Esoterische en wijsgerige leringen

20 april 1958

 Mijn gedachten gaan allereerst uit naar de oude tempels van Japan, waar men droomt van de tijd, dat de kersen bloeien. Dan staan de oude godsbeelden daar temidden van een zee van rose, geurige bloesems en dan is een heel volk gelukkig.

De wijzen van zo’n land denken vaak juist over deze feestelijkheid, over deze glans en glorie, die voor een korte wijle over het land ligt. Om een paar van hun treffendste gezegden naar voren te brengen; “Wanneer de kersenbloesem bloeit, juicht het land. Doch eerst wanneer hij valt, draagt de boom vrucht.” Een andere; “Men juicht over de bloemen aan de bomen en ziet niet meer de dreigende vulkaan, die rookt op de achtergrond.”

Wanneer je naar het menselijk leven kijkt, dan lijken deze beide spreuken wel bijzonder toepasselijk. Ook in de wereld moet eerst de bloesem vallen, moet eerst de feestelijkheid van het leven een beetje teloor gegaan zijn, voordat het vrucht kan dragen en werkelijke betekenis hebben. Van wie jong geboren wordt – en naar men zegt is dat met ieder het geval, maar niet met iedere geest, die incarneert – wordt verteld door de oude wijzen (o.a. door Asaka Kananda), dat hij droomt in de vreugde van het bestaan. Maar wie ontwaakt ziet een barre werkelijkheid. Een werkelijkheid, die hem dwingt om altijd voort te streven, altijd voort te gaan. Want stilstand betekent uitblussing en dood. Maar wie voortstreeft en alles doorstaat, wat het leven biedt, vindt nieuwe vrijheid; Een vrucht, waaruit de nieuwe wereld kan ontstaan, die woont in mensenharten en toch is de wereld van de grootste scheppende Kracht.

Aan de andere kant heeft ook de tweede spreuk ons iets te zeggen. Want hoe vaak laten wij ons niet bekoren door al, wat het leven te bieden heeft. Wanneer wij op aarde zijn, dromen wij over de vreugden van een eenvoudig stoffelijk bestaan zonder te beseffen, hoe dreigend daar op de achtergrond de machten van de natuur – van de geestelijke noodzaak ook – steeds weer tonen, dat ze leven en bestaan. De mens, die zich overgeeft aan de simpele eenvoudige vreugde, is een gelukkig mens. Ongetwijfeld. Maar wanneer hij deze simpele vreugde tot het doel van zijn leven maakt zonder de inhoud ervan te begrijpen, is voor hem de dreiging van een ondergang in een vurige wereld zeker niet uitgesloten.

Ons leven moet altijd gebaseerd zijn op de kosmos. Het is een veel gebruikt woord. Het is een gezegde, dat je overal hoort en dat langzamerhand al dood is geworden, omdat niemand meer probeert te begrijpen, wat er eigenlijk mee wordt bedoeld. Laten we dan eens proberen om die kosmos voor onszelf te ontleden. Ik ken o.a. in onze wereld Ichab ben Asir, die eens in zijn tijd op aarde een dichter en filosoof was. En deze tekende ons dit beeld van de kosmos; “Alle dromen, tezaam gevangen in een ijle bol van nachtelijke blauw. Kosmos. Alle verwachtingen, beschaamd in het licht der sterren. Kosmos. Alle waarheid, ontrukt aan het vergeten, dat ligt in de schaduwen van de nacht en geworden tot licht.”

Ik hoop, dat onze vriend Ichab zo dadelijk ook voor U zal willen spreken over zijn eigen denken en geloof. Maar dit mag ik dan al vast ontnemen aan de rijke schat van gedachten, die hij ook ons in onze wereld brengt. De kosmos is eigenlijk alles, wat voor ons mogelijk is.

