Esoterische magie

19 februari 1973

Vanavond hebben wij een onderbreking in het normale curriculum, we hebben namelijk een gastspreker voor u. De toelichting of belichting van een aantal principes van de esoterische magie. Ik wou daarom mijn inleiding daaraan wijden.

Wanneer wij uitgaan van het standpunt, dat in de mens een aantal verschillende krachten aanwezig zijn – u weet het: het levenslichaam, het astrale en verdere mogelijkheden – dan dienen wij aan te nemen, dat deze krachten (omdat ze in één en hetzelfde lichaam optreden) onderling gelieerd zijn. Alles wat er in je bestaat aan kracht, aan voertuig, is met elkaar verbonden en deze verbinding kan – ze is er niet altijd – een reeks van harmonischen vormen. Nu blijkt dat door bepaalde oefeningen de mensen in staat zijn een zekere harmonie in zichzelf te bereiken en daarmee de verhouding tussen die verschillende voertuigen op de juiste wijze tot stand te brengen. De oefeningen, die daarvoor gedaan worden, zijn van verschillende aard. Er bestaan bepaalde vormen van yoga voor, daarnaast is er een systeem – en dat is wat de gastspreker heeft toegepast in het verleden – dat uw aandacht waard is.

Hij gaat van het volgende uit: Het lichaam is voor de mens een beginpunt. Je moet het lichaam zo ver leren beheersen, dat je daarvan geen last hebt. Anders gezegd: De training begint altijd met het reguleren van de ademhaling, waardoor op den duur ook een zekere beheersing t.a.v. bloedsomloop en hartklop bereikt wordt. Wanneer dit bereikt is, kun je een ritme op een eenvoudige wijze instellen en daarbij het lichaam a.h.w. aan zichzelf overlaten. Wanneer dit gebeurd is, dan kun je gaan functioneren op basis van het harmonisch effect in het levenslichaam.

Dit is een heel mooie term. Het komt erop neer, dat wanneer ademhaling en bloedsomloop met elkaar in harmonie zijn, het levenslichaam een maximum aan energie bezit en dat deze energie door de wil te richten is. Je wilt dus dan in jezelf een zekere ervaring, een zekere erkenning vinden. Volgens het systeem van de gastspreker is dat een reeks van meditatieoefeningen, waardoor je jezelf kunt verplaatsen in één van de volgende toestanden:

  1. Het gevoel van volledig gelukkig zijn of volledig tevreden zijn.
  2. Het gevoel van verbondenheid met de wereld, inhoudende een erkenning van het lijden van de wereld.
  3. Een heel belangrijk punt: De erkenning van de innerlijke onrust in de wereld.

Deze drie factoren kunnen afzonderlijk gebruikt worden; ze kunnen ook afwisselend gebruikt worden. De meditaties, die daarvoor worden voorgeschreven, zijn voor deze tijd naar ik meen niet helemaal doeltreffend, want men begint met een aanroeping aan de goden, aan de hogere krachten, een visualisatie van geestelijke waarden of lagere goden en daarna gaat men over tot het erkennen van daaruit van de wereld, etc. De modernere toepassing lijkt mij te zijn: probeer te beseffen wat in je wereld geluk is, wat vrede is. Probeer tevreden te zijn met je lot, met jezelf of probeer te erkennen, wat er in die wereld aan lijden mogelijk is en vergelijk dat met jezelf. Probeer te voelen in hoeverre je meer hebt, meer bent, meer kunt dan al die anderen en laat je krachten dan uitgaan. En het laatste geval is eenvoudig: besef in jezelf je innerlijke verdeeldheid, tracht deze op te heffen en besef, dat rond je die verdeeldheid in veel grotere mate bestaat.

Door dit te doen krijg je een soort zekerheid in jezelf, je wordt wat meer harmonisch. Je gaat het probleem van de wereld zien en je verliezend in het probleem van die wereld, wordt je geconfronteerd met de hogere krachten, die in die wereld optreden. Dan moet je van daaruit verdergaan. En dat betekent, dat wanneer eenmaal dit bewust projecteren van levenskrachten bereikt is – iets waarvoor proeven werden voorgeschreven, zoals het doen bloeien van een bloem, die nog in knop is, enz. – dan moet je je gaan richten op een geestelijk voertuig. Dit geestelijk voertuig wordt niet bepaald. Dat is erg vreemd. Er wordt alleen gezegd, dat dit voertuig nog moet worden gezocht in de sfeer der illusies. Het houdt volgens mij in, dat je je een vormenwereld kunt voorstellen en dat je innerlijk kunt denken en reageren op vormen. Van daaruit komt de volgende en meest belangrijke proef.

Men moet proberen elk vormbesef in zichzelf te verliezen en in het niets, dat dan ontstaat, voor zichzelf wederom een vorm te creëren. Dat schijnt dan in sommige gevallen de dienende vorm te heten, dat is dan een soort zelf opgebouwd astraal voertuig, in andere gevallen – en dat spreekt mij persoonlijk meer aan – is er gewoon sprake van het besef van een ideale vorm.

De theorie, die hieraan verbonden is, is de volgende: Wanneer ik op elk punt een zekere beheersing en gerichtheid verkregen heb, zullen al die verschillende waarden die in mij bestaan, op elkaar ingesteld zijn. Het één voedt het ander en doet dat op een harmonische manier. Er ontstaat innerlijke harmonie en dan geldt volgens deze leringen – de algehele juistheid ervan staat voor mij niet geheel vast – dat door deze harmonie de kracht, die in elk van de voertuigen aanwezig is, als één geheel gebruikt kan worden. Ik heb dan een totaal vermogen, waarin het erkennen zit van geestelijke werelden, geestelijke krachten, zelfs op hoger niveau, waarin zit wat je het vormloze of het licht kunt gaan noemen, waarin zit de normale levensenergie van de mens. Dat betekent dan gelijktijdig volgens deze stelling een resonantie met prana, terwijl het lichaam zelf harmonisch functionerend in staat is zijn functies op de meest juiste wijze met de minste energie te vervullen. De energie die overblijft in het lichaam, kan eveneens worden gebundeld. De wil staat boven dit alles en die wil is dan in staat om het geheel van die kracht op willekeurige punten in elk van die werelden te richten.

Dus u kunt middels elk voertuig actief zijn, maar het besef daarvan wordt dan gedeeld volgens deze stellingen door het stoflichaam. Het geheel omvat natuurlijk heel wat boekwerken, dat begrijpt u wel, en er zijn allerlei afzonderlijke procedures. Er wordt gedebatteerd over de juiste manier van beginnen, de juiste manier van werken. Ik wil dit buiten beschouwing laten. Wanneer onze gast dat wil, kan hij er zelf op ingaan.

