Esoterische overlevering der ingewijde kringen

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 72

14 juli 1957

Er zijn ongetwijfeld zeer vele wijsgerige gezegden, zeer vele spreuken, die in de loop der tijden het menselijk weten hebben uitgedrukt. Daaronder behoren er enkele, die nooit geopenbaard of gepubliceerd zijn, maar die a.h.w. behoren tot de kern van de esoterische overlevering der ingewijde kringen

Dat wil zeggen, dat men magus moet zijn, dus eigenlijk al heerser over verschillende krachten, voor men tot deze boeken vrijelijk toegang heeft. Waar het in onze bedoeling ligt ook dergelijke werken met U in het komende jaar te bespreken, geef ik U hier alvast een – misschien mag ik zeggen – klein voorschot en citeer hier enkele wijsheden, die ik dan later voor U zal uitleggen.

“De boogschutter heeft niet voldoende aan zijn wapen. Hij moet zijn doel hebben. Zonder doel is een wapen van geen nut. Zoek dus eerst het doel, maar zorg, dat gij niet ongewapend gaat.”

“Wie heersen wil in de werelden van het duister zal niet alleen het licht moeten kennen en in zich dragen, maar tevens de duistere wereld moeten kennen. In de tweeheid der dingen is de eenheid der mogelijkheden gelegen.”

“Wie de werkelijkheid zoekt, vindt de waan. Maar wie met zijn kennen der werkelijkheid de waan verbrijzelt, ontdekt zijn ware wezen.”

“Wie nu zijn doel heeft gesteld, bedenke: Niets is vast en niets is blijvend behalve de kern. De kern is de gestalte der goden. De gestalte der goden nu wisselt niet, omdat zij de ware uiting is van het Alscheppend Vermogen.”

Wij kunnen natuurlijk niet alle punten hiervan onmiddellijk nagaan. Maar een uitleg, die voor sommigen Uwer stof tot overdenken kan opleveren, is wel de volgende:

Wanneer een mens alleen maar leeft zonder te streven, kan hij nooit iets bereiken. Wanneer een mans zozeer streeft, dat hij het leven vergeet, zal hij evenmin iets bereiken. Het is noodzakelijk, dat wij ons de middelen verschaffen om een doel te bereiken, dat wij nastreven. In vele gevallen zal dit nastreven niet alleen een zuiver stoffelijk bereiken of een zuiver geestelijk ontwaken zijn. Alle nastreven moet gebaseerd zijn op kracht. Kracht vindt men door de beheersing, die men ook wel magie noemt. In feite is dus het wapen van de ingewijde, van de bewuste, zijn magische kennis en het gebruik van zijn magische procedure. Hierdoor is hij in staat de wereld a.h.w. te beheersen. De waan, die rond hem bestaat, bestaat evenzeer in zijn magisch ritueel. Hij weet dit echter.

Wanneer wij nu weten, dat ons handelen waan is binnen een wereld, die evenzeer waan is, kunnen wij door ons handelen (uit waan geboren) te stellen tegenover de wereld van waan de waan verbrijzelen. Dan valt de totale wereld ineen. Maar deze wereld, ineengevallen, eenzaam, verlaten, is dan bezield met ons eigen wezen.

Onszelf te leren kennen is het grote doel, dat ons gesteld kan worden, zolang we nog leven binnen begoocheling. Maya, de vertekening der werkelijkheid, regeert overal, waar wij onszelf niet kennen. Op het ogenblik echter, dat wij onszelf kennen en leren onszelf te gebruiken als een middel om de eenheid met de kosmos in ons wezen te bevestigen, zullen wij zeer zeker ook de kracht vinden om onszelf kennende te ontvluchten aan elke waanvoorstelling en te komen tot de werkelijkheid.

De werkelijkheid mag niet worden gezien als één vaste norm. Het scheppend Vermogen openbaart zich aan ons in vele facetten. Die facetten worden bedoeld, wanneer wordt gesproken over de gestalten der goden. De gestalte der goden is waar. Anders gezegd: de verschillende krachten en vormen, waarin God Zich openbaart tijdens de schepping, zijn alle voor ons werkelijkheid. Indien wij verder leren deze werkelijkheid terug te brengen tot het Alscheppend Vermogen, dan wordt ons hierdoor de mogelijkheid gegeven om God a.h.w. te accepteren.