Maar altijd weer ligt er een achtergrond van onwerkelijkheid. Het is een kleurige projectiel en pas wanneer wij de waarden kunnen reverseren, wanneer wij de onbetekenendheid, de droomtoestand, die wij leven noemen, kunnen erkennen voor wat zij is, zien wij de werkelijkheid, die leeft in de kosmos, de lichtende kracht. Om de eenheid te bereiken met die kosmos moeten wij zeker ook de simpele waarden van het leven kunnen waarderen, maar moeten ze op hun juiste plaats weten te zetten.

In de christelijke beginselen wordt gesproken over het Koninkrijk Gods. En dit Koninkrijk Gods leeft in ons, zo zegt men. Maar wanneer wij terugkeren tot de gedachtegang van bv. de taoïstische monniken van Japan, dan ligt onze wereld vast. Zij is een doolhof, waardoor wij ons bewegen, vrijelijk gaande nu deze weg dan gene, maar slechts in staat een uitgang te bereiken, wanneer wij ons houden aan de voorschriften, die wij hebben gekregen, toen wij dit pad betraden. Er zijn op onze weg altijd weer dagen met zon, met bloesem, met een glimlach. Evenals er de barre tijden zullen zijn of de verschroeiende zomer, wanneer het blad stoffig neerhangt aan de bomen en de vrucht zich nog niet heeft aangekondigd.

De vrucht van ons leven ligt ook verborgen. Niet in de eerste plaats in het jeugdige ontwaken op een wereld als een jonge geest met een volle intensiteit van beleven en een rijkdom van ervaringen voor je, waaruit je roekeloos put als uit een schatkist, die geen bodem, geen begrenzing kent. Je moet als een oudere geest leren niet meer te grijpen naar de ervaring per se. De ervaring is slechts een middel geworden, een middel om een werkelijkheid te erkennen, die ver ligt achter al wat ervaring heet. Je droomt. En je droom noem je leven. Het is een droom vol wondere schoonheid, waarin de bronzen klokken kunnen klinken, de monniken zingen en de bloesem als een witte regen over het land ligt. Een droom, die bar kan zijn als de woestijn, grauw met rotsige punten aan de einder en op de voorgrond het verraderlijke zand, dat golvend zich voortbeweegt op de adem van de wind.

Het leven bevat al wat je je kunt voorstellen op de wereld. Maar dat is niet de werkelijke zin van het bestaan. Het is wat achter het leven verborgen ligt. Het is de inhoud van het leven, die belangrijk is. Want wij kunnen immers niet de ervaringen, waaruit wij in onze geestelijke jeugd zo vrijelijk hebben geput, zien als iets, dat eeuwig is? Het is alsof wij ons spiegelen in al wat de werelden ons brengen; of wij telkenmale weer onszelf trachten te herkennen en – niet in staat zijnde – voort grijpen naar een nieuwe ervaring, naar een nieuw beleven. Heeft dat zin?

Nu ja, zult ge zeggen, wij kunnen haast niet anders. We moeten leven. Natuurlijk. Maar moeten wij niet in de eerste plaats de zin van het leven erkennen? Moeten wij niet in de eerste plaats die innerlijke werkelijkheid trachten te bereiken, dat licht, dat de kosmos in feite is? Het Koninkrijk Gods, de band die ons verbindt met de schepping, met de Schepper Zelve? Eerst wanneer wij deze eenheid hebben gevonden, kan al wat nog beleven heet in andere werelden, ons niet meer beroeren. Dat heeft geen zin meer en geen inhoud. We ondergaan en volbrengen, Natuurlijk. Omdat dit een droom is, die het licht ons doet dromen. Maar wij zien daarboven de werkelijkheid.

Een westers dichter schreef – na diep nadenken – voor zichzelf eens deze klacht: “Ik ben als een kind en bouw mij schone dromen. En daarachter klinkt de stem van het gezag. En het spel, zo juist gebouwd, wordt mij ontnomen, omdat ik niet meer spelen mag maar werken moet. En zie, mijn hart wil wenen.” Zo ligt er in ons allen iets van ditzelfde kinderlijke. Wij menen, dat die wereld daar elders, dat hiernamaals, maar een droom is. Wij geloven, dat dit Koninkrijk Gods alleen maar een schim is, die wij ons tekenen in ogenblikken van religieuze vertedering. Wij menen, dat het dagelijks leven met zijn hardheid en werkelijkheid ons steeds weer wakker schudt. Maar wanneer wij het goed bezien, dan draaien wij de verhoudingen om. In feite is die droom van dat licht, die ervaring van ontrukt zijn, deze verheffing van een kort ogenblik, de werkelijkheid. En al het andere blijft een droom.