Voor mij was het wel erg interessant om te zien hoe deze entiteit – een wat hogere entiteit – in staat is onder omstandigheden in stoffelijke vorm op te treden. Hij materialiseert zich. Hij heeft dit bij mijn weten zes of zeven keer gedaan. Daarbuiten zal hij het nog vele andere malen hebben gedaan, maar daar weet ik niets van af. Het interessante is verder, dat hij op die wereld gebruik kan maken van zijn geestelijke krachten en vermogens, maar dat hij zich daarnaast als een stoffelijk mens kan bewegen. Ik heb mij zelfs weleens afgevraagd of dat niet heel dicht komt bij datgene, wat ons verteld wordt van Jezus na de opstanding. Het lijkt mij brutaal om de vergelijking volledig te maken. Maar hier is toch ook zeker sprake van iemand, die op aarde kan zijn, kan eten, drinken en spreken, kortom alles wat menselijk is kan doen, maar die daaraan niet gebonden is. Hij kan op elk moment elk proces onderbreken.

Erg interessant vind ik het verder ook, dat hij één van de meest belangrijke onderwijzers is in een sfeer, die wij hoog-zomerland zouden kunnen noemen en dan speciaal voor bepaalde hindoeïstische – en ook wel boeddhistisch georiënteerde – persoonlijkheden. Hij is daarin een golf van licht, waarin een figuur verschijnt en het blijkt, dat hij in staat is om in zeer korte tijd zeer veel denkbeelden over te dragen. Ook dat is erg belangrijk.

Ik heb mij natuurlijk – en dat zult u mij ten goede houden – afgevraagd: kan ik dit ook? En ik ben tot de conclusie gekomen, dat hij dit tijdens zijn stoffelijke leven bereikt heeft en daardoor een veel grotere mogelijkheid tot beheersing bezit dan ik ooit bezitten zal. Voor mij zou het een proces zijn van vele eeuwen voordat ik iets zou kunnen doen wat hij doet. Hij heeft op aarde zodanig die harmonie tussen zijn voertuigen tot stand gebracht, dat hij nu zonder meer al die dingen eigenlijk direct na zijn overgang al had kunnen doen.

De magie, die hij gebruikt, is ook een wat zonderlinge. Ten eerste gaat hij uit van het standpunt, dat alle materie kan worden omgevormd in elke andere materie. Hij heeft zover ik weet niet gedemonstreerd, maar hij stelt het wel. Hij zegt:

“Wanneer ik materie omvorm, verander ik haar aard en haar karakter en daarmee haar relatie met de omgeving. Ik kan door kleine veranderingen in de materie het effect van het geheel in de omgeving zodanig wijzigen, dat alles wat ik tot stand wil brengen gebeurt.” Ik wil dit van hem aannemen. Ik heb enkele zeer verbluffende dingen gezien, maar op het gevaar af dat u denkt dat ik het geheel zit af te breken: ik ben nog niet van de volledige juistheid van die stelling overtuigd.

Een standpunt dat ook zeer interessant is, is de volgende:

“Het menselijk lichaam is niet, zoals wij plegen te denken, een lichaam met beperkte levensduur.” Hij zegt: “Wanneer wij het lichaam benaderen op het laagste niveau – ik neem aan dat dat het cellulair niveau is – dan is het mogelijk om de vergiftiging van de cellen stop te zetten en daarmee een onbeperkte levensduur te garanderen.” Ik weet, dat er mensen zijn geweest, die bijna 1000 jaar hebben geleefd in uw telling van tijd; er moet dus iets van waar zijn.

Hij stelt, dat dit proces ook voor een ander tot stand kan worden gebracht, maar dat deze dan onmiddellijk weer begint met het mentale proces, waardoor hij in zichzelf een onevenwichtigheid van afscheidingen produceert, die dan wederom tot celverval enz. zou moeten voeren. Ik kan dus voor een mens wel een jaar leven erbij geven, maar ik kan hem niet 100 jaar laten leven.

In zijn denkbeeld van de magie, ligt verder opgesloten, dat elke bezielde kracht, hoe dan ook en waar dan ook, aanspreekbaar is. Het is een denkbeeld, dat mij juist lijkt. Hij zegt:

“Wanneer ik spreek tot de krachten die leven in de aarde, leven in het vuur, de lucht, het water, dan zullen ze mij antwoorden, wanneer ik maar harmonisch met hen ben. En harmonisch zijnde in al mijn voertuigen, kan ik op elk niveau die harmonie produceren.” Dat lijkt mij juist. Hij stelt verder:

“Waar harmonie bestaat, ben ik het bewust denkende. Ik heb dus de kracht, maar ook het besef van mijn hoogste voertuigen. Ik zal daardoor de anderen kunnen bewegen om mijn wil te volgen.” Hij stelt:

“Wanneer ik te maken heb met grote persoonlijkheden – ik neem aan dat hij dan denkt aan een aardgeest, een zonnegeest – dan kan ik hun gedachten begrijpen, maar mijn stem is niet luid genoeg om tot hen doordringend te spreken.” Ik neem aan, dat hij doelt op het feit, dat je die grote entiteiten kunt begrijpen, dat je tot op zekere hoogte wel een enkele communicatie kunt afgeven, maar dat je niet in staat bent om je wil aan zoiets op te leggen of krachten daarin te projecteren. Dat lijkt mij heel logisch, want die entiteiten zijn zo enorm groot, dat het wel heel wonderlijk zou zijn als je daarmee iets zou kunnen bereiken.

Een punt dat mij wat twijfelachtig voorkomt, is zijn stelling: “Waar eenmaal een harmonie bestaat, die tenminste drie van de laagste voertuigen van de mens omvat, is het mogelijk daaruit een ontvangst voor alle krachten uit alle sferen tot stand te brengen, maar dan moet een aanroep worden gedaan tot deze hogere sferen en zonder een bepaalde kennis van deze harmonie is het niet te bereiken.” Hij heeft als een soort geheimleer (het was dan wel geen grimoire, maar wel een geheimboek) een aantal klank- kleur en geurcombinaties achtergelaten, die voor die harmonische afstelling op een bepaalde sfeer, hogere kracht, bevorderlijk zouden zijn. Zijn stellingen zijn verder – en dan ga ik gelijktijdig weer over tot mijn normale commentaar op het geheel – “Wanneer ik de kern ken van de kracht die alle dingen regeert, ook mijzelf, zo ben ik op dat ogenblik identiek met die kracht. Want door te beseffen, maak ik mij er één mee. Uit deze eenheid, door mijn besef geboren, heb ik het volledig scheppend en vernietigend vermogen van de Alkracht en zal ik dit kunnen gebruiken op elke schaal en op elk niveau.” Het is een stelling, waar u eens over moet nadenken. Theoretisch is het mogelijk; praktisch lijkt het mij nog wel heel ver weg.

Dat wij deze gastspreker naar voren brengen, heeft een reden. Er is op het ogenblik een hele reeks invloeden en u zult wel geconstateerd hebben, dat het aantal verkeersongelukken, treinongelukken enz. in de laatste weken weer enorm hoog is. Nu beweert onze vriend, dat hij en een aantal anderen zullen ingrijpen om een soortgelijke kracht, eenvoudig weg te stemmen, te veranderen. Het denkbeeld dat dit mogelijk is, is op zichzelf een beetje ontstellend. En toen wij hoorden, dat de Witte Broederschap daarmee akkoord ging, hebben wij ons onmiddellijk afgevraagd: Hoe zit dat in elkaar? Het resultaat is, dat u vanavond deze gastspreker krijgt. We zijn erg dankbaar dat hij wil komen. Het resultaat is ook, dat onze studies daarover, u vanavond eveneens worden voorgelegd.