Deze kleine inwijding – want daarbij behoort hetgeen ik geciteerd heb – vindt zijn voortzetting in de z.g. grote inwijding. Bij deze grote inwijding spreekt men o.m. als volgt: “Weten wat je bent is het begin. Weten wat je wil is, is het vervolg. Het kennen van de ware wil van de Schepper en je eigen ware wil is de voltooiing. Er is geen wet behalve de wet, die uit de wil voortkomt. De wil is de Schepper. Voor ons geldt alleen de wet, die uit ons bewustzijn omtrent de wil voortspruit en zo ons eigen willen vertegenwoordigt. Wij kunnen ons echter niet scheiden van wat leeft. Zo zal ons leven gelijktijdig zijn een kennen der duistere onderwereld, der lichte bovenwereld, der vele werkelijkheden, die voor elke mens kunnen bestaan.”

In de grote inwijding wordt de nadruk niet meer gelegd op de persoonlijkheid, op de verschijning. Het bewust worden van jezelf, jezelf leren kennen, is een begin, geen voleinding. Eerst wanneer je jezelf kent, kun je ontdekken, wat je werkelijk wenst, wat je werkelijk wilt. En die wil is bepalend voor de plaats, die je inneemt in het kosmisch bestel. Door dit kosmisch bestel voor jezelf te realiseren erken je bovendien de wil van de Schepper of zo U het anders wilt uitdrukken het ware wezen der schepping. Het kennen van deze grote en ware schepping plus het stellen van eigen wil ter bepaling van het doel binnen die schepping verbrijzelt voor ons elke wet. Wij zijn altijd gebonden tot het ogenblik, dat wij onze ware wil leren kennen.

Het is gevaarlijk om over deze ware wil te spreken, zoals wel eens is gebeurd; bv. als het grote telama. Daarmede krijgt men een afwijking van de grote werkelijkheid. Te spreken over de ware wil betekent de volledige uitdrukking van eigen persoonlijkheid vinden, door het kennen van de eigen persoonlijkheid in al hetgeen er rond ons leeft. Hebben wij dit bereikt, dan is de eenheid met God een feit geworden. Zo zullen wij bestaan zonder verder enige beperking te kennen, noch in stoffelijk noch in geestelijk opzicht. Maar ons bestaan zal deel zijn van de werkelijkheid en deze omsluit alle werelden, waarin wij kunnen bestaan. Het resultaat is de volledige eenwording van alle werelden binnen ons wezen en zo het uitdrukken van onze wil als de wet van al hetgeen binnen ons wezen en in ons leven werkzaam is, zodat wij worden tot de wet.

Dit wordt vervolgd in een verder deel van hetzelfde geschrift, waar wordt gezegd: “Ik ben de wet. Ik ben niet de adept. Ik ben slechts de wet. De wet zijnde ben ik de meerdere van alle adepten. Want de wet, die in mij ligt, is de kracht, die Al regeert ook het kennen van alle ingewijden. Zo ge dit beseft, zult gij U spiegelen in Uzelf en in Uzelf gespiegeld aan Uzelf de grote kracht kennen. Wie de grote kracht kent, openbaart deze en uit deze in zijn eigen bestaan, in zijn eigen wereld. Belangrijk is, dat wie zich openbaart in eigen wereld, gelijktijdig alle verplichtingen draagt van alle werelden en de wet van alle werelden openbaart in de beperkingen van zijn eigene.”

Wie ingewijd wordt en uiteindelijk komt tot een kosmisch besef, kan zijn eigen wil als een wet openbaren daar, waar hij leeft of waar hij zich openbaart. Zijn wezen is geworden tot een dwingende kracht voor al hetgeen rond hem. Maar hij is niet in staat zijn wet te beperken tot één wereld. De wil van de ingewijde werkt door alle werelden heen. En als we dit begrijpen, wordt ons ook duidelijk, waarom men in een ander werk een tweespraak van goden laat verlopen op de eigenaardige manier, die ik hier citeer:

“Ziet, het zaad des lichts is ontbloeid en het zaad des lichts beheerst ons.”

“Doch zijn wij niet de goden?”

“Maar als goden zijn wij onvolmaakt. Het zaad des lichts echter is geworden tot het licht; en in zijn volmaaktheid is het onze meester.”