U zult misschien zeggen; “Ja, dat hebben wij al zo vaak gehoord in zo velerlei tonen. Maar wat hebben wij er aan? Want wij zijn mensen en wij moeten leven op een menselijke wereld.” Dat is waar, vrienden. Maar wanneer gij weet, dat die menselijke wereld een droom is, wanneer ge weet te dromen, dan kunt ge zo gemakkelijk alvast weer teruggrijpen naar de werkelijkheid, waarin ge zo dadelijk zult ontwaken. Mansur Odin, een prediker, die o.a. aan het hof van Akbar de Grote een lange tijd heeft vertoefd, probeerde dit aan zijn meester en diens volgelingen duidelijk te maken door te zeggen: “Weet ge, heer, gij kunt mij doden. Althans zo droomt gij. Maar wanneer ik weiger met U te dromen, wie zal mij beletten te herrijzen?” Toen lachte Akbar en hij zegde; “Ik zal mijn beul roepen, Mansur. En hij zal U ongetwijfeld tonen, dat wat hij vernietigt, vernietigd is en wat hij doodt, gedood is.” Toen lachte Mansur luid en zegde; “Zeker kunt gij mij zenden over de smalle brug, die ligt tussen menselijk leven en de eeuwige waarden van het paradijs. Maar zeg mij, heer, kunt gij die brug gaan? Zeg mij, kent gij reeds nu die werkelijkheid? Want ik zeg U: Dit hebben mijn ogen gezien en mijn oren gehoord. Dit is het leven, dat ligt achter Uw grootheid en meer is dan Uw grootheid. Want eeuwig is de mens, eeuwig is zijn God en eeuwig is de lichtende wereld, die de enige werkelijkheid is.”

Mansur werd gehouden voor een dichter, voor een prediker, die de schoonheid van het woord stelde boven de waarheid. Want men begreep hem niet. Maar daar gaf hij toch uitdrukking aan iets, dat ook wij misschien wel eens mogen onthouden. Wanneer ons leven bitter is, wanneer het zwaar wordt, dan kunnen wij natuurlijk wel zeggen, dat het zo verschrikkelijk is en dat het zo ellendig is. Maar wanneer wij nu weten, dat wij dadelijk wakker zullen schrikken en dat het voorbij is, ook al weten wij niet, of die droom nog eeuwen zal duren dan wel een enkele seconde – de tijd van de droom is niet bepaald – dan hebben wij de moed om verder te gaan. Dan laat je je niet neerslaan. En wanneer je in de tuinen van bloesem bent en droomt van alle volheid, die het leven je geven kan, wanneer je uit verlangens tempels bouwt, waarin je gouden beelden stelt van al wat op de wereld mogelijk is, dan weet je, dat het een droom is. En dan voel je je niet zo geschokt, zo beschaamd, zo verdrietig, wanneer je gouden beelden plotseling verbleken, je tempels ineen vallen en je in plaats van in de bloesemwereld, die je dacht te bezitten, in de barre kilte staat van een winters leven.