De kosmische krachten werken op de mens disharmonisch in op het ogenblik dat hij niet in staat is zijn eigen instelling te wijzigen naarmate de omstandigheden zich wijzigen. M.a.w.: een mens, die flexibel is, zal niet onder die invloeden lijden. Wanneer deze invloeden een grote massa kunnen domineren, zal de eenling zich alleen aan de aspecten daarvan kunnen onttrekken, die tot hemzelf behoren. Maar niet aan datgene, wat voor de massa als geheel tot stand wordt gebracht. Een ingrijpen door hogere krachten t.a.v. die massa schijnt mogelijk te zijn. De enorme drang van mensen om zichzelf te laten gelden, om zich af te zetten tegen de wereld, schijnt door die invloeden eveneens sterk gestimuleerd te zijn en wanneer wij het goed begrepen hebben, wordt daar inderdaad wat aan gedaan.

Wij hebben ons afgevraagd: hoe? En wij kwamen tot de conclusie, dat wanneer deze invloeden kunnen worden omgevormd, je van een leeuw een lam kunt maken, maar ook van een lam een leeuw. Je kunt het totaal van de reacties zoals die uit het onderbewustzijn, uit het gemeenschappelijk bovenbewustzijn, tot stand komen, a.h.w. omkeren. Je kunt ze de richting geven die je wenst. Daarbij wordt niet de vrijheid van wil van de persoon aangetast – een belangrijk punt – alleen wordt zijn visie niet meer in een bepaalde richting eenzijdig bepaald.

Wij hebben ons verder afgevraagd of dat niet iets zou zijn voor vele staatslieden. Wij kwamen tot de conclusie dat voor sommige staatslieden dit proces zeer wel bruikbaar zou zijn, en dat daar zeer plotselinge en prettige resultaten mee te bereiken zouden zijn. Maar dat een aantal van hen voor zichzelf dermate sterke gewoonten van denken en reageren heeft gevormd, dat zij zich ook wanneer de inzichten veranderen, niet meer van hun normaal gedragspatroon kunnen ontdoen.

Wij hebben ons verder afgevraagd of dat misschien invloed zou kunnen hebben op de economie. Wij kwamen tot de conclusie, dat die indruk op de economie niet groot zal zijn. Maar dat er wel veranderingen kunnen ontstaan, die op wat langere termijn bijzonder veel wijzigingen en aanpassingen betekenen. Het ziet er dus niet naar uit, dat je in de wereld zo maar iets kunt veranderen, maar je kunt kennelijk wel economische tendensen zover wijzigen, dat ze een hele tijd blijven doorwerken. Het schijnt dat er ook in dat opzicht plannen zijn gemaakt. Een onderzoek naar de mens in geestelijke zin – voor ons natuurlijk ook erg belangrijk – wees verder uit, dat de geest van de mens op deze omzetting van invloeden praktisch niet reageert, maar wel zal die geest door een vermindering van disharmonische invloeden vanuit lichaam en lichamelijk besef gemakkelijker en dus harmonischer kunnen reageren. De aanpak dient zuiver stoffelijk te gebeuren.

En daar wij ook aan esoterie doen, hebben wij ons verder afgevraagd of het mogelijk is langs deze weg een confrontatie met innerlijk licht tot stand te brengen. Het antwoord is verbluffend. Wanneer gedurende ongeveer 3 à 4 weken – er is dus een termijn voor te stellen – de verandering van invloed van buitenaf in kosmische tendens wordt volgehouden, zodat de persoonlijkheid in een redelijke harmonie en aanpassing verkeert, stoffelijk en in de laag-geestelijke voertuigen, resulteert hieruit bijna onvermijdelijk een moment van innerlijke verlichting. Dit moment van innerlijke verlichting schijnt van betrekkelijk korte duur te zijn – we hebben daar geen absolute gegevens over – maar bij benadering denkt men, dat dit fragmentbelevingen kunnen zijn, die kunnen uitlopen van ongeveer l/30e seconde tot ongeveer 5 minuten. Veel langer duurt het niet, tenzij de mens zelf reeds een bereikingshoogte heeft, waarin dat innerlijke licht soms bereikt wordt. Dan kan het uitlopen tot een periode van bijna 24 uur.

We hebben verder geconstateerd, dat bij het optreden van die toestand de lichamelijke reactie veel minder is dan normaal; dat de mens ook niet meer bewust denkt zodat – zo hij zich al beweegt – dit normaal gewoontepatronen zijn. Hij zal niet in staat zijn één origineel ding te doen, te denken of te zeggen.

De innerlijke bewustwording, die daaruit voortvloeit, kun je niet helemaal nagaan, maar het lijkt mij wel dat een contrast tussen wat je bent en het licht dat je innerlijk ziet, de harmonie bevordert. Dit contrast is beseft. Je gaat uit die beleving zoeken naar een juister reageren, een harmonischer leven. De kans dat iemand, die die verlichting doormaakt daar onmiddellijk resultaat uit heeft, lijkt ons ongeveer l op 3.

Dan zijn wij nog wat verdergegaan en hebben ons afgevraagd: Wat doet dit met inwijdingen? Het lijkt niet waarschijnlijk, dat de meer stoffelijke inwijdingen hierdoor worden beïnvloed. Dat is heel vreemd. De invloed is voornamelijk stoffelijk, maar de inwijdingen, die op een stoffelijk niveau liggen, worden niet beïnvloed. Wonderlijk is wel, dat een geestelijke inwijding – die zich voornamelijk innerlijk afspeelt, zoals u weet – in deze gevallen zou kunnen resulteren in wat men noemt een samenvloeien van stralen. Men zegt weleens: Ik behoor, tot deze of gene kleur. Dan kan men in die kleur de niveaus gaan aftekenen en die noemt men dan ook vaak stralen. Nu kan iemand behoren tot de zevende straal, maar ook tot de eerste.

Wanneer iemand een innerlijke inwijding heeft doorgemaakt, wordt daaraan al het bereikte nog eens toegevoegd. Er ontstaat een verdubbeling van inhoud, die tot uiting zou moeten komen in bewustzijn en vermogen, ook in menselijke vorm. Belangrijk is echter, dat die geestelijke inwijding reeds bestaat. Het begin van een geestelijke inwijding schijnt hierdoor praktisch niet bevorderd te kunnen worden. Ook dat is weer een typisch iets. Wij hebben getracht dit na te gaan, we hebben er wat over getheoretiseerd en wij menen dat dit als volgt te verkleinen is:

De eerste geestelijke inwijding is het resultaat van stoffelijke contacten. Materiële contacten en belevingen zijn voor het geheel van alle inwijdingsprocessen van belang. Maar wanneer de invloed stoffelijk ontstaat (en daarbij is een vreemde invloed aan het werk), dan kan het eigen ik hierbij niet vrijelijk bewust worden. Er is dus een opgelegd bewustwordingspatroon, dat praktisch wegvalt wanneer de invloed wegvalt.