“Hoe kunnen wij, goden, ons onderwerpen aan het zaad des lichts?”

“Wij onderwerpen ons niet, doch worden erin opgenomen.”

De stelling wordt duidelijk. In het grootste bewustzijn kan het licht alleen één zijn met God; en alle verschijnselen van God – gepersonifieerd of niet – zullen dus in dit licht zijn opgenomen. Er is geen scheiding meer mogelijk.

Zo ziet dan de oude wijsheid de weg van de werkelijke ingewijde en zijn mogelijkheden. Daarnaast echter stelt zij de regelen voor de mens, die niet ingewijd is, maar een inwijding zoekt. Zij doet dit o.m. in een klein geschrift van Atlantische oorsprong, later gewijzigd, in India en in Egypte herhaald en ook op schrift gesteld. Hierin wordt voor degene, die naar inwijding streeft het volgende bepaald:

“Droom niet. Denk niet, dat gij het beeld, dat gij Uzelf schept, tot werkelijkheid kunt maken. Slechts kunt gij in Uzelf werkelijkheid erkennen. Daarom, gij, die zoekt naar inwijding, droom niet. Wanneer gij binnentreedt in de tempel, vraag U niet af: ‘Wat is mijn recht, mijn plaats en mijn taak?’ Doch vraag U af: ‘Wat leeft van deze tempel in mij?’

Wie in zich kan erkennen de waarden, die geuit worden, wie in zich kan erkennen de symbolen van de steen, de symbolen van de handeling, die zal weten wat de werkelijkheid is. Wie inwijding zoekt, bedenke, dat de mens niet één doch twéé werd geschapen. In twee ligt de volmaking van de mens, niet in één. Doch men aarzelde twee te maken tot heerschappij over de een. Slechts de gelijkheid van één en één bouwt de twee, waarin de drie tot uiting komt volgens de kracht, die werkt in één en één.”

Een beetje cryptisch misschien, maar niet zonder zin. Vertaald in de termen van Uw eigen wereld en eigen kringen: Eén ziel alleen kan geen volmaaktheid vinden. Want één ziel is niet een hele mens. Een gehele mens bestaat a.h.w. uit twee delen, die elkaar aanvullen. Wanneer men nu denkt, dat één van de beide delen superieur is, dan wordt het getal twee onevenwichtig; d.w.z. het verliest zijn kracht en zijn betekenis. Het is niet meer even. Dan heeft de totale werking ten slotte alleen een verlies ten gevolge. Eerst wanneer de beide partners want daarover mogen wij spreken in dit geval in een streven naar bewustwording elkaars gelijke zijn en blijven, openbaart zich in hen een derde kracht. De derde kracht, die zich openbaart, is de goddelijke werkelijkheid, die verscholen ligt in elk van de delen. Zo wordt uit de twee a.h.w. de drie geboren; de drie, omvamende twee uitingen maar één werkelijkheid.

Het is deze reden, die er o.a. toe heeft gevoerd, dat vele oude priesterkasten een verplicht priesterlijk huwelijk kenden. Dat wil zeggen, dat de priester slechts mocht huwen met de priesteres, maar dat beiden niet ongehuwd konden gaan boven een zekere graad. Eerst tezamen waren zij in staat verder te gaan en binnen te treden in het heilige. Van af het ogenblik, dat zij tezamen voor de hoogste God waren getreden, waren zij dan ook in staat om elk voor zich als vertegenwoordiging van de tweeheid overal en te allen tijde voor de goden te verschijnen.

Hieraan ligt een grote wijsheid ten grondslag. Want in een verhandeling van veel later datum vinden wij gesteld: De wereld bestaat krachtens tegenstellingen. Een tegenstelling wordt geschapen door twee krachten. Een perfecte tegenstelling is slechts mogelijk tussen twee bepaalde krachten in het maximum van hun uiting. Wanneer wij nu zoeken naar volmaaktheid, zullen wij ons eigen tegendeel moeten zoeken. Als volmaakte tegendelen met een partner kunnen wij ten slotte komen tot een bewustwording van de volledige absorptie van de kracht van de ander. Deze absorptie resulteert in eenheid. Maar de eenheid kent noch het ene uiterste, noch het andere. Daar, waar de uitersten zijn teruggebracht tot een niet-uitbare kracht, is het Goddelijke gerealiseerd. Het Goddelijk in zich te realiseren is het doel van elk bewust wezen. Wie dus zoekt naar inwijding, zoekt tevens naar deze eenheid, waarin hijzelf/zijzelf wordt verheven boven zichzelf en in deze verheffing komt tot de aanvaarding van de werkelijke Kracht.