Het je vasthouden aan het feit, dat dit leven eigenlijk niet werkelijk is, kan je zeer veel geven aan hoop, aan bewustzijn, ja, zelfs aan die zekere onverschilligheid, die voor vele mensen noodzakelijk is om te kunnen leven, te kunnen doormaken, wat hun op het levenspad wordt gegeven. Tao is de weg. En de weg is een droom, die de Schepper ons geeft, opdat wij eens zullen ontwaken, vol bewust van Zijn werkelijkheid. Tao is de plicht, die ons roept. Tao is de regel, die ons leven beschrijft. Tao is voor alles de weg, die uit de juiste aanvaarding van wat onwerkelijk is, de juiste aanvaarding der werkelijkheid in ons mogelijk maakt. En dan kun je zingen met Mansur, zoals hij dat eens deed voor Akbar, toen deze vorst terneergeslagen was. Hij zegde; “Eeuwig zijn de bloesems van de perzik. De dans der vuurvliegen is een wonderspel, waarin het oog verdroomt. En nimmer houdt het stil. De zon en maan belichten Uwe wereld gelijk en kiezend zult ge zeggen wie. Uwe stem en Uw zijn bestemt. Want weet, uit alle dromen van de tijd wordt werkelijkheid geboren, die al en meer omvat dan ooit de tijd bezeten heeft. Gij droomt van macht. Uw macht verbleekt door de adem van de tijd. Maar macht, die U gegeven is in het licht, dat eeuwigheid genoemd wordt, kan niet vergaan. Gij droomt van liefde en alras is Uwe liefde slechts een hoop van knoken. Doch liefde, levend in het licht, is vonk van licht, die danst en streeft in eeuwigheid en nooit verbleekt en nimmer dooft. Gij droomt van pracht en praal, verheft U op de grote troon en spreekt het recht. En nauw zijn Uw woorden hier verklonken of als een zoeken anderen hun eigen weg te gaan. Uw rijk vervalt en horden zullen het overlopen. De droom vergaat. Maar kan de pracht van eigen wezen, bewust van Allah zelf, vergaan? Daar hoeft men voor geen ondergang te vrezen. Want buiten alle zijn en tijd, uit hemels goud voor ons geweven, ligt wonderpracht van werkelijkheid.”

Het is een moeilijke vertaling. En misschien is er iets verloren gegaan van de fijnzinnige beelden, die deze hofprediker eens gaf. Een hofprediker, die zelfs de christenen welkom wist te heten, omdat hij hen zag niet als vijanden in het geloof, maar als zoekers, die evenals hij achter de dwalen van wereldse schijn een werkelijkheid zochten.

Zoals Mansur deze werkelijkheid kende, kan iedere mens haar leren kennen. Het is moeilijk om haar voortdurend te ervaren. Maar hoe meer men leert op te gaan in deze werkelijkheid, de werkelijkheid die ligt achter het beleven, achter het beperkte denken en streven, dat mensen eigen is, die kan veel leed dragen; en hij zal nooit van zichzelf vervreemden door de veelheid van vreugden, die het leven biedt. Want hij weet, het is een droom, die snel ten einde vliedt. Daarachter ligt de grote werkelijkheid.

Mijne vrienden, wanneer ik U deze gedachtegang mag meegeven voor deze zondag, dan heb ik U geloof ik iets kostbaars gegeven. Een kostbaarheid, die als een panaceum alle vrezen en zorgen terzijde kan stellen, die ziekte en dood en ondergang even onbelangrijk maakt als het geluk van een korte dag. Een gift, die je een ogenblik doet op ademen in een grotere vrijheid, dan in het leven van sferen of werelden kan bestaan. De vrijheid van een één zijn in God, waarin we de lichtende kracht en de werkelijkheid erkennen.

Ik hoop, dat mijn bescheiden woord ertoe mag bijdragen U ook hierover te doen denken en misschien zelfs iets ervan eens een enkele keer in de praktijk te brengen om zo een kosmisch gelukkige mens te zijn.

o-o-o-o-o

Lang is het geleden, dat ik het woord heb gericht tot de mens op aarde. Maar soms dan droomt er weer een wens, dan klinkt er weer een ogenblik van waan in mij en dan keer ik mij tot de mensheid, trachtende hun te zeggen wat leven en werkelijkheid betekent.