Er zijn enkele residuen en deze zijn niet voldoende om daar direct een geestelijke inwijding aan over te houden. De mogelijkheid om inwijdingssystemen te verbreiden op aarde blijkt echter wel weer bevorderd te worden door de manier waarop deze entiteiten willen gaan werken.

  1. Verduidelijking van bestaande systemen is mogelijk wanneer harmonie kan worden opgelegd. Deze harmonie – ik heb het u duidelijk gemaakt – kan bereikt worden wanneer je invloeden van buitenaf zodanig compenseert, dat het ego zijn eigen evenwicht kan vinden. Er ontstaan dan wat men noemt inspiratieve reacties, zodat de uitleg, de interpretatie, van inwijdingsgegevens waarover men beschikt, juist is. Dit impliceert, dat je denkbeelden neerlegt, die later tot een inwijding zouden kunnen bijdragen.
  2. Verder moet er gerekend worden met de mogelijkheid, dat verborgen systemen of inwijdingsdenkbeelden en inwijdingsmogelijkheden, die verborgen zijn, nu beseft worden. We worden geconfronteerd met nieuwe waarden en nieuwe krachten.

Als geest hebben wij ons ten laatste willen afvragen: In hoeverre kunnen deze invloeden bij de overgang van belang zijn? En dat is eigenlijk verbluffend. Ik ga nu eindelijk begrijpen waarom de Witte Broederschap het niet helemaal ontoelaatbaar vindt om de overgang van mensen toe te laten of te bevorderen, ook de gewelddadige. Het blijkt namelijk, dat wanneer tijdens de overgang of kort daarna vreemde invloeden kunnen worden uitgeschakeld, waardoor het ik harmonisch is, dat de erkenning van het licht en de daarmee gepaard gaande bereiking practisch voor iedereen werkelijkheid wordt. We hebben ons alleen afgevraagd waarom ze dat niet altijd doen. Hier blijkt dan weer, dat de belasting voor een eenling om zoiets tot stand te brengen, te groot is.

We hebben ons toen onmiddellijk gewend tot de allerhoogste krachten en onder hen hebben wij o.m. een kort contact gehad met Jezus, de drager van de Christusgeest op aarde. Deze maakte het ons als volgt duidelijk:

“Wanneer iemand harmonisch is met mij, kan ik alle vreemde invloeden eenvoudig van hem weghouden, omdat mijn eigen harmonie gelijktijdig betekent, dat door de invloed van mijn wezen de disharmonische invloeden terzijde worden geworpen. Op deze manier zal eenieder, die met mij harmonisch is a.h.w. bewust kunnen worden van het licht zonder meer”. Eén van onze bijbelkundigen tekent daarbij aan, dat dit dus kennelijk het geval is van de tweede dood, die dan niet doorgaat. Je bent in het licht en je kunt erin blijven door die harmonie, Wij hebben daarna aan Jezus gevraagd: “Is het niet mogelijk, dat u die invloed aan anderen geeft?” Zijn antwoord was: ‘Wanneer ik mijn invloed richt op degenen, die niet harmonisch met mij zijn, zo dwing ik hen om te zijn, wat ze niet kunnen zijn. Ik vervals daarmede hun leven en hun waarde, maar ik kan hun geest en inhoud niet blijven vervalsen. Zou ik dit willen doen tot ze in het hoogste licht zijn, dan zou ik ten onder gaan – ik zou zelf geen besef meer over hebben – ik zou mijn gehele besef in één of enkele van die persoonlijkheden moeten uitstorten en dit betekent, dat ik zou falen t.a.v. al diegenen, die met mij harmonisch zijn”. Dat lijkt ons heel aanvaardbaar. Wij geven het allemaal wat verkort weer zoals u zult begrijpen. We kunnen niet alles helemaal uitwerken.

We hebben daarnaast aan de Boeddha gevraagd hoe het zat en die zei:

“Wanneer je de juiste eigenschappen in jezelf ontwikkelt, schep je een harmonie. Die harmonie omvat niet alleen mij, maar die omvat een groot gedeelte van de krachten, die eigenlijk direct onder de Schepper bestaan. Is die harmonie in jezelf groot genoeg en volg je de juiste wegen van leven, dan schakel je daarmee eveneens beïnvloedingen van buiten uit en ontstaat er een inwijding, die in de stof begint, maar die niet ten einde komt voordat je de eenheid met het Al kunt ervaren.” Dat leek ons ook aanvaardbaar.

Toen zijn we wat lager gegaan en hebben daar gesproken met één van de filosofen uit ongeveer 500 na Christus. Deze reageerde als volgt:

“Die harmonie is inderdaad waar, maar de grote moeilijkheid voor ons is, dat we geen basisharmonie in onszelf weten te vinden, want wij zijn geneigd om de harmonie, die wij in onszelf erkennen, om te zetten in uiterlijke waarden. Maar uiterlijke waarden zijn voor ons disharmonisch en daardoor ontstaat de voortdurende tegenstelling tussen ons innerlijk en de uiterlijke kracht. De inwijding wordt dus als vanzelf afgeremd. Eerst wanneer wij zelf harmonisch zijn, kunnen wij die hoge kracht aanvaarden.”

Toen ben ik persoonlijk nog iets verdergegaan en ik heb een paar deskundigen gevraagd hoe het nu zat met geloof. Hun conclusie, heel kort samengevat, is deze:

“Wanneer geloof betekent een aanvaarding van het totaal van het bestaan, voert het inderdaad tot harmonie. Deze harmonie zal kennis voortbrengen, maar het geloof wordt dan de aanleiding tot het ontstaan van een basisharmonie, waarin al het andere verder mogelijk is. Maar wanneer het geloof alleen een rechtvaardiging is van je eigen wijze van leven, dan zul je voortdurend in conflict komen met degenen, die anders denken en leven en waar dit conflict ontstaat, ben je in jezelf disharmonisch en word je voortdurend door alle invloeden, die je van buitenaf bereiken, beheerst.”

We zijn bij elkaar gekomen – want ik heb dit onderzoek niet alleen gedaan, dat begrijpt u – en toen hebben wij ons afgevraagd: Welke les kun je hier nu uit distilleren?

