Esoterisch en exoterisch evenwicht

image_pdf

10 april 1964

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp gaf ik een titel, die niet het gehele onderwerp dekt: Esoterisch en exoterisch evenwicht.

Wij kennen een innerlijke weg, waarbij wij in onszelf zoeken naar waarheid en in onszelf een bepaald geloof, een zekere aanvaarding vinden. Daarnaast kennen wij de uitingen van ons wezen het leven naar buiten toe, dat gebaseerd is op een werken met de waarden van de wereld, waarin wij vertoeven. Vaak schijnt het, dat deze twee belangrijke factoren van het leven niet met elkander verwant of verbonden zijn. Ik hoop u aan de hand van voorbeelden en theorieën duidelijk te maken, dat dit wel degelijk het geval is, terwijl een evenwicht tussen de wereld in de mens en de wereld buiten hem van buitengewoon groot belang kan zijn – vooral wel in tijden als de huidige.

Allereerst een voorbeeld. Wij hebben een theorie, een politieke these. Wij richten het geheel van ons leven op deze these en de verwerkelijking daarvan, omdat wij er nu eenmaal in geloven. De feiten van de buitenwereld zijn met onze stellingen echter niet in overeenstemming. Nu kunnen wij stellen, dat deze feiten dus onjuist zijn, terwijl alleen onze stellingen, gebaseerd op geloof, innerlijk weten en gevoelens, de waarheid is. Er ontstaat dan een grote vervreemding van de feiten van het leven. Iets dergelijks vinden wij in de geschiedenis van het bolsjewisme, waarin men uitging van het standpunt, dat, zo voor eenieder gelijke rechten zouden bestaan, terwijl er geen plaats meer was voor kapitalisme, voor particulier bezit en winstbejag, de maatschappij zonder meer goed zou zijn. Het resultaat hiervan werd echter o.m. de strijd tegen de Kulakken, het uitroeien van de zelfstandige boeren, met als gevolg hongersnood, grote mislukkingen van de industrie – omdat niemand werkelijke verantwoordelijkheid wilde dragen – nood en armoede, met als gevolg de onwerkelijke, wereldvreemde toestand waarin Rusland zich bv. rond 1937 bevond.

Men had daar kunnen zeggen: Onze stellingen zijn niet juist, want al onze predicties, theorieën en veronderstellingen blijken in feite niet uit te komen. Men heeft dit echter niet gedaan, wat voerde tot de verwarringen van de laatste periode van het Stalinisme, waarin men steeds meer geconfronteerd werd met heksenjacht, terreur, vervalsing van waarden en onderdrukking van feiten. Het gevolg van een toestand, die in wezen niet meer houdbaar was en alleen door oorlog en steun van anderen, die een ander systeem aanvaardden, nog houdbaar bleef.

Nu begint men op het ogenblik althans enigszins te begrijpen, dat theorieën wel mooi zijn, maar dat men toch ook met de feiten zal moeten rekenen. Nog steeds echter tracht men, althans naar buiten toe, de stellingen boven alles te verheffen en onfeilbaar te verklaren. Het gevolg hiervan is, dat een land als Rusland, dat toch over buitengewoon grote mogelijkheden beschikt, zowel in landbouw en mijnbouw als op industrieel gebied, nog steeds niet de mogelijkheid weet te vinden om in economisch opzicht te concurreren met de productie en ontwikkelingen van de vrije wereld.

Dit, terwijl toch juist dit punt voor het communisme van het hoogste belang is en als enige toets voor de uiteindelijke juistheid van de verkondigde stellingen kan dienen.

Dit voorbeeld kunt u op elk terrein herhalen. Wat hier in het groot gebeurt, kan voor u ook in het kleine voorkomen, het kan evenzeer voorkomen in de sfeer van het persoonlijke leven als op het gebied van godsdienst, wetenschap enz.

Op het ogenblik, dat ik een bepaalde gedachtegang volg en daar innerlijk één mee ben, kan ik deze zonder meer beschouwen als een deel van mijn innerlijke weg, zelfs indien de waarden hoofdzakelijk materieel zijn. Hieraan kan ik zekere kracht ontlenen, vind daarin zekerheid, zelfvertrouwen en rust, ontleen daaraan ook een zeker overwicht op anderen, die geen gevormde denkbeelden hebben.

Op het ogenblik echter, dat het geheel van mijn denkbeeld niet meer in evenwicht is met de buitenwereld en toch door mij als waar wordt gehandhaafd, ontstaan er steeds meer feiten, waarmee ik geen raad meer weet en kom zo tot handelingen, die zowel voor mij als voor anderen in wezen onaanvaardbaar zijn. Denk hierbij eens aan het tragische geval “Irene”, waarbij dit verschil tussen innerlijk geloof en uiterlijk gedrag steeds weer door alle partijen gemanifesteerd wordt.

Wij kunnen uit het voorgaande reeds komen tot enkele eenvoudige stellingen:

  1. Alles wat ik in mijzelf geloof en meen te bereiken zal ik ook waar moeten maken buiten mijzelf.
  2. Wanneer mijn innerlijke wereld niet beantwoorden kan aan de uiterlijke waarden en mogelijkheden van ik en wereld, dien ik te zoeken naar een variatie van gedrag in beide werelden – de innerlijke en de uiterlijke – waardoor deze voor mij ook t.a.v. anderen een geheel kunnen vormen.
  3. Alles wat ik esoterisch bereik, heeft slechts waarde, wanneer het door mij ook exoterisch beleefd en bevestigd wordt.

Hier hebben wij in een nutshell het probleem, waarmede de mens van heden pleegt te worstelen: Als mens staat men in een wereld, die men niet geheel kan begrijpen. Men gevoelt zich vaak machteloos en gaat daarom maar uit van het standpunt, dat het voldoende is goede bedoelingen te hebben en voor de rest maar met de massa mee te lopen. Zolang er nu geen invloeden zijn, die verder geen rol spelen in het leven, zal zelfs dit op den duur tot zekere verbeteringen in wereld en het ik kunnen voeren. Wij zullen immers bij voorkeur niet de dingen doen, die met ons innerlijk werkelijk in strijd zijn. Een dergelijke ontwikkeling is echter traag en weinig direct.

Wanneer wij echter weinig tijd hebben – zoals in deze periode – blijken hierdoor steeds meer botsingen te ontstaan tussen gedachtewereld en werkelijkheid. De artsen in België zijn een voorbeeld van een dergelijke strijdigheid. Zij hebben hun eigen plaats in de gemeenschap geheel verkeerd aangeslagen, terwijl de politici dezelfde fout maakten. Het resultaat was een verwarring en conflictwaarden, die in wezen door geen der beide partijen gewenst werden. Een reeks van conflicten, die, zowel voor de medici als voor de politici, uiteindelijk een stap terug moesten betekenden, een prijsgeven van eigen standpunt en ideaal. Toch moet worden gezegd, dat beide partijen in hun actie trouw bleven aan hun eigen inzichten, hun innerlijk beeld van eigen wezen en belangrijkheid. Een dergelijk conflict kan, onder de dwang van omstandigheden, wel tijdelijk worden bijgelegd, maar zal voor hen, die daar nu deel aan hadden, in wezen blijven bestaan.

Alleen een innerlijke heroriëntatie van zowel medicus als politicus zal hier een blijvende en feitelijke oplossing kunnen brengen.

Voor een tijd als de huidige geldt wel in de eerste plaats, dat normale oorzaak- en gevolg werkingen versneld worden. In de tweede plaats zal gelden, dat alles wat onaf of onvolledig is, aangevuld en afgerond zal dienen te worden, omdat het anders binnen korte tijd waardeloos wordt. In de derde plaats kan dan nog worden opgemerkt, dat hij, die van zichzelf uitgaat en in de wereld zichzelf zoekt, een zeker evenwicht zal bereiken, terwijl hij, die God zoekt zonder zichzelf te kennen of te willen kennen en dan deze innerlijke waarde nog naar buiten toe uit wil dragen, nimmer onder de heersende omstandigheden iets van waarde zal kunnen volbrengen.