Het systeem van inwijding is eigenlijk eenvoudig. De gedachtegang, die in dit alles besloten ligt, al evenzeer. U zult kunnen opmerken, dat wij vele malen in deze tijd zonder vaste cursussen, zonder vaste bijeenkomsten, op dit onderwerp terugkomen. Het is n.l. belangrijk, dat wanneer men naar inwijding zoekt men begrijpt, waar de grondtrappen liggen, waar de mogelijkheden liggen, hoe de voleinding bereikt wordt. Puttende uit de geestelijke wijsheid hieromtrent op aarde nooit op schrift vastgelegd, wel geopenbaard kan ik dan het volgende nog stellen: Het zoeken naar God is een zoeken naar jezelf. Zolang je jezelf zoekt, zoek je dus ook God. Maar wie zichzelf zoekt in een beperking van zichzelf, beperkt ook zijn mogelijkheid om God te vinden, Het gehele inwijdingssysteem is niets anders dan een ontwaken tot de werkelijkheid, waarin God Zich openbaart. De weg, die men te gaan heeft om tot inwijding te komen, is dan als volgt:

“Het verwerven van weten; het verkrijgen van begrip; het verkrijgen van de daadkracht, waarin begrip en weten worden uitgedrukt. Het zoeken van de aanvulling voor eigen kracht en begrip, zodat in het begrip het weten wordt aangevuld en omgekeerd het weten uit het begrip voortspruit. Hieruit ontstaat de aanvulling van het eigen wezen. De aanvulling van het eigen wezen brengt met zich mede de bewuste handeling, die steeds is gericht op een contact met de ware, de goddelijke krachten. Elk contact met de goddelijke kracht is een aanvulling van eigen bewustwording. Elke aanvulling van eigen bewustwording betekent een vergroting van inwijding. Wie ingewijd wordt op de laagste trappen, kent alleen het eigen beleven. Wie de volgende treden betreedt, vindt daarin het beleven van het Al. Wie echter de hoogste trappen betreedt, kent het beleven van het Al in zich en God in zich. Wie deze beide belevingen heeft volbracht is identiek met God. Nu is een zodanig bewust deel van het Goddelijke, dat het totaal der goddelijke kracht door hem geuit kan worden, dat hij kan opgaan in het totaal van de goddelijke kracht en deel daarvan zijnde toch zichzelf blijft.

Met dit onderwerp heb ik geprobeerd bepaalde punten aan te snijden, die belangrijk zijn voor U. Wij hopen, dat U er gebruik van zult maken. Want wanneer U deze dingen overdenkt, zult U weten, hoe U Uw eigen weg verder moet kiezen. Wij zullen ongetwijfeld nog veel verder in deze materie kunnen doordringen, wanneer wij binnen een besloten kring weer langere tijd tezamen zijn. Voorlopig zij U dit genoeg.

Ik geef U over aan een volgende spreker, die in samenhang met hetgeen ik hier heb gebracht zal trachten U bepaalde beschrijvingen te geven, die een weerkaatsing zijn van het beleven op verschillende trappen van inwijding. Ik hoop, dat U daarin de wijding maar ook de bewustwording zult vinden, die op deze bijeenkomsten ten slotte toch noodzakelijk is.

o-o-o-o-o

Aan mij nu de taak om voor U een beeld te schetsen van bepaalde belevingen. Ik wil dit doen in drie afzonderlijke delen, elk voor zich bevattende een bepaalde fase van inwijding en daarbij rekening houdende met het feit, dat in verschillende fasen hetzelfde op een andere wijze tot uiting komt.