In de droom, die men het bestaan noemt, snelt men voort van oase tot oase, gejaagd door een dreigende samoem, verschuilend zich voor het geweld van de natuur. Het leven is een voortdurend trekken en niemand werpt zijn tenten voor alle tijd. Maar wanneer je trekt en zoekt en eindelijk die ene plaats hebt gevonden, waarin je rusten kunt, dit ene weten, dat als een licht je vervult, dan tracht je je gedachten weer te geven. Zo wil ik thans in menselijk woord en denken nog eenmaal zoeken te herleven wat voor mij de sleutel der bevrijding is geweest.

Leven moet bewust zijn. Een mens, die leeft en niet kent elke trekking van de spier als een vreugde, die niet kent het zweet zelve, wanneer het breekt als een verlichting, leeft niet. Al wat je gegeven wordt aan noodzaak en bitterheid, aan de weelde van het zoete water na de droogte van de woestijn, dat is leven zelve, de gave van het leven. Niet omdat het de enige werkelijkheid is, maar omdat wij zo schrijden tot de werkelijkheid.

Kunnen onze ogen dringen door de sluiers van de nacht en de sterren zien voor wat ze zijn? Kunnen wij uitgrijpen naar een wereld van oneindigheid en ons voorstellen wat deze betekent? Beperkt is ons vermogen, gesluierd onze blik. Met het weinige ons gegeven moeten wij het leven zelf ervaren en zoeken, opdat wij – gestaald door het lange streven – als de gidsen, die trekken maandenlang door de droogten van de vlakten, ja, die de gevaarlijke paden zoeken en de zout moerassen zelve, ten slotte kunnen gaan, waar anderen aarzelen, vallen en sterven. Leven wil zeggen; je voortdurend oefenen om meer te leven, intenser te leven, beter te leven. Al wat in het leven bestaat is voor jou van belang; niet omdat het werkelijkheid is, maar omdat het voor jou het enige middel is, waarmee je jezelf stalen kunt, opdat je meer ware beleving, meer ware ervaring kunt ondergaan.

Het is niet aan mij te oordelen over mensen, die zwakker zijn dan ik. Het is niet aan mij een raad te geven aan hen, die dezelfde wijsheid kunnen bezitten, die mij wordt gegeven. Wanneer de tenten openliggen tegen de koelte van de avond, wanneer de rode zon zinkt, de avondwind fluistert van verre velden, dan weet de mens, hoe groot zijn wereld is. Wanneer in het leven de volheid van ervaring langzaam verklankt en daarvoor komt de beschouwing van de ouderdom, beroert de mens een vreemde wind, die komt uit de oneindigheid, Hij fluistert van verre velden, van grote gevaren, geheimzinnige krachten. Ik meen, dat het luisteren naar die wind na een dagtaak, die wel is volbracht, het loon is dat het stoffelijke leven U geven kan. Ik meen, dat de Allerhoogste, tronend in Zijn hemelen, ons werelden heeft geschapen in overvloed, opdat wij zullen trekken dag na dag en leven na leven, tot ons de bewustwording wordt gegeven van een oneindigheid. En dan zullen wij weten wat leven betekent, Leven, zijnde de wil van Allah, de vreugde van de schepselen, het licht waarbij de engelen zingen.

o-o-o-o-o

Weet U, ik kan meevoelen met die vorige spreker en toch klinkt er me iets barbaars en soms zelfs iets pathetisch in mee. Hij heeft heel veel bereikt, dat weet ik zeker. Want hij staat ver boven ons en hij is een groot denker. Maar hij zoekt onwillekeurig terug naar de beelden, die hij in zijn eigen tijd heeft gebruikt. En die zijn soms wat hol en wat leeg, als we ze zo op het eerste gezicht bezien. En misschien dat hij het mij daarom wel niet kwalijk zal nemen, wanneer ik – van mijn wat minderwaardige stelling misschien – dan toch enig commentaar ga geven.