Verder kunnen wij uit dit alles nog afleiden, dat elke innerlijke bereiking, die in strijd komt met de waarden van de buitenwereld en dezen ontkent, alle verdere ontwikkelingen in het ik onwaarachtig en daarmede waardeloos maakt.

Dit laatste punt vergt nog enige verdere toelichting. Vanaf het ogenblik, dat wij in onszelf van onszelf bewust worden en besef krijgen van de innerlijke machten en krachten, waarover wij beschikken, zowel als van de relaties die in ons bestaan met andere werelden, kunnen wij stellen, dat wij in feite meer werkelijk worden. Ons bewustzijn van alles, wat wij in ons dragen, maakt het ons ook mogelijk, om nu meer bewust te leven. Wij worden van een automatisch gedreven voertuig tot een voertuig, dat door eigen bewustzijn en wil bestuurd wordt, terwijl wij ook de mogelijkheid krijgen nu zelf onze richting te kiezen.

Weigeren wij echter ons bewustzijn te gebruiken voor dit richten van eigen wezen binnen eigen wereld, zo heeft alles wat wij doen met de innerlijke wereld geen contact meer, en zal men zichzelf misleiden. Men kan stellen, dat men, op grond van innerlijke bereikingen, een geestelijk meesterschap heeft bereikt. Mogelijk is dit waar. Maar zo men dit meesterschap niet tot uiting kan brengen, is men zich reeds bewust van een falen. Erkent men dit echter niet – iets wat vaak voorkomt – zo zal men zichzelf steeds meer verborgen eigenschappen en mogelijkheden toeschrijven, terwijl men voor het niet uiten daarvan steeds meer – vaak zeer edel klinkende – redenen aan zichzelf opgeeft.

Deze laatste eigenschappen en redeneringen berusten echter niet meer op feiten. Zij zijn rationalisaties en zelfmisleiding, die tot zelfoverschatting voeren. Het geheel dient in wezen alleen maar om het de mens mogelijk te maken te ontkomen aan het besef dat hij niet ver genoeg is doorgedrongen in de werkelijkheid van eigen wezen en wereld. Zover men vanuit zich nog handelen zal, baseert men zich niet op werkelijke feiten en mogelijkheden, maar op zijn theorieën omtrent eigen wezen, roeping enz. Men kan een groot deel van zijn innerlijk als noodzakelijk ervaren handelingen nu in geen geval meer in de werkelijkheid stellen, met als gevolg een steeds toenemende strijdigheid van handelingen, bewustzijn en stellingen.

Zoiets maakt echter dan weer aan aanpassen van eigen stellingen, nieuwe ontwijkingen en uitvluchten noodzakelijk, die men voor zich niet zal willen aanvaarden en dus niet erkent. Zo worden de stellingen, die aan een feitelijke innerlijke bereiking ontleend worden, langzaamaan een soort toren van Babel, onwerkelijk, onverstaanbaar en verwarrend, waarin alleen de basis nog waarlijk deel van het ik is. Men kan nu niets werkelijk meer bereiken: men kan nu eenmaal niet blijvend krachten ontlenen aan illusies. Het is mogelijk een fantasie op te bouwen, die met daden en feiten uitgedrukt wordt en zo in de werkelijkheid stoelt. Daaraan kan men krachten onttrekken. Maar een illusie, die gebaseerd is op het ontgaan van feiten, die voortkomt uit de behoefte de werkelijkheid te ontlopen, vormt gelijktijdig een bron van onevenwichtigheid binnen het ik en strijd met het ik. Deze kan dus nooit een bron van krachten zijn. Het resultaat zal dan zijn, dat men machtelozer wordt, naarmate men in zich mooiere beelden en rationalisaties opbouwt. De neiging theorieën op te bouwen en stellingen te verkondigen, die aantastbaar of zelfs kennelijk onwaar zijn, neemt in de wereld toe, naarmate men minder eigen fouten erkent en minder de werkelijke waarden van eigen innerlijk in werkelijkheid om kan zetten.

Een voorbeeld vindt u weer dichtbij. Men stelt, dat allen er van overtuigd zijn, dat een belastingverlaging noodzakelijk is. Men belooft dus dat men, mits men aan het gezag komt, een belastingverlaging ten koste van alles door zal voeren. Zodra men gezag heeft, ontdekt men, dat de gelden, die hierdoor aan de staat zouden ontgaan, ook volgens eigen belang wel anders besteed kunnen worden of zelfs, dat de gedane verlagingen onmogelijk zijn, zolang men het huidige bestel als geheel blijft handhaven. Nu zegt men niet, dat men het verkeerd heeft gezien en maakt men niet duidelijk, waarom het gegeven woord niet nagekomen kan worden, doch stelt eenvoudig: Wij zijn nog steeds voor verlaging van belastingen maar menen dat, gezien de omstandigheden, dit thans niet opportuun is. Daarmede wil men dan zeggen, dat men niet anders is geworden, maar voor allen het beste doet – en beseft gelijktijdig, dat men in strijd komt met eigen beloften, eigen geloof, eigen instelling. Het gevolg is een vermindering van vertrouwen in eigen stellingen en beloften.

Daardoor zal men niet meer in staat zijn anderen te overtuigen van zijn goede trouw en zo de mogelijkheid verliezen te strijden voor wat men innerlijk toch wel juist achtte. Een zeer nadelig resultaat dus. Op deze wijze leeft nu menig mens. Hij zegt voor zich: Ik weet in mijzelf, dat dit de waarheid is. Maar hij laat daarop volgen, dat hij deze waarheid niet tot uiting kan brengen. En toch blijft, ongeacht de vele redenen, die men zichzelf daarvoor pleegt te geven, de vraag, of dit nu wel juist is. Onjuiste handelingen brengen immers gevolgen met zich, die ook innerlijk verwerkelijkt en verwerkt moeten worden; de erkenning en verwerkelijking is echter praktisch niet aanvaardbaar, omdat hierdoor het eigen beeld van het Ik moet worden ontkend. Zoals u wel zult begrijpen, is dit een zeer moeilijk punt, omdat men nu eenmaal zijn innerlijke bereikingen en verwachtingen van geestelijke glorie niet graag prijs geeft. Aan de andere kant geeft men ook niet graag iets van eigen uiterlijke waarden, uiterlijk bezit of uiterlijk aanzien prijs.

Meestal ontstaat er een vorm van compromis tussen innerlijke en uiterlijke waarden van het leven, dat nu niet bepaald evenwichtig genoemd mag worden, waardoor men in feite valse en onjuiste waarden aan eigen innerlijk en uiterlijk bestaan toevoegt, waardoor de waarheid moeilijk aanvaardbaar, maar op den duur zelfs onkenbaar zal worden.

U begrijpt dit niet geheel? Een eenvoudig voorbeeld dan.

De slager heeft een lapje iets te licht afgesneden en houdt nu zijn duim op de schaal. De aanwijzing van de schaal geeft nu naar buiten te kennen, dat het lapje het juiste gewicht heeft. Op dezelfde manier hanteren vele mensen hun innerlijke waarden en zelfs hun uiterlijke bereikingen. Daarmede heeft men echter wel een indicatie van een bepaalde waarde bereikt, maar niet een werkelijke juistheid daarvan. De duim van de slager maakt immers het lapje ook niet werkelijk zwaarder? Zolang wij niet ter zake doende waarden toevoegen aan ons bestaan, blijft dit bestaan zichzelf gelijk. Handelen wij alsof het toch in waarde zou zijn toegenomen, dan zullen wij daardoor van onszelf en de wereld te veel eisen en zo wel moeten falen.

Met het voorgaande heb ik mijn standpunt wel duidelijk gemaakt en, naar ik meen, tevens voldoende gepleit voor evenwicht tussen de innerlijke en uiterlijk waarden. Wanneer ik nu, als mens of als geest, contact krijg met een hogere wereld, zal dit betekenen, dat ik aan deze wereld ook in zekere mate krachten kan onttrekken. Wanneer ik voldoende aan die krachten geloof en zo voldoende daarvoor opensta, zal ik die kracht ook kunnen herleiden tot iets, wat in mijn eigen wereld kenbaar en bruikbaar is. Een eerlijk erkennen is in wezen het toegang vinden tot een hogere wereld in het ik – en met de daaraan verwante sfeer buiten het ik.