Ons denkbeeld is de volgende: Je moet proberen om harmonie te vinden en die harmonie zal berusten op lichamelijke beheerstheid, vermogen tot concentratie van uw gedachten en ten laatste op het vermogen u één te voelen met de wereld of met delen daarvan. Onze conclusie is verder dat deze harmonieën zowel materieel als wel langs geestelijke en verstandelijke wegen bereikt kunnen worden in eerste aanleg. De uitdrukking ervan omvat echter steeds alles; dus stof, gedachteleven, geestelijke kracht en gebruik van levenskracht. Deze conclusie kan voor u waardevol zijn, want wanneer u naar innerlijk bewustzijn zoekt en gelijktijdig tracht om, laten we zeggen harmonische bereiking op welk terrein ook voor uzelf waar te maken, dan moet u beginnen met harmonisch te zijn. Harmonisch zijn betekent: tegenstellingen vermijden. Het betekent: proberen de essentie van de ander te ervaren en te aanvaarden en vanuit jezelf datgene te geven, wat als harmonische respons daarop ervaren kan worden. Wanneer je op die manier werkt, zou er inderdaad harmonie ontstaan volgens ons, waardoor je innerlijk veel bereikt en waardoor je gelijktijdig naar buiten toe meer waard bent.

De situatie, die ik u heb geschetst en alles wat ermee samenhangt, is daarmee naar ik aanneem wel redelijk genoeg omschreven en wanneer u dit een klein beetje kunt onthouden zult u zo dadelijk onze gastspreker ook beter kunnen begrijpen.

Wij hebben er nog even over gedacht om hier een meer normale les aan vast te knopen. Ik geloof niet dat dit juist is, want dan krijgt u te maken met heel verschillende waarden en heel verschillende dingen, die ook weleens kunnen botsen. En dan zou u de gastspreker misschien niet goed begrijpen en ervaren. Aan de andere kant wilden wij toch iets meer doen dan normaal. Want door alleen met een gastspreker te komen en een inleiding te geven wordt het een beetje een verbeterde zondagmorgenbijeenkomst en dat was niet de bedoeling.

We hebben toen aan het volgende gedacht: Wij zullen, terwijl de gastspreker bezig is, van onze kant uit proberen een harmonie op te bouwen, die de mensen lichamelijk en qua levenslichaam omvat. Wanneer er resonanties komen, trillingen in de mensen ontstaan – waarschijnlijk onbewust – op geestelijk niveau, dan kunnen die worden overgedragen aan dat levenslichaam en die kunnen ook tot uw eigen besef doordringen. De mogelijkheid lijkt ons dan niet uitgesloten, dat er onder u zijn die plotseling gaan beseffen: hé, op die manier kan ik die harmonie voor mijzelf waarmaken. En op die manier kan ik actief zijn zonder mij te laten jagen door een streven in de één of andere richting.

We doen dat maar met een man of tien à twaalf. Niets bijzonders. Maar ach, alle kleine beetjes helpen en het zou kunnen voeren tot een intuïtieve verandering voor uzelf, een intuïtieve verbetering ook. Het gebruik van een spanningsveld is onvermijdelijk. We zullen proberen het zo aan te leggen, dat u er zo weinig mogelijk last van hebt. Wanneer u naar huis gaat, zult u eerder vitaler zijn dan nu. De vraag is wel of u zelf de aandacht kunt opbrengen, want u zult een zekere ontspanning en een zekere concentratie moeten kunnen opbrengen om de spreker te volgen. Kunt u dat niet, dan is er maar één ding te doen: dan moeten wij u gewoon uit die harmonie snijden. We gaan geen kracht verspillen. Maar wie ervan wil profiteren, kan ervan profiteren.

En dan is er nog iets. We zullen trachten – maar daarvoor hebben we een maand de tijd – die ontwikkeling in verschillenden van u te toetsen, te zien of er iets is gebeurd. En wanneer dat het geval is, dan zullen wij onze volgende lessen daar mee op baseren. Dan kunnen we toch iets meer opbouwen. Dan is het feit, dat wij erachter komen dat iemand in de volgende maand iets bijzonders wil gaan doen, aanleiding tot een verbetering neem ik aan en mogelijk ook een versnelling van ons esoterisch-magisch onderricht in deze kring en hiermee heb ik alles gezegd wat nodig is. Ik hoop dat u dadelijk allemaal maximaal kunt profiteren. Het wordt u allemaal gaarne gegeven en er zijn bepaalde dingen bij, die voor sommigen van u hard nodig kunnen zijn in de komende dagen. Als u die harmonie vindt vanavond en wij dat kunnen registreren, dan zouden wij wel eens plotselinge veranderingen en plotselinge grote stappen voorwaarts kunnen zien in deze kring. Laten wij hopen, dat het waar wordt, want als er een is, heeft het weinig zin. Maar als wij hier onder de aanwezigen 7 à 8 personen krijgen, waarin een redelijke harmonie ontstaat en een redelijke resonantie, dan zullen wij daarop verder alles baseren. Wij zijn na de pauze rond u, we bouwen het één en ander op. Laat u er niet door storen. Maak er eerst een prettige en ontspannen pauze van.

De Gastspreker

Wanneer de mens praat over esoterie of over magisch werken, dan behoren daar altijd vele theorieën bij. En toch zou de belangrijkste vraag zijn: Wat kan ik doen? Wat kan ik presteren? Dit nu is het hoofdpunt van alles, wat ik u deze samenkomst wil proberen te vertellen.

U hebt een lichaam. Een lichaam behoort een dienaar te zijn, maar menigeen wordt erdoor beheerst. Willen wij meester worden van dit lichaam, zo moeten wij leren eerst het eigen ritme van het lichaam te onderkennen. Dat kunt u betrekkelijk eenvoudig doen door adem te halen, zo ontspannen mogelijk en daarbij uw polsslag te tellen, zodat u weet hoeveel polsslagen er vallen op één in- en één uitademing. Nu zal uw ademhaling en uw polsslag veelal veranderlijk zijn, maar wij hebben in ontspanning een ritme gevonden en dit ritme leggen wij het lichaam op in die perioden, dat wij ons bezig willen houden met innerlijke erkenningen of ook, wanneer wij ons voorbereiden om te werken met geestelijke krachten. Hiermee bereiken wij namelijk, dat het lichaam ons niet meer domineert. Door het opleggen van dit ritme aan het lichaam normaliseren wij ook de felheid, waarmee wij alles buiten ons in ons opnemen. Voor ons doel is de absolute trance niet vereist en zelfs niet wenselijk, maar wel een toestand van innerlijk zien, van innerlijk ervaren. Daarom hebben wij eerst deze zeer eenvoudige oefening. Weten wij dat we dat goed kunnen, dan beginnen wij aan een tweede fase.

Wij gaan nu dit ritme aanhoudend, ons concentreren op willekeurige punten. U kunt daarvoor een beeld nemen, een reflectie van de zon, de weerspiegeling in het water, al die dingen zijn niet zo belangrijk en dan doen wij dit ongeveer twee à drie minuten. Kort. En daarna kijken wij of wij ons ritme nog wel hebben. Want wij moeten leren dat ritme automatisch aan te houden. Blijkt, dat dit een aantal malen achtereen gelukt is, dan gaan wij denken aan de kracht die rond ons is.