Ik geloof wel, dat het leven een voortdurend herboren worden is. Dat wij van wereld tot wereld gaan en van hemel tot hemel en van sfeer tot sfeer. Natuurlijk. En je kunt natuurlijk zeggen, dat God ons dat heeft gegeven om ons te stalen tegen die grote werkelijkheid. Direct akkoord. Alleen is mijn vraag; Gaat men – zelfs in dat land, dat hij beschrijft, vol woestijnen – de dagtaak beginnen om zich te stalen voor een volgende dagtaak, of doet men het om het noodzakelijke te volbrengen? Het is maar een vraag. En daarom geloof ik één aanmerking te mogen maken; Het is voor de mens noodzakelijk om nu te leven zo goed als hij kan. Niet opdat hij later krachtig zal zijn een volgend leven te dragen, maar opdat hij nu gedaan krijgt, wat noodzakelijkerwijze gedaan moet worden.

Iedereen mag er natuurlijk zijn eigen overtuiging, zijn eigen opinie op na houden en ik zal de laatste zijn om tegen te spreken, dat mijn opinie misschien hier en daar oppervlakkig is. Maar ik mag toch zeker ook op mijn manier denken. En dan zeg ik zo; Wanneer je leeft, dan is het wel heel aardig om te dromen van al die andere dingen, maar zolang je niet bewust kunt zijn van een werkelijkheid, waar het licht in leeft, dan doe je toch maar verstandig om bij je leest te blijven, net als iedere schoenmaker behoort te doen. Per slot van rekening, dit leven kent U. U weet, dat er een volgend leven komt. U weet misschien, dat het een droom is en dat er achter een inhoud ligt, die veel belangrijker en veel groter is. En wanneer het nodig is, kunt U daar eens een keer steun in vinden om verder te gaan. Maar moet je dit nu beschouwen als een soort indoortraining voor het hiernamaals? Ik geloof het niet. Ik meen, dat het noodzakelijk is, vrienden, dat je in dit leven zo intens en goed mogelijk leeft. Dat je dit leven ook werkelijk durft beleven om het leven zelve. En dat je alleen wanneer je niet meer weet, waar je heen moet met dit leven, als je niet meer weet, waar je een oplossing moet vinden voor je eigen problemen, dat je dan moogt uitgrijpen naar die zekerheid; “Ja maar ten slotte is het een droom, waarachter grotere dingen liggen.” Dat je dan alleen pas kunt gaan zeggen; “Ja, goed….dit is natuurlijk de oefening, waardoor ik zo dadelijk mijn levensreis kan volbrengen en het einddoel eenvoudig kan bereiken, waar een ander nog moet stilstaan en rusten.”

Zo kan ik het er volkomen mee eens zijn. Maar ik kan het er niet mee eens zijn, wanneer men langzaam maar zeker probeert om de waarde van een stoffelijk leven opzij te drukken. Dat heeft voor U helemaal geen zin, want U kunt niet zo leven, alsof dit leven maar een droom is. Probeer het maar eens. Dat gaat eenvoudig niet. Je moet leven, alsof dit leven een werkelijkheid is. Een werkelijkheid, die je misschien niet zo ernstig en zo belangrijk en zo serieus neemt als in het geval van een denken, dat dit het enige leven is. Maar dan toch een leven, waarmee je werkelijk zelf klaar moet komen, waar je zelf je weg mee moet zoeken. Je kunt nu wel met een suffig gezicht zeggen; “Ja, dat is allemaal maar een droom, laat het voorbijgaan.” Maar dan is het doel van het leven niet bereikt. Je kunt zeggen; “Het is alleen maar een training.” Maar erken je dan nog wel, wat er aan een volheid van beleven in ligt? Dan beschouw je alles maar als een oefening. En waar blijft dan de werkelijke beleving, de ervaring, die voor de bewustwording nodig is? Ik zal het deze keer niet lang maken, maar dit moest mij werkelijk even van het hart.