Wanneer ik dus een innerlijk beeld heb gevormd en van de juistheid daarvan overtuigd meen te zijn, zal het volstaan om daaruit krachten te putten en deze in eigen wereld te uiten. De resultaten doen beseffen in hoeverre het innerlijke beeld juist was.

Exoterisch – dus naar buiten toe – kan dit moeilijkheden met zich brengen. Belangrijk is hierbij de aarzeling, die de mens – en ook de geest – vaak kent, wanneer het erom gaat, zijn geloof, zijn innerlijke waarheid op de proef te stellen. Indien het immers eens niet waar zou zijn, zo zou men niet alleen innerlijk een andere weg moeten zoeken, maar anderen zouden mij nog kunnen uitlachen ook! Men zou voor gek staan, het uiterlijke beeld van het ik, of zelfs het bezit in de wereld zou daardoor aangetast kunnen worden. Bovendien zou het betekenen, dat men misschien van geliefde illusies afstand moet doen. Het resultaat van dit alles is, dat velen innerlijk geloven aan krachten en krachten menen te bezitten, die zij niet gebruiken. Gelijktijdig twijfelen zij aan zichzelf, aan de gaven, die zij zichzelf toeschrijven en aan de mogelijkheid om waar te maken, wat zij voor zichzelf toch steeds weer pretenderen.

Conclusie: Men wordt krachteloos, zelfs indien de innerlijke waarden volledig juist gekend worden en men zal minder krachten bezitten dan iemand, die alleen uiterlijke waarden aanvaardt, en alleen aan zich en het leven gelooft, zoals dezen bv. in de stof of eigen sfeer tot uiting plegen te komen. Door enerzijds naar de geestelijke krachten te grijpen en anderzijds niet de moed te hebben deze ook naar buiten kenbaar te maken, zal men zelfs gehinderd worden in de bereikingen die anders in eigen wereld mogelijk zijn. Men is onzeker in zijn benadering van de buitenwereld, men bevestigt zijn innerlijke waarden niet en is hierdoor voortdurend met zichzelf in strijd. Het gevolg is een toenemende onevenwichtigheid.

Nu kom ik tot een ander beeld: Ik geloof in mijzelf; ik geloof, dat er kosmisch krachten bestaan, dat er een God is en dat ik met die krachten en die God verbonden ben. Gezien het voorgaande is dit voor mij tevens een noodzaak om alles, wat ik innerlijk aanvaard en geloof, zonder voorbehoud of aarzelingen om te zetten in een kracht in mijzelf en een kracht die vanuit mijn wezen uitgaat in de wereld. Zou ik hierin falen, zo kan ik altijd nog aan de hand van mijn ervaringen leren, mijn innerlijke contacten juister te definiëren. Zou ik echter slagen in het uiten van de krachten in mijzelf, dan zal ik hierdoor mijn juiste plaats binnen de wereld vinden. Op het ogenblik, dat ik innerlijk erkend heb, wat werkelijk mijn bron van krachten is en naar buiten toe deze kracht volledig kan manifesteren, heb ik een evenwicht geschapen tussen mijn esoterische en mijn exoterische levenswaarden. Als gevolg hiervan word ik een evenwichtige mens of geest en kan niet meer uit balans gebracht worden door gebeurtenissen of ervaringen. Ik ben daarmee niet alleen voor mijzelf sterk, maar door de vastheid van mijn besef en leven ook voor anderen een bron van kracht geworden. Ik ben als het ware verankerd in de eeuwigheid, zodat niemand mij kan beroeren of mij van mijn plaats zal kunnen brengen. Wat de wereld doet, wat er in de geest geschiedt, laat mij verder koud, want ik heb de waarheid, de eeuwigheid en in alle werelden waarin ik leef, het voortdurende bewijs hiervan.

Dit alles is heel mooi, zolang men geven wil aan anderen. Zolang je bv. zegt: Ik heb een kracht, waardoor ik anderen wil genezen en vanuit eigen gevoel van verbonden zijn met het Hogere iemand geneest, is dit alles wel voor de wereld en voor het Ik aanvaardbaar. Maar stel nu eens, dat men in zich komt tot de conclusie, dat er een goddelijke ordening bestaat, waarvan men deel is, een ordening, die echter niet past in de ordening, zoals deze op de aarde of in de sfeer, waar ik leef, als algemeen aanvaardbaar bestaat. Wat dan? Je kunt natuurlijk ook dan trachten dit innerlijk begrip in de wereld tot uiting te brengen en trachten daar zelf beter en gelukkiger door te worden. Dan kent men strijd. Maar omdat men innerlijke waarden tot uitdrukking kan brengen, is men, ondanks mogelijke ogenblikken van onbehagen, toch in wezen gelukkig.

Overigens is de strijd met de wereld buiten het ik maar betrekkelijk: Omdat het ik waar is, is het ik voor de wereld grotendeels onaantastbaar geworden. Als u dit begrijpt, kan voor u – en voor mij – de belangrijkheid van het vinden van evenwicht tussen innerlijke en uiterlijke waarden in alle bestaan nooit overdreven worden. Maar zelfs dan faalt men vaak. Wat zijn nu de oorzaken, die de mens ondanks dit alles nog onevenwichtig kunnen maken?

In de eerste plaats wel de neiging die men heeft, om eigen innerlijke wet te toetsen aan de uitingen daaromtrent en de beschrijvingen van de innerlijke wet door anderen. Wij kunnen dit zeker goed en met enig nut doen, zolang wij beseffen, dat onze innerlijke weg nimmer geheel gelijk kan zijn aan die van een andere mens of geest, zodat onze bewustwording steeds een persoonlijke is en wij een tot onze persoonlijkheid behorende plaats en taak in het Al hebben, die door niemand anders kan worden vervuld, veranderd, of overgenomen. Vanuit dit begrip kunnen wij dus wel degelijk van anderen iets leren. Indien wij echter, zoals vele mensen en geesten doen, zoeken naar anderen, die het met ons eens zijn, zoeken naar anderen, die ons een voorbeeld vormen, dat wij klakkeloos na kunnen volgen, of zelfs zoeken naar een gezaghebbende meester of een gezag dragend orgaan, dat ons bevelen geeft en de verantwoordelijkheid voor ons draagt, zijn wij verloren. Ongeacht het innerlijk bereikte, of in eigen wereld geuite, wijkt men dan van eigen leven en eigen werkelijkheid af. Want alle esoterische bewustwording is een persoonlijk benaderen van het Goddelijke en de verschillende werelden en krachten, die in stof en geest bestaan. Het is dus een persoonlijke vorm van leven, een eigen weg.

Op het ogenblik dat men deze eigen weg verlaat, bevindt men zich in een moeilijk parket. Soms denkt men dan: “Maar deze weg is zo mooi, zo goed”, dat wij daarmee wel snel zullen kunnen vorderen en vergeten, maar dat wij de middelen niet bezitten om die weg te gaan. Wij zullen dus goed moeten begrijpen, dat het ons eigen wezen is, dat het onze eigen mogelijkheden en middelen zijn, waardoor zowel onze uitingen in het leven, als onze esoterische weg steeds weer bepaald zal worden. Dit houdt ook in, dat de exoterische waarden van ons leven altijd anders zijn dan bij anderen. Daarom kan ook niemand met volle wetenschap en vol begrip constateren, welke mogelijkheden, welk karakter, welke eigenschappen een ander in wezen bezit. Zodat het ook al zeer moeilijk, en wat innerlijke waarden betreft zeker onmogelijk is, een ander te zeggen, wat voor hem of haar nu wel de juiste weg zal zijn. Je kunt alleen constateren, dat een andere mens of geest geheel leeft volgens eigen innerlijke overtuiging en dat de krachten, die hij daaruit weet te putten, voldoende zijn om hem dit bestaan in zekere vrijheid en met zekere vreugdigheid mogelijk te maken. Wanneer u dit nu stelt, wordt het een grote vraag, of de mens er wel goed aan doet, zozeer een gelijkvormigheid met anderen voor zich en anderen te ambiëren. Toch zal hij dit vaak doen en daarbij zichzelf en mogelijk ook anderen afvoeren van het voor hem of voor hen juiste pad.