Rond ons is prana. Rond ons is de levenskracht, opgelost in de wereld, de lucht, in de bomen, de planten. In alle dingen die er zijn en wij zeggen tot onszelf: “Ik trek deze kracht tot mij.” Dan worden wij innerlijk wat sterker. In het begin heb je het gevoel van: ik ben wat uitgerust. Wat later kom je uit zo’n zitting bij met een gevoel van luchthartigheid. Maar wanneer wij dat weer regelmatig doen, dan is het niet eens meer nodig om te denken aan prana. Dan is het niet nodig om te denken: ik wil die levenskracht hebben, want wanneer ik mijn ademhaling regel, mijn ritme aanneem, stroomt de kracht op mij toe. Sommige mensen doen dit haast automatisch; weten niet eens, dat zij voortdurend uit de omgeving de kracht opslurpen. Maar wanneer wij zover zijn, dat wij dit gevoel van losheid, van kracht in onszelf, hebben gevonden, dan beginnen wij met een derde oefening.

Wij denken nu sterk aan het derde oog. Wij proberen onze kracht, ons zien en ons waarnemen op het voorhoofd te doen richten. Vandaaruit willen wij ervaren. Een vreemde warreling van gedachten en indrukken is meestal het gevolg. Doe het enkele malen en u zult in staat zijn om één van die indrukken of van die gedachten te volgen, terwijl de anderen op de achtergrond geraken. Wij leren kracht te richten. Wanneer: wij daarin geslaagd zijn en ook dit weer meerdere malen, dan grijpen wij naar ons innerlijk en wij stuwen nu vanuit onszelf het geheel van onze levenskracht – nog steeds via ons voorhoofdchakrum -uit naar de hoge wereld. Wij zien de paleizen in de wolken. Wij zien de vreemde tuinen, waarin de geesten vredig wandelen. Wij zien daarboven licht.

Oh, dit is een voorstelling. Een mens moet soms dromen om tot de werkelijkheid te komen. Uit deze voorstelling komt het licht steeds sterker en wanneer dit gebeurt, dan zal ook onze eigen kracht langzaam harmonisch worden. Er ontstaat een prikkeling in het hoofd op de plaats waar de geest vaak bij de bewuste het lichaam verlaat, (kruinchakrum) Deze prikkeling is het bewijs dat het goed is. En nu zeggen wij tegen onszelf: “Ik behoef niet meer te zien. Het licht is bij de kruin. Het daalt in mij af. Het pulseert door mijn lichaam. Het beroert mij van top tot teen.” Ook dit is in het begin een verhaal, dat je jezelf vertelt. Maar ook hier maakt het verhaal het mogelijk, dat wij kracht ervaren en nu van een hogere orde.

Wij vinden een kracht die nu uit de geestelijke wereld komt en zo ontstaan rond ons plotseling andere beelden wanneer wij naar de wereld kijken. Wanneer wij terugkomen uit de concentratieoefening, dan ontstaat voor ons een vreemde vertekening. Het is alsof wij plotseling aura’s zien. Kleuren zijn licht veranderd. Het verdwijnt weer. Het is iets wat maar korte tijd aanhoudt. Misschien een uur, maar het is er en dit bewijst je dan: ik heb deze kracht in mij want ik ben gevoelig voor levende krachten en invloeden die rond mij zijn.

En nu zullen wij voor het eerst kunnen proberen het licht zelf in ons niet te ervaren, maar in ons te doen zijn. Vorm verdwijnt en wat hier ontstaat is een vorm van trance, van verhoging van de bewustzijnsdrempel en wij kunnen op deze wijze nu in onszelf dat licht ondergaan. Er ontstaat in ons wederom een vreemd gevoel. Iets van de ademloosheid die ontstaat voor een groot gebeuren. Wanneer ook dit herhaalde malen mogelijk is geweest, dan beginnen wij met eerst dit licht in onszelf waar te maken, dus regelen dat het lichaam zijn ritme heeft, een ogenblik ons afsluiten en concentreren op wat wij nu van de sfeer van de andere wereld in ons als beeld hebben. Tot het licht sterk is en dan alleen het licht, het licht, het licht… en dan het licht omzetten in een kracht die in jezelf komt.

Nu ben je gekomen op het punt, waarop je werken kunt. Voor die tijd, tijdens de oefeningen, heb je ontdekt, dat je al wat meer kunt uitstralen. Er zijn wat krachten en die zend je uit. Je geneest misschien iemand, of je vindt plotseling een band van begrip met een dier.

Maar nu kun je pas werkelijk aan het werk. Er is een verbinding gevormd tussen de hoogste voertuigen, waarin je bewust bent en het stoffelijk lichaam. Geladen ben je nu met de hoogste kracht, die het levenslichaam omvatten kan, want dit is het maximum aan prana wat je nemen kunt. En nu denken we aan wat wij belangrijk vinden. Je zendt je gedachten uit. Je zendt ze uit naar het lichaam van een mens en je zegt tegen het organisme: verander je werking en het verandert zijn werking. Zendt je gedachten uit naar de materie en zeg tegen haar: gedraag je anders en ze gedraagt zich anders. Zie naar de warrelende stroom van elektronen die verder lopen in een leiding en zeg: stop, en zij stoppen zolang de gedachte geconcentreerd blijft. Je hebt macht gekregen. En nu komt de tijd, dat je die macht moet gaan oefenen. Spreek vanuit jezelf tot de lucht, want in de lucht is leven. Vreemde luchtige wezens gaan door de atmosfeer. Vagen soms menselijke uitstralingen en gedachten weg, soms stralen ze zelf uit. En wanneer u in uzelf die kracht hebt en u denkt aan hen, dan moeten zij antwoord geven. Zeg dan niet tot hen: “Doe de wolken komen of verdwijnen.” Maar vraag hen: “Hoe zal het verdergaan aan de hemel? Wat zal de wind doen, wat doen de wolken? Komt er regen, blijft de aarde droog?” Zij geven antwoord.

Kijk naar het vuur en zeg: “Brand feller of doof uw gloed” en het gaat gehoorzamen. Zie naar het water en zeg: “Draag mij gemakkelijk” en het draagt u. In het begin misschien terwijl ge in het water drijft, totdat ge beseft dat zelfs dat niet nodig is en ge u erover kunt bewegen als over een weg. Het oefenen met natuurkrachten is alleen maar het oefenen van jezelf. Het is niet belangrijk de krachten van de natuur te zeggen waar ze moeten gaan. Het is wel belangrijk te weten, dat ze bestaan en hoe ze reageren.

En dan komt de grote macht die je hebt, de grote kracht tot uiting. Zoek in jezelf het hogere licht. Zoek het felste en sterkste licht te beleven wat je kunt. Telkens weer. Je zult jezelf anders zien. Je zult gereinigd zijn a.h.w. Maar zoek dat licht en wanneer je terugkeert uit dat licht, dan zul je plotseling zien hoe er een vreemd spel van invloeden speelt. Hoe de aarde omringd wordt door krachten. Van sommigen zul je zeggen: je past niet bij mij. Dan zeg je: ga terug. Je kunt de stralingen van de kosmos afwijzen. Je kunt de kleuren van de cosmische heren zelfs afwijzen. Je bepaalt zelf wat je harmonie is en je harmonie bepaal je op het licht, dat je in jezelf hebt gevonden. Dan is er geen vraag meer, wat kan ik doen? Dan is er de vraag: wat vind ik in harmonie van mijn wezen dat ik moet volbrengen?

