaan en hun relatie; het was de bedoeling te laten zien, hoe achter dit alles en komende uit dit alles een geloof kan liggen, dat zodanig universeel wordt, dat het ‑ de verschijnselen a.h.w. terzijde stellende ‑ komt tot een persoonlijke aanvaarding en een persoon­lijk inzicht.

En dan moet ik erbij zeggen, dat hetgeen de spreker bracht  me wel enigszins heeft verbaasd, waar hij u heeft toege­sproken, zoals hij ook zijn leerlingen bv. zou toespreken. Dat is nu waar­schijnlijk ook het verschil in denken, nietwaar. Hij zegt: U komt hier om wijsheid op te doen. Hij zal trachten u zijn wijsheid zeer beperkt ‑ zoals hij dat noemt ‑ te geven. En dan geeft hij u een les. Ik had gedacht dat het een beschouwing over het onderwerp zou worden. Het wordt in feite een demonstratie in de praktijk. Maar ik geloof niet dat dat de waarde ver­minderd heeft.

  • Helemaal niet. Integendeel.

U kunt er in ieder geval een klein beetje trots op zijn, dat u op een discussieavond iets heeft meegemaakt, dat praktisch op geen enkele discussieavond tot nog toe is gebeurd. Maar goed. Hij heeft ons geprobeerd a.h.w. zijn geloof, zijn manier van denken, weer te geven.

  • Zijn inhoud?

Ja, dat is ook een goed woord. Maar die inhoud is gebaseerd op dit geloofspunt, op deze openbaring, op deze Upanishads. En daarom vind ik het juist aardig. Het geeft de werkelijke inhoud zo scherp weer. Veel beter dan ik dat ooit zou hebben kunnen doen. En misschien zelfs onze deskundige ‑ zo hij aanwezig was ‑ dit niet met een dergelijke diep­te zou hebben kunnen bereiken.

  • Met andere woorden; hij is tot de bron opgeklommen, waaruit de Upanishads zijn voortgekomen.

Hij heeft weergegeven of getracht weer te geven ‑ daar moet u zelf over oordelen, dat ligt aan uw begrip ‑ de kern van de Upa­nishads; de leerstelling die gesymboliseerd wordt in de Upanishads. Vandaar ook dat ik er persoonlijk toch erg blij mee ben. U bent het mis­schien niet met mij eens, maar ik vond dat het de avond een zeer bijzon­der karakter heeft gegeven en daarom is het m.i. beter geslaagd, dan wanneer ik daar zelf helemaal voor had moeten staan. Ik ken mezelf beter dan u. U kunt er niet over oordelen, maar dat kunt u rustig van mij aannemen.

  • Ik wil nog wel één punt aanhalen. Alhoewel ik al die levenssche­ma’s aanvaard, wil ik toch vragen: Waarom zegt Jezus: ” Volg mijn leer?” U zegt wel: volg zijn weg, maar dat bedoelt dan: zijn leer.

Nu, ik geloof, dat ik hier in de eerste plaats het niet met u eens ben, waar U zegt, dat Jezus met de woorden: “Volg mijn weg” bedoelt: “Volg mijn leer” Het eigenaardige is nl. dit: Jezus heeft geen leer gebracht op aarde. De leer hebben de mensen gemaakt uit hetgeen Jezus gebracht heeft, Jezus bracht geen leerstellingen. Jezus bracht een le­vensbeschouwing die inhield een innig streven naar de eenwording met God.

Nu heeft de mens dit in het Christendom gemaakt tot een dogma, wat Jezus zelf nooit heeft gedaan. Men heeft Jezus verheven tot een Godheid, wat hijzelf uitdrukkelijk nooit heeft willen zijn. Kortom men heeft Jezus dus verworpen. Dan is het ook niet meer mogelijk om zijn weg te vol­gen, waar men dan voortdurend stoot op de benauwende praktijken van het zgn. Christendom.

De mens gaat dus zoeken naar de inhoud van het leven. Die inhoud kan het Christendom in geformaliseerde zin niet geven. Een poging om Jezus te doen herleven, zou noodzakelijkerwijze moeten mislukken. Want de mens is niet in staat om alles te aanvaarden wat Jezus in feite was. Hij wil alleen de voorstelling, die de mensen ervan gemaakt hebben, accepteren. Daardoor zoekt de mens nu in vele dingen naar de waarheid.

Hij zoekt – en daarmee doet hij meer dan een Christen. Want er staat niet: “Zeg, ik heb het en je zult het krijgen.” Er staat: Zoek en gij zult vin­den.”

In deze poging tot vinden, dus in dit zoeken, wordt de mens voor zijn wezen de aanwijzing voor zijn weg gegeven. En wanneer hij die weg gaat in de onbaatzuchtigheid, in de onzelfzuchtigheid, waarin Jezus die weg is voorgegaan, gaat hij de weg van Jezus. Dan volgt hij hem, ook al neemt hij nooit zijn naam op de lippen, ook al zal hij nooit geloven in een ker­kelijk gezag. Ook al zal hij Jezus‑godheid voortdurend en uitdrukkelijk loochenen, dan nog gaat hij Jezus’ weg. En het is deze weg die belang­rijk is.