Nu zijn er twee wegen, die wij kunnen gaan: De eerste mogelijkheid is: overgaan tot een uiten van onze innerlijke persoonlijkheid tegen alles in. Wij kunnen er dan echter zeker van zijn, dat wij worden aangevallen en misschien zelfs aangetast. Onze uiting, zal dan voor anderen onaanvaardbaar worden met als gevolg, dat men deze uitingen zal bestrijden en desnoods het ik, als veroorzaker van deze uitingen, zal trachten te vernietigen.

De tweede weg houdt in, dat wij allereerst stellen: Ik zal niets doen, wat in strijd is met mijn wezen. Ik zal trachten de krachten van mijn wezen te gebruiken, om elke uiting daarvan zo aanvaardbaar mogelijk te maken. Ik zal deze verantwoordelijkheid voor mijzelf aanvaarden en verantwoordelijkheid voor al mijn daden en zelfs gedachten bewust dragen.

Dit heeft bezwaren: Het beleven van eigen innerlijke weg en het uitzenden van eigen persoonlijke krachten in de wereld betekent immers ook, dat je, juist door je pogen met die wereld harmonisch te blijven, tegenover die wereld een verantwoordelijkheid draagt, die zeer groot is.

Je veroorzaakt immers binnen die wereld oorzaak- en gevolgwerkingen, die voor jou goed zijn, maar voor anderen misschien toch niet aanvaardbaar zullen blijken te zijn. In beide gevallen komt het er op neer dat je, omentwille van dit evenwicht tussen innerlijke en uiterlijke waarden, een strijd zult moeten voeren.

Wanneer u uw eigen weg zonder meer zult willen gaan, zult u vele contacten en mogelijkheden, waarop u toch wel prijs stelt, moeten verlaten. U zult bepaalde mogelijkheden om uzelf uit te leven misschien terzijde moeten stellen en afstand moeten doen van aanzien, van de eerbied, het respect, dat anderen voor u misschien koesteren. U zult moeten aanvaarden, dat men u lui, onredelijk, dom, dwaas, onverantwoordelijk, asociaal enz. noemt. Dit doet men niet graag. De grootste belemmering voor het bereiken van een evenwicht tussen uiterlijke en innerlijke waarde is dan volgens mij ook wel gelegen in de behoefte van de mens, om een gemeenschappelijke illusie in stand te houden, tezamen met anderen, een façade te handhaven, die niet waar is, maar wel zekere schijnbare voordelen belooft.

Wat kan deze illusie betekenen?

Zij betekent vooral, dat wij ons plegen neer te leggen bij toestanden, ontwikkelingen enz. die wij in wezen niet kunnen aanvaarden of ons verzetten op een wijze, die niet met ons werkelijk wezen in overeenstemming is. Wij nemen als voorbeeld nogmaals de artsenstaking. Er waren in België zeer veel artsen, die het innerlijk niet eens waren met de gevolgde methoden. Zij trachtten om, zover hen dit maar mogelijk was, aan de consequenties voor zich en hun patiënten zoveel mogelijk te ontkomen. Toch hadden zij niet de moed eigen standpunt openlijk te verdedigen of een keuze te doen tussen de gemeenschap van collegae en eigen besef van plicht. Dit is begrijpelijk. Indien zij zich openlijk aan deze actie hadden onttrokken of zich tegen deze actie verklaard hadden, zo zouden zij door deze gemeenschap van artsen uitgestoten kunnen worden.

Zij zouden dan geheel geïsoleerd gestaan hebben – iets wat voor een arts zeer veel moeilijkheden met zich brengt – terwijl zij ook op andere wijze bij de uitoefening van hun beroep vele moeilijkheden en tegenwerkingen zouden ervaren.

Hun keuze bracht een toenemen van eigen onevenwichtigheid, wat in hun gedrag tot uiting kwam, maar zij meenden niet anders te kunnen handelen.

Zo gaat het ons ook vaak. Wij willen het goede, wij willen alles, wat wij goed en juist achten, tot waarheid maken. Maar alleen, wanneer dit mogelijk is op een wijze, waardoor eenieder ons nog blijft aanvaarden en helpen, alleen op een wijze, die geen feitelijke nadelen of grote offers van ons vergen zal. Verder zijn wij geneigd om, wanneer wij naar buiten toe iets tot stand brengen, daarvoor een erkenning te eisen. Wanneer u iemand geneest, verwacht u dat deze ander dit toe zal geven, zal zeggen, dat u een goed genezer bent en u daarvoor zal danken. Zelfs wanneer u van de dank afstand wilt doen, verwacht u toch nog elders de erkenning, dat u iets goeds tot stand hebt gebracht. Misschien zult u ook weleens werken zonder dit. Maar wanneer het zo gaat, vindt u het, ook al zult u het uiterlijk aanvaarden, toch ergens niet prettig. U bent gebonden aan deze buitenwereld en eist daarvan erkenning. Zolang de mens echter voor zijn werken en streven in de wereld mede afhankelijk blijft van de erkenning door anderen zal – globaal geschat – rond 40% van de feiten voor hem zodanig worden vertekend, dat zij onwaar, waan en voor bewustwording waardeloos worden.

Een esoterische bewustwording kan echter niet bestaan met een zeker percentage waan, waardoor de waarheid niet meer kenbaar is in zijn volle betekenis. Een deel onbegrip, een deel onjuiste voorstellingen zal ongetwijfeld blijven bestaan, ook op het innerlijk pad. Maar deze waarden zullen niet strijdig zijn met de werkelijkheid. De innerlijke bewustwording moet, wil zij enige betekenis hebben, een ongedeeld, een gesloten geheel blijven. Wij kunnen dus in de innerlijke wereld geen afstand doen van bv. een kosmische waarheid en die ten dele door iets anders vervangen. Wij kunnen slechts de kosmische waarheid, zoals deze voor ons kenbaar bestaat, de kracht zoals deze in ons leeft ook, zonder vervormingen of commentaren en verklaringen, aanvaarden.

Daardoor zijn zovele mensen onevenwichtig: Zij kunnen eenvoudig de in wezen ware wereld niet in overeenstemming brengen met een wereld, waarin zij zonder zelfbegoocheling niet kunnen leven. In deze tijd betekent die onevenwichtigheid, dat zij in hun behoefte om naar buiten toe zekere schijn te handhaven en zekere reacties op eigen wezen te veroorzaken, dat men niet kan handelen volgens de waarheid, die men innerlijk kent en zelfs de feiten, zoals dezen in wezen buiten het ik ontstaan, negeert. Het resultaat is een volkomen onlogische ontwikkeling van de mens, maar ook van zijn wereld, hoe logisch misschien ook de argumenten zijn, die hij aanvoert om zijn actie en houding aanvaardbaar te maken.

Waarmede wij aan de vraag komen, hoe de feiten in deze tijd dan eigenlijk wel liggen.