De eerste trap ligt binnen het onmiddellijk menselijk bereik. Zij heet: opgaan in licht. Zoekende naar het doel van het leven, zoekende naar de kracht om je leed te dragen, naar de oplossing van je problemen, verzink je in jezelf. En in jezelf verzinkende wordt het stil rond je en lijkt het soms, of van alle kanten fluisterende stemmen op je indringen. Ook deze echter zeg je te zwijgen. Dan lijkt het, of je temidden van een wolk bent. Een wolk, die langzaam opzweeft, zonder dat je precies weet waarheen. En steeds wordt die wolk lichter, lichter en lichter. Een enkele kleur openbaart zich. En in deze kleur begint het te schemeren en te trillen, tot nieuwe kleuren worden geschapen. Je voelt je als een wervelende zuil, die omhoog wordt gezogen door een kosmische wind, Het licht wordt feller en feller, de schakeringen groter en groter. En het lijkt, of andere kleuren zich mengen bij de grondkleur, die het begin van je ontwaken was. En dan…..ademloos en stil…..spreek je in jezelf een dankgebed. Het lijkt, of je gedrenkt wordt in kostbare kracht. Het lijkt, of je ontrukt bent aan wereld en schepping. En dan op het ogenblik,dat je je vlerken wilt uitslaan en weg wilt vluchten van heel die hatelijke wereld beneden, wilt wegdrijven in deze zee van kleur, van glorie en pracht, stort de werveling ineen. Wat zo-even licht was, wordt tot een duistere koker; en je ontwaakt met je leed, met je zorg, met je probleem.

Dit is een eerste opstijging, een eerste bewustwording. Maar als je verder gaat hoe verandert dan niet de wereld. Dan mediteer je en je hebt je zorgen en problemen opzij gezet. Je weet immers één te zijn met de kosmische kracht. En dan….. terwijl je denkt en je concentreert op de edelste waarden, die je kent, is het net of het licht rond je verandert. Eerst is het, of rond je stofjes trillen in het zonlicht. Dan is het, of rond je in de wereld kleine vonken zweven. Het is, of de vormen verbleken en veranderen. En steeds intenser wordt je wereld, intenser en bevolkt met andere wezens; wezens, die in je werkelijkheid niet bestonden. Ze zijn met je en ze spreken met je; maar je blijft gebonden in je concentratie.

Langzaam maar zeker verbleken zij, want de wereld wordt helderder, wordt feller. Zo stijg je wereld na wereld omhoog. En telkenmale weer klinken er bekende klanken, maar je kunt nog niet luisteren. Tot eindelijk het licht uit vele kleuren samenvloeit tot een gouden wit, een zon, die brandt. Het is, of je wezen de gloed ervan ondergaat, of je zelf ontdaan wordt van veel, wat je eigenlijk dierbaar was. Je wordt gereinigd en gelouterd. En wanneer je terugkeert, is het of alle werelden je toejuichen. Het is, of je opgaat in alle dingen rond je.

Wanneer je weer terugkeert in de stof, spreken de stemmen van vele werelden nog lange tijd tot je. Niet meer als een gefluister, dat uit de verte komt, maar als het klinken van kerkklokken, die beierend een ogenblik je aandacht vragen. En als je ontwaakt, is het of het licht, dat zo-even buiten in de lucht scheen, thans in je eigen wezen is. Vol ben je van kracht en vol van vrede. En in je weet je, dat je met één gebaar de wereld kunt beheersen, dat één woord voldoende is om een huis te veranderen in een woud of een woud in een woning. Maar je zwijgt. Want je kent het grote geheim: het licht, dat in je leeft, dat in jou geborgen op de wereld werkzaam zal zijn, maar voor alles dient te behoren tot de kern van je eigen wezen. Als je dat bereikt hebt, is die vlucht niet meer een kort ogenblik van bereiken, maar een voortdurend keren naar een huis, waar je woont, een huis van licht, dat je reinigt. Wanneer de wereld je heeft aangetast, wanneer de wereld je leed heeft gedaan of je begeerten heeft gebracht……je ontsnapt er aan, je vliegt op, hoog, hoog in het licht en keert terug, ontdaan van al hetgeen de wereld je een ogenblik had opgelegd.

Je zoekt verder. Je zoekt verder naar de waarheid; en in je denken komt een nieuwe klank, een nieuw begrip, een nieuw licht. Je zet je neer en de lucht rond je leeft niet meer van schemerend licht. Want als je je ogen opheft, is je wereld reeds veranderd. Zij vervloeit in een voortdurende wisseling van vormen. Duizenden gezichten flitsen voorbij; stemmen spreken en versterven. Het is, of de eeuwigheid der tijden is samengevloeid in dat ene ogenblik van beleven. Het is, of je gelijktijdig bent op alle delen der wereld en haar ziet van uit het verre deel der kosmos, als een bol, die bruisend, wervelend, haar baan maakt.