Vrienden, natuurlijk ligt er achter dit leven een grotere werkelijkheid, achter dit leven van mij, dit leven van U. Het ligt achter alle werelden en sferen verborgen. Maar dit is ónze werkelijkheid en daarmee moeten wij eerst zien klaar te komen. Laten wij nu maar proberen om dat zoveel mogelijk te doen met de middelen, die deze wereld ons biedt, met de mogelijkheden, die we nu vinden, met het bewustzijn, dat we nu bezitten. Dan mogen wij misschien voor een enkele keer voor kracht uitreiken naar die grotere, die lichtere wereld, dan mogen we trachten dat te vervullen, wat wij voelen als een noodzaak in die lichtende wereld, maar we zullen nooit moeten zeggen; “Wat we in dit leven doen is alleen om die lichtende wereld.” Want dan gaan we ons eigen leven helemaal verwringen en vertekenen en dan heeft het niet meer de zin, die volgens mij noodzakelijk is.

Zo, dit is even de stem van het realisme. U leeft hier, vandaag. U leeft op deze wereld. U moet eerst op deze wereld trachten Uw problemen op te lessen, voordat U ze kunt overdragen op een grotere wereld. Sta met twee voeten op de grond. En wanneer de zon schijnt en wanneer de eerste bloesems en bloemen zich vertonen, ga rustig uit en geniet ervan. En wees U ervan bewust, dat dit een ogenblik is, dat U gegeven werd om te beleven, om te genieten. Put er de kracht uit, dat je zo dadelijk de winter – of onverschillig wat er nog komt – dat je dat kunt doormaken, dat kunt doorstaan. Puur de vreugde, puur het bewustzijn, puur de kracht uit elk ogenblik van het leven, zoveel je kunt. Doe het verantwoord. Doe het zo, dat je altijd tevreden bent met jezelf. Doe het zo dat je altijd kunt blijven geloven in die hogere wereld en dat hogere licht. Maar laat het daarbij blijven.

De fout, die velen van onze sprekers m.i. maken is, dat ze teveel spreken over die andere wereld, die zij al kennen en niet over deze wereld, waarin U leeft. Dat is conclusies trekken, die wel juist zijn, maar die voor een mens nog zo moeilijk te bereiken, te verwerkelijken of zelfs te begrijpen zijn. U staat met twee voeten op de wereld. Leef die wereld. Gebruik die wereld. Weet rustig, dat er een grote wereld, een werkelijkheid achter zit. Dat mag je rustig begrijpen, mag je rustig weten. Maar leef vandaag in deze wereld, handel met deze wereld en probeer niet wissels te trekken op een ander bestaan, waarvan je eigenlijk nog geen flauw besef hebt in je huidige, redelijke vermogens.

Zo, en dat wilde ik erbij zeggen. Nu heb ik natuurlijk wel een beetje de sfeer verstoord. Ik had misschien dichterlijker moeten zijn. Maar ik meen, dat eventjes zo’n paar puntjes op de i van uit een ander standpunt ook geen kwaad kunnen.

0-0-0-0-0

LEVENSLICHT

De wereld is druk en bedrijvig. Ze snelt er maar heen en weer en vindt voor zichzelf geen doel en geen werkelijk leven meer in het leven, dat haar werd gegeven. Ze ziet de noodzaak der dagen en telt de minuten van leed, terwijl ze aeonen van vreugden, gegeven haar, dra weer vergeet.

Ze spreekt van de sombere zorgen, die doemen aan de einder van al, wat nog komt en van het onbegrijpelijke leed, dat in verwachting tezamen reeds dromt om de wereld te overspoelen,

Ach, die wereld is vaak van gevoelen, dat het moeilijk is om te bestaan, dat het moeilijk is om te leven, om de stem door God je gegeven als een daad van je uit te doen gaan.

Maar…. toen het leven werd geboren, sprak de Scheppers “Het worde licht.” En Hij heeft de stralen van Zijn wezen in alle schepselen gericht. Wie zou met God nog ’t leven vrezen?

Toen de aarde werd geboren, toen de zee van land verscheed, toen schiep de Schepper louter vreugdes de mensheid zelve schiep het leed.

Wie zou het levenslicht verwerpen en zoeken naar het leed, dat uit de mensen stamt? Wie zou verkiezen ’t bittere snerpen van noodkreet uit het kil verstand boven volheid van een herte, dat zich in licht geborgen weet?