  1. Er bestaan zeer vele in zichzelf onware vormen van leven en denken op deze wereld, die algemeen en openlijk worden aanvaard, terwijl zij innerlijk worden ontkend of verworpen. De reactie naar bulten toe is dus bij de mens van heden voor een zeker deel absoluut en bewust onwaar en kan de werkelijke feiten daardoor zo vervormen, dat men als mens hierop geen voldoende invloed kan uitoefenen, noch snel genoeg zal kunnen reageren bij een wijziging van omstandigheden. Er zijn op het ogenblik invloeden uit de kosmos, die een zeer snelle aanpassing vergen, zowel op geestelijk als op materieel terrein. De mens, door valse schijn belet in het verwerken en tot uiting brengen van deze invloeden, zal ze desondanks innerlijk moeten verwerken. Zijn onevenwichtigheid wordt hierdoor vaak sterk bevorderd. Wanneer een toenemende onevenwichtigheid ontstaat tussen de uiterlijkheden van het leven en de innerlijke beleving, zal men geneigd zijn tot onoverlegde, snelle en niet op innerlijke of uiterlijke feiten gebaseerde acties. Het element der onredelijkheid neemt toe en kan vaak noodlottig zijn als bv. tijdens een paniek, waarbij door de mensen instinctief gereageerd wordt, zonder dat menselijke waarden daarbij in het geding komen. Men kan dus stellen, dat, bij een toenemen van deze onevenwichtigheid ook het element van onmenselijkheid in het gedrag van de mensheid toe zal nemen. Men beseft dit echter wel degelijk. Het enige antwoord, dat men hiervoor kan vinden is het opbouwen van een filosofie in het Ik, die niets meer met innerlijke waarden te doen heeft en een volkomen vervalsing is van alle eeuwige krachten, ja, zelfs van alle oorzaak-en gevolgwerkingen, waaraan een mens deel kan hebben en alle karma, zoals dit in hem bestaat. Anderen komen niet zover, maar stompen af en gaan als mens ten gronde aan hun onvermogen om ook maar iets van hun ware, innerlijke wezen in de wereld tot uiting te brengen.
  1. De onevenwichtigheid kan instinctieve reacties ten gevolge hebben, die een groot deel van het ras aantasten. Wij kennen de trek van de lemming, die zichzelf onder een dergelijke invloed vernietigt. Wij zien echter ook andere, even verbluffende instinctieve reacties als de trek van paling en glasaal. Ook deze laatsten gaan onberedeneerd enorme risico’s aan, zonder te weten waarom. Wanneer de mensheid in meerderheid onevenwichtig wordt en geen stabiliserende invloed meer aanwezig kan zijn, zal ook hij als gevolg van een volkomen onevenwichtigheid tussen uiterlijke en innerlijke waarden, geheel instinctief gaan reageren, waar dit hem van strijd en alle noodzaak tot zelferkenning schijnt te ontheffen. Deze instincten houden echter niet noodzakelijk rekening met het zelfbehoud en kunnen onder omstandigheden zelfs de drang tot zelfbehoud geheel uitschakelen. Ook voor zoiets als menselijkheid blijft er dan geen plaats meer over. Er is alleen nog sprake van een haast wanhopige poging het ik binnen de wereld tot uiting te brengen.
  1. Gezien de eigenschappen van deze tijd mogen wij dan aannemen dat de toenemende onredelijkheid, onwil om eigen onevenwichtigheden en onjuist handelen of denken te erkennen, gepaard gaande met de onwil om de werkelijke consequenties van eigen handelingen, bestaan en streven zowel innerlijk als naar buiten toe te aanvaarden, zal voeren tot een vernietigingsdrang bij velen, die tegen eigen wezen gericht kan zijn, maar ook wel degelijk tegenover anderen tot uiting zal komen.
  2. Vernietiging is in deze tijd echter niet aanvaardbaar, omdat in alles, wat bestaat, ook positieve waarden aanwezig zijn. De nadruk leggende op deze positieve waarden kan eenieder, en alles kan door de meer bewuste gemaakt worden tot een beleefd deel van de eeuwigheid. Het “andere” kan door een juist besef a.h.w. worden bezield met goddelijke krachten en kan worden gebruikt om de volmaaktheid, waarvan wij plegen te dromen, ook in de materie reeds enigermate uitdrukking te verschaffen. Op een zelfzuchtige basis echter zal dit niet mogelijk zijn.

De innerlijke waarden, die op het ogenblik bereikt kunnen worden, zijn – mede door de kennis, die de mens ten dienste staat en de voorlichting op velerlei terrein, die hem gegeven wordt, zowel als door de tijd, die hij ter beschikking heeft om eens over alles na te denken – dichter genaderd tot een kosmische werkelijkheid, dan in andere tijden. Zodra de mens aan het eeuwige geen maatstaven tracht aan te leggen vanuit zijn eigen wereld, maar komt tot een volledige innerlijke beleving, om vandaar uit zonder beredenering of een overwegen van de overdrachtelijke betekenis daarvan, deze onmiddellijk te maken tot een uiting binnen de materie, zal hij sterk zijn en bereikt een positief kenbaar maken van de mens in de beste zin des woords.

Menselijkheid is in deze dagen belangrijker dan u zich voor kunt stellen, omdat de vraag, die in deze dagen beantwoord zal moeten worden, luidt: Kan de mens als individu en met een persoonlijke bewustwordingsmogelijkheid binnen deze stoffelijke vorm, verder voortleven, of zal hij zichzelf terugbrengen tot een soort mierenbestaan, waar het individu wel bestaan kan binnen het kader van de gemeenschap, maar zo weinig vrijheden heeft, dat niet meer van een persoonlijke, maar slechts van een gemiddelde gemeenschappelijke bewustzijnswaarde kan worden gesproken, en dit laatste bestaat ook voor dieren.

Het feit, dat deze tijd zulke problemen kent en opwerpt, wijst erop dat een evenwicht tussen innerlijke en uiterlijke levenswaarden niet alleen maar een kwestie is van persoonlijk geluk of een zuiver persoonlijke bewustwording, maar voor alles betekenen zal, dat de mens, die dit inzicht bereikt, daardoor aan de wereld als geheel, aan de mensheid grotere mogelijkheden zal geven.

Wanneer alle zaad onvruchtbaar is, hoe wil men de akker nog bezaaien? Wanneer alle mensen in deze dagen de menselijkheid in zich laten sterven, hoe zal er nog een mensheid kunnen bestaan?

Op deze vraag zal een antwoord gegeven moeten worden. Al weten wij, hoe dit antwoord luidt, toch wordt het niet door de mens gegeven. De feiten zijn beslissend, niet ons antwoord. Het zijn de feiten, de invloeden van buitenaf, die beslissen over de vorm, waarin bewust leven op uw wereld verder zal groeien. De feiten van innerlijke wereld en mogelijkheden, hoe persoonlijk deze verder ook zijn, zullen beslissen wie en wat nog verder als “mens” in de materie zal kunnen incarneren.

Bij dit alles geldt nog iets anders. Ik kan dit misschien als volgt duidelijk maken in dit laatste deel van mijn betoog: Men kan u zeggen, dat u krachten bezit of dat u krachten gegeven worden. Wanneer u deze krachten niet voelt, heeft u daaraan niets. Wanneer u dergelijke krachten wel kunt aanvoelen, maar deze alleen aan anderen toeschrijft, zullen zij voor u van voorbijgaande aard zijn en niet veel nut voor u betekenen. Wanneer u echter beseft, dat deze kracht deel is van uw eigen wezen, blijft zij bij u. Wanneer ik hier dus via een bezweringsformule of iets dergelijks een zekere geladenheid, een zekere kracht doe ontstaan, is dat wel aardig. Maar wat hebt u er aan? Alleen wanneer uw eigen wezen de bron van deze kracht beseft en in zich de bron van deze kracht ontdekt – ze tot deel makende van eigen zijn – zal men deze kracht waarlijk ontvangen en blijvend kunnen bezitten.

Wanneer u die kracht bezit, kunt u echter niet zeggen: Nu ben ik vol van kracht, ik sluit dus de kraan af. Want deze kracht is als het licht van de zon: Je kunt ook niet zeggen: Het is nu licht genoeg in de kamer, doe het gordijn maar dicht, want dan wordt het meteen donker. Zo gaat het ons, wanneer wij in onszelf een zekere Kracht ontdekt hebben: Wij moeten deze toepassen. Wij mogen dit wel degelijk ook op ons zelf doen. Wij mogen die innerlijke kracht dus gebruiken om onszelf te genezen, wanneer dit mogelijk en noodzakelijk is. Maar er is meer kracht, er is dan nog steeds kracht over. Deze moet men dan naar buiten het ik richten, zo een innerlijke waarde naar buiten brengende. Men hoeft hiervoor geen magische bewegingen en gebaren te maken. Men kan dit eenvoudig doen door de wijze, waarop men denkt, beweegt, spreekt, ja, zelfs ademt.