Dan wend je je om, van de aarde af en je staat temidden tussen de sterren. Je ziet de grote oneindigheid der kosmos rond je. Je spreekt en de sterren spreken terug. Het is, of in je een stem zegt: “Er zij licht.” En het duister vloeit samen met de sterren, het Al verbleekt en verschrompelt en daarvoor in de plaats komt een nieuw leven, een nieuw licht. Je ziet plotseling alle sferen, maar je ziet ze tegelijk. Je ziet alle werelden, maar je ziet ze tegelijk. Je hoort alle stemmen van alle tijden en verstaat ze tegelijk.

In die veelheid vormt zich een beeld. Een beeld, dat langzaam maar zeker je een lichtende kern toont, waarvan je weet, dat je dit zelf bent, maar waar je toch nog geen eenheid mee hebt. Dan neem je dat licht en werp je jezelf erin. Nu niet om een loutering te ondergaan of om krachten te putten, maar om er in op te gaan en te versmelten tot de laatste vezel van je wezen.

Dan ben je het licht. En al denken de mensen, dat je op aarde ontwaakt en uit je overpeinzingen teruggekeerd met hen spreekt, je spreekt met alle mensen, met alle werelden. Want er is geen scheiding meer mogelijk. Je beleeft al van de wereld, al van het bestaan, al van de kosmos. En wat je ook doet en waar je ook spreekt en waar je ook denkt en hoe je ook denkt, steeds denk je, spreek je, handel je met de Schepper. En elke daad, geboren uit het lichtend bewustzijn van alle dingen, betekent een schrede dichterbij tot die lichtende kracht, die meer en meer de gestalte en de vorm vindt, die niet slechts is de jouwe, maar van de kern van alle bestaan.

Zo heb ik U een paar beelden gegeven. Beelden, die opzettelijk een klein beetje buiten het bereik van de normale mens zijn gekozen. Ten slotte kennen wij allen wel het begrip van licht en misschien ook het ogenblik van ontrukt zijn. Maar eerst wanneer wij verder doordringen, wanneer wij de ware inwijding vinden, dan kennen wij die grote krachten en dan kunnen wij er ook geen uitdrukking meer voor vinden. Want geloof mij, vrienden, er is – werkelijk waar – geschreven, dat er geen ogenblik is, waarin het “ik” zichzelf volledig kan verloochenen, tenzij het één is met God, Er staat waarlijk geschreven, dat niemand de werkelijke kracht van het Goddelijke zal kunnen ervaren, wanneer hij niet leert zichzelf enigszins te vergeten. Misschien mag ik daar nog wat aan toevoegen, al heb ik dan reeds datgene gedaan, waarvoor ik ben gekomen.

Er zijn altijd voor ons drie wegen mogelijk. Drie verschillende paden, die elk voor zich dezelfde bewustwording mogelijk maken. Elk pad is afhankelijk van eigen tijd en eigen leven.

Het eerste pad is het pad der ontkenning. Wanneer wij onszelf en ons leven ontkennen, dan kunnen we zo komen tot een zelfverloochening groot genoeg om het goddelijk licht als grotere waarheid te aanvaarden dan het eigen “ik”. En zo kunnen wij onze stijgende gang naar het licht beginnen.

Het tweede pad is het pad van de priesterlijke mens, die menselijk levend en denkend en strevend toch voortdurend contact zoekt met zijn God. Die zo in het zoeken naar dit contact begrip verwerft omtrent hetgeen hij aanbidt en daaruit ook zijn weg naar het licht kan beginnen,

De derde weg is de weg van het leven, waarin de mens met al het levende één wordt. Deze éénwording, dit zich vereenzelvigen met alle bestaan en alle leven, dat voortdurende leven, vraagt moed, vraagt kracht, vraagt vooral een voortdurend aanvaarden van alle bestaan en alle dingen in het bestaan. Dan kom je tot een intensiteit van leven, die in jezelf ontwaakt; en dan wordt er in je een lichtende vlam geboren, waaruit je leert het goddelijke licht te herkennen.