Bij de meesten die zich Christenen noemen ‑ neemt u me niet kwa­lijk, dat ik het zeg ‑ is het: Hoor naar mijn woorden en zie niet naar mijn daden. Maar Jezus’ weg is de weg van de daad. Uitdrukkelijk van de daad. Altijd weer. En het is dan ook, meen ik, voor velen een licht, een lichtpunt uit al deze oude leringen, uit al deze nieuwe filosofie­ en beschouwingen, uit al wat er op de wereld is geweest, steeds weer dit ene, deze kern te kunnen vinden, die Jezus heeft genoemd “het Koninkrijk Gods” en die is het opgaan in het Goddelijke. Het bewust steeds meer afstand doen van jezelf als eenling en het steeds bewuster opgaan in het Al als deel Gods, vervullend de wil Gods. Dat was Jezus’ weg. En die weg komt uit alle dingen steeds weer naar voren, omdat er niet meer waarheden zijn. Er is er maar één. En wie dat vergeet, loopt gevaar vast te lopen in dogmatisme en sektarisme; en zo zich verheffend op het Woord, de praktijk te verwaarlozen en in node­loze zelfverheffing voorbij te lopen aan de werkelijke inhoud van het be­staan: een bewustwording die ons schrede na schrede voert tot de kern. Niet ineens voor God staan. Dat heeft Jezus ook geleerd. Komen tot het Koninkrijk Gods, ja, bewust deel uitmaken van God, dat wil nog niet zeg­gen: God kennen.

Dan zijn er in het ‘Huis des Vaders’ vele woningen, want er zijn vele beginpunten van beschouwing, van denken en ontwikkeling, van waaruit men God kan leren kennen. Heeft men eenmaal zo’n punt bereikt, leeft men dus in het Huis des Vaders, in één van die vele woningen, dan komt men van daaruit tot het kennen van God. En dit kennen van God betekent gelijktijdig een opgaan in Hem. Zoals Jezus het uitdrukt: “Want ziet, de Vader en ik zijn één.” Ik hoop dat ik daarmee duidelijk heb gemaakt hoe wij dit zien.

  • Dan wordt de ik‑gedachte van het Westen een “wij” en dat is erg moeilijk vooral voor een Christen. Dat is zo typisch, dat merk je over­al op. De wij‑gedachte kunnen ze gewoon niet volgen. Het blijft altijd ik.

Ik wou deze opmerking maken: U weet misschien dat Franciscus Xaverius een van de eersten is geweest, die een grote missie in India heeft vervuld, En hij was wijs met de wijzen. Dat wil zeggen, hij sprak heel rustig met de leraren van ander geloof, met meesters e.d. Hij bleef Christen en missionaris en gelijktijdig was hij wijs met de wijzen: En daar­door heeft hij dan ook in het begin een zeer grote mogelijkheid voor het Christendom geschapen, o.a. in de tijd van Akbar de Grote. Maar toen hij wegging, kwamen er Christenen, die niet de wijsheid in anderen zagen. Daardoor zijn zij ten onder gegaan. Weet u, de moderne Christen is geneigd om de waarde van een an­der nog wel aan te nemen, maar gaat dan diens symboliek en diens inhoud aanpassen en verwerken, zodat deze christelijk worden. Met andere woorden, hij verandert de uiterlijkheid. Indien hij de intentie, de overeenkomst van intentie tussen dat andere en zichzelf echter kan begrijpen, dan kan hij niet meer dogmatisch leraren, noch een kerk stellen als een bepaling van een eventuele aanvaarding in Gods rijk of niet. En dat is juist het gro­te probleem, waar we steeds op stuiten. Een Christen denkt over “arme heidenen.” Maar de arme heidenen denken misschien over de arme Christe­nen.

Zolang men niet tracht in anderen God te vinden, maar tracht van uit zichzelf anderen tot God te brengen, begaat men al een fout; dan oordeelt men. Oordelen, is absoluut dwaas. Het wordt zelfs hier ook in de Upanishads naar voren gebracht, waar voortdurend dingen gebeuren, waarover je een oordeel zou moeten vormen. En elke keer, als het tot een punt komt, dat het oordeel wordt gesproken, dan kan dit al­leen gebeuren door de hogere God. Met andere woorden, de beslissing valt steeds van bovenaf. Uit de oorsprong van het wezen komt het oordeel en wordt niet persoonlijk gesproken, maar wordt alleen beleefd door de lagere sector, de lagere factor van het wezen.

  • U heeft ook gezegd dat de Upanishads voortgekomen zijn uit Shruti; dat is ingaan, overschaduwen.

Openbaring is het woord.

  • En niet zo uit het menselijk denken.

Het is geen interpretatie dus. En daarmee wil men aangeven, dat de Upanishads dus een uitdrukking zijn van een innerlijk erkennen, waaraan de persoon geen direct deel heeft maar waar de persoon slechts de weergave wordt van het erkende. Dat is eigenlijk de inhoud van dit geopenbaarde. Dat is het beste woord dat wij ervoor kennen in Nederland. Beter dan overschaduwd.

Nu vrienden, ik geloof dat we zo langzamerhand wel aan het einde gaan komen. Ik zou zeggen, als u niets meer te vragen heeft, zullen we het hierbij laten vandaag. En ik druk de hoop uit dat u met mij zult zeggen dat dit zeker een hoogstaande en een vruchtbare avond is geweest.