Wat impliceert, dat in deze tijd niemand veel voor u zal kunnen doen, tenzij u het zelf innerlijk waar maakt. Verder betekent het, dat u alles, wat u innerlijk waarmaakt, alleen maar kunt behouden door het ook buiten u tot waarheid te maken. Waarmee wij weer tot de regel komen, die voor alle leven zo belangrijk is: De harmonie, die ik nu bezit – ook tussen innerlijk wezen en wereld buiten mij – schept een eeuwige, onveranderlijke en onvergankelijke waarde. Datgene, wat ik uit mijn innerlijk in het heden schep, zonder daarmee een voldoende evenwichtigheid in het heden te bereiken, zal alleen door een voortdurend streven zijn waarde kunnen verkrijgen. Dit zal het geval zijn op het ogenblik, dat door mij uiterlijk bestaat, wat ik innerlijk als waar en juist heb erkend. Kom ik niet tot een uiterlijke verwerking, dan is dit streven nutteloos.

Ook deze regel vereenvoudigen wij: Er zijn hier in de zaal nogal wat “kneusjes”, waaronder enkelen, die nogal wat innerlijke kracht kennen, innerlijk aan deze kracht geloven en zich daarvan op de een of andere wijze toch weer distantiëren door een: “Maar ik ben toch niet waardig”, of; “ik kan dat toch niet, dat is toch onmogelijk”, enz. Laat ons nu eens de proef op de som nemen. Wij trachten allen eenvoudig alles, wat wij in onszelf geloven als Licht en Kracht, toe te passen op onszelf en de wereld rond ons. Alleen één ding: U moet wel onthouden dat, zo u als gevolg van deze proef minder kneus of zelfs kneus-af wordt, u, om deze toestand te behouden, de activiteit, die in u plaats vond, ook buiten u zult moeten voortzetten. Wij maken er verder geen plechtigheid of inwijding van. Dat zou weinig zin hebben. Wij gebruiken een eenvoudige formule, een overweging: De aarde leeft. De kracht van de aarde is een Licht, dat uitreikt naar het Licht des hemels. Vanuit de aarde rijst een Lichtende vlam op, zoals vanuit mij het Licht van mijn ziel oprijst als een vlam naar het hogere.

Ik wens, ik wil, dat deze kracht in mij opstijgt om het hogere te ontvangen. De kosmos boven mij is Licht, zij is onmetelijke kracht. Wanneer ik mij richt tot haar is het, of zij wordt tot een vlam, die komt om mij, mijn wezen en mijn wereld te ontmoeten.

Ik zend mijn ziel omhoog tot het Licht. Het licht komt tot mijn wezen, het wordt Kracht voor mijn geest, het wordt Kracht voor mijn lichaam, het verbindt mijn gehele wezen met de oneindigheid. In deze Kracht wens ik harmonie te vinden, opdat in mij het vuur van de wereld en het vuur der oneindigheid, het Licht van de eeuwige en het ontluikende Licht der bewustwording voortdurend verbonden mogen zijn.

Als u dit met mij mee hebt gezegd en u zich dit realiseert, dan zijn er verder geen uitbarstingen van geluid en wijdingen noodzakelijk. Dan zult u ontdekken, dat uw kwalen minder worden, dan zult u ontdekken, dat u opeens wat helderder denkt. Dan zult u kort en goed ontdekken, dat er iets voor u verandert.

Houdt dit beeld voor ogen en u zult ontdekken, dat het steeds sneller verandert. Maar wanneer u ontdekt, dat u zich weer vol welbehagen door het leven beweegt, bedenk dan ook dat u deze Kracht in u, aan anderen zult moeten doorgeven, of terug zult moeten keren tot uw toestand, zoals zij op dit ogenblik was. Dit is een vorm van evenwicht tussen uw innerlijke en uw uiterlijke wereld, die in deze dagen wonderen kan verrichten. Zo u deze wonderen beleven wilt, zult u, uzelf, moeten werken. Door zo te werken, zult u niet alleen voor uzelf een evenwicht scheppen, maar ook voor anderen een evenwicht mogelijk maken, waar – door de zegeningen van deze tijd – de krachten die optreden steeds meer naar voren komen, terwijl de duistere onzekerheid en onevenwichtigheid die de wereld der mensen zo vaak reeds bedreigde, steeds meer op de achtergrond geraakt.

Het is dus heel eenvoudig – en dit wordt meteen mijn slotconclusie in dit betoog: “De Eeuwige Kracht is altijd met de mens, hoe de mens deze ook vanuit zich wil zien. Zo de mens deze Kracht in zich kan beleven en aanvaarden, haar door zich kan doen werken in de wereld, is hij deel van de vernieuwing, is zijn wezen bewust deel van de eeuwigheid en kent hij het evenwicht, waarin hij waarlijk zijn God ontmoet.”

Dit is dan werkelijk het einde van mijn betoog. Ik wijs er nog op, dat in het tweede deel van deze bijeenkomst mogelijk een gast het woord zal kunnen nemen. Verder hoop ik, dat u vooral dat laatste lesje niet meteen vergeet, maar probeert, er iets mee te bereiken. Want daar zit voor velen onder u zeer veel in.

Inleiding – Gastspreker

 Voor onze gast komt, wil ik een kleine inleiding houden.

Zoals u bekend zal zijn, wordt er regelmatig eens per jaar een bijzondere bijeenkomst gehouden, bekend onder de naam Wessac vallei-bijeenkomst, onder auspiciën van de Witte Broederschap.

Deze bijeenkomsten hebben een zeer bijzonder karakter, omdat zij niet slechts pogen grote krachten op aarde kenbaar te maken, maar tevens een zeker beraad inhouden. Men zou kunnen zeggen: Een manifestatie, gevolgd door een congres.

Deze congressen houden vaak in, dat men een richting van streven vaststelt voor een komend jaar, er is sprake van een prognose voor sommige ontwikkelingen en brengen verder met zich, dat men het ingrijpen op aarde bepaalt, dat voor de komende periode aanvaardbaar en verantwoord wordt geacht. Ook kosmische werkingen en krachten worden in dergelijke bijeenkomsten eveneens besproken, terwijl men aan het optreden daarvan bepaalde conclusies pleegt te verbinden. Reeds voor deze bijeenkomst vormen zich dan ook wel bepaalde fracties, die elk een eigen zienswijze hebben en reeds tevoren trachten om de krachten, die komen – waarvan zij wel het een en nader weten – te interpreteren binnen het kader van de mens, de wereld en de situaties, die bestaan of door deze krachten waarschijnlijk zullen ontstaan.

Onze gast van heden was eens een soort halve Tibetaan en behoort tot de Raad van Twaalf. Er is een Raad van Zeven en twee Raden van Twaalf. Onze gast behoort tot de tweede Raad van Twaalf. Omdat de komende tijd zovele problemen op zal werpen, tracht men vanuit de Broederschap reeds nu een zeker inzicht op aarde mogelijk te maken en leringen te verstrekken, die naar men aanneemt, in de toekomst van buitengewoon groot belang kunnen zijn.

Onze Orde sloot zich hierbij aan en tracht dan ook, vanuit eigen standpunt en mogelijkheden, dergelijke leringen te verstrekken, de mensen een zo juist mogelijke wijze van denken en redeneren bij te brengen enz. Naar ik aanneem, zal onze gast u, gezien zijn status en de activiteit, die hij zowel in onze groep als in andere groepen ontwikkelt, waarschijnlijk enig inzicht willen geven in de problemen, die bij een bijeenkomst van de Raad kunnen rijzen.

De achtergrond van dit alles is kosmisch bewustzijn. Wat in wezen betekent: Begrip voor de plaats, die je inneemt in het heelal. Stoffelijk kan deze plaats nogal eens variëren. De aarde reist met de zon door de ruimte en kan zo nogal eens haar relaties met kosmische krachten, die een scheppende invloed hebben, wijzigen.