Een mens kan vele wegen gaan. De derde weg past niet meer in Uw tijd. De eerste weg is ook voor de doorsneemens niet weggelegd. De tweede weg echter is de weg, die wij allen kunnen gaan. De priesterlijke mens; de mens, die ommentwille van zijn God leeft, voor zijn God leeft en voortdurend zijn God zoekt. Dan mag ik daarvan misschien ook nog een klein beeld geven.

Wanneer je denkt aan God, wordt de wereld stil. Hoe intenser je denkt aan God, hoe meer zich rond je een kathedraal koepelt. Een kathedraal, opgebouwd uit alle leven en alle bestaan. Want al kun je het zelf niet beseffen, je denken aan God maakt voor jou het leven tot een kerk. En dan spreek je je smekende gedachten en je vraagt God: “Geef om mijnentwille aan dit leven vreugde, geef om mijnentwille aan dit leven genezing.” Je vraagt: “God, laat mij de weg vinden ter bevestiging aller dingen. En wat meer is, je ziet uit over je eigen leven en je durft zeggen: “God, het leven is Uw leven en het is een goed leven. Of ik ook lijd en pijnen heb of dat ik mij verheug, of rijkdom of armoede mijn deel is…..God, het leven is Uw kracht en daarom schoon. De schoonheid van het leven aanvaard ik.”

Als je zo spreekt, voel je rond je een stem. Rond je. Je kunt niet zeggen, waar ze precies is. Een stem, die antwoordt. Die zegt: “Ik heb U het leven gegeven en Ik geef U het licht om te leven.” Een stem, die je vertelt – al kun je de woorden niet vatten – wat je moet doen en waar je moet gaan. Een stem, die je gebeden soms verhoort en je soms zegt: “Niet dit is Mijn wil, want dit is niet het leven.” En als je dat allemaal zo kunt accepteren, kunt doorvoelen, dan schrompelt de tempel ook wel weer ineen, ze valt uiteen en ze wordt weer tot de wereld, waarin je bestaat, maar je hebt voortdurend het idee van een contact met God en de drang om God te ontmoeten. En zo bouw je elke keer weer de tempel voor jezelf op.

Maar er komt een ogenblik, dat je verder durft gaan dan alleen te bidden in de levenstempel. Dat je verder gaat dan het heilige der heiligen. Dat je durft staan tegenover de Kracht van het leven zelf. En als je daar eenmaal staat, begint de werkelijke inwijding, de werkelijke bewustwording.

Dat is een weg, die je allemaal kunt gaan. Hij begint met een accepteren van het leven zonder klagen. Hij begint met een zoeken naar God in alle leven; en het scheppen van de innerlijke stilte, waarin we pas werkelijk tot God kunnen bidden.

Zo heb ik dan ook mijn steentje bijgedragen,  met mijn voorstelling van de zaak tot het geheel. Ik ga nu heel rustig het woord weer overgeven aan de laatste spreker, die ook voor U zal sluiten.

o-o-o-o-o

En dan praat men maar over inwijding, nietwaar vrienden? Ze spreken van dingen, die je mooi vindt en die allemaal zo enorm ver weg zijn. Tenminste, dat denk je. Maar voordat ik het slotwoord ga spreken mag ik misschien nog wel een paar kleine woordjes zeggen.

U denkt, dat U alleen is. Maar U bent nooit alleen. U denkt, dat een poort van het leven voor U gesloten wordt. Maar in feite valt de poort alleen maar weg. U denkt misschien, dat het noodlot U achtervolgt. Dat is niet waar. Want U kent alleen intenser de werkelijkheid van Uw bestaan.

Denk eens goed na. Al die inwijdingsgedachten zijn een beschrijving van het gevolg. Maar waar ligt nu de oorzaak? Waar is dan het werkelijke begin? In onze Vader? Zeker. Maar eigenlijk eerder in de band, die er bestaat tussen ons en het leven. En dan bedoel ik niet alleen Uw eigen wereld. Zou er één van U zijn, die een ogenblik lang geen contact heeft, niet met een wereld of sfeer, maar met honderd werelden en sferen? Zou er één ogenblik je zijn, dat een mensenziel afgesloten is van God? Neen, nietwaar? Je hebt altijd contact, ook wanneer je het soms niet merkt. Je wordt altijd geholpen en geleid!