Licht heeft het leven U gegeven en licht schenkt het U alle dag. Ge kunt er puren, kunt er putten wat Uw ziele maar vermag aan vreugd’ en licht. Zoudt gij dan niet de moed bezitten om te leven, zo het eigen wezen U steeds zegt te zijn? Zoudt gij dan weigeren te streven naar licht en voelen U te klein om nog te overwinnen wat het leven heeft gesteld op Uwe weg?

Och….laat ons kort ons hier bezinnen; Wat ’t leven biedt aan zorg en nood, wat al tezamen wordt geschreven in ’t boek des levens ergens in het hemelrijk, het geeft slechts van de goddelijke liefde en van ons eigen onvermogen blijk.

Wanneer wij het lichte voor onszelf aanvaarden en opgaan in een vreugdig vol bestaan, dan is er geen durf meer nodig om te leven, dan zijn de ogen opengegaan en weet je hoe gelukkig je steeds bent om in het licht van God tot Zijn eeuwigheid te streven.

EEN DONDERBUI

De lucht is zwaar en loom het zijn. Er dreigt een vreemde kracht, waarvan je nog niet weet, wanneer zij barst. Maar het is of vreemde hand met onzichtbare macht de wereld heeft omvat tot stilte vol van vree. Een rommelen, ver nog en nog traag, die is als lood. Een wereld, die nu plotseling zwijgt, als ware een tijdelijke dood gekomen over het land.

Dan werpt de godenhand een lichtende spies benedenwaarts. De donder brult, ’t gevaar breekt los. In violette pracht tekenen de stralen zich tegen ’t grauwe hemellood. De macht van ’t onweer doet al beven. Een laatste slag …. de regen klettert neer. Dan …. langzaam trekt het rommelen weg, de wereld ademt weer, verfrist en jong.

In ’t leven dreigt soms een gevaar; een kracht, die je nu nog niet kent, die je wereld geheel verlamt. Soms lijkt het, of de dood haast komt en dreigend heel het zijn met stilte overschaduwt. Dan rommelt ver een dreiging. De ziele beeft, de geest wil weg gaan kruipen en zou als ’t haar maar mogelijk ware naar andere wereld willen sluipen, ver van dreiging en gevaar.

Dan komt er een woord, dan komt er een daad, een toestand, die in het leven slaat en het al daar verstoort, Dan lijkt het haast of ’t innerlijk leven wordt vermoord, gesmoord wordt de stemme der ziel. En terwijl je nog meent nu onder te gaan …. gaat de dreiging voorbij. De regen breekt door en je weent. En weet je waarom? De tranen zijn ’t teken van.leed, dat nog stom verborgen ligt. Maar het gewicht van de dreiging is weggenomen. Geen angstgestalten meer, die in sombere droom je achtervolgen. En dan …. verstomt het gerucht en wordt het rustig in het zijn. Je ziet verbaasd de wereld aan als ware ze nu geboren. Je voelt je in het leven staan, zo jong als ooit te voren, en vangt opnieuw je taak weer aan.

Zo gaat het in natuur en in de mens, wanneer een donderbui breekt, wanneer een driftvlaag losbarst, wanneer een gevreesd lijden plotseling zichzelf realiseert. Het is nodig, dat deze dingen komen en voorbijgaan. En hebben wij de moed ze te doorstaan, ze te aanvaarden …. ze laten ons een wereld, jong en fris, een ziel met nieuwe kracht en nieuw leven, waarna een nieuw doel kan opgaan. Slechts wie uit willekeur en ongeremd de donder lokt, de bliksem in doet slaan in eigen bestaan, betaalt daarvoor een tol. Want wie speelt met het licht van de hemel wordt getroffen. Doch wie zich niet verheelt, dat dit slechts Godes taak is en dat aanvaardt, die ziet; deze kracht is niets anders dan een sterking van eigen ziel en een reiniging van eigen leven.