Een soort overdracht tussen twee van deze scheppende krachten in de kosmos is op het ogenblik aan de gang. De problemen van de Broederschap vloeien ten dele hieruit voort. De oplossingen zullen moeten worden gevonden in een begrip voor deze twee grote krachten plus de feiten en ontwikkelingen van de wereld tot op heden.

Ik hoop dan ook, dat u het betoog van onze gast van heden de aandacht zult geven die het verdient, niet alleen als een esoterische les of een predictie – dit element kan er in voorkomen – maar vooral als een poging om duidelijk te maken, wat er nu reeds gaande is en wat daarbij van hogere krachten of van de Broederschap aan ingrijpen verwacht kan worden.

Ik hoop, dat hij ook een definitie kan geven van de verhouding mensheid – Witte Broederschap.

Dit kan onder de huidige omstandigheden voor een goed begrip zeer belangrijk zijn.

Ik mag nu het woord overgeven aan onze gast en wens u alvast een prettige bijeenkomst toe, maar blijf met u luisteren naar hetgeen onze vriend ons komt vertellen.

Gastspreker

Wanneer de Broederschap haar taak op aarde op de juiste wijze wil vervullen, zo zal zij moeten uitgaan van de krachten, die de kosmos biedt plus het bewustzijn van de Goddelijke Kracht, van de juiste wet, die wij allen kennen in het geheel van alle leven.

Op aarde is dit een tijd van veranderingen. De mentaliteit van de mensen heeft zich in sommige opzichten in een halve eeuw ontstellend gewijzigd. De gedachten, die de mens brachten tot productie, tot geestelijk streven, kregen een ander karakter. Daarin werd reeds kenbaar de nieuwe invloed en de nieuwe wet, die in deze dagen steeds sterker haar stempel zal zetten op alle activiteit van onze gemeenschap.

Nu is alle leven een cirkelgang: Dat wat is geweest, keert weer. In de verscheidenheid der vormen ademt steeds dezelfde geest. Ook wij zien, hoe de taak van onze gemeenschap keert tot dat, wat eens was en hoe het lot der mensheid ons confronteert met dezelfde moeilijkheden en mogelijkheden, die ook in het verleden de mensheid de mogelijkheid boden, om uit te stijgen boven elk dierlijk zijn. Ik wil op deze bijeenkomst trachten een klein overzicht te geven van alles, wat ons, als oudere broeders op deze wereld, beroert.

Wanneer een mens rijper wordt in denken, zo zijn de wegen, die hij moet gaan, hogere en steilere wegen dan voorheen. De mensheid heeft hiervoor macht nodig en kennis. Macht en kennis, die vaak zijn eigen begrip nog te boven gaan. In een tijd van overgang zal men hen die kennis en macht dus moeten verschaffen.

Ook wij kunnen daaraan geen paal en perk stellen. Maar een mens, die niet gewend is aan een dergelijke macht, een mens, die in zijn denken nog niet geneigd is de grenzen van eigen persoonlijk zijn te verbreken en binnen te treden in een hogere en grotere wereld, zal zijn macht soms verkeerd zien, zijn krachten verkeerdelijk gebruiken.

Ons probleem zal in de komende tijd vooral zijn, hoe wij de mens een besef kunnen bijbrengen van zijn verantwoordelijkheden, zonder hem daardoor ook maar iets van zijn individuele ontwikkeling en vrijheid te doen prijs geven. Daartoe zal moeten worden ingegrepen op menig terrein.

Figuren, die teveel afremmen, zullen moeten vergaan: Zij, die in de ogen der mensen groot waren en gezag bezaten, zullen vergeten moeten worden, omdat het nieuwe aanvaard moet worden. In sommige opzichten vrees ik, dat het komende jaar onze krachten zal richten op iets, wat in veler ogen een chaos is.

Ook de natuur zal moeten worden betrokken in dit streven, want men kan niet slechts met de zielen der mensen spelen, zonder daarbij hun gehele wereld te beroeren. Daarom is het spel verboden en mag slechts met strengheid en naar noodzaak volbracht worden, wat hoogstnoodzakelijk of zelfs onvermijdelijk schijnt.

Nu brengt de mens zichzelf in deze dagen in een positie, die wij vroeger misschien met een hellewereld vergeleken zouden hebben. Een hellewereld is een wereld, waarin alles van korte duur is: De vreugde is nog niet ontstaan, of zij is geblust. Dat, wat de handen hebben gemaakt, vervalt reeds, voor men trots heeft in het vervaardigde. De relaties die ontstaan tussen mensen, sterven reeds in onbegrip voor zij de eerste vreugden van werkelijk begrip hebben gekend. Uw wereld lijkt wat op zo een hel: Zo een wereld, waarin alles bevriest door gebrek aan kracht.

Nu weten wij, dat de krachten die komen ontstellend grote krachten zijn. Krachten, vergelijkbaar met de kracht der zon op de bergen, die de gevaarlijke ijstorens mors doet worden, tot zij ineenstorten in het spel van de wind. Wat heden nog een begaanbare weg is, is morgen niet meer te betreden. Zo is het in de bergen, als de zon opkomt. En wat op aarde komt aan kracht, is als die zon: Het betekent, dat vele wegen onbegaanbaar zullen worden.

Het betekent, dat vele dingen ineen zullen storten. En toch moeten wij een veilige weg banen voor de mensheid! Zo meen ik, dat zekere besluiten voor onze Orde haast onvermijdelijk zullen worden, voor onze Broederschap, die de verantwoording wil dragen voor een verdere ontplooiing van bewustzijn.

Allereerst zal het de tijd zijn van de tweede vloed, die rond de wereld gaat. Wij kunnen een dergelijke vloed afremmen, maar niet stilzetten. Een vertragen van de werkingen, die vanuit Azië over de wereld gaan, zal in het komende jaar vele moeilijkheden baren, vrees ik. Zo de mensen echter leren, eerst mens te zijn en dan pas te denken aan hun leuzen, zo zullen wij er in slagen deze vloed te maken tot een vrucht brengende – zoals de overstroming van grote rivieren die kostbaar slib achterlaten in de dalen.

Daartoe zal menig begrip van ideaal moeten worden aangetast. Wij weten, dat in deze jaren verder een grote spanning zal ontstaan tussen de levensbehoeften van de mens en de levensmogelijkheid, die hij zichzelf geschapen heeft. Hij zal onrechtvaardige eisen stellen.

En wij zullen moeten trachten deze onrechtvaardige eisen om te buigen tot conflicten, die een verbetering en een juister stellen van feiten mogelijk maken.

Reeds in het vorige jaar heeft men besloten het aantal gezondenen, dat over de wereld gaat, uit te breiden. Steeds meer heeft men getracht mensen bewust of onbewust in te schakelen in een machtige keten, die de invloed ten goede van geestelijk inzicht, van een zekere vrijere filosofie kan brengen. Ik meen, dat het komende jaar aan degenen onder hen, die daarvoor rijp zijn, bijzondere krachten zal toekennen.

Het is niet mogelijk alles vanuit de geest te regelen. De Wijze, die wil mediteren, zendt zijn leerling uit met de bedelnap, opdat hij mag eten. Zo zal de Witte Broederschap velen op aarde krachten en macht moeten geven, opdat zij ons het voedsel brengen waardoor wij onze taak van evenwicht brengen en van het egaliseren der krachten verder kunnen volvoeren.

Invloed zullen wij ongetwijfeld moeten doen gelden in het geloof der mensen, dat van een beleving is geworden tot een gebruik. Daarom zullen wij ook binnen de verschillende geloofsgemeenschappen – de grote en de kleine – conflicten doen rijzen. Wij zullen hen confronteren met nieuwe noodzaken en onvermoede mogelijkheden. Ook dit lijkt mij onontkomenlijk.

Dan zijn daar degenen, die zeggen de mensen voor te gaan op een pad, dat voeren zou tot vrede en welvaart. Maar welke dwaas kiest zijn pad over een gevaarlijke bergengte, wanneer er een goede weg is door de dalen? Wij zullen hen moeten dwingen gevaarlijke stappen te doen. En velen zullen vallen.