Wilt u langer leven? Zeg tot uw lichaam: “Hernieuw de afgifte van de afscheidingen die nodig zijn,” Dan weet het lichaam zelf wat het moet doen. Zeg tegen uw lichaam: “Erken uw ritme en herstel uzelf in de volste kracht, opdat ge antwoorden kunt op de prana, die ik verzameld heb” en het lichaam zal antwoorden zolang ge wilt.

Toch zijn deze dingen altijd maar het begin. Elke mens kent zijn kracht, maar hij weet vaak niet hoe hij ze moet gebruiken. Elke mens kent innerlijk die kracht, waartoe hij behoort, die bewustwording die hij bezit, maar hij weet ze niet om te zetten in stoffelijk begrip. Het blijft leeg en vaag.

 Als je iemand zegt: “Je behoort nu reeds tot de derde straal of je bent ingetreden tot het rijk van het vormloze,” dan zal hij “ja” zeggen en niet begrijpen. Maar het is niet voldoende dat wij de kracht hebben, dat wij haar kunnen gebruiken. Het is belangrijk dat wij die kracht beseffen. En daarom moeten wij, nu wij de kracht eenmaal kennen en weten, dat we haar gebruiken kunnen, in onszelf gaan zoeken. Het is dan niet zo belangrijk, dat u tot lood kunt zeggen: “Wordt goud” en tot steen kunt zeggen: “Wordt brood”. Het is alleen belangrijk, dat je kracht erkent in jezelf. Dat je voelt: ik kan kracht uiten. Dat je door oefeningen en al dat andere, de degelijkheid voor jezelf schept om een beetje te beseffen wat je bent.

Wanneer de dromen van de nachten vaag worden, en vaal, wanneer het geloof in jezelf voortdurend wankelt, wanneer je het noodlot niet meer kunt zien al probeer je het soms te dwingen, is het tijd om in jezelf te zoeken.

U hebt in uzelf de mogelijkheid tot harmonie. Maar waar een harmonie is, waarbij het geestelijk bestaan, de geestelijke voertuigen direct verbonden zijn met de stof, daar moeten wel nieuwe gedachten en denkbeelden ontstaan. Daar kun je niet meer blijven in dezelfde saaiheid van herhaalde z.g. redelijke begrippen. Daar komt dan telkens de flits van een weten. De donderslag soms van een plotselinge herkenning. Daar is het gebeuren in jezelf, dat zich aandient en dat moet je toelaten. Wanneer er een impuls in je komt en je ziet een nieuw begrip, een nieuwe waarde en je zegt: “Ach, het is mooi. Het is in mij, maar het past niet in mijn wereld” dan ben je verloren. Dan sluit je een verbinding af. Dan verbreek je een harmonie. Neem het op en zeg tegen jezelf: “Hoe kan dit waar zijn in mijn wereld? Hoe kan ik ermee leven? Hoe kan ik dit uitdragen?”

Door die nieuwe impulsen, die flitsen van gedachten, word je je langzaam bewust van een veelheid van weten en beseffen, een andere wijze van zien en van leven dan je normaal hebt geacht. Je vormt jezelf tot heerser van je lichaam. Je vormt jezelf vooral tot een Weten dat het lichaam kan gebruiken.

Het leven heeft weinig nut wanneer het niets anders is dan het gaan van incarnatie tot incarnatie, wanneer het het voortdurend zich herhalende spel is van hetzelfde gebeuren en dezelfde mogelijkheden. Je moet in je dat bewustzijn uitdrukken. Je moet dat lichaam onderwerpen aan het innerlijk bewustzijn, die innerlijke kracht.

Dat wat je beleefd hebt, is een mogelijkheid. Je bent niet gebonden aan dat wat de wereld zegt dat je bent. Je bent gebonden aan jezelf. De kracht in jezelf. En die moet je leren gebruiken. Je bent niet – zoals je misschien denkt – beperkt tot de werkelijkheid van de stof zoals die rond je leeft. Je bent tenminste gelijk aan wat rond je is. Er is een wederkerigheid.

Wanneer je die wereld in jezelf beseft hebt met een geestelijke waarde en je zegt: “Die geestelijke waarde is in die wereld” dan maak je ze waar in die wereld. Je moet overdragen wat er in je is naar die wereld. Je moet bouwen uit jezelf. Je moet uit de sleur. Uit de voortdurende herhaling van steeds hetzelfde refrein. Je moet steeds vernieuwen, veranderen. Steeds nieuwe krachten en nieuwe waarden creëren. Want zo wordt de harmonie tussen alle krachten in de mens gemaakt tot een kracht, die zich ook hier manifesteert en die zo een wereld doet beleven, die deel is van een harmonisch geheel. Het geheel, waarin je leeft.

Leerlingen zoeken altijd naar het effect, naar het resultaat. Of ze zoeken naar de mooie verklaring, waardoor een resultaat overbodig is. Ik heb veel leerlingen gehad op aarde. Ik heb er nu nog vele in de geest. En altijd zeg ik tot hen: “Verklaringen zijn het broze omhulsel van de werkelijkheid, die je alleen maar beleven kunt. Voorstellingen, materiële voorstellingen zijn niets anders dan de dromen, die je schuift tussen jezelf en een werkelijkheid, die alleen in de harmonie, in de wederkerige werking en harmonie, voortdurend tot uiting kan komen.” Ik zeg tot hun: “Het is niet belangrijk wat je bent. Het is niet belangrijk wat je geweest bent en wat je worden zult. Het enige belangrijke is dat je in jezelf de verbinding met het hogere kunt aanvaarden.” In de sferen zeg ik altijd weer: “Kijk niet naar mij op als de band met het hogere. Zoek in jezelf. Denk niet dat het beeld, de voorstelling die je ziet, een figuur is, die het licht brengen moet. Je hebt in jezelf ook zo’n figuur en dat licht ben je zelf.”

Ik heb ook altijd tot mijn leerlingen gezegd: “Vergeet niet te veel, dat je innerlijk belangrijker is dan al het andere. De vormen rond je veranderen, verbleken. Jij bent iets dat blijvend is. Je bent niet gebonden aan wat rond je is, al denk je dat. Je moet je innerlijk vrijmaken tot je uit jezelf uitdrukt, wat de wereld moet zijn. En als je een werkelijke innerlijk de band met het hogere vindt, dan zul je van die wereld niet verlangen wat ze niet is, maar je zult haar dwingen het masker af te gooien en werkelijkheid te openbaren.” Ik heb altijd weer gezegd: “Kijk naar jezelf.”