Het begin is de grote liefde, die alle werelden samen brengt in een streven naar God. Het begin is ons aandeel in deze werelden. En wanneer we dan zelf in ons de kracht voelen om alle wereld lief te hebben, alles, het lelijke en het mooie, dat wat voor ons deed en wat voor ons leven lijkt; wanneer we de kracht vinden om te aanvaarden, wat men ons geeft aan hulp, in een oprecht geloof, een oprecht vertrouwen in de Vader, in al hetgeen Hij ons schenkt, dan hebben wij de eerste schrede al gezet. Dan kunnen wij nog heel gewone mensjes blijven. Mensjes, die niet ineens wonderen doen, werelden verlaten of spreken van allerhoogste bewustwording. Gewone mensen in een gewoon leven. Maar mensen, waarin de liefde tot alle leven is geworden een kracht, waaruit dat licht geboren wordt. Dan leer je om te denken.

Dan leer je veel begrijpen. Dan leer je te aanvaarden en niet te klagen. En heb je dat geleerd, dan ga je leren kracht te vinden, kracht te putten uit alles, wat rond je is. En als je die kracht vindt, dan zijn de beelden, die onze vriend ons zo-even heeft voorgehouden, niet alleen maar een wensdroom, een beeld, dat zover buiten je bereik ligt, dat je het niet kunt vinden en beroeren. Dan zijn die beelden geworden tot een werkelijkheid, die vlakbij ligt. Die je misschien zó kunt vatten, beroeren en verwerkelijken.

Daarom, vrienden, wilde ik voordat ik aan mijn slotwoord begin U wijzen op de grote liefde, de grote eenheid, die de achtergrond moet zijn van ons hele leven, ons hele bestaan, waar wij ook zijn, Dat is het begin van de inwijding. Het einde is het begrip van de liefde, zodat ze niet meer onredelijk lijkt voor ons, maar volkomen duidelijk en verantwoord is in een eenheid van bestaan,

0-0-0-0-0-0

BLIJ ZIJN

Vreugde.

De zon lacht en speelt met de wolken en zilver komt haar licht naar beneden. En ik, ik zie er het licht en ik weet al gaat het een wijle ook speels waar heen ik weet, er wordt uit dit lichte geboren een vreugd’, ’n herinnering, die nooit meer vergaat; een blijdschap, die altijd en eeuwig in ’t leven, in ’t wezen, in ’t ik, in mijzelf bestaat.

Een meester, een lering, een vreugdig ervaren, ’n ontwaakt nieuw begrip. ’t Is of de vreugde in mij blijft waren. En heb ik ’t verloren en lijkt het een stip in de oneindigheid gegaan wat ik heb verkregen is blijdschap en vreugde. Wat in mij leeft, blijft altijd bestaan.

Ik ben moe van het leven en ik moet ervan scheiden. Het lichaam wordt koud en de lucht wordt zo zwaar. En rond mij, daar dreigt mij de dreiging der ouden: de dood, ’t onontkoombare, het eeuwig gevaar.

Maar hoe zal ik vrezen en hoe zal ik lijden, wanneer er in mij het leven bestaat? Er is blijdschap in ’t wezen, nu andere wereld eindelijk, eindelijk opengaat. Wat in het leven mij ook zou gebeuren, wat in een sfeer m’ ook ooit weer drijft, het is altijd de Schepper, Die in mij Zijn lied van de eeuwige vreugde, van vreugde slechts schrijf.

Daarom is in mij de eerlijke blijdschap, al doet je het leven en streven soms pijn. Te weten van God, dat is heel je leven, heel je bestaan steeds weer bij te zijn.

Ja. En zouden wij niet blij zijn? Blij zijn om alles, wat we krijgen? Om alles, wat dan toch het onze is? Om alles, wat ons nog wacht in het leven? Wat ons wacht in andere levens? Zouden wij niet blij zijn van binnen, wanneer wij weten, dat God op ons wacht in de volmaking? En als we tot Hem ontwaken dat alle dingen vervuld zullen zijn?

Daarom, vrienden, weest blij. Blij ook, wanneer het soms wat minder goed gaat. Pluk de vreugden van elk leven. Pluk ze niet voor jezelf maar als ’n tuil van ervaringen, een kleine bloemenruiker, die je God aanbiedt. Dan wordt de blijdschap voor jou het licht, waaruit je opgaat tot hoger licht. Dit is niet alleen maar een stelling. Dit heb ik in mijn leven geleerd en bevestigd gevonden in alle sferen.