Dan is daar de aarde zelf. De aarde die, al beseft de mens, die op haar leeft dit zelf nog niet, kraakt in al haar voegen. Zij is een wereld van begoocheling. Zij is schijn. Maar wanneer zij beeft, is de angst der mensen werkelijk en is het lijden en is de dood, die daaruit voortkomen, eveneens werkelijk. Ik vermoed, dat wij veel kracht zullen moeten besteden, om de komende rampen te beperken. Want gij, mijne vrienden, broeders en zusters dient te beseffen: Wij willen niet uw lijden, maar uw welzijn.

Wanneer gij ons steunen wilt in het werk, dat wij verrichten, zo zijn er eenvoudige eisen, die gij aan uzelf kunt stellen: Weest eerlijk. Want hij, die zichzelf bedriegt is een dwaas, die de waan stelt voor alles wat werkelijk is en daarin verdoolt.

Beroep u op de Kracht, die in u leeft. Want in uzelf hebt u onvermoede reserves aan kracht, hebt u vermogens, waarvan u nog geen besef hebt. Leer uw volledige krachten te gebruiken. Leer volledig te denken.

Leer te zien, te horen, te beleven. Want wie in de volledigheid van leven zoekt naar waarheid, ziet het onveranderlijk patroon van de eeuwige.

Indien gij spreken wilt tot uw God of uw Goden: Bidt zoveel gij wilt, maar bidt oprecht en niet voor uzelf.

Zendt uw gedachten uit voor vrede, rust en wijsheid. Want deze dingen zijn voor onze Broederschap een gave, waarmee wij veel kunnen bereiken.

Ik verlang naar een samenkomst, opdat besloten moge worden, dat een nieuwe materiële weg van inwijding voor de mens worden opengesteld. Want hij die komt, is nog ver weg van u volgens uw begrip van tijd, en Hij, die kwam om de weg te banen, is al heen gegaan, zijn werk draagt eerst langzaam vrucht. Nieuwe wegen tot inwijding – ook stoffelijke inwijding – zullen moeten worden opengesteld in de komende jaren. Met de kracht, die thans uw wereld beroert, hoop ik, dat de Broederschap zal besluiten reeds nu enkelen toe te laten.

De banden, die wij hebben geknoopt via de weg van de geest en andere gemeenschappen als het Verborgen Rijk, zullen in intensiteit waarschijnlijk wat moeten verminderen.

De taak, die de Witte Broederschap op zich moet nemen is van een dermate groot belang, dat voor kleine contacten weinig of geen ruimte blijft. Wij zullen daarom moeten trachten zelfstandige entiteiten te zenden, die de taak van geestelijke regeling over kunnen nemen. Of dit in het komende jaar reeds zal zijn, durf ik niet te zeggen.

O broeders en zusters, de wegen, die bepaald worden, worden bepaald aan de hand van de Hoogste Kracht.

Dan is er een laatste en moeilijke vraag voor ons: Er zijn gegevens omtrent oudheid en nieuwe tijd, waarover wij kunnen beschikken, ook in de materie. Maar zo wij ze aan de mensen geven, zullen zij zeer veel opzien kunnen baren. Zonder direct godsdienst, geloof, politiek of economie aan te tasten, zouden zij toch bij velen een nieuwe visie daarop tot stand brengen. Ik weet, dat in de komende jaren een reeks van deze schrifturen en voorwerpen aan de wereld gegeven zal worden. Maar ik vraag mij af, of dit reeds in het komende jaar het geval is. Toch zou ik dit gaarne zien. Want al wat gij bezit en denkt te zijn, kan alleen door de vernieuwing, door de eerlijke confrontatie met de oude waarheid, de oude kracht zowel als de nieuwe waarheid en de nieuwe kracht en de verborgen dreigingen van de nieuwe tijd, waarlijk tot stand komen.

Het is wat ongebruikelijk, dat men zich tracht te verantwoorden tegenover een wereld; toch wil ik trachten dit te doen. Reeds nu. Omdat ik weet, dat de mensen in deze dagen een doel nodig hebben. En wie kan een doel vinden, wanneer hij geen redenen kent: Wie kan een ontwikkeling begrijpen, wanneer hij niet weet, welke problemen daaraan ten grondslag liggen?

Wat wij u kunnen geven op deze wereld is onze poging u te behoeden. Onze kracht en onze genegenheid, is een trachten u te leiden. Er zijn zelfs een aantal leraren, die, ofschoon wat zelfstandig werkende, u kunnen brengen tot juiste geestelijke contacten en inzichten. Maar dat, wat slaapt onder de aarde, is ontwaakt. De rijken der legenden benaderen weer uw tijd.

Zult gij in staat zijn, dit te aanvaarden?

Zo gij waarlijk liefde hebt voor het leven en niet alleen voor het leven der materie, zo kunt gij veel verdragen.

Zo gij in uw leven de vreugde en de uiting weet te vermengen met de uiting en de gerichtheid op het goede, zo zult gij de kracht hebben, om veel openbaring te aanvaarden.

En zo gij de krachten, die in u leven, leert gebruiken om vanuit uzelf Licht te dragen, zo kunt gij menige kracht ontvangen op bewuste wijze, voor zij u overweldigt.

Wij wachten niet op een strijd van licht en duister. Geen Armageddon, geen laatste veldslag. Wij wachten op de storm, die dood hout breekt, opdat in de lente alles bloeien kan. Wij wachten niet op een nacht, waarin alle leven dooft, maar op de zonnige dag, waarop alles veranderen kan, zodat het zelve deel wordt van het Licht.

U wacht nog een grote tijd. En wanneer gij u afvraagt, of deze dingen onvermijdelijk, of zij noodzakelijk zijn; wanneer gij u afvraagt of er geen andere wegen bestaan, zo verzoek ik u te bedenken, dat vele van onze broeders – ouder dan gij, sterker dan gij – naar beste weten en met de krachten der kosmos zelf, werken en streven, om slechts het noodzakelijke lijden, maar een overvloed ook aan vreugde te schenken aan allen.

Verwacht van ons geen formule en geen zegen. Verwacht van ons niet een verlossing. Deze dingen brengt men u vanuit de kosmos en zult gij alleen daarin vinden. Maar bescherming, genegenheid, eenheid brengen wij u waar wij kunnen.

Ontwaak tot uzelf, o kleine broeders en zusters, die nog leven in de stof.

Besef, dat het wentelen van het rad des levens onbelangrijk is, maar dat de kracht, die het rad voortdrijft, altijd belangrijk blijft.

Besef, dat het kleine beleven der dagen onbelangrijk is, maar dat het voedsel, dat de ziel daaruit verwerft, eeuwig is.

Besef, dat de kleine dingen van uw tijd helpen om een eeuwige mensheid te vormen die niet onderworpen is aan materie, tijd of ruimte, doch is de edele gedachte zelf.

Waarlijk streven en werken wij, soms zelfs kerende uit onze rust, om u lering te geven, zodat gij rust mag vinden.

Wees zonder angst en weet dat, waar dit mogelijk is en via alle kanalen, waarover wij beschikken, u de kracht zal worden gegeven, u het inzicht zal worden gegeven, waardoor gij weten zult, dat deze oude broederschap ook werkt in deze tijd voor u en met u.

Ik kan u het wonder niet doen zien, dat mij in staat stelt tot u te spreken en meer mijzelf te zijn, dan ik had gehoopt of verwacht.

Maar deze wonderen bestaan in duizendvoud en telkens weer zal een mens die daarvoor geschikt is, gekozen worden, om het grote werk op aarde uit te dragen, om de boodschap te geven, die noodzakelijk is.

Wanneer u een vreemde spreekt en gij hoort in zijn spreken een wezen, dat verder treedt dan de materie, luistert wel.

Velen worden gezonden en elke leerling kan u het pad tonen tot zijn Meester.

Wees vrij van gebondenheid aan begeerten. Wees vrij van angst, wees vrij en eerlijk in uw leven en gij zult de eeuwigheid erkennen in de eenvoudige jaren van de aardse tijd…..

image_pdf