Nu ik dan op uitnodiging een ogenblik mijn oude leraarsfunctie opneem, heb ik de behoefte om alles wat ik anders in jaren vertelde, in één keer waar te maken, in één keer te zeggen. Maar luister nu eens naar uzelf. Wat u denkt en wat u doet. Zo in jezelf. En vraag u eens af of u niet elke keer elke harmonie en elk ritme zelf kapot hebt gemaakt. Vraag u eens af of u misschien op een andere manier hetzelfde toch kunt krijgen, maar dan in harmonie. Vraag u eens af of u misschien niet geestelijke waarden en dromen hebt verward met feiten, die er helemaal niet bij horen. Probeer eens even. Denk aan uzelf.

En probeer ook eens uit uzelf de kracht te laten gaan. Wordt een ogenblik een fontein van ontvankelijkheid, van kracht en besef, die uitspuit in onbegrepen werelden misschien, maar die uitgaande van de top verder reikt in het onbekende. Wees niet bang voor het onbekende. Probeer niet alles zo kneuterig, knusserig en oerprettig menselijk te houden. Er zijn andere dingen die vaardiger, belangrijker zijn. Veracht jezelf niet. In je ligt het begin van de kracht, waarmee je verder kunt gaan. Het is alleen maar de vraag of je wilt. Of je werkelijk wilt.

Wanneer u werkelijk dit begrijpt, kunt u wonderen doen. Dan gaat het niet om de wonderen, maar het gaat om de verbondenheid, die eruit blijkt. Streef er a.u.b. niet naar om nu plotseling iets te kunnen wat een ander niet kan. Dat is onbelangrijk. Streef ernaar om dat te zijn, wat de hoogste krachten in je als een vibratie neerleggen om de krachten rond je samen te bundelen in jezelf tot je sterk genoeg bent om het hogere te dragen. En laat het zich dan naar eigen aard en karakter uiten en ontladen in de harmonie, die behoort bij je wezen en die door de stof heendringt tot de wereld.

Leerlingen zijn lastige wezens, want leerlingen proberen altijd hun oude denkbeelden op te leggen aan hun leraar. Veel mensen moeten voor ze die harmonie in zich bereiken, veel vergeten. Maar het is niet belangrijk. Je kunt het je altijd herinneren als het te pas zou komen. Maar de waarheid in je is belangrijker dan alles wat je weet. De leerlingen zijn vaak als hongerige nestvogels, die met opengesperde snavels bidden: geef, geef, geef. Maar elke geest kan zijn eigen vlucht maken. Elk lichaam kan uit zijn eigen ritme zijn eigen krachten bouwen en verdergaan tot in het oneindige.

Een leermeester is er niet om te geven, hij is er alleen om te laten zien hoe het kan. Leerlingen zijn soms een grote vreugde, want opeens als je het niet verwacht, zie je opeens niet meer iemand die hongerig beneden je zit, maar je ziet iemand die groeit, die licht wordt, die kracht wordt, die naast je zit. Dat is de grootste vreugde. Geloof mij, geen vreugde om méér te zijn dan een ander, maar vreugde is te weten dat de ander naast je is. En dat kun je bereiken, want er is licht en er is kracht, overal.

En vanuit alle werelden zijn we bezig met uw wereld. Ook ik ben bezig op uw wereld. Er zijn geesten, lichtende, minder lichtende en verblindend lichte, die op deze wereld zijn en als u de levenskracht hebt, de harmonie in uzelf, dan kunt u naast hen staan. Dan bent u omringd door naasten, door gelijken. En dan is de eenzaamheid en het verschil onderbroken, dan is er de vibratie van het leven zelf, die doorklinkt in alle dingen. Die overal gestalte krijgt.

U ziet het werken van de krachten en je weet ook hoe jij, mens, misschien nog met een lichaam, kunt zeggen: “Wacht hier. Wacht hier, want dit kan ik nog niet.” Of: “Kom en help mij. Want hier is uw kracht nodig.” En als het licht uit alle hemelen straalt, dan nog kunt ge zeggen: “Hier moet schaduw zijn.” En ge kunt zeggen: “Licht, doorklink deze duisternis.”

Zo kunt ge zijn. Zo zijn wij allen. Maar wij moeten het weten. Wij moeten het waarmaken. Wij moeten ons ontwikkelen totdat de geestelijke kracht ons dragen kan. Totdat het lichaam in staat is de ontlading van hoge geestelijke kracht ook te aanvaarden en door te geven aan het lichaam.

We moeten de gebondenheid van de gedachten openbreken totdat wij daarmee in staat zijn de nieuwe denkbeelden, de waarheden die zich in ons openbaren, een plaats te gunnen in onze gedachtengang.

Ik ben natuurlijk maar een oud man. Voor mijn leerlingen ben ik altijd een oud man geweest. Wanneer ik kracht heb of élan, is het niet mijn kracht. Het is mijn harmonie. Wanneer hier op dit moment een kracht is opgebouwd door andere geesten, is dat niet mijn werk en eigenlijk ook niet hun werk. Ze hebben alleen iets gewekt, wat er al is. Ze hebben gezorgd, dat het meer kenbaar en voelbaar is. Zij zijn maar gewone geesten en ik ben een gewone geest van een oud man. Toch kan dit allemaal, omdat de uiterlijkheden vervagen wanneer de kern spreekt.

Dit is nu de waarheid, die mij ertoe brengt om op uw wereld te werken. Ik ben niets bijzonders. Maar wanneer ik zeg tegen krachten: “Verander uw aard” ze veranderen. En wanneer ik tot licht zeg: “Wijzig uw spel:” het wijzigt zijn spel. Want ik ben deel van dat licht. Ik ben deel van die kracht. Ik ben harmonisch met alle dingen en toch ben ik maar een oud man.

U bent maar een gewoon mens. Allemaal gewone mensen, of u het toegeeft aan uzelf of niet. Maar u draagt precies hetzelfde in u wat ik in mij draag. Het is niet belangrijk of u oud bent, te arm of misschien ziek of wat anders. Dat is niet belangrijk. Het is de kern in u, die het doet. U kunt in uzelf de kracht opbouwen. U kunt in uzelf langzaam opgroeien naar het licht.

Ik heb u de weg gewezen en als u het dan nodig vindt, kunt u zelfs tegen uw lichaam zeggen: “Verander jezelf. Wordt gezond. Verander je biologische leeftijd.” U kunt het doen wanneer u het belangrijk vindt. Want wij allen zijn gewone schepselen. Wij allen zijn deel van één kracht. Wij allen zijn in wezen dezelfde kracht. Zo wij de kracht leven, die wij zijn, beheersen wij de verschijnselen, maar dienen wij het geheel met zijn functie en zijn intentie. Dat moeten mensen bereiken. Dat moeten geesten leren. En daar kunnen zelfs hulpelozen als ik soms iets aan bijdragen.

Wat ik u geven kan van harmonie en kracht, zij u gegeven. Moge het een wekroep zijn, opdat de kracht en harmonie in uzelf ontwake en werke.

Ik geloof, dat ik het medium voorzichtig ga vrijgeven. U zou ik graag in mijn bewustzijn blijvend ontmoeten, opdat wij waar kunnen maken, wat in deze wereld verborgen ligt achter uiterlijkheden en